CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Districtelijke aanpak radicalisering en extremisme 2025-2028 en methodiekbeschrijving PGA CTER (6166131) (2.0)

Commissie Algemeen 10 juli 2025, gemeente DelftBij agendapunt: Collegebrief - Jaarverslag Zorg en Veiligheidskamer Delft 202415.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

netwerk ten behoeve van signalering van mogelijke radicalisering. Ook ontwikkelen zij beleid m.b.t. het onderwerp radicalisering en extremisme en bieden hierbij ondersteuning aan de districtsgemeenten. Elke afzonderlijke districtsgemeente kent echter ook een eigen medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering. Dit is een medewerker die zich specifiek bezighoudt met het thema radicalisering en extremisme. Hoewel de gemeente Delft de districtelijke coördinator is, blijven de verschillende gemeenten in district E zelf de verantwoordelijkheid voor hun eigen PGA CTER dragen. Dit doen zij onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de burgemeester van de desbetreffende gemeente. Politie-eenheid Den Haag De politie heeft een signalerende functie, zowel op casusniveau als fenomeen niveau. De politie levert nieuwe casussen aan bij het afstemmingsoverleg en draagt bij aan strafrechtelijke en handhavingsinterventies. De vertegenwoordigers van de politiebureaus die belast zijn met het thema CTER sluiten bij de casusoverleggen aan. Daarnaast is de afgevaardigde van de politie verantwoordelijk voor de interne informatie-uitwisseling tussen de verschillende afdelingen van de politie. Het Openbaar Ministerie (OM) Het OM is het aanspreekpunt voor alle strafrechtelijke vragen.

Daarnaast informeert het OM het casusoverleg over de stand van zaken in het opsporingsonderzoek, voor zover dat wettelijk mogelijk is en voor zover dit het onderzoek niet schaadt. De interventies in het licht van de lokale aanpak mogen het opsporingsonderzoek van het OM immers niet doorkruisen. De afgevaardigde van het OM in het casusoverleg houdt zicht op de belangrijke zittingsdata, bespreekt relevante uitspraken van de rechter en verzamelt - waar nodig - informatie bij andere afdelingen van het OM. 2.3 Casuspartners Door de kernpartners wordt per casus in de PGA CTER beoordeeld welke andere partners bij het casusoverleg moeten aansluiten. Deze casuspartners hebben ieder hun eigen taken en bevoegdheden. Reclassering Nederland (RN) Het Terrorisme, Extremisme en Radicaliserings-team (TER-team) van RN adviseert de rechtbank over, en houdt toezicht op, personen die verdacht worden of veroordeeld zijn voor het plegen of voorbereiden

van extremistische en/of terroristische misdrijven. Het TER-team controleert de naleving van door de rechter opgelegde voorwaarden en werkt aan gedragsbeïnvloeding en resocialisatie. Dit landelijke team bestaat uit ca. 15 gespecialiseerde reclasseringswerkers. De TER-team medewerkers zijn getraind om in gesprek te gaan met personen die een extremistisch gedachtengoed aanhangen. Het TER-team kan verder diverse experts (bijvoorbeeld een theoloog of forensisch psycholoog) koppelen aan de persoon, ten behoeve van een re-integratietraject. Het TERteam maakt voor de inschatting van het risicoprofiel gebruik van de VERA-2R. De VERA-2R is een empirisch onderbouwd risicotaxatie-instrument voor de inschatting van de kans op gewelddadig extremisme. Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) Indien minderjarigen (individueel of als onderdeel van een systeem) worden besproken in het casusoverleg, sluit de RvdK aan. Op verzoek doet de RvdK onderzoek wanneer er sprake is van een vermoeden van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de besproken minderjarige. Als er gronden zijn voor een kinderbeschermingsmaatregel, zoals ondertoezichtstelling, machtiging uithuisplaatsing of voogdij, wordt een verzoek ingediend bij de kinderrechter.

In het specifieke geval dat kinderen in het strijdgebied verblijven of daaruit terugkeren, neemt de RvdK standaard deel aan het casusoverleg en speelt hierin een belangrijke rol. Jeugdbescherming West (JB-west) Medewerkers van de Crisisdienst Jeugd, onderdeel van Bureau Jeugdzorg (sinds 2015 Jeugdbescherming West genaamd), werken nauw samen met ketenpartners in de aanpak van radicalisering bij jeugdigen. Dit gebeurt door aansluiting van de jeugdbescherming bij de bespreking van jeugdigen in de casusoverleggen. Als er bij de besprekingen jeugdigen worden ingebracht met zorgen over radicalisering, gaan medewerkers actief met deze jeugdigen en hun (familie)netwerk aan de slag om radicalisering tegen te gaan. Daarvoor worden verschillende methoden ingezet. JB-west kan ook opgedragen worden om kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren voor jeugdigen die door de kinderrechter onder toezicht zijn gesteld en/of zijn ondergebracht in een voorziening voor gesloten jeugdzorg, bijvoorbeeld na terugkeer uit het strijdgebied. 30

2.4 Overige casuspartners Naast de kernpartners en casuspartners die hierboven zijn beschreven, zijn er nog andere partners die over relevante informatie kunnen beschikken en/of een andere belangrijke rol kunnen spelen in een casusoverleg binnen de PGA CTER. Welke partners dit zijn, en of hun betrokkenheid wenselijk dan wel noodzakelijk is, wordt per individueel casusoverleg besloten. Hierbij gaat het onder andere om (zorg)organisaties, maatschappelijke hulpinstellingen en organisaties die onderdeel uitmaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) zoals de IND of de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Sommige van deze partners, bijvoorbeeld Veilig Thuis en Fivoor, hebben het convenant ondertekend waarin de kaders voor gegevensdeling binnen de PGA CTER zijn neergelegd. Ook kan het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) betrokken worden bij CTERcasuïstiek, zowel in de preventie fase als na het aflopen van een ondertoezichtstelling. In sommige gevallen draagt JB-west de casuïstiek dan over aan het CJG. Wanneer een partner bij een casusoverleg aansluit die het convenant niet heeft ondertekend, ondertekent deze elk half jaar een geheimhoudingsverklaring. 2.5 Rol - en taakverdeling Binnen het casusoverleg werken verschillende ketenpartners samen. Elke organisatie handelt vanuit haar eigen mandaat, wettelijke bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden.

Zo zijn de bijzondere voorwaarden die na een veroordeling zijn opgelegd door de rechtbank, leidend in de casus. Denk hierbij aan een meldplicht, gebiedsverbod, contactverbod, of de voorwaarde dat er wordt meegewerkt aan een reintegratietraject.

plan van aanpak. Dit plan wordt periodiek getoetst in het casusoverleg en waar nodig bijgesteld. De gemeentelijke regiefunctie moet worden gezien als de instandhouding van het casusoverleg. Dat wil zeggen dat er een structuur dient te zijn voor een overleg indien zich gevallen voordoen die bespreking behoeven. Het omvat nadrukkelijk niet de beslissingsbevoegdheid over de inzet van de maatregelen die door de andere deelnemers worden ingezet, want de beslissing over de inzet van eigen bevoegdheden blijft exclusief bij elke deelnemer zelf berusten. 2.6 De expertisepool In district E wordt sinds 2016 gewerkt met een expertisepool. De expertisepool bestaat uit een groep zorg- en veiligheidsprofessionals uit het gehele district, die gespecialiseerd zijn op de thema’s radicalisering en gewelddadig extremisme. In de expertisepool vindt een intervisie plaats op de lokale casuïstiek. Er worden interventies besproken en uitgedacht. Deelnemers kunnen ook ingezet worden voor het uitvoeren van interventies in specifieke casuïstiek uit de PGA CTER. Verder wordt kennis omtrent het onderwerp radicalisering en gewelddadig extremisme gedeeld. De expertisepool komt elke 10 weken bij elkaar. De leden van de expertisepool blijven onderdeel van hun eigen organisatie. Het team is dus geen opzichzelfstaande entiteit, maar een overlegvorm waarin expertise wordt gedeeld en acties kunnen worden uitgezet.

Daarnaast functioneren de leden van de expertisepool binnen diens eigen organisatie als vraagbaak voor directe collega’s rondom de thema’s radicalisering en extremisme.

In een integraal plan van aanpak stemmen de partners hun inzet nauwkeurig op elkaar af en bepalen ze gezamenlijk de koers. Na overleg committeren de betrokken partners zich aan het

31

Het proces van de PGA CTER In dit hoofdstuk wordt het proces van melding tot een eventuele opname in PGA CTER beschreven. Het proces start bij een signaal of melding waarin zorgen over radicalisering en/of een extremistisch gedachtegoed geuit worden. Daarna wordt beoordeeld of een inzet van de PGA CTER benodigd is. Vervolgens wordt in het casusoverleg per geval bekeken welke interventies ingezet moeten worden.

3.1 Het meldingsproces In de figuur hierboven wordt het meldingsproces schematisch weergegeven. Het meldingsproces binnen district E wordt gefaciliteerd door een duidingsinstrument. Dit instrument is door experts van het bureau Nuance door Training en Advies (NTA) opgesteld. In het duidingsinstrument wordt bij het binnenkomen van de melding onderscheid gemaakt tussen drie fases. Deze worden hieronder nader toegelicht. Fase 1: Binnenkomen van de melding Het proces begint bij de meldingsfase. Er komt een signaal of melding binnen bij de medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering van één van de districtsgemeenten, waarin zorgen over radicalisering en/of een extremistisch gedachtegoed geuit worden. Verschillende partijen kunnen een melding maken, zowel binnen als buiten de gemeente. Organisaties die een dergelijk signaal kunnen opmerken en melden zijn onder andere de politie, het OM, afdelingen binnen de gemeente, het ZVHH, de reclassering, welzijnsorganisaties of scholen.

Ook komt het voor dat personen verhuizen van buiten de regio naar een gemeente in district E, die onderwerp van de PGA CTER binnen een andere gemeente waren. Het kan daarnaast zijn dat er binnen een reguliere persoonsgerichte aanpak aanleiding bestaat om te vermoeden dat een persoon mogelijk radicaliseert of een extremistische ideologie naleeft. In laatstgenoemde twee gevallen worden de betreffende signalen opgenomen als nieuwe melding en opnieuw gewogen of deze personen opgenomen moeten worden in de PGA CTER. Wanneer de melding binnenkomt, licht de melder de signalen toe die hij of zij heeft waargenomen, geeft aan waar de zorgen op gebaseerd zijn en legt uit in hoeverre deze te relateren zijn aan een ideologische levensopvatting. Via vaststaande methodiek van het duidingsinstrument wordt door de medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering getoetst of er sprake is van een radicaliseringsproces. De medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering kan in deze fase bepalen dat er geen sprake is van 32

radicalisering en/of een extremistisch gedachtegoed. Dit besluit dient afgestemd te worden met minimaal één andere medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering. Dit zodat objectieve besluitvorming wordt bevorderd. Fase 2: Verzamelen van aanvullende informatie De tweede fase in het proces is de informatieverzamelingsfase. Bij een betrouwbare melding die gerelateerd is aan radicalisering wordt er aanvullende informatie over de melding verzameld bij de initiële melder. Er wordt meer informatie verzameld over de vorm van radicalisering en de veiligheidsrisico’s die hier mogelijk mee gepaard gaan. Tegelijkertijd wordt er aandacht besteed aan individuele factoren die de persoon in kwestie kenmerken, zoals zijn of haar geestelijke gezondheid, mogelijke triggerevents en (familie)relaties. Hierbij wordt wederom gebruikgemaakt van de vaststaande methodiek van het duidingsinstrument. De medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering kan ook in deze fase bepalen dat er geen sprake is van radicalisering en/of een extremistisch gedachtegoed. Ook in deze fase wordt dit besluit afgestemd met minimaal één andere medewerker veiligheid met taakaccent radicalisering. Fase 3: Wegen van de melding Hierna volgt de weegfase. Het signaal wordt gewogen in het afstemmingsoverleg. Er wordt hier een besluit genomen of de desbetreffende persoon in de PGA CTER opgenomen wordt.

Indien nodig, wordt voorafgaand aan het wegen van het signaal bij de driehoekspartners informatie, die nodig is voor het wegen van het signaal, verzameld over de desbetreffende persoon. Dit zodat het wegen van het signaal met een zo volledig mogelijk beeld plaatsvindt. Melding: Niet-CTER waardig Indien tijdens één van de fases (inclusief tijdens de weegfase) wordt geconcludeerd dat een melding niet in aanmerking komt voor de PGA CTER, bijvoorbeeld omdat er geen sprake blijkt van een ideologie of geweldsdreiging, wordt een melding als ‘niet CTER-waardig’ aangemerkt. Let wel: dit betekent niet dat de zorgen van de melder ongegrond zijn. Er kan nog steeds sprake zijn van een mogelijke onveilige situatie, bijvoorbeeld als er sprake is van GGZ-problematiek of agressief gedrag. Om te voorkomen dat deze meldingen niet opgevolgd worden, wordt per melding bekeken welke zorgen er bestaan. De melder van het signaal kan, indien nodig, worden doorverwezen naar de

reguliere PGA van het Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden of naar de lokale veiligheidskamer van de desbetreffende districtsgemeente. 3.2 Het afstemmingsoverleg Het afstemmingsoverleg vindt iedere acht weken plaats onder voorzitterschap van de gemeente Delft. Het afstemmingsoverleg bestaat uit vertegenwoordigers van alle vier de districtsgemeenten, de politie, het OM, het ZVHH en een expert. Tijdens het afstemmingsoverleg wordt er gesproken over diverse onderwerpen aangaande de gezamenlijke aanpak van radicalisering en extremisme in het district. Verder bespreken partners de regionale en landelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van radicalisering en extremisme. Daarnaast worden nieuwe meldingen (indien deze er zijn) gewogen, waarbij beoordeeld wordt of een persoon opgenomen wordt in de PGA CTER. Ook wordt tijdens het afstemmingsoverleg het besluit genomen dat een casus aan de lokale driehoek wordt voorgelegd voor afschaling (zie hoofdstuk 3.5). Meldingen en casussen worden altijd anoniem besproken in het afstemmingsoverleg. 3.2.1. Wegen van meldingen Indien een nieuwe melding wordt gewogen tijdens het afstemmingsoverleg, vindt dit plaats met de voorzitter van het afstemmingsoverleg, een vertegenwoordiger van de districtsgemeente waar de melding betrekking op heeft, het OM, de politie en de expert.

De overige deelnemers aan het afstemmingsoverleg sluiten hier niet bij aan. Bij het wegen van een melding wordt gebruikgemaakt van het duidingsinstrument. Er wordt beoordeeld of de feitelijke gedragingen van een persoon duiden op radicalisering of extremisme en er wordt gekeken naar de geweldsdreiging. Tijdens de weging wordt specifiek beoordeeld: (1) de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, (2) de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, (3) de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie. Ook wordt er gekeken naar achtergrondfactoren, zijnde sociale relaties, psychische problemen, zelfredzaamheid en financiële (on)afhankelijkheid. De beslissing tot opname in de PGA CTER wordt zorgvuldig genomen. Hierbij wordt uitdrukkelijk stilgestaan bij de persoonlijke gevolgen van een opname in de PGA CTER. 33

Indien wordt beoordeeld dat een persoon opgenomen dient te worden in de PGA CTER, wordt er in het afstemmingsoverleg een algemene koers bepaald. Dit zijn overstijgende doelstellingen die de richting geven voor het casusoverleg. Daarnaast wordt de desbetreffende persoon opgenomen op de (vertrouwelijke) afstemmingslijst. Deze lijst biedt een overzicht van personen die in de PGA CTER van het district zijn opgenomen. 3.3 Het casusoverleg Nadat in het afstemmingsoverleg is besloten om een casus op te nemen in de PGA CTER, wordt de casus aangemeld bij ZVHH. Het ZVHH organiseert vervolgens een casusoverleg. Het doel van een casusoverleg is om met alle betrokken partners tot een gezamenlijk plan van aanpak te komen, om dat vervolgens integraal uit te voeren en te monitoren. Tijdens het casusoverleg voorzien de partners elkaar van informatie, bepalen ze de doelstellingen en bespreken ze de mogelijke interventies. De voortgang van het plan van aanpak wordt vastgelegd in het rapportagesysteem PGAx. Voor een nadere uitleg van PGAx, zie hoofdstuk 4.4. Het casusoverleg kent verschillende deelnemers. Zoals in het convenant is omschreven, zijn de gemeente, politie en het OM de kernpartners van het casusoverleg. Deze drie partijen zijn altijd aanwezig bij het casusoverleg. De kernpartners kunnen andere partners uitnodigen.

Welke andere partijen aanwezig zijn is afhankelijk van de noodzaak in de desbetreffende casus. De frequentie van overleg is afhankelijk van het geval en wordt gezamenlijk in het casusoverleg bepaald. Tussentijds stemmen partners – daar waar nodig - hun aanpak op elkaar af. Tijdens het eerste casusoverleg wordt gewaarborgd dat alle relevante partners betrokken zijn en beschikken over alle informatie. In de overleggen die hierop volgen stellen de partners een integraal plan van aanpak op. Daarna wordt de voortgang van de interventies gemonitord en wordt bezien of het plan van aanpak bijgesteld moet worden. 3.3.1. Plan van aanpak Voor elke persoon die wordt opgenomen in de PGA CTER wordt een integraal plan van aanpak opgesteld in het casusoverleg. Volgens het convenant is een plan van aanpak “het document waarin het doel van de persoonsgerichte, integrale benadering van de betrokkene en de hiertoe door partners en

eventueel betrokken externe casuspartners te treffen maatregelen zijn vastgelegd”. Een plan van aanpak bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Een samenvattend beeld van de casus aan de hand van diverse leefgebieden (o.a. dagbesteding, huisvesting, sociale relaties, ideologie en gezondheid). 2. De risico- en beschermende factoren (op basis van een risicotaxatie instrument of het werkmodel). 3. De korte- en lange termijn doelen. 4. De interventies en resultaten. 5. De afspraken tussen de betrokken ketenpartners (zoals wie welke interventie op zich neemt). 6. De aanwijzing van verantwoordelijke ketenpartners voor de uitvoering van de interventies, aan de hand van een tijdspad. 7. De aanwijzing van de casuscoördinator. 8. De succes criteria (theory of change). Het plan van aanpak wordt opgesteld met behulp van het ‘Werkmodel Casusoverleg Radicalisering & Extremisme’. Voor een nadere uitleg van het werkmodel, zie hoofdstuk 4.2. 3.3.2. Notificeren van betrokkenen De persoon die wordt besproken in een casusoverleg wordt hiervan met een brief op de hoogte gesteld. Deze zogeheten notificatiebrief wijst de persoon op het feit dat zijn/haar persoonsgegevens worden bewaard volgens de AVG-richtlijnen en op het feit dat de betrokkene het recht heeft om een inzageverzoek op basis van de AVG te doen. Het standaardformat van de notificatiebrief is te vinden in bijlage B.

De werkwijze over de afhandeling van een inzageverzoek staat beschreven in bijlage C. In de praktijk wordt het notificeren gebruikt om in contact te komen met de desbetreffende persoon en wordt de notificatiebrief vaak in persoon uitgereikt. De betrokkene kan worden uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek. Er zijn ook redenen om de notificatie tijdelijk uit te stellen. Notificatie kan de veiligheid van de staat in gevaar brengen. Het kan de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten dwarsbomen. Eveneens kunnen gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen de doorslag geven om een persoon niet te notificeren. Het toezicht op de 34

naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de genoemde belangen, kunnen tevens een reden zijn om de notificatie uit te stellen of ervan af te zien. De redenen voor uitstel of afstel van notificatie zijn opgesomd in het convenant. Alle correspondentie met de betrokken persoon wordt opgeslagen in het rapportagesysteem PGAx. 3.3.3. Rollen binnen het casusoverleg In het casusoverleg zijn verschillende rollen belegd bij diverse (maar soms ook dezelfde) instanties. Er zijn drie hoofdrollen binnen het casusoverleg, namelijk de rol van regievoerder (op de aanpak), casusregisseur en procesregisseur. Deze rollen binnen het casusoverleg worden hieronder nader toegelicht. Regievoerder De medewerkers veiligheid met taakaccent radicalisering van de desbetreffende gemeente dragen de verantwoordelijkheid voor de regie op de aanpak. Zij vertegenwoordigen de gemeente in het casusoverleg, en in het bijzonder de burgemeester in zijn/haar bestuurlijke verantwoordelijkheid. Daarnaast betrekken zij – indien gewenst – andere afdelingen van de gemeente. In sommige gevallen zijn zij ook de casusregisseur, dit verschilt echter per casus. Casusregisseur De casusregisseur wordt tijdens het eerste casusoverleg aangewezen en is één van de ketenpartners. RN neemt deze rol op zich als zij vanuit het reclasseringstoezicht betrokken zijn.

Na het eerste casusoverleg coördineert en monitort de casusregisseur de verdere uitvoering van het plan van aanpak en ziet toe op de gemaakte afspraken met ketenpartners of casuspartners. Dit zijn de specifieke taken van een casusregisseur: • Op de hoogte stellen van betrokken partners van (de voortgang van) het plan van aanpak. • Zorgdragen voor de naleving en uitvoering van gemaakte afspraken door de partners. • De partners aanspreken wanneer afspraken niet worden nagekomen. Als de samenwerking onvoldoende tot stand komt, die bespreken met de procesregisseur. • Erop toezien dat interventies (en het effect daarvan) op elkaar worden afgestemd. • Nieuwe ontwikkelingen in de casus in de gaten houden. • Zorgen voor tussentijdse terugkoppelingen (via PGAx) aan de betrokken ketenpartners.

Procesregisseur De procesregisseurs binnen ZVHH leiden de casusoverleggen en houden procesregie op de ketenaanpak. Zij beschikken over een aantal algemene competenties. Ze zijn getraind om specifiek binnen het werkveld radicalisering en de PGA CTER hun rol als onafhankelijk voorzitter effectief vorm te geven. De procesregisseurs houden daarnaast het overzicht op de samenwerking tussen alle partners en zorgen ervoor dat de samenwerking, indien nodig, verbetert. Tijdens het overleg maken ze gebruik van de eerdergenoemde BOB-methodiek. Aangezien de aanpak regelmatig een lange tijd doorloopt, is het belangrijk om de beeldvorming rondom een persoon terugkerend te behandelen. Daarnaast dragen de procesregisseurs zorg voor een goed werkklimaat, waarin vertrouwen centraal staat en partners worden uitgedaagd om out of the box na te denken over de interventies. 3.3.4. Interventies in de PGA CTER Binnen de PGA CTER zijn er, afhankelijk van wat een casus en de desbetreffende risico's vereisen, verschillende interventies mogelijk. Een interventie is een doelbewuste ingreep op één of meerdere leefgebieden van een persoon om bepaald gedrag tegen te gaan of juist te stimuleren. Gezamenlijk stemmen de ketenpartners het type interventie, de duur en de intensiteit van de interventies op de problematiek van het individu af. Dit is altijd maatwerk.

Voor de effectiviteit van interventies is een goede werkrelatie met de betrokkene (zowel in een gedwongen- als vrijwillig kader) van essentieel belang. Meewerken aan de interventies gebeurt in een vrijwillig kader (tenzij RN is betrokken). Het is daarom belangrijk dat een persoon intrinsiek gemotiveerd is. Er kunnen zowel preventieve als repressieve interventies worden ingezet. Deze kunnen complementair aan elkaar zijn. De interventies kunnen betrekking hebben op zes onderdelen. Deze worden hieronder uiteengezet. Interventies met betrekking tot actiebereidheid en geweldsbereidheid Ketenpartners kunnen gezamenlijk besluiten tot interventies die erop gericht zijn de actie- en geweldsbereidheid van de persoon in kwestie te verstoren. Hierbij baseren de partners zich met name op maatregelen (bijzondere voorwaarden) die 35

door de rechtbank zijn opgelegd en waarbij RN toezicht houdt op de naleving. Denk bijvoorbeeld aan een enkelband, een gebiedsverbod of gebiedsgebod, een sociale media verbod, een contactverbod en een meldplicht. Wanneer de nationale veiligheid in het geding is, kan de gemeente een verzoek indienen bij de minister van Justitie en Veiligheid, in dit geval vertegenwoordigd door de NCTV, om een maatregel op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) op te leggen. In een eerder stadium kan strafrechtelijk worden geïntervenieerd om mogelijke actiebereidheid en geweldsbereidheid te voorkomen. De AIVD kan bijvoorbeeld het OM informeren middels een ambtsbericht bij een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid. Interventies met betrekking tot het sociale netwerk Naast repressieve interventies, maken de partners ook gebruik van preventieve interventies. Ze betrekken actief mensen binnen de familiaire, professionele of lokale kringen van de persoon in kwestie en stimuleren zijn of haar deelname aan sociale activiteiten. Dit versterkt hun sociale context buiten het extremistisch netwerk en vergemakkelijkt aansluiting bij de bredere maatschappij. Het is voor personen opgenomen in de PGA CTER belangrijk om een positief alternatief netwerk te ontwikkelen om weerstand bieden tegen de aantrekkingskracht van het extremistische netwerk.

Op een goed sociaal netwerk, bestaande uit vrienden of familie, kan de betrokken persoon immers terugvallen. Interventies richten zich dan ook op verschillende vormen van familieen netwerkondersteuning. Zo is gezinsbegeleiding mogelijk vanuit het CJG, coaching vanuit het jongerenwerk of LSE en kan een medewerker van de desbetreffende gemeente praktische ondersteuning bieden. Het doel van deze interventies is om de kwaliteit en kwantiteit van de relaties van de betrokken persoon met mensen uit de bredere gemeenschap te versterken die voorheen, op basis van de extremistische ideologie, juist als vreemden of soms vijanden werden gezien. Interventies met betrekking tot de ideologie Een belangrijke interventie om meer inzicht te krijgen in de ideologische overtuigingen van de persoon is de religieuze en/of ideologische begeleiding. Ideologische deskundigen (bijvoorbeeld theologen, experts of imams van organisaties als het

LSE of NTA) kunnen in gesprekken met de persoon de aantrekkingskracht van het extremistische narratief verminderen, bijvoorbeeld door samen de ideologie te herinterpreteren. De PGA CTER biedt ook ruimte voor de persoon om aan te geven dat hij of zij behoefte heeft aan theologische begeleiding door bijvoorbeeld een imam uit de lokale moskee. Daarnaast kan er, om de dreiging die uitgaat van het extremistisch gedachtegoed in te kunnen schatten, een duidingsrapportage opgesteld worden door een externe expert. Bij casuïstiek zonder justitieel kader kan dit alleen met instemming van de betrokken persoon. Interventies met betrekking tot de identiteitsvorming Individuele coaching, begeleiding en behandeling kunnen de identiteitsvorming van de betrokkene positief beïnvloeden. Sociaal-emotionele vaardigheden kunnen hierdoor worden verbeterd. Coaching kan leiden tot meer zelfvertrouwen bij de betrokkene en tot meer reflectie op eigen handelen. Deze aspecten dragen bij aan de positieve ontwikkeling van iemands identiteit, eigenwaarde en verantwoordelijkheidsgevoel. Deze persoonlijke groei verkleint de kans op radicalisering en geweld op basis van een extremistisch, ideologisch motief. Interventies met betrekking tot de zelfredzaamheid De ketenpartners streven ernaar de zelfredzaamheid van de betrokkene te vergroten.

Om dit te bereiken zetten ze met verschillende interventies in op meerdere leefgebieden. Soms is het opportuun om te focussen op de persoonlijke of psychologische problematiek van betrokkene en behandelingen aan te bieden. In het kader van zelfredzaamheid heeft RN de interventie Inclusion ontwikkeld. Deze interventie ondersteunt de ontwikkeling van beroeps- en levensvaardigheden, om zo de zelfredzaamheid van de betrokken persoon te vergroten. Positieve resultaten zijn geboekt wanneer de betrokkene openstaat voor hulpverlening of sociale steun buiten het extremistisch netwerk en wanneer betrokkene een beroepscertificaat weet te behalen. Interventies met betrekking tot het bieden van praktische ondersteuning De gemeenten in district E kunnen, eventueel in samenwerking met andere ketenpartners, ook praktische ondersteuning bieden. Denk aan ondersteuning bij het vinden van werk, bij de inschrijving bij een onderwijsinstelling en begeleiding bij schuldenproblematiek. Dit zijn 36

belangrijke aspecten die de stabiliteit van een persoon bevorderen. Het bieden van praktische hulp aan de betrokken persoon draagt mogelijk ook bij aan het verkleinen van de bestaande kloof tussen de betrokkene en de overheid. Wantrouwen, onvrede of grieven ten aanzien van de overheid vormen regelmatig de basis van radicalisering en extremisme. Interventies met betrekking tot de praktische leefgebieden hebben als doel het wij-zij gedachtegoed dat leidend is in de extremistische ideologie te nuanceren. 3.4 Monitoren Ketenpartners kunnen in ieder casusoverleg samen beoordelen dat een casus de status ‘monitoren’ krijgt. Dit houdt in dat een monitoringsplan wordt opgesteld (zie bijlage D). Dit plan wordt opgeslagen in PGAx. Het casusoverleg informeert het afstemmingsoverleg over dit besluit. Er zijn verschillende redenen om een casus de status ‘monitoren’ te geven. Bijvoorbeeld: • Er zijn minder zorgen over de radicalisering van betrokkene, met als gevolg dat er minder afstemming en overleg nodig is. Dit besluit kan onder andere worden gemotiveerd aan de hand van het ‘Werkmodel Casusoverleg Radicalisering & Extremisme’. Wanneer door het casusoverleg wordt voorgesteld om een casus af te sluiten, wordt de desbetreffende casus minimaal zes maanden op monitoringstand geplaatst voordat deze kan worden afgesloten.

• De betrokkene verblijft voor een periode langer dan drie jaar in detentie. Het Multidimensionaal Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is in dit geval voorliggend. Voor een nadere toelichting op het MAR, zie hoofdstuk 5.3. • Het blijkt dat de interventies ontoereikend zijn en/of de informatiepositie van de casusdeelnemers ontoereikend is voor de effectiviteit van het casusoverleg. Er wordt in deze gevallen nog één jaar geprobeerd om contact te krijgen met de desbetreffende persoon. Wanneer deze pogingen onsuccesvol zijn sluiten de ketenpartners, na toestemming van het afstemmingsoverleg, de casus af. Ketenpartners hanteren een standaardtermijn van maximaal één jaar waarin een casus nog gemonitord

wordt, tenzij er sprake is van een langere detentieperiode. Dit betekent in de praktijk dat een casus die ‘op monitoring’ staat één of twee keer per jaar in een casusoverleg wordt besproken. 3.5 Afsluiten van de casus Het casusoverleg kan aan het afstemmingsoverleg een advies uitbrengen om een casus af te sluiten uit de PGA CTER. Dit kan het geval zijn wanneer er geen nieuwe of zorgwekkende signalen van radicalisering worden geconstateerd. Dit kan tevens het geval zijn bij een blijvend gebrek aan informatie of ontbrekende interventiemogelijkheden. Zoals eerder vermeld wordt de desbetreffende casus vóór afsluiting eerst minimaal zes maanden op monitoringsstand geplaatst. Wanneer de afsluiting van een casus door het afstemmingsoverleg akkoord wordt bevonden, wordt aan de lokale driehoek toestemming gevraagd om over te gaan tot officiële afschaling. Na goedkeuring vanuit de lokale driehoek wordt de desbetreffende persoon niet langer besproken in het afstemmingsoverleg, alsmede in het lokale casusoverleg. Hiermee verdwijnt de persoon tevens van de afstemmingslijst. Wanneer een casus wordt afgesloten uit de PGA CTER, wordt de desbetreffende persoon (indien deze bij opname in de PGA CTER is genotificeerd) per afsluitbrief geïnformeerd dat hij/zij geen onderwerp meer is van het casusoverleg binnen het ZVHH.

In deze brief wordt de betrokkene tevens uitgenodigd voor een afsluitend gesprek met één van de casusregisseurs. Het standaardformat van de afsluitbrief is te vinden in bijlage E. 3.6 Bewaartermijnen Na de afsluiting van een casus worden de gegevens van betrokkene een periode van vijf jaar bewaard.16 Ketenpartners kunnen een besluit tot heropening van de casus nemen wanneer er na afsluiting opnieuw zorgelijke signalen naar voren komen. In dat geval moet een dossier met de daarin aanwezige informatiepositie snel toegankelijk zijn voor alle ketenpartners die betrokken zijn bij de casus. Ook moet er de mogelijkheid bestaan om het dossier in te kunnen zien. De procesregisseur kan tot vijf jaar na afsluiting dit dossier nog openen ten behoeve van inzageverzoeken.

16 Conform het convenant Persoonsgerichte aanpak voorkoming

radicalisering en extremisme en de daarbij behorende handleiding.

37

Na vijf jaar worden de meeste gegevens, in ieder geval alle persoonsgegevens, uit een dossier verwijderd. In sommige gevallen blijven een aantal geanonimiseerde gegevens in het dossier bestaan, bijvoorbeeld voor wetenschappelijke doeleinden of voor (effect)evaluaties. Er is dan echter geen sprake meer van ‘persoonsgegevens’, aangezien de geanonimiseerde gegevens niet langer gekoppeld kunnen worden aan een specifiek persoon. 3.7 Speciale thematiek en werkwijzen Werkwijze intrekken Nederlanderschap In 2017 is de Rijkswet op het Nederlanderschap gewijzigd om het mogelijk te maken dat het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van een persoon die zich aansluit bij een terroristische organisatie. Artikel 14.2 en 14.4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vormen de wettelijke grondslag. Bij mensen met een dubbele nationaliteit en een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf kan op grond hiervan het Nederlanderschap ingetrokken worden.

De intrekking van het Nederlanderschap is een zware maatregel met grote gevolgen. Deze bestuurlijke maatregel die vanuit het Rijk wordt genomen, kan invloed hebben op de PGA CTER op gemeentelijk niveau. Deze maatregel kan immers worden toegepast, of al zijn toegepast, op personen die onderwerp zijn van de PGA CTER. Wanneer er sprake is van het intrekken van het Nederlanderschap van een persoon opgenomen in de PGA CTER, wordt de desbetreffende casus afgesloten uit de PGA CTER. Dit komt omdat er in dergelijke casussen, gezien het ingetrokken Nederlanderschap, geen interventies ingezet kunnen (en mogen) worden. Hierdoor is opname in de lokale PGA CTER en de hieruit voortvloeiende verantwoordelijkheid voor de gemeente niet passend. Het afschalen van deze casuïstiek uit de PGA CTER laat de eventuele inzet van de politie en inlichtingendiensten uiteraard onverlet.

38

Instrumenten in de PGA CTER De betrokken partners bij de PGA CTER maken gebruik van verschillende instrumenten tijdens het casusoverleg en om een casus op en af te schalen. Ook is er de mogelijkheid om een casus, en de samenwerking van partners, te evalueren. Hieronder volgt een nadere toelichting op de gebruikte instrumenten binnen de PGA CTER van district E. 4.1 Het NTA-duidingsinstrument Het NTA-duidingsinstrument is ontwikkeld voor de PGA CTER in district E en is gebaseerd op de NTAduidingsmethodiek. Het instrument is een risicotaxatie-instrument om de geweldsbereidheid van de persoon in kwestie te bepalen, gebaseerd op de wetenschappelijke methode Structural 17 Professional Judgement (SPJ). De duiding van de hoofdideologie van de persoon in kwestie staat centraal. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rechts-extremisme, links-extremisme, jihadisme of anti-institutioneel-extremisme. Het instrument is geschikt voor alle fasen van het radicaliseringsproces. Bij de duiding wordt gekeken naar opvattingen en concrete handelingen. Het duidingsinstrument kan worden geraadpleegd tijdens de verschillende processtappen van de PGA CTER, zoals tijdens de meldingsfase, de informatieverzamelingfase en de weegfase. Hoewel het duidingsinstrument in elke fase van de PGA CTER geraadpleegd kan worden door de ketenpartners, wordt het uitvoeren van een duidingstraject (incl.

de duidingsgesprekken) met een persoon opgenomen in de PGA CTER altijd verricht door een externe expert. Na deze duiding vindt er een mondelinge en schriftelijke terugkoppeling plaats in het casusoverleg en worden de bevindingen ingevuld in het 'Werkmodel Casusoverleg Radicalisering & Extremisme’. 4.2 Het 'Werkmodel Casusoverleg Radicalisering & Extremisme’ De NCTV, politie, diverse gemeenten, RN en het LSE hebben gezamenlijk het ‘Werkmodel Casusoverleg Radicalisering & Extremisme’ ontwikkeld. Dit met als doel om de ketenpartners aan te moedigen om systematisch te werken en om daarbij ondersteuning te bieden. Het werkmodel faciliteert de

17 Stephen David Hart, Kevin S. Douglas, Laura S. Guy, ‘The structured

professional judgment approach to violence risk assessment: Origins, nature, and advances’, in: L. Craig, M. Rettenberger (eds.) The Wiley

multidisciplinaire dialoog aan de casustafel. De soms uiteenlopende standpunten van de verschillende partners en de achterliggende grondslagen van die standpunten worden verduidelijkt en systematisch in kaart gebracht. Het werkmodel maakt eveneens inzichtelijk wat de voortgang van de casus is, wat er nog moet gebeuren en wie hiervoor verantwoordelijk is. De matrix is geen risicotaxatie-instrument of checklist die kan worden afgevinkt. Het instrument faciliteert de dialoog tussen de ketenpartners door te focussen op vijf aandachtsgebieden, te weten; 1) actie- en geweldsbereidheid, 2) ideologie, 3) sociale relaties, 4) identiteit en 5) zelfredzaamheid. De partners die deelnemen aan het casusoverleg streven ernaar om het werkmodel vanaf het derde casusoverleg in te vullen. Wanneer de informatie in het begin van de casus nog gebrekkig is, kunnen de partners besluiten de invulling van het werkmodel hierop te laten aansluiten. De opbrengsten uit het werkmodel kunnen richting geven aan de in te zetten interventies. Daarnaast kan de informatie uit het werkmodel input zijn voor het monitoringsplan of voor de motivering van een eventuele afsluiting van de casus. 4.3 Reflecteren en evalueren Om radicalisering te kunnen voorkomen en bestrijden moeten de partners een zekere pioniersmentaliteit hebben.

Ze moeten immers zo goed mogelijk omgaan met de voortdurende onzekerheid over mogelijke veranderingen waardoor het werkveld gekenmerkt wordt. Een lerende en reflecterende houding is daarom cruciaal. Ketenpartners kunnen de samenwerking binnen het casusoverleg en het inhoudelijke verloop van de casus evalueren. Op basis van een procesevaluatie wordt een specifieke casus in kaart gebracht om te handbook on the theories, assessment, treatment of sexual offending: Volume II, Wiley 2016.

39

kijken hoe de casus is verlopen. De nadruk ligt op casussen waarbij het proces uitdagend was, of casussen die succesvol zijn afgerond. Aspecten die geëvalueerd kunnen worden zijn het onderlinge contact tussen ketenpartners, de samenwerking, de opvolging van afspraken en processen, maar ook de voortgang in de actieve casussen. Alle ketenpartners kunnen bij de gemeenten in district E of het ZVHH aangeven dat ze een specifieke casus willen evalueren. Voor een evaluatie wordt gebruikgemaakt van de Toolkit Evidence-based Werken bij de preventie van radicalisering. Deze Toolkit is ontworpen door het Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).18 De uitkomsten van het evaluatieoverleg worden onderling gedeeld met de betrokken ketenpartners. Wanneer uitkomsten uit de evaluatie een bredere relevantie hebben zullen die ook gedeeld worden met het afstemmingsoverleg.

4.4 Het registratiesysteem PGAx Binnen de PGA CTER wordt gewerkt met het registratiesysteem PGAx. Binnen dit systeem wordt het gehele proces van een casus gedocumenteerd, van de eerste agendering van een casus, de aanmelding, en het casusoverleg tot en met de afsluiting. Alle informatie bevindt zich op één beveiligde plek. Betrokken professionals kunnen binnen dit systeem op basis van hun eigen account alle benodigde taken uitvoeren. Er is ruimte voor bijlages zoals een ingevuld werkmodel en correspondentie met de betrokkene, zoals de notificatiebrief.

18 Voor meer informatie, zie de Toolkit Evidence Based Werken:

Preventie radicalisering.

40

Regionale en landelijke samenwerking Buiten het afstemmingsoverleg en de casusoverleggen zijn er ook bredere overlegverbanden die betrekking hebben op de PGA CTER. Deze overleggen bevorderen de regionale en landelijke samenwerking m.b.t. de aanpak radicalisering en extremisme. In dit hoofdstuk worden deze overleggen nader toegelicht.

5.1 Regionaal Netwerkoverleg CTER Het Regionaal Netwerkoverleg CTER (RNO CTER) wordt georganiseerd door het ZVHH en het Zorg- en Veiligheidshuis Hollands Midden (ZVH HM) en is opgericht om de regionale samenwerking op het gebied van radicalisering en extremisme te bevorderen. In het RNO CTER spreken de betrokken partners vier keer per jaar op uitvoerend niveau en twee keer per jaar op tactisch niveau over de regionale aanpak van radicalisering en extremisme. Er wordt gekeken naar de methodiek van de PGA CTER en waar mogelijk naar de effectiviteit van interventies. Ook worden best practices en nieuwe ontwikkelingen gedeeld. De gemeenten uit de politie-eenheid Den Haag, het ZVHH en het ZVH HM en ketenpartners zoals RN, de RvdK, het OM, de politie en GGZ nemen deel aan het RNO CTER. De regionaal coördinator neemt het voorzitterschap op zich.

5.3 Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) De DJI organiseert een overlegtafel binnen detentie over personen die op de Terrorisme Afdeling (TA) verblijven, personen die binnen een andere PI/afdeling verblijven en signalen afgeven van radicalisering en personen die veroordeeld zijn voor aan terrorisme gerelateerde misdrijven. Dit is het MAR. Naast DJI sluiten RN en de gemeente waar de persoon na detentie zal verblijven aan bij dit overleg. Deze opzet bevordert een integraal beeld van de casus en draagt zorg voor een goede aansluiting tussen het plan binnen detentie en het plan na uitstroom. De gemeente is de verbindende schakel tussen het MAR en het lokale casusoverleg binnen de PGA CTER.

5.2 Gemeentelijk CT-overleg (voorheen PRIOoverleg) Drieëntwintig gemeenten en de NCTV komen maandelijks samen in het Gemeentelijk CT-overleg. In dit overleg worden landelijke trends en ontwikkelingen besproken, evenals de knelpunten die worden ervaren in de aanpak van radicalisering en extremisme. Bovendien houdt de NCTV in dit overleg de gemeenten op de hoogte van interne ontwikkelingen (bijvoorbeeld met betrekking tot de versterkingsgelden) en van de trends en ontwikkelingen binnen de politieke arena. De gemeenten delen gevraagd en ongevraagd hun input.

41

Bijlagen Bijlage A: Definities Radicalisering is een proces van toenemende bereidheid om de uiterste consequentie uit een denkwijze te aanvaarden en die in daden om te zetten. Deze toenemende bereidheid kan leiden tot gedrag dat andere mensen diep kwetst of in hun vrijheid raakt, kan aanleiding zijn voor individuen of groepen om zich af te keren van de samenleving en kan leiden tot het gebruik van geweld.19 Extremisme is de benaming van het fenomeen waarbij personen of groepen, op buitenparlementaire wijze over de grenzen van de wet gaan en met (gewelddadige) acties politieke besluitvorming proberen te beïnvloeden.

Momenteel wordt veelal onderscheid gemaakt tussen rechtsextremisme, linksextremisme, dierenrechtenextremisme en jihadisme.20 Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden van of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappij ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.21 Disengagement is het beëindigen van radicaal gedrag (activiteiten of uitlatingen) zonder dat onderliggende waarden, attitudes en opvattingen veranderen of het radicale gedachtegoed wordt afgezworen.22 Deradicalisering is het afzweren van het radicale gedachtegoed en verwijst daarmee naar een cognitieve verandering, dat wil zeggen een verandering in waarden, attitudes en opvattingen.23 Jihadisme is een stroming binnen de politieke islam die op basis van een specifieke invulling van de salafistische leer en op basis van onder meer het gedachtegoed van Sayyid Qutb door middel van een gewapende strijd (jihad) streeft naar een mondiale heerschappij van de islam en daarmee naar de heroprichting dan wel instandhouding van de islamitische staat (kalifaat).24 Linksextremisme verwijst naar personen en groeperingen in Nederland die (heimelijk) gewelddadige en niet-gewelddadige acties verrichten in het kader van

antifascisme, antiglobalisme, anarchoextremisme of die zich op extremistische wijze verzetten tegen het asiel- en vreemdelingenbeleid. Vanwege het ondemocratische karakter van hun acties vormen zij een bedreiging voor de democratische rechtsorde.25 Rechtsextremisme verwijst naar personen en groeperingen die (heimelijk) gewelddadige en nietgewelddadige acties verrichten vanuit een van de denkbeelden:

19 NCTV definitie. 20 AIVD definitie. 21 NCTV definitie. 22 Disengagement en deradicalisering van jihadisten in Nederland, AIVD (2010). 23 Disengagement en deradicalisering van jihadisten in Nederland, AIVD (2010). 24 NCTV definitie. 25 AIVD definitie.

• • •

vreemdelingenhaat; haat jegens een vreemde cultuur; ultranationalisme.

Vanwege het ondemocratische karakter van hun acties vormen rechts-extremisten een bedreiging voor de democratische rechtsorde.26 Anti-institutioneel-extremisme is een fenomeen waarbij personen en groepen zich vanuit ideologisch motief specifiek richten tegen democratische instituties en processen, en daarbij bereid zijn om (niet)gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen.27

26 AIVD definitie. 27 AIVD definitie.

43

Bijlage B: Standaardformat notificatiebrief Datum [datum] Onderwerp U wordt besproken in de persoonsgerichte aanpak radicalisering

Geachte heer/mevrouw [naam betrokkene], Wij willen u middels deze brief laten weten dat u wordt besproken in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. U wordt besproken omdat er signalen zijn die wijzen op (mogelijke) veiligheidsrisico’s vanuit ideologisch perspectief. De persoonsgerichte aanpak radicalisering De gemeente [naam gemeente] werkt in de persoonsgerichte aanpak radicalisering samen met politie, het Openbaar Ministerie en, waar nodig, andere hulpverlenende instanties of veiligheidspartners. De gemeente is verantwoordelijk voor het opstellen van een plan van aanpak en het afstemmen van de maatregelen met partners in het kader van veiligheid. Uw privacy en rechten U wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden (ZVHH). Het ZVHH legt uw persoonsgegevens vast in een registratiesysteem. Naast persoonsgegevens (zoals naam, adres, geboortedatum en eventuele bijzondere persoonsgegevens die bij de organisaties bekend zijn) wordt hierin vastgelegd welke zorgen er zijn, wat het plan van aanpak is en welke organisaties betrokken zijn bij de uitvoering van dit plan. De persoonsgegevens zullen vijf jaar na de laatste informatieverwerking worden verwijderd. Verdere informatie over uw privacy rechten kunt u vinden op de website van het ZVHH (https://www.zorgenveiligheidshuishaaglanden.nl/).

Uitnodiging voor gesprek [van toepassing indien notificatiebrief niet in persoon wordt uitgereikt] Graag leggen we u uit waarom u besproken wordt en beantwoorden we vragen die u mogelijk hierover heeft. • Optie 1: uitnodigen op kantoor. “We nodigen u graag uit ter kennismaking op [datum] om [tijdstip]. Graag horen wij of dit u schikt. Anders kunt u contact opnemen met [emailadres gemeente] om de afspraak te wijzigen”. • Optie 2: open uitnodiging. “We nodigen u graag uit ter kennismaking en horen graag wanneer dit u uitkomt via de mail. U kunt een mail sturen naar [emailadres gemeente]”. Wij vertrouwen erop u hierbij voldoende geïnformeerd te hebben. Mocht u nog vragen hebben dan kunt u contact opnemen met [emailadres gemeente]. Hoogachtend,

[Naam burgemeester desbetreffende gemeente] Burgemeester van [desbetreffende gemeente]

44

Bijlage C: Werkwijze inzageverzoek Personen die zijn opgenomen in de PGA CTER hebben het recht om een inzageverzoek te doen. De persoon in kwestie dient hiervoor een mail te sturen naar het ZVHH. Het ZVHH informeert de desbetreffende gemeente in district E over het verzoek tot inzage dat is gedaan. De desbetreffende gemeente nodigt vervolgens de persoon uit om zich te komen legitimeren bij de gemeente. De persoon in kwestie dient een geldig paspoort, rijbewijs of ID-kaart mee te nemen naar de afspraak. De persoon dient zelf te komen op deze afspraak en deze afspraak vindt alleen fysiek plaats. Hierna wordt het inzageverzoek officieel in behandeling genomen. Het ZVHH wordt op de hoogste gesteld zodra de persoon zich heeft gelegitimeerd bij de desbetreffende gemeente. Het ZVHH stelt vervolgens een dossier op. Dit dossier bevat alle AVG-informatie wat uiteindelijk wordt verstrekt aan de persoon. Alvorens de persoon inzage krijgt in zijn/haar persoonsgegevens krijgen alle betrokken ketenpartners het dossier in te zien. Uiteindelijk stuurt de desbetreffende gemeente het dossier op naar de betrokkene. De afhandeling hiervan wordt in PGAx opgeslagen. De desbetreffende burgemeester tekent de brief die wordt verstuurd naar de betrokkene. De desbetreffende gemeente is eindverantwoordelijk en dient de wettelijke termijnen te volgen.

Er bestaat de mogelijkheid om éénmalig uitstel aan te vragen. De betrokkene dient hiervoor tijdig geïnformeerd te worden. Informatie vanuit de Politie en het Openbaar Ministerie (OM) wordt sinds 1 januari 2021 niet meer aan de betrokkene verstrekt. Deze moet de betrokkene zelf opvragen bij de eerdergenoemde organisaties.

45

Bijlage D: Monitoringsplan Overleg Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden Casus: Naam (geb. datum) Datum: dd-mm-jjjj Casusregisseur: Notificatie: ja, datum, wie en wijze (per post of mondeling) / nee, uitzonderingsgrond en evaluatiedatum Datum besluitvorming notificatie: datum casusoverleg waarin besluit is genomen en vastgelegd

Aanwezig: Afwezig:

MONITORINGSPLAN In het monitoringsplan wordt aandacht besteed aan: 1. De doelstellingen waren: o Hoofddoelen: o Subdoelen: 2. Deze zijn: Behaald/ niet behaald/ anders, namelijk… / n.v.t. 3. Wat is de reden van plaatsen op monitoren? (Kies één van onderstaande opties) 1. Zorgen voldoende afgenomen, monitoren en/of uitvoering plan buiten casusoverleg 2. Interventies lopen/toereikend, uitvoering plan buiten casusoverleg 3. Interventies ontoereikend en/of informatiepositie ontoereikend voor casusoverleg 4. Uitgereisd 5. In afwachting van strafzaak (detentie) 6. Overig/anders: … (toelichting) 4. Monitoringsplan o WIE monitort (bijv. de wijkagent) o WAT wordt gemonitord (bijv. gaat na wat betrokkene overdag doet) o WAAROM wordt er gemonitord (bijv. om betrokkene wel/niet te kunnen aanduiden als potentiële uitreiziger) o voor HOELANG wordt er gemonitord (bijv. welke periode wordt eraan gekoppeld?) o HOE wordt er teruggekoppeld? (bijv. over 3 maanden evaluatie in het casusoverleg, bij nieuwe signalen eerder)

46

Bijlage E: Standaardformat afsluitbrief Datum [datum] Onderwerp U wordt niet meer besproken in de persoonsgerichte aanpak radicalisering

Geachte heer/mevrouw [naam betrokkene], U ontvangt deze brief omdat wij u hierbij willen informeren dat u niet meer wordt besproken in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. De persoonsgerichte aanpak radicalisering In de afgelopen periode bent u opgenomen geweest in de persoonsgerichte aanpak radicalisering omdat er signalen waren die wezen op veiligheidsrisico’s vanuit ideologisch perspectief. U bent hiervan op de hoogte gesteld middels een notificatiebrief op [datum brief]. [Let op: dit geldt alleen als iemand genotificeerd is]. De gemeente [naam gemeente] en de betrokken samenwerkende organisaties toetsen met regelmaat of bespreking binnen de persoonsgerichte aanpak radicalisering nodig en of mogelijk is. Uit deze toetsing is gebleken dat dit voor u niet meer van toepassing is. [Vul hier de reden in van afschaling]. Om die reden zult u met ingang van de dagtekening van deze brief niet langer besproken worden. Dit betekent dat de uitwisseling van uw persoonsgegevens tussen de verschillende organisaties die u in het kader van de persoonsgerichte aanpak radicalisering hebben begeleid, daarmee eindigt. Deze persoonsgegevens zullen vijf jaar na de laatste verwerking worden verwijderd. Uw privacy en rechten Informatie over uw privacy rechten kunt u vinden op de website van het Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden (https://www.zorgenveiligheidshuishaaglanden.nl/).

Afsluitend gesprek Graag nodigen we u uit voor een afsluitend gesprek en beantwoorden we mogelijke vragen die u nog heeft. • Optie 1: afspraak op het stadskantoor. “Graag nodigen wij u op [datum] om [tijdstip] uit. Indien u niet aanwezig kunt zijn kunt u de afspraak wijzigen door te mailen naar [emailadres gemeente]”. • Optie 2: open afspraak. “U kunt een mail sturen naar [emailadres gemeente] om een afspraak in te plannen”. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend,

[Naam burgemeester desbetreffende gemeente] Burgemeester van [desbetreffende gemeente]

47

Bijlage F: Standaardformat aanvraag ontheffingen Sanctieregeling terrorisme 2007-II (te versturen per email naar sancties@minfin.nl) Geachte heer/mevrouw, Via deze weg willen wij, namens de gemeente [naam gemeente], ontheffingen aanvragen voor [naam betrokkene], die momenteel een bevriezingsmaatregel opgelegd heeft o.g.v. de Sanctieregeling terrorisme 2007-II. Het betreft een aanvraag voor de volgende ontheffing(en): - Een ontheffing voor [inhoud ontheffing]. Onderstaand vindt u de gegevens van betrokkene en de motivering voor de aanvraag van de ontheffing(en). Persoonsgegevens Naam: [Naam betrokkene] Geboortedatum: [Geboortedatum betrokkene] Woonplaats: [Naam gemeente] Situatie en motivering [Uitleg situatie betrokkene en motivering voor de aangevraagde ontheffing(en)] Samengevat - [Naam gemeente] verzoekt het ministerie van Financiën om een ontheffing te verlenen voor [inhoud ontheffing(en)]. Gegevens verstrekker/ontvanger Ontheffing [nummer]: Verstrekker: - [Naam verstrekker] - [Rekeningnummer verstrekker] - [Adres verstrekker] Ontvanger: - [Naam betrokkene] - [Rekeningnummer ontvanger] - [Adres ontvanger] Betrokken personen De volgende personen van de gemeente [naam gemeente] zijn betrokken bij deze aanvraag tot ontheffing(en).

Indien er vragen zijn, kunnen zij worden gecontacteerd: - [Naam, emailadres en telefoonnummer betrokken professional gemeente] Goed/afkeuring aanvraag tot ontheffing(en) De goed- dan wel afkeuring van de aangevraagde ontheffing(en) kan digitaal verstuurd worden naar [naam en e-mailadres betrokken professional(s) gemeente]. Wij hopen u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, [Naam betrokken professional gemeente] [Functietitel] en [naam gemeente] 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15556332/1