CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplanboekje Schieoevers Noord (KD en NH) HERSTELBESLUIT

Raadsvergadering 6 maart 2025, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Vaststellen bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 (2505060)42.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 65 dB(A). Dit is een worstcase inschatting. De maatgevende geluidbronnen bij de hoogst belaste woningen is het wegverkeer en Hordijk. De bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 84

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 gecumuleerde geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht, om de volgende redenen: Voor geluidgevoelige objecten en functies in Nieuwe Haven zijn bij hoogst geluidbelaste woningen hogere waarden vastgesteld in het kader van de Wet geluidhinder. De hogere waarden zijn als volgt: - WKC TU Delft: 52 t/m 55 dB(A) - Rotterdamseweg 53 en 58 dB In het bestemmingsplan is opgenomen dat de gevelwering minimaal 25 dB (artikel 40.4) is. Eerder heeft de gemeente voor andere plannen ook vergelijkbare gecumuleerde geluidbelastingen als aanvaardbaar geacht. Voorbeelden zijn het bestemmingsplan Maria Duystlaan (vastgesteld 2023-06-15) en bestemmingsplan Van Leeuwenhoekkwartier Noord (vastgesteld 2015-12-17). In het plan zijn regels opgenomen om samenloop van geluid door nieuwe bedrijven in Nieuwe Haven te beperken. Opgemerkt wordt dat bij het berekenen van de gecumuleerde geluidbelasting ervan uit is gegaan dat alle geluidbronnen gelijktijdig actief zijn, iedere dag optreden en dit bij elke woning plaatsvindt. In de praktijk zal de kans op deze gelijktijdigheid zeer klein zijn. Een verhoogde gecumuleerde geluidbelasting past in een gemengd stedelijk gebied. Daarnaast is sprake van een 16 uurs economie en zal het in de meeste gevallen ook na 23.00 uur rustig zijn.

In de planregels is opgenomen dat de terrassen tot 23.00 uur in gebruik mogen zijn. Hordijk zal wel in de nachtperiode in bedrijf zijn. Bij de woningen die aan de zijde van Hordijk zijn gesitueerd worden bouwkundige maatregelen getroffen. Binnen de ontwikkellocaties kunnen ook piekgeluiden voorkomen. Piekgeluiden overdag door bijvoorbeeld het aan- en afrijden van vrachtwagens en het laden en lossen zijn in de planregels niet genormeerd in de dagperiode. Het regulier geluid overdag wordt beperkt door de tijdsduur in het genormeerde langtijdgemiddelde beoordelingsniveau; indien piekgeluiden veelvuldig optreden of erg hoog zijn, zal dit leiden tot overschrijding van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Het bevoorraden van de inrichtingen in het ontwikkelgebied vindt in de regel alleen plaats in de dagperiode. De inrichtingen hebben de zorgplicht om vermijdbare en onnodige piekgeluiden zoveel mogelijk te voorkomen. Mocht blijken dat er toch regelmatig hinder wordt ondervonden dan kunnen maatwerkvoorschriften worden overwogen voor de inrichting. Indien sprake is van overlast door piekgeluiden vanwege stemgeluid dan kan worden opgetreden middels de zorgplicht en/of door het stellen van gedragsregels. Schreeuwende bezoekers kunnen via de openbare orde worden aangepakt.

Door de bestaande inrichtingen buiten het ontwikkelgebied zullen in de dagperiode piekniveaus hoger dan 75 dB(A) in de regel niet optreden. De optredende piekniveaus zijn in de dagperiode in een levendig gemengd stedelijk gebied niet onaanvaardbaar te achten.

4.4.4

Toetsing bestaande woningen

Als gevolg van de herzonering komt ook een drietal bestaande woningen die eerder op het geluidgezoneerde industrieterrein lagen buiten deze binnenzone te liggen. De geluidbelasting op de gevels van deze bestaande woningen is nader onderzocht in het Herzoneringsonderzoek Dyckerhoff Basal en Schieoevers Zuid (RHDHV, 2022). Voor twee bestaande woningen binnen het bestemmingsplangebied heeft deze herzonering gevolgen: 1. De bedrijfswoning aan de Schiekade 1 dient een hogere waarde toegekend te krijgen als gevolg van de geluidzone van Dyckerhoff Basal; 2. Aan de bedrijfswoning Rotterdamseweg 354 wordt de functieaanduiding als bedrijfswoning onttrokken vanwege de te hoge geluidbelasting op de gevel. Dit is in het bestemmingsplan geregeld door het pad een bedrijfsbestemming conform de regels van dit bestemmingsplan te geven zonder functieaanduiding bedrijfswoning. Daarnaast is Rotterdamseweg 272a relevant in het kader van dit onderzoek. In het vigerende bestemmingsplan heeft dit pand geen woonbestemming. Deze wordt eveneens niet toegekend in dit bestemmingsplan. Daarom wordt voor dit pand geen hogere waarde vastgesteld.

Verkeersaantrekkende werking nieuwe ontwikkelingen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in de onderzoeken ook gekeken naar de geluidhinder op de omgeving als gevolg van de verkeersgeneratie van nieuwe functies die met de nieuwe ontwikkeling bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 85

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 mogelijk gemaakt worden. Uit de onderzoeken blijkt dat er geen significant negatieve geluidtoename is t.o.v. de bestaande verkeersstromen. Bij de vergunningverlening worden de effecten van de verkeersaantrekkende werking per initiatief beoordeeld. 4.4.5

Hogere waarden

Ten aanzien van de uitgangspunten over het akoestische klimaat binnen Kabeldistrict en Nieuwe Haven is bij het opstellen van het bestemmingsplan omwille van de flexibiliteit besloten om de hogere waarden voor het gebied vast te leggen per geluidsbron op de basis van de ten hoogst berekende geluidbelasting voor Kabeldistrict en voor Nieuwe Haven op basis van het stedebouwkundige plan (zie Bijlage 24 voor de onderbouwing van het besluit hogere waarden). Daarbij wordt uitgegaan van het aantal woningen dat conform bestemmingsplan mag worden gerealiseerd. Overigens wordt in een voorwaardelijke verplichting tevens de bouw van een geluidscherm langs het spoor verplicht gesteld. Voor de Nieuwe Schieweg is gekeken naar stil asfalt (SMA NL-8G+) als geluidreducerende maatregelen. Het toepassen hiervan is slechts relevant voor de onderste bouwlagen langs deze weg, omdat bij de hogere bouwlagen spoorweglawaai dominant is. Omdat nu nog niet bekend is hoeveel woningen in de onderste bouwlagen gerealiseerd worden, wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning afgewogen of stil asfalt een effectieve maatregel is. Voor Kabeldistrict wordt geen hogere waarde vastgesteld als gevolg van Schieoevers Zuid ondanks dat Kabeldistrict binnen de geluidzone ligt. Dit vanwege de redelijke sommatie.

Ondanks de standaardgrenswaarde van 50 dB(A) is er nog 1,5 dB werkruimte voor uitbreiding van bestaande bedrijven en de vestiging van nieuwe bedrijven. Een hogere waarde is daarom niet nodig. In de onderstaande tabel is samengevat welke hogere waarde per geluidbron wordt vastgesteld bij de berekende geluidbelastingen. Tabel 4.2: Verleende hogere waarden, op grond van de Wet geluidhinder, bij vaststelling van dit plan.

Tabel 4.3: Tijdelijk afwijken hogere waarden op grond van Crisis- en herstelwet1,2

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 86

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 1

Voor Kabeldistrict zijn privaatrechterlijk afspraken gemaakt over het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het vaststellen van de hogere waarden is daarom de benodigde flexibiliteit opgenomen. 2

Er mag voor de vaststelling van een bestemmingsplan in ontwikkelingsgebied tijdelijk van wet- en regelgeving als genoemd in artikel 2.3, lid 7 Crisis- en herstelwet, worden afgeweken. Hiervoor geldt dat uiterlijk tien jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, alsnog moet worden voldaan aan de wettelijk geldende milieukwaliteitsnormen. Over 10 jaar is de Omgevingswet van kracht en gelden de nu vast te stellen hogere waarden als grenswaarden.

Tijdelijke afwijking Als gevolg van het geluid van Dyckerhoff Basal wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 2.3, lid 7 Crisis- en herstelwet biedt om tijdelijk, namelijk 30 dagen per jaar, af te wijken van de toegestane geluidniveaus. Dit betekent dus dat voor Dyckerhoff Basal een tijdelijke hogere waarde van 55 dB (Lden) en 45 Lnight worden vastgesteld. Dit is gelijk aan de grenswaarde uit de Omgevingswet. Na 10 jaar zal dit dus ook de grenswaarde zijn die van toepassing als gevolg van het inwerking treden van de Omgevingswet. De maximale situatie bedraagt 43 dagen. Met Dyckerhoff Basal is afgesproken dat voor 13 dagen extra een vergunning dient te worden aangevraagd. Daar zit dan ook een belangenafweging aan gebonden en moet er voldaan worden aan de voorwaarden zoals in het bestemmingsplan genoemd, waarbij een koppeling is gelegd met de beleidsregels Geluid Schieoevers Noord. De regeling is zo geformuleerd dat als aan de voorwaarden wordt voldaan de vergunning wordt verleend. Daarbij zijn bouwkundige maatregelen verplicht bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen Kabeldistrict. Deze zijn bedoeld om zoveel mogelijk geluidhinder als gevolg van de hogere en te beperken. Voor Kruithuisweg wordt een tijdelijke hogere waarde van 58 dB (inclusie aftrek art. 110g Wgh) vastgesteld.

Er mag voor de vaststelling van een bestemmingsplan in ontwikkelingsgebied tijdelijk van wet- en regelgeving als genoemd in artikel 2.3, lid 7 Crisis- en herstelwet, worden afgeweken. Hiervoor geldt dat uiterlijk tien jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, alsnog moet worden voldaan aan de wettelijk geldende milieukwaliteitsnormen. Over 10 jaar is de Omgevingswet van kracht en gelden de nu vast te stellen hogere waarden als grenswaarden. 4.4.6

Conclusie

Voor Kabeldistrict en Nieuwe Haven is het akoestische leefklimaat onderzocht, hierbij is gekeken naar geluid van wegverkeer, railverkeer, industrie, bedrijven en scheepvaart. Hierbij is gerekend op de bouwvlakken die in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt zijn. Uit de onderzoeken blijkt dat in veel gevallen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. Wel kunnen hogere waarden verleend worden op basis van de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid. Voor de ontwikkeling is een beleidsregels Geluid Schieoevers Noord gemaakt waarin een nadere uitwerking van het geluidbeleid van de gemeente is gemaakt voor het vaststellen van hogere waarden. Deze hogere waarden worden in de regels van dit bestemmingsplan vastgesteld. Dat geldt tevens voor een bestaande woning als gevolg van de herzonering van Dyckerhoff Basal. Bij de aanvraag van omgevingsvergunningen volgend op de vaststelling van dit bestemmingsplan zal steeds nadere duidelijkheid gegeven moeten worden over de verdere invulling van de akoestische maatregelen en zal aangetoond moeten worden dat voor het betreffende bouwplan wordt voldaan aan de akoestische randvoorwaarden die dit plan vastlegt. De onderzoeken hebben aangetoond dat het plan op deze wijze niet evident onuitvoerbaar is.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Kader

De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 87

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. Tabel 4.4: Grenswaarden uit de Wet milieubeheer voor NO2, PM10 en PM2,5.

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is. Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 , de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. 4.5.2

Onderzoek en conclusie

Inhet kader van het bestemmingsplan Schieoever Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) is door Antea Group (2021) een onderzoek uitgevoerd naar de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 28. Daarbij zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) berekend op een aantal beoordelingspunten in en rondom het plangebied. Het onderzoek is conform de reken- en meetvoorschriften uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de geldende grenswaarden. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm). Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Het plan is niet evident onuitvoerbaar.

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 88

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

4.6

Trillingen

4.6.1

Aanleiding

Het deelgebied Kabeldistrict ligt binnen 100 meter van de spoorlijn Delft-Schiedam, het deelgebied Nieuwe Haven ligt op een grotere afstand aan de andere kant van de Schie. Voor Kabeldistrict is in het kader van een goede ruimtelijke ordening daarom een onderzoek naar trillingshinder uitgevoerd door Movares. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 60. Voor trillingshinder zijn geen wettelijke normen, daarom wordt gewoonlijk getoetst aan de SBR B-richtlijn van de Stichting BouwResearch voor woningen en kantoren voor bestaande en nieuwe situatie. 4.6.2

Onderzoek

Resultaten Op basis van de resultaten van dit onderzoek zijn er in het plangebied voor alle beschouwde gebouwtypen overschrijdingen van de streefwaarden voor de trillingssterkte (Vmax) voor een bestaande en voor een nieuwe situatie te verwachten. Dit komt vooral door de passages van enkele afwijkende goederentreinen, die hoge trillingen veroorzaken bij lage frequenties (2-5 Hz). Het betreft hier incidentele goederentreinen (enkele malen per week). Er zijn ook overschrijdingen door reizigerstreinen, maar deze zijn veel kleiner dan die door de goederentreinen. De goederentreinen zijn derhalve maatgevend. Er zijn ook overschrijdingen van de streefwaarden voor het tijdsgemiddelde (Vper), maar het gebied waarin de overschrijdingen voorkomen is kleiner dan het gebied van de overschrijdingen van de trillingssterkte (Vmax). Daarnaast volgen de volgende conclusies uit de trillingsprognoses: Door de lage frequenties zijn horizontale trillingen bovenin de gebouwen maatgevend. De breedte van de wooneenheden zijn nauwelijks van invloed op de maatgevende horizontale trillingen in de gebouwen. De grootste trillingen zijn te verwachten in de gebouwen van 25-71 meter hoog, en de laagste trillingen in de gebouwen van 10, 85 en 100 meter hoog. Er zijn zowel overschrijdingen van de streefwaarden voor de gebouwfunctie wonen als voor de gebouwfunctie kantoor.

Overschrijdingen van de streefwaarden treden voor woningen op bij een lagere trillingssterkte dan bij kantoren. Hierdoor is de zone met overschrijdingen voor de gebouwfunctie wonen groter dan voor de gebouwfunctie kantoor. Maatregelen en nader onderzoek Op de volgende manieren kan de hinder van trillingen in het Kabeldistrict beperkt worden: 1. Door de gebouwtypen met de minste trillingen het dichtst bij het spoor te plaatsen (gebouwen met een hoogte van meer dan 80 meter). 2. Door de gebouwen met een kantoorfunctie dichter bij het spoor te plaatsen dan gebouwen met een woonfunctie. 3. Door het treffen van trillingsreducerende maatregelen aan de gebouwen. Hierbij valt te denken aan een extra zware fundering, of het afveren van gebouwen. In de regels is vastgelegd dat binnen een zone van 100 meter van het spoor een trillingsonderzoek moet worden uitgevoerd waarmee moet worden aangetoond dat de trillingssterkte voldoet aan de streefwaarden voor trillingshinder bij woningen zoals weergegeven in de SBR B-richtlijn. Verder is bepaald dat als uit onderzoek blijkt dat maatregelen moeten worden getroffen om aan die normen te voldoen, deze gerealiseerd moeten worden en in stand gehouden moeten worden. 4.6.3

Conclusie

Er zijn maatregelen beschikbaar om trillingshinder te mitigeren. Deze worden specifiek ingevuld op basis van nader onderzoek bij de verdere uitwerking. Dit is in lijn met de voorgeschreven gebiedsgerichte spelregels in het Spelregelkader. Het vervolgonderzoek en eventueel benodigde maatregelen zijn geborgd in de regels. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 89

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

4.7

Geur

4.7.1

Kader

Delft heeft geen eigen geurbeleid waarmee eventuele geurhinder beoordeeld kan worden. Wel zijn er in het verleden ontwikkelingen geweest binnen de geurcontouren van DSM. Er is dus wel sprake van een Delftse praktijk. Naast deze Delftse praktijk is er provinciaal beleid voor geurhinder. Hoewel dit beleid niet directief is voor Delft en dus niet bindend, is het wel relevant als referentiekader. Uitgangspunt van het provinciaal beleid is het voorkomen van nieuwe hindersituaties, in het beleid is beschreven dat de hindergrens ligt bij een geurniveau van 0,5 OU/m3 bij 98 percentiel. De Delftse praktijk is iets ruimer. Bij binnenstedelijke ontwikkelingen rondom DSM accepteren we enige geurhinder zo lang er geen sprake is van ernstige hinder. Twee voorbeelden zijn de bestemmingsplannen voor de ontwikkelingen aan de Laan van Altena in 2014 en de Pastoor van Askerk in 2019. In beide gevallen gaat het om nieuwe woningen waarbij de geurbelasting boven de 0,5 OU/m3 als 98 percentiel komt, maar de Hedonische waarde (een maat voor de geurbeleving) H=-1 niet wordt overschreden. Deze waarde wordt door Delft nog acceptabel geacht voor nieuwe bestemmingen. Hierbij is op grond van het provinciale geurbeleid sprake van 0 – 12% geurgehinderden, is er geen sprake van ernstige hinder en zijn klachten onwaarschijnlijk.

De provincie heeft (als bevoegd gezag voor DSM) in deze gevallen ingestemd met het bestemmingsplan en zich niet verzet tegen de daarvoor verleende vergunning. In Delft zijn de laatste jaren geen ontwikkelingen geweest waar een andere (strengere) afweging is gemaakt. Samenvattend kennen we hierdoor in Delft voor nieuwe situaties een uitvoeringspraktijk waarbij de 12% hindergrens (H=-1 als 98 percentiel) feitelijk als drempelwaarde geldt voor het kunnen projecteren van nieuwe woningen. De toepassing van die H=-1 waarde is daarmee de facto verworden tot het Delftse geurbeleid. 4.7.2

Onderzoek

Voor de ontwikkeling van Nieuwe Haven is de geurbelasting van het bedrijf Hordijk relevant. In het bestemmingsplan moet onderbouwd worden dat de geurbelasting vanwege Hordijk geen belemmering vormt voor de nieuwe woningen en andersom, dat de nieuwe woningen niet de geurruimte van het bedrijf beperken. Hierover is ook in paragraaf 4.2 informatie opgenomen. De ontwikkelingen van Laga en Nautilus betreffen geen geurgevoelige objecten. De Delftse uitvoeringspraktijk vormt het beoordelingskader voor de mogelijkheid van menging van de activiteiten van het bedrijf met de realisatie van woningen. In opdracht van de gemeente is de geurbelasting onderzocht door Buro Blauw (zie Bijlage 22 en Bijlage 23). In het onderzoek is de geurbelasting van Hordijk op het deelgebied Nieuwe Haven onderzocht. Het uitgangspunt van dit onderzoek is de huidige bedrijfsvoering met in de komende jaren een groen van de productie met 30%. Deze 30% uitbreiding kan door meer uren te werken, maar kan ook bereikt worden door extra machines te plaatsen. In dit laatste geval kan dat met of zonder uitbreiding van de koeltoren. Er zijn vier berekeningen uitgevoerd om een beeld te krijgen van de huidige en de toekomstige situatie na uitbreiding van de productie. Hierbij is sprake van een worst case scenario waarbij geen meetregelen genomen worden tegen geuremissies. 4.

Zonder uitbreiding, met een bedrijfstijd van 06.00 t/m 23.00 van maandag t/m vrijdag - oftewel de huidige situatie bij Hordijk; 5. Met een uitbreiding van de bedrijfstijd, oftewel volcontinu (8.760 uur/jaar); 6. Met 30 % uitbreiding in productiecapaciteit van maandag t/m vrijdag van 06.00 t/m 23.00 uur, waarbij de koeltoren zonder uitbreiding berekend is; 7. Met 30 % uitbreiding in productiecapaciteit van maandag t/m vrijdag van 06.00 t/m 23.00 uur, waarbij de koeltoren met uitbreiding berekend is. Bij de 4 verspreidingsberekeningen is uitgegaan van een diffuse emissie van pentaan en is er geen sprake van een centrale pentaanafzuiging. De resultaten van de berekeningen zijn weergegeven in de figuren 4.14 t/m 4.17. bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 90

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

Figuur 4.14: Geurcontouren Hordijk, huidige situatie zonder uitbreiding, bedrijfstijd maandag t/m vrijdag 6.00 t/m 23.00. zie bijlage 23

Figuur 4.15: Geurcontouren Hordijk, met uitbreiding van bedrijfstijd (8.760 uur/jaar). zie bijlage 23 bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 91

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

Figuur 4.16: Geurcontouren Hordijk, met 30% uitbreiding d.m.v. productiecapaciteit, zonder uitbreiding van koeltoren. zie bijlage 23

Figuur 4.17: Geurcontouren Hordijk, met 30% uitbreiding d.m.v. productiecapaciteit, met uitbreiding van bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 92

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 koeltoren. zie bijlage 23 De nieuwbouwlocatie ligt in de huidige situatie voor een groot deel binnen de 0,5 OU/m3, maar geheel buiten de 2,0 OU/m3 bij 98 percentiel. Bij uitbreiding van de productie komt een groter deel van de nieuwbouwlocatie binnen de 0,5 OU/m3 contour te liggen. In het vierde scenario (figuur 4.17) ligt een heel klein deel van het gebied binnen de 2 OU/m3 contour. In alle scenario's is uitgegaan van een situatie waarin er geen extra maatregelen tegen geurhinder worden genomen. In de huidige situatie ligt de 5 OU contour over de bestaande bestemming wonen aan de Rotterdamseweg (nr. 256, 258, 260, 262, 264, 266). Bij uitbreiding van de productie verschuift deze contour en komen meer bestaande woningen binnen de 5 OU contour te liggen. Uitbreiding van de productie kan dus alleen als dit samengaat met maatregelen om de geurhinder te beperken. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat bij uitbreiding op de ontwikkellocatie de 2 OU contour overschreden wordt. Buro Blauw heeft tevens onderzocht wat de hedonische waarde is voor de 6 verschillende geurbronnen bij Hordijk. Uitgangspunt hierbij is de geurconcentratie (in OU/m3) waarbij de hedonische waarde van H=-1 bereikt wordt.

Hoe hoger de geurconcentratie hierbij is, hoe minder hinderlijk de geur is, er is dan 'meer geur' nodig om dezelfde negatieve beleving te krijgen. Voor 4 van de 6 bronnen bedraagt de geurconcentratie (voor H=-1) 2,0 OU/m3 of meer (range: 2,0 – 6,3) bij 2 van de 6 bronnen bedraagt de geurconcentratie (voor H=-1) minder dan 2,0 OU/m3 (1,6 en 1,7). Hierbij is de koeltoren veruit de bron met de grootste geuremissie (80% van het totaal). Deze bron is bovendien het dichtst bij Nieuwe Haven gelegen. De bronhoogte is vergelijkbaar met die van de andere bronnen. Voor deze bron is de H=-1 waarde vastgesteld op 2,3 OU/m3. De emissies van de 2 bronnen met een H=-1 waarde láger dan 2,0 bedragen slechts 9% van het totaal. Het gewogen gemiddelde van deze drie bonnen (voor H=-1) is 2,2 OU/m3. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat bij een totale geurbelasting van 2,0 OU/m3 als 98 percentiel geur, er op de ontwikkellocatie geen overschrijding plaatsvindt van de Hedonische waarde H=-1. De verwachting is dat deze overweging over de Hedonische waarde H=-1 ook de basis gaat vormen voor het vaststellen van de aanvaardbare geur door een bestaande geurrelevante activiteit (inclusief uitbreidingsruimte) op nieuwe geurgevoelige gebouwen in het omgevingsplan onder de Omgevingswet (als bedoeld in artikel 5.92 Bkl).

Maatregelen Maatregelen zijn niet nodig om te voldoen aan de Delftse beleidspraktijk. Het is echter bekend dat Hordijk nog maatregelen moet nemen tegen de uitstoot van pentaan. Hierdoor zal waarschijnlijk in de toekomst de geurbelasting dalen. Over de beperking van de pentaanemissies lopen gesprekken met de omgevingsdienst. Nieuwe bedrijvigheid Voor nieuwe bedrijven binnen Kabeldistrict en Nieuwe Haven geldt het provinciale beleid. 4.7.3

Conclusie

De geurbelasting op de woningen in Nieuwe Haven als gevolg van Hordijk overschrijdt de hindergrens zoals die in het provinciaal beleid is opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen. De geurbelasting is echter wel in lijn met de geurbelasting die is toegestaan bij ontwikkelingen rondom DSM. Daarmee beschouwt Delft deze ontwikkeling als passend binnen de huidige uitvoeringspraktijk voor geur, waarbij de hedonische waarde van H=-1 als uitgangspunt wordt gebruikt. Met dit bestemmingsplan bestendigen we deze beleidslijn. Daarmee wordt een ruimere lijn gevolgd dan in het provinciale geurbeleid, maar een consistente lijn met eerdere bestemmingsplannen. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering bestemmingsplan.

voor de uitvoerbaarheid van het

onderhavige

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 93

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

4.8

Stof

4.8.1

Kader

Bij diffuse emissies van stuifgevoelige goederen is vaak het uitgangspunt dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden. In algemene zin is het begrip "zichtbare stofemissie" bedoeld als signaleringsinstrument in het kader van "good housekeeping". 4.8.2

Onderzoek

Het aspect stof is relevant voor het bedrijf Dyckerhoff Basal. De voorschriften in de milieuvergunning zijn erop gericht zichtbare stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen, zowel bij de direct naast het bedrijf gelegen woningen als bij de rondom het bedrijf gelegen gebouwen en terreinen van derden. Het is daarom niet aannemelijk (en op grond van de milieuvergunning ook niet toegestaan) dat er zichtbare stofverspreiding zal optreden bij de beoogde nieuwbouwwoningen op meer dan 80 meter van het bedrijf. In de oude bedrijven en milieuzonering wordt voor dit soort bedrijven t.a.v. het aspect stof een afstand van 50 meter gehanteerd. In het bestemmingsplan zijn daarom aan stof geen regels gesteld voor de bestaande activiteiten. 4.8.3

Conclusie

Het aspect 'stof' vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. De voorschriften in de milieuvergunning van Dyckerhoff Basal zijn erop gericht zichtbare stofverspreiding te voorkomen.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Kader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats onbeschermd aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: Lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): De afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 94

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

Figuur 4.18: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport. Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 4.19: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. 4.9.2

Onderzoek

Kabeldistrict Kabeldistrict bevindt zich binnen 200 m vanaf de provinciale weg N470 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarom zijn risicoberekeningen uitgevoerd door AVIV, de complete rapportage is meegenomen in Bijlage 19. De provinciale weg is de enige relevante risicobron voor het deelgebied Kabeldistrict. Hieronder worden de conclusies gepresenteerd: Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Het groepsrisico is zowel in de huidige als de toekomstige situatie groter dan 10% van de oriëntatiewaarde. Echter, de oriëntatiewaarde zelf wordt niet overschreden. De toename van het groepsrisico door de voorgenomen ontwikkeling bedraagt 6%. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico dus minder dan 10% toe en blijft het onder de oriëntatiewaarde. Hierdoor kan de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio en moet ingegaan worden op de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Nieuwe Haven Het plangebied Nieuwe Haven ligt in de nabijheid van Hordijk EPS Verpakkingen en Isolatieproducten bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 95

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 BV waar op grond van de milieuvergunning uit 2010 gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. De gevolgen op de ontwikkeling van Nieuwe Haven zijn in beeld gebracht door Aveco de Bondt (zie Bijlage 18). Hordijk is de enige relevante risicobron voor het deelgebied Nieuwe Haven. Sinds 13 februari 2009 valt de inrichting niet meer onder de werkingsfeer van het Bevi. Dit betekent dat het milieuaspect externe veiligheid wettelijk gezien niet relevant is en dat er geen risico's zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het milieuaspect externe veiligheid beoordeeld en is op basis van de onderzoeken en onderbouwingen die onderdeel van de vergunning uitmaken, geconcludeerd dat het plangebied Nieuwe Haven buiten de door de brandweer geadviseerde risicozone voor brand (20 meter) van Hordijk ligt. Dit levert in het kader van externe veiligheid geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van Nieuwe Haven. Tevens wordt de bedrijfsvoering van Hordijk in het kader van externe veiligheid niet belemmerd door het planvoornemen.

Verantwoordingsplicht groepsrisico In het kader van het vooroverleg heeft de Veiligheidsregio Haaglanden een reactie op het plan gegeven en hieraan een advies verbonden met betrekking tot externe veiligheid bij het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2. In het advies worden de volgende risicobronnen en scenario's benoemd: 1. Transport van gevaarlijke stoffen over de N470 (Kruithuisweg) en rijksweg A13 (zie onderstaande tabel); en 2. Brand bij MPM International Oil Company. Tabel 4.5: Eigenschappen transport gevaarlijke stoffen (weg) (bron: Vooroverlegreactie Veiligheidsregio Haaglanden).

De ergst denkbare scenario's voor deze risicobronnen zijn een plasbrand van een tankwagen met brandbare vloeistoffen, een BLEVE van een tankwagen met brandbaar gas en het volledig vrijkomen van de inhoud van een (tank)wagen met een giftige vloeistof en een brand met gevaarlijke stoffen bij MPM International Oil Company. Door de aanwezigheid van deze risicobronnen kunnen binnen het plangebied hitte-, druk- en/of giftige effecten optreden. De kans dat deze scenario's plaatsvinden is zeer klein. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd: A. B. C. D. E.

Afschakelbare ventilatie (effectbeperking); Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid); Voorbereiding interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid); Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid); Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v. de hulpverlening).

De bovenstaande maatregelen kunnen een positieve bijdrage leveren aan het groepsrisico en de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De genoemde maatregelen kunnen in het bestemmingsplan niet geregeld worden, maar het bestemmingsplan vormt tevens geen belemmering voor het realiseren van deze maatregelen. De Veiligheidsregio benoemt daarnaast de risico's van brand als gevolg van verdichting en bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 96

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 functiemenging. In het bestemmingsplan zijn daarom veiligheidszones opgenomen voor drie bedrijven (namelijk Dyckerhoff Basal, Prysmian en Hordijk). Daarbij wordt gesteld dat advies moet worden ingewonnen van de Veiligheidsregio wanneer binnen de veiligheidszone een omgevingsvergunning voor (zeer) kwetsbare functies wordt aangevraagd. Daarnaast wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio te betrekken bij verdere ontwikkelingen op het vlak van energietransitie. Hiermee heeft de gemeente ingestemd. Nadere uitwerking van de reactie is opgenomen in paragraaf 7.1. Overige veiligheidszone In het bestemmingsplan is een veiligheidszone toxisch en weg opgenomen. De veiligheidszone weg bepaalt dat geen kwetsbare gebouwen (lees woningen) mogen worden gebouwd binnen deze zone. Deze keuze volgt vanuit het MER en loopt vooruit op de Omgevingswet. In de systematiek van de Omgevingswet worden gebieden aangewezen langs routes waar gevaarlijke stoffen worden vervoerd waar niet zondermeer zeer kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Deze verplichting volgt niet vanuit de huidige wetgeving, maar is toegevoegd door de gemeente in de geest van de Omgevingswet. De realisatie van nieuwe woningen die in dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, reikt niet tot aan deze zone.

De veiligheidszone toxisch bepaalt dat gebouwen van een handmatig afschakelbare ventilatie voorzien moeten zijn. Deze veiligheidszone geldt voor zowel Kabeldistrict als Nieuwe Haven. 4.9.3

Conclusie

De bovenstaande beschouwingen tonen aan dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. Met het advies is tevens aan de verantwoordingsplicht groepsrisico voldaan. Externe veiligheid is daarmee geborgd in het onderhavige bestemmingsplan.

4.10

Kabels, leidingen en overige infrastructuur

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die planologisch beschermd dienen te worden. Met overige kabels en leidingen wordt rekening gehouden in de uitvoeringsfase. De bescherming van de spoortunnel is geregeld in de Spoorwegwet. Op grond van artikel 19 van de Spoorwegwet is een vergunning vereist om binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg bouwwerken of andere opstallen op te richten en onder meer kabels, leidingen of beplantingen aan te brengen. Daarmee is geborgd dat bij de bouw- en grondwerkzaamheden rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van de spoortunnel. Gelet hierop is het niet noodzakelijk om in het bestemmingsplan ook een regeling voor de bescherming van de spoortunnel op te nemen. Bij de toetsing van vergunningaanvragen op grond van artikel 19 van de Spoorwegwet wordt door ProRail beoordeeld welke maatregelen in acht moeten worden genomen. Het aspect 'kabels, leidingen en overige infrastructuur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.11

Bodem

4.11.1 Kader De Wet bodembescherming stelt regels om de bodem en het grondwater te beschermen. Doel van de wet is bewerkstelligen dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie die in het betreffende gebied wordt toegestaan. Er worden verschillende klasses in de bodemkwaliteit onderscheiden met een verschillend niveau van toegestane verontreiniging in de bodem. Indien de bodem te sterk verontreinigd is voor de beoogde functie, moet een sanering uitgevoerd worden. De wijze van saneren en de afspraken daarover worden in een zogenaamde BUS-procedure uitgevoerd en gerapporteerd. Voor het toepassen van grond en baggerspecie is het Besluit Bodemkwaliteit van belang, waaronder geregeld is welke kwaliteit grond toegepast kan worden voor welke functie. Het wettelijke kader kent een eigen vergunningtraject waarin rapportages over bodemkwaliteit, toe te passen grond en eventuele saneringen worden gemaakt en getoetst door het bevoegd gezag. 4.11.2 Onderzoek Kabeldistrict bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 97

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 Vanaf de jaren negentig van de 20e eeuw zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de bodemkwaliteit van het plangebied Kabeldistrict. In 2021 is in een vooronderzoek een bundeling van de verschillende onderzoeken opgenomen (Bijlage 49). Dit is vervolgens beoordeeld door de gemeente, deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 29. Uit het vooronderzoek blijkt dat ter plaatse van de locatie meerdere ernstige verontreinigingen voorkomen. In het vooronderzoek is een overzicht opgenomen van de verontreinigingen die in de bodem van de projectlocatie zijn aangetroffen. Deze verontreinigingen kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën: 1. De diffuus heterogeen verontreinigde ophooglaag die binnen de gehele projectlocatie aanwezig is. De laag bestaat voor een deel uit meer dan 50% antropogene materialen. Dit deel van de ophooglaag betreft daarmee geen bodem. Deze laag is aanwezig ter plaatse van Schieweg 15, Schieweg 60, de huidige openbare ruimte (Schieweg) en de loskade langs de Schie. 2. Historische gevallen van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie, inclusief restverontreinigingen van eerder uitgevoerde bodemsaneringen. Deze verontreinigingen zijn aanwezig ter plaatse van de Schieweg 15, de huidige openbare ruimte (Schieweg) en de loskade langs de Schie. 3.

Nieuwe verontreinigingen, inclusief restverontreinigingen van gesaneerde nieuwe verontreinigingen. Deze verontreinigingen zijn alleen ter plaatse van Schieweg 60 aanwezig. Nieuwe verontreinigingen zijn verontreinigingen die overwegend na 1987 zijn veroorzaakt. Op deze verontreinigingen is zorgplicht van toepassing. Geen van de verontreinigingen is als spoedeisend aangeduid, zodat geen directe sanering noodzakelijk is. Wel dient voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden een sanering plaats te vinden. Een saneringsplan daarvoor is nog niet opgesteld. De bodemkwaliteit is onvoldoende voor het realiseren van een woonfunctie, maar is voldoende in beeld. Daarmee vormt het aspect bodem geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan, maar dient wel sanering volgens het wettelijke kader uitgevoerd te worden. Nieuwe Haven Ter plaatse van Nieuwe Haven hebben diverse fabrieken en bedrijven gestaan. Er is daarom in de periode vanaf 1992 een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in bijlagen 14, 15, 16, 42, 50, 51 en 52. Het overzicht hiervan is opgenomen in de Memo Beoordeling bodemkwaliteit Nieuwe Haven (zie Bijlage 31). De onderzoeken hebben inzichtelijk gemaakt dat sanering van de bodem noodzakelijk was, omdat er ernstige verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn.

Op de locatie Octatube is in 2014 een sanering uitgevoerd overeenkomstig een BUS-melding (groen omlijnd in onderstaand figuur). De locatie van Substrate is in 2016-2017 gedeeltelijk gesaneerd (blauw gemarkeerde deel). Het oostelijke deel van deze locatie dient nog gesaneerd te worden (geel omlijnde deel). Voor de bodemsanering op deze locatie is een saneringsplan opgesteld. De saneringsdoelstelling is erop gericht om de risico's voor verspreiding en contact weg te nemen, zodanig dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het nieuwe gebruik. Hiervoor is (westelijke deel) en wordt (oostelijke deel) mobiele verontreiniging (zoals olie) verwijderd en waar nodig worden de immobiele verontreinigingen (zoals zware metalen) verwijderd of geïsoleerd.

bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 98

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2

Figuur 4.20: Weergave fasering bodemsanering (bron: gemeente Delft, 2021). De sanering van de locatie Octatube uit 2014 betrof een ontgraving en het afvoeren van verontreinigde grond tot een diepte van 1 meter onder het toenmalige maaiveld. Ter plaatse van de ontgraven grond is een nieuwe isolerende leeflaag aangebracht, eveneens van 1 meter. De sanering is als afgerond beschouwd door het bevoegd gezag en daarmee is het terrein geschikt voor de beoogde woonfunctie. Het westelijke gedeelte van de locatie Substrate is eveneens gesaneerd. Hier is een groot deel van de overtollige grond in de bodemlaag tot 1,5 meter onder het originele maaiveld herschikt. De overtollige verontreinigde en niet herschikbare grond (gemiddeld een laag van 1 meter) is afgevoerd of tijdelijk in depot geplaatst. Ter plaatse is een gemiddeld 1 meter dikke isolerende leeflaag aangebracht. De sanering is bijna helemaal als afgerond beschouwd door het bevoegd gezag. Alleen is in het noordwesten van het plangebied in het grondwater een te hoge concentratie vinylchloride aangetroffen. In overleg met het bevoegd gezag wordt dit gemonitord tot en met 2024. Indien noodzakelijk worden eerder maatregelen getroffen om de gevolgen van de verontreiniging te beperken als de werkzaamheden voor het bouwen voor 2024 gestart worden.

Dit is geregeld in het saneringsplan en de afspraken die daarover gemaakt zijn met het bevoegd gezag. Het oostelijke gedeelte van de locatie Substrate is nog niet gesaneerd. Voor de locatie is wel een saneringsplan opgesteld. Ook hiervoor is voorgesteld een schone leeflaag van gemiddeld 1 meter aan te brengen tot het nieuwe maaiveld. Eventueel is het ook mogelijk de verontreiniging te isoleren door verharding of te realiseren bebouwing aan te brengen. Daarbij dient dan de isolerende maatregel in stand te blijven. In het bestemmingsplan is daarom geregeld dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan de leeflaag een vergunning van het bevoegd gezag nodig is. In 2022 is de kade ten zuiden van de Rotterdamseweg nader onderzocht (zie bijlage 10 en 32). De locatie is in gebruik als openbare ruimte, bestaande uit kade, groenvlakken en wegcunet met klinkers/kasseien. De locatie blijft na de herinrichting, aanleg nieuwe groenvlakken en vernieuwing wegcunet, in gebruik als openbare ruimte. Op de locatie is hoogstwaarschijnlijk sprake van een ophooglaag met daarin heterogeen verspreid licht tot gemiddeld matige verontreiniging met zware metalen. In een strook aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn diverse boringen in de ondergrond (gemiddeld vanaf 0,5 m-mv) gestuit op een niet doordringbare harde laag.

Plaatselijk (zuidwestzijde) is in de ondergrond een spot van een sterke verontreiniging met koper aangetroffen. Ook is in de ondergrond een spot met een sterke verontreiniging van minerale olie aangetroffen. De sterk verhoogde gehalten (koper en minerale olie) zijn aangetroffen in een volume dat kleiner is dan 25 m3. Hierdoor is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wanneer ter plaatse van de spots met sterk verontreinigde grond graafwerkzaamheden plaatsvinden, dan zullen de werkzaamheden bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 99

bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2 voorafgaand aan de uitvoering afgestemd moeten worden met de gemeente. Dit kan met behulp van het opstellen van een plan van aanpak. Daarnaast zal er rekening gehouden moeten worden met dat voor de afvoer en afzet van vrijkomende grond over het algemeen alleen een AP04 onderzoek (kwaliteitsverklaring) door aannemers en grondacceptanten wordt geaccepteerd als kwaliteitsbewijs. Aan de zuidwestkant van het plangebied is de bodem niet nader onderzocht. Hier wordt geen wijziging van de functie mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Daarom is een onderzoek hier niet noodzakelijk. Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op dit terreindeel hebben verontreinigingen aangetoond. Op basis van deze onderzoeken is in 2013 door het bevoegd gezag een beschikking ernst & spoed opgesteld wegens een calamiteit aan de Rotterdamseweg 202. Daarbij is gesteld dat de locatie nog vóór de calamiteit d.d. 10 september 2010 verontreinigd was met onder andere zware metalen, PAK en olie. Deze verontreinigingen zijn beschouwd als historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987), die zijn veroorzaakt door de gebruikers van de locatie Rotterdamseweg 222. Nadien heeft een calamiteit voorgedaan ten noorden en oosten van locatie Rotterdamseweg 222.

De nieuw ontstane verontreiniging met olie is in de periode november 2010 en januari 2011 gesaneerd tot aan de historische verontreinigingen. In 2016 heeft een actualiserend bodemonderzoek op locatie Rotterdamseweg 222 plaatsgevonden (zie Bijlage 11). Hierin heeft gericht onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijk nog aanwezige 'nieuwe' verontreiniging afkomstig van de calamiteit. In het rapport aangeduid als vlek 1 en vlek 4. In de conclusie wordt vermeld dat de verontreinigingen met minerale olie (vlek 1 en vlek 4) niet zijn aangetoond. Er kan daarom gesteld worden dat bij het huidige gebruik in de categorie “ander groen, bebouwing, infrastructuur, industrie is vastgesteld er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s; geen onaanvaardbare risico’s voor mens, het ecosysteem en/of verspreiding van verontreinigd grondwater. Saneringsmaatregelen zijn daarom niet in de beschikking opgelegd bij behoud van het gebruik. Bij een bestemmingswijziging in een latere fase naar een ander (gevoeliger) gebruik moet opnieuw bekeken worden of sanerende maatregelen wel noodzakelijk zijn. Met deze beschikbare informatie en de opgenomen regeling voor het niet zonder vergunning dieper graven dan de leeflaag bieden voldoende bescherming. Daarmee vormt het aspect bodem geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

Laga De gemeente heeft voor Laga separaat een beoordeling opgesteld van de bodemkwaliteit (zie Bijlage 30 en Bijlage 34). Op de locatie is sprake van een ophooglaag met daarin concentraties van enkele zware metalen boven de interventiewaarde. De sterk verhoogde gehalten zijn aangetroffen in een volume dat groter is dan 25 m3. Hierdoor is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze verontreiniging wordt alleen aangetroffen in de ophooglaag en is aanwezig vanaf maaiveld tot circa 1,0 m-mv. Indien ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging graafwerkzaamheden plaatsvinden, moet een saneringsplan (BUS-melding) ingediend worden bij het bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Haaglanden. De saneringswerkzaamheden moeten uitgevoerd worden door een BRL7001 gecertificeerde aannemer en begeleid worden door een BRL6001 erkend milieukundig begeleider. Ten behoeve van het bestemmingsplan is redelijkerwijs in kaart gebracht wat de bodemkwaliteit is. De bodem is geschikt te maken voor de beoogde bestemming. Afhankelijk van de definitieve inrichting wordt (een deel van) de verontreinigde grond verwijderd. Met behulp van de bodemonderzoeken zijn op dit moment zoveel mogelijk de risico's inzichtelijk gemaakt.

4.11.3 Conclusie Op basis van de onderzoeken en saneringen die plaatsgevonden hebben in het plangebied kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit in een deel van het gebied Nieuwe Haven voldoende is om de functie wonen te realiseren. In een deel van het gebied dient nog een sanering uitgevoerd te worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. In dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen die het in tact laten van de leeflaag regelen, zodat contact met en verspreiding van vervuilde onderliggende lagen uit het gebied voorkomen wordt. Voor Kabeldistrict is voldoende inzichtelijk welke verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn. Hier dient een saneringsplan opgesteld te worden volgens de Wet bodembescherming en het Besluit bestemmingsplan "Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) HERSTELBESLUIT 2" (vastgesteld) 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15109938/1