CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 .Stedenbouwkundig plan Kruithuisweg - Mekelweg

Commissie Ruimte en Verkeer 30 juni 2026, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel - Stedenbouwkundig plan Studentenhuisvesting Kruithuisweg30.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BIJLAGE

69

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Bijlage A Hoogbouw Effect Rapportage Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Huidige ruimtelijke structuur en planvorming 3. Kaders voor hoogbouw 4. Hoogteopbouw en uitgangspunten 5. Visuele effecten 6. Bezonning 7. Wind 8. Integrale beoordeling

1. Inleiding Het stedenbouwkundig plan ‘Mekelweg’ introduceert nieuwe stedelijke bouwvolumes in het sportkwadrant. De nieuwe bebouwing komt met een reeks hoogteaccenten langs de Mekelweg. De nieuwe bebouwing kwalificeert zich als hoogbouw volgens de Beleidsnota Bouwhoogten Delft, waarvoor een Hoogbouweffectrapportage (HER) vereist is. Deze Hoogbouweffectrapportage (HER) onderzoekt de ruimtelijke effecten van deze hoogteopbouw op de campus en de directe omgeving. De HER richt zich op drie centrale effectcategorieën: • visuele effecten, • bezonningseffecten, • windeffecten. Deze drie vormen de basis voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van hoogbouw binnen de gemeente Delft. De HER is opgesteld op basis van de voorbeelduitwerking zoals vastgelegd in het Stedenbouwkundig Plan (STP) en integreert de bevindingen uit de visualisatiestudies, de bezonningsanalyse en het CFD-windonderzoek. Daarmee vormt de rapportage een volledige onderbouwing van de hoogteopbouw, de ensemblevorming en de ruimtelijke kwaliteit van het sportkwadrant.

70

2. Huidige ruimtelijke structuur en planvorming Het sportkwadrant ligt op de overgang tussen Campus Midden en Campus Zuid, waar verschillende ruimtelijke structuren samenkomen en elkaar beïnvloeden. • Aan de noordzijde sluit het gebied aan op het Mekelpark, de centrale groene as van de TU Delft Campus. • Aan de noordzijde bevinden zich de bestaande TU Delft Campus met bouwblokken, waarvan enkele reeds hoogteaccenten bevatten (zoals EWI en RID), die mede de campusidentiteit bepalen. • Door het middendeel van het gebied loopt de Kruithuisweg, een brede infrastructuurzone die de TU Delft Campus doorsnijdt en wordt begeleid door sportvelden en een ecologische structuur aan beide zijden. • Aan de west- en oostzijde ligt een open sportlandschap met grote zichtlijnen en weinig bebouwing.

3. Kaders voor hoogbouw De beoordeling van hoogbouw in het sportkwadrant is gebaseerd op drie samenhangende bronnen: (1) Gemeentelijke kaders, (2) Strategische kaders van de TU Delft, (3) Stedenbouwkundige principes uit de Gebiedsvisie en het STP.

Het huidige gebied wordt gekenmerkt door losse sportvelden, versnipperde groenstructuren en een gebrek aan stedelijke samenhang tussen Campus Midden en Campus Zuid. De bestaande routes zijn functioneel maar missen ruimtelijke kwaliteit; bovendien is de TU campus bijna niet zichtbaar vanaf de Kruithuisweg komend vanaf station Delft Campus

Het Sportkwadrant voldoet hieraan doordat de hoogteaccenten: • de campusentree markeren, • onderdeel vormen van een bestaande hoogtelijn, • geen historische stadszichten beïnvloeden.

Het Stedenbouwkundig Plan introduceert daarom een nieuwe ruimtelijke ordening die deze tekortkomingen oplost en de campusstructuur versterkt. Het plan omvat: • een nieuwe ‘Mekelweg’ met een stedelijk én landschappelijk karakter, vormgegeven met een asymmetrisch profiel waarin een actieve stedelijke westzijde wordt gecombineerd met een groene, landschappelijke oostzijde. Deze laan vormt de nieuwe noord–zuidas van de campus en markeert de entree naar Campus Zuid; • de nieuwe ‘Mekelweg’ wordt een verbindende openbare ruimte met een hoge verblijfswaarde en ontmoetingsfunctie; • drie compacte bouwblokken met groene, geluidsluwe binnenhoven, die een nieuw campuswoonmilieu bieden en tegelijkertijd de kwaliteit van de openbare ruimte versterken; • een zorgvuldig opgebouwde hoogteopbouw, waarin plint, stedelijke hoogte en hoogteaccenten samen een leesbaar ensemble vormen dat aansluit op de bestaande campuslogica en de campusentree markeert. Deze nieuwe structuur creëert een stedelijke én groene campusruimte van hoge kwaliteit, waarin sport, wonen, ontmoeten en verblijven op een vanzelfsprekende manier samenkomen.

3.1 Gemeente Delft – Beleidsnota Bouwhoogten (2005) De Beleidsnota Bouwhoogten bepaalt dat: • hoogbouw alleen wordt toegepast waar de stedelijke structuur dit ondersteunt; • hoogbouw geen historische zichtlijnen mag verstoren; • hoogbouw zorgvuldig moet worden ingepast in skyline en maaiveldkwaliteit; • effecten op wind, bezonning en zichtbaarheid moeten worden onderbouwd.

3.2 Omgevingsvisie Delft 2040 De Omgevingsvisie ondersteunt hogere bouwvolumes: • op campussen, • langs mobiliteitsassen zoals de Kruithuisweg, • wanneer ze bijdragen aan identiteit, oriëntatie en leesbaarheid van de stad, • en wanneer de leef kwaliteit op maaiveldniveau geborgd blijft. Het Sportkwadrant voldoet hieraan met: • hoogteaccenten die de campus markeren, • een hoogwaardige asymmetrische ‘Mekelweg’, • stedelijke plinten en open binnenhoven. 3.3 TU Delft – Campusvisie 2040 (Campusvisie, p. 2–4, 10, 16–17) Uitgangspunten: • De campus is een stadswijk, met hogere dichtheid en gemengde functies. • Verdichting is nodig om ontmoeting, innovatie en kruisbestuiving te stimuleren. • De groene hoofdstructuren moeten worden geaccentueerd, niet overheerst. • Hoogte draagt bij aan oriëntatiepunten binnen de campus. • Hoogbouw is daarmee passend wanneer zij onderdeel is van de campusstructuur.

De HER toetst de effecten van deze nieuwe ruimtelijke structuur op de omgeving.

71

3.4 Gebiedsvisie Campus Midden (2023) — Stedenbouwkundige spelregels (Gebiedsvisie Campus Midden, p. 25–33) Belangrijkste kaders: Hoofdlijnen van de campusstructuur • Groene dragers vormen de ruimtelijke ruggengraat. • Bouwvelden reageren formeel op deze structuren. • Orthogonale rooilijnen en stedelijke gevels zijn gewenst. Verdichten en functie mengen • Meer programma, meer verblijfsduur, meer ontmoetingsplekken. • Hoogte is toegestaan wanneer dit bijdraagt aan intensiteit en interactie. Oriëntatie en herkenbaarheid De campus heeft een logische reeks hoogteaccenten (Aula – EWI – RID). Het Sportkwadrant vormt het zuidelijke sluitstuk van deze lijn. Groene en landschappelijke integratie Langs groene structuren horen hogere volumes die de ruimte kadreren zonder deze te domineren.

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

4. Hoogteopbouw en uitgangspunten STP ‘Mekelweg’ De blokken van het plan bestaan uit: • een stedelijke plint van ca. 16–22 meter, • een stedelijke hoogte van 30–46 meter, • een reeks hoogteaccenten, waarvan twee ca. 65 meter (blokken NO&ZW). Uitgangspunt is dat: • de plint de menselijke maat en samenhang langs de ‘Mekelweg’ bepaalt, • de stedelijke hoogte de campusstructuur logisch doorzet en geluid afschermt, • de hoogteaccenten de campusentree markeren en oriëntatie versterken.

5.Visuele effecten De visuele beoordeling richt zich op de ruimtelijke inpassing van de hoogteaccenten binnen de campusstructuur en het stedelijk silhouet van Delft. Daarbij wordt gekeken naar de herkenbaarheid en leesbaarheid van de hoogteopbouw op verschillende schaalniveaus: het landschap en de stad, de campus als geheel en de directe beleving langs de ‘Mekelweg’ en de Kruithuisweg. De beoordeling maakt onderscheid tussen: • zicht op Delft en het landschap. • zicht vanuit Delft en de campus. Zicht op Delft en het landschap De beoordeling van de visuele effecten van de hoogteaccenten richt zich op de landschappelijke ligging van Delft als stad in het landschap en op het herkenbare stadssilhouet. Daarbij wordt gekeken naar de mate waarin de ontwikkeling zichtbaar is vanuit het omliggende landschap en infrastructuur, en of deze zichtbaarheid bijdraagt aan de leesbaarheid van Delft als campus- en kennisstad, zonder een dominante of verstorende werking te hebben. Specifiek wordt beoordeeld of de hoogteaccenten zich voegen in het bestaande stedelijke silhouet en geen markante herkenningspunten blokkeren, zoals de Nieuwe Kerk als historisch icoon van Delft of bestaande campusaccenten zoals EWI en RID, die samen de identiteit van Delft als kennisstad verbeelden.

De hoogteaccenten van de ‘Mekelweg’ worden daarbij gezien als onderdeel van de doorlopende campushoogtelijn langs de Kruithuisweg, en niet als op zichzelf staande objecten in het landschap. Zicht vanuit Delft en de campus Vanuit Delft en de campus wordt gekeken naar het effect van de hoogbouw op de beleving van de stad en haar randen. Daarbij gaat het enerzijds om het zicht vanuit de historische binnenstad richting de campus en anderzijds om de invloed op de directe omgeving van Campus Midden en Campus Zuid. De beoordeling richt zich op de vraag of de hoogteaccenten de historische stad visueel overvleugelen of juist op afstand blijven en de campus als zelfstandig stedelijk ensemble leesbaar maken. Binnen de campus wordt gekeken naar de mate waarin de hoogbouw bijdraagt aan oriëntatie, herkenbaarheid en ruimtelijke samenhang, zonder de openheid van sportvelden, groene structuren en zichtlijnen te verdringen.

72

Beoordelingscriteria Voor de visuele beoordeling van de hoogbouw worden de volgende criteria gehanteerd: Massaliteit en transparantie De hoogteaccenten zijn zodanig gepositioneerd dat geen gesloten wand of visuele barrière ontstaat. Door tussenruimten, verspringingen en verschillen in positie ontstaat een coulissewerking, waarbij doorkijken en diepte in het stedelijk beeld behouden blijven. Variatie in bouwhoogtes en schaal De opbouw bestaat uit een leesbare hiërarchie van plint, stedelijke hoogte en accenten. Deze hoogtevariatie zorgt ervoor dat de bebouwing wordt ervaren als een losse verzameling volumes met onderlinge samenhang, in plaats van als één massief bouwblok. Silhouetwerking en ensemblevorming De hoogteaccenten vormen samen een herkenbaar maar gevarieerd silhouet dat aansluit op bestaande campusaccenten. De gebouwen hebben een eigen hoogte en proportie, maar delen ‘familiaire kenmerken’ in positionering en schaal, waardoor zij als ensemble leesbaar zijn binnen het grotere campusbeeld. Geleding De opbouw en geleding van de gebouwen zorgen voor een verfijnd en divers beeld, waarin verschillen in hoogte, setback en gevelritme bijdragen aan een afwisselend silhouet. Dit voorkomt monotonie en versterkt de leesbaarheid van individuele volumes binnen het geheel.

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de A13 Het stadsgezicht van het standpunt op de A13 laat zien dat de hoogteaccenten waargenomen worden als onderdeel van het bredere stedelijke silhouet van de campus. Door de spreiding van de torens en de variatie in bouwhoogtes ontstaat geen aaneengesloten wand, maar een transparant beeld met duidelijke dieptewerking. De accenten sluiten aan bij bestaande campushoogten en versterken de herkenbaarheid van Delft als kennisstad, waarbij bestaande markante campusgebouwen zoals RID en EWI goed zichtbaar en leesbaar blijven in het silhouet. Hierdoor ontstaat geen dominante werking in het open landschap, maar een gelaagd en samenhangend campusbeeld.

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

73

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de Kruithuisweg-oost richting Mekelweg en station Delft Campus Vanaf het standpunt op de Kruithuisweg-oost, komend vanaf de A13, wordt het ensemble in beperkte mate waargenomen. Door de beplanting langs de taluds en de bestaande groenstructuur wordt het zicht op de stedelijke laag en de plint grotendeels onttrokken. In dit verre standpunt zijn hoofdzakelijk de bovenste delen van enkele hoogteaccenten zichtbaar, die boven het groen uitsteken. Hierdoor ontstaat geen beeld van een continue stedelijke wand langs de route; de massawerking blijft gefragmenteerd en ‘achter het groen’ gepositioneerd. De visuele impact op de Kruithuisweg is in dit stadium terughoudend. In een wintersituatie, wanneer bladverlies optreedt, kan de bebouwing in beperkte mate beter zichtbaar worden, zonder dat dit leidt tot een gesloten of dominante wandwerking. In dit perspectief ontstaat een visuele relatie met het hoogbouwcluster rondom station Delft Campus.

Bestaande situatie

Naarmate het standpunt dichter bij het plangebied komt te liggen en de campusentree wordt genaderd, neemt de zichtbaarheid van de bebouwing geleidelijk toe. In deze overgangszone worden niet alleen de hoogteaccenten, maar ook delen van de onderliggende bouwvolumes en de stedelijke laag zichtbaar. Zowel aan de rechterzijde als aan de linkerzijde van de Kruithuisweg ontstaat daarmee een toenemende ruimtelijke leesbaarheid van de bouwblokken. Deze geleidelijke onthulling versterkt de oriëntatie en markeert de entree van de campus, zonder dat sprake is van een abrupt of overheersend stedelijk front.

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

74

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de Kruithuisweg-oost (t.h.v.viaduct) richting Mekelweg

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

75

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de Kruithuisweg-west (t.h.v. station Delft Campus) richting Mekelweg Vanaf het standpunt ter hoogte van station Delft Campus is de Mekelweg en de bijbehorende bebouwing niet zichtbaar. Door de afstand tot het plangebied en de aanwezige infrastructuurprofielen en groenstructuren wordt het zicht op de bebouwing volledig ontnomen. In dit verre standpunt heeft de hoogbouwontwikkeling geen visuele invloed op de beleving van de omgeving; er is geen sprake van wandwerking, silhouetverstoring of dominante massaliteit. In een wintersituatie kan door bladverlies incidenteel een zeer beperkt zicht ontstaan op hogere bouwdelen, waarbij de bebouwing nog steeds niet als ensemble of stedelijk front wordt ervaren. Pas bij het verder naderen van de campus en richting de Mekelweg verandert dit beeld. In vervolgzichten worden geleidelijk delen van de bebouwing zichtbaar, te beginnen met de hogere volumes en later ook delen van de onderliggende bouwmassa. Deze geleidelijke toename van zichtbaarheid draagt bij aan de leesbaarheid en oriëntatie van de campus, zonder dat sprake is van een abrupte overgang of een visueel dominante aanwezigheid langs de route.

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

76

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de Kruithuisweg-west (t.h.v.viaduct) richting Mekelweg 01

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

77

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Zicht op Delft / vanuit landschap Vanaf de Kruithuisweg-west (t.h.v.viaduct) richting Mekelweg 02

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

78

Zicht vanuit Delft / buiten de campus Vanaf de Nieuwe Kerk Vanaf de Nieuwe Kerk liggen de hoogteaccenten binnen de bestaande campushoogtelijn en blijven zij ondergeschikt aan het historische silhouet van de binnenstad. Door de afstand tot de historische kern en de positionering langs de Kruithuisweg verstoren de torens geen karakteristieke zichtlijnen. De hoogbouw wordt gelezen als onderdeel van de campus en niet als uitbreiding van de historische stad. Bestaande markante campusgebouwen, zoals het EWI-gebouw, blijven vanuit dit standpunt goed zichtbaar en behouden hun rol als herkenbare hoogteaccenten binnen het Delftse silhouet.

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

79

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Zicht vanuit Delft / buiten de campus Vanaf de Schie / Gelatinebrug Vanaf de Schieweg ter hoogte van de nieuwe Gelatinebrug is de nieuwe hoogteopbouw langs de Mekelweg slechts beperkt zichtbaar. Dit standpunt vormt een belangrijke oost–westverbinding en een toegang tot de TU-campus, maar kent door de afstand tot het plangebied en de tussenliggende infrastructuur en groenstructuren een terughoudende visuele relatie met het Sportkwadrant. In dit perspectief is met name de zuidwestelijke toren waarneembaar als een op zichzelf staand hoogteaccent in de verte. De overige bouwvolumes en hoogteaccenten zijn vanuit dit standpunt niet of nauwelijks zichtbaar. Er ontstaat hierdoor geen beeld van een samenhangend ensemble of een aaneengesloten stedelijk front. De waargenomen toren functioneert als een incidenteel oriëntatiepunt binnen het bredere stedelijke en campusgerichte landschap. De visuele impact vanuit dit standpunt blijft daarmee beperkt. De hoogbouw manifesteert zich niet als dominante aanwezigheid langs de Schie, maar voegt zich terughoudend in het bestaande beeld van infrastructuur, groen en stedelijke elementen langs deze oost–westverbinding.

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar Gelatine brug

80

Zicht vanuit Delft / binnen de campus Vanaf de Mekelweg (noord) Vanaf de Mekelweg op de campus Zuid wordt de ‘Mekelweg’ vooral ervaren in het lange perspectief van de weg. In dit standpunt treden met name de hoogteaccenten naar voren als markeringen in de verte. Aan de oostzijde zijn de lagere bouwdelen en de stedelijke laag slechts gedeeltelijk en gefragmenteerd zichtbaar door afstand en tussenliggende groenstructuren, terwijl aan de westzijde de bebouwing duidelijker waarneembaar is. Door de spreiding van de volumes en de hoogtevariatie ontstaat geen aaneengesloten wandbeeld, maar een gelaagde compositie met diepte, waarbij de Mekelweg als open profiel leesbaar blijft. De hoogbouw werkt hier daarmee primair als oriëntatiepunt langs de route, en niet als een dominant front in de directe beleving. Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar

81

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Zicht vanuit Delft / binnen de campus Vanaf de Mekelweg (zuid) Vanaf ooghoogte van de Mekelweg (zuid) worden de hoogteaccenten waargenomen als achtergrondvolumes aan de zuidrand van de campus. Door de open parkstructuur, de afstand tot het plangebied en het groene karakter van het Mekelpark blijven vooral de bovenste delen en toppen van de torens zichtbaar, terwijl de lagere bouwdelen grotendeels aan het zicht worden onttrokken. Hierdoor blijft het groene en landschappelijke karakter van het park dominant aanwezig. De bebouwing manifesteert zich hier niet als een gesloten rand of ruimtelijk kader, maar als een losse en gelaagde beëindiging van de campus, waarbij zichtlijnen en de openheid van het park behouden blijven.

Bestaande situatie

Stedenbouwkundig voorstel Donker oranje vlak zichtbaar Donker oranje contour niet zichtbaar Faculty of Applied Sciences (TNW)

82

6. Bezonning Uitgangspunten De nota Beleidshoogte stelt dat een bezonningsonderzoek noodzakelijk is. Als uitgangspunt wordt niet de ‘lichte’ TNO-norm gehanteerd omdat deze enkel toetst of er 2 uren zon op 19 februari op de gevel van omliggende bestaande woningen valt. Echter zijn er in de directe omgeving geen woningen aanwezig.Voor sportvelden gelden geen harde bezonningsnormen daarom is inzichtelijk gemaakt met meerdere peildata wat het effect is van de nieuwe bebouwing op omliggende sportvelden. De bezonningseffecten van de voorgestelde hoogteopbouw zijn beoordeeld op meerdere representatieve momenten in het jaar: 20 maart, 21 juni, 22 september en 21 december. Deze data geven gezamenlijk inzicht in de seizoensgebonden variatie van schaduwwerking en zoninstraling gedurende het jaar. De datum 20 maart is daarbij een belangrijk referentiemoment, omdat deze samenvalt met het begin van het buitensportseizoen en representatief is voor een periode waarin de zonstand relatief laag is en bezonning voor sportvelden en verblijfsruimten relevant is. De aanvullende momenten op 21 juni (zomerzonnewende), 22 september (najaars-equinox) en 21 december (winterzonnewende) bieden inzicht in respectievelijk de maximale, gemiddelde en minimale bezonningssituatie. De analyse richt zich primair op het inzichtelijk maken van veranderingen in bezonning als gevolg van de nieuwe bebouwing.

De bezonning is onderzocht voor: • de ‘Mekelweg’, • de binnenhoven, • de sportvelden • The Green Village Resultaten Op basis van de bezonningsanalyse wordt inzicht gegeven in: • de bezonningsduur en schaduwwerking per onderzochte datum; • de verschillen tussen zomer-, voor- en najaarssituaties; • de mate waarin bezonning behouden blijft op de binnenhoven, de ‘Mekelweg’ en de sportvelden. ‘Mekelweg’ Uit de bezonningsplaten voor de nieuwe situatie blijkt dat de bezonning van de ‘Mekelweg’ sterk seizoens- en tijdsafhankelijk is. Op 21 juni is de ‘Mekelweg’ gedurende het grootste deel van de dag bezond, waarbij schaduwwerking beperkt blijft tot korte momenten in de vroege ochtend en aan het einde van de dag.

Op de maatgevende momenten 21 maart en 22 september is de ‘Mekelweg’ in de ochtend en rond het midden van de dag grotendeels bezond. In de middag nemen de schaduwen toe, met name door de stedelijke bebouwing langs de laan. Deze schaduwwerking is echter niet aaneengesloten over de gehele lengte van de ‘Mekelweg’ en verschuift in de tijd, waardoor steeds delen van de laan bezond blijven. Op 21 december ligt de ‘Mekelweg’ in de nieuwe situatie gedurende een groot deel van de dag in de schaduw. Dit beeld is vergelijkbaar met de bestaande situatie en wordt hoofdzakelijk bepaald door de lage zonstand en de stedelijke basislaag. De hoogteaccenten leiden hierbij niet tot een wezenlijk andere of zwaardere schaduwwerking dan op grond van de stedelijke context te verwachten is. Binnenhoven De bezonningsplaten laten zien dat de binnenhoven in de nieuwe situatie een duidelijk tijdafhankelijk bezonningspatroon kennen. Op 21 juni ontvangen de hoven gedurende een aanzienlijk deel van de dag zon, waarbij schaduwen zich vooral langs de randen en in de latere middag manifesteren. Op 21 maart en 22 september zijn de binnenhoven in de ochtend en rond het midden van de dag deels bezond. In de middag neemt de schaduwwerking toe en liggen delen van de hoven tijdelijk in de schaduw.

De schaduwen blijven gefragmenteerd en clusteren niet tot één massief schaduwvlak, als gevolg van de open hofstructuur, de variatie in bouwhoogtes en de onderlinge afstand tussen de volumes. Op 21 december zijn de binnenhoven grotendeels schaduwrijk. Dit is inherent aan de lage zonstand en de stedelijke schaal van de bebouwing en wordt niet primair veroorzaakt door de hoogteaccenten, maar door de basisopzet van het bouwblok. Sportvelden Uit de bezonningsstudie blijkt dat de sportvelden in de nieuwe situatie hun open karakter behouden. De bezonning varieert per seizoen en per tijdstip, waarbij geen sprake is van een aaneengesloten schaduwzone over alle sportvelden tegelijk. Op 21 juni zijn de sportvelden overwegend bezond gedurende de dag. Op 21 maart en 22 september is in de ochtend en rond het midden van de dag sprake van ruime bezonning, terwijl in de latere middag schaduwen verder over het terrein schuiven. Op 21 december is de bezonning beperkt, wat past bij het winterseizoen en het seizoensgebonden gebruik van de velden. De bezonningsplaten laten zien dat schaduwwerking zich in de tijd verplaatst en niet structureel op één locatie geconcentreerd is.

83

Hockeyvelden Hudito (zuidwestzijde) De hockeyvelden van Hudito aan de zuidwestzijde laten in de bezonningsplaten zien dat de schaduwwerking in de middag beperkt is. Door de ligging van de bebouwing aan de zijde van de velden waar de schaduw richting ‘Mekelweg’ wegvalt, schuiven de schaduwen in de middag niet over de hockeyvelden, maar juist van de velden af. Rond het midden van de dag en in de middag blijven de velden daardoor overwegend bezond. Eventuele schaduwwerking doet zich voornamelijk voor in de ochtenduren als gevolg van de lage zonstand, waarbij delen van de velden tijdelijk in de schaduw kunnen liggen. De verschillen tussen de bestaande en nieuwe situatie blijven hierbij beperkt. Korfbalvelden Fortuna (zuidoostzijde) De korfbalvelden van Fortuna aan de zuidoostzijde laten in de bezonningsplaten zien dat de middag en latere middag gevoeliger zijn voor schaduwwerking. Door de ligging van de bebouwing ten opzichte van deze velden schuiven de schaduwen in de middag richting de velden, met name op de maatgevende momenten in het voorjaar en najaar. Hierdoor kunnen in deze periode delen van de velden tijdelijk in de schaduw komen te liggen. In de ochtenduren en rond het midden van de dag zijn de velden overwegend bezond.

De schaduwwerking is tijdsafhankelijk en verschuivend en leidt niet tot een situatie waarin de velden gedurende de gehele dag of gedurende lange aaneengesloten perioden volledig in de schaduw liggen. De verschillen tussen de bestaande en nieuwe situatie zijn hierbij zichtbaar, maar blijven binnen een aanvaardbaar bereik passend bij het stedelijke karakter van de campusomgeving. Rugbyvelden (noordoostzijde) De rugbyvelden aan de noordoostzijde liggen direct aan de oostzijde van het NO-blok. In de bezonningsplaten is zichtbaar dat in de ochtenduren schaduwwerking op (delen van) de velden vooral wordt bepaald door de bestaande bomen en groenstructuren, vergelijkbaar met de huidige situatie. Rond het midden van de dag neemt de bezonning toe. In de middag en latere middag schuiven schaduwen verder over het terrein, waardoor op delen van de rugbyvelden schaduwwerking kan optreden. Dit effect is tijdsafhankelijk en verschuivend en concentreert zich met name aan de zijde die het dichtst bij het bouwblok ligt. De bezonningssituatie blijft daarmee leesbaar en voorspelbaar in het dagverloop, waarbij vooral de late uren maatgevend zijn voor eventuele schaduweffecten op het gebruik. Green Village Green Village ligt op afstand van de bouwvolumes van het Sportkwadrant en wordt gekenmerkt door een open inrichting. Uit de bezonningsplaten blijkt dat in de nieuwe situatie met name in de winter-

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

periode en in de latere middag schaduwwerking kan optreden. Deze schaduwen zijn echter gefragmenteerd en verschuivend. Op de maatgevende momenten in het voorjaar en de zomer blijft sprake van bezonde delen binnen Green Village. De verschillen tussen de bestaande en nieuwe situatie zijn beperkt en leiden niet tot een structurele belemmering van het functioneren van het gebied. Aanvullende beschouwing: woonfuncties en omliggende effecten Voor woonfuncties binnen de hoogbouwvolumes is indicatief aangesloten bij de lichte TNO-richtlijn. Op basis van de bezonningsplaten kan worden geconcludeerd dat het merendeel van de woonfuncties voldoende daglicht ontvangt. Bij enkele lager gelegen of meer ingesloten delen kan de bezonning seizoensafhankelijk beperkter zijn, wat aandacht vraagt in de verdere uitwerking van plattegronden en functietoedeling. De invloed van schaduwwerking op omliggende campusbebouwing en functies blijft beperkt en wordt niet als belemmerend beoordeeld. Conclusie bezonning De bezonningsstudie laat zien dat het sportkwadrant in de nieuwe situatie een bezonningspatroon kent dat past bij een stedelijke campusomgeving. Schaduwwerking is sterk seizoens- en tijdsafhankelijk en manifesteert zich vooral in de winterperiode en in de latere middaguren.

Op maatgevende momenten in het voorjaar en najaar is sprake van een afwisseling van zon en schaduw, zonder aaneengesloten massieve schaduwvorming. De effecten op de ‘Mekelweg’, binnenhoven, sportvelden en Green Village zijn aanvaardbaar en vergelijkbaar met de bestaande stedelijke context.

84

20 maart (UTC +2) Bestaand model

20 maart (UTC +2) Stedenbouwkundig model

09:00

12:00

09:00

12:00

15:00

18:00

15:00

18:00

85

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

21 juni (UTC +2) Bestaand model

21 juni (UTC +2) Stedenbouwkundig model

09:00

12:00

09:00

12:00

15:00

18:00

15:00

18:00

86

22 september (UTC +2) Bestaand model

22 september (UTC +2) Stedenbouwkundig model

09:00

12:00

09:00

12:00

15:00

18:00

15:00

18:00

87

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

21 december (UTC +2) Bestaand model

21 december (UTC +2) Stedenbouwkundig model

09:00

12:00

09:00

12:00

15:00

18:00

15:00

18:00

88

Aanvullende analyse: zonuren Naast de schaduwprojectiestudie is een aanvullende analyse uitgevoerd naar het aantal zonuren per etmaal, op basis van cumulatieve zoninstraling (00:00–24:00) voor de data 21 maart, 21 juni, 23 september en 22 december. Deze analyse geeft inzicht in de verdeling van zon over de dag en vormt een aanvulling op de momentopnames uit de schaduwprojecties. Algemeen beeld Uit de zonurenanalyse blijkt dat het sportkwadrant een gedifferentieerd maar logisch zonurenpatroon kent, dat sterk samenhangt met seizoenen, bebouwingsstructuur en aanwezige boombeplanting. Open gebieden ontvangen structureel meer zonuren dan boomrijke zones en plekken direct langs bebouwing. Dit patroon sluit aan bij het beoogde stedelijke en landschappelijke karakter van het gebied. ‘Mekelweg’ De ‘Mekelweg’ laat in alle seizoenen een lager aantal zonuren zien dan de omliggende open sportvelden. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de combinatie van bebouwing en de dubbele bomenrijen langs de laan. In de zomerperiode blijft het aantal zonuren echter hoog genoeg om een aangename verblijfsruimte te waarborgen, terwijl in het voorjaar en najaar sprake is van een afwisseling van zon en schaduw. Dit beeld past bij het profiel van de ‘Mekelweg’ als stedelijke, groen ingekaderde campuslaan.

Binnenhoven De zonuren in de binnenhoven zijn variabel, afhankelijk van oriëntatie en hoogteopbouw van de omliggende bebouwing. In de zomerperiode ontvangen de hoven over het algemeen meerdere zonuren per dag. In het voorjaar en najaar is het aantal zonuren beperkter, maar niet volledig afwezig. De zonurenanalyse bevestigt dat de hoven geen structureel schaduwrijke ruimtes zijn, maar een seizoensafhankelijk gebruik kennen dat past bij hun functie als semi-open verblijfsruimten.

Green Village Green Village laat een gemengd zonurenbeeld zien, met hogere waarden in de open delen en lagere waarden in de meer boomrijke zones. In de zomerperiode is sprake van ruime bezonning. In het voorjaar en najaar neemt het aantal zonuren af, maar blijft voldoende voor het experimentele en flexibele gebruik van het gebied. De zonurenanalyse laat geen structurele verslechtering zien ten opzichte van de bestaande situatie.

Sportvelden De sportvelden behoren in alle seizoenen tot de meest bezonde delen van het plangebied, met name in het voorjaar en de zomer. In de zonurenanalyse zijn de open sportvelden duidelijk herkenbaar als zones met een relatief hoog aantal zonuren per etmaal. Boomstructuren langs de randen zorgen lokaal voor lagere waarden, wat bijdraagt aan beschutting en ruimtelijke kwaliteit, zonder de openheid van de velden aan te tasten.

Winterperiode Op 22 december is het aantal zonuren in het gehele gebied beperkt. Dit geldt voor zowel het sportkwadrant als de omliggende campus en is een direct gevolg van de lage zonstand in de winter. De zonurenanalyse bevestigt dat de winterse bezonningssituatie geen onderscheidend knelpunt vormt voor specifieke deelgebieden binnen het plan.

De verschillen in zonuren tussen de afzonderlijke sportvelden (Hudito, Fortuna en rugby) zijn beperkt en worden voornamelijk bepaald door: • ligging ten opzichte van boomstructuren; • seizoensgebonden zonstand; • en de aanwezigheid van bebouwing aan de randen.

N 20 maart 00:00-24:00

21 juni 00:00-24:00

22 september 00:00-24:00

89

21 Dec 00:00-24:00

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

Conclusie zonurenanalyse De zonurenanalyse laat zien dat het sportkwadrant in alle onderzochte seizoenen beschikt over een gedifferentieerde maar evenwichtige verdeling van zonuren. Open sportvelden behoren tot de meest bezonde delen van het gebied, terwijl langs de ‘Mekelweg’ en in boomrijke zones bewust lagere zonuren voorkomen als gevolg van bebouwing en beplanting. In de zomerperiode is het aantal zonuren in het gehele gebied ruim voldoende. In het voorjaar en najaar blijft sprake van een afwisseling van zon en schaduw, zonder dat deelgebieden structureel in de laagste zonurencategorie terechtkomen. De winterse situatie kenmerkt zich door een algemeen laag aantal zonuren, wat samenhangt met de lage zonstand en geen locatie-specifiek knelpunt vormt. De zonurenanalyse bevestigt daarmee dat de bezonningssituatie van het sportkwadrant passend is bij het stedelijke en campusmatige karakter van het plan en geen belemmering vormt voor het functioneren van de ‘Mekelweg’, de binnenhoven, de sportvelden en Green Village.

20 maart 00:00-24:00

21 juni 00:00-24:00

22 september 00:00-24:00

90

21 Dec 00:00-24:00

7. Wind In het kader van de voorgenomen hoogbouwontwikkeling aan de Kruithuisweg te Delft is een windklimaatonderzoek uitgevoerd. Door de toevoeging van bebouwing met aanzienlijke bouwhoogten kan het lokale windklimaat op maaiveldniveau veranderen, wat gevolgen kan hebben voor het comfort en de veiligheid van voetgangers en verblijfsplekken in de openbare ruimte. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in de te verwachten windhinder en eventuele windgevaarlijke situaties rondom de geplande bebouwing, en vormt daarmee een belangrijke onderbouwing voor de ruimtelijke uitwerking en positionering van gebouwen, entrees, doorgangen en verblijfsgebieden.

nleiding

1

et behulp van Computational Fluid Dynamics CFD is een onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande nieuwbouw aan de ruithuisweg te Delft. Voor het vervaardigen van het CFD-model is onder meer gebruik gemaakt van een door de opdrachtgever aangeleverd 3D-model. De stedenbouwkundige omgeving en de begroeiing is meegenomen aan de hand van gegevens uit openbare bronnen. De toekomstige omgevingsbebouwing is toegevoegd aan het model. In totaal is een gebied gemodelleerd van circa 1000 bij 1200 meter. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing. De volgende situaties zijn onderzocht: - De geplande bebouwing met bouwhoogte van circa 70 meter; - De geplande bebouwing met bouwhoogte van circa 60 meter. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 indhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving.

Bouwdeel A

Bouwdeel Bouwdeel B

1.1 3

model van de geplande bebouwing, hoogte circa 0 meter. oekomstige omgeving in geel.

Windklimaatonderzoek. Rapportnummer O 17372-2-RA-001 d.d. 28 januari 2026 door Peutz O 17372-2-RA-001

91

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

2

Normstelling en uitgangspunten

zoals het verwaaien van haar, het wapperen van kleding en bij toenemende windsnelheid het bewaren van het evenwicht.

2 .1 W e t te l ij ke kad er

an de hand van onderstaande t 2.1, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.

Windhinder is in de omgevingswet een aspect van de fysieke leefomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. Omdat de rijksoverheid geen instructies heeft gegeven voor dit aspect van de fysieke leefomgeving, heeft de gemeente de vrijheid om dit zelf in te vullen.

t 2.1 Criteria windhinder volgens NEN 8100 Overs hrijdingskans pvO in pro enten v R van het aantal uren per jaar

2 .2 N or m ge me ent e

2,5 2,5 5 5 10 10 20 20

De gemeente Delft stelt in de Beleidsnota Bouwhoogten Delft dat voor geplande hoogbouw een windklimaatonderzoek moet worden uitgevoerd. Hiervoor wordt aangesloten bij de NEN 8100.

waliteitsklasse

B C D E

A tiviteit oorlopen Goed Goed Goed atig lecht

lenteren Goed Goed atig lecht lecht

angdurig itten Goed atig lecht lecht lecht

De overschrijdingskans van de drempelwaarde voor windhinder wordt ook wel de hinderkans genoemd. In de meetresultaten wordt de hinderkans met de kleur volgens t 2.1 weergegeven.

2 .3 B es lis mode l NE N 8100

De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, wordt gebruik gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFD- of windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. Gezien de geplande bouwhoogte van circa 70 en 60 meter, wordt het uitvoeren van een windklimaatonderzoek als noodzakelijk beschouwd.

fhankelijk van de activiteitenklasse wordt het lokale windklimaat beoordeeld als goed , matig of slecht . - Bij een goed windklimaat wordt onder normale omstandigheden geen windhinder ervaren. - Bij een matig windklimaat wordt af en toe overmatige windhinder ervaren. - Bij een slecht windklimaat wordt regelmatig overmatige windhinder ervaren. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren.

2 .4 W ind h inde r en windge v aa r vo lg ens NEN 8100

De gevoeligheid voor wind is sterk afhankelijk van de activiteit waarmee men bezig is. Bij bijvoorbeeld het wachten bij een bushalte of het zitten op een terrasje zullen lagere windsnelheden eerder als hinderlijk worden ervaren dan bij stevig doorlopen. In de NEN 8100 wordt daarom voor de beoordeling van windhinder onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteitenklassen. Bij hogere windsnelheden kan daarnaast sprake zijn van gevaarlijke situaties zoals evenwichtsverlies bij het passeren van gebouwhoeken en dergelijke. Hiervoor wordt getoetst op windgevaar.

2.4.2 Wind e

r

Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde vDR;G gehanteerd. Op basis van t 2.2, afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of sprake is van windgevaar. t 2.2 Criteria windgevaar volgens NEN 8100 Overs hrijdingskans v R in pro enten van het pvO aantal uren per jaar 0,05 p 0,30 p 0,30

2.4.1 Windhinder

Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend is voor de beoordeling van het windklimaat. Voor windhinder wordt een drempelwaarde vDR;H aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten een rol spelen,

wali i atie

Beperkt risico Gevaarlijk

De norm stelt: “Situaties waarvoor een overschrijdingskans geldt van 0,05 < p < 0,30 mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteiten klasse I (doorlopen). Voor activiteiten klasse II en III geldt de eis p ≤ 0,05. O 17372-2-RA-001 5

92

O 17372-2-RA-001

Situaties met een overschrijdingskans van p 0,30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld. 2 .5 W ind kli maa t op d e lo a t ie

Voor de vertaling van de resultaten van de berekeningen naar de werkelijke situatie wordt gebruik gemaakt van een windstatistiek. De NEN 8100 verwijst voor de benodigde meteogegevens naar de N R 60 7:2006 oepassing van de statistiek van de uurgemiddelde windsnelheden voor Nederland. et behulp van de bijbehorende software wordt voor de specifieke locatie een windstatistiek berekend op basis van meteogegevens van een groot aantal meteostations en gegevens over terreinruwheden tot 6 km afstand van het plan. De terreinruwheden van het omliggend gebied worden per categorie weergegeven in f 2.1. De kleur geeft de terreinruwheid aan, rood staat bijvoorbeeld voor stedelijk bebouwd gebied.

2.1

erreinruwheid tot

km a stand volgens N

2.2

indroos betre ende locatie volgens N

0

t 2.3

indstatistiek van de betre ende locatie volgens N

0

0

In f 2.2 is de op basis van de N R 60 7 berekende windroos op 60 meter hoogte boven de betreffende locatie te zien. De windroos geeft de kans op het voorkomen van wind uit een bepaalde richting weer. et kleuren wordt de verdeling van windsnelheden binnen de betreffende richtingen aangeduid. it de windroos en onderstaande windstatistiek t 2.3 blijkt dat op de planlocatie de wind relatief vaak uit het uit het zuidwesten 210 en 240 komt. Bij deze windrichtingen treden ook de hoogste windsnelheden op. De zuidwestenwind is hiermee voor een groot deel bepalend voor het windklimaat op de planlocatie. O 17372-2-RA-001 7

93

O 17372-2-RA-001 8

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

2 .6

imu l at i e windsn el hed en me t

3

Het windklimaatonderzoek is uitgevoerd met Computational Fluid Dynamics CFD . an de rand van het model wordt, afhankelijk van de terreinruwheid, het juiste windprofiel gesimuleerd. Verfijning van de lokale windsituatie vindt plaats door de direct omliggende bebouwing en begroeiing mee te modelleren.

Rekenresultaten Het windklimaat wordt beoordeeld op basis van de uitgevoerde CFD-berekeningen, de windstatistiek van de betreffende locatie en de grenswaarden zoals beschreven in de paragrafen 2.4.1 en 2.4.2 betreffende windhinder en windgevaar. Bij de beoordeling van het windklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de activiteiten doorlopen, slenteren en langdurig zitten.

De windsnelheden worden met het CFD-model voor 12 windrichtingen berekend. et behulp van de windstatistiek voor de planlocatie wordt vervolgens per windrichting de overschrijdingskans van de drempelwaarden van 5 en 15 m/s voor respectievelijk windhinder en windgevaar bepaald. De totale overschrijdingskans is de som van de overschrijdingskansen per windrichting, ook wel de hinderkans en de gevaarkans genoemd. Deze worden vervolgens getoetst aan de NEN 8100 om het lokale windklimaat te kunnen beoordelen.

In bijlage 2 zijn de rekenresultaten per windrichting weergegeven. In deze figuren wordt met kleuren de hinderkans per windrichting weergegeven, en met pijlen de lokale stromingsrichting.

3 .1

In bijlage 1 is het technisch inlegvel, conform de NEN 8100, opgenomen. Het technisch inlegvel bevat een aantal rubrieken en aandachtspunten die een kort, schetsmatig overzicht geven van de relevante zaken van de CFD-berekeningen.

epl and e

e ou wing 70 me t er

In figuur f 3.1 is een uitsnede te zien van het model voor de geplande bebouwing met een hoogte van circa 70 meter.

In f 2.3 is een aanzicht gegeven van het rekengrid ter plaatse van de geplande bebouwing.

3.1

2.3

anzicht model bouwhoogte 0 meter

In f 3.2 wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte 1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de onderzochte situatie weergegeven. De kleuren zijn afgestemd op de beoordelingscriteria uit de NEN 8100. In f 3.3 is het windklimaat in de onderdoorgangen van de verschillende bouwdelen weergegeven. In f 3.4 en f 3.5 zijn op vergelijkbare wijze de berekende gevaarkans weergegeven.

anzicht oppervlakte grid rekenmodel

O 17372-2-RA-001

94

O 17372-2-RA-001 10

63m

63m

31m

31m

C 31m

C 31m

48m

48m

70m

70m

B

3.2

indhinder in geplande situatie met bouwhoogte 0 meter

A

3.3

B

indhinder in de doorgangen

3.

B

indgevaar in geplande situatie met bouwhoogte 0 meter

A

3.5

O 17372-2-RA-001 95 11

B

indgevaar in de doorgangen

O 17372-2-RA-001 12

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

3.1.1

i i ei d

r

en

windklassen en B vastgesteld, wat overeenkomt met een beoordeling goed voor de activiteit slenteren. Op de noordoosthoek van het meest rechter sportveld zijn lokaal ook windklassen C en D vastgesteld, overeenkomend met de beoordelingen matig en slecht voor de activiteit slenteren. Het windklimaat kan hier verbeteren door de eerder genoemde aanpassingen in het bouwvolume, en door een dicht scherm langs de hoek van het sportveld te plaatsen.

In de geplande situatie met een bouwhoogte van circa 70 meter is rond de planlocatie sprake van een overwegend goed windklimaat voor de activiteit doorlopen. Dit komt overeen met kwaliteitsklassen t/m C en wordt in f 3.2 weergegeven met de kleuren blauw, groen en geel. Bij de gebouwhoeken, en op de ekelweg, is windklasse D vastgesteld, weergegeven met de kleur oranje. Dit wordt beoordeeld als matig voor de activiteit doorlopen. De hogere hinderkansen bij de gebouwhoeken zijn een gevolg van de hogere bouwdelen, in combinatie met de vrije aanstroom van de dominante zuidwestenwind. et name de positie en ori ntatie van de 70 meter hoge toren op bouwdeel B is ongunstig.

C

In f 3.3 is het windklimaat in de doorgangen van de drie bouwdelen weergegeven. In de doorgangen zijn lokaal hogere hinderkansen vastgesteld, windklassen D en E. Dit wordt respectievelijk weergegeven met de kleuren oranje en rood. De hogere hinderkansen ontstaan door drukverschillen tussen de binnentuin en de buitenzijde van de hoogbouwdelen van het plan ten gevolge van de wind. Dit trekt de wind door de doorgangen heen.

B

In f 3.4 en f 3.5 is te zien dat in de onderdoorgang van bouwdeel B lokaal beperkt risico op windgevaar, en windgevaar is vastgesteld. Verder is rond het plan geen overschrijding van het gevaarcriterium vastgesteld. 3.

Het windklimaat rond het plan kan verbeteren door de 70 meter toren van bouwdeel B naar de noordoosthoek van het bouwdeel te schuiven, of door het verlagen van de hoogbouwdelen, en door de torens zo te schuiven dat er een grotere setback wordt gecre erd, met name aan de zuidzijde van de hoogbouwdelen. Ook zal het windklimaat in de doorgangen verbeteren door de doorgangen af te sluiten, of verder van de hoogbouwdelen af te positioneren. 3.1.2

i i ei

3.1.3

indklimaat op de sportvelden ten westen van bouwdeel

i i ei

n d ri

i en

an de westzijde van bouwdelen en C zijn verblijfslocaties gepland. Op aangeven van de gemeente Delft worden deze locaties beoordeeld volgens de activiteit langdurig zitten. Bij bouwdeel zijn overwegend windklassen en B, overeenkomend met een beoordeling goed tot matig, vastgesteld. okaal is sprake van hogere hinderkansen, windklasse C, wat wordt beoordeeld als een slecht windklimaat. Bij bouwdeel C zijn met name windklassen C en D vastgesteld, wat overeenkomt met een beoordeling slecht voor deze activiteit. okaal is ook een gunstiger windklimaat vastgesteld, windklassen en B. Het windklimaat op deze locatie past derhalve niet bij de beoogde functie. Op andere locaties rond het plan is wel een gunstig windklimaat voor de activiteit langdurig zitten vastgesteld.

en eren

Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees wordt geadviseerd te streven naar een beoordeling goed voor de activiteit slenteren, windklassen en B. Dit is in f 3.2 en f 3.3 weergegeven met de kleuren blauw en groen. Bij de gevels van het plan is overwegend een goed windklimaat voor deze activiteit vastgesteld, uitgezonderd bij de gebouwhoeken, in de doorgangen, en aan de oostgevel van bouwdeel C. Deze locaties zijn op voorhand minder geschikt voor entrees. ochten hier toch entrees voorzien zijn wordt geadviseerd windafschermende maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld de entree in een nis plaatsen, of schermen dwars op de gevel plaatsen om een luwte bij de entree te cre ren.

Veranderingen in de bouwmassa, met name het verlagen en verschuiven van de toren van bouwdeel B kan het windklimaat hier verbeteren. Daarnaast kan het windklimaat op deze locatie verbeteren met de toekomstige terreininrichting. Opgemerkt wordt dat de natuurlijke gebruiksmomenten van deze verblijfsplek niet samenvallen met de momenten waarop de meeste windhinder optreedt.

en westen van bouwdeel B bevinden zich een aantal sportvelden. Op aangeven van de gemeente Delft wordt het windklimaat hier ook beoordeeld volgens de activiteit slenteren. Het windklimaat op de sportvelden is weergegeven in f 3.6. Hier zijn overwegend O 17372-2-RA-001 13

96

O 17372-2-RA-001 1

3 .2

epl and e

e ou wing

0 me t er

In f 3.7is een uitsnede te zien van het model voor de geplande bebouwing met een hoogte van circa 60 meter. De bouwhoogte, setback, en de locaties van de onderdoorgangen zijn gewijzigd ten opzichte van de variant met een bouwhoogte van 70 meter, naar aanleiding van het te verwachten windklimaat.

61m

31m

C 30m 3.

52m

anzicht model bouwhoogte 0 meter

60m

In f 3.7 wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte 1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de onderzochte situatie weergegeven. De kleuren zijn afgestemd op de beoordelingscriteria uit de NEN 8100. In f 3.8 en f 3. is het windklimaat in de onderdoorgangen van de verschillende bouwdelen weergegeven. In f 3.10 en f 3.11 zijn op vergelijkbare wijze de berekende gevaarkans weergegeven.

B

3.8

indhinder in geplande situatie met bouwhoogte 0 meter

A

3.

O 17372-2-RA-001 15

97

B

indhinder in de doorgangen

O 17372-2-RA-001 1

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

3.2.1

en

In f 3. is het windklimaat in de doorgangen van de drie bouwdelen weergegeven. In de doorgangen zijn lokaal hogere hinderkansen vastgesteld, windklasse D en in een van de doorgangen van bouwdeel B windklasse E. Dit wordt respectievelijk weergegeven met de kleuren oranje en rood. Omdat de doorgangen verder van de hoogbouwdelen zijn gepositioneerd zijn de hinderkansen lager dan in de variant met bouwhoogte 70 meter. Wel wordt het windklimaat nog steeds beoordeeld als matig en lokaal slecht voor de activiteit doorlopen.

31m

C

In f 3.10 en f 3.11 is te zien dat in de onderdoorgang van bouwdeel C zeer lokaal beperkt risico op windgevaar is vastgesteld. Verder is rond het plan geen overschrijding van het gevaarcriterium vastgesteld.

30m 52m 60m

Het windklimaat rond het plan kan verder verbeteren door het verlagen van de hoogbouwdelen, en door de torens zo te schuiven dat er een grotere setback wordt gecre erd, met name aan de zuidzijde van de hoogbouwdelen. Een andere mogelijkheid is het afschuinen van de torens, om het aanstroomoppervlak voor de dominante zuidwestenwind te verkleinen. Ook zal het windklimaat in de doorgangen verbeteren door de doorgangen af te sluiten met bijvoorbeeld een tochtsluis.

B

3.10 indgevaar in geplande situatie met bouwhoogte 0 meter

B

r

In de geplande situatie met een bouwhoogte van circa 60 meter is rond de planlocatie sprake van een overwegend goed windklimaat voor de activiteit doorlopen. Dit komt overeen met kwaliteitsklassen t/m C en wordt in f 3.8 weergegeven met de kleuren blauw, groen en geel. Bij de gebouwhoeken, en lokaal op de ekelweg, is windklasse D vastgesteld, weergegeven met de kleur oranje. Dit wordt beoordeeld als matig voor de activiteit doorlopen. De hogere hinderkansen bij de gebouwhoeken zijn een gevolg van de hogere bouwdelen, in combinatie met de vrije aanstroom van de dominante zuidwestenwind. Het gebied waar windklasse D is vastgesteld is aanzienlijk kleiner dan in de variant met bouwhoogte 70 meter. Dit is een gevolg van het verlagen en verschuiven van de torens. Het windklimaat is verbeterd ten opzichte van de 70 meter variant, en kan nog verder verbeteren met verdere aanpassingen in de bouwmassa.

61m

A

i i ei d

3.2.2

i i ei

en eren

Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees wordt geadviseerd te streven naar een beoordeling goed voor de activiteit slenteren, windklassen en B. Dit is in f 3.8 en f 3. weergegeven met de kleuren blauw en groen. Bij de gevels van het plan is overwegend een goed windklimaat voor deze activiteit vastgesteld, uitgezonderd bij de gebouwhoeken, in de doorgangen, en aan de oostgevel van bouwdeel C. Deze locaties zijn op voorhand minder geschikt voor entrees. ochten hier toch entrees voorzien zijn wordt geadviseerd windafschermende maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld de entree in een nis plaatsen, of schermen dwars op de gevel plaatsen om een luwte bij de entree te cre ren.

3.11 indgevaar in de doorgangen

O 17372-2-RA-001 98 17

O 17372-2-RA-001 18

en westen van bouwdeel B bevinden zich een aantal sportvelden. Op aangeven van de gemeente Delft wordt het windklimaat hier ook beoordeeld volgens de activiteit slenteren. Het windklimaat op de sportvelden is weergegeven in f 3.12. Hier zijn overwegend windklassen en B vastgesteld, wat overeenkomt met een beoordeling goed voor de activiteit slenteren. Op de noordoosthoek van het meest rechter sportveld zijn zeer lokaal ook windklassen C en D vastgesteld, overeenkomend met de beoordelingen matig en slecht voor de activiteit slenteren. Het windklimaat kan hier verbeteren door de eerder genoemde aanpassingen in het bouwvolume, en door een dicht scherm langs de hoek van het sportveld te plaatsen.

Opgemerkt wordt dat de natuurlijke gebruiksmomenten van deze verblijfsplek niet samenvallen met de momenten waarop de meeste windhinder optreedt. 3 .3 Ad v i e en te r v er e t ering va n he t t e v er wa ht en wind kl i ma a t

Het bouwplan wordt nog verder ontwikkeld. er verbetering van het te verwachten windklimaat wordt het volgende geadviseerd: - Het verschuiven van de torens, met name de toren op bouwdeel B, naar de noordoosthoek. - Het verlagen van de hogere bouwdelen, en/of het afschuinen van de torens. Dit verkleint het aanstroomoppervlak van de torens voor de wind, en vermindert zo de hoeveelheid wind die door drukverschillen naar het maaiveld wordt getrokken. - Het cre ren van setbacks met name aan de zuidzijde van de torens. Dit vangt de wind die naar maaiveld beweegt op, en laat deze op een hoger niveau wegstromen. - Het windklimaat in de doorgangen kan verbeteren door deze dicht te zetten met een tochtsluis of tourni uet. - Het windklimaat op het sportveld kan verbeteren door een dicht scherm te plaatsen bij de hoek waar hogere hinderkansen zijn vastgesteld. Dit geeft aan beide kanten van het scherm afscherming van de wind. - Het windklimaat in het geplande verblijfsgebieden bij bouwdelen en C kan verbeteren door het intensiveren van begroeiing met bomen en struiken. et name een mi van begroeiingshoogtes zal een gunstig effect hebben op het te verwachten windklimaat.

C B

3.12 indklimaat op de sportvelden ten westen van bouwdeel

De effectiviteit van de genoemde maatregelen kan worden onderzocht in een vervolgonderzoek. 3.2.3

i i ei

n d ri

i en

an de westzijde van bouwdelen en C zijn verblijfslocaties gepland. Op aangeven van de gemeente Delft wordt deze locatie beoordeeld volgens de activiteit langdurig zitten. Bij bouwdeel zijn windklassen en B, overeenkomend met een beoordeling goed tot matig, vastgesteld. okaal is sprake van hogere hinderkansen, windklassen C en D, wat wordt beoordeeld als een slecht windklimaat. Bij bouwdeel C zijn met name windklassen C en D vastgesteld, wat overeenkomt met een beoordeling slecht voor deze activiteit. okaal is ook een gunstiger windklimaat vastgesteld, windklassen en B. Het windklimaat op deze locatie past derhalve niet bij de beoogde functie. Op andere locaties rond het plan is wel een gunstig windklimaat voor de activiteit langdurig zitten vastgesteld.

Ook wordt geadviseerd het windklimaat te onderzoeken in de volgende stadia van de ontwikkelingen.

Veranderingen in de bouwmassa, met name het verlagen en verschuiven en afschuinen van de toren van bouwdeel B kan het windklimaat hier verbeteren. Daarnaast kan het windklimaat op deze locatie verbeteren met de toekomstige terreininrichting. Hierbij kan worden gedacht aan het toevoegen van e tra bomen en struiken.

O 17372-2-RA-001 1

99

O 17372-2-RA-001 20

Stedenbouwkundig plan Mekelweg

4

amenvatting en

on lusies -

et behulp van Computational Fluid Dynamics CFD is een onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande nieuwbouw aan de ruithuisweg te Delft. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing. De volgende situaties zijn onderzocht: - De geplande bebouwing met bouwhoogte van circa 70 meter; - De geplande bebouwing met bouwhoogte van circa 60 meter. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 indhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. it de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: - In beide onderzochte varianten is rond de planlocatie sprake van een overwegend goed windklimaat voor de activiteit doorlopen, overeenkomend met windklassen t/m C. Bij de gebouwhoeken en op de ekelweg is windklasse D, beoordeeld als matig, vastgesteld. De gebieden waar windklasse D is vastgesteld zijn aanzienlijk kleinere in de variant met bouwhoogte 60 meter dan in de variant van 70 meter. Dit is met name een gevolg van de lagere bouwhoogte, en het vergroten van de setbacks bij de torens. Het windklimaat verbeterd door de aanpassingen, en kan met verdere aanpassingen in de bouwmassa verder verbeteren. - In het plan zijn onderdoorgangen gepland.

In deze onderdoorgangen zijn hogere hinderkansen vastgesteld, windklassen D en E. Ook hier is vastgesteld dat het windklimaat in de doorgangen verbetert door het verlagen van de geplande hoogbouw, en door de doorgangen verder van de torens te positioneren. - In de variant met bouwhoogte 70 meter is in de doorgang in bouwdeel B lokaal beperkt risico op windgevaar, en windgevaar vastgesteld. In de variant met bouwhoogte van 60 meter is in de doorgang van bouwdeel C zeer lokaal beperkt risico op windgevaar vastgesteld. Verder is rond het plan in beide varianten geen overschrijding van het gevaarcriterium vastgesteld. - Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees wordt geadviseerd te streven naar een beoordeling goed voor de activiteit slenteren, windklassen en B. Bij de gevels van het plan is in beide varianten is overwegend een goed windklimaat voor deze activiteit vastgesteld, uitgezonderd bij de gebouwhoeken, in de doorgangen, en aan de oostgevel van bouwdeel C. Deze locaties zijn op voorhand minder geschikt voor entrees. ochten hier toch entrees voorzien zijn wordt geadviseerd windafschermende maatregelen te treffen. - Op de sportvelden ten westen van bouwdeel B is overwegend een goed windklimaat voor de activiteit slenteren vastgesteld in beide varianten.

Op de noordoosthoek van het meest rechter sportveld zijn lokaal ook windklassen C en D vastgesteld, overeenkomend met de beoordelingen matig en slecht. Het windklimaat kan hier

verbeteren door de eerder genoemde aanpassingen in het bouwvolume, en door een dicht scherm langs de hoek van het sportveld te plaatsen. an de westzijde van bouwdelen en C zijn verblijfslocaties gepland. Op aangeven van de gemeente Delft wordt deze locatie beoordeeld volgens de activiteit langdurig zitten. In beide varianten zijn op de beoogde verblijfslocaties hoge hinderkansen, windklassen C en D, vastgesteld. okaal is ook een gunstiger windklimaat vastgesteld, windklassen en B. Het windklimaat op deze locatie past derhalve niet bij de beoogde functie. Op andere locaties rond het plan is wel een gunstig windklimaat voor de activiteit langdurig zitten vastgesteld. Veranderingen in de bouwmassa, met name het verlagen en verschuiven en afschuinen van de toren van bouwdeel B kan het windklimaat hier verbeteren. Daarnaast kan het windklimaat op deze locatie verbeteren met de toekomstige terreininrichting.

Dit rapport bevat 22 pagina s Bijlage 1: echnisch inlegvel Bijlage 2: Windhinder per windrichting Bijlage 3: Windhinder per windrichting

variant 70 meter variant 60 meter O 17372-2-RA-001 22

O 17372-2-RA-001 100 21

Bijlage B Watercompensatieplan 1. Inleiding en doelstelling De ontwikkeling in het sportkwadrant met het stedenbouwkundig plan de ‘Mekelweg’ gaat gepaard met een substantiële toename van verhard oppervlak door nieuwe bebouwing, infrastructuur en inrichting van de openbare ruimte. Conform het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland moet deze toename worden gecompenseerd met extra waterberging binnen het projectgebied zelf. Dit watercompensatieplan beschrijft hoe de ruimtelijke ingrepen in het gebied worden vertaald naar een robuust blauw raamwerk dat water vasthoudt, infiltreert en vertraagd afvoert. Daarnaast legt dit document de technische uitgangspunten, berekeningen, maatregelen en beheerprincipes vast die noodzakelijk zijn om het gebied klimaat robuust en toekomstbestendig in te richten. Het plan vormt de technische onderbouwing van het Stedenbouwkundig Plan en dient als toetsingskader voor verdere civieltechnische uitwerking. 2. Beleidskader en regelgeving Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland geldt dat: iedere toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door waterberging of infiltratievoorzieningen binnen het peilgebied waarin de toename plaatsvindt.

Het beleid is gericht op het voorkomen van wateroverlast door piekbuien en het versterken van een gezonde waterhuishouding in het beheersgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17060011/3