BP boekje Toelichting Regels Bijlagen bij de regels (GEWZIJZIGD)
Tekst van het document
Conclusie
In het kader van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen voor de locatie TU Delft Campus Zuid zijn de externe veiligheidsrisico’s voor de gemeente Delft geïnventariseerd. Voor alle mogelijke risicobronnen die relevant zijn voor de externe veiligheid is bekeken of deze invloed kunnen hebben op het plangebied en of deze nader moeten worden onderzocht. Het plangebied grenst aan de A13 en de N470. Over beide wegen worden gevaarlijke stoffen zoals GF3 (LPG) vervoerd. Op basis van het Bevi dient voor de A13 het groepsrisico (GR) als gevolg van de beoogde ontwikkeling van de planlocatie te worden bepaald. Dit gebeurt door middel van een berekening met het programma RBM II. De risico’s van het transport over de N470 zijn eveneens beoordeeld op basis van een berekening met het programma RBM II. Uit beide berekeningen kwam naar voren dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Dit geldt voor zowel de huidige als toekomstige situatie. De stijging van het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling van de planlocatie ligt rond de 1 % en is daarmee zeer beperkt en ligt onder de grens van de beschikking uit 2011.
Naast de aanwezigheid van een tweetal transportroutes met gevaarlijke stoffen, zijn er binnen en buiten het plan een aantal inrichtingen aanwezig waar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) op van toepassing zijn. Vanuit het Bevi moet voor inrichtingen het PR en het GR worden bepaald wanneer het plangebied (gedeeltelijk) binnen het invloedsgebied van de inrichting ligt. Uit de nadere beschouwing van de bedrijven volgt dat alleen MPM International Oil Company een extern veiligheidsrisico oplevert dat relevant is voor de planlocatie. In de huidige situatie wordt het groepsrisico van MPM acceptabel geacht en deze ligt beneden de oriëntatiewaarde. De ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ geeft een maximaal toelaatbare personendichtheid binnen het invloedsgebied van de inrichting. Voor de betreffende opslagen bij MPM, geldt hier een personendichtheid van 230 personen per hectare. Zowel in de huidige situatie als in de beoogde ontwikkeling van de planlocatie geldt een lagere personendichtheid dan 230 personen per hectare voor het plangebied TU Delft Campus Zuid. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat zowel in de huidige als de toekomstige situatie het groepsrisico als gevolg van de activiteiten bij MPM onder de oriëntatiewaarde ligt.
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 62
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Er zijn geen belemmeringen gevonden in het kader van externe veiligheid die van invloed zijn op de realisatie van de TU Delft Campus Zuid.
5.7
Geluid
5.7.1
Bestaande situatie
Het plangebied betreft Campus Zuid. Het plangebied is een ontwikkellocatie waarop zich nu diverse gebouwen bevinden en tevens grote delen braakliggend terrein. Er bevinden zich geen woningen in het plangebied, maar wel andere geluidsgevoelige functies. In hoofdzaak betreffen dat onderwijsgebouwen. Campus Zuid wordt begrensd door de rijksweg A13, de provinciale weg N470 (Kruithuisweg) en de Rotterdamseweg. De ontsluiting van het gebied verloopt in hoofdzaak via de Schoemakerstraat naar de N470. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzones van diverse lokale wegen, een trambaan, de Rijksweg A13, de provinciale weg N470 (Kruithuisweg) en het geluidgezoneerde industrieterrein Schieoevers. In het kader van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting te worden berekend en getoetst aan de grenswaarden. 5.7.2
Beleid en onderzoek
Op plannen waarin nieuwe geluidsgevoelige functies worden mogelijk gemaakt is de Wet geluidhinder van toepassing. Indien het noodzakelijk is voor het plan hogere waarden te verlenen is eveneens het beleid hogere waarden Wet geluidhinder van de gemeente Delft van toepassing. Op 13 oktober 2023 (zie bijlage 10 Akoestisch onderzoek) is door Tauw het Akoestisch Onderzoek afgerond ten behoeve van de ontwikkeling van Delft Campus Zuid in voorbereiding op een benodigd plan. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de rooilijnen van de enkelbestemming Campus, waarbinnen de onderwijsfuncties zijn voorzien, om eventuele knelpunten ten aanzien van de wettelijke grenswaarden voor geluid inzichtelijk te maken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens een berekening gemaakt van de geluidbelasting vanwege het verkeer op de relevante 30 km/uur wegen en zijn de gecumuleerde geluidbelastingen inzichtelijk gemaakt. Om de berekende geluidbelasting vanwege het verkeer op 30 km/uur wegen te kunnen beoordelen, is aansluiting gezocht bij de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. 5.7.3
Gewenste ontwikkeling
De ontwikkeling van het terrein bestaat uit het toevoegen van maximaal 56.200 m2 bvo aan bebouwing. Door Tauw is onderzoek verricht om uit te wijzen of er met de beoogde functies voldaan kan worden aan de Wet geluidhinder. 5.7.4
Conclusie
Op basis van het akoestisch onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: De geluidbelasting vanwege het verkeer op de A13, de N470/Kruithuisweg, de Schoemakerstraat, de Huismansingel en de Heertjeslaan overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt nergens overschreden De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Rotterdamseweg en de Molengraaffsingel is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanuit het oogpunt van geluid vormen deze wegen geen belemmering voor het realiseren van onderwijsfuncties binnen de bouwvlakken De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Boussinesqweg en de Thijsseweg is lager dan 48 dB, zijnde de voorkeursgrenswaarde voor wegen met een zone in de zin van de Wet geluidhinder. Vanuit het oogpunt van geluid vormen deze wegen geen belemmering voor het realiseren van onderwijsfuncties binnen de bouwvlakken De geluidbelasting vanwege de activiteiten van de bedrijven gelegen op het gezoneerde industrieterrein Schieoevers Zuid overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. De maximaal te ontheffen waarde wordt nergens overschreden Vanwege de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden vanwege wegverkeer en industrielawaai is het realiseren van onderwijsfuncties binnen de bouwvlakken met de enkelbestemming Campus niet zonder meer mogelijk.
Voor de onderwijsfuncties zullen hogere bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 63
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid waarden moeten worden vastgesteld en bij de uitwerking van het ontwerp dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid Volgens het gemeentelijk geluidbeleid dient een geluidgevoelige bestemming te zijn voorzien van een geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door een gebouw te ontwerpen in O of U-vorm waardoor de geluidgevoelige bestemming aan de binnenzijde is voorzien van een geluidluwe zijde De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 61 dB. Het betreft hier de geluidbelasting op basis van het standaard spectrum voor wegverkeer
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Bestaande situatie
Het plangebied betreft Campus Zuid. Het plangebied is een ontwikkellocatie waarop zich nu diverse gebouwen bevinden en tevens grote delen braakliggend terrein. Er bevinden zich geluidsgevoelige functies, te weten onderwijsgebouwen. Campus Zuid wordt begrensd door de rijksweg A13, de provinciale weg N470 (Kruithuisweg) en de Rotterdamse weg. De ontsluiting van het gebied verloopt in hoofdzaak via de Schoemakerstraat naar de N470. De luchtkwaliteitsnormen worden nergens in het plangebied overschreden. 5.8.2
Beleid en onderzoek
Bij het vaststellen van een nieuwe plan waarin nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die invloed kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer, luchtkwaliteitseisen van toepassing. In het Onderzoek Luchtkwaliteit van Tauw d.d. 13 oktober 2023 (zie bijlage 11 Luchtkwaliteitsonderzoek) is de voor luchtkwaliteit relevante stoffen NO2, PM10 en PM2,5 de jaargemiddelde concentratie berekend op een groot aantal receptorpunten. De berekende jaargemiddelde concentratie is het totaal van de achtergrondconcentratie (welke standaard in het rekenmodel Geomilieu is opgenomen) plus de bijdrage van de in het model opgenomen bronnen. Dit is voor het plan Delft Campus Zuid al het wegverkeer op wegen binnen het modelgebied. Het verschil in concentratieniveaus tussen de beoogde situatie en de autonome situatie (de situatie met en zonder realisatie van de nieuwbouw) is het planeffect. De totale concentratieniveaus zijn getoetst aan de wettelijke grenswaarden en het planeffect wordt getoetst aan de NIBM grens (Niet In Betekende Mate). De NIBM grens bedraagt 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10. Dit komt overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentratie van 1,2 ìg/m³. 5.8.3
Gewenste ontwikkeling
De ontwikkeling van het terrein bestaat uit het toevoegen van maximaal 56.200 m² bvo aan bebouwing. 5.8.4
Conclusie
Zowel in de autonome situatie als de beoogde situatie liggen de concentratieniveaus voor zichtjaar 2030 voor de componenten NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de wettelijke grenswaarden. De ontwikkeling van Delft Campus Zuid is daarmee inpasbaar vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet luchtkwaliteit. De toename in jaargemiddelde concentratieniveaus (het planeffect) blijft voor zowel NO2, PM10 als PM2,5 ruim onder de NIBM grens van ruim 1,2 ìg/m³. Het doorlopen een m.e.r. procedure is daarmee voor het aspect luchtkwaliteit niet nodig.
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 64
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
5.9
Stikstofdepositie
5.9.1
Bestaande situatie
Na realisatie van activiteiten of projecten, en/of tijdens de bouwwerkzaamheden, kunnen er bronnen zijn die stikstofoxiden (NOx) en/of ammoniak (NH3) emitteren. De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Een bestuursorgaan stelt een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Wanneer blijkt dat een plan meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen in een (naderend) overbelaste situatie, dan is er sprake van een in potentie significant effect en kan het plan niet zondermeer worden vastgesteld.
In een ecologische voortoets of passende beoordeling kan dan onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het plan en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten.
Afbeelding 18: Plangebied tov Natura 2000 gebieden 5.9.2
Beleid en onderzoek
Voor plan TU Delft Campus Zuid is op 13 november 2023 het onderzoek '' Stikstofdepositie-onderzoek plan Delft Campus Zuid'' uitgevoerd door Tauw (zie bijlage 12 Stikstofdepositie-onderoek). Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: 1. Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase 2. Berekening stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de gebruiksfase; betreft een verschilberekening tussen de beoogde situatie en de autonome situatie De werkzaamheden in de aanlegfase betreft de realisatie van nieuwbouw. Er worden geen gebouwen gesloopt. Er zullen daarnaast slechts beperkt infrastructurele aanpassingen verricht worden; dit is alleen nodig voor het Kluyvergebied. De bouwwerkzaamheden in het plangebied worden uitgevoerd binnen de bestemmingsplanperiode (zijnde 20 jaar vanwege de verbrede reikwijdte). Op dit moment wordt ingeschat dat het grootste deel van de werkzaamheden in de eerste 5 tot 10 jaar zal plaatsvinden. Voor de AERIUS berekeningen is veiligheidshalve aangehouden dat maximaal 30% van de emissies plaatsvindt gedurende de maatgevende periode van 12 maanden. Als rekenjaar in AERIUS is 2024 aangehouden voor de aanlegfase en 2040 voor de gebruiksfase.
Bij de gebruiksfase is het van belang dat de gemeente het plangebied zo duurzaam mogelijk wil bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 65
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid inrichten. Dat houdt in dat de nieuwe panden niet zullen worden aangesloten op het gasnet ten behoeve van verwarming van het pand. Alle nieuwe panden zullen worden aangesloten op een WKO. Bestaande panden in het plangebied zijn wel op het gasnet aangesloten, met dien verstande dat alle recent ontwikkelde gebouwen zoals NEXT, ABB, Applikon en TNO reeds zijn aangesloten op een WKO. Daarnaast zullen enkele van deze bestaande gebouwen in de toekomst met geothermie verwarmd worden. Met het wegvallen van deze emissies door gasstook kan intern gesaldeerd worden. Daarnaast is in het kader van duurzaamheid het beleid voor bedrijven om elektrische werktuigen te gebruiken. Elektrische werktuigen emitteren geen stikstof en zijn om die reden niet opgenomen in dit onderzoek. 5.9.3
Gewenste ontwikkeling
De wens is om de ontwikkeling van het terrein mogelijk te maken met het toevoegen van maximaal 56.200 m2 bvo aan bebouwing, waaronder kennisintensieve bedrijven. Er zullen daarnaast slechts beperkt infrastructurele aanpassingen verricht worden; dit is alleen nodig voor het Kluyvergebied. 5.9.4
Conclusie
De bijdrage aan de stikstofdepositie van het plan Delft Campus Zuid is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2023.0.1). AERIUS Calculator berekent voor de aanlegfase een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Ook voor de gebruiksfase (zichtjaar 2040) wordt een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar berekend, zowel met als zonder saldering (interne saldering) met de reductie in gasverbruik doordat enkele panden worden aangesloten op geothermie. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
5.10
Trillingen
5.10.1 Bestaande situatie en in ontwikkeling Binnen het plangebied zijn meerdere bestaande trillinggevoelige objecten aanwezig. Deze zijn in onderstaande afbeelding gemarkeerd.
Afbeelding 19: Trilling gevoelige locaties bestaand bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 66
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Specifiek gaat het om de volgende objecten. RID-dc Reactorinstituut Delft (RID), datacenter RID-vl Reactorinstituut Delft (RID), versnellerlaboratorium H-PTC Holland PTC protonenkliniek TNW-Z TNW Zuid faculteit Applied Physics specifieke locatie trillingarme laboratoria Metrology Tower (voorheen VSL onderzoeksgebouw) specifieke locatie trillingarme laboratoria Trilling gevoelige objecten in ontwikkeling Niet alleen worden bestaande gebouwen en gebouwdelen aangewezen als trillinggevoelige objecten, de TU Delft reserveert een zone rondom de bestaande gebouwen voor toekomstige ontwikkelingen en benoemt deze zone als trillinggevoelig object in ontwikkeling. Deze zone is geselecteerd op basis van een onderzoek naar vlekken binnen het plangebied waar de trillingniveaus laag zijn, uitgaande van de geplande infrastructuur en aanwezige trillingbronnen en met een afsluiting van een bestaande doodlopende weg. Uit deze studie volgt dat verschillende locaties binnen het plangebied geschikt kunnen zijn om trillinggevoelige apparatuur op te stellen, uitgaande van een functioneel gebouwontwerp met bijzondere vloerconstructie en fundatie.
Afbeelding 20: Trillinggevoelige locaties potentieel in ontwikkeling Specifiek gaat het om de volgende zones. Zone 1 grond ten noorden en ten westen van Technische Natuurwetenschappen aan de Van der Maasweg 9 te Delft (TNW Zuid); in potentie gereserveerd voor VC-F laboratoria. Zone 2 grond ten noorden, westen en zuiden van TNW Zuid; in potentie gereserveerd voor VC-E laboratoria. Zone 3 grond ten zuiden van de Heertjeslaan; in potentie gereserveerd voor VC-D laboratoria. Deze zones of kavels worden gereserveerd als potentieel zoekgebied voor functies waarvoor behoefte is aan een trillingarme vloer of werkomgeving en in overleg met TU Delft zijn de zones of kavels aangewezen waar mogelijk een toekomstig trillinggevoelig object wordt geprojecteerd. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 67
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 5.10.2 Onderzoek Op 13 juli 2020 is ten behoeve van het plan TU Delft Campus Zuid, het rapport ''Zonering trillingbronnen in relatie tot trillinggevoelige objecten'' opgesteld (zie bijlage 13 Trillingenonderzoek). In dit rapport is een kader gegeven waarmee het plan wordt ingevuld met betrekking tot trillingen en worden richtlijnen gegeven voor verdere ontwikkeling van het gebied. Daarbij wordt achtereenvolgens een toelichting gegeven op het volgende: het plangebied en de ligging van de trillinggevoelige objecten binnen het gebied; de gestelde eisen (trillingcriteria) op de vloeren van de gebouwen, nodig voor de apparatuur ter plaatse; de zonering van toelaatbare trillingbronnen binnen het plangebied en de trillingskaarten. Bij de zonering van de toelaatbare trillingbronnen binnen het plangebied wordt onderscheid gemaakt tussen de trillingbronnen die invloed kunnen hebben op de achtergrondtrillingniveaus: als gevolg van wijzigingen in de infrastructuur; als gevolg van nieuwe activiteiten op de verschillende kavels; als gevolg van sloop- of bouwwerkzaamheden (tijdelijke invloed).
Zoneringskaart trillingsbronnen Om voor de ontwikkeling van het plangebied tot een handzaam toetskader te komen, is voor het plangebied aangegeven welke soort trillingbronnen mogelijk zijn in relatie tot de afstand tot de trillinggevoelige objecten. Met behulp van vibratie-isolijnen wordt aangegeven welke trillingbronniveaus binnen deze zonering mogen optreden, waarbij geen overschrijdingen van de trillingeisen op de vloeren worden veroorzaakt. De trillingkaarten bieden een richtlijn om in een vroeg stadium een inschatting van de haalbaarheid te maken, maar bij verdere uitwerking en engineering van de plannen moet met aandacht bekeken worden of de werkelijk te plaatsen trillingbronnen daadwerkelijk niet meer trillingen veroorzaken dan toegestaan.
Afbeelding 21: Laagfrequente trillingsbronnen
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 68
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
Afbeelding 22: Middenfrequente trillingsbronnen
Afbeelding 23: Hoogfrequente bronnen
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 69
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 5.10.3 Nadere eis BenW kunnen een trillingonderzoek verlangen, indien het redelijke vermoeden bestaat dat niet kan worden voldaan aan de toelaatbare trillingniveaus ter plaatse van de trillingarme vloeren binnen de in de tabel genoemde trillinggevoelige objecten, met dien verstande dat wordt getoetst in de aangegeven frequentiegebieden. Het onderzoek betreft een modelberekening, voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning cq realisatie van de activiteit. Dit betreft derhalve een preventieve toets in verband met voorgenomen nieuwe activiteiten binnen de aanduiding. De nadere eis geldt alleen indien de beheerder van de trillinggevoelige objecten de beschikking geeft over de overdrachtsdempingen, die nodig zijn om de modelberekeningen uit te kunnen voeren of de gelegenheid geeft deze trillingoverdracht te meten. 5.10.4 Controlemetingen Het bevoegd gezag is belast met toezicht en handhaving. In het geval dat er een redelijk vermoeden bestaat dat door een activiteit binnen de aanduiding de toelaatbare trillingniveaus worden overschreden, kan het bevoegd gezag besluiten trillingmetingen uit te (laten) voeren.
Handhaving op overschrijding van de toegelaten trillingniveaus zal niet plaatsvinden indien de beheerder van de trillinggevoelige objecten geen toestemming geeft deze metingen uit te voeren, ter plaatste van de betreffende trillingarme vloeren.
5.11
Vormvrije m.e.r.
5.11.1 Inleiding Uit Hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en het Besluit m.e.r. volgt dat voor activiteiten die belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen hebben, er een procedure in het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden doorlopen. Zo kan het milieubelang volwaardig worden meegenomen in de besluitvorming. In onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. staan de activiteiten vermeld die direct m.e.r.-plichtig zijn. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Als een project onder onderdeel D valt dient een m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden om te onderzoeken of belangrijke nadele milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hierbij moet getoetst worden aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectrapportage met de volgende drie criteria: 1. Kenmerken van de activiteit 2. Plaats van de activiteit 3. Kenmerken van het potentiële effect
M.e.r.-plichtig vanuit Besluit-m.e.r. Voor de ontwikkelingen van de Campus Zuid is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. De voorgenomen activiteiten zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r., zie Tabel 1-1. Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2) en de wijziging van een industrieterrein (11.3). Uit D-11.2 volgt een drempelwaarde van 200.000 m2 bvo voor stedelijke ontwikkeling. Bestemmingsplan Campus Zuid maakt 97.800 m2 bvo aan nieuwe ontwikkeling mogelijk. Daarmee wordt de drempelwaarde uit D-11.2 niet overschreden. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. In D-11.3 is als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Daarbij geldt een drempelwaarde van 75 hectare. Het plangebied Campus Zuid heeft een totale oppervlakte van ongeveer 125 ha, een deel daarvan is bebouwd en in gebruik. Het bestemmingsplan maakt nieuwe activiteiten mogelijk die een oppervlakte van 30 hectare beslaan. Daarmee wordt de drempelwaarde uit D-11.3 niet overschreden. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 70
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Er kan een plan-m.e.r.-plicht voor het nieuwe bestemmingsplan bestaan als dat plan het kader vormt voor de mogelijke oprichting, wijziging en/of uitbreiding van installaties die zijn genoemd in onderdeel C en/of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarbij de drempelwaarde(n) in kolom 2 worden overschreden. De plan-m.e.r.-plicht kan voorkomen worden door het opnemen van een specifieke planregel waarmee wordt verzekerd dat het bestemmingsplan geen kader biedt voor formele m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Wel kan het bestemmingsplan dan nog voorzien in activiteiten die voldoen aan de omschrijving in kolom 1 van een activiteit op onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Om die reden geldt er een vormvrije plan-m.e.r.-beoordelingsplicht voor het nieuwe bestemmingsplan. 5.11.2 Beleid en onderzoek De vormvrije-m.e.r.-beoordeling voor het bestemmingsplan is uitgevoerd door RHDHV. De beoordeling op 30 oktober 2023 is als Bijlage 14 bij de toelichting gevoegd en maakt deel uit van de plantoelichting. De ontwikkeling van het terrein bestaat uit het toevoegen van 56.200 m2 aan bebouwing. Het betreft de volgende ontwikkelingen: 1. Kluyvergebied: 3 gebouwen met kantoren, labs en onderwijsfuncties a. QuTech (5 verdiepingen): 14.000 m2 bvo b. Generiek Onderwijsgebouw Zuid (3 verdiepingen): 10.000 m2 bvo c.
Cleanroom (3 verdiepingen): 11.000 m2 bvo 2. Next Delft 2: bedrijfsverzamelgebouw (4 verdiepingen). 10.000 m2 bvo 3. Alfarim: kantoren, labs en werkruimtes (3 verdiepingen). 3.700 m2 bvo 4. Fraim: multifunctioneel gebouw / ontmoetingsplaats (3 verdiepingen). 7.000 m2 bvo 5. Sportschuif: sporthal met verenigingsgebouw. 500 m2 bvo Daarnaast wordt een viertal ontwikkelingen mogelijk gemaakt welke een verwaarloosbare verkeersaantrekkende werking hebben: Een WKO gebouw in het Kluyvergebied: 1.000 m2 bvo Inkoopstation (technische ruimte elektriciteitsnetwerk): 600 m2 bvo 2 parkeerhubs (open parkeergarages van beide 6 verdiepingen) gerealiseerd: Parkeerhub Kluyvergebied: 19.800 m2 bvo Parkeerhub GREX-gebied. 20.200 m2 bvo In het bestemmingsplan wordt een reservering gemaakt voor het doortrekken van tramlijn 19. Dit is een van de mogelijkheden om Campus Zuid bereikbaar te houden met het openbaar vervoer. In de beoordeling zijn de de milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beoordeeld aan de hand van de criteria uit bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Uit de beoordeling blijkt dat de ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die een milieueffectrapport noodzakelijk maken.
5.11.3 Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die een milieueffectrapport noodzakelijk maken. Gelet hierop is er geen verplichting om een milieueffectrapport op te stellen.
5.12
Water
5.12.1 Bestaande situatie Onderstaande afbeelding toont de grenzen van het peilgebied, van de vigerende bestemmingsplangebieden en van het omgevingsplangebied ter plaatse van Campus Zuid. Alle wijzigingen in het landgebruik en de daarbij horende effecten vinden plaats binnen de bestemmingsplangebieden NL.IMRO.0503.BP0019 en NL.IMRO.05030000.17-. Daarnaast vinden alle wijzigingen plaats binnen het peilgebied met codering ZPD25. Om deze reden zijn enkel de invloeden op bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 71
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid het watersysteem van de ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit peilgebied getoetst en beschreven in de waterparagraaf. Voor eventuele toekomstige ontwikkelingen in de omringende peilgebieden binnen het omgevingsplangebied dient een afzonderlijke watertoets te worden uitgevoerd. Bij verdere toename van verharding dient dan compensatie plaats te vinden conform de dan geldende uitgangspunten voor het standstill-beginsel.
Afbeelding 24: Gebiedsgrenzen Campus Zuid
5.12.2 Beleid en onderzoek Aangezien het plangebied zich binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland bevindt, is voor de toetsing de 'Handreiking Watertoets voor Gemeenten' d.d. 8 oktober 2018 van het Hoogheemraadschap van Delfland gevolgd. De Handreiking watertoets geeft inzicht in hoe Delfland de watertoets procedureel en inhoudelijk invult. Zoals beschreven in deze handreiking berust voor de verschillende onderdelen van de waterhuishouding de Watertoets op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Binnen deze waterpargaraaf zijn de onderstaande onderdelen kwalitatief getoetst aan deze uitgangspunten: Wetgeving en beleid; bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 72
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Grondwater; Waterveiligheid; Waterkwaliteit. Echter, in samenspraak met Delfland en de gemeente Delft zijn niet alle onderdelen van de waterhuishouding getoetst aan het standstill-beginsel, wat een uitzondering betreft van de normale manier van toetsing. Hier is voor gekozen omdat er in de afgelopen jaren al veel wijzigingen in het watersysteem zijn doorgevoerd. Daarnaast betreft het te toetsen gebied een afzonderlijk peilvak, zonder directe invloed op omliggende peilvakken. Er is daarom bepaald dat alleen het functioneren van het toekomstige systeem dient te worden getoetst, zonder hierbij vast te houden aan het standstill-beginsel. Voor de volgende onderdelen is gekeken of het toekomstige systeem voldoet aan de verschillende normeringen van de gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland: Hydraulisch functioneren oppervlaktewatersysteem; Inundatierisico, inclusief de klimaatstresstest uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie; Riolering 5.12.3 Gewenste ontwikkeling In de waterparagraaf TU Campus Zuid RHDHV zijn de voorgenomen activiteiten geplaatst tegen de achtergrond van de vigerende wetgeving en het vigerend beleid.
Hier is een overzicht gegeven van het huidige beleid en regelgeving op Europees, Rijks-, Provinciaal en gemeentelijk niveau en op het niveau van het Hoogheemraadschap Delfland, voor zover van invloed op de voorgenomen activiteit. Vervolgens is onderzoek gedaan naar de effecten van de activiteiten die mogelijk worden gemaakt met het plan. De methodiek van de uitgevoerde analyses van de effecten op het watersysteem zijn uiteengezet in onderstaande tabel en hierop volgend de conclusies .
Criterium
Wijze van beoordelen
Methode
Hydraulisch functioneren oppervlaktewatersysteem
Hydraulische stationaire toetsing watersysteem aan normering Hoogheemraadschap van Delfland
Hydrodynamische doorrekening watersysteem
Inundatierisico
* Toetsing bergingsvermogen oppervlaktewatersysteem aan provinciale normering. * Toetsing bergingsvermogen oppervlaktewatersysteem aan klimaatbuien (gestandaardiseerde stresstest)
Hydrodynamische doorrekening watersysteem
Grondwater
Toe- /afname grondwaterstand
Kwalitatief
Waterveiligheid
Inschatting effecten wijziging landgebruik op aanwezige waterbouwkundige kunstwerken en waterkeringen
Kwalitatief
Riolering
Toetsing riolering aan gemeentelijke (=TU Delft) normeringen
Hydrodynamische doorrekening watersysteem
Waterkwaliteit
Inschatting effecten wijziging Kwalitatief landgebruik op oppervlaktewaterkwaliteit
Afbeelding 25: De methodiek van de uitgevoerde analyses van de effecten op het watersysteem
Per uitgevoerde criterium volgen hieronder kort de conclusies. De uitgebreide analyse is na te lezen in bijlage 15 Waterparagraaf. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 73
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Hydraulisch functioneren oppervlaktewatersysteem Er zijn geen knelpunten bepaald op basis van de hydraulische stationaire toetsing Inundatierisico De toetsing aan de provinciale Omgevingsverordening is leidend voor de bepaling van knelpunten bij de dynamische toetsing op berging. Er ontstaat bij de doorrekening enige inundatie van openbaar groen in de zuidoostelijke hoek van het peilgebied. Echter, deze inundatie valt ruim onder de toegestane norm van inundatie voor openbaar groen (<5%). Er vindt in de toekomstige situatie geen inundatie van de verhoogde infrastructuur of bebouwing plaats. Er zijn om deze reden bij deze toetsing geen knelpunten vastgesteld Grondwater De ingrepen hebben geen negatief effect op de grondwaterhuishouding. Waterveiligheid De ingrepen hebben geen effect op de waterveiligheid Riolering Binnen het plangebied bevinden zich drie bemalingsgebieden, namelijk Technopolis, TU Zuid en VSL. De ontwikkelingen leiden tot meer locaties met water-op-straat. Dit kan naar verwachting voorkomen worden door het hemelwater afkomstig van de daken en terreinen van de nieuwbouwlocaties niet via de regenwaterriolering af te voeren maar rechtstreeks naar het oppervlaktewater af te voeren.
Waterkwaliteit De waterkwaliteit wordt niet negatief beïnvloed door riool overstorten, afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater moet indien noodzakelijk geacht voorzien zijn van een zuiverende voorziening. De waterkwaliteit van KRW-waterlichaam NL15_04 wordt niet of zeer beperkt negatief beïnvloed door de ontwikkelingen. Watertoets In deze paragraaf zijn de resultaten van de uitgevoerde watertoets besproken, evenals de conclusies van de effecten van de stedelijke ontwikkelingen op de verschillende aspecten van de waterhuishouding. In het kader van de watertoets is het plan besproken met het Hoogheemraadschap van Delfland en akkoord bevonden. 5.12.4 Conclusie In het plangebied Campus Zuid vindt stedelijke ontwikkeling plaats. In deze waterparagraaf is uiteengezet wat de invloed is van deze stedelijke ontwikkeling op de verschillende aspecten van waterhuishouding. De toekomstige invulling van het watersysteem is getoetst aan de vigerende normeringen voor het hydraulisch functioneren en voor het risico op inundatie (en dus niet aan het standstill-principe). Uit beide toetsingen volgt dat er in de toekomstige situatie géén knelpunten voor de normeringen naar voren komen. De maximaal gemodelleerde peilstijgingen zijn als volgt: Het actuele plan leidt bij een T=10 bui tot een maximale peilstijging van 35 cm en bij een T=100 bui tot een maximale peilsteiging van 74 cm.
Dit maximale peil treedt niet lokaal op maar door het hele peilvak. De toekomstige waterstructuur is dan ook robuust. De verhouding van verhard (inclusief open water) en onverhard betreft hierbij respectievelijk 62% en 38%. In het waterhuishoudkundig plan is een aantal aanbevelingen voor aanpassingen aan het watersysteem aangegeven. De afvoerstructuurplannen van de drie bemalingsgebieden van de riolering zijn getoetst aan de normeringen van de TU Delft. De ruimtelijke ontwikkelingen leiden logischerwijs tot meer locaties met water op straat, maar de beschikbare berging in het oppervlaktewatersysteem laat toe dat delen van het verhard oppervlak direct afwateren op het oppervlaktewatersysteem, waardoor het aantal situaties met water op straat beperkt plaatsvinden. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 74
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Er worden ten opzichte van de huidige situatie door de stedelijke ontwikkelingen geen (of zéér beperkt en lokale) effecten verwacht op de grondwaterstand, de waterveiligheid of de (grond)waterkwaliteit. Er wordt voor deze onderdelen in de toekomstige waterhuishouding dus voldaan aan het stand-still beginsel wat stelt dat negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen.
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 75
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
Hoofdstuk 6
Infrastructuur
6.1
Bovengronds (verkeer en vervoer)
6.1.1
Bestaande situatie
6.1.1.1 Langzaam verkeer De hoofdfietsroutes in het plangebied zijn de Rotterdamseweg, de Mekelweg en de Schoemakerstraat. De overige wegen binnen het plangebied vormen de verbinding tussen de hoofdfietsroutes en de eindbestemming. 6.1.1.2 Openbaar vervoer Het openbaar vervoer (OV) in het plangebied betreft vervoer per bus. Onderstaande afbeelding geeft de OV-routes binnen het plangebied weer.
Afbeelding 26: OV-routes voor Campus Zuid in 2022 (bron: lijnennetkaart EBS Delft 2022)
Door het studiegebied loopt buslijn 40 Station Delft - Rotterdam Centraal. De frequenties bedragen in de ochtendspits 4 keer per uur, in de avondspits 3 keer per uur en in de daluren 2 keer per uur. Daarnaast loopt buslijn 174 Station Delft – Rotterdam Noord door het studiegebied met een frequentie van 2 keer per uur in alle dagdelen. Buslijn 69 is een stadsbuslijn die rijdt tussen de TU Campus Zuid (halte Technopolis) en station Delft. Deze buslijn rijdt tot 18:15 uur vier keer per uur. Daarna wordt hier een halfuursdienst gereden. 6.1.1.3 Autoverkeer De huidige ontsluiting van Campus Zuid vindt voornamelijk plaats via de Schoemakerstraat (voor verkeer vanuit Delft) en via de N470 (vanuit de A4 en A13) naar de Huismansingel. Een tweede ontsluiting loopt via de Rotterdamseweg. De capaciteit op het wegvak van de Huismansingel tussen de Molengraaffsingel en de N470 wordt in de loop van 2024 uitgebreid. Hiervoor zijn drie argumenten. In de eerste plaats wordt door het plaatsen van verkeerslichten de oversteekbaarheid verbeterd. Dit draagt bij aan de verbetering van de verkeersveiligheid op de Huismansingel en toeleidende wegen. In de tweede plaats is de capaciteit in de huidige situatie al beperkt en dit leidt tot wachtrijen bij de kruispunten.
Ten derde wordt hiermee voorgesorteerd op de toename van verkeer als gevolg van de verdere ontwikkeling van Campus Zuid dat ook via het huidig plan kan plaats vinden. Met de reconstructie van het kruispunt Huismansingel / Molengraaffsingel naar een kruispunt met verkeerslichten komen op de toeleidende wegen opstelvakken voor de verschillende richtingen. Door de korte afstand tot het kruispunt met de N470 is het noodzakelijk om de aansluitingen van de bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 76
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Uytenboogaartsingel en de Cyclotronweg met de Huismansingel op te heffen voor gemotoriseerd verkeer. De Uytenboogaartsingel krijgt een aansluiting vanaf de Watermanweg en de Cyclotronweg wordt ter hoogte van YES!Delft aangesloten op de Molengraaffsingel.
Afbeelding 27: schematische weergave van aanpassingen op en rond het kruispunt Huismansingel / Molengraaffsingel
6.1.1.4 Parkeren Gezien de functies in het gebied is er vooral behoefte aan parkeren overdag. Het parkeren in het plangebied gebeurt op eigen terrein, op maaiveld of in gebouwde voorzieningen.
6.1.2
Mobiliteitsbeleid
6.1.2.1 Mobiliteitsprogramma 2040 In januari 2021 is het Mobiliteitsprogramma Delft 2040 (MPD) vastgesteld. Kern van dit beleid is dat Delft de groei van de stad de ruimte wil geven en tegelijkertijd de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de duurzaamheid wil vergroten. Hiervoor wordt in het MPD ingezet op een mobiliteitstransitie. Door meer in te zetten op voetgangers en fietsers en minder op autoritten en parkeren kan de groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen worden gefaciliteerd en tegelijkertijd worden bijgedragen aan een prettige en duurzame leefomgeving met ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen in de openbare ruimte. Om dit te bereiken is in het MPD een prioriteit in vervoerwijzen opgenomen en een hiërarchie in netwerken. Samen met het feit dat vrijwel iedereen zijn reis begint en eindigt als voetganger is in het MPD gekozen voor de volgende prioriteitsvolgorde in vervoerwijzen: 1. 2. 3. 4.
De voetganger De fietser Het openbaar vervoer De auto
De prioriteitsvolgorde is niet overal in de stad op eenzelfde manier toe te passen. Op sommige plekken is een (door)stroomfunctie belangrijk om de bereikbaarheid op peil te houden. Daarom is er een hiërarchie in netwerken in het MPD opgenomen, bestaande uit: 1. Een basisnet bestaande uit alle wegen, paden en pleinen bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 77
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 2. Een hoofdnet met alle belangrijke, rechtstreekse routes 3. Een kwaliteitsnet met de meest belangrijke schakels van het netwerk met extra kwaliteitseisen Door steeds de prioriteitsvolgorde en de hiërarchie in netwerken tegen elkaar af te zetten, kan per locatie en situatie worden bepaald welke route en welke vervoerwijze prioriteit krijgt. 6.1.2.2 Stedenbouwkundig plan De TU Delft heeft voor Campus Zuid een stedenbouwkundig plan opgesteld. In dit plan wordt aangesloten op de visie Mobiliteit en Bereikbaarheid van de TU Delft. De TU Delft wil gebruikers stimuleren om ook andere vervoersmiddelen dan de auto te gebruiken. Op Campus Zuid betekent dat onder andere dat wordt ingezet op het verbeteren van een robuuste fietsinfrastructuur van hoge kwaliteit die aansluit op regionale fietsroutes van en naar de stad. Daarnaast wordt gewenst reisgedrag gefaciliteerd door entrees van gebouwen en parkeergarages aan langzaam verkeerroutes te situeren. Tegelijkertijd wordt veelvuldig autogebruik ontmoedigd door kritisch te kijken naar de parkeerbehoeftes van bedrijven en door inzet van mobiliteitsmanagement en innovaties. 6.1.3
Gewenste ontwikkeling
Het beleid van de TU Delft en het gemeentelijk beleid sluiten goed op elkaar aan. In beide gevallen wordt veel ruimte geboden aan voetgangers en fietsers en wordt het autogebruik kritisch benaderd. Het verschil in beide plannen zit vooral in het schaalniveau. In het stedenbouwkundig plan van de TU Delft is voor Campus Zuid een fijnmazig netwerk voor de verschillende modaliteiten opgenomen. In het MPD is het mobiliteitsbeleid voor de hele stad opgenomen. Door het hogere schaalniveau en de in hiërarchie in netwerken zijn de routes minder fijnmazig. In onderstaande paragrafen worden de netwerken voor de verschillende modaliteiten vanuit het MPD beschreven. Dat zijn de netwerken die zijn vastgesteld door de gemeenteraad bij besluitvorming over het MPD. 6.1.3.1 De voetganger Gezien de ligging van Campus Zuid ten opzichte van woongebieden en de twee treinstations van Delft is het niet waarschijnlijk dat reizigers de hele route van herkomst naar bestemming als voetganger afleggen. De meeste reizigers zullen vooral het eerste c.q. laatste deel van de reis op Campus Zuid te voet afleggen vanaf een bushalte, een fietsenstalling of parkeerplaats. In Campus Zuid is daarom geen hoofdnet of kwaliteitsnet voor voetgangers gedefinieerd. Het hele plangebied is aangewezen als basisnet.
6.1.3.2 De fietser Voor fietsverkeer is er een kwaliteitsnet gedefinieerd bestaande uit de Schoemakerstraat / Huismansingel, Rotterdamseweg en de Heertjeslaan. Dit zijn de oranje lijnen op afbeelding 24. Daarnaast is de route Watermanweg/ Anthony Fokkerweg aangewezen als oost-west verbinding op het kwaliteitsnet. Deze route maakt onderdeel uit van de ladderstructuur tussen de Rotterdamseweg en de Huismansingel en krijgt daarnaast een meerwaarde als hoogwaardige fietsroute zodar via een extra brug over de Schie ten zuiden van de Kruithuisweg een rechtstreekse verbinding ontstaat met station Delft Campus. De Mekelweg is onderdeel van het hoofdnet (blauw op onderstaande afbeelding). Als verdere uitwerking van de planstudie naar de Metropolitane Fietsroute Delft - Rotterdam Alexander (MFR) is er voor gekozen om het tracé niet over de Rotterdamseweg te laten lopen, maar over de Mekelweg. De MFR loop daarmee over het terrein van Campus Zuid en Campus Midden tot aan de Gelatinebrug. Daarnaast wordt een doortrekking van de Leeghwaterstraat (ten noorden van de N470) naar Campus Zuid als kansrijke route gezien op het hoofdnet bij een verdere verdichting van het fietsnetwerk (blauwe stippellijn).
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 78
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
Afbeelding 28: fietsnetwerk
6.1.3.3 Openbaar vervoer De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is als vervoersautoriteit de concessieverlener voor het openbaar vervoer in de regio. Jaarlijks wordt in overleg tussen de vervoerders, de wegbeheerders en de MRDH een vervoerplan opgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar. Alle partijen brengen daarbij wensen in met het doel het openbaar vervoer te verbeteren. Het gaat dan niet alleen om wensen met betrekking tot bijvoorbeeld extra haltes of hogere frequenties, maar ook om maatregelen die bijdragen aan de kostenefficiency van het openbaar vervoer. In samenspraak tussen de drie partijen wordt bepaald welke wensen worden gehonoreerd. Vanuit de gemeente Delft zullen we in deze gesprekken altijd het belang van de reiziger voorop stellen met als doel het openbaar vervoer een bijdrage te laten leveren aan de mobiliteitsambities van de gemeente Delft. De invloed van de gemeente Delft is echter beperkt en niet alle wensen zullen worden geïmplementeerd in nieuwe vervoersplannen. Het toekomstige netwerk voor het openbaar vervoer bestaat uit de buslijnen 40 en 174, zoals deze in paragraaf 6.1.1.2 is toegelicht. Tramlijn 19, die op dit moment een eindhalte heeft bij station Delft, wordt doorgetrokken naar een nieuw eindpunt ten noorden van de Kruithuisweg. Zodra de tram tot dit nieuwe eindpunt gaat rijden, wordt buslijn 69 opgeheven.
Gemeente Delft en TU Delft onderzoeken hoe Campus Zuid bereikbaar kan blijven met openbaar vervoer. Voor de lange termijn blijft een verlenging van tramlijn 19 naar Campus Zuid tot de mogelijkheden behoren.
6.1.3.4 Gemotoriseerd vervoer Voor het autonetwerk zijn er in de hiërarchie vier lagen. De gebiedsontsluitingswegen met een maximum snelheid van 50 km/u vormen het kwaliteitsnet. Het Delftse hoofdnet bestaat uit wijkontsluitingswegen. Dit zijn wegen met een maximum snelheid van 50 km/u, maar die een dusdanig wegontwerp hebben dat over het algemeen maximaal 40 km/u wordt gereden. Het basisnet bestaat uit alle overige wegen. Ten slotte zijn er metropolitane verbindingswegen. Dit zijn de rijks- en provinciale wegen en deze hebben de hoogste prioriteit als het gaat om doorstroming. In de hierna volgende afbeelding is het autonetwerk voor Campus Zuid weergegeven. De Rotterdamseweg is ingetekend als wijkontsluitingsweg (groen). De Heertjeslaan en de Huismansingel zijn onderdeel van het kwaliteitsnet (blauw). In het oranje zijn de metropolitaanse verbindingswegen N470 (provinciale weg) en de A13 (rijksweg) ingetekend. De overige wegen in het gebied vormen het bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 79
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid basisnet.
Afbeelding 29: autonetwerk
6.1.3.5 Parkeren Ten aanzien van parkeren is voor heel Delft de Facetherziening Parkeren het vigerende beleid. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2023 (zie paragraaf 3.5.15). In het parkeerbeleid legt de gemeente vast welke visie zij heeft op het parkeren en op welke wijze initiatieven worden getoetst ten aanzien van de parkeeroplossing. In het stedenbouwkundig plan voor Campus Zuid heeft de TU Delft daarnaast opgenomen op welke wijze zij invulling wil geven aan de parkeeroplossing. Naast een kritische houding ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer wil realiseren, neemt de TU in de uitgifteovereenkomsten ook op dat voor het parkeren de verplichting geldt om parkeerplaatsen af te nemen in centraal gelegen gebouwde parkeervoorzieningen. Vooruitlopend op de realisatie van de parkeergebouwen kunnen dit ook centraal gelegen tijdelijke parkeervoorzieningen op maaiveld zijn. Eigen parkeerplaatsen op maaiveld, met uitzondering van enkele gehandicaptenparkeerplaatsen, worden niet toegestaan. Op deze manier wil de TU Delft het gebruik van andere vervoersmodaliteiten stimuleren. 6.1.4
Verkeersonderzoeken
6.1.4.1 Verkeersstudie 2016 In 2016 heeft Goudappel Coffeng in opdracht van de gemeente Delft een onderzoek laten uitvoeren naar ontwikkelmogelijkheden voor Campus Zuid. In dat onderzoek zijn de effecten onderzocht voor het autoverkeer van een toevoeging van 90.000 m2 bruto vloeroppervlak, 180.000 m2 en 500.000 m2. Om tot 500.000 m2 te kunnen ontwikkelen, waren grootschalige verkeerstechnische ingrepen nodig waarbij grote onzekerheden waren ten aanzien van de verkeersveiligheid voor fietsers. Bij een ontwikkeling van 180.000 m2 waren minder ingrijpende maatregelen nodig en deze hadden geen nadelig effect op de verkeersveiligheid. Op basis van deze uitkomsten is gekozen voor een ontwikkeling van 180.000 m2 bruto vloeroppervlak, waarbij de bijbehorende verkeerstechnische maatregelen als randvoorwaarde zijn opgenomen. Dit betreft, naast de aanpassing van het kruispunt Huismansingel / Molengraaffsingel zoals is toegelicht in paragraaf 6.1.1.3 de volgende maatregelen: Een extra opstelstrook voor rechtsafslaand verkeer op de afrit van de N470 vanuit westelijke richting. De linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer vanuit noordelijke richting dynamisch inrichten.
Deze rijstrook kan in de ochtendspits worden gebruikt als rechtdoorgaande strook naar Campus Zuid (totaal dus twee rijstroken rechtdoor en één rijstrook linksaf naar de N470) en in de avondspits als tweede voorsorteervak voor linksafslaand verkeer naar de N470 ( en dus één rijstrook voor rechtdoordoorgaand verkeer). In afbeelding 25 is deze maatregel gevisualiseerd. Als gevolg van voorgaand punt moet de linker opstelstrook vanaf de N470 uit oostelijke richting in de bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 80
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid ochtendspits worden afgesloten. De aanleg van een extra rijstrook vanaf de oprit naar de N470 in oostelijke richting tot en met de toerit naar de A13 in de richting van Rotterdam.
Afbeelding 30: schematische weergave dynamische rijstrookindeling
6.1.4.2 Verkeersstudie 2018 De marge tussen 180.000 m2 en 500.000 m2 is groot en in 2018 ontstond behoefte om nauwkeuriger te bepalen hoeveel vierkante meter vloeroppervlak gerealiseerd kan worden waarbij de hiervoor genoemde verkeerstechnische maatregelen het uitgangspunt vormen en geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Hiervoor is een verdiepende studie uitgevoerd met als resultaat dat een uitbreiding met 250.000 m2 mogelijk is.
6.1.4.3 Verkeersstudie 2021 In 2021 is besloten om het verkeersonderzoek te herijken (zie bijlage 16 Verkeersonderzoek). In de eerste plaats werd dit ingegeven door een belangrijke beleidswijziging met betrekking tot de bereikbaarheid van Campus Zuid. In de oorspronkelijke plannen lag het eindpunt van tramlijn 19 aan de Heertjeslaan. Door het risico op nadelige effecten van trillingen of elektromagnetische straling op onderzoeksfaciliteiten op Campus Zuid is besloten om het eindpunt van de tram te verplaatsen naar een locatie ten noorden van de Kruithuisweg. Deze beslissing heeft gevolgen voor de bereikbaarheid van Campus Zuid per openbaar vervoer. Als dit leidt tot minder OV-reizigers, heeft dit tot gevolg dat er meer reizigers per fiets of per auto naar de campus komen. Met de herijking kon worden bepaald of het besluit over de tramlijn effecten heeft op de verkeersafwikkeling en eventueel gevolgen heeft voor het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak dat op Campus Zuid kan worden gerealiseerd. Het uitgangspunt bij deze herijking is nog steeds het pakket aan verkeerstechnische maatregelen zoals in paragraaf 6.1.4.1 is beschreven. Een bijkomend voordeel van deze herijking is dat de studies uit 2016 en 2018 zijn uitgevoerd op basis van het Delftse verkeersmodel. Dit is een etmaalmodel voor gemotoriseerd verkeer en kent geen varianten voor de ochtend- en de avondspits.
Spitsmodellen moeten handmatig worden gereconstrueerd uit het etmaalmodel. Na 2018 is Delft overgestapt op het regionale verkeersmodel van de MRDH. Dit is een multimodaal model waarin ook het fietsnetwerk en het OV-netwerk is opgenomen. Dit MRDH-model sluit beter aan op de ambities die Delft heeft neergelegd in het MPD en laat ook de effecten van het mobiliteitsbeleid op het fietsnetwerk en het OV-gebruik zien. Daarnaast heeft het regionale model de beschikking over spitsmodellen, zodat de effecten op het netwerk tijdens de bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 81
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid spitsperioden nauwkeuriger in beeld kunnen worden gebracht. Uit de herijking is gebleken dat er weliswaar verschuivingen zijn tussen de verschillende vervoersvormen, maar dat dit geen nadelig effect heeft op de verkeersafwikkeling. Met de vastgestelde verkeerstechnische maatregelen kan het verkeer, bij een toevoeging van 250.000 m2 bruto vloeroppervlak op Campus Zuid, nog steeds goed worden afgewikkeld.
6.1.4.4 Scopewijziging ontwikkelgebied Campus Zuid De TU Delft heeft in samenwerking met de gemeente in 2022 besloten tot een scopewijziging van de ontwikkeling op Campus Zuid. In de nieuwe situatie bestrijkt het bestemmingsplan Campus Zuid een kleiner gebied. Het bestemmingsplan regelt alleen nog de mogelijkheden voor de invulling van het gebied dat wordt begrensd door de Molengraaffsingel/Anthony Fokkerweg (parallel Kruithuisweg), Rotterdamseweg, Heertjeslaan, Huismansingel, van Amstelpark, Molengraaffsingel (parallel A13), de kavel ten oosten van Deltares ten behoeve van sportvoorzieningen en een ruimtereservering voor HOV ten zuiden van de Heertjeslaan en parallel aan de A13. Het plan voorziet in de ontwikkeling van 55.700 m2 bvo bedrijfsruimte (in plaats van 250.000m2) en 500 m2 sportvoorzieningen. Woningbouw is niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Alle verkeerskundige uitgangspunten, zoals de ontsluiting voor fiets, openbaar vervoer en auto, en de verkeerstechnische maatregelen zijn ongewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke bestemmingsplan.
6.1.4.5 Toets bruikbaarheid verkeersonderzoek 2021 De gewijzigde scope heeft alleen betrekking op de ruimtelijke ontwikkeling. De ontsluiting voor het gebied wijzigt niet in het nieuwe bestemmingsplan; het netwerk voor gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en openbaar vervoer is gelijk aan het oorspronkelijke plan. Ten opzichte van de autonome situatie in 2040 leidt het bestemmingsplan tot een verschil in intensiteit tussen de -1% en 2% op de Kruithuisweg en het Kruithuisplein. Op de Huismansingel en de Heertjeslaan is het verschil groter (tot maximaal 30%). Het verschil in percentages wordt veroorzaakt doordat de intensiteiten op de wegen op Campus Zuid voornamelijk bestemmingsverkeer betreft en nu laag zijn. De ruimtelijke ontwikkeling heeft grote invloed op de intensiteiten op deze wegen. De Kruithuisweg en het Kruithuisplein ontsluiten een veel groter gebied en wordt daarnaast gebruikt door doorgaand verkeer. De toename van verkeer ten opzichte van de huidige intensiteiten is dan marginaal. In onderstaande tabel zijn de intensiteiten in 2040 uit het oorspronkelijke plan (toevoeging 250.000 m2) en de intensiteiten van het huidige plan (toevoeging 55.700 m2) naast elkaar gezet. De nummers verwijzen naar figuur 3.1 van het verkeerskundig onderzoek uit 2021 (Bijlage 16). In de laatste kolom is de procentuele afname ten opzichte van het oorspronkelijke plan weergegeven.
Nummer
Wegvak
Intensiteiten Intensiteiten (mvt/werkdagetmaal) (mvt/werkdagetmaal) Toevoeging Toevoeging 250.000 m2 55.700 m2 Absoluut
Relatief
1
Rotterdamseweg (noord)
3.500
3.220
92%
2
Rotterdamseweg (zuid)
4.610
3.680
80%
3
Heertjeslaan (west)
3.780
2.730
72%
4
Heertjeslaan (oost)
15.400
11.000
71%
5
Huismansingel (noord)
18.560
11.430
62%
6
Molengraaffsingel
8.880
5.710
64%
7
Schoemakerstraat (zuid)
26.870
16.980
63%
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 82
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid 8
Schoemakerstraat (Delftechpark)
20.780
17.560
85%
Uit de tabel blijkt dat de intensiteiten naar de Kruithuisweg en het Kruithuisplein in het huidige bestemmingsplan fors lager zijn dan in het oorspronkelijke plan. Daarmee kan de conclusie getrokken worden dat, met een gelijkblijvend netwerk, het verkeer in de toekomstige situatie met dit bestemmingsplan goed afgewikkeld kan worden.
6.2
Ondergronds (kabels en leidingen)
6.2.1
Bestaande situatie
Door het plangebied lopen verschillende ondergrondse hoogspannings-, rioolpers- en waterleidingen. Verder liggen in het plangebied geen kabels en leidingen die een belemmering vormen voor de planvorming van TU Delft Campus Zuid. 6.2.2
Beleid en onderzoek
Het Uitvoeringsprotocol Kabels en Leidingen Provincie Zuid-Holland 2019 van de Provincie Zuid-Holland is het vastleggen van een nadere invulling van afspraken hoe partijen in het verleggingsproces van de kabels en leidingen met elkaar willen omgaan. 6.2.3
Gewenste ontwikkeling
Voor het plangebied worden geen ontwikkelingen verwacht ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen. 6.2.4
Conclusie
De bestaande planologisch relevante (ondergrondse) hoogspanningsleidingen, telecomverbindingen, waterleidingen en rioolpersleidingen zijn op de verbeelding aangegeven als dubbelfunctie in de regels.
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 83
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
Hoofdstuk 7
Cultuurhistorie
7.1
Archeologie
7.1.1
Bestaande situatie
In het kader van de verschillende ontwikkelingen in plangebied TU Delft Campus Zuid is sinds 2004 een groot deel van het onderhavige plangebied archeologisch onderzocht (zie onderstaande afbeelding). Het betreft bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen (IVO-O) en proefsleuven (IVO-P). Tijdens deze onderzoeken bleek in grote delen van het plangebied de bodem reeds te zijn verstoord. Toch werd een grootschalig verkavelingssysteem uit de Romeinse tijd aangetroffen. Dit systeem bestaat uit ten minste twee fasen. Daarnaast zijn off-site structuren uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd aangetroffen in de vorm van verkavelingsgreppels en een afvalkuil. De archeologische resten liggen op een diepte vanaf circa 2 meter –NAP, oftewel circa 30 cm onder het oorspronkelijke maaiveld (voorafgaand aan ophoging en egalisatie). Het deel van het plangebied waar geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden valt uiteen in twee zones die gerelateerd zijn aan de geologische ondergrond. De zuidelijke zone is gelegen op de dekafzettingen van de Gantel Laag. Uit het bovengenoemde archeologisch onderzoek is gebleken dat deze laaggelegen afzettingen in het verleden te nat waren voor bewoning. Er is hier dan ook sprake van een lage tot geen archeologische verwachting. De noordelijke zone is gelegen op de geulafzettingen van de Gantel Laag.
Deze geulen lagen in het verleden als hoge ruggen in een nat landschap en vormden daarom aantrekkelijke plekken om te gaan wonen tijdens de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Voor deze afzettingen is sprake van een hoge archeologische verwachting.
bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 84
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid
Afbeelding 31: het plangebied met daarop de delen zonder archeologische functie (reeds onderzocht of geen/lage archeologische verwachting) en het gebied waaraan de functie 'Waarde Archeologie' wordt toegekend. 7.1.2
Beleid en onderzoek
Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het plan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische functie. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de functiezones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen in greep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. 7.1.3
Conclusie
Binnen een groot deel van het plangebied worden geen archeologische resten meer verwacht: er heeft reeds archeologisch onderzoek plaatsgevonden, de bodem is in het subrecente verleden verstoord of de ondergrond was in het verleden te nat voor bewoning. Aan deze gebieden wordt geen archeologische functie toegekend. In de noordelijke helft van het plangebied liggen de geulafzettingen van de Gantel Laag in de ondergrond. bestemmingsplan "Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid" (vastgesteld) 85
bestemmingsplan Chw omgevingsplan TU Delft Campus Zuid Hier is sprake van een archeologische verwachting. Aan de gebieden die nog niet archeologisch zijn onderzocht wordt de functie 'Waarde – Archeologie' toegekend (afbeelding 29). In de Erfgoedwet wordt gesteld dat bodemverstorende ingrepen tot 100 m2 op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Gemeentes mogen echter naar boven en naar beneden afwijken van deze grens, mits dat goed kan worden onderbouwd. Voor dit gebied wordt de wettelijk gestelde grens van 100 m2 als passend beschouwd. Daarnaast wordt ook een vrijstelling van 40 cm in diepte gehanteerd. Concreet betekent dit dat in deze zone bodemingrepen tot 40 cm onder het huidige maaiveld (ongeacht de omvang) en tot 100 m2 (ongeacht de diepte) op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Werkzaamheden die deze grenzen overschrijden zijn gebonden aan een vergunningenstelsel. In de afweging die ten grondslag ligt aan het verlenen van een omgevingsvergunning wordt het belang van het archeologisch erfgoed meegewogen conform het doel van de Erfgoedwet Daarnaast is te alle tijden, binnen het gehele plangebied, de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing.