DRK-Rapport Duurzame participatie
Tekst van het document
29
In de uitwerking van de verschillende transitiepaden is bovenstaande visualisatie verder uitgewerkt. Zo zijn de volgende visualisaties opgenomen voor het transitiepad wonen, waarin de warmtetransitie is verwerkt.
Figuur 2. Transitiepad wonen, routekaart 2050. Ook zijn in de routekaart verschillende mijlpalen opgenomen voor de transitiepaden. Voor het transitiepad wonen betreft dat de volgende mijlpalen.
30
Figuur 3. Mijlpalen transitiepad wonen, routekaart 2050. In de volgende stap wordt de routekaart vertaald naar een vierjarige uitvoeringsagenda. Hierin worden voorstellen voor projecten gedaan, inclusief een kostenindicatie en dekkingsvoorstellen voor aanvullende maatregelen. 2.1.4. Beschikbaarheid van middelen Budget In het Programma energietransitie zijn geen budgetramingen opgenomen voor de verschillende projecten. In de meest recente halfjaarrapportage is opgenomen dat de financiën en de beschikbaarheid van capaciteit worden opgenomen in een aparte financiële cyclus voor het programma; deze is nog niet opgesteld. Wel zijn de financiën opgenomen in de begroting.10 In de begroting voor 2024-2027 valt de energietransitie onder het Programma duurzame stad.11 Voor dit programma is de volgende raming opgesteld.
10 11
Begroting 2024-2027. Begroting 2024-2027.
31
Figuur 4. Overzicht exploitatie begroting 2024-2027 In het coalitieakkoord wordt aangegeven dat de gemeente werkt aan haar ambities voor duurzaamheid, maar dat de uitvoering haar nog niet snel genoeg gaat.12 Het college geeft aan dit komt door ervaren beperkingen in financiële middelen en beschikbaarheid van voldoende vakmensen binnen de uitvoering en de gemeente. Daarom stelt het college middelen beschikbaar in deze collegeperiode om de uitvoering verder te kunnen versnellen, aanvullend op middelen vanuit het Rijk. In de begroting is dan ook opgenomen dat er middelen vrij worden gemaakt uit de reserve Beleid en Uitvoering (€ 600.000 in 2024, naar aanleiding van de motie Energie in de wijken13 (totaal: € 15 miljoen)). Verder worden er in 2024 middelen verstrekt vanuit het Fonds Delft 2040 ten behoeve van het Open Warmtenet Delft. Dit is een bedrag van € 3.027 miljoen. Globaal wordt het programma energietransitie vanuit vijf financiële stromen gedekt:14 1. Specifieke uitkering Capaciteit Decentrale Overheden Klimaat- en Energiebeleid vanuit de Rijksoverheid (t.b.v. personele en materiële kosten voor de uitvoering van het klimaatakkoord. 2. SPUK-regelingen vanuit de Rijksoverheid (t.b.v. projecten voor isolatie en energiearmoede). 3. Reserve Beleid en Uitvoering (t.b.v. uitvoering motie Energie in de wijken). 4. Fonds Delft 2040 (t.b.v. aanleg van het Open Warmtenet).
12
Coalitieakkoord 2022-2026. Motie Energie in de wijken, 15 juni 2023. 14 Begroting 2024-2027. 13
32
5. Vergoedingen vanuit externe partijen voor aanleg infra (t.b.v. hoogspanningsstation van Stedin, warmtepompcentrale van Geothermie Delft, WarmtelinQ van Gasunie en (vanaf 2026) voor aanleg hulpwarmtecentrale). Lasten en baten omtrent warmte, besparing, klimaatadaptatie en opwek van energie vallen onder het programma ‘duurzame stad’. Lasten en baten omtrent andere aspecten van de duurzaamheidstransitie – denk aan circulariteit en mobiliteit – vallen (deels) onder andere programma’s, zoals ‘schone en veilige stad’ en ‘bereikbare stad’. 2.2. Analyse 2.2.1. Ambities en doelen De gemeente streeft verschillende ambities na op het gebied van de energietransitie: besparing van CO2, opwek van duurzame energie, besparing van energie, en overstappen op duurzame warmte. De opgestelde ambities zijn uitgewerkt in tussendoelen voor 2030, 2040 en 2050. Daarbij komen de doelen ook logisch voort uit het landelijke Klimaatakkoord. De doelen zijn opgesteld in 2013 en zijn sindsdien bijgesteld en waar nodig aangepast. De ambtelijke organisatie geeft aan dat de doelen uit de routekaart een actualisatie zijn van de doelen in de nota uit 2013. De doelen uit de nota van 2013 zijn – zo wordt aangegeven – niet formeel vastgesteld door de raad. De doelen zijn helder en duidelijk geformuleerd. De doelen zijn namelijk kwantitatief geformuleerd, met een duidelijk tijdspad en een heldere afbakening.
Daarmee is het mogelijk om de doelen te monitoren richting de toekomst, en om tussendoelen te formuleren. Immers: als bekend is waar de gemeente op de lange termijn wil staan, dan kan ook terug worden geredeneerd naar de kortere termijn. De doelen zijn nog steeds in lijn met het Klimaatakkoord, het warmteplan en ‘bouwen aan de samenleving’. Ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen hebben daardoor het beeld dat de doelen nog steeds actueel zijn en geen aanpassing behoeven. Zij geven dan ook breed aan dat het nu niet de tijd is om de doelen te herijken, maar juist om de doelen te gaan realiseren. Meer beleid is - zo blijkt uit interviews - binnen de gemeente niet wenselijk. De routekaart bevat dan ook geen nieuwe doelen, maar juist een toekomstbeeld naar hoe tot realisatie wordt gekomen op basis van bestaand beleid. Ook is de routekaart een actualisering van de nota uit 2013. Ambtelijk wordt aangegeven dat de routekaart als referentiekader gebruikt gaat voor sturing en monitoring. Dat wil zeggen dat niet meer wordt gestuurd op de doelen die voor de routekaart waren geformuleerd. Vanaf het moment dat de routekaart wordt vastgesteld, gelden de daarin opgenomen doelen. Dit is echter nog niet als zodanig geëxpliciteerd in het raadsvoorstel bij de routekaart. Vertaling van regionale doelen | Opwek Behalve dat Delft eigen, gemeentelijke doelen heeft, maakt zij ook deel uit van de RES.
In de RES zijn ook doelstellingen opgenomen voor besparing, warmte en opwek. Wat opvalt is dat deze regionale doelen niet zijn uitgewerkt tot het lokale niveau van Delft. Afspraken over de wijze waarop Delft gaat bijdragen aan de doelen voor opwek, zijn er dan ook niet. Ambtelijk betrokkenen geven aan hierin op dit moment geen knelpunt te gezien. Dit 33
hoeft ook niet, aangezien de gemeente zich op dit moment bewust vooral focust op warmte en minder op opwek. Dit omdat de gemeente geen overduidelijke mogelijkheden heeft voor grootschalige opwek van elektriciteit. Delft heeft een klein grondgebied en kan geen grote windturbineparken of zonneparken realiseren. In plaats daarvan ligt de focus op zonnepanelen. Hierover wordt in interviews aangegeven dat het plaatsen van zonnepanelen relatief ‘vanzelf’ gaat binnen de gemeente, o.a. door Rijkssubsidies voor het plaatsen van zonnepanelen en financiële voordelen voor inwoners om zonnepanelen te plaatsen. Het is dan ook niet het idee van ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen dat de gemeente hier sterk op moet gaan acteren en inspelen. Omdat Delft minder focust op elektriciteit, is het ook minder nodig om de regionale doelen te vertalen naar lokaal niveau. Deze vertaling is nu ook nog niet te maken, aangezien er een andere opzet wordt gehanteerd van de doelen. In de gemeente wordt ingezet op het aandeel duurzame energie van het totaal. In de RES wordt ingezet op een absolute hoeveelheid. Dat is nu een mismatch maar door de beperkte focus van de gemeente op opwek, is dit nu geen punt van aandacht. Wel zorgt dit er voor dat de RES-doelen vooral op papier staan en geen daadwerkelijke doorwerking vinden in het beleid van Delft.
Vertaling van regionale doelen | Warmte en besparing Voor warmte zijn in de RES-regio bijna geen kwantitatieve afspraken gemaakt. Wel is in de RES opgenomen dat wordt ingezet op reductie van 20% in energie (besparing) in de gebouwde omgeving in 2030 (ten opzichte van 2021). Dit is al in lijn met de gemeentelijke doelstelling, die is gericht op 50% minder energie ten opzichte van 1990. De overige doelstellingen voor warmte in de RES - gericht op o.a. bronnen en een regionale warmtestructuur - zijn niet kwantitatief en hoeven dan ook niet kwantitatief vertaald te worden naar lokaal niveau. Ze dienen echter wél door de gemeente te worden ingevuld. De strategie voor warmte wordt de komende tijd door Delft verder uitgewerkt: op buurtniveau in warmte-uitvoeringsplannen en op gemeenteniveau tot een Lokale Energiestrategie (Energie Strategie Delft) en een Omgevingsprogramma warmte. Er wordt daarbij, als onderdeel van de Lokale Energiestrategie, een bronnenstrategie opgesteld. In het omgevingsprogramma worden de afspraken en keuzes gemaakt over de precieze locaties van het warmtenet en warmtekavels. 2.2.2. Uitwerking en middelen In de laatste jaren is overgestapt van een uitvoeringsprogramma van drie jaar naar een langlopend programma. In lijn met de nieuwe routekaart richting 2050 wordt een nieuwe vierjarige uitvoeringsagenda opgesteld. Hierin worden projecten gekoppeld aan kosten.
De halfjaarrapportage blijft daarbij dienen als periodieke monitoring van de projectresultaten. Ambtelijk wordt aangegeven dat hier een jaarlijkse monitor met indicatoren aan zal worden toegevoegd. Daarmee krijgt de raad meer inzicht in de realisatie van de doelen op de korte termijn (halfjaarrapportage), de middellange termijn (uitvoeringsagenda en monitor) en de lange termijn (in de routekaart). Op basis van de routekaart kan de raad zien wat er de komende jaren nog nodig is aan realisatie om de doelen te kunnen behalen, inclusief wat daarvoor nodig is aan projecten en plannen, middelen en capaciteit. Het kan namelijk zijn dat de gemeente nu al moet anticiperen op bijvoorbeeld het binnenhalen van meer capaciteit.
34
Met de nieuwe routekaart krijgt de raad naar verwachting meer mogelijkheden om kortcyclisch te gaan sturen op de lange termijn. Door de periodieke herijking - elke vier jaar - kan de routekaart ook worden ingezet om meer het strategische gesprek te voeren tussen raad en college over doelrealisatie en de sturing hierop. Financiën De gemeente heeft een duidelijke ambitie, uitgewerkt tot doelstellingen en geconcretiseerd met activiteiten. Mogelijk knelpunt daarin zijn financiën. Delft is - net als alle gemeenten in Nederland - afhankelijk van Rijksfinanciering voor het kunnen uitvoeren van het beleid. Daarnaast hebben gemeenten in het algemeen investeringsruimte nodig op het gebied van warmte, gelet op de grote investeringen die moeten worden gedaan om woningen aardgasvrij te maken. Zekerheid over deze financiering is er allerminst, zo geven ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen aan. Er is vooral sprake van incidentele financiering in de vorm van subsidies bijvoorbeeld - door het Rijk, in verschillende stromen. Het is nog niet zeker dat deze incidentele financiering wordt voortgezet, ook omdat er nog geen nieuw kabinet is. Ook zijn er naast uitvoeringslasten en investeringskosten ook subsidies nodig in de stad. Met subsidies kunnen ondernemers en inwoners gestimuleerd worden om te verduurzamen.
Daarom heeft de raad gelden vrijgemaakt, bijvoorbeeld uit het Fonds Delft 2040 en de reserve Beleid en Uitvoering (voor de uitvoering van de motie ‘energie in de wijken’). Dit zijn incidentele middelen voor een periode van 3 jaar. Op dit moment geven de rapportages en de begroting nog beperkt inzicht in de financiën. Zo wordt in de halfjaarrapportage niet gereflecteerd op financiën, en kent de begroting een hoger abstractieniveau. Ook is er sprake van dat delen van de transitie – zoals mobiliteit – vallen onder andere domeinen van de begroting. Dit komt doordat de energietransitie domeinoverstijgend is en dus raakt aan verschillende aspecten van de begroting. De gemeente kan niet sturen op financiering vanuit het Rijk. Wel is het noodzakelijk dat de gemeente kan prioriteren. Het gaat dan om prioriteren in de gemeentelijke activiteiten. Dit kan door vooral te focussen op die projecten waarmee veel impact kan worden gemaakt. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gemeente de impact van de verschillende projecten inzichtelijk heeft. De routekaart stelt de gemeente in staat om op basis van de beoogde impact van de projecten te gaan prioriteren. Door de afhankelijkheid van middelen van het Rijk is het dus op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn - nu en in de toekomst om de energietransitie uit te kunnen voeren.
De raad probeert hier echter wel op in te spelen door incidentele middelen vrij te maken. Capaciteit Bij prioritering is het natuurlijk wel van belang dat er ook daadwerkelijk keuzes worden gemaakt. Keuzes om bepaalde projecten niet meer te doen of op de lange baan te schuiven. Ambtelijk betrokkenen geven aan dat Delft - zowel in raad, college als ambtelijke organisatie - niet de cultuur heeft van ‘nee’ zeggen tegen ambities, waardoor er druk kan ontstaan op financiën en capaciteit. Binnen de raad, het college en de ambtelijke
35
organisatie bestaat er een grote ambitie voor de energietransitie, en men wil hier tempo op maken. Dat is positief, gelet op de grote opgave die er ligt. Dit is echter ook een risico als het toch nodig is om te prioriteren vanwege beperkte financiën of capaciteit; dit is of kan bij veel gemeenten een knelpunt worden. Ambtelijk wordt aangegeven dat het wel lukt om – waar nodig – te prioriteren, maar dat blijft wel een uitdaging. In Delft is de capaciteit volgens de ambtelijk betrokkenen op dit moment op orde om de huidige activiteiten uit te voeren, maar expertise blijft voor hen ook een uitdaging. 2.2.3. Governance Binnen de gemeente Delft wordt de energietransitie - samen met Delft-West en het Innovatiedistrict Delft - benoemd als een van de drie opgaven waarop wordt gefocust in deze collegeperiode. In dat kader is er in 2023 gewerkt met opgaveregie, aanvullend op de reeds bestaande programmasturing. Waar eerder alleen een programmamanager – onder de ambtelijk opdrachtgever – was aangesteld voor de ambtelijke aansturing, is er nu een opgaveregisseur toegevoegd. Ambtelijk betrokkenen geven aan dat de programmamanager zich vooral richt op de uitvoering, terwijl de opgaveregisseur zich richt op het verbinden van opgaven en de externe samenwerking. Verder zijn er sinds eind 2023 een controller en een financieel adviseur voor de 3 opgaven aangesteld.
Er is sinds kort sprake van een integrale benadering van opgaven binnen de ambtelijke organisatie. Ambtenaren werken anders met elkaar samen, en dit moet ook op directie- en collegeniveau gaan doorwerken. Samenwerking tussen de domeinen - zeker als meerdere domeinen voorrang vragen - is daarin van groot belang om de opgave goed vorm te kunnen geven. Ambtelijk betrokkenen geven aan dat de gemeente zich hierin nog verder moet ontwikkelen. Men werkt aan gemeente-overstijgende en grensoverschrijdende thema’s, maar de uitvoering is nog vooral belegd binnen één programmateam. Ambtelijk betrokkenen geven dan ook aan dat de transitie binnen de gemeente daardoor nog veel bij een kleine groep ambtelijke koplopers ligt. Het is positief om te zien dat er door een groep wordt gewerkt aan tempo maken, maar dat is kwetsbaar. De resultaten van de energietransitie kunnen niet los komen te staan van het reguliere werk van de gemeente. Wat als deze groep koplopers de gemeente verlaat? Dan wordt er niet alleen waardevolle kennis van de transitie gemist; er gaat ook een deel van de integraliteit binnen de gemeente verloren. De energietransitie kan niet ‘los’ staan binnen de ambtelijke organisatie, maar moet overal in verankerd en geïnternaliseerd worden.
Integraliteit moet zich steeds verder doorontwikkelen binnen de organisatie, gekoppeld aan de verdere ontwikkeling van de opgaveregie in de organisatie. 2.3. Toetsing aan het normenkader Groen Aan de norm wordt volledig of grotendeels voldaan. Oranje Aan de norm wordt gedeeltelijk voldaan. Rood Aan de norm wordt niet of nauwelijks voldaan.
36
Aspect
Norm
Opzet beleid
1. Er zijn heldere en concrete doelen geformuleerd ten aanzien van de energietransitie. 2. Het is helder en inzichtelijk hoe de lokale doelen zich verhouden tot de regionale doelen. 3. De doelen zijn consistent en volledig vertaald in activiteiten en maatregelen. 4. Er zijn voldoende middelen beschikbaar om de activiteiten uit te voeren.
Norm 1. Er zijn heldere en concrete doelen geformuleerd ten aanzien van de energietransitie. De gemeente heeft heldere en concrete doelen geformuleerd voor de energietransitie; doelen en ambities richting zowel 2050 als 2030 en 2040. De doelen zijn kwantitatief geformuleerd en sluiten aan op andere, nationale, doelstellingen. De doelen worden geactualiseerd met de routekaart en zullen periodiek worden herijkt. Daarmee is aan de eerste norm volledig voldaan. Kanttekening daarbij is dat het doel rondom de opwek van elektriciteit op dit moment geformuleerd is als percentage van het totale energieverbruik. Gelet op nieuwe ontwikkelingen rondom mobiliteit (elektrische auto’s) en warmte (warmtepompen), is het te verwachten dat het totale verbruik van energie juist gaat stijgen. Een formulering van een percentage van het geheel is hierom minder goed passend. Daarnaast is het van belang dat de raad goed op de hoogte is van de status van de verschillende doelstellingen. Vanaf het vaststellen van de routekaart wordt gemonitord op de doelen hieruit. De doelen uit 2013 vervallen daarmee. Dit is echter nog niet als zodanig geëxpliciteerd in het raadsvoorstel bij de routekaart. Norm 2. Het is helder en inzichtelijk hoe de lokale doelen zich verhouden tot de regionale doelen. In de RES-regio Rotterdam-Den Haag zijn doelen opgesteld voor warmte, opwek, mobiliteit en energiesystemen.
Veel van de regionale doelen zijn niet kwalitatief, maar zijn bijvoorbeeld gericht op onderzoeken of samenwerken op een ontwikkeling. Waar kwantitatieve doelen zijn geformuleerd, zijn deze vooral gericht op opwek. In de regio is dit geformuleerd als een absoluut aantal TWh (minimaal 2.8 TWh in 2030). Zoals hierboven aangegeven, is de opwek in Delft geformuleerd als een percentage duurzame opwek van het totale energieverbruik. Op dit aspect is het niet inzichtelijk hoe de lokale doelen zich verhouden tot de regionale doelen, door de mismatch in formuleringen. Dit is echter in Delft op dit moment geen issue. De gemeente richt zich vooral op warmte, en minder op opwek. Dit omdat de gemeente geen ruimte heeft voor grootschalige opwek en opwek via zonnepanelen vooral wordt beïnvloed door stimuleringen en ontwikkelingen van buitenaf. Daarmee is aan de tweede norm volledig voldaan. Kanttekening daarbij is dat het in de rapportages wel duidelijk moet zijn hoe de gemeente invulling geeft aan de doelstellingen van de RES, en of het lukt om de regionale doelen te behalen. Norm 3. De doelen zijn consistent en volledig vertaald in activiteiten en maatregelen. De doelen zijn vertaald naar activiteiten en maatregelen in verschillende beleidsdocumenten, bijvoorbeeld de nota Bouwen aan een duurzame samenleving, het isolatieplan, het warmteplan en het Programma energietransitie.
De activiteiten en maatregelen zijn daarbij gekoppeld aan de verschillende doelen die worden 37
nagestreefd. Op opwek worden op dit moment beperkt activiteiten en maatregelen uitgevoerd, maar dit is te verklaren door de beperkte focus van de gemeente op dit thema. Met de routekaart is ook te zien welke activiteiten en maatregelen er nog aankomen, en wat de beoogde impact hiervan is. Dit is gekoppeld aan de transitiepaden en gericht op het verminderen van de CO2-uitstoot. Daarmee zijn de doelen consistent en volledig vertaald, en is aan de derde norm volledig voldaan. Norm 4. Er zijn voldoende middelen beschikbaar om de activiteiten uit te voeren. Op dit moment geeft de gemeente aan nog geen knelpunten te ervaren rondom capaciteit en middelen. Het team is de laatste jaren uitgebreid, het Rijk financiert meerjarig de uitvoeringslasten en vanuit de raad zijn middelen vrijgemaakt om inwoners middels subsidies te stimuleren. Daarmee is aan de vierde norm volledig voldaan. Kanttekening hierbij is dat het programma vanuit veel verschillende stromen wordt gefinancierd. Voor raadsleden kan het hierdoor lastig zijn om inzicht te behouden in de verschillende kosten die op het programma worden gemaakt, en de mate waarin deze kosten door de gemeente zelf gedekt moeten worden. Ook vallen verschillende aspecten van de transitie onder verschillende programma’s. Dit kan het zicht van raadsleden verder beperken.
Dit is wel logisch, aangezien het thema domeinoverstijgend is en dan raakt aan verschillende delen van de begroting. Dat er nu voldoende middelen beschikbaar zijn, betekent uiteraard niet dat dit ook in de toekomst zo is. Eerder werden nog vrij veel ‘laag fruit’-activiteiten uitgevoerd, zoals communicatiecampagnes. De daadwerkelijke grote, intensieve projecten - de warmteuitvoeringsplannen of het Warmtenet - zitten nog in de beginfase of in de beleidsontwikkelfase. De ambtelijke organisatie verwacht dat er in de toekomst nog extra middelen nodig zijn om de energietransitie te kunnen realiseren, zowel op het punt van capaciteit (denk aan technische medewerkers, ook bij externe partijen) als op het punt van investeringen en subsidies. Vooral op die laatste punten is de gemeente - net als alle andere gemeenten - voor een groot deel afhankelijk van het Rijk. Als dat wegvalt, kan de uitvoering in de knel komen. Zelfs wanneer er vanuit de gemeente zelf meer middelen worden vrijgemaakt. Dit doordat het de verwachting is dat er meer financiering nodig is dan de gemeente zelf kan organiseren om alle woningen aardgasvrij te kunnen maken richting 2050.
38
3.
Doelrealisatie
In dit hoofdstuk wordt eerst de doelrealisatie beschreven (§3.1). Vervolgens wordt de realisatie geanalyseerd (§3.2) en vindt de toetsing aan de normen plaats (§3.3). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de realisatie van de volgende doelen: - 55% daling van CO2-uitstoot in 2030 (ten opzichte van 1990. - 25% duurzame energie als aandeel van totaal energiegebruik in 2030. - 50% minder energiegebruik in 2030 (ten opzichte van 1990. - 20% van de woningen aardgasvrij in 2030. Bovenstaande doelen worden met de routekaart geactualiseerd. Aangezien de routekaart nog niet is vastgesteld door de raad, wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de doelstellingen uit de nota van 2013. 3.1.
Ligt de gemeente Delft op koers om haar doelen te behalen?
3.1.1. Uitvoering van acties en maatregelen Planning De voortgang van de planning is onderdeel van de halfjaarrapportage die twee keer in het jaar wordt gedeeld met de raad. Daarin wordt per project aangegeven hoe het staat met de planning: ‘uitstekend’, ‘goed’, ‘matig’ of ‘uitdaging’. Dit wordt gevat in een totaaloverzicht.15 De rapportage hiernaast laat zien dat de planning een uitdaging is voor het project Warmtepompcentrale, en matig gaat voor de projecten Delft wordt Groen, Aanpak energiearmoede, Open Warmtenet Delft en WarmtelinQ.
Figuur 5. Totaaloverzicht voortgang projecten, halfjaarrapportage 15
In de rapportage wordt hier het volgende over gezegd. Het project Delft wordt Groen gaat in Q2 verder met het ontwikkelen van een plan van aanpak. Daarvoor is het nodig dat alle afdelingen van de gemeente en verschillende partners in de stad goed worden betrokken. Het project Aanpak energiearmoede kent een goede start maar de gemeente wil een grotere doelgroep bereiken met informatie over energiehulpen. Er wordt daarvoor in samenwerking met woningcorporaties een campagne
Programma energietransitie halfjaarrapportage Q1 en Q2 2023
39
gestart bij wooncomplexen met veel energiearmoede. Voor het project Open Warmtenet Delft moet worden gewerkt aan het sluitend krijgen van de businesscase; dat is een uitdaging en hangt af van de businesscase van Geothermie Delft. Om afspraken te maken tussen de consortia die betrokken zijn bij beide projecten, is een dialoog nodig die meermaals heeft gezorgd voor uitstel van de planning. Het project WarmtelinQ heeft vertraging opgelopen vanwege complexiteiten tijdens de aanleg en weersomstandigheden die het uitvoeren van werkzaamheden bemoeilijkten. Het project Warmtepompcentrale gaat in Q3 verder met het ter inzage leggen van het bestemmingsplan. De organisatie geeft aan dat de doorlooptijd van de bestemmingsplanprocedure een doorslaggevende factor is voor het realiseren van warmtelevering met geothermie. De planning hiervan is geclassificeerd als een uitdaging. In de jaarrekening van 2022 wordt voor het programma Duurzaam Delft ook ingegaan op de uitgevoerde activiteiten voor de energietransitie. Per werkstroom worden kort de uitgevoerde activiteiten beschreven. Over de werkstroom techniek wordt bijvoorbeeld het volgende gerapporteerd.
Figuur 6. Rapportage activiteiten, jaarrekening 2022 Daarbij wordt geen koppeling gemaakt met de mate waarin door het uitvoeren van de activiteiten vordering wordt gemaakt in de realisatie van de doelen en de ambities van de energietransitie. Uitvoering binnen budget In de volgende tabel is op basis van de jaarrekeningen een overzicht opgenomen van de kosten voor het programma16, uitgesplitst naar begrote lasten (na wijziging) en gerealiseerde lasten (bedragen x € 1.000). Specifiek wordt gekeken naar verschillen tussen begrote en gerealiseerde lasten voor het onderdeel energietransitie.
16
In de begrotingen van 2020 tot 2023 heet het programma Duurzaam Delft. Daarvoor heette het programma Duurzame stad. Vanaf de begroting van 2024 heet het programma weer Duurzame stad.
40
Jaar
Lasten Verschil lasten begroot/gerealiseerd programma Duurzaam Delft/Duurzame stad Verschil lasten begroot/gerealiseerd energietransitie
2019
2020
2021
2022
Begroot
Gerealiseerd
Begroot
Gerealiseerd
Begroot
Gerealiseerd
Begroot
Gerealiseerd
4.792
3.997
5.018
5.562
5.924
6.370
6.614
6.728
795
-544
-446
-564
227
-187
-444
-502
Uit bovenstaande tabel is op te maken dat de kosten door de jaren heen zijn gestegen. Dit is in lijn met de intensiveringen op deze transitie de afgelopen jaren. Sinds 2021 is te zien dat de lasten voor het onderdeel energietransitie hoger uitvallen dan begroot, zo rond de € 500.000. Uit de jaarrekeningen komt naar voren dat dit vaak gepaard gaat met een stijging in de begrote baten, door bijvoorbeeld het beschikbaar komen van extra middelen vanuit het Rijk. In de jaarrekeningen van 2020 en 2021 wordt aangegeven dat de uitgaven voor de energietransitie binnen budget blijven. In 2021 geeft de gemeente daarnaast aan dat de lasten lager zijn uitgevallen door lagere ambtelijke inzet. Voor 2022 geeft de gemeente aan dat er zowel lagere lasten als baten waren voor dit onderdeel door niet verwachte specifieke uitkeringen, kleine energiebesparende maatregelen en energiehulpen. Voor 2019 wordt de afwijking op het onderdeel niet toegelicht.17 Ter vergelijking: de gerealiseerde lasten voor het programma in 2022 zijn ongeveer 1,6% van de totale gerealiseerde lasten in 2022. 3.1.2. Doelrealisatie: tussentijdse mijlpalen en uiteindelijke doelen Tussentijdse mijlpalen In deze paragraaf wordt per tussentijdse mijlpaal (lees: de doelen richting 2030) de doelrealisatie uiteengezet. De doelrealisatie is gemonitord door CE Delft die hun bevindingen in mei 2022 hebben gepubliceerd.
De rapportage van CE Delft is gericht op hernieuwbare energie (vanaf 2013) en CO2-emissies. In deze paragraaf wordt per tussentijdse mijlpaal (lees: de doelen richting 2030) de doelrealisatie uiteengezet. De doelrealisatie is gemonitord door CE Delft die hun bevindingen in mei 2022 hebben gepubliceerd. De rapportage van CE Delft is gericht op hernieuwbare energie (vanaf 2013) en CO2-emissies.18 Mijlpaal: in 2030 is de emissie van CO2 55% gedaald ten opzichte van 1990.19
17
In 2019 heette het onderdeel ‘energietransitie’ in de jaarrekening ‘klimaatplan INV’. In 2020 is de naam hiervan gewijzigd naar Delft energieneutraal. 18 Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft, CE Delft, mei 2022. 19 Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft, CE Delft, mei 2022.
41
De grafiek laat zien dat de CO2uitstoot is gedaald ten opzichte van 1990. De cijfers laten zien dat de uitstoot ten opzichte van 1990 met 43% is gedaald. De daling komt voornamelijk vanuit daling in de uitstoot als gevolg van aardgas. Dit komt volgens CE Delft door verplaatsing van industrie en efficiëntere industrie, net als isolatie van woningen. Hoeveel besparing van uitstoot het resultaat is van Figuur 7. CO2-uitstoot 1990-2020, verplaatsing van industrie en hoeveel monitoringsrapportage CE Delft besparing resulteert uit efficiëntere industrie, is niet bekend. De gemeente verwacht dat de ingezette daling van uitstoot van aardgas verder doorzet door onder andere het verder aardgasvrij maken van woningen via de warmte-uitvoeringsplannen. Kanttekening hierbij is dat de data uit 1990 zijn gebaseerd op rekenmodellen van CE Delft en het CBS. Daadwerkelijk gemeten uitstootcijfers voor CO2 zijn landelijk niet beschikbaar. Ook in de jaarrekening wordt gerapporteerd over de emissie van CO2.20
Figuur 8. Indicator CO2-uitstoot, jaarrekening 2022 In de jaarrekening wordt aangegeven wat het streven is voor de CO2 uitstoot (597 kiloton), wat de stand is ten tijde van de jaarrekening (-22%) en wat daarmee de status is (groen; op koers). In de toelichting wordt aangegeven dat de uitstoot 22% gedaald is ten opzichte van 2013, en 44% ten opzichte van 1990.
20
Jaarrekening 2022.
42
Mijlpaal: in 2030 is het aandeel duurzame energie ten minste 25% van het totale energiegebruik van Delft.21
Figuur 9. Aandeel hernieuwbare energie 2013- Figuur 10. Opwek zonne-energie, 2020, monitoringsrapportage CE Delft monitoringsrapportage CE Delft De linker grafiek laat zien dat de gemeente Delft in 2020 222 TJ aan hernieuwbare energie realiseerde. Het totale energieverbruik (inclusief verkeer en vervoer) was in 2020 7.153 TJ. Het aandeel hernieuwbare energie was daarmee 3,1% van het totale energiegebruik. Het doel van opwek moet vooral worden gerealiseerd met zon op dak. Hierin zit een stijgende lijn (rechter grafiek). De klimaatmonitor22 laat zien dat de hoeveelheid duurzame energie in 2021 is gestegen naar 251 TJ. Het totale energieverbruik is in 2021 gedaald naar 7.103 TJ. Het aandeel hernieuwbare energie voor 2021 is daarmee 3,5%. Dit zijn de laatst beschikbare cijfers. In de jaarrekening wordt benoemd dat de lokale opwek van energie lager is dan het landelijk gemiddelde, doordat Delft geen ruimte heeft voor grootschalige opwek middels windturbines of zonneparken.23 Hier zijn in de jaarrekening geen cijfers of streefwaarden aan gekoppeld, zoals dat wel is gedaan met de CO2-uitstoot. Mijlpaal: in 2030 wordt 50% minder energie gebruikt dan in 1990.24
Figuur 11. Energieverbruik 2013-2020, monitoringsrapportage CE Delft
21
Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft, CE Delft, mei 2022. Regionale klimaatmonitor, www.klimaatmonitor.databank.nl 23 Jaarrekening 2022. 24 Monitoring CO2-uitstoot en energie gemeente Delft, CE Delft, mei 2022. 22
43
De tabel laat zien dat het totale energieverbruik in de gemeente tussen 2013 (7.665 TJ) en 2020 (7.153 TJ) is afgenomen met 6,67%. De klimaatmonitor heeft uitgebreidere cijfers, van 2010 tot 2021, zie ook onderstaande grafiek:25
Figuur 12. Energieverbruik 2010-2021, klimaatmonitor De grafiek laat zien dat het energieverbruik is afgenomen tussen 2010 (8.509 TJ) en 2021 (7.103 TJ) met 16,5%. De ambtelijke organisatie geeft aan geen cijfers beschikbaar te hebben over de periode 1990 tot 2009. Mijlpaal: In 2030 is minstens 20% van de woningen aardgasvrij.
Figuur 13. Hoofdverwarmingsinstallatie woningen, klimaatmonitor
Figuur 14. Percentage woningen op aardgas, klimaatmonitor
In 2022 wordt 17.4% van de woningen zonder aardgas verwarmd (daling van 2,5% t.o.v. 2017).26 Daarmee ligt de gemeente al relatief dicht bij het doel van 20% aardgasvrij in 2030,
25 26
Regionale klimaatmonitor, www.klimaatmonitor.databank.nl Regionale klimaatmonitor, www.klimaatmonitor.databank.nl
44
al daalt het aantal woningen met een gasaansluiting niet sterk. Daar moeten de warmteuitvoeringsplannen vorm aan geven, maar die zijn nog in de beginfase. Dit percentage geeft geen inzicht in bestaande woningen die van het gas afgaan. Dalingen in het aantal woningen dat zonder gas wordt verwarmd kan ook het resultaat zijn van nieuwbouw zonder aardgasaansluiting. Ook kan het zijn dat woningen die zonder gas verwarmd worden, nog wel gebruik maken van gas voor warm water of koken. Dat betekent dat deze woningen niet volledig aardgasvrij zijn. Het daadwerkelijke percentage aardgasvrije woningen zal in realiteit lager liggen 17,4%. Regionale doelen: 2.800 GWh duurzame opwek in 2030.
Figuur 15. Voortgang gerealiseerde duurzame opwek, voortgangsrapportage RES Rotterdam-Den Haag De voortgangsrapportage van de RES laat zien dat de regio inmiddels 1.042 GWh heeft gerealiseerd wat betreft duurzame opwek.27 Om de ambitie van 2.800 GWh te realiseren, moet nog 1.758 GWh worden gerealiseerd. In de rapportage wordt hierover gezegd dat de voortgang van zon op land en wind op land nog achterblijft bij de regionale ambitie. De voortgangsrapportage stelt hierover: “Een aanzienlijk deel van de ambitie is vanwege bestuurlijke argumenten ‘niet realiseerbaar’.” Desgevraagd geeft de gemeente aan dat deze bestuurlijke argumenten vooral betrekking hebben op het plaatsen van windturbines. Delft heeft geen opgave voor windturbines. Daarom zijn deze bestuurlijke argumenten niet van toepassing op Delft. 3.1.3. Aanvullende benodigde maatregelen In de jaarstukken en de halfjaarrapportage wordt niet expliciet teruggeblikt op de doelrealisatie en de effecten van de maatregelen op de doelen. De routekaart laat wel zien dat een aantal plannen richting 2030 en 2050 moet gaan bijdragen aan de reductie van CO2uitstoot. Deze plannen moeten nog verder vorm krijgen en gekoppeld worden aan financiering en capaciteit. Op dit moment is niet opgenomen in de stukken dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
Of dit uiteindelijk nodig is, zal moeten blijken bij de periodieke bijstelling van de uitvoeringsagenda en de routekaart.
27
Voortgangsrapportage RES Rotterdam-Den Haag, maart 2023.
45
3.2. Analyse 3.2.1. Uitvoering Planning In de halfjaarrapportage wordt ingegaan op de planning van de verschillende projecten en de voortgang hiervan. Uit de meest recente rapportage over Q1 en Q2 van 2023 komt naar voren dat de meeste projecten op koers van planning liggen. Bij vier projecten is de voortgang van de planning matig. Bij de projecten Delft wordt Groen en Aanpak energiearmoede moet in 2023 verder worden gewerkt aan planvorming of uitvoering. Het project WarmtelinQ is vertraagd vanwege weersomstandigheden en defecten aan warmteleidingen die de uitvoering bemoeilijkten. Het project Open Warmtenet Delft is vertraagd door het sluitend moeten maken van de businesscase. Hierover moeten afspraken worden gemaakt met consortia, betrokken bij het Open Warmtenet Delft en de geothermiebron. De dialoog die hiervoor nodig is, is meermaals uitgesteld. Alleen binnen het project Warmtepompcentrale is de status van de planning geclassificeerd als ‘uitdaging’. Hiervoor moet een bestemmingsplanwijziging worden doorgevoerd. De doorlooptijd hiervan is - zo geeft de organisatie in de rapportage aan doorslaggevend voor het tijdig realiseren van warmtelevering met geothermie. De halfjaarrapportage biedt de raad geen specifiek inzicht in de financiën van de projecten.
Rapportage is op dit detailniveau in principe ook niet nodig, zolang de raad voldoende zicht heeft op de breedte middels de jaarrekening. In de jaarrekening worden geen grote afwijkingen gerapporteerd op het thema door de jaren heen. De lasten vallen sinds 2020 consequent hoger uit dan begroot maar dit gaat gepaard met hogere baten, bijvoorbeeld door het beschikbaar komen van Rijksmiddelen, zoals in 2022. Risico’s Wat betreft de uitvoering van de acties en maatregelen, lukt het de gemeente - zo geven de rapportage en de jaarrekening aan - om dit te doen binnen de kaders van planning en financiën. Wel is de verbinding tussen verschillende projecten een risico. De planning van het warmtenet is afhankelijk van de planning van de geothermiebron en de planning van de warmtepompcentrale. Dit is weer van belang voor de planning van de warmteuitvoeringsplannen. Vertraging op het ene project zorgt voor vertraging op het andere. Door een stilstaande dialoog met de partners op het ene project, kan het andere project niet verdergegaan. Deze wederzijdse afhankelijkheid maakt dat de gemeente risico’s loopt met de uitvoering. Daarmee loopt de gemeente ook risico’s voor de uiteindelijke doelrealisatie. Deze wederzijdse afhankelijkheid tussen de projecten wordt weliswaar benoemd in de rapportage, maar de risico’s die de andere projecten hierbij lopen, worden beperkt uiteengezet.
De raad heeft met alleen de rapportage maar beperkt zicht op deze risico’s; deze is niet voldoende om daar een goed beeld van te vormen. De ambtelijke organisatie geeft in interviews aan dat in de raadswerkgroep Energietransitie wordt gesproken over de uitvoering. Het ligt voor de hand dat deze risico’s hier worden besproken. Het is daarbij wel zaak dat deze informatie ook goed terechtkomt bij de rest van de raad. De leden van de raadswerkgroep moeten dit goed kunnen terugkoppelen aan hun mederaadsleden.
46
3.2.2. Doelrealisatie | Tussentijdse mijlpalen Tussentijdse mijlpalen Uit de meest recente cijfers komt naar voren dat de gemeente niet voor alle tussentijdse mijlpalen voor 2030 op koers ligt. Mijlpaal: in 2030 is het aandeel duurzame energie ten minste 25% van het totale energiegebruik van Delft. Rondom opwek van elektriciteit ligt de gemeente nog niet geheel op koers om de doelen richting 2030 te behalen. Dit wordt ook erkend door de ambtelijke organisatie en het bestuur. Hierover wordt in interviews aangegeven dat de opwekdoelen van Delft vooral gerealiseerd moet worden via het plaatsen van zonnepanelen op bedrijfs- en woningdaken. Daarover wordt aangegeven dat dit redelijk ‘vanzelf’ gaat. In de cijfers is dan ook te zien dat de opwek van zonne-energie gestaag stijgt de afgelopen jaren. Externe ontwikkelingen zoals financiële voordelen van het plaatsen van zonnepanelen of subsidies voor het plaatsen, zijn hierop vooral van invloed. Ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen zien hierbij dat deze ontwikkelingen nu zorgen voor een stijging van zonnepanelen. Omdat de gemeente geen opgave heeft voor grootschalige opwek van elektriciteit - via zonneparken of windturbines - heeft het bestuur er voor gekozen om te focussen op warmte; de raad is ook meegenomen in die keuze.
Uit de raadssessie komt naar voren dat de focus op warmte logisch is, gelet op de grotendeels autonome ontwikkeling van zonnepanelen. Kleine maatregelen die kunnen worden ondersteund, moeten echter volgens raadsleden niet uit het oog worden verloren. Complicerende factor in de doelrealisatie is dat de gemeente het doel voor opwek geformuleerd heeft als percentage van het totale energieverbruik (25% duurzaam). Ontwikkelingen als warmtepompen of laadpalen voor elektrische auto’s vragen veel energie. Hoewel er meer zonne-energie wordt opgewekt, weegt dit vooralsnog niet op tegen de vraag naar energie. Deze vraag neemt niet snel af. De meest recente cijfers (2021) laten een percentage duurzame opwek zien van 3,5%. Het ligt dan ook nu niet in de lijn der verwachting dat het doel - zoals nu geformuleerd - wordt bereikt. Het is dan als resultaat hiervan ook de vraag of een doel - geformuleerd als percentage - nog past, gelet op de wijze waarop de transitie zich ontwikkelt. Mijlpaal: in 2030 wordt 50% minder energie gebruikt dan in 1990. Rondom besparing is het lastig om de doelrealisatie goed inzichtelijk te maken. Het doel van de gemeente Delft is gericht op 50% minder energieverbruik ten opzichte van 1990. Cijfers voor 1990 zijn echter niet feitelijk beschikbaar. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van terugrekenmodellen.
De cijfers die nu beschikbaar zijn in de Klimaatmonitor, zijn vanaf 2010. Uit deze cijfers is te zien dat de gemeente in 2021 ten opzichte van 2010 16,5% minder energie verbruikt. Deze complicerende factor wordt ook door ambtelijk betrokkenen erkend. Er wordt in interviews aangegeven dat de besparing van energie vooral gestuwd moet worden door isolatie; dit krijgt vorm via het isolatieplan. Deze is in maart 2023 vastgesteld en de resultaten hiervan moeten nog blijken. Mijlpaal: In 2030 is minstens 20% van de woningen aardgasvrij. Rondom warmte is te zien dat nu ruim 17,4% van de woningen door een andere bron dan aardgas wordt verwarmd. Dit is richting het doel van 20% aardgasvrij in 2030. Wel laten de
47
data van de laatste jaren zien dat het percentage niet snel stijgt. Om de laatste ‘duw’ te geven richting de realisatie van het doel, is het van belang dat de warmteuitvoeringsplannen vorm krijgen. De gemeente bevindt zich op dit punt in de beginfase. Men is nu bezig in de eerste buurt. Verder moet het warmtenet worden uitgerold over de stad. Ook hieraan wordt gewerkt. Het is het beeld van ambtelijk betrokkenen dat de gemeente met de realisatie van het warmtenet voldoende op koers komt voor de realisatie van het warmtedoel. Kanttekening hierbij is dat de mijlpaal hierbij gericht is op het percentage woningen dat aardgasvrij wordt verwarmd, niet om het aardgasvrij maken van bestaande woningen. Het doel zou ook kunnen worden behaald middels nieuwbouw die niet op gas is aangesloten. Dit doel gaat nog geen beeld geven van de impact van de warmte-uitvoeringsplannen. Mijlpaal: in 2030 is de emissie van CO2 55% gedaald ten opzichte van 1990. Rondom emissie van CO2 is te zien dat de emissie in 2020 met 43% is gedaald ten opzichte van 1990, wetend dat de cijfers van 1990 gebaseerd zijn op rekenmodellen. De gemeente ligt hierbij op koers om het doel van 55% reductie te behalen. Ambtelijk een bestuurlijk betrokkenen herkennen ook dat de gemeente op koers ligt richting 2030. De routekaart laat zien dat er in 2050 nog wel een restemissie wordt verwacht.
Betrokkenen geven hierover aan dat deze emissie buiten de invloedsfeer van de gemeente ligt. Complicerende factor bij deze doelstelling is opnieuw de beschikbaarheid van informatie. De cijfers laten zien dat de afname van CO2-uitstoot op dit moment vooral het resultaat is van een dalende uitstoot bij bedrijven. Het is echter niet inzichtelijk te maken of deze daling is ingezet doordat bedrijven verduurzamen of doordat bedrijven verdwijnen en verhuizen uit Delft. In het laatste geval kan de daling van uitstoot niet worden gekenmerkt als resultaat van het beleid. Het is daarbij de verwachting van ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen - zo wordt in interviews benoemd - dat de daling van uitstoot bij bedrijven versneld zal worden door wetgeving. De routekaart laat dit ook zien. De grootste bijdrage aan het behalen van de emissiedoelen komt voort uit externe factoren, waar nationale wetgeving een belangrijk deel van uitmaakt. Daling van de CO2-uitstoot moet ook worden gerealiseerd door een daling van uitstoot bij huizen. Dit moet vooral worden gerealiseerd door het aardgasvrij maken van huizen. Dat moet een boost krijgen via het warmtenet en de warmte-uitvoeringsplannen. Regionale doelen De RES-regio Rotterdam-Den Haag waar Delft deel van uitmaakt, ligt niet op koers om het kwantitatieve doel voor opwek van elektriciteit te behalen.
In de regio is tot doel gesteld om 2800 GWh elektriciteit op te wekken. In de laatste rapportage is aangegeven dat er op dit moment 1042 GWh wordt gerealiseerd. Daarbij wordt in de rapportage aangegeven dat de beperkte realisatie vooral het gevolg is van bestuurlijke argumenten. Hierover wordt aangegeven dat dit vooral bestuurlijke argumenten rondom windturbines betreft. Bestuurlijk betrokkenen geven in interviews aan dat deze bestuurlijke argumenten niet spelen voor Delft doordat Delft geen ruimte heeft op haar grondgebied voor grootschalige opwek via windturbines. De raad is op de hoogte van de beperkte doelrealisatie binnen de RES-regio. De raad heeft in september 2023 bij de behandeling van de voortgangsrapportage voor de RES dan ook
48
een motie aangenomen.28 In deze motie ‘aanmoediging van ambitieuze actie voor de Regionale Energiestrategie (RES)’ wordt uitgesproken dat de raad van Delft zich zorgen maakt over de doelrealisatie. Daarbij wordt het college verzocht om deze zorgen te delen met de andere colleges en raden in de RES-regio. Ook wordt het college verzocht om de bezorgdheid mee te nemen als uitgangspunt voor verdere gesprekken in de RES met andere colleges. De andere doelen vanuit de RES zijn geen kwantitatieve doelstellingen. Deze doelstellingen zijn vooral gericht op het inzetten op besparing van warmte en het samenwerken op het realiseren van alternatieve bronnen. Deze doelen zijn vrijwel niet te monitoren. Wel is binnen de gemeente Delft te zien dat er wordt ingezet op deze doelen, via het samenwerken voor het warmtenet en de geothermiebron. 3.2.3. Ligt de gemeente Delft op koers? Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat de gemeente voor enkele aspecten van de energietransitie - warmte en CO2-uitstoot - de tussentijdse mijlpalen behaalt. Voor andere aspecten - opwek, besparing en het RES-doel – is dit nog niet het geval. De routekaart laat zien dat wel verwacht wordt dat de gemeente op koers komt te liggen voor het behalen van de doelen richting 2030 en 2050. Hiervoor wordt wel uitgegaan van externe factoren die buiten de invloedsfeer liggen van de gemeente.
Ook wordt uitgegaan van plannen waarvoor nog geen capaciteit of middelen zijn vrijgemaakt. In de rapportages die de raad nu krijgt, zijn de cijfers nog niet gekoppeld aan de doelen. Voor de huidige stand van zaken moet de raad deze koppeling zélf maken. Dat is mogelijk, maar de raad is wel gebaat bij een overzichtelijk beeld van de doelrealisatie. De routekaart maakt wel de impact van de projecten op de doelen voor de raad inzichtelijk en welke projecten er nog aankomen. In de rapportages is dit nog niet inzichtelijk gemaakt; dit moet nog volgen. Het bovenstaande wordt ook in de interviews aangegeven door de ambtelijk betrokkenen. De ambtelijke organisatie heeft behoefte om hier wel inzicht in te krijgen, vooral op het punt van efficiëntie: hoeveel besparing realiseer ik met deze euro inzet op dit project? Al is impact op dergelijk detailniveau vrijwel onmogelijk om in beeld te brengen. Wel kan door de – verwachte, globale – impact van projecten inzichtelijk te maken met de routekaart geprioriteerd worden. De projecten met grote impact eerst, en dan de rest. In de toekomst kan het nodig zijn dat de gemeente moet gaan prioriteren. Vanuit de raad wordt hier een start mee gemaakt middels een checklist.29 In de checklist wordt gekeken naar: 1) wat draagt het bij aan de samenleving, 2) wat draagt het bij aan de portemonnee, en 3) wat draagt het bij aan het wooncomfort.
Voor zover mogelijk wordt hierop antwoord gegeven en kan de raad op basis hiervan keuzes maken en prioriteren. In veel gesprekken wordt aangegeven dat alle onderdelen van de organisatie - ambtelijk, bestuurlijk en raad - gas willen geven op de transitie. Dat is positief en wordt gewaardeerd, want hiermee heeft het college de ruimte en de middelen van de raad om aan de slag te
28 29
Motie ‘aanmoediging van ambitieuze actie voor de Regionale Energiestrategie (RES)’, 13 september 2023. Checklist gemeenteraad Delft.
49
gaan. Wel loopt de gemeente daarmee het risico dat de raad juist te veel wil, wat niet gerealiseerd kan worden en waarmee capaciteit en middelen worden uitgeput. ‘Nee’ zeggen is ook van belang, maar ‘nee’ kan alleen gezegd worden op basis van een onderbouwd verhaal over efficiëntie en impact. Dat verhaal was voor de routekaart lastig te vertellen door de ambtelijke organisatie en kon dus ook nog niet worden uitgedragen door het college richting de raad. Als de routekaart binnenkort ook wordt gekoppeld aan financiën en benodigde capaciteit, kan dit verhaal beter worden verteld.
3.3. Toetsing aan het normenkader Groen Aan de norm wordt volledig of grotendeels voldaan. Oranje Aan de norm wordt gedeeltelijk voldaan. Rood Aan de norm wordt niet of nauwelijks voldaan. Aspect
Norm
Doelrealisatie
1. De acties en maatregelen worden conform planning en binnen vastgestelde budgetten uitgevoerd. 2. De uitvoering van acties en maatregelen leidt aantoonbaar tot de realisatie van tussentijdse mijlpalen. 3. Het college ligt op koers om de doelen te realiseren. 4. Het is inzichtelijk wat (aanvullend) nodig is om de doelen te realiseren.
Norm 1. De acties en maatregelen worden conform planning en binnen vastgestelde budgetten uitgevoerd. De halfjaarrapportage laat zien dat de acties en maatregelen grotendeels binnen planning worden uitgevoerd. Bij enkele projecten is te zien dat er vertraging wordt opgelopen of dat er risico’s zijn voor de planning. Het is echter wel zo dat de projecten die vertraging oplopen of die risicovol zijn, ook de projecten zijn die waarschijnlijk veel impact hebben op de warmtetransitie: het Warmtenet, WarmtelinQ en de geothermiebron. Dit is een risico. De halfjaarrapportage zelf omvat geen financiële terugkoppeling. Wel is in de jaarstukken te zien dat er geen grote financiële afwijkingen zijn binnen het Programma energietransitie. De meeste projecten worden binnen de planning en de financiële kaders uitgevoerd. Daarom kan de normtoetsing op groen worden gezet (volledig voldaan). Echter, daar waar er sprake is van vertraging, kan dit grote gevolgen hebben voor de doelrealisatie op het thema warmte. Dit risico - evenals de afhankelijkheid van het ene project van het andere wordt nog niet evident vanuit de rapportage. Het is dan ook de vraag of de raad hiermee een goed beeld heeft van de uitvoering en de impact hiervan op de doelrealisatie. Hierdoor is de normtoetsing alsnog gescoord als oranje (gedeeltelijk voldaan). Norm 2.
De uitvoering van acties en maatregelen leidt aantoonbaar tot de realisatie van tussentijdse mijlpalen.
50
De gemeente is goed op weg als het gaat om het reduceren van CO2-emissies en het aardgasvrij maken van woningen. Voor opwek en besparing worden stappen gezet, maar is het nog niet zeker of de doelen worden behaald. Bovenstaande informatie is uit de cijfers te halen, al worden deze cijfers nu in de rapportages niet expliciet gekoppeld aan de doelstelling. De routekaart maakt de impact van de uitvoering van project X op doel Y inzichtelijker voor de raad. Voor de doelrealisatie tot nu toe, kan de raad dit nog niet zien. Zo kon de raad tot nu toe niet zien hoe efficiënt de uitvoering is en in welke mate de doelrealisatie het resultaat is van externe factoren, zoals strengere wetgeving voor bedrijven of gunstige financiële voordelen bij het plaatsen van zonnepanelen. Gelet op de tot nu toe beperkte koppeling van acties aan impact, is het niet met zekerheid te zeggen dat de realisatie van de tussentijdse mijlpalen het gevolg is van de uitgevoerde maatregelen. Al is wel te zien dat een aantal van de tussentijdse mijlpalen bereikt (gaat) worden. Daarmee wordt aan de tweede norm gedeeltelijk voldaan. Norm 3. Het college ligt op koers om de doelen te realiseren. De tussentijdse mijlpalen worden nu gedeeltelijk behaald (zie norm 2). De routekaart maakt inzichtelijk hoe de doorkijk richting 2050 er uitziet en of het college op koers ligt.
Hieruit blijkt dat het college op koers ligt om de doelen te realiseren in 2050, ervan uitgaande dat alle plannen, projecten en externe factoren de beoogde impact hebben. Daarmee is aan de derde norm volledig voldaan. Norm 4. Het is inzichtelijk wat (aanvullend) nodig is om de doelen te realiseren. De routekaart heeft inzichtelijk gemaakt welke projecten en plannen nodig zijn om de doelen te realiseren. Op basis hiervan kan worden bepaald of er aanvullende maatregelen nodig zijn. Ook kan bepaald worden of er aanvullende capaciteit of middelen nodig zijn. Daarmee is aan de vierde norm volledig voldaan.
51
4.
Rol van de raad
In dit hoofdstuk wordt de rol van de raad beschreven (§4.1), vervolgens geanalyseerd (§4.2) en vindt de toetsing aan de normen plaats (§4.3). 4.1. Hoe is de rol van de raad vormgegeven? De raad krijgt informatie aangeleverd over de stand van zaken van de energietransitie. Zo ontvangt de raad twee keer per jaar een halfjaarrapportage over het Programma energietransitie. Hierin wordt de stand van zaken gedeeld van de verschillende activiteiten waar de gemeente mee bezig is. Daarin wordt geen link gelegd naar de doelstellingen. Financiële informatie ontvangt de raad via de jaarstukken. In de halfjaarrapportage over Q1 en Q2 2023 is opgenomen dat de raad voor het Programma energietransitie ook financiële informatie gaat ontvangt. Ambtelijk wordt aangegeven dat de financiële rapportage nog moet worden ontwikkeld. Ook is men ambtelijk bezig met een jaarlijkse monitor bestaande uit indicatoren om de doelen te kunnen volgen. De raad wordt verder geïnformeerd over specifieke aspecten van de energietransitie. Zo is de raad geïnformeerd omtrent de keuze voor de Multatulibuurt om te starten met de warmte-uitvoeringsplannen. Daarnaast is de raad geïnformeerd over het warmteplan en het isolatieplan. Deze laatste twee plannen zijn ook vastgesteld door de raad.
Ook heeft de raad besloten over het onttrekken van € 3.784.000 uit het Fonds Delft 2040 ten behoeve van de ontwikkeling van het warmtenet. In december 2023 heeft de raad besloten om nogmaals € 4 miljoen vrij te maken voor een warmtepompcentrale. Verder wordt de raad bijgepraat over de uitvoering en de doelrealisatie via de raadswerkgroep Energietransitie. De raad heeft proactief gestuurd op het realiseren van de energietransitie middels de motie Energie in de wijken, in juni 2023. Door het aannemen van deze motie diende het college te onderzoeken hoe middelen uit de verkoop van Eneco kunnen bijdragen aan het behalen van de duurzaamheidsdoelen. In een raadsvoorstel heeft het college vervolgens uiteengezet dat er maximaal € 15 miljoen wordt besteed aan maatregelen voor de warmteuitvoeringsplannen, het isolatieplan en het Open Warmtenet. De bestedingsvoorstellen zijn vervolgens verwerkt in de begroting. De raad wordt via de reguliere P&C-cyclus over de uitvoering geïnformeerd. Verder heeft de raad proactief geacteerd op haar informatiebehoefte door het verzoek te doen voor een checklist, ten behoeve van besluitvorming voor projecten in de energietransitie. De checklist wordt gehanteerd om te kunnen prioriteren en keuzes te kunnen maken. 4.2. Analyse 4.2.1.
Informatievoorziening en afspraken Zoals in de eerdere paragrafen uiteengezet, krijgt de raad informatie over de uitvoering van acties (halfjaarrapportage), de RES (voortgangsrapportage) en financiën (jaarrekening). Tussentijds wordt de raad met regelmaat bijgepraat in de raadswerkgroep Energietransitie. Informatie over de doelrealisatie is beschikbaar via de klimaatmonitor, het CBS en de monitoringsrapportage van CE Delft. Dergelijke informatie wordt echter niet gedeeld met de raad bij het delen van de halfjaarrapportage. De raad moet hier zelf naar op zoek als hij hier meer informatie over wil hebben. De informatie uit de jaarstukken 52
over de indicatoren biedt namelijk niet een dekkend beeld van de doelen. Deze indicatoren gaan enkel in op CO2-emissie en niet op opwek, besparing en warmte. Ambtelijk wordt aangegeven dat een monitor wordt ontwikkeld na vaststelling van de routekaart om dit ‘gat’ te vullen. Verder is te zien dat er door de jaren heen verschillende strategische stukken zijn opgesteld. Met het vaststellen van de routekaart vervallen de doelen uit 2013. De routekaart is daarbij de referentie voor de monitoring. Uit het raadsvoorstel komt dit nog niet expliciet naar voren. Gelet op de complexiteit van de transitie en de veranderingen die zich steeds voortdoen in de transitie, is het van belang dat raadsleden goed in beeld hebben welke doelen worden nagestreefd. Zodat hier goed op gestuurd kan worden en het college kan worden bevraagd op de realisatie. Bij het actualiseren van doelstellingen moeten raadsleden hier goed in worden meegenomen. Over de informatievoorziening zijn nog beperkt afspraken gemaakt met de raad. Er zijn afspraken over de frequentie (tweemaal per jaar) en de vorm (halfjaarrapportage), maar niet over de inhoud van de rapportages. De informatie werd tot nu toe vooral op het niveau van het college gedeeld, namelijk gericht op uitvoering.
De strategische informatie - over impact op doelen - die de raad nodig heeft, zat hier niet in omdat er geen inhoudelijke afspraken zijn gemaakt over de informatiebehoefte van de raad. De routekaart - die de informatievoorziening moet verbeteren - is opgesteld op basis van wensen binnen verschillende lagen van de organisatie. Het opstellen van de routekaart is ook benoemd als activiteit in het coalitieakkoord. Hier lag geen expliciete vraag vanuit de raad aan ten grondslag. 4.2.2. Informatiebehoefte Het bovenstaande betekent niet dat de raad geen specifieke informatiebehoefte heeft. Uit de raadssessie komt naar voren dat de raad behoefte heeft aan zicht op de invloed van hun keuzes. Wat is bijvoorbeeld de impact van isolatie, verplaatsing van bedrijven uit Delft of externe ontwikkelingen als de opening van een windpark op de Noordzee? Doordat dergelijke informatie tot nu toe ontbrak, hebben sommige raadsleden niet het gevoel goed te kunnen sturen op de energietransitie. Ook ontbreekt het sommige raadsleden aan een goed beeld van wat er allemaal al is gerealiseerd. Wat is er in eerdere jaren gedaan, en wat waren de resultaten daarvan? Raadsleden geven aan daar nu niet voldoende overzicht van te hebben. Ambtelijk betrokkenen geven daarbij aan dat de Delftse raad voor hen voelt als een raad met (een aantal) vrij technisch geschoolde en geïnteresseerde raadsleden.
Dit zijn dan ook raadsleden die behoefte hebben aan de meer technische informatie, die op dit moment niet - expliciet - gedeeld wordt met de raad. Wel heerst bij een aantal raadsleden het beeld dat de energietransitie inherent een opgave is waar lastig op gestuurd kan worden. Wat moet er precies gemeten worden om een goed beeld te krijgen? Wat is de impact van samenhangende domeinen op de doelrealisatie? Waar heeft de gemeente überhaupt invloed op, en wat ligt er buiten de invloedsfeer? Welke reductie in CO2 is het resultaat van gemeente-inzet? Een aantal issues dat speelt rondom de informatievoorziening, is dan ook niet toe te wijzen aan een gebrek aan inzet door de gemeente om het inzichtelijk te maken. Raadsleden waarderen bijvoorbeeld de inzet van het college om raadsleden goed mee te nemen via de raadswerkgroep, en hebben het beeld dat Delft dit goed doet ten opzichte van andere gemeenten.
53
4.2.3. Handvatten en sturing De informatievoorziening gaf de raad tot nu toe nog niet voldoende handvatten om een goed beeld te vormen van de doelrealisatie en de impact van hun keuzes hierop, nu en richting 2030/2050. Wel is te zien dat de raad desondanks heeft bijgestuurd op de transitie. Middels de motie Energie in de wijken heeft de raad het college aangespoord om te versnellen op de transitie. De raad heeft hier ook middelen voor vrijgemaakt. Ook met de motie Aanmoediging van ambitieuze actie voor de Regionale Energiestrategie (RES) laat de raad de commitment zien op de regionale doelen. De wens om hierop te versnellen wordt door de raad uitgesproken. Raadsleden plaatsen een kanttekening bij de informatie naar de rest van de stad en de inwoners. Raadsleden geven aan dat de informatie over de energietransitie niet goed te vinden is in het raadsinformatiesysteem en op de gemeentelijke website. Ook ambtelijk en bestuurlijk wordt aangegeven dat het een uitdaging is om de informatie goed bij de inwoners te krijgen, over zowel de projecten die worden uitgevoerd als de hulp die inwoners kunnen krijgen bij besparen of isoleren. Ambtelijk en bestuurlijk betrokkenen vragen zich daarbij af of inwoners daar een goed beeld van hebben op basis van de publieke informatie. Dit is van belang als de gemeente ook in andere buurten dan de Multatulibuurt tempo wil gaan maken.
Inwoners die in andere buurten aan de slag willen, kunnen dat nu wellicht niet vanwege een gebrek aan informatie. 4.3. Toetsing aan het normenkader Groen Aan de norm wordt volledig of grotendeels voldaan. Oranje Aan de norm wordt gedeeltelijk voldaan. Rood Aan de norm wordt niet of nauwelijks voldaan. Aspect
Norm
Rol van de raad
1. De raad heeft heldere afspraken gemaakt met het college over informatievoorziening. 2. De raad wordt conform gemaakte afspraken door het college geïnformeerd en de raad stuurt proactief op een goede informatievoorziening. 3. De informatie geeft de raad voldoende handvatten om bij te sturen en de raad maakt proactief gebruik van deze handvatten.