Cultuurhistorische verkenning Kabeldistrict
Tekst van het document
Impressie van verschillende kabeltypen uit voorlichtingsmateriaal van NKF, fotografie P. Blaak, 1970 (Beekhuizen 1970).
28
2. LOCATIE – historische ontwikkeling van de Schieoevers Delft vóór de moderne tijd Met de ligging aan de Schie is het Kabeldistrict verbonden met de historische levensader van Delft. Water speelt een belangrijke rol in de ontstaansgeschiedenis van de stad, die zijn oorsprong vindt in het uitgestrekte veengebied tussen de riviermonden van Rijn en Maas, en de strandwallen langs de Noordzeekust. Door stormvloeden vanuit het zuidwesten waren in dit veengebied geulen ontstaan, waaronder Gantel. De oeverwallen van de Gantel waren in de Romeinse tijd, tussen 300 vóór en 400 na Christus bewoond, maar na vertrek van de Romeinen en door vernatting liep de bewoning terug. Op het verdronken land ontstond langzaam maar zeker een veenlaag, die door droge omstandigheden in de tiende eeuw stopte met aangroeien. Dat is het moment waarop het veen toegankelijk werd en kon worden ontgonnen. Onder graaf Dirk II (932-988) werd hiermee een start gemaakt. Onder invloed van het grafelijk gezag en dankzij verbeterde technieken van dijkenbouw en ontwatering werd permanente bewoning mogelijk. Om de ontginning te bevorderen werden landgoederen of grafelijke hoven gesticht, waar horigen het land bewerkten in dienst van de grondheer, die op zijn beurt ‘belasting’ afdroeg aan de graaf.
Het Hof van Delft is een van de oudste nederzettingen in het gebied en is vermoedelijk ontstaan als agrarische veenontginning. Rond het jaar 1000 werd voor de afwatering van de veenontginningen een kanaal gegraven dat bekend staat dat zowel als Delf en als Schie bekend stond. In de loop van dertiende en veertiende eeuw werd dit doorgetrokken en verbonden met nieuwe en bestaande waterlopen, waardoor de betekenis van de Schie voor de scheepvaart toenam. De Schie werd de belangrijkste waterweg in het Delfland en onderdeel van de trekvlietroute tussen Leiden en Rotterdam.
Schematisch overzicht van ontginningen in de Hof van Delft, met de oude loop van de Gantel en de stedelijke nederzetting tussen de Oude Kerk en het Koningsveld, waar zich het oude hof van Delft bevond. (Mei, 2020). 29
De eerste bebouwing van de stedelijke nederzetting tekent zich in de twaalfde eeuw af. In 1246 kreeg Delft stadsrechten, waarna het stadsbestuur zich steeds op economische ontwikkeling zou richten. De stad zou in dertiende en veertiende eeuw uitbreiden en kreeg een omwalling met poorten. Hiermee werden de contouren van de stad bepaald zoals die tot ver in de negentiende eeuw zouden blijven bestaan. Delft stond bekend om zijn vele bierbrouwerijen, lakenweverijen en textielnijverheid. Door aanvoer van boter en kaas uit de omgeving had het ook een regionale marktfunctie. In 1389 kreeg Delft toestemming om een kanaal te graven vanaf het zuidelijk gelegen Overschie naar de Nieuwe Maas. Zo ontstond een eigen scheepvaartverbinding met de Maas en open zee. Nabij de schutsluis die het nieuwe kanaal verbond met de Maas ontstond de nederzetting Delfshaven. Dankzij de haringvisserij bloeide de haven op en in 1602 kreeg het een eigen kamer van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). De VOC had het alleenrecht om handel te drijven met het gebied rond de Stille en Indische Oceaan. De invoer van Chinees porselein betekende een enorme impuls voor de Delftse aardewerkindustrie. De vraag naar Chinees porselein, dat van hogere kwaliteit was dan het gangbare aardewerk in Nederland, was zo groot dat de Delftse plateelbakkers dit probeerden na te maken.
Door toevoeging van mergel, tinglazuur en blauw pigment slaagden zij erin ook verfijnd aardewerk te produceren. Hoewel het geen porseleinaarde bevatte, kreeg het bekendheid als Delfts porselein of Delfts Blauw. Door het wegvallen van de Chinese import in 1656 kreeg de aardewerkindustrie een enorme impuls.
Plattegrond van Delft met omwalling en bastions, 1659, gravure van Caspar Merian (Van der Gaag 2015).
In 1572 vestigde Willem van Oranje zich in Delft om van daaruit leiding te geven aan de strijd tegen de Spanjaarden. In de stad verrezen verschillende magazijnen voor wapens en andere krijgsbenodigdheden van de Staten van Holland en West-Friesland. De stad was een veilige plek doordat belegering door de drassige gronden in de omgeving moeilijk was. Toen één van de kruithuizen in 1654 ontplofte en een groot stuk stad verwoestte, besloot het stadsbestuur dat opslag van kruit alleen toe te staan op ten minste anderhalve kilometer buiten de vesten. In 1659 kreeg architect Pieter Post opdracht voor het ontwerp van een nieuwe opslagplaats voor buskruit, gesitueerd aan de Schie. Het telt twee kruittorens gelegen in een vijver en omringd door een slotgracht die in verbinding staat met de Schie. Een poortgebouw met wachthuis verschaft toegang tot het terrein vanaf het jaagpad langs de Schie. Het kruithuis wordt sinds 1960 niet meer als opslagplaats voor munitie gebruikt, maar bestaat nog steeds. Het ligt inmiddels omringd door de oprukkende stad en net ten zuiden van het Kabeldistrict. 30
Plattegrond, aanzicht en doorsnede van het Kruithuis, ontwerp Pieter Post, 1659 (Mei 2020).
Het kruithuis was niet de eerste bebouwing buiten de vesten van de stad. Zo werd in 1614 net buiten de stadsgracht, op de plek waar het binnenwater van de Oude Delft en de Schie elkaar ontmoeten, de Zuidkolk aangelegd. Aan dit brede water legden schepen aan en vond invoer en controle van handelswaar plaats. Tussen de Zuidkolk en de Abtswoudseweg, die vanaf de Schie in westelijke richting aftakt als scheiding tussen twee ontginningsblokken, was een soort voorstad ontstaan, met aaneengesloten bebouwing. Aan dit Zuideinde vestigden zich vaak overlast gevende bedrijven die in de oude stad niet wenselijk waren of die afhankelijk waren van een directe ligging aan de Schie. In de negentiende eeuw lagen hier olieslagerijen en aan scheepvaart gerelateerde bedrijven, waarvan nog enkele historische panden zichtbaar zijn. De Schie was hier voorzien van een kade (Zuideinde, Schieweg en Schiekade verder zuidwaarts) die de bebouwing en achterliggende terreinen ontsloot, maar ook als jaagpad voor de trekschuiten. Aan de oostzijde van de Schie bevindt zich ook een kade, maar op enige afstand van de Schie: de Rotterdamseweg. In de smalle strook grond tussen water en kade vestigden zich aardewasserijen van de aardewerkproducenten, en dichtbij de Zuidkolk enkele scheepstimmerwerven. Op de aardewasserijen werd aarde gezuiverd en met water gemengd tot een fijne pottenbakkersklei.
Langs de Schie bevonden zich oorspronkelijk ook enkele molens voor het bemalen van de polders, die door inklinken van de bodem waren ontstaan. Ter weerszijden van de Schie zijn nog rudimenten van de molensloten aanwezig die afwaterden op de Schie. De molens stonden op enige afstand van de Schie, zoals de Krakeelmolen die in 1880 werd vervangen door een stoomgemaal. De bijbehorende molensloot kwam onder de Krakeelmolenbrug in de Schie uit. Iets verder zuidwaarts lag tot de Galgmolensloot, met de gelijknamige molen ook op enige afstand van de Schie. De Galgmolen was een van de drie watermolens van de Abtswoudsepolder en is later vervangen door een elektrisch gemaal. De galgmolensloot vormde de noordelijke grens van fabriek II en werd pas na 1980 gedempt. Hoewel de molensloten zijn verdwenen is de ontginningsstructuur nog te herkennen aan de richting van de percelen, vrijwel haaks op de Schie. In 1847 werd de spoorlijn van Den Haag naar Rotterdam aangelegd, op zo’n 500 meter afstand van de Schie.
31
Industriestad Delft Rond 1800 was de stad enigszins in verval geraakt door teruggelopen handel, aardewerkproductie en textielnijverheid. Daarin kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw verandering door twee belangrijke gebeurtenissen. Op de eerste plaats werd als gevolg van een Koninklijk Besluit van 1842 de Koninklijke Akademie opgericht, de voorloper van de huidige Technische Universiteit. Deze werd gevestigd in het voormalig gebouw van de Rijks Artillerie- en Genieschool, die sinds 1829 leegstond. De behoefte aan hoger opgeleide, technisch geschoolden kwam niet zozeer uit de nog prille industrie, maar vanuit de overheid.98 Het was juist de bedoeling dat hoger technisch onderwijs de ontwikkeling van de industrie zou kunnen bevorderen. De Koninklijke Akademie werd in 1864 omgevormd tot een Polytechnische School, waardoor het kon uitgroeien tot een volwaardige opleiding voor burgerlijk ingenieurs.
Plattegrond van de stad met hierop de spoorlijn Den Haag-Rotterdam, G.K. de Geus, 1858 (Van der Gaag 2015).
Een van hen was Jacob Cornelis van Marken, in 1867 afgestudeerd als scheikundige. Hij raakte betrokken bij de verbetering en productie van gist. In die tijd werd gist gebruikt dat als bijproduct van de jeneverbranderijen in Schiedam afkomstig was, maar dat werkte niet optimaal. Van Marken had in Wenen kennis opgedaan van een nieuw procedé en met behulp van startkapitaal van verschillende ondernemers, waaronder de ‘s-Gravenhaagse Brood- en Meelfabriek, startte hij in 1869 de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek. De grote steden Rotterdam en Den Haag waren de grote afzetgebieden waardoor Delft een gunstige vestigingsplek was. De ligging aan het water en aan de nieuw geopende spoorlijn maakte een snelle aan- en afvoer van grondstoffen en producten mogelijk. Van Marken richtte kort daarna ook de Delftse Oliefabriek NV (het latere Calvé) en de Lijm- en Gelatinefabriek op. Rond 1900 kwamen ook de firma Braat (stalen ramen en radiatoren), Machinefabriek Rijneveld, Verf- en Chemicaliënfabriek en de Pletterij Enthoven tot stand.
98 Meurs 2018, p.9.
32
Deze nieuwe industrieën vestigden zich vrijwel allemaal op percelen net ten noorden en ten zuiden van de bestaande stad, dichtbij Delftse oude levensader van Vliet en Schie én de nieuwe spoorlijn. Ook de NKF vestigde zich in 1913 aan de Schie. De structuur van de fabrieken volgden veelal de richting van de percelen: haaks op de Schie en de ontsluitingsweg erlangs. Een deel van de Lijm- en Gelatinefabriek, die voor het overige aan de oostzijde van de Schie was gelegen, werd aan een speciaal gegraven insteekhaven gesitueerd, die tot kort na de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd bleef. Aan de komst van de industrieën lag geen ruimtelijk plan ten grondslag. Uitbreidingsplannen voor de stad kwamen pas na de invoering van de Woningwet in 1901 tot stand. Deze wet had bepaald dat steden met meer dan 10.000 inwoners een structuurplan nodig hadden dat richtinggevend was voor de ruimtelijke ontwikkeling op de lange termijn. Gemeentearchitect M.A.C. Hartman presenteerde in 1908 een plan voor nieuwe woonwijken rondom de oude stad: ten westen van de spoorlijn en aan de zuid- en oostzijde van het Rijn-Schiekanaal. Afb. Dit kanaal was in 1894 aangelegd op initiatief van de Provincie Zuid-Holland en was bedoeld om de waterverbinding tussen Rijn en Schie te verbeteren, door het doorgaande scheepvaartverkeer om de stad te leiden.
Omdat er nauwelijks ruimte was tussen het spoor en de historische stad werd voor een oostelijk tracé gekozen, ter plaatse van de oude stadsgracht. Ruimte voor nieuwe industrie werd nauwelijks voorzien, behalve een klein havencomplex tussen de Schie, de spoorlijn, de Abtswoudseweg en de Zuidkolk, in aansluiting op de bestaande bedrijvigheid rondom de Braatfabriek. De kabelfabriek vestigde zich verder zuidwaarts aan de Schie, omringd door weilanden.
De locaties van de eerste industrieën in Delft, langs Schie spoorlijn, ten noorden en ten zuiden van de bestaande stad (Mei, 2020).
In latere uitbreidingsplannen uit het Interbellum wordt de zone tussen het spoor en de Schie gezien als groeiruimte voor industrie en bedrijvigheid. In 1917 was onder leiding van M.J.W. Roegholt, directeur van de gemeentelijke dienst Openbare Werken, een afdeling stadsontwikkeling opgericht. Door annexatie van grote delen van aangrenzende gemeenten, ontstond de behoefte aan een meer integraal plan voor de uitbreiding van de stad. De Technische Hogeschool had de binnenstad verlaten en bouwde aan de zuidzijde van de stad. Aan de oostzijde was de nieuwe rijksweg Rotterdam-Den Haag gepland, als onderdeel van het Rijkswegenplan uit 1921. Roegholt stelde een Commissie voor Stadsuitbreiding samen waarvan hij zelf naast de grote bouwmeester H.P. Berlage, de architect J.A.G. 33
van der Steur en civiel ingenieur S.G. Everts deel uitmaakte. Aanleiding voor de commissie was de discussie over de demping van de grachten, maar in het plan dat zij in 1921 presenteerden, bleven die vanwege hun esthetische waarde gehandhaafd. De hand van Berlage is duidelijk herkenbaar in het ontwerp van nieuwe woonwijken met diagonale lijnen, zichtassen en pleinen. De industrie langs de Schie zette hij voort in zuidelijke richting, zonder daarbij nieuwe oost-westverbindingen over het water te leggen. Het water werd vooralsnog gezien als de belangrijkste ontsluiting van de bedrijven en extra bruggen werden gezien als een obstakel voor de binnenvaart.
Uitbreidingsplan voor Delft, door H.P. Berlage, S.G. Evertz, J.A.G. van der Steur en M.J.W. Roegholt, 1921 (Van der Gaag 2015). 34
Roegholt had grote belangstelling voor het vraagstuk van regionale planning en was hier zelfs op gepromoveerd.99 Het opstellen van streekplannen was primair een aangelegenheid voor de provincie, die hiervoor een Commissie van Advies voor de Uitbreidingsplannen had ingesteld. Deze commissie had aan de Rotterdamse stedenbouwkundige Pieter Verhagen, van het bureau Granpré Molière Verhagen en Kok, gevraagd een integraal plan te maken voor de ontwikkeling van het gebied tussen Den Haag en Rotterdam. Het streekplan uit 1929 is niet bewaard gebleven, maar uit hetzelfde jaar kennen we wel een uitbreidingsplan voor Delft, ook door Verhagen ontworpen, waarin de ruimtelijke ontwikkeling van de stad als onderdeel werd gezien van een groter plan voor de omgeving.100 In het streekplan ging men uit van een verdrievoudiging van de bevolking naar 150.000 inwoners en van een forse uitbreiding van industrieterreinen. De zone tussen Schie en de spoorlijn werd tot ver buiten de stadsgrenzen doorgetrokken, bijna tot aan het gehucht De Kandelaar. Delft zelf lag opgespannen tussen twee rijkswegen, de al geplande rijksweg 13 en een tweede westzijde van de stad, de latere rijksweg 4. De twee wegen werden met elkaar verbonden door oost-west verbindingen, die buiten het plangebied zouden aansluiten op lokale wegen. Ter hoogte van het Kruithuis was een van de dwarsverbindingen gedacht.
Deze zou in latere plannen overeind blijven, de latere Kruithuisweg. Om het aan elkaar groeien van de drie steden te voorkomen, werden groene buffers tussen de verstedelijkte gebieden voorgesteld, maar in de open ruimte aan de zuidkant zou de industriezone langs de Schie wel heel ver inprikken.
Kaart behorende bij het uitbreidingsplan van Delft, als onderdeel van een regionaal plan, Granpré Molière, Verhagen en Kok, 1929 (Steenhuis 2007).
99 Zie hiervoor: M.J.W. Roegholt, Het stadsgewest, Een studie over den trek naar de steden en zijn gemeentelijk-economische gevolgen, Delft 1925. 100 Steenhuis 2007, p.188.
35
Kruithuisweg In de latere plannen voor de ruimtelijke ontwikkeling van Delft blijft de oost-westverbinding min of meer op dezelfde plek: net voorbij het Kruithuis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt de afdeling Stadsontwikkeling een plan waarin toekomstige woonwijken worden aangegeven, maar nog niet in detail zijn ontworpen. In de zone langs de Schie zijn haaks hierop twee insteekhavens geprojecteerd, op de plek waar een paar jaar later fabriek II zou verrijzen. Op de plankaart is ook te structuur van de gerealiseerde bebouwing in het gebied te zien waarin de perceelstructuur haaks op de Schie is te herkennen. De insteekhavens zijn er niet gekomen. Dit hing namelijk samen met een ander plan van de gemeente om de Schie te verbreden. Directeur Openbare Werken P. de Klerk presenteerde in 1950 het zogenaamde Schieplan voor de verbreding van het water. Ironisch genoeg was het plan bedoeld om het bedrijfsleven meer ruimte te geven, maar de gevestigde industrieën zoals de kabelfabriek hadden grote bezwaren. De gemeente wilde een breedte van 45 meter zodat ook grote laad- en losschepen tot aan het Zuideinde konden komen, maar hiervoor zou bestaande bebouwing op de oevers moeten worden afgebroken. NKF, Porceleyne Fles en andere bedrijven pleitten voor een breedte van 36 meter. Dit leidde tot een jarenlange discussie over nut en noodzaak van de verbreding.
Hoewel het transport over de Schie afnam, zette de gemeente toch door en maakte een bestemmingsplan dat de verbreding mogelijk maakte. Afgezien van de sloop van een aantal panden is de daadwerkelijke verbreding er niet gekomen.101
Uitbreidingsplan Gemeente Delft, helemaal onder de twee insteekhavens, ontwerp: stedenbouwkundige dienst, 1942 (Van der Gaag 2015). 101 Van der Vlis 2016, p.330-331.
36
Het plan voor de verbreding van de Schie en de aanleg van een oost-west verbinding hielden nauw met elkaar samen. Pas met de grootschalige uitbreidingsplannen voor de TH-wijk en woonwijken ten zuidwesten van het spoor zou de lang gekoesterde oost-westverbinding dichterbij komen. In de structuurschets uit 1957, ontworpen door de Delftse stedenbouwkundige S.J. van Embden, werd de bestaande stad onderdeel van een gridachtige structuur van verkeerswegen waartussen nieuwe woonwijken als grote blokken werden ingevoegd. De bestaande industriezone langs de Schie, werd opnieuw in zuidelijke richting doorgezet, door twee nieuwe blokken met bedrijvigheid toe te voegen. Naast de Kruithuisweg zouden spoor en Schie verder zuidwaarts nog twee keer worden overbrugd, maar dat was waarschijnlijk iets te ambitieus. Aan het eind van de jaren zestig werd alleen de Kruithuisweg aangelegd, maar dat ging niet zonder slag of stoot. De NKF had na de bouw van fabriek II ook een groot terrein aan de zuidzijde aangekocht voor de opslag van kabelhaspels. Het was de bedoeling de Schieweg met een bajonet te verleggen naar het westen om het nieuwe bedrijventerrein ten zuiden van de Kruithuisweg vanuit het hart te ontsluiten en niet meer vanaf de Schie. Net voorbij het Kruithuis zou de verlegde Schieweg via op- en afritten met de Kruithuisweg worden verbonden.
Structuurschets van Delft, S.J. van Embden, 1957 (Meurs 2018).
Met de uitvoering van dit plan zou een forse hap van het opslagterrein worden afgesnoept, dat op ernstige bezwaren van de NKF stuitte. De directe aansluiting op de Kruithuisweg en daarmee een snelle verbinding met rijksweg 13 wogen kennelijk niet op tegen het verlies aan efficiëntie op het fabrieksterrein. De NKF stelde alles in het werk om de aanleg te voorkomen of te wijzigen. Zo liet de kabelfabriek het Centraal Instituut voor Industrieontwikkeling een rapport opstellen waarin het haspelbehandelingsbedrijf als een essentieel onderdeel van het productieproces werd gezien. De 37
huidige ligging van het haspelbehandelingsbedrijf was buitengewoon gunstig en een storing in de aanvoer naar de fabriek zou tot ernstige productiestagnatie kunnen leiden. Er werden twee alternatieve locaties onderzocht: een terrein grenzend aan het bestaande terrein ten westen van de nieuwe Schieweg, en een terrein ten zuiden van de Kruithuisweg, dus los van het bestaande terrein. Het eerste bleek sowieso te klein, dus bleef alleen het tweede terrein over. Om dit geschikt te maken was een investering van bijna drie miljoen gulden nodig, exclusief de extra exploitatiekosten die dit jaarlijks met zich mee zouden brengen. Het rapport concludeerde dat “zolang een andere manier kan worden gevonden om de verbinding tussen de Schieweg en de Kruithuisweg tot stand te brengen, lijkt een dergelijke extra uitgave wel exorbitant hoog. Dat hiervoor goede wegen bestaan zonder deze hoge kosten te maken en zonder de belangen van de N.K.F. te schaden is door Adviesbureau Goudappel en Coffeng te Deventer duidelijk aangegeven”.102
Luchtfoto van fabriek II en omgeving met hierop in stippellijn het deel van het terrein dat door de omgelegde Schieweg afgesnoept zou worden, linksonder het Kruithuis (Delftsche Courant, 1971).
Hoe het alternatief van de verkeerskundigen van Goudappel voor de aansluiting er precies uit zag, vermeldt het rapport niet. De kwestie sleepte zich inmiddels jaren voort en in 1971 wierp de NKF een nieuw idee op. Het was van mening dat het Kruithuis in zijn bestaande situatie niet meer tot zijn recht kwam en zou een nieuwe plek moeten krijgen enkele kilometers verderop aan de Schie. Dit was op de eerste plaats beter voor NKF, maar ook voor het verkeer en het monumentale Kruithuis.103 Uiteindelijk trok de kabelfabriek aan het kortste eind. De Kruithuisweg werd na jarenlang juridisch touwtrekken aangelegd volgens het plan van de gemeente, eerst nog zonder aansluiting naar de Schieweg over het terrein van NKF, maar deze verbinding kwam er uiteindelijk ook. Het Kruithuis werd op zijn oorspronkelijke plek behouden. Het kreeg een bestemming als scoutingcentrum en daar wordt het nog steeds voor gebruikt. Uiteindelijk kocht de kabelfabriek een stuk grond ten westen van de omgelegde Schieweg en een terrein langs het spoor tussen fabriek I en II, om toch zoveel mogelijk kabelopslag dicht bij de fabriek te houden, zonder onderbreking door openbare weg of andere obstakels. 102 SD, Archief van de Nederlandsche Kabelfabriek, inv.nr. 178, Centraal Instituut voor Industrieontwikkeling, ‘Rapport Verplaatsing haspelbehandelingsbedrijf’, Den Haag 1968, p.5.
103 Delftsche Courant, 12 november 1971.
38
1712
1850
1940
1980
Ontwikkeling van de Schieoevers in vier kaartbeelden (Mei 2020).
39
3. GEBOUW – constructie en architectuur Drie bouwfases Het overlijden van de oprichter van de fabriek viel ironisch genoeg samen met eind van de oorlog. De naoorlogse uitbreiding en expansie maakte hij niet meer mee. Zijn zoon Cornelis jr. (1905-1979) nam op 41-jarige leeftijd zijn vaders taken over. Direct na de oorlog werden stappen ondernomen om de fabriek uit te breiden. In februari 1945, al voor de bevrijding van ons land, was een ‘werkprogramma voor uitbreiding van de fabricatieruimte opgesteld’.104 Met het oog op de bouw van een nieuwe koperwalserij en -trekkerij werd in 1946 een aantal percelen gekocht iets verderop aan de Schie. De totale oppervlakte aan grond en water (de sloten tussen de percelen) bedroeg 6,36 hectare, waarvoor 138.755 gulden werd betaald. De grond was tot dan toe eigendom van de gemeente Delft, die het terrein verhuurde als paardenwei. De huurder kreeg het verzoek hiermee te stoppen met het oog op de verkoop aan de kabelfabriek.105 Toen de grond niet geschikt bleek voor zware industrie, besloot NKF er een tweede fabriek te bouwen, bestemd voor de productie van kabels tot 12,5 kV. Met de nodige extra funderingen was de grond hiervoor wel geschikt. Vanwege de materiaalschaarste van dat moment vroeg NKF, net als voor de koperwalserij, toestemming aan voor de bouw bij het Rijksbureau voor Metalen in Den Haag.
“Teneinde te kunnen voorzien in de stijgende behoefte van ons land aan met papier geïsoleerde electrische kabel, voorzien van loodmantel, en in de gestegen vraag in het buitenland naar deze kabels, alsmede teneinde nieuwe kabeltypen in ons productieprogramma op te kunnen nemen, hebben bij besloten onze fabriek belangrijk uit te breiden”, zoals NKF opnieuw het belang van de uitbreiding benadrukte.106
Kaart met daarop de aangekochte percelen in 1947, aan de noordzijde van het terrein de Galgmolensloot (SD, archief Nederlandsche kabelfabriek NV, inv.nr. 175).
Het ontwerp van de fabriek werd niet gemaakt door de firma v/h Nederhorst, maar door de tekenkamer van staalleverancier De Vries Robbé. Dit bedrijf is van grote betekenis geweest voor de wederopbouw van de industrie in de naoorlogse jaren. Vrijwel alle grote fabriekshallen en opslagloodsen van grote en kleine fabrieken in Nederland werden door dit Gorinchemse bedrijf geleverd, inclusief de bimsbetonnen dakpanelen van dochteronderneming Betondak uit Arkel. Het 104 SD, archief Nederlandsche kabelfabriek NV, inv.nr. 175, hierin wordt het document genoemd, maar het stuk zelf is niet aanwezig. 105 Idem, brief van gemeente Delft aan de heer Dubbelman uit Delft, 4 november 1946. 106 Idem, brief van NKF aan Rijksbureau voor Metalen te Den Haag, 13 februari 1948.
40
bedrijf was dé Nederlandse leverancier van staalconstructies. “Behalve fabrieksgebouwen ontwierp en bouwde de firma van de jaren ‘20 van de twintigste eeuw ook staalskeletten van kantoorgebouwen, hoogspanningsmasten, bovenleidingsportalen en stalen ramen”.107
Links: advertentie van De Vries Robbé, z.j. (www.wikipedia.nl); rechts: omslag gedenkboek De Vries Robbé (Vos 1972).
Tekenkamer van de firma De Vries Robbé, circa 1950 (Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé).
107 Loeff, p.13.
41
De nieuwe fabriek werd volgens de beproefde bouwmethode van De Vries Robbé opgezet. De firma Nederhorst trad wel op als aannemer voor de bouw van de fabriek. Het complex kwam in drie fasen tot stand, waarbij vermoedelijk bij het ontwerp al rekening werd gehouden met latere uitbreidingen. Het eerste deel uit 1949 heeft een totaal oppervlak van bijna 17.000 vierkante meter bestaande uit zes parallelle, in breedte en hoogte variërende hallen, die net als de oude fabriek haaks op de Schie zijn gebouwd. De dwarsdoorsnede over het fabriekscomplex geeft een indruk van de verschillende maten van de hallen. Waarschijnlijk zijn breedte en hoogte van de hallen afgestemd op het specifieke onderdeel in het productieproces, waarbij de maat van de machines en de logistiek eromheen bepalend zijn. De meest noordelijk gelegen hal 1 telt als enige twee bouwlagen en werd vooral voor opslag van grondstoffen gebruikt, waaronder het papiermagazijn. De naast gelegen productiehallen 2 en 3 vormen samen één open ruimte die is onderverdeeld in drie traveeën. De daaropvolgende hal 4 is een stuk lager en is vanouds opgedeeld in meerdere kleinere eenheden en wordt onderbroken door een binnenplaats. Hierop bevindt zich een betonnen schoorsteen voor de afvoeren van rookgassen uit het ketelhuis.
Aan de zijde van de Schie werd voor de hallen 2 t/m 4 een 'voorhal' gebouwd, die als enige in de breedte is gebouwd, parallel aan de Schie. Tegen deze voorhal zijn nog twee kleine volumes gebouwd ten behoeve van een technische ruimte en een transformatorstation. Hal 5 vormde – korte tijd – de beëindiging van het geheel en heeft een grotere lengte doordat deze in dezelfde rooilijn als de 'voorhal' is gebouwd.
Doorsneden en binnenwanden, fase I, 1949 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 540.03.501).
Doorsnede door fabriek II, tekening door Mei architecten (Mei 2020).
42
Fase I in aanbouw, 1949 (Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé & Co).
De lengte van de vier parallelle hallen was in 1949 vermoedelijk al bepaald, maar de totale lengte kwam twee jaar later met de uitbreiding in 1951 tot stand. Het in 1949 gerealiseerde bouwdeel had een L-vorm, waarbij de hallen 1, 2 en 3 voor ongeveer twee-derde van de geplande lengte werden gebouwd en hal 4 en 5 voor ongeveer één-derde. Aan de achterzijde werden de hallen voorzien van tijdelijke metselwerkgevels die met de uitbreiding in 1951 werden doorgebroken naar de aangebouwde verlengingen. Deze werden vrijwel naadloos, in exacte dezelfde typologie, vormgeving en materialisering gebouwd. Hal 6 werd in 1951 aan het complex toegevoegd en ligt op dezelfde positie als hal 1, dus weer iets naar achteren gezien vanaf de Schie. Deze expeditiehal is verreweg de grootste constructie qua oppervlak. Met de uitbreiding in 1951 werd als het ware een tweede L-vorm toegevoegd, waarmee de binnenplaats werd voltooid en een rechthoekig complex van ongeveer 40.000 vierkante meter ontstond. Aan de achterzijde kreeg de fabriek twee ingangen voor spoorwagons die via twee aftakkingen van de spoorlijn over het resterende achterterrein werden aangelegd.
Luchtfoto van fabriek met fase I gereed en fase II in aanbouw, 1951, bewerkt door Mei architecten, (Mei 2020).
Met de derde bouwfase van fabriek II werd het resterende terrein tot aan het spoor volgebouwd en werden de contouren van het huidige Kabeldistrict bepaald. In 1960 werd hiervoor vergunning aangevraagd bij de gemeente Delft.108 In 1963, toen de fabriek zijn 50-jarig bestaan vierde, werd dit
43
bouwdeel in gebruik genomen. Ook deze uitbreiding werd door De Vries Robbé ontworpen en gebouwd door Nederhorst. De zes hallen werden op dezelfde manier als in 1951, dus vrijwel naadloos verlengd tot aan de perceelgrens aan het spoor. Het verlengstuk van hal 1 werd voorzien van een kelder, die vanaf de noordzijde toegankelijk is via een overkapte hellingbaan langs de zijgevel. De overgang van bestaand naar nieuw is zowel binnen als buiten nauwelijks zichtbaar. De bestaande achtergevel uit 1951 werd grotendeels weggebroken zodat enorme lengtes van de hallen werden verkregen. Het totale oppervlak van het complex kwam hiermee op zo’n 62.000 vierkante meter.109
De drie bouwfasen in arceringen aangeduid (SD, archief Nederlandsche kabelfabriek NV, uit: Mei 2020). 108 SD, archief Nederlandsche Kabelfabriek, inv.nr. 174. 109 Dit komt niet overeen met het huidige aantal vierkante meters van het Kabeldistrict, dat door wijzigingen van de indeling en toevoegingen van extra verdiepingen momenteel 70.000 vierkante meter bedraagt.
44
Fabriek I met omliggende terreinen vol in bedrijf, na voltooiing fase III, circa 1965 (www.delftkijkt.nl).
Luchtfoto van de fabrieken I (Schieweg 9), II (Schieweg 15, Kabeldistrict) en III (Rotterdamseweg) met de Schie ertussen, 1963 (SD, Beeldbank, invr.nr. 3877, KLM Aerocarto). 45
Constructie De maatvoering van de hallen is gebaseerd op een stramien van 5 x 5 meter. Dat betekent dat elke hal een breedtemaat heeft die een veelvoud van vijf is. Ook de lengte van hallen is een veelvoud van vijf, maar door de enigszins schuin weglopende achtergevelrooilijn (spoorzijde) neemt de lengte naar het zuiden toe af. De noordgevel (hal 1) is 275 meter lang (55 stramienen) en de zuidgevel (hal 6) is 265 meter lang (53 stramienen). De hoogte van de hallen is niet gerelateerd aan een vast maatsysteem. De overspanning van de hallen is afhankelijk van de breedtemaat. Hal 1 heeft een breedte van 30 meter en een afwijkende en bijzondere constructie ten behoeve van de verdiepingsvloer. Deze heeft vanwege de functie van magazijn een hoge vloerbelasting en rust op een constructie van plaatliggers, zowel in de lengte als in de breedte. De liggers in lengterichting zijn zo’n twee meter hoog en worden halverwege ondersteund door stalen kolommen. De liggers zijn voorzien van verticale verstevigingsribben. Langs de zijgevel was een plaatligger niet nodig omdat de plaatliggers die de hal in de breedte overspannen hier op de kolommen in de zijgevel rusten. De onderlinge afstand van de ribben van deze dwarsliggers wordt naar de kolommen toe steeds kleiner, omdat de belasting en de kans op ‘plooien’ hier groter is.
Op de plaatliggers liggen stalen ‘kinderbalken’ als ondersteuning voor de betonnen vloerplaten, ook uit de fabriek van Betondak, waarop aan de bovenzijde een afdekvloer is gestort. De dakconstructie boven de verdieping bestaat uit grote vakwerkliggers die halverwege door een stalen kolommen worden ondersteun, waarbij deze in lengterichting op 15 meter afstand staan. Het dak bestaat uit bimsbetonnen platen van 50 x 250 cm met elk 5 cassettes. Elk stramien telt 20 panelen die samen een patroon van 100 cassettes vormen.
Verlenging hal 1 en 2, fase III, 1963 (Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé & Co).
Constructie van plaatliggers en verstevigingsribben, hal 1, 2022. 46
Links: kelder onder hal 1; rechts: hellingbaan naar de kelder, hal 1, 2022.
Verdieping met dakconstructie, hal 1, 2022.
Verdieping met dakconstructie, hal 1, 2022. 47
Bovenaanzicht Arkelplaatvloer, 1e verdieping hal 1, fase I, 1951 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 541.05.505).
Dit principe van vakwerkliggers en bimsbetonnen dakplaten is overal consequent toegepast, maar per hal is een individuele, op de overspanning en situatie afgestemde draagconstructie gemaakt. Hal 2 heeft een breedte van 25 meter en is gekoppeld aan hal 3 die uit twee traveeën van 20 meter bestaat. Met een breedte van 65 meter, onderbroken door twee reeksen stalen kolommen die in lengterichting ook weer om de 15 meter zijn geplaatst, is dit de breedste werkvloer van de fabriek. Daar waar vóór de uitbreidingen in 1951 en 1963 de achtermuur van de hallen stond, bevinden zich enkele extra vakwerk korbelen, die vermoedelijk zijn aangebracht om extra stijfheid in de constructie te krijgen, wellicht om de zuidwestenwind te trotseren. Hal 4 heeft een breedte van 40 meter daar waar de binnenplaats is gelegen, is verdeeld in een smal deel van 15 meter en een breed deel van 25 meter, tevens de breedte van de binnenplaats. De verlenging van de hal in 1963 heeft een grotere hoogte, in aansluiting op hal 3. Hal 5 heeft een breedte van 25 meter en is de hoogste hal van het complex. Over de volledige lengte bevindt zich een loopkraan die rust op uitkragende nokken. Dergelijke nokken komen overal in het gebouw voor, ook kleinere en onbenutte varianten, die de mogelijkheid boden extra kranen of leidingen in te bouwen.
Links: gekoppelde hallen 2 en 3; rechts: hal 2 met lichtstraat op overgang naar hal 1, 2022. 48
Links: doorkijk door hal 3, links de aansluiting naar hal 4; rechts: vakwerk korbeel in hal 2 en 3, 2022.
Binnenplaats voltooid, fase II, de loopbrug is later gesloopt, 1951 (Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé & Co).
Links: zuidgevel van de binnenplaats met stookolietank en schoorsteen; rechts: oostgevel binnenplaats, 2020. 49
Hal 5 met loopkraan, 2022.
Hal 6 tenslotte heeft een breedte van 65 meter die is opgedeeld in twee gelijke delen. De knip tussen de twee delen ligt dus niet op de stramienmaat, maar halverwege het middelste stramien. De breedteliggers zijn 32,5 meter lang en rusten op dubbele opengewerkte kolommen. Het bovenste deel van de kolommen is smaller en bevindt zich op de hoogte van de nokken in de zijwanden. In het linkertravee van het achterste deel van de hal is hierop een loopkraan bevestigd. Hoewel door latere wijzigingen veel van de oorspronkelijk afmetingen niet meer afleesbaar zijn, vormt het geheel nog steeds een fascinerend en indrukwekkend ensemble van oneindige hallen en staalconstructies van een bijna overdonderende schaal.
Verlenging hal 6 in aanbouw, fase III, 1963 (Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé & Co). 50
Hal 6 met ingemetselde scheidingsmuur halverwege, 2022.
Links: stalen aanrijbeveiliging in hal 6; rechs doorkijk door muur naar westelijke deel hal 6 met loopkraan, 2022.
Overzicht van de verschillende hallen en hun breedtematen, getekend door Mei architecten (Mei 2020). 51
Architectonische verschijningsvorm In het ontwerp van de fabrieksgebouwen van NKF lijkt de nadruk vooral op het doelmatig faciliteren van het productieproces te hebben gelegen. De hoofdconstructie van de fabriek is opgebouwd uit stalen I- en H-profielen van verschillende afmetingen. De vakwerkliggers zijn overwegend uit dunne T-profielen opgebouwd. Alle constructieve elementen zijn door middel van bouten aan elkaar geschroefd. Hoe de verschillende elementen naar de bouwplaats zijn getransporteerd, is niet bekend, maar de grote plaatliggers moeten haast wel vanuit Gorinchem via het water zijn aangeleverd. Het interieur van de fabriek wordt in hoge mate bepaald door de veelheid aan staal in allerlei gedaantes. Ook de andere fabrieken van het NKF-concern zijn opgetrokken in vergelijkbare bouwstijl als fabriek II. De staalfabriek in Alblasserdam is een indrukwekkend ensemble van enorme productiehallen en bijbehorende voorzieningen die in een overeenkomstige industriële vormgeving van staal, baksteen en glas is gebouwd.
Links: detail van gemonteerde constructie-elementen; rechts: detail van vakwerkspant en bimsbetonnen dakplaten, 2022.
Ingekleurde bouwtekening met de gevel en de aanbouwen aan de voorzijde, 1949 (Archief Kabeldistrict, zonder nummer).
Doorsneden en gevelaanzichten, fase II, 1951 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 540.03.506, deel I). 52
Doorsneden en gevelaanzichten, o.a. van de westgevel, fase II, 1951 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 540.03.506, deel II).
De constructie van fabriek II tekent zich in de buitengevels af door een vakkenpatroon van stalen kolommen en regels, met daartussen metselwerk vlakken in roodbruine steen. Grote doorgaande vensterstroken in stalen puien zorgen voor daglicht in de hallen, naast de lichtstraten in het dak. Deze liggen vrijwel allemaal in dezelfde richting, dwars op de lengterichting van de hallen. Tussen hal 1 en 2 bevindt zich één lichtstraat in lengterichting, als overgangselement tussen de twee in hoogte verschillende hallen. Alle daken liggen op afschot, maar dit is niet zichtbaar doordat de kopgevels tot voorbij de dakrand zijn doorgetrokken en daarmee het zicht op de hellende daken ontnemen. De doorgetrokken gevels zetten zich in de zijgevels nog enkele meters voort. De afwerking van de kopgevels bestaat uit grintbetonnen afdekkers die aan de voorzijde en onderzijde zijn afgewerkt met zogenaamd Hollandsplit, “zodanig uitgewassen dat het een fraaie aanblik geeft” 110 De staalconstructie is momenteel aan de buitenzijde is in verschillende tinten afgewerkt, maar nader kleurenonderzoek is nodig om te achterhalen of dit oorspronkelijk ook zo was of dat alles in één kleur werd afgewerkt of dat er verschillen waren per bouwfase. Er is één ingekleurde tekening van de voorgevel aan de Schie.
Hierop lijken de deuren in een blauwe tint aangegeven, maar of dat ook zo is uitgevoerd, is niet met zekerheid te zeggen.
Links: doorgemetselde hoek van de noordwestgevel, hal 1; rechts: oorspronkelijke schuifdeuren, hal 1, 2022. 110 Tekeningenarchief Kabeldistrict, tekening 541.05.504.
53
Noordgevel met op beide bouwlagen grote doorgaande glasstroken, hal 1, 2022.
Zuidgevel met dubbele doorgaande glasstrook, hal 6, 2022.
De staalconstructie aan de binnenzijde is vrijwel overal in een grijsgroene kleur geschilderd, die vaak is toegepast als afwerking van dergelijke constructies. Een voorbeeld zijn de bovenleidingsportalen en spoorbruggen van de Nederlandse Spoorwegen en bruggen van Rijkswaterstaat. De plaatliggers van hal 1 hebben een geelbeige tint, maar de in hal 2 zichtbare zijkant heeft een grijsgroene tint. Ook hiervan is niet duidelijk wat de oorspronkelijke afwerking is geweest. De bimsbetonnen panelen zijn vermoedelijk van oorsprong onbehandeld, dus in de kleur van het beton. Afhankelijk van het gebruik van de hal is hierop door de jaren een wisselend patina ontstaan, waardoor het huidige beeld ook niet representatief is. Ondanks later wijzigingen in de gevels is de basiskleur van de rode baksteen en de staalconstructie die zich hierin aftekent, nog steeds bepalend voor het huidige beeld van de fabriek.
54
Verschillende kleurafwerkingen van de staalconstructie aan de buitengevel, het interieur en sporen van oorspronkelijke kleuren, 2022.
Het daklandschap van de fabriek wordt in hoge mate bepaald door de lichtstraten in de kappen. De hoeveelheid lichtstraten per hal is afhankelijk van de behoefte aan daglicht en of in de onderliggende gevels vensterstrokken waren. Als enige heeft het dak van hal 1 geen lichtstraten. Het daglicht valt hier naar binnen door grote doorgaande vensterstroken in de noordgevel. In het dak van hal 2 zijn de lichtstraten over het hele dakvlak aangebracht. De lichtstraat langs de zijwand, op de overgang naar hal 1, ontbreekt in het achterste deel uit 1963. Hier zijn de lichtstraten in het dak iets breder. Hal 3 en 4 zijn volledig voorzien van lichtkappen, met uitzondering van de ruimten rondom de schoorsteen. Hal 5 heeft op twee plekken reeksen lichtkappen en krijgt vooral daglicht door de doorgaande vensterstroken aan de bovenzijde, daar waar het gebouw boven de belendende hallen uitsteekt. Ter hoogte van de binnenplaats zijn zelfs twee stroken boven elkaar te zien. Hal 6 ligt aan de zuidzijde van het complex en heeft alleen in de noordelijke travee, grenzend aan hal 5, een reeks lichtstraten, maar hierin is in vergelijking met de andere reeksen om en om een straat weggelaten.
55
Tekening van het dak met lichtstraten, fase II, 1951 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 540.03.505).
Relevante wijzigingen Het fabriekscomplex heeft in de loop van de jaren zeer veel wijzigingen ondergaan, zowel in de periode van de kabelfabriek als daarna. Een compleet overzicht van alle interne en externe verbouwingen is niet voorhanden en is bovendien ook niet volledig gedocumenteerd. Uit het tekeningenarchief van het Kabeldistrict is een klein aantal verbouwingen geselecteerd die bepalend zijn voor het beeld van de fabriek. Uit tekeningen blijkt dat het transformatorhuis als een apart gebouw tegen de voorgevel is geplaatst, net als de technische ruimte iets verder zuidwaarts. De verspringende rooilijn en de variatie in hoogte heeft ertoe geleid dat de aanblik van de fabriek hier wat meer sculpturaliteit en afwisseling heeft dan de lange en vrijwel vlakke zijgevels. In 1952 is, bij de eerste uitbreiding, aan de spoorzijde een neonverlichting aangebracht die bedoeld was om de naamsbekendheid onder treinreizigers te vergroten. In 1956 werd op de binnenplaats een stookolietank geplaatst met een inhoud van 510 m3. De stalen tank werd geleverd door De Vries Robbé.
Tekening aanbouw transformatorhuis, 1949 (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 549.03.500). 56
Links: transformatorhuis aan de voorzijde; rechts: technische ruimte links daarvan, 2022.
Het oliestookvat dat is geplaatst in 1956, ontwerp en uitvoering door De Vries Robbé, 2022.
Plattegrond begane grond, wijziging toiletgroepen, hierop is het 5-meterstramien weergegeven, vermoedelijk eind jaren zestig (Archief Kabeldistrict, tek.nr. 550-01.02). 57
De toename van het aantal medewerkers had verstrekkende gevolgen voor fabriek II. In de zijgevel van hal 1 werd een nieuwe personeelsingang gemaakt en werden de kleedruimtes en kantine vergroot. Ook werden in dit bouwdeel kantoren toegevoegd door het aanbrengen van een tussenverdieping en vensterstroken. Op andere plekken werd de fabriek aangepast aan de veranderende eisen, zoals grotere expeditiedeuren en aanpassingen aan de binnenplaats waar een loopbrug tussen hal 3 en 5 werd verwijderd. De inrichting van de binnenplaats zelf werd in 1977 aangepakt. Naast wijzigingen in de gevels werd door de bouwkundige dienst van NKF een ontwerp en beplantingsplan gemaakt voor een groene invulling, die in twee fases werd aangelegd. In de ‘patiotuin’ werden verschillende plantvakken gemaakt, waarvan de grootste was bedoeld om het olievat aan het zicht te onttrekken. Vermoedelijk zijn restanten van de beplanting nog aanwezig in de huidige binnenplaats, maar de plantvakken en het meubilair (in de vorm van kabelhaspels) zijn verdwenen.
De in 1962 gebouwde en later verbouwde kantine, eerste verdieping hal 1, 2022.
Tussenverdieping en trappenhuis in het later aangebrachte kantoor in hal 1, 2022. 58
Wijzigingen in de zijgevel van hal 1 (vermoedelijk jaren zestig): links nieuwe kantoorentree en rechts externe noodtrap, 2022.
Inrichtingsplan voor de binnenplaats (patiotuin), bouwkundige dienst NKF, 1977 (Archief Kabeldistrict, zonder nummer).
De grootste veranderingen aan het complex vonden echter plaats na vertrek van NKF uit het complex, waarbij alle oorspronkelijke machines en outillage zijn verwijderd. De fabriek werd opgedeeld in verschillende compartimenten door het plaatsen van binnenmuren en het creëren van extra vloeroppervlak. Door deze later geplaatste dwarswanden is de totale lengte van de hallen intern nergens meer zichtbaar. In het achterste deel van hal 2 en 3 werd binnen het bestaande volume een verdiepingsvloer aangebracht ten behoeve van extra opslagruimte. Op een enkele plek herinnert een achtergebleven element of aanduiding op de oorspronkelijke functie. De oorspronkelijke vloeren zijn vrijwel overal vervangen of afgedekt met nieuwe lagen beton, maar ook hier duikt incidenteel een oude afwerking of een aftekening van machines op. Dit verleent een bijzonder patina aan het complex.
59
Diverse elementen en gebruikssporen zorgen voor een bijzonder patina, 2022.
60
Nieuwe entree van het Kabeldistrict, voorgevel aan de Schie, 2022.
Impressies van verschillende tussenwanden, invullingen en functies in het Kabeldistrict, 2022. 61
Tribunetrap in de voorhal van het Kabeldistrict, 2022.
62
Kernwaarden Door middel van het benoemen van de zogenaamde kernwaarden is gepoogd de essentie van het complex te duiden. Deze vatten de belangrijkste ruimtelijke en historische kwaliteiten beknopt samen en kunnen ze fungeren als leidraad voor toekomstige aanpassingen aan het complex, als bijdrage in het bepalen van de toekomstige identiteit van het gebied en als inspiratiebron voor het vertellen van het verhaal van de plek. Verbonden met de plek - het complex vormt een substantieel en karakteristiek element in de ruimtelijke en industriële ontwikkeling van de Schieoevers. Door zijn maat en schaal, maar ook door de industriële uitstraling is het nadrukkelijk aanwezig en vormt het een van de identiteitsdragers van het gebied. Sociaal en industrieel monument - het verhaal van de plek zit niet alleen in de stenen. Het complex vormt een belangrijk onderdeel van de Nederlandse Kabelfabriek en draagt daardoor bij aan het levendig houden van zijn roemruchte geschiedenis als een van de grootste werkgevers van Delft. Als producent en leverancier van miljoenen meters elektrische- en communicatiekabels heeft het bedrijf een belangrijke rol gespeeld in de wederopbouw en modernisering van het land. Herkenbare structuur van veenontginning - in de ruimtelijke opzet van de fabriek, een ensemble van langgerekte en aaneensluitende hallen, klinkt de oorspronkelijke perceelstructuur door.
Deze is ontstaan door veenontginningen in smalle percelen haaks op de Schie, de historische levensader van Delft. Richting en maat van de percelen komen overeen met die van de hallen. Functionaliteit versus esthetiek - ruimtelijke opzet, constructie en verschijningsvorm van het complex zijn in hoge mate ontworpen vanuit economische, productietechnische en logistieke eisen. Tegenover het functionele en industriële karakter van het gebouw staat de hoogwaardige vormgeving van de grafische uitingen van de fabriek, waarbij ontwerpers als Piet Zwart en Frits Stapel, en fotografen als Cas Oorthuys en Hans Spies zich lieten inspireren door de fascinerende wereld van de kabelproductie. Beproefde staalconstructie - de staalconstructie van de firma De Vries Robbé waarmee het gehele complex is opgebouwd is in de naoorlogse jaren veelvuldig toegepast bij de bouw van honderden fabrieken en loodsen van verschillende afmetingen. Het complex van NKF onderscheidt zich door de combinatie van aaneengeschakelde hallen met verschillende breedtes en hoogtes dat als een ensemble is ontworpen. De uitvoering van hal 1 met een verdiepingsvloer (en deels onderkelderd) is binnen de typologie van naoorlogse staalconstructie een unicum. Gelijkwaardige gevels - het complex heeft een functionele opzet met vrijwel uniforme gevels rondom uit staal, baksteen en glas.
Nadrukkelijke hiërarchie of monumentaliteit is vermeden, hoewel latere wijzigingen iets meer gezicht hebben gegeven aan kantoren en entreepartijen. De zijde aan de Schie is de enige kant waar de enorme schaal van het complex enigszins wordt verzacht door twee kleinere volumes tegen het hoofdgebouw. Logica van vensters en daklichten - de positionering van raamstroken in de gevels en lichtstraten op de daken is oorspronkelijk zorgvuldig afgestemd op de gewenste daglichttoetreding. Zo zijn de lichtstraten in het dak op enige afstand van de buitengevels geplaatst in het geval deze zijn voorzien van grote raamstroken. Op deze manier is een regelmatig lichtniveau bereikt en wordt overstraling van de werkvloer voorkomen.
63
Eenduidig kleur- en materiaalgebruik - het complex is geconstrueerd met een bescheiden palet van materialen: staal, baksteen en glas. De staalconstructie was aan de binnenzijde vrijwel geheel in een kenmerkende, industriële kleur afgewerkt: grijsgroen. De baksteen wanden en bimsbetonnen platen waren onbehandeld. Het draadglas met kippengaas dat op enkele plekken nog aanwezig is, zeldzaam. Gebruikssporen - van de oorspronkelijke functie als kabelfabriek is niets meer aanwezig. Alle machines zijn verwijderd, maar hier en daar zijn nog sporen van het oorspronkelijke gebruik zichtbaar: goederenliften, een alarmhoorn, een klok, sporen van rails of machines in de vloeren en aanduidingen of nummeringen op de kolommen. Dit zijn de stille getuigen van het productieproces.
Aanbevelingen Lieu de memoire - Hoewel het handhaven van delen van het complex op zich bijdraagt aan het levendig houden van het verhaal van de plek, verdient de indrukwekkende geschiedenis van de NKF een eigen plek in het Kabeldistrict. De talrijke historische beelden, documenten en grafische uitingen kunnen hiervoor als (inspiratie)bron worden gebruikt. Een voorbeeld hoe dit zou kunnen is de Sphinxpassage in Maastricht. Laat maat en schaal spreken - de enorme afmetingen zouden niet alleen aan de buitenzijde maar ook dwars door het complex herkenbaar moeten blijven. Dit kan door het handhaven van delen van de constructie of de oorspronkelijke buitengevels, het creëren van zichtlijnen over de volledige lengte en breedte, of het duidelijk afbakenen van de oorspronkelijke contouren van het complex. Houd perceelstructuur herkenbaar - in de ruimtelijke opzet van het toekomstige Kabeldistrict zou de oorspronkelijke perceelstructuur van de veenontginningen op een of andere manier herkenbaar moeten zijn. Handhaaf elementen hal 1 – Vanwege de unieke opzet met twee bouwlagen en afwijkende constructiemethode verdient het aanbeveling elementen van deze hal te behouden. Denk daarbij aan behoud van delen van de constructie met plaatliggers of het zichtbaar houden van de karakteristieke doorsnede.
Doe aanvullend kleuronderzoek - Voor het vaststellen van de oorspronkelijke kleur van de staalconstructie aan de buitenzijde is aanvullend kleuronderzoek nodig. De huidige afwerking biedt onvoldoende aanknopingspunten. Vormgeving als inspiratie - de hoogwaardige en vernieuwende grafische vormgeving van de NKF kan als inspiratiebron worden gebruikt voor het ontwerp van nieuwe uitingen op het gebied van media, wayfinding en branding. Dit draagt bij aan het levend houden van de roemruchte geschiedenis van de NKF. Koester gebruikssporen - het complex heeft door de tijd een interessant patina gekregen en toont hier en daar sporen en elementen die verwijzen naar de oorspronkelijke functie. Poets het complex niet te veel op, maar laat deze gebruikssporen zoveel mogelijk zichtbaar zodat het verhaal van de fabriek levendig blijft.
64
Bronnen Archieven: - Stadsarchief Delft, archief NKF - Regionaal Archief Gorinchem, archief De Vries Robbé & Co - Tekeningenarchief Kabeldistrict, Delft Literatuur: - Jaap-Evert Abrahamse, Ad van der Zee, Atlas van de Schie; 2500 jaar werken aan land en water, Bussum 2016 - Piet Bakker, N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, Delft 1954 (gedenkboek) - P. Beekhuizen, NKF Kabel NV, Delft 1970 - Hans Buiter, Nederland-Kabelland; de geschiedenis van de energiekabel in Nederland, Den Haag 1994 - Anne van Bussel (Transect), Delft, Kabeldistrict / Schieweg 15-15N en 60, Gemeente Delft (ZH), Nieuwegein 2021 (archeologisch bureauonderzoek, pdf) - Lies Elte, Nederhorst-BAM, 2009 (pdf-document via www.nieuwepark.nl). - Stef van der Gaag, Stad van ambacht en techniek; historische atlas van Delft, Nijmegen 2015 - R.B. Harteveld, H.J. Keuning, De Vries Robbé & Co, 1881-1956, Gorinchem 1956 - E.J. Hoogenberk, D.J. Verbrugge, Bedreigde gebouwen; bouwen, breken en behouden in Delft 1840-1940, Delft 1982 - ‘Kabelfabriek: geef Kruithuis andere plaats’, Delftsche Courant, 12 november 1971 - Joke Kramer, 'De Kabel', het verhaal van Nedstaal’ in: Geschiedenis van Zuid-Holland, 15 juli 2021. - Karel Loeff, Fabrieksgebouwen, categoriaal onderzoek 1940-1965, Zeist 2006 - Mei architecten, Kabeldistrict, Het grote verhaal – overleg toets team, Rotterdam 2020 (pdfdocument - NKF Delft, N.V.
Nederlandsche Kabelfabriek, Delft 1950 (brochure) - Paul Meurs et.al., Technische Universiteit Delft, cultuurhistorisch onderzoek, Paterswolde/Rotterdam 2018 - NKF, 50 jaar NK; ontwikkeling in de techniek van ondergrondse kabel, Delft 1970. - Marinke Steenhuis, Stedenbouw in het landschap; Pieter Verhagen (1882-1950), Rotterdam 2007 - Ingrid van der Vlis, Vooruit met veel verleden; geschiedenis van Delft vanaf 1795, Zwolle 2016 - J.W.M. Vos, De Vries Robbé en het recente verleden, Gorinchem 1972 Illustratieverantwoording - De in de bijschriften vermelde bron verwijst naar de (eerste) auteursnaam en jaartal van een publicatie uit de literatuurlijst, de naam van de fotograaf, het tijdschrift of de zogenaamde url van de website waaruit de afbeelding is gescand of overgenomen. De veel gebruikte afkorting SD verwijst naar Stadsarchief Delft. Foto’s zonder bronvermelding zijn gemaakt door auteur van dit rapport tijdens het veldwerk op 12 augustus 2022. Met dank aan: Frans van Drielen, beheerder Kabeldistrict Wijnand Galema Architectuurhistoricus Zwaerdecroonstraat 26b 3021 WT Rotterdam 06-41371143 | mail@wijnandgalema.nl | www.wijnandgalema.nl Definitieve versie, 1 december 2022 65
Impressie van verschillende kabeltypen uit voorlichtingsmateriaal van NKF, fotografie P. Blaak, 1970 (Beekhuizen 1970). 66
67