BP Maria Duystlaan (toelichting regels bijlagen bij de regels)
Tekst van het document
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 15
bestemmingsplan Maria Duystlaan 6.3
Bouwregels
6.3.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)'; c. kelders en souterrains zijn toegestaan; d. balkons en dakterrassen zijn toegestaan. 6.3.2
Bijbehorende bouwwerken
Bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan, met uitzondering van erkers. 6.3.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de regels van artikel 12.1. 6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1
Maximum woningaantal
Binnen de bestemming 'Wonen' zijn maximaal 15 woningen toegestaan. 6.4.2
Aan-huis-gebonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Een aan-huis-gebonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan, voor zover: a. zij behoren tot categorie 1 van de als Bijlage 3 opgenomen Lijst van bedrijfstypen met uitzondering van bedrijven die in de Lijst van bedrijfstypen een kader om de categorie hebben. a. het bvo ten behoeve van kantoor- en/of praktijkruimten en/of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 40% van het bvo van de woning, inclusief aan- en uitbouwen en bijbehorend bouwwerk; b. ten behoeve van de kantoor- en/of praktijkruimten en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien; c. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer. 6.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.4.2, sub a, om de aan-huis-gebonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit categorie 2 van de Lijst van bedrijfstypen toe te staan, indien: a. deze activiteiten naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot categorie 1, en; b. de kwaliteit van leefomgeving niet nadelig wordt beïnvloed.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 16
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Artikel 7 7.1
Leiding - Gas
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. gasleiding; b. bijbehorende voorzieningen. 7.2
Bouwregels
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. In afwijking van het bepaalde in de regels voor de andere daar voorkomende bestemming(en) geldt dat op of in deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming 'Leiding - Gas' mogen worden gebouwd. b. De hartlijn van de gasleiding wordt gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding-gas'. 7.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 onder a en toestaan dat de door de regels van de andere daar voorkomende bestemming(en) toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder, de veiligheid met betrekking tot de leiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f. het aanleggen van andere kabels en leidingen anders dan in lid 16.1 aangegeven, en daarmee verband houdende constructies; g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen. 7.4.2
Uitzondering verbod
Het verbod als bedoeld in lid 7.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, en/of c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 7.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning als bedoeld in lid 7.4.1 wordt slechts verleend, indien de veiligheid met betrekking tot de leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 17
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie I
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie I' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 8.2
Bouwregels
Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemming(en) gelden de volgende bouwregels: a. Alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullend archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden. b. Indien uit het in lid 8.2 onder a, genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. c.
De verplichting als bedoeld in lid 8.2 onder a, geldt niet indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. één of meerdere gebouwen waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 50 m2 en/of ten behoeve waarvan bodemverstoringen tot maximaal 30 cm -maaiveld worden uitgevoerd; 3. het plaatsen van een bouwwerk dat uitsluitend bestemd is voor archeologisch onderzoek, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 50 m2 en/of diepte dieper dan 30 cm -maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen. 8.3.2
Uitzondering verbod
Het verbod als bedoeld in lid 8.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan, en/of c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 18
bestemmingsplan Maria Duystlaan werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, en/of d. archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht, en/of e. betrekking hebben op een oppervlakte kleiner dan 50 m2 en/of diepte van maximaal 30 cm -maaiveld. 8.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning als bedoeld in lid 8.3.1 wordt slechts verleend, indien: a. door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden en b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de gemeente archeoloog. 8.3.4
Archeologisch onderzoek
Alvorens een vergunning als bedoeld in lid 8.3.1 wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. 8.3.5 Voorschriften aan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Indien uit het onderzoek als bedoeld in lid 8.3.4 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.3.1 kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.3.1: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 3. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 8.3.6
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie I' ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd indien op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden meer te verwachten zijn.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 19
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Artikel 9 9.1
Waarde - Archeologie III
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie III' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 9.2
Bouwregels
Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemming(en) gelden de volgende bouwregels: a. Alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullend archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden. b. Indien uit het in lid 9.2 onder a, genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. c.
De verplichting als bedoeld in lid 9.2 onder a, geldt niet indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. één of meerdere gebouwen waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 200 m2 en/of ten behoeve waarvan bodemverstoringen tot maximaal 40 cm -maaiveld worden uitgevoerd; 3. het plaatsen van een bouwwerk dat uitsluitend bestemd is voor archeologisch onderzoek, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter. 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.3.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 200 m2 en/of diepte dieper dan 40 cm -maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen en verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen. 9.3.2
Uitzondering op verbod
Het verbod als bedoeld in lid 9.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan, en/of c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, en/of bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 20
bestemmingsplan Maria Duystlaan d. archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht, en/of e. betrekking hebben op een project met een oppervlakte die kleiner is dan 200 m² of een diepte die kleiner is dan 40 cm onder maaiveld. 9.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning als bedoeld in lid 9.3.1 wordt slechts verleend, indien: a. door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden en b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de gemeente archeoloog. 9.3.4
Archeologisch onderzoek
Alvorens een vergunning als bedoeld in lid 9.3.1 wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. 9.3.5 Voorschriften aan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Indien uit het onderzoek als bedoeld in lid 9.3.4 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.3.1 kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.3.1 verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 9.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie III' ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd indien op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden meer te verwachten zijn.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 21
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Artikel 10 10.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. b. c. d.
waterkering; kernzone van de waterkering; beschermingszone van de waterkering; bijbehorende voorzieningen.
10.2
Bouwregels
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. In afwijking van het bepaalde in de regels voor de andere daar voorkomende bestemming(en), geldt dat op of in deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' mogen worden gebouwd. b. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m. 10.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering en mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van het Hoogheemraadschap, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 onder a en onder b en toestaan dat de door de regels van de andere daar voorkomende bestemming(en) toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Voor het afwijken van de bouwregels gelden de volgende bepalingen: a. Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering en mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van het Hoogheemraadschap, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 onder a en onder b en toestaan dat de door de regels van de andere daar voorkomende bestemming(en) toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. b. Voor het afwijken van de bouwregels is een watervergunning verplicht.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 22
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Hoofdstuk 3 Artikel 11
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 23
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Artikel 12 12.1
Algemene bouwregels
Bouwen
Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, van deze regels met inachtneming van de volgende bepalingen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. maximaal toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal bedragen: Bouwhoogte Van erf- en terreinafscheidingen niet grenzend aan openbaar toegankelijk gebied
2m
Van erf- en terreinafscheidingen elders 1 m
12.2
Van voorzieningen voor de betreding van een dakterras
1,5 m
Van lichtmasten
9m
Van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3m
Parkeren
12.2.1 Algemene parkeerregels a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van auto's op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden; b. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van fietsen op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden. 12.2.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 12.2.1 sub b geldt niet voor een gebouw voor een woonfunctie, niet-zijnde een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg. 12.2.3 Afwijkingbevoegdheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.1: a. indien het voldoen aan het bepaalde in lid 12.2.1 door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; en/of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien en deze in stand wordt gehouden.
12.2.4 Voorwaarden voor afwijken Afwijken van de regels, als bedoeld in lid 12.2.3 is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie. 12.2.5 Beleidsregels Nota Parkeernormen 2018 Het bevoegd gezag past het bepaalde in de leden 12.2.1, 12.2.3 en 12.2.4 toe met inachtneming van de beleidsregels uit de Nota parkeernormen 2018. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt bij de toetsing uitgegaan van de nieuwe of gewijzigde beleidsregels, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 24