Bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
Tekst van het document
Deze onderzoekslocatie was gelegen op deellocatie 1. Het doel van het onderzoek is het vaststellen of er verontreinigde activiteiten hebben plaatsgevonden rondom het tankstation. Het onderzoek is verdeeld in 5 deellocaties: de tankinstallatie, vloeistofdichte vloer en OBAS van het tankstation en de vloeistofdichte vloer en OBAS van de wasstraat. Tijdens het onderzoek bleek dat de OBAS van het tankstation niet bereikbaar was. Deze dient in een later stadium onderzocht te worden. Op de 4 andere deellocaties zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Aanvullend eindsituatiebodemonderzoek t.p.v. OBAS tankstation Martinus Nijhofflaan 70, 2624 ES Delft, Kosterman Milieutechniek BV, kenmerk: 181305-TeOBAS-MNijh70-itts(mvd), d.d. 23-03-2018: In voorgaand eindsituatieonderzoek van Kosterman Milieutechniek BV (zie vorig bodemonderzoek) was de OBAS ter plaatse van de tankstation onbereikbaar. Het doel van dit onderzoek was het vaststellen van de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van de tankstation OBAS. Tijdens het onderzoek zijn geen verontreinigingen aangetroffen ter plaatse van de OBAS. Deellocaties 1 & 2 Verkennend bodemonderzoek Troelstralaan te Delft, Oranjewoud, kenmerk: 239137.14, d.d. 11 07-2012 De aanleiding van het onderzoek was de voorgenomen uitbreiding van het winkelcentrum ‘De Hoven’ De onderzoekslocatie was gelegen op zowel deellocatie 1 als 2.
Het doel van het onderzoek was het vast stellen van de bodemkwaliteit op de locatie. In de bovengrond worden plaatselijk licht verhoogde gehalten aan zware metalen (zink, cadmium en kwik) en PCB aangetroffen. In de ondergrond worden PCB en PAK licht verhoogd gemeten. In het grondwater wordt een licht verhoogde concentratie aan dichloorethenen, barium en xylenen gemeten. Deellocatie 2 Nader bodemonderzoek Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068, d.d. 12-11-2014
Blad 6 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
De aanleiding van het onderzoek was het aantreffen van een olieproduct tijdens werkzaamheden. Het olieproduct was aangetroffen nabij deellocatie 2 (ca. 5 m afstand). Het doel van het onderzoek was drieledig: - Bepalen van de herkomst van de verontreiniging met olieproduct; - Vaststellen van de omvang van de verontreiniging in de grond en het grondwater; - Vaststellen van de ernst van de verontreiniging in de grond en het grondwater. Er was geen duidelijke bron van de lekkage vastgesteld. De verontreiniging werd beschouwd als een historische verontreiniging, ontstaan voor 1987. De grond is plaatselijk sterk verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is, met uitzondering van een lichte verontreiniging met naftaleen bij peilbuis 6, niet verontreinigd met minerale olie en vluchtige aromaten. Het bodemvolume sterk verontreinigde grond wordt geschat op minder dan 25 m3. Conform het gestelde in de Wet bodembescherming is geen sprake van een geval van een ernstige bodemverontreiniging omdat het volumecriterium voor grond niet wordt overschreden. Plan van aanpak Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068B-PVA, d.d. 18-11-2014 De aanleiding voor de sanering wordt gevormd door de voorgenomen herinrichting evenals de in voorgaand onderzoek aangetoonde verontreinigingen in de bodem. Het gehele terrein krijgt een bedrijfsmatige bestemming.
De doelstelling van de sanering is het verwijderen van de verontreiniging met olieproduct tot een zodanig niveau dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik. Het olieproduct was aangetroffen nabij deellocatie 2 (ca. 5 m afstand). Het plan van aanpak had betrekking tot de olieverontreiniging die is beschreven in voorgaand verslag (Nader bodemonderzoek Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068, d.d. 12-11-2014). Evaluatie bodemsanering Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068BEVA, d.d. 24-02-2015 De aanleiding voor de sanering wordt gevormd door de voorgenomen herinrichting evenals de in voorgaand onderzoek aangetoonde verontreinigingen in de bodem. Het gehele terrein krijgt een bedrijfsmatige bestemming. De doelstelling van de sanering is het verwijderen van de verontreiniging met olieproduct tot een zodanig niveau dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik. Het olieproduct was aangetroffen nabij deellocatie 2 (ca. 5 m afstand). Uit de analyseresultaten blijkt dat bij één controlemonster (PW2 50-100 cm-mv)) nog sprake is van een overschrijding van de terugsaneerwaarde (bodemspecifieke achtergrondwaarde). Deze toetsingswaarde wordt met een factor twee overschreden, het gehalte is echter nog steeds licht verhoogd en voldoet verder aan de klasse industrie.
Verwacht werd dat de achterblijvende lichte restverontreiniging als gevolg van natuurlijke processen in de bodem op termijn verder afneemt. Gesteld kan worden dat door de saneringswerkzaamheden een afdoende saneringsresultaat is behaald, die aansluit bij de doelstelling van de sanering. Onderstaande onderzoeken zijn op of nabij deellocatie 1 of 2 uitgevoerd maar worden als niet bruikbaar beschouwd. Enerzijds omdat er nieuwere informatie bekend is anderzijds omdat de betreffende grond naar alle waarschijnlijkheid reeds van de locatie is afgevoerd. 1. Partijkeuring in-situ nieuwe riolering Troelstralaan te Delft, Oranjewoud, kenmerk: 239137.14, d.d. 11 juli 2012 2. Monitoringsrapportage Martinus Nijhofflaan 70, E.C.O. Inspections, kenmerk: 2624 ES_70_2011-21-22_HMON, d.d. 09-01-2012; 3. Monitoringsrapportage Martinus Nijhofflaan 70, EMN, kenmerk: 00M0100001, d.d. 0506-2000; 4. Saneringsevaluatie Martinus Nijhofflaan 70, IGN, kenmerk MH96.0054.1, d.d. 19-111996; 5. Saneringsplan Martinus Nijhofflaan 70, IGN, kenmerk: M50.246, d.d. 17-02-1995; 6. Nader onderzoek Martinus Nijhofflaan 70, IGN, kenmerk: M41.040, d.d. 07-07-1994;
Blad 7 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
Figuur 2.3: Overzicht van historisch kaartmateriaal ter plaatse van de onderzoekslocatie. Linksboven: onderzoekslocatie voor 1968. Rechtsboven: onderzoekslocatie van 1968-1974. Linksonder: onderzoekslocatie vanaf 1974-1981. Rechtsonder: onderzoekslocatie huidige situatie.
7. 8.
Indicatief onderzoek Aart van Leeuwlaan 5, De Straat, kenmerk: B1417, d.d. 15-11-1992; Oriënterend bodemonderzoek Martinus Nijhofflaan 70, IGN, kenmerk: M11.4418, d.d. 04-02-1992.
Documenten ouder dan 5 jaar zijn verouderd en dienen minimaal te worden geactualiseerd. Informatie hierin is vaak niet meer relevant voor de huidige situatie op de onderzoekslocaties, of zijn in recentere documentatie beschreven. In dit geval is de meest recente documentatie (hierboven beschreven) als representatief geacht voor deellocatie 1 en deellocatie 2. Verouderde documenten die beschikbaar waren zijn voor de volledigheid toegevoegd aan het onderzoek.
2.5
Gebruik en beïnvloeding van de locatie door gebruik
2.5.1
Voormalig, huidig en toekomstig gebruik Voormalig en huidig gebruik Uit historisch kaartmateriaal (topotijdreis) en Basisregistratie adressen en gebouwen blijkt dat er bebouwing aanwezig is ter plaatse van beide deellocaties sinds 1968. Voor 1968 was er grasland gelegen op beide deellocaties. De parkeerplaats ter plaatse van deellocatie 2 is tegelijk gebouwd met de andere bebouwing. Hiervoor was er een sloot aanwezig van ca. 1968 tot 1974. Deze is gedempt vanwege de aanleg van de bebouwing en parkeerplaats. Tot 1968 waren beide deellocaties onderdeel van de Lage Abtswoudsche Polder. Hierdoor zijn er mogelijk slootdempingen aanwezig op beide deellocaties (bovenop de slootdemping hierboven genoemd). Het is mogelijk dat er 2 tot 4 slootdempingen zijn gelegen ter plaatse van deellocatie 1 en één tot twee slootdempingen ter plaatse van deellocatie 2. De verhoogde parkeerplaats gelegen op deellocatie 1 is sinds 1981 aanwezig. Hiervoor was de deellocatie verhard, maar was er geen bebouwing aanwezig.
Blad 8 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
Toekomstig gebruik Het voorgenomen gebruik van blok 4 en 6 is de realisatie van twee woonblokken. Verder is er het voornemen om blok 5 te ontwikkelen tot een woontoren van circa 80 woningen.
2.6
Asbest Deellocatie 1. De parkeergarage en het westelijk deel van het winkelcentrum gelegen ter plaatse van deellocatie 1 is aangelegd in 1981. Het type funderingsmateriaal dat is gebruikt op deze locatie is onbekend. Deellocatie 2 Het winkelcentrum en bijbehorende parkeerplaats zijn aangelegd in 1974. Het type funderingsmateriaal dat is gebruikt op deze locatie is onbekend. De fundering van gebouwen die voor 1993 zijn gebouwd en bestrating die voor 1993 is aangelegd, is verdacht op het voorkomen van asbest. Dit is het geval omdat de aanleg van de parkeerplaats en de bebouwing heeft plaatsgevonden in een periode waarin er vaak asbest gebruikt werd in funderingsmateriaal. Voor 1993 was er geen wetgeving die het gebruik van asbesthoudend materiaal in funderingen verbood. In 1993 is het asbestverwijderingsbesluit aangenomen dat een algeheel verbod op het gebruik van asbest realiseerde. Omdat de funderingen van de parkeerplaats en winkelcentrum voor 1993 aangelegd zijn, is het mogelijk dat hier toentertijd asbest in gebruikt is. Hierdoor kan er asbest vrijkomen tijdens de sloopwerkzaamheden die mogelijk verricht zullen worden op deze locaties. Bij het slopen van gebouwen dient er altijd een asbestinventarisatie meegeleverd te worden. Hierdoor is het bij de eventuele sloop van het winkelcentrum niet benodigd om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren.
Bij de eventuele sloop van het parkeerterrein ter plaatse van deellocatie 2 zal er van tevoren mogelijk wel onderzoek verricht moeten worden naar de aanwezigheid van asbest in het funderingsmateriaal.
2.7
PFAS (Poly- en Perfluoralkylstoffen) In de nabije omgeving van deze onderzoekslocatie (<25 m) zijn geen gegevens aangetroffen over de aanwezigheid van een op PFAS verdachte puntbronlocatie. Voor de definiëring van PFAS puntbronlocaties is tabel 1 en bijgaande tekst in het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (Expertisecentrum PFAS (2018, 25 juni) “Een handelingskader voor PFAS”, beschikbaar via https://www.expertisecentrumpfas.nl/documenten.html) gehanteerd. Daarnaast is gebruik gemaakt van een UBI-lijst waarop UBI’s met een verdenking tot het verspreiden van PFAS voorkomen. Deze is gebaseerd op de eerder genoemde tabel 1 en de huidige beschikbare kennis. Van atmosferische depositie (droge en natte neerslag van (stof)deeltjes uit de atmosfeer) is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Aangenomen wordt dat atmosferische depositie de enige bron van PFAS-verontreiniging op deze locatie kan zijn.
2.8
Terreinverkenning Op 24-08-2022 is door Wouter Stouthamer van Antea Group een terreinverkenning uitgevoerd ter plaatse van beide deellocaties. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Het trottoir, dat ten noorden, westen en zuiden langs deellocatie 1 loopt, is zowel klinker- als tegelverhard. De ingang tot de verhoogde parkeergarage is verhard met asfalt. De verhoogde parkeergarage zelf is
Blad 9 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
verhard met tegels. Er is verder een grasveld aanwezig ter plaatse van deellocatie 1. Er is één ondergrondse afvalcontainer aanwezig op deellocatie 1, langs de Troelstralaan (noordkant). Het parkeerterrein ter plaatse van deellocatie 2 is klinkerverhard en het trottoir is verhard met tegels. Er is één ondergrondse afvalcontainers aanwezig op deellocatie 2. Foto’s van de terreininspectie zijn opgenomen in bijlage 2.
Blad 10 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
3
Conclusies en aanbevelingen Bodemkwaliteit De verzamelde informatie geeft aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op het onderzoeksterrein. Tot circa 2018 heeft er een tankstation met wasserij en 4 ondergrondse brandstoftank gestaan op deellocatie 1. Twee eindsituatieonderzoeken uit 2018 (Eindsituatiebodemonderzoek tankstation en wasstraat Martinus Nijhofflaan 70, 2624 ES Delft, Kosterman Milieutechniek BV, kenmerk: 171201-TeMNijh70-itts(mvd), d.d. 18-01-2018 & Aanvullend eindsituatiebodemonderzoek t.p.v. OBAS tankstation Martinus Nijhofflaan 70, 2624 ES Delft, Kosterman Milieutechniek BV, kenmerk: 181305-TeOBAS-MNijh70-itts(mvd), d.d. 23-03-2018) hebben aangetoond dat het tankstation en de vier aanwezige tanks geen verontreinigingen hebben veroorzaakt. Nabij deellocatie 2 is er tijdens werkzaamheden in 2014 olieproduct aangetroffen (Nader bodemonderzoek Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068, d.d. 12-112014). Hierdoor is er nabij deellocatie 2 een sanering uitgevoerd van het olieproduct (Evaluatie bodemsanering Troelstralaan ong. te Delft, Ingenieursbureau Mol, kenmerk: 16068B-EVA, d.d. 2402-2015). Er is een restverontreiniging van minerale olie achtergebleven in ter plaatse van PW2, welke op ca. 5 m afstand is gelegen van deellocatie 2.
Er is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie achter gebleven, welke naar verwachting via natuurlijke processen zal afnemen. Verder zijn er mogelijk 2 tot 4 slootdempingen aanwezig op beide deellocaties. Beide deellocaties waren voorheen gelegen in de Lage Abtswoudsche Polder. Verder was er ter plaatse van deellocatie 2 tussen 1968-1974 een kanaaltje gelegen die is gedempt. Het is onbekend wat voor kwaliteit opvulmateriaal is gebruikt om de sloten en kanaaltje ter plaatse te dempen. Hierdoor zijn aanwezige slootdempingen in de grond verdacht op verontreinigingen. Ook zijn er ter plaatse van deellocatie 2 mogelijk funderingen aanwezig onder de parkeerplaats. Deze zijn niet alleen verdacht op asbest, maar er kunnen ook zware metalen, PAK’s en minerale olie uitlogen. Tijdens voorgaand onderzoek nabij deellocatie 2 is er geen onderzoek uitgevoerd naar mogelijk aanwezige funderingen. Hierdoor is het onbekend of de aanwezige funderingen voor verontreinigingen hebben gezorgd. Asbest De parkeerplaats op deellocatie 2 is aangelegd voor 1993, waarbij het onbekend is wat voor funderingsmateriaal hierbij gebruikt is. Gebouwen die voor 1993 zijn gebouwd en bestrating dat voor 1993 is aangelegd is verdacht op het voorkomen van asbest, omdat er voor 1993 geen wetgeving was dat het gebruik van asbesthoudend materiaal in funderingen verbood.
In 1993 is het asbestverwijderingsbesluit aangenomen dat een algeheel verbod op het gebruik van asbest realiseerde. Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat deellocatie 2 als asbestverdacht wordt aangemerkt. Conclusie en aanbevelingen Het doel van het vooronderzoek is het bepalen of er mogelijke milieuhygiënische belemmeringen, voor het voorgenomen bestemmingsplan, aanwezig zijn op de locatie De Hoven Passage. Op deze locatie is voorgenomen om een partiele herziening van het bestemmingsplan voor de locatie ‘De Hoven Passage’ door te voeren, om de bouw van woontorens te realiseren. Er zijn milieukundige belemmeringen aangetroffen op beide deellocaties. Het wordt geadviseerd om bodem- en asbestonderzoek uit te voeren ter plaatse van zowel deellocatie 1 als deellocatie 2, voordat er een start gemaakt wordt met werkzaamheden omtrent de aanleg van de woontorens. Ook dient genoteerd te worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse niet mag verslechteren door de gewenste ontwikkelingen. Ons advies is om het mogelijk aanwezige funderingsmateriaal, ter plaatse van de parkeerplaats van deellocatie 2, op voorhand te laten
Blad 11 van 12
Milieuhygiënisch vooronderzoek De Hoven Passage aan de Troelstralaan te Delft projectnummer 0479344.100 december 2022, revisie 01
onderzoeken voordat er wordt begonnen met de sloopwerkzaamheden. Ook adviseren we om een controleboring te plaatsen op het meest zuidwestelijke deel van deellocatie 2. Op basis van dit vooronderzoek is het bestemmingsplan akkoord, wel wordt een bodem- en asbestonderzoek geadviseerd voordat er daadwerkelijk wordt gestart met de graafwerkzaamheden. Antea Group Capelle aan den IJssel, december 2022
Blad 12 van 12
Bijlage 1 Toelichting op vooronderzoek
Bijlage 1: Toelichting op vooronderzoek Vooronderzoek Bodemverontreiniging kan een belemmering vormen voor geplande (graaf)werkzaamheden of ontwikkelingen op een locatie. In verband met bodemverontreiniging kunnen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Afhankelijk van het type verontreiniging en de mate en omvang van de verontreiniging kunnen ook milieumeldingen/vergunningaanvragen in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) nodig zijn. Om duidelijkheid te krijgen of een locatie verdacht is voor bodemverontreiniging, vindt normaliter in eerste instantie een vooronderzoek plaats. Dit vooronderzoek wordt uitgevoerd conform de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde bodem – Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risicogestuurd werken. Tweede gewijzigde druk” (december 2017). Het vooronderzoek is daarnaast gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Betrouwbaarheid/garanties De voor het vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn niet altijd zonder fouten en niet altijd volledig. Voor het verkrijgen van historische informatie is Antea Group wel afhankelijk van deze bronnen, waardoor Antea Group niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Verder zijn resultaten van reeds verrichte bodemonderzoek nooit 100% representatief voor de bodemkwaliteit omdat de resultaten zijn bepaald door het steekproefsgewijs bemonsteren van al dan niet verdachte bodemlagen. Deze steekproefsgewijze benadering maakt het onmogelijk om garanties ten aanzien van de verontreinigingssituatie af te geven op basis van de resultaten van een bodemonderzoek. Het vorenstaande betekent dat Antea Group op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Antea Group uitgevoerde onderzoek neemt. In een voorkomend geval adviseren wij u altijd contact op te nemen met uw aanspreekpunt binnen Antea Group. Certificatie/accreditatie Antea Group is gecertificeerd volgens NEN-ISO 9001. Ons bureau is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek (VKB). De naleving van de kwaliteitseisen en -procedures wordt periodiek getoetst door interne auditors en externe auditors, onder toezicht van de Raad voor Accreditatie. De onderzochte locatie is niet in eigendom van Antea Group of gerelateerde zusterbedrijven.
Bijlage 2 Foto's terreinverkenning
Fotonummer: 1 Omschrijving: Wegopbreking nabij deellocatie 2
Fotonummer: 2 Omschrijving: Kwalitaria ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 3 Omschrijving: Parkeerplaats met ondergrondse afvalcontainers ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 4 Omschrijving: Parkeerplaats ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 5 Omschrijving: Parkeerplaats ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 6 Omschrijving: Parkeerplaats ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 7 Omschrijving: Parkeerplaats en trottoir ter plaatse van deellocatie 2.
Fotonummer: 8 Omschrijving: Trottoir met ondergrondse afvalcontainers ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 9 Omschrijving: Trottoir en ingang parkeergarage langs de Troelstralaan ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 10 Omschrijving: Trottoir langs de Aart van der Leeuwlaan ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 11 Omschrijving: Trottoir, fietspad en grasveld ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 12 Omschrijving: Grasveld ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 13 Omschrijving: Grasveld ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 14 Omschrijving: Inrit en trottoir nabij deellocatie 1.
Fotonummer: 15 Omschrijving: Inrit en ingang supermarkt ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 16 Omschrijving: Ingang verhoogde parkeergarage ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 17 Omschrijving: Bovenkant parkeergarage ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 18 Omschrijving: Bovenkant parkeergarage ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 19 Omschrijving: Bovenkant parkeergarage ter plaatse van deellocatie 1.
Fotonummer: 20 Omschrijving: Interieur winkelcentrum ter plaatse van deellocatie 1.
Tekeningen
Onderzoekslocatie
OPDRACHTGEVER
GIS SPECIALIST
SCHAAL
PROJECTLEIDER
FORMAAT
A3 PROJECTOMSCHRIJVING
DATUM
24-08-2022
1 van 1 WIJZ.NR
STATUS KAARTTITEL
defini ef
Overzichtskaart
www.anteagroup.nl
KAARTNUMMER
BLAD IN BLADEN
D0
www.anteagrou
C:\Users\d17841\OneDrive - Antea Group\Desktop\Data\Projecten\0479344.100 HO De Hoven, Del \QGIS TerraIndex\20220407 QGIS TerraIndex.qgz
Legenda Onderzoeksgebied Loca e woontorens
Blok 6
Deellocatie 2
Blok 5
Deellocatie 1
Blok 4 OPDRACHTGEVER
GIS SPECIALIST
SCHAAL
PROJECTLEIDER
FORMAAT
A3 PROJECTOMSCHRIJVING
DATUM
24-08-2022
1 van 1 WIJZ.NR
STATUS KAARTTITEL
definitief
Situa etekening
www.anteagroup.nl
KAARTNUMMER
BLAD IN BLADEN
D0
www.anteagrou
C:\Users\d17841\OneDrive - Antea Group\Desktop\Data\Projecten\0479344.100 HO De Hoven, Del \QGIS TerraIndex\20220407 QGIS TerraIndex.qgz
Contactgegevens
Rivium Westlaan 72 2909 LD Capelle aan den IJssel Postbus 8590 3009 AN Rotterdam
www.anteagroup.nl
Copyright © 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
Bijlage 3 Natuurtoets
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 32
QUICKSCAN TROELSTRALAAN EN AART VAN DER LEEUWLAAN TE DELFT Definitief rapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 20-9-2022
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Antea Group Dhr. C. van Tilburg Rivium Westlaan 72 2909 LD Capelle A/D IJssel Cor.vanTilburg@anteagroup.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. E. Vinke
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. B. Albers ing. C.J.M. Groeneveld
Projectcode: Status: Datum:
AGNA2211 Definitief 20-9-2022
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens de parkeergarage aan de Troelstralaan en Aart van der Leeuwlaan te Delft te amoveren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Het westelijk deel (deel A) van het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Het projectgebied kan fungeren als foerageergebied van vleermuizen. De bomenrij en bebouwing in het projectgebied kan fungeren als vliegroute van vleermuizen. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Door de werkzaamheden aan de bebouwing in het projectgebied worden potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast of vernietigd. Hierdoor kunnen individuen van vleermuizen worden verstoord en gedood. Negatieve effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en het Natura 2000-gebied worden niet verwacht. Er is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in deelgebied A nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen.
Het aanvullend onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op de te verwachte vleermuissoorten, de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor de beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Er wordt aanbevolen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijk nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Men dient zich te houden aan de algemene zorgplicht. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Zoogdieren ......................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 11 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 11 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 12 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 12 3.2.6 Ongewervelden...................................................................................................................
12 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 12 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 12 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 12 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 12 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 13 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 13 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 13 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 13 4 4.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 14 Effecten ................................................................................................................................. 15
5 5.1 5.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 16 Conclusies ............................................................................................................................. 16 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 16
6
Literatuur .................................................................................................................................. 17
Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 18 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 19
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL
De initiatiefnemer is voornemens de parkeergarage aan de Troelstralaan en Aart van der Leeuwlaan te Delft te amoveren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED
Het projectgebied is gelegen in de gemeente Delft in kilometerhok: X: 83/ Y: 445, 446 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer. Waarbij de deelgebieden zijn aangegeven met deel A en deel B.
B
A
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de Troelstralaan en Aart van der Leeuwlaan te Delft. Het westelijk deel (deel A) van het projectgebied bestaat uit een deel van het winkelcentrum De Hoven Passage met het dak als parkeergarage. De gevels van de bebouwing is opgebouwd uit verschillende materialen. De gevels zijn grotendeels uit bakstenen opgetrokken en enkele delen van de bestaan uit kunststof platen. Ten noorden van dit deel van het projectgebied is een bomenrij aanwezig bestaande uit es (Fraxinus excelsior). Ten zuiden van dit deel van het projectgebied is een plein gelegen met populieren en een grasveld met een wandelpad in het midden. Het oostelijk deel (deel B) van het projectgebied bestaat uit een parkeerplaats met een bomenrij bestaande uit linde (Tilia sp.) In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN
De initiatiefnemer is voornemens de parkeergarage in deelgebied A te amoveren. Het andere deel van het projectgebied valt tevens onder het onderzoeksgebied. Op afbeelding 2 is een foto met bovenaanzicht van de huidige situatie weergegeven. Het ontwerp van de ontwikkelingen zijn ten tijde van de habitatscan niet bekend.
8
Afbeelding 2: Huidige situatie
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK
Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2022 en is uitgevoerd door ing. B. Albers. Tijdens de habitatscan was het onbewolkt met een temperatuur van circa 27 °C en een windkracht van 3 Bft. 3.2.1
ZOOGDIEREN
De bebouwing in deelgebied A biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Er zijn openingen aanwezig onder de dakrand, in stootvoegen, achter plaatmateriaal en bij de entree in het zuiden van het deelgebied onder het overstek bij de rand en onder de houten balken. Deze openingen bieden toegang tot achterliggende ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven. Op afbeelding 3 t/m 6 zijn foto’s weergegeven van de openingen die mogelijkheden bieden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. In deelgebied B zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.
Afbeelding 3: Openingen bij dakrand
Afbeelding 4: Openingen bij overstek; houten balken en dakrand
10