Bijlage 1 TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats (Bijlagen bij de motivering)
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de Motivering
3
Bijlage 1
Inventariserend archeologisch onderzoek tracebesluit
4
Bijlage 2
Deelonderzoek water tracébesluit
187
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats" (vastgesteld) 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats
Bijlagen bij de Motivering
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats" (vastgesteld) 3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats
Bijlage 1 Inventariserend archeologisch onderzoek tracebesluit
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Railinzetplaats" (vastgesteld) 4
notitie Railinfra Solutions Jutfaseweg 1 Postbus 24088 3502 MB Utrecht telefoon 030 283 39 00 fax 030 283 39 01 www.railinfrasolutions.nl
onderwerp project opdrachtgever projectcode referentie opgemaakt door goedgekeurd door status datum opmaak bijlagen
aan kopie
resultaten onderzoeken archeologie OTB PHS 4-sporigheid Rijswijk - Delft-Zuid ProRail RIS432-4-107 ir. A.H. Janssen paraaf Definitief 10 oktober 2013 ProRail Railinfra Solutions
Sander Pieck Thea van Hattum-Klumper Daisy van Kan
Beleid en wetgeving (zie hoofdstuk 3 van het MER deelrapport landschap, cultuurhistorie en archeologie) schrijft voor dat bij de planvorming van ingrepen die (mogelijk) effect hebben op de ondergrond, onderzoek moet worden uitgevoerd naar archeologische waarden. Verkenning noodzaak archeologisch onderzoek In het project PHS 4-sporigheid Rijswijk - Delft-zuid kunnen de volgende ingrepen effect hebben op archeologische waarden: - graven sloten aan beide zijden van de spoorbaan in de gemeente Rijswijk; - aanleg twee tunnelvarianten haaks op de spoorlijn, inclusief tijdelijke ontsluiting; - bouw keermuur ter hoogte van het DSM-terrein; - graven sloten en waterberging ten westen van de spoorbaan ten noorden van station Delft-zuid; - aanleg tunnel onder de spoorbaan; - graven sloten ten oosten van de spoorbaan ten zuiden van station Delft-Zuid. Gezien voornoemde ingrepen is ten behoeve van het MER PHS 4-sporigheid Rijswijk Delft-Zuid een verkenning uitgevoerd naar de kans op het aantreffen van archeologie tijdens de uitvoering. Deze verkenning is uitgevoerd aan de hand van beschikbare informatie. Het betreft de volgende bronnen: - bestaande onderzoeken die uitgevoerd zijn in de directe omgeving van het plangebied: Cultuurhistorische Verkenning Rijswijk Zuid, 3 juli 2010, gemeente Rijswijk; Epko J.
Bult, Bureauonderzoek naar archeologische waarden - Archeologie binnen Spoorzone Delft - Deel I, In: DAR 21, februari 2011; Epko J. Bult & Jasper de Bruin, Plangebied Station Delft Zuid (gemeente Delft), Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek, In: Delftse Archeologische Rapporten nr. 49, juli 2005; - een archeologische quick-scan van de gemeente Rijswijk;
-
waardenkaarten van de gemeente Delft en de provincie: http://chs.zuid-holland.nl, geraadpleegd op 1 augustus 2012; Gemeente Delft. Archeologische beleidskaart. Maart 2012.
Uit deze verkenning is gebleken dat bij vrijwel alle ingrepen die plaats vinden in niet eerder geroerde grond rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Op de locaties waar deze ingrepen zijn voorzien is daarom in september en oktober 2013 door RAAP een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. Resultaten inventariserend veldonderzoek, verkennende fase Gezien de resultaten van het voorafgaande bureauonderzoek worden op meerdere niveaus onder het maaiveld archeologische sporen verwacht. Gezien de geologische opbouw van het gebied is daarom geboord tot maximaal 5,75 m onder maaiveld (6,4 m -NAP). Het huidig grondgebruik in de deelgebieden is zeer divers: spoorberm, bedrijventerreinen, volkstuincomplexen, park, overige bebouwing en verharding. Tevens zijn in het plangebied parallel aan de spoorbaan en ’t Haantje veel kabels en leidingen aanwezig, waaronder een gasleiding. Het primaire doel van het verkennend veldonderzoek was dan ook om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied en daarbij de mate van eventuele verstoringen. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied in totaal 122 boringen verricht, waarvan 91 in deelgebied Noord (ten noorden van de spoortunnel) en 31 in deelgebied Zuid (ten zuiden van de spoortunnel).
Door het ontbreken van toestemming, de aanwezigheid van struikgewas, leidingen of andere verstoringen en obstakels, kon in delen van het plangebied niet geboord worden. Voor de volledigheid van het onderzoek moeten deze delen alsnog onderzocht worden, zie daartoe ook de aanbevelingen hierna. Op basis van het door RAAP uitgevoerde onderzoek heeft RAAP een aantal aanbevelingen gedaan. Hoewel de rapportage nog moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag (Ministerie I&M met als adviseurs de RCE, gemeente Delft en gemeente Rijswijk), is de verwachting dat de aanbevelingen niet wezenlijk veranderen. Het betreft de volgende aanbevelingen per ingreep. Sloten aan weerskanten van de spoorbaan in Rijswijk In het Wilhelminapark zijn direct onder de bouwvoor aanwijzingen aangetroffen voor een vindplaats uit de Romeinse tijd. Waarschijnlijk strekt de vindplaats zich uit ten oosten van de spoorbaan. Gezien de ondiepe ligging van de vindplaats zal dit niveau bij de geplande werkzaamheden verstoord worden. Geadviseerd wordt om hier vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) karterende/waarderende fase, bestaande uit proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek moet vooraf worden gegaan door een archeologisch PvE.
Noordelijke tunnelvariant met tijdelijke ontsluitingsweg Voor het archeologische niveau dat zich ten westen van de spoorbaan direct onder de recente bouwvoor met eventuele ophogingslagen bevindt, is geen verder onderzoek nodig. Het archeologische niveau is daar niet meer intact aanwezig. Met betrekking tot het archeologische niveau dat zich enkele meters onder maaiveld bevindt zijn verwachtingen niet te onderbouwen met handmatige boringen. Aangezien bij de aanleg van de tunnel deze diepere laag wel wordt vergraven, wordt aanbevolen het verkennend booronderzoek aan te vullen met mechanische booronderzoek gericht op het landschap van de Oude Duinen.
2
Railinfra Solutions, RIS432-4-107/ ongecontroleerd d.d. 10 oktober 2013, aan ongecontroleerde niet goedgekeurde documenten kunnen geen rechten worden ontleend, resultaten onderzoeken archeologie
Ten oosten van de spoorbaan (ter hoogte van de kassen) is de archeologisch relevante laag in lichte mate verstoord. Hier kunnen resten van sporen nog wel worden verwacht. Geadviseerd wordt om hier vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) karterende/waarderende fase, bestaande uit proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek moet vooraf worden gegaan door een archeologisch PvE. Zuidelijke tunnelvariant Het merendeel van de boringen ter hoogte van de zuidelijke tunnelvariant is gestuit in de opgebrachte laag, waardoor geen goed inzicht is verkregen in de bodemopbouw. In de diepere ondergrond, die wordt vergraven voor de aanleg van de tunnel, kunnen nog Oude Duinen aanwezig zijn. Ter hoogte van de zuidelijke tunnelvariant wordt aanbevolen alsnog het verkennend booronderzoek uit te voeren gericht op de Oude Duinen, bij voorkeur door middel van mechanisch booronderzoek. Keermuur ter hoogte van DSM-terrein aan westzijde spoorbaan Vanwege het ontbreken van betredingstoestemming heeft hier geen onderzoek plaats kunnen vinden en dient in een later stadium alsnog het booronderzoek uitgevoerd te worden. Sloot ten oosten van de spoorbaan ten zuiden van station Delft-zuid Op deze locatie heeft geen onderzoek plaats kunnen vinden in verband met ondoordringbare begroeiing.
Hier dient in een later stadium alsnog het booronderzoek uitgevoerd te worden. Tunnel bij station Delft-zuid en sloten en waterberging ten westen van spoorbaan bij station Delft-zuid Ten aanzien van deze zones wordt gezien het ontbreken van een potentieel archeologisch niveau en archeologische indicatoren geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Advies vervolgproces Conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) wordt geadviseerd eerst de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek af te ronden door middel van het zetten van voornoemde mechanische boringen. Indien mogelijk dienen tegelijkertijd ook de niet onderzochte gebied ten zuiden van station Delft-zuid en bij het DSM terrein onderzocht te worden. In overleg met het bevoegd gezag en de terreineigenaren kan na deze aanvullende onderzoeken gestart worden met het proefsleuvenonderzoek. Om risico’s in tijd en geld voor de uitvoering te beperken, wordt geadviseerd voornoemde onderzoeken zo spoedig mogelijk uit te voeren. Indien uit deze onderzoeken aanbevelingen volgen voor een opgraving, kan dat onderzoek direct voorafgaand aan de uitvoering plaats vinden. Ook dient rekening te worden gehouden met het uitvoeren van de werkzaamheden onder archeologische begeleiding, indien een opgraving geen optie is.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. In overleg met het bevoegd gezag wordt dan een eventuele onderzoeksaanpak bepaald.
Railinfra Solutions, RIS432-4-107/ ongecontroleerd d.d. 10 oktober 2013, aan ongecontroleerde niet goedgekeurde documenten kunnen geen rechten worden ontleend, resultaten onderzoeken archeologie
3
RAAP-RAPPORT *nummer*
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid Gemeenten Rijswijk en Delft Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Versie 6.7
Colofon Opdrachtgever: Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs bureau B.V. Titel: Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase) Status: 2e concept Datum: 13 november 2014 Auteur: drs. K. Wink Projectcode: RWDZ & RWDZ2 Bestandsnaam: RA*nummer*_RWDZ Projectleider: drs. K. Wink Projectmedewerkers: drs. C.F.H. Coppens, drs. J.H.M. van Eijk, drs. E. van der Laan, J. Sprangers MSc, W.B. Verschoof MA & dhr. F.J. van der Wal ARCHIS-vondstmeldingsnummers: 422944 ARCHIS-waarnemingsnummers: nog niet bekend ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummers: 55210, 55212 Bewaarplaats documentatie: RAAP West-Nederland Autorisatie: drs. B. Jansen Bevoegd gezag: gemeente Rijswijk (deelgebied Noord) en gemeente Delft (deelgebieden Noord en Zuid)
ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b
telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
telefax: 0294-491 519
Postbus 5069
E-mail: raap@raap.nl
1380 GB Weesp
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2014 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Versie 6.7
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Samenvatting In opdracht van Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs bureau B.V. namens ProRail heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in september en oktober 2013 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het kader van de MER-studie voor het plangebied PHS 4-sporigheid (km 66,7-68,1 en km 70,5-72,1) in de gemeenten Rijswijk en Delft. Een deel van het verkennend booronderzoek heeft plaatsgevonden in november 2014. Doel van dit onderzoek was allereerst het middels bureauonderzoek verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek was vervolgens die verwachting te toetsen en, voor zover mogelijk, een eerste indruk te geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische vindplaatsen. Primair was het veldwerk gericht op het bepalen van de intactheid van de bodemopbouw ter plaatse van de (varianten van) beoogde ingrepen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied is vervolgens een advies met betrekking tot archeologisch vervolgonderzoek geformuleerd.
Het plangebied is in ruimtelijke zin onderverdeeld in twee deelgebieden: deelgebied Noord (km 66,7-68,1) ligt in de gemeenten Rijswijk en Delft; deelgebied Zuid ligt in de gemeente Delft (km 70,5-72,1). Binnen deze deelgebieden zijn verschillende werkzaamheden gepland. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor het gehele plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van waardevolle (intacte) archeologische overblijfselen uit de Romeinse tijd op de (gerijpte top) van de Gantelafzettingen. Tevens gold voor deelgebied Noord een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden uit het (Midden) Neolithicum indien ondergrond afzettingen van Oude Duinen aanwezig waren. Ter hoogte van het deelgebied Noord waren voorafgaand aan het onderzoek archeologische vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend. Tijdens het veldonderzoek zijn in beide deelgebieden de verwachte Gantelafzettingen aangetroffen. Hoewel niet het doel van het verkennend veldonderzoek is hierin in het noorden van het deelgebied Noord één archeologische vindplaats/zone aangetroffen. In 3 boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in de top van de Gantelafzettingen (tussen ca. 50 en 65 cm Mv).
Deze vindplaats is zeer waarschijnlijk gerelateerd aan een bekend nederzettingsterrein uit de Romeinse tijd in de directe omgeving van het deelgebied. Uit het booronderzoek blijkt dat deze vindplaats aan beide kanten van de spoorbaan (intact) aanwezig is. De gaafheid en conservering van de vindplaats lijken goed te zijn. Het diepere landschap met mogelijk Oude Duinen kon in deelgebied Noord alleen ter hoogte van de noordelijke tunnelvariant verkend worden. Hier is vanaf circa 4,90 m -NAP onder de geulafzettingen van de Gantel een laag Hollandveen op wadafzettingen aangetroffen. Aanwijzingen voor duinen zijn hier niet gevonden.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[3 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Op enkele locaties in het plangebied kon het booronderzoek niet worden uitgevoerd: bij het DSM-terrein in het zuiden van deelgebied Noord vanwege het ontbreken van betredingstoestemming en in het zuiden van deelgebied Zuid vanwege ondoordringbaar struikgewas. Gezien de onderzoeksresultaten en de voorgenomen ingrepen in het plangebied is geconcludeerd dat bij de uitvoering hiervan in delen van het plangebied met zekerheid archeologische waarden zullen worden verstoord. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek in combinatie met de voorgenomen werkzaamheden worden per deelgebied de volgende aanbevelingen met betrekking tot vervolgonderzoek gedaan (zie hoofdstuk 4): Deelgebied Noord - nieuwe sloot km 66,7- 67,6 (Wilhelminapark tot aan Haantje/Kastanjewetering) aan weerskanten van de spoorbaan: In deze zone is de veelal gerijpte top van de Gantelafzettingen aanwezig tussen 0,5 en 1,0 m Mv. In het Wilhelminapark zijn direct onder de bouwvoor aanwijzingen voor een vindplaats uit de Romeinse tijd aangetroffen. Dit komt overeen met de archeologische verwachting. De vindplaats betreft waarschijnlijk een nederzetting en het gebied rondom zal in gebruik zijn geweest als agrarisch gebied. Waarschijnlijk strekt de vindplaats zich uit ten oosten van de spoorbaan.
Rondom de vermoedelijke nederzetting worden in top van de Gantelafzettingen overige sporen van de inrichting van het landschap uit de Romeinse tijd verwacht die doorgaans niet met een booronderzoek zijn op te sporen. Gezien de ondiepe ligging van de vindplaats en de top van de Gantelafzettingen zal dit niveau bij de geplande werkzaamheden verstoord worden. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) karterende/waarderende fase, bestaande uit proefsleuvenonderzoek. Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) behoort conform de KNA versie 3.3 plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek te worden opgesteld door een senior-archeoloog. Met betrekking tot het dieper gelegen landschap met eventuele Oude Duinen kan op basis van dit verkennend booronderzoek voor deze zone geen uitspraak worden gedaan. Indien hier werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 3 m -Mv (bijvoorbeeld in het kader van de spoorverdubbeling) wordt aanbevolen een verkennend booronderzoek (bij voorkeur mechanische boringen) te laten plaatsvinden gericht op het landschap van de Oude Duinen. Bij de uitvoering van dergelijk onderzoek dient rekening gehouden te worden met de toegankelijkheid van dit deel van het plangebied (volkstuinen, park).
- Noordelijke tunnelvariant: (met tijdelijke ontsluitingsweg, tussen km 67,4 en 67,5): Ten westen van de spoorbaan (bedrijventerrein A.H. Vrij) is de top van de Gantelafzettingen niet meer intact aanwezig. Met betrekking tot het dieper gelegen landschap met eventuele Oude Duinen kon op basis van het handmatig verkennend booronderzoek geen eenduidige uitspraak worden gedaan. Het aanvullend mechanisch booronderzoek heeft aangetoond dat er geen sprake is van Oude Duinen. Voor het westelijk deel van de noordelijke tunnelvariant wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[4 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Ten oosten van de spoorbaan (ter hoogte van de kassen) is de top van de Gantel onder de bouwvoor in lichte mate verstoord. Een eventuele vondstlaag zal mogelijk niet meer aanwezig zijn, maar resten van sporen kunnen nog wel worden verwacht. Deze zijn met een booronderzoek in de regel niet op te sporen. Gezien de ondiepe ligging van de vindplaats en de top van de Gantelafzettingen zal dit niveau bij de geplande werkzaamheden verstoord worden. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) karterende/waarderende fase, bestaande uit proefsleuvenonderzoek. Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) behoort conform de KNA versie 3.3 plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek te worden opgesteld door een senior-archeoloog. - Zuidelijke tunnelvariant (tussen km 67,6 en 67,7 ter hoogte van de weg Haantje parallel aan de Kastanjewetering): Gedurende het veldwerk is door de opdrachtgever aangegeven dat de zuidelijke tunnelvariant is komen te vervallen. Desalniettemin is op basis van het verkennend veldonderzoek een advies ten aanzien van vervolgonderzoek geformuleerd: Langs ’t Haantje is de ondergrond verstoord tot minimaal 1,0 m -Mv.
Hierdoor is de top van de Gantelafzettingen zeer waarschijnlijk niet meer aanwezig en is hiervoor geen archeologische verwachting meer. Ten aanzien van dit niveau wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het merendeel van de boringen ter hoogte van de zuidelijke tunnelvariant is gestuit in de opgebrachte laag, waardoor in deze fase geen goed inzicht is verkregen in de (diepere) bodemopbouw. In de diepere ondergrond kunnen nog Oude Duinen aanwezig zijn. Indien de zuidelijke tunnelvariant weer wordt betrokken in de planvorming wordt aanbevolen aanvullend verkennend booronderzoek uit te voeren gericht op de Oude Duinen, bij voorkeur door middel van mechanisch booronderzoek. - Keermuur ter hoogte van DSM-terrein westzijde spoorbaan (vanaf Kastanjewetering km 67,7 tot km 68,1): Vanwege het ontbreken van betredingstoestemming heeft hier geen onderzoek plaats kunnen vinden en dient in het kader van eventuele bodemingrepen in een later stadium alsnog het booronderzoek uitgevoerd te worden.
Deelgebied Zuid - nieuwe sloot met damwand ten westen van spoorbaan (tussen km 70,8 - 71,15); - nieuwe sloot ten westen spoorbaan (tussen km 71,5 en 71,6); - waterberging ten westen van spoorbaan (tussen km 71,15 en 71,2); - nieuwe sloot ten oosten spoorbaan (tussen km 71,55 en 72,05 (meerdere varianten) en tussen km 71,2 en 71,3): Ten aanzien van deze zones wordt gezien het ontbreken van een potentieel archeologisch niveau en archeologische indicatoren geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[5 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in de delen van het plangebied waarvoor geen vervolgonderzoek is geadviseerd onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Met betrekking tot de bevindingen van dit bureau- en inventariserend veldonderzoek dient contact opgenomen te worden met de gemeenten Rijswijk en Delft.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[6 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Inhoudsopgave Samenvatting .......................................................................................................................... 3 Inhoudsopgave ........................................................................................................................ 7 1
2
3
4
Inleiding ............................................................................................................................. 8 1.1
Kader ..................................................................................................................................... 8
1.2
Administratieve gegevens ........................................................................................................ 8
1.3
Huidige situatie ....................................................................................................................... 8
1.4
Toekomstige situatie ............................................................................................................... 9
1.5
Onderzoeksopzet en richtlijnen .............................................................................................. 10
Bureauonderzoek ............................................................................................................. 12 2.1
Methoden ............................................................................................................................. 12
2.2
Aardkundige situatie ............................................................................................................. 12
2.3
Bewoning in relatie tot het paleolandschap ............................................................................. 15
2.3
Bekende archeologische waarden .......................................................................................... 17
2.4
Gespecificeerde archeologische verwachting ......................................................................... 18
Veldonderzoek ................................................................................................................. 20 3.1
Methoden ............................................................................................................................. 20
3.2
Resultaten ............................................................................................................................ 21
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................ 26 4.1
Conclusies ............................................................................................................................ 26
4.2
Aanbevelingen ...................................................................................................................... 27
Literatuur .............................................................................................................................. 30 Gebruikte afkortingen ............................................................................................................ 32 Verklarende woordenlijst........................................................................................................ 33 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................. 35 Bijlage 1. Boorbeschrijvingen ................................................................................................. 36
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[7 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
1 Inleiding 1.1 Kader In opdracht van Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs bureau B.V. heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in september/oktober 2013 en november 2014 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het kader van de MER-studie voor het project PHS 4sporigheid Rijswijk - Delft Zuid in de gemeenten Delft en Rijswijk. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 4 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek.
1.2 Administratieve gegevens Het plangebied (ca. 3,6 km) ligt in de gemeenten Rijswijk en Delft. In ruimtelijke zin is het plangebied opgedeeld in twee deelgebieden: deelgebied Noord betreft de delen ten noordwesten en zuidoosten van de weg Haantje, waarbij de Kastanjewetering de grens tussen de gemeente Rijswijk en gemeente Delft vormt (figuur 1). Deelgebied Zuid betreft de zone in de gemeente Delft ter hoogte van station Delft Zuid (figuur 2). Het gebied staat afgebeeld op kaartblad 37E van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). Plaats: Rijswijk en Delft Gemeente: Rijswijk en Delft Provincie: Zuid-Holland Plangebied: Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk–Delft Zuid Centrumcoördinaten: noord 83.215 / 448.738; zuid 84.815 / 445.084 ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummers: noord 55210; zuid 55212
1.3 Huidige situatie Op recente topografische kaarten 1:25.000 is het huidig grondgebruik in de deelgebieden zeer divers en varieert van spoorbermen met sloten, bedrijventerreinen, kassen, volkstuincomplexen, park tot overige bebouwing en verharding (figuur 1). Recente luchtfoto's uit Google Earth bevestigen dit grondgebruik. Volgens de geraadpleegde topografische kaart ligt de huidige maaiveldhoogte in het deelgebied Noord ongeveer tussen 0,8 m +NAP en 0,8 m -NAP. Vanwege de lig-
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[8 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
ging in bebouwd gebied is de maaiveldhoogte in deelgebied Zuid niet aangegeven. Volgens de KLIC-melding bevinden zich in het plangebied meerdere kabels en leidingen, met name parallel aan de spoorlijn en parallel aan ’t Haantje (mijn.kadaster.nl).
1.4 Toekomstige situatie Railinfra Solutions voert voor ProRail diverse werkzaamheden uit in het project PHS 4-sporigheid Rijswijk - Delft Zuid. Dit project voorziet in het verdubbelen van het aantal sporen tussen Rijswijk Zuid en Delft Zuid, buiten de nieuwe spoortunnel (km 66,7-68,1 en km 70,5-72,1; bron: Inpassingsontwerp t.b.v. MER-studie en situatietekeningen t.b.v. grondwerk aangeleverg door DHV, Bethem Crouwel en Railinfra Solutions). In het kader van de beoogde verbreding van het spoor zullen naast het verdubbelen van de spoorlijn verschillende werkzaamheden plaatsvinden. Werkzaamheden (zoals ontgravingen en heien) die betrekking hebben op de daadwerkelijke verdubbeling van de spoorlijn behoren niet tot onderhavig onderzoek. Werkzaamheden Deelgebied Noord (kilometrering conform ontwerptekeningen): - nieuwe sloot km 66,7- 67,6 (Wilhelminapark tot aan Haantje/Kastanjewetering, Rijswijk) weerskanten van de spoorbaan: De graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwe sloten reiken tot circa 1,7 m -NAP; - twee tunnelvarianten haaks op spoorbaan (Rijswijk): noordelijke tunnelvariant met tijdelijke ontsluitingsweg tussen km 67,4 en 67,5; zuidelijke tunnelvariant tussen km 67,6 en 67,7 ter hoogte van de weg Haantje parallel aan de Kastanjewetering. Ontgraving tot circa 4,7 m -NAP.
Gedurende het onderzoek is door de opdrachtgever aangegeven dat de zuidelijke tunnelvariant vervalt; - keermuur ter hoogte van DSM-terrein westzijde spoorbaan (Delft): vanaf Kastanjewetering km 67,7 tot km 68,1. Werkzaamheden Deelgebied Zuid, Delft (kilometrering conform ontwerptekeningen): - nieuwe sloot met damwand ten westen van spoorbaan km 70,8 - 71,15; - nieuwe sloot ten westen spoorbaan tussen km 71,5 en 71,6; - nieuwe sloot ten oosten spoorbaan tussen km 71,55 en 72,05 (meerdere varianten) en tussen km 71,2 en 71,3; - waterberging ten westen van spoorbaan, met een oppervlakte van ca. 825 m2 tussen km 71,15 en 71,2. De graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwe sloten reiken tot circa 1,7 tot 2 m -NAP. Aan het maaiveld worden de sloten ongeveer 6 tot 7 m breed met een glooiende rand (helling 1:2).
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[9 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
1.5 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek. Het veldonderzoek bestond uit een verkennend (en deels karterend) booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2 en versie 3.3 voor het veldwerk na april 2014), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtlijn. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde geologische en archeologische perioden. Achter in dit rapport is een lijst met gebruikte afkortingen opgenomen en worden enkele vaktermen beschreven (zie verklarende woordenlijst).
Onderzoeksvragen - Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn reeds over het plangebied bekend? - Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? - Op welke diepte bevinden zich de archeologisch interessante lagen? - Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig die (mogelijk) bedreigd worden door de geplande inrichting? - Indien vindplaatsen worden aangetroffen: wat is de diepteligging, dikte en stratigrafische positie van de archeologische laag waarin de archeologische indicatoren zijn aangetroffen? - Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig intact dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is? - Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan? - Is in het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet?
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 0 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Geologische perioden Tijdvak
Chronozone
Archeologische perioden Datering
Datering
Tijdperk
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C) Laat Subatlanticum
Nieuwe tijd
B
- 1650
A
- 1500
Laat - 1150 na Chr.
Vol
Merovingisch laat
Laat
Romeinse tijd
Holoceen
Karolingisch Merovingisch vroeg
Vroeg Subatlanticum
Midden Vroeg
-0
Laat
IJzertijd
- 450 voor Chr.
Midden Vroeg Laat
Bronstijd
Subboreaal
Midden Vroeg Laat
Neolithicum
- 3700
(N ieu we Steen ti jd)
Laat
- 7300
Boreaal
Allerød Vroege Dryas
Laat
Vroegste Dryas
Midden
Denekamp
(M id den Stee n tijd)
Midden Vroeg
- 9700
- 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700
- 11.050 - 11.500
Laat
- 12.000
- 12.500
Jong B
- 12.500 - 13.500
- 30.500
Prehistorie
Laat Glaciaal
Late Dryas
Bølling
- 16.000
Jong A - 35.000
Hengelo - 60.000
Vroeg
Weichselien Pleniglaciaal
Mesolithicum
- 8700
Preboreaal
Moershoofd
Paleolithicum - 71.000
Vroeg Glaciaal
Pleistoceen
Midden Vroeg
Atlanticum
- 1250 - 1050
Ottoons
Vroeg
Middeleeuwen
- 1795
(O u de Steen tijd)
Odderade Midden Brørup - 114.000
Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien
- 126.000 - 236.000 - 241.000
- 250.000
- 322.000 - 336.000
Oud
- 384.000 - 416.000
Elsterien 463.000
tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010
Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 1 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden Het bureauonderzoek is uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Daartoe zijn reeds bekende archeologische en aardkundige gegevens verzameld en is het grondgebruik in het plangebied in het heden en verleden geïnventariseerd. Geraadpleegd zijn onder meer de volgende bronnen: - het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS); - de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); - de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); - de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk (Vos e.a., 2007); - de gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaarten; - literatuur en historisch en aardkundig kaartmateriaal (zie literatuurlijst); - Jacob van Deventer, derde kwart 16e eeuw, (Van der Krogt, 1992); - Kruikius, 1712 (Canaletto, 1977); - kadastrale minuut, 1819 en 1824 (www.watwaswaar.nl); - overige historische kaarten (Robas Producties, 1989; www.watwaswaar.nl); - de recente topografische kaart 1:25.000; - recente luchtfoto's uit Google Earth (http:/www.earth.google.com); - het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); - het informatiesysteem Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO); - molendatabase; - de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland.
2.2 Aardkundige situatie Landschappelijke ontwikkeling Op grote diepte in de ondergrond van het plangebied (ca. 18 m -NAP) bevindt zich het pleistocene oppervlak. Vanwege deze diepteligging valt dit niveau buiten het bereik van het huidige onderzoek. De voor het bepalen van de archeologische verwachting relevante holocene ontwikkeling van het plangebied hangt sterk samen met de ligging ervan ten opzichte van de maasmonding. Het begin van het Holoceen, zo’n 10.000 jaar geleden, kenmerkt zich door de stijging van de temperatuur. Als gevolg van deze klimaatverbetering begon het landijs te smelten waardoor een stijging van de zeespiegel plaatsvond. De ligging van de Nederlandse kust is na de laatste ijstijd (ca. 10.000 jaar geleden) als gevolg van de relatieve zeespiegelstijging voortdurend in beweging geweest. De kustlijn van Nederland verschoof met de relatieve zeespiegelstijging steeds verder in oostelijke richting. De toenmalige kust bestond voornamelijk uit zandige wadplaten waartussen een groot aantal west-oost georiënteerde geulen lag. Landinwaarts gingen de zandige platen
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 2 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
over in lagunes waarin klei werd afgezet. Deze klei wordt lithostratigrafisch gerekend tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; voorheen Afzettingen van Calais). Rond 4100 voor Chr. kwam er verandering in deze situatie. Op de zandige wadplaten ontstonden, parallel aan de kustlijn, de eerste strandwallen. Als gevolg van de grote zandaanvoer bouwde dit strandwallensysteem zich verder uit in westelijke richting. De jongere en hogere strandwallen liggen daardoor aan de zeezijde. Door verstuiving van de drooggevallen strandwallen ontstonden hierop lage duinen, de zogenaamde Oude Duinen (Laagpakket van Schoorl, Formatie van Naaldwijk). Tussen de strandwallen en duinen bevinden zich lager gelegen delen, de zogenaamde strandvlaktes. Door gaten in de kustlijn werden in deze strandvlaktes zand en klei afgezet door de zee. Achter de door strandwallen gesloten kust kon zich veen vormen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). Via enkele openingen in de kustbarrière (de zeegaten) kon de zee nog in het achterland doordringen. Ook deze mariene getijdenafzettingen maken onderdeel uit van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer, en bestaan uit wadafzettingen die zijn overgroeid met veen (Berendsen, 2004).
Lokaal in de strandvlakten tussen de strandwallen zijn eveneens relatief kleine duinen gevormd die liggen op de strandzanden en/of op de mariene getijdenafzettingen. Van de oudste holocene kustlijn is door latere kustontwikkelingen slechts een klein deel bewaard gebleven. De restanten van deze kustlijn bevinden zich in een zone die zich uitstrekt van de gemeente Westland, Rijswijk tot in Leidschendam (Vos e.a., 2007). Van het plangebied ligt het deelgebied Noord ter hoogte van deze oude kustlijn, terwijl het deelgebied Zuid meer ten oosten hiervan ligt. Vanaf circa 1500 voor Chr. nam de mariene invloed in het achterland toe. Tussen circa 1500 en 300 voor Chr. drong de zee vanuit de brede Maasmonding ver het land binnen en er vormden zich stelsels van getijdengeulen zoals de Gantel, die is ontstaan gedurende de IJzertijd, rond 500-200 voor Chr. De afzettingen van de Gantel worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; voorheen Afzettingen van Duinkerke). De oorsprong van het Gantelsysteem ligt tussen Naaldwijk en Monster en de geul loopt in noordoostelijke richting naar Wateringen. Daar buigt het systeem met een flauwe bocht af naar het zuidoosten in de richting van Delft (figuur 3). Vanuit de hoofdgeul(en) van de Gantel zijn verschillende zijgeulen gevormd.
Uit recent onderzoek is gebleken dat er geen sprake was van één hoofdgeul van de Gantel, maar dat het systeem bestond uit meerdere smalle geulen, die mogelijk deels tegelijkertijd actief zijn geweest (zie o.a. Bult & De Bruin, 2005; Coppens & Koot, 2010). Langs deze geultjes zijn lage oeverwallen ontstaan die in de Romeinse tijd geschikt waren voor bewoning. Rond het begin van de jaartelling werd het geulsysteem inactief en vond verlanding plaats. De zandige kreekgeulen kwamen door differentiële klink hoger te liggen ten opzichte van het kleidek daaromheen. Dergelijke kreekruggen vormden vervolgens geschikte bewoningslocaties. Het merendeel van de geulen van het Gantelsysteem lijkt de top van het Hollandveen weliswaar in enige mate te hebben aangetast, maar niet overal volledig geërodeerd te hebben (zie o.a. Kruidhof e.a. 2006; Vos e.a., 2007; Coppens & Koot, 2010). Binnen de zone van de hoofdgeul(en) is door insnijding het veen niet meer aanwezig. Als gevolg van de druk van het vaak metersdikke pakket Gantelafzettingen is het Hollandveen op veel plaatsen sterk samengeperst tot een laag van enkele decimeters.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 3 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
In de nieuwe stratigrafische indeling van Nederland is het onderscheid tussen de verschillende niveaus binnen het Laagpakket van Walcheren (voorheen Duinkerke-afzettingen) verdwenen (De Mulder e.a., 2003). Op basis van regionale kennis en variatie op laagniveau zijn binnen de formaties en/of laagpakketten regionale benamingen geformuleerd. Een voorbeeld hiervan is de Gantel Laag om de getijdenafzettingen binnen het Laagpakket van Walcheren aan te duiden. Ook de Laag van Voorburg en Laag van Ypenburg binnen het Laagpakket van Schoorl betreffen regionale onderverdelingen voor de Oude Duinen. Deze regionale laagindeling wordt gehanteerd op de nieuwe geologische kaart van Den Haag en Rijswijk (Vos e.a., 2007), maar betreft geen formele naamgeving. In het kader van onderhavig onderzoek wordt de regionale benaming van de Gantel Laag gehanteerd voor de getijdenafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. DINO-boringen Op basis van gegevens van NITG-boringen uit het Dinoloket kan een globale indruk van de geologische opbouw van het plangebied worden verkregen. De boorbeschrijvingen zijn veelal echter dusdanig basaal dat een gedetailleerde lithogenetische interpretatie niet mogelijk is.
Ter hoogte van het Wilhelminapark kan uit twee NITG-boringen (B37E3262 en B37E3263) de verwachte diepte van het Hollandveen worden afgeleid: rond 3,60 m -Mv (4,50 m -NAP) is een 20 cm dikke veenlaag aanwezig. Onder het veen bevindt zich in deze boringen een kleipakket met een dikte van 40 tot 90 cm dat overgaat in een zandpakket. De aard van dit zandpakket (wadafzettingen of Oude Duin-/Strandzanden) is op basis van de boorbeschrijvingen echter niet te achterhalen. In NITG-boringen direct ten zuiden van de Kastanjewetering (ter hoogte van het DSM-terrein in deelgebied Noord) is vrij constant een veenlaag aanwezig eveneens vanaf gemiddeld 3,70 m -Mv (3,40 m -NAP) en dieper. De boringen hebben echter een onderlinge afstand van ongeveer 50 m, dus hiertussen kan de aanwezigheid van duinen niet worden uitgesloten. Opbouw deelgebied Noord Deelgebied Noord ligt volgens de Nieuwe Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk (Vos e.a., 2007) direct ten noordoosten van het zuidoostelijk uiteinde van de hoofdgeul(en). In het deelgebied is de ondergrond naar verwachting opgebouwd uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen (restant) op mariene getijdenafzettingen (wadafzettingen) van het Laagpakket van Wormer (figuur 3; Vos e.a., 2007: code 1). De top van de wadafzettingen ligt dieper dan 5 m -NAP.
Met name in het Rijswijkse deel van deelgebied Noord bevinden zich tevens geulafzettingen (getijdenkreken) van de Gantel Laag, die zich beperkt hebben ingesneden (Vos e.a., 2007: code 1 met arcering). In het deelgebied zijn volgens de Geologische kaart geen Oude Duinen aanwezig. Recent onderzoek laat echter zien dat deze wel degelijk aanwezig kunnen zijn in de diepere ondergrond en een relatief kleine omvang kunnen hebben. Circa 1200 m ten westen van deelgebied Noord is Oud Duinzand aangetroffen tijdens archeologisch booronderzoek in het plangebied Zwethzone, Sion. Vanaf een diepte van circa 3,5 m -NAP is een duinlichaam aangetroffen (waarschijnlijk de oostflank ervan) deels met intacte podzolbodem (Coppens & Koot, 2010). Hierop is een vindplaats uit het Neolithicum aanwezig.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 4 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Opbouw deelgebied Zuid Dit deelgebied ligt op grotere afstand van de hoofdgeulen van de Gantel volgens Vos e.a. (2007). Volgens de archeologische (beleids)kaart van de gemeente Delft zijn ter hoogte van deelgebied Zuid wel degelijk getijdengeulen van het Gantelsysteem aanwezig die meerdere actieve fasen kenden (zie ook Bult, 2011). Op basis van de geologische gegevens uit Bult (2011) zullen de getijdenafzettingen in deelgebied Zuid hoofdzakelijk bestaan uit een dun kleidek, afgezet vanuit getijdenkreken, op veen. In de vroegste fase van de Gantel is voornamelijk zand afgezet op het veen. Hierin zijn in een latere fase nieuwe geulen ingesneden met een kleiige opvulling. De top van de wadafzettingen onder de bovenste veenlaag wordt verwacht rond 5 m -NAP. In deze wadafzettingen kunnen veenlagen geschakeld zijn. In zuidelijke richting neemt de invloed van de Gantel en daarmee de dikte van de bijbehorende afzettingen af. In de ondergrond van deelgebied Zuid worden op basis van de landschappelijke ontwikkeling geen Oude Duinen verwacht.
2.3 Bewoning in relatie tot het paleolandschap In de omgeving van het plangebied is de oudste bewoning aangetroffen op strandwallen met duinen die in de diepere ondergrond liggen en dateert uit het Midden Neolithicum. Vindplaatsen uit deze periode zijn aangetroffen op de Oude Duinen in Ypenburg, de Harnaschpolder en de Plaspoelpolder (o.a. Deunhouwer, 2001; 2002). Op een laag duin(complex) gelegen in de toenmalige strandvlakte in de Harnaschpolder (Schipluiden) is een nederzetting aangetroffen met enkele begravingen (Louwe Kooijmans & Jongste, 2006). De bewoners van het duin leefden van een combinatie van jagen en verzamelen en landbouw. Door de bewoning (in meerdere fasen) ontstonden langs de flanken van het duin naar de nattere moerasgebieden kenmerkende afvallagen (colluvium) met daarin archeologische resten zoals scherven, (on)verbrand bot, vuursteen e.d. De top van het duinlichaam zelf bleek deels geërodeerd door de Gantel waarvan de erosiebasis rond 3,7 m -NAP lag. Ook in het tracé van de Rijksweg A4 zijn op meerdere locaties aanwijzingen voor Neolithische bewoning op duinen aangetroffen. In Ypenburg zijn de restanten van een grafveld bij een nederzetting gevonden (Koot e.a., 2008). In principe kunnen in het kustgebied op hoog opgeslibde delen van het waddengebied ook bewoningssporen uit het Laat Neolithicum aanwezig zijn.
Ter hoogte van het plangebied zijn hier tot op heden geen aanwijzingen voor. Door de verplaatsing van de kustlijn in westelijk richting en het sluiten van de kust door de vorming van een vrijwel aaneengesloten strook met strandwallen en duinen raakte het achterliggende land afgesloten van de zee. Hierdoor vernatte het landschap en kon een dik veenpakket ontwikkelen. Dit gebied bood weinig mogelijkheden voor bewoning en gedurende de Bronstijd tot aan de Midden IJzertijd concentreerde de nederzettingen zich op de hogere delen in het landschap, zoals de westelijk gelegen strandwallen. Op het veen zijn tot op heden geen vindplaatsen aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Daar waar de top van het veen langs kreken goed ontwaterd werd zou het veen geschikt kunnen zijn geweest voor bewoning.
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 5 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
Gedurende de Romeinse tijd (met name vanaf de 2e tot en met de 3e eeuw na Chr.) maakt het plangebied deel uit van een relatief dicht bevolkt gebied. In het nabijgelegen Voorburg bevond zich Forum Hadriani, het bestuurlijk centrum van de regio. Uit en direct rondom het plangebied met name deelgebied Noord - zijn meerdere nederzettingen uit de Romeinse tijd bekend (zie §2.3). De geschiktheid van het landschap voor bewoning en landbouw hangt samen met de aanwezigheid van de Gantelafzettingen. Zowel de kleiige afzettingen van de Gantel als de zandige kreekruggen waren geschikt voor bewoning (Kruidhof e.a., 2006). Onderzoek op een aantal van deze vindplaatsen levert een beeld op van boerennederzettingen, vaak gevormd door één boerderij met omringend erf of meerdere erven bij elkaar (Bloemers, 1985; Koot, 2008). Het merendeel van de boerderijen betreft inheems-romeinse woonstalboerderijen. Bij de aanleg van de A4 is een boerderij aangetroffen waarvan een fase bestond uit steenbouw, uniek voor deze regio (Rijswijk De Bult, vindplaats R7 op figuur 3; Van Liere, 1948; Bloemers, 1978). Het landschap tussen de boerderijen was met perceleringsgreppels ingericht als agrarisch gebied. Restanten van deze verkavelingstructuur zijn aangetroffen bij onderzoeken in het Wilhelminapark (zie Bloemers, 1978; Coppens & Koot, 2010).
De nederzettingen en het verkavelingsysteem samen vormen het cultuurlandschap van de Romeinse tijd. Over bewoning na de Romeinse tijd tot aan de Late Middeleeuwen is niet veel bekend. Er lijkt sprake te zijn van een bevolkingsafname, mogelijk als gevolg van het ineenstorten van het Romeinse rijk aan het eind van de 3e eeuw. De bewoning zal zich in deze periode hoofdzakelijk op de strandwallen langs de kust en de noordelijke oever van de Maas hebben geconcentreerd (Bult & Norde, 2004). Bewoning in de Late Middeleeuwen vond aanvankelijk plaats op de strandwallen (ten noorden van deelgebied Noord) en in gebieden waar nog veen aan het oppervlak aanwezig was (ten zuiden van deelgebied Zuid). In de loop van de Middeleeuwen (vanaf de 12e eeuw) vonden in de omgeving van het plangebied in meerdere fasen ontginningen plaats waarbij binnen de polders de kenmerkende strokenverkaveling ontstond. Deelgebied Noord bevindt zich grotendeels in de Plaspoelpolder en deelgebied Zuid ligt in de Abtswoudsche Polder. In de Late Middeleeuwen lagen de boerderijen op enige afstand van de ontginningassen (Coppens & Koot, 2010). Op een aantal locaties van nederzettingen uit de Romeinse tijd zijn tevens losse boerderijen uit de Late Middeleeuwen aangetroffen (Bloemers, 1978; 1985; Koot, 2008). Hieruit blijkt dat ook in deze periode de hogere delen van het landschap werden uitgekozen als bewoningslocatie.
Door de toenemende bodemdaling als gevolg van de ontginningen trad wateroverlast op. Gedurende de 15e eeuw deed de poldermolen zijn intrede om zorg te dragen voor bemaling van de polders. Vanaf het einde van de Late Middeleeuwen en begin van de Nieuwe tijd kwamen steden zoals Delft in opkomst en breidde de bewoning zich uit langs wegen en waterlopen ten behoeve van handelstransport. Om inzicht te verkrijgen in het grondgebruik in het plangebied in de Nieuwe tijd biedt de analyse van historische kaarten een goede invalshoek. De kaart van Kruikius uit 1712 geeft een gedetailleerd beeld van de inrichting van het landschap binnen het Hoogheemraadschap van Delfland waar het gehele plangebied onderdeel van uitmaakt. Uit het kaartbeeld blijkt dat beide deelgebieden in het landelijk gebied liggen dat bestaat uit (wei)land met sloten (zie figuren 4 en 5). Bewoning is zichtbaar met name langs de Vliet ten oosten van deelgebied Noord, langs een deel van de Kastanjewetering (toponiemen Kerstanje-
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 6 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
burch en ’t Haantje) en uiteraard in het historische centrum van Delft ten noordwesten van deelgebied Zuid. Ten oosten van deelgebied Zuid is het Kruithuis aangegeven. De kadastrale minuut uit de periode 1811-1832 en de topografische kaarten uit circa 1850 en 1900 laten in het gebied een redelijk identieke situatie zien (www.watwaswaar.nl). De op de kaart van Kruikius aangegeven verkaveling blijft tot in de 19e eeuw nagenoeg ongewijzigd (vergelijk figuren 4 t/m 7). De bebouwing bij toponiemen Kerstanjeburch en ’t Haantje is verdwenen. De kaarten laten zien dat de stedelijke ontwikkeling pas vanaf eind jaren ’30 van de vorige eeuw toeneemt. Parallel aan de zuidzijde van de Kastanjewetering staat een voetpad aangegeven (TMK 1850; watwaswaar.nl). De toponiem van buurtschap ’t Haantje is afgeleid van de naam van een voormalige uitspanning langs de Kastanjewetering direct ten westen van de Delftse Vliet (figuur 4; www.plaatsengids.nl). De spoorlijn dateert uit 1847 en loopt tussen de deelgebieden direct ten westen van de historische stadskern van Delft ter hoogte van de in de 19e eeuw gesloopte stadsmuren. Uit de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat het gebied langs de spoorlijn lange tijd onbebouwd bleef (www.watwaswaar.nl). Van 1887 tot en met 1903 bevond zich langs de spoorlijn een halte genaamd ’t Haantje (www.stationsweb.nl).
Op de TMK uit 1900 staat deze nog als Halte aangegeven daar waar de spoorlijn de Kastanjewetering kruist. Vier jaar later is deze aanduiding van het kaartbeeld verdwenen. Langs ’t Haantje - tot circa 1908 alleen ten noorden van de spoorlijn - wordt bebouwing zichtbaar op topografische kaarten vanaf eind 19e eeuw. Het Agnetapark (in zuiden deelgebied Noord) ten zuiden van de Kastanje (Kerstanje) wetering is zichtbaar op de Topografische Militaire Kaart vanaf 1890. Vanaf de jaren ’30 van de vorige eeuw wordt begonnen met de bouw van de kassen in het plangebied. Ook het huidige DSM-terrein wordt vanaf deze periode in gebruik genomen. Op geen van de geraadpleegde kaarten staat in de deelgebieden historische bebouwing afgebeeld. Ten noordoosten van deelgebied Noord is tot circa 1940 de buitenplaats Pasgeld met bijbehorende tuin aangegeven. Deze buitenplaats dateert uit eind 16e eeuw en is tegenwoordig door recente bebouwing niet meer zichtbaar in het landschap.
2.3 Bekende archeologische waarden Hier worden kort de bekende archeologische waarden binnen een straal van circa 500 m rondom de deelgebieden besproken. Deelgebied Noord Uit de verspreiding van bekende vindplaatsen blijkt dat deelgebied Noord in een gebied ligt dat met name in de Romeinse tijd dicht bewoond was. Dit is uiteraard gerelateerd aan de aanwezigheid van de Gantelafzettingen. In ARCHIS staat één archeologische vindplaats geregistreerd uit dit deelgebied zelf (figuur 1). Het gaat om een vindplaats uit de Romeinse tijd waar voornamelijk greppels, kuilen en paalsporen zijn aangetroffen (Bloemers, 1985; ARCHIS-waarnemingsnummers 32350, 120822 en 120829; Rijswijk vindplaats R36 [Vos e.a., 2007]). Zeer waarschijnlijk zijn deze sporen een
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 7 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
voortzetting van de vindplaats van een Romeinse nederzetting, die ter hoogte van de keerlus in het Wilhelminapark aanwezig is (ARCHIS-waarnemingsnummers 17309, 120827 en 120828; Rijswijk vindplaats R23). Op deze locatie zijn Romeinse resten uit de 2e en begin 3e eeuw na Chr. gevonden. Ook zijn er scherven uit de 12e eeuw aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse boerderij in de directe omgeving. De vindplaats is tot op heden nog niet goed begrensd. Uit de omgeving van deelgebied Noord (straal circa 500 m) zijn meerdere vindplaatsen bekend (zie figuur 1 en 3). Bij de aanleg van de sloot tussen het Wilhelminapark en het volkstuincomplex Tot Ons Genoegen is een concentratie Romeins aardewerk gevonden direct onder de bouwvoor (ARCHISwaarnemingsnummers 21999, 120816 en 120830; Rijswijk vindplaats R24). Ter hoogte van de Rijksweg A4 zijn vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen aangetroffen (ARCHIS-waarnemingsnummers 24400, 24398, 24399 en 17258; Rijswijk vindplaatsen R7 en R26). De in §2.2 besproken vindplaatsen uit het Neolithicum (Rijksweg A4 en SchipluidenHarnaschpolder) liggen circa 1 km ten noordwesten van het deelgebied. SchipluidenHarnaschpolder is onderzocht bij de aanleg van de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Deze vindplaats valt buiten het kaartbeeld van figuur 1.
Aan weerskanten van de Rijksweg A4 bevinden zich terreinen van zeer hoge archeologische waarde waarbinnen de neolithische bewoning zich uitstrekt (monumentnummers 16190 en 16193). Tijdens archeologisch booronderzoek in plangebied Sion is een vindplaats uit het Neolithicum op een duin aangetroffen (Coppens & Koot, 2010) Op circa 1 km ten westen van het plangebied (gemeente Delft) ligt een terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 10694). Het betreft de locatie van een adellijk huis: de begraven hofstede Altena uit de Late Middeleeuwen. Verder zijn bij onderzoek door de gemeente Rijswijk in het Wilhelminapark sporen uit de Romeinse tijd (ARCHIS-waarnemingsnummer 46880) en Late Middeleeuwen (ARCHISwaarnemingsnummers 46880, 46879 en 22694) bekend. Deelgebied Zuid In ARCHIS staan geen archeologische vindplaatsen geregistreerd uit het deelgebied zelf (figuur 2). uit de directe omgeving is een aantal vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen bekend. Het betreft funderingen van een klooster (ARCHIS-waarnemingsnummer 24422) en de vondst van een reliëf van keramiek, dat waarschijnlijk behoorde bij het klooster (ARCHISwaarnemingsnummer 24423). Het deelgebied bevindt zich ongeveer 1 km ten zuiden van de stadskern van Delft.
2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting Gezien de geologische opbouw van het plangebied wordt verwacht dat archeologische resten zich in de top van de kleiige afzettingen van het Gantelsysteem bevinden of in het eventueel aanwezige Oude Duinzand. Op basis van bovenstaande gegevens geldt voor het gehele plangebied een hoge tot middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen op of
RAAP-rapport *nummer* / 2e concept, 13 november 2014
[1 8 ]
Plangebied PHS 4-sporigheid Rijswijk-Delft Zuid, gemeenten Rijswijk en Delft; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende fase)
in de afzettingen van de Gantel. Hierbij gaat het om relatief grote, vondstrijke nederzettingster2
reinen (> 1000 m ) met een archeologische laag. Dergelijke vindplaatsen worden in de Gantelafzettingen verwacht vanaf het huidige maaiveld (onder de bouwvoor en/of eventuele opgebrachte lagen) of op dieper gelegen niveaus in de Gantelafzettingen. Rondom de nederzettingen worden sporen van agrarisch landgebruik verwacht, zoals greppels en kuilen. Dergelijke resten zijn met booronderzoek echter doorgaans niet op te sporen. De nederzettingen en verkaveling vormen samen het cultuurlandschap uit de Romeinse tijd. Indien sprake is van Oude Duinen in de diepere ondergrond van deelgebied Noord geldt hiervoor een hoge verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum en eventueel de Bronstijd (afhankelijk van de hoogte van het duin). Naar verwachting bevinden de archeologische resten zich in de top van de duinafzettingen. De resten kunnen bestaan uit grote nederzettingsterreinen met archeologische laag (met aardewerk, vuursteen, houtskool e.d.), maar ook uit kleinere vondstarme nederzettingsterreinen (dunne spreiding van met name vuursteen). Duinzand is direct ten westen van deelgebied noord aangetroffen vanaf een diepte van circa 3,5 m -NAP (Louwe Kooijmans & Jongste, 2006; Coppens & Koot, 2010). Voor het Hollandveen geldt een lage verwachting voor bewoningssporen uit de Bronstijd - IJzertijd.