Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen
Tekst van het document
7. Groe nda ke n, ba lkonba kke n, pa rke e rga ra ge da ke n e n wa te r op da ke n
-
m2
-
7.1 Groen dak (5 - 7 cm substraatlaag) met sedumplanten
m2
-
2
-
Substraatlaag van minimaal 5 cm, pakketdikte minimaal 10cm. Minimaal begroeid met sedum.
7.2 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 7 cm) met sedum, grassen en kruiden
m2
-
4
-
Substraatlaag van minimaal 7 cm. Beplanting van sedum, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting met in ieder geval kruiden of grassen wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
7.3 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 15cm) met grassen, kruiden en dwergheesters
m2
-
6
-
Substraatlaag van minimaal 15 cm. Beplanting van dwergheesters, grassen en kruiden. Geen sedumplanten. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
7.4 Intensief groen dak (substraatlaag van minimaal 30cm) met grassen, kruiden en heesters
m2
-
8
-
Substraatlaag van minimaal 30 cm. Beplanting van (dwerg)heesters, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
7.5 Intensief (substraatlaag van minimaal 50cm) groen dak met struiken, grassen, kruiden en/of bomen
m2
-
10
-
Tuin op daken van gebouwen, inclusief daken van parkeergarages. Substraatlaag van minimaal 50 cm en voldoende ruimte als groeiplaats voor struiken en bomen. Wanneer zowel de substraatlaag en de struiken en/of bomen worden gerealiseerd, worden de punten toegekend.
7.6 Bruin dak
m2
-
4
-
Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit lokale grond, stenen, zand en houtblokken.
7.7 Schelpendak
m3
-
2
-
Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit schelpen.
7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten
m2
-
8
-
Minimaal 5m2 oppervlak, voldoende draagkracht van het dak.
8. Ga zon e n onve rha rde pa de n
-
m2
-
8.1 Gazon
m2
-
2
-
Grasvelden zonder ecologisch beheer. Kunstgras telt niet mee.
8.2 Onverharde paden
m2
-
2
-
Onverharde paden van bijvoorbeeld schelpen, houtsnippers, grind en zand.
Overleg met de gemeente welke overige maatregelen toegestaan zijn en of hieraan eventueel punten kunnen worden toegekend.
9. Ove rig groe n e n bla uw in he t pla nge bie d
-
m2
-
9.1 Overige maatregelen
m2
-
0
-
9.2 Braakliggend terrein en kale grond
m2
-
2
-
Tota a l:
0 m2
0% groe n
d o e l:
300 m2
Zorg voor een gezonde bodem met goede grond. Hierop kan lokale vegetatie spontaan opkomen. Ga vervolgens over op ecologisch beheer of laat het gebied met rust. Deze grond is ook tijdens het bouwproces vrij van werkzaamheden. 0 punte n be ha a ld
20 p unte n
7. Checklist voor de leefgebieden van ambassadeursoorten Met het invullen van het formulier wordt direct getoetst of de verschillende natuurinclusieve maatregelen die nodig zijn voor de gekozen ambassadeursoorten compleet zijn. Vul de antwoorden op de vragen bij de gele cellen in en controleer of aan de voorwaarden van de leefomgeving van de gekozen ambassadeursoorten wordt voldaan.
34
Pla ntoetsingska der en Puntensysteem Na tuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Che cklist: leefgebied per doelsoort Toe lic hting: In d e ze c he c klist w o rd e n p e r le e fg e b ie d vo o rw a a rd e d e g e ko ze n ho e ve e lhe d e n na tuurinc lusie ve ma a tre g e le n b ij e lka a r o p g e te ld e n ing e vuld . Oo k w o rd t e r g e c he c kt o f d e p a sse nd e ma a tre g e le n uit he t sta p p e np la n me t "ja " zijn b e a ntw o o rd . Ie d e re vo o rw a a rd e mo e t ing e vuld zijn o m d e so o rt te vo o rzie n in a lle ha b ita tvo o rw a a rd e n e n mo e t minima a l 1 p unt a a n na tuurinc lusie ve inric hting sma a tre g e le n p e r vo o rw a a rd e o p le ve re n. Wa nne e r d it he t g e va l is, ve rsc hijnt e r e e n g ro e n vinkje na a st d e so o rtna a m (in p la a ts va n e e n ro o d kruis). Stuur d e g e vra a g d e b ijla g e n me e vo o r p la nto e tsing . Op b a sis va n d e ze b ijla g e n w o rd t b e o o rd e e ld o f e r w e rke lijk vo ld a a n w o rd t a a n d e vo o rw a a rd e n p e r so o rt zo a ls hie ro nd e r b e no e md . Ee n uitg e b re id e re to e lic hting p e r so o rt is te vind e n via d e ze link: http s:/ / na tuurinc lusie fo ntw ikke le n.nl/ d ie rso o rte n/ .
Huismus
Voorwa a rde n le e fge bie d
Bijpa sse nde ma a tre ge le n uit toe tsingsfomulie r:
Hoe ve e lhe id of a ntwoord:
kies minima a l één ma a treg el p er ha b ita tv o o rwa a rd e.
Ve rblijfpla a ts e n voortpla nting: Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel.
1.1 Nestvoorzieningen en broedplaatsen huismus
- stuks
Voe dse l: Voedselplanten, zoals bes-dragende heesters en grassen. Ook zijn gras, zand en water binnen 100m van de verblijven belangrijk.
2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 3.2 Heesters in meerdere soorten 3.4 Heggen en hagen meerdere soorten 7.2 - 7.5 Groene daken, exclusief sedumdaken
- m2
Ve ilighe id: Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, solitaire bomen en groenblijvende, stekelige struiken.
3.1 + 3.2 Heesters 3.3 + 3.4 Heggen en hagen 4.3 - 4.6 Bomen 2e en 3e orde 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.4 - 7.5 Groen dak met struiken en/of bomen
- m2
Ve rbinding: Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. En andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Meer informatie en inspiratie voor het leefgebied van de huismus: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/huismus/
Gewone dwergvleermuis Ve rblijfpla a ts e n voortpla nting: Verschillende soorten verblijfplaatsen, bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering.
1.4 Zomer-/paar-, kraam- en winterverblijven dwergvleermuis 1.5 Kraamverblijven dwergvleermuis 1.6 Massawinterverblijven dwergvleermuis
- stuks
Voe dse l: Vleermuizen eten veel insecten. Plant daarom veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen.
2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 4.1 - 4.6 Behoud of aanplant bomen 5.1 - 5.2 Wadi en amfibieënpoel 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.2 - 7.5 Groene daken, exclusief sedumdaken
- m2
Ve ilighe id: Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Ve rbinding: Waterlijnen en/of bomenrijen in de omgeving (binnen een straal van 100 m).
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Meer informatie en inspiratie voor het leefgebied van de gewone dwergvleermuis: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/gewone-dwergvleermuis/
Weidehommel Ve rblijfpla a ts e n voortpla nting: Insectstenen, zand, dood hout, holtes in stengels en stenenstapels.
1.8 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout.
-
Voe dse l: Nectar- en stuifmeelplanten en bomen met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar.
2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 2.2 Vaste planten in tuinen en openbare ruimte 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten 7.2 - 7.5 Groene daken, exclusief sedumdaken
- m2
Ve ilighe id: Creëer zonnige plekken die uit de wind liggen.
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Ve rbinding: Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.
Meer informatie en inspiratie voor het leefgebied van bijen en vlinders: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/bijen-vlinders/
Egel Ve rblijfpla a ts e n voortpla nting: 3.1 - 3.2 Heesters Structuurrijke, gelaagde beplanting van o.a. groene tuinen en 3.3 - 3.4 Heggen en hagen struiken.
- m2
Voe dse l: Een egel eet o.a. slakken. Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.
2.1 Bloemrijk en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie 3.1 - 3.2 Heesters 3.3 - 3.4 Heggen en hagen 5.1 Ecologische wadi
- m2
Ve ilighe id: Leg faunapassages aan voor grondgebonden soorten en zorg voor voldoende donkerte in het plangebied.
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Ve rbinding: Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Makkelijk toegankelijk water. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen.
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Meer informatie en inspiratie voor het leefgebied van de egel: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/egel/
Bruine kikker Ve rblijfpla a ts e n voortpla nting: Na tuurlijke p o e l zo nd e r visse n e n me t w a te rp la nte n e n e e n la nd milie u me t g ra s e n vo ld o e nd e b e sc hutting .
5.2 Amfib ie ë np o e l
- m2
Voe dse l: Oe ve rb e p la nting e n w a te r w a a r d e zo n o p sc hijnt.
2.1 Blo e mrijk e n kruid e nrijk g ra sla nd e n zo o mve g e ta tie 5.1 Ec o lo g isc he w a d i 5.2 Amfib ie ë np o e l
- m2
Ve rbinding: Ve ilig e ve rb ind ing e n tusse n w a te rha b ita t e n la nd g e b ie d .
Is aan deze voorwaarde voldaan? Zorg voor onderbouwing in het ontwikkelplan.
1
ja
Meer informatie en inspiratie voor het leefgebied van de bruine kikker: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/bruine-kikker
35
6
Bijlagen
Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse
Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling Bijlage V Toelichting natuurdoeltypen Bijlage VI Natuurinclusieve maatregelen Bijlage VII Toetsingskader
Vlindertuin Nieuw Delft
36
Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving Natuurinclusief bouwen hangt samen met ander bestaand beleid van de gemeente Delft, de provincie en het Rijk: Omgevingsvisie Delft 2040 ‘Samen maken we de stad!” (juni 2021) In de visie staat deze doelstelling: In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. We bevorderen de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ook geven we ruimte aan biodiversiteit door te streven naar een fijnmazig groen netwerk in de stad, een netwerk van (pocket)parken die aansluiten op het groen om de stad. Natuurinclusief bouwen wordt de Delftse standaard. Klimaatadaptatiestrategie (april 2019) en Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering (oktober 2022)
Al in 2019 heeft Delft een klimaatadaptatiestrategie vastgesteld met als belangrijkste doelen om in 2020 klimaatadaptief handelen in het beleid en de werkwijze van de organisatie te verankeren en in 2050 klimaatbestendig te zijn. Sinds die tijd zien we elk jaar de weerrecords verbroken worden. De strategie geeft aan te willen werken aan een veerkrachtig watersysteem door de sponswerking te vergroten, het voorkomen van toename van hittestress en legt ook de koppeling tussen het nemen van klimaatadaptieve maatregelen die tegelijkertijd de biodiversiteit kunnen vergroten. Visie groen en biodiversiteit 2040 (december 2024)
We zetten groen en biodiversiteit hoog op de stedelijke agenda. De verdichtingsopgave waar Delft voor
staat vraagt erom (nieuwe) bewoners en planten en dieren kwalitatief hoogwaardige natuur en groen te bieden. Ook de link met klimaatadaptatie wordt gelegd. Bomen, parken en plantsoenen zorgen voor verkoeling en beplanting houdt water vast tijdens regenbuien. Onderhavige actualisatie van de beleidsregels wordt in deze visie al aangekondigd. Soortenmanagementplan huismus, gierzwaluw en vleermuizen Voorhof en Buitenhof Delft (juli 2024) Het SMP richt zich op een aantal gebouw bewonende vleermuis- en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in deze wijken. Het is een gedetailleerd plan ontworpen om deze diersoorten in het gebied te beschermen en hun leefomgeving te verbeteren. https://www.delft.nl/soortenmanagementp lan SMP Wippolder & Tanthof (in voorbereiding, treedt waarschijnlijk in 2026 in werking) Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie De Nationale Omgevingsvisie geeft een perspectief op een klimaatbestendige omgeving in 2050. Volgens de visie hebben we onze gebouwde omgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Ditzelfde staat in de Ruimtelijke Adaptatie Strategie van Delft. Dat betekent dat het land over 30 jaar is beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering. Zoals hitte, een
37
hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers. In de visie staat hier bijvoorbeeld het volgende over: “Er zijn in 2050 genoeg plekken met water en groen om hittestress tegen te gaan en wateroverlast te voorkomen. Ook onze vitale infrastructuur is dan bestendig tegen extreme weersomstandigheden. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zorgt voor de realisatie van plekken voor water en groen, en draagt daarmee bij aan het klimaatbestendig maken van onze leefomgeving.” Provinciale verordening en richtlijnen De provincie is onder andere verantwoordelijk voor soortbescherming en het behouden of herstellen van de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. In maart 2023 hebben Provinciale Staten een herziening van het Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze herziening bevat o.a. de instructieregel dat ‘biodiversiteit betrokken moet worden bij stedelijke ontwikkelingen’. Ook de Module Wonen, Werken & Werelderfgoed bevat een aanpassing van de Beleidskeuze Toekomstbestendig Bouwen. Hierin staat dat een ruimtelijke opgave moet uitgaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteit en variatie aan biotopen te behouden en te versterken. Met deze regels geeft de provincie de instructie aan gemeenten om biodiversiteit en natuurinclusief bouwen een plek te geven in alle ruimtelijke (woning)bouwopgaven.
Convenant Klimaatadaptief Bouwen Het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en de bijbehorende Leidraad 2.0 is ondertekend door de gemeente Delft (oktober 2018). Dit convenant geeft normen en richtlijnen voor verschillende thema’s, waaronder het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’. Dit beleidsplan geldt voor zowel nieuwbouw als renovatie. Dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is een vertaling en concretisering van de normen en richtlijnen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Daarmee is dit een toetsingssysteem voor nieuwbouw en ingrijpende renovatieprojecten. De richtlijnen in het convenant voor het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’ zijn: I. Ecologische oplossingen en oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen hebben altijd de voorkeur boven ‘grijze’ oplossingen. II. 30% van het oppervlak bestaat uit groen. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht. III. Waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur wordt behouden en gerealiseerd. Deze tweede en derde richtlijn uit het convenant vormen de basis voor dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.
Landelijke en Europese wetgeving De Omgevingswet en natuurbescherming In de basis van de Omgevingswet (artikel 1.7. ‘Activiteit met nadelige gevolgen’) staat samengevat het volgende: - Weet je of kun je vermoeden dat jouw activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leegomgeving?
-
Dan ben je verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van jou gevraagd kunnen worden, om die nadelige gevolgen te voorkomen. Of om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of om ze ongedaan te maken. Of om die activiteit achterwege te laten, als dat
38
redelijkerwijs van jou gevraagd kan worden. Bij bouwwerkzaamheden is er inderdaad een kans dat beschermde dieren of planten worden geschaad of gestoord. Zulke werkzaamheden worden in de Omgevingswet een ‘flora- en faunaactiviteit’ genoemd: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Dat schaden of verstoren is verboden. Wil je een flora- en fauna-activiteit verrichten? Dan moet je eerst controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Zijn er inderdaad aanwijzingen dat er beschermde soorten of habitats aanwezig zijn? Dan ben je verplicht om na te gaan of je nadelige gevolgen voor die dieren of planten kunt uitsluiten.
Bij de diersoorten gaat het dan óók om hun nesten en eieren, foerageerplaatsen (plekken waar ze voedsel vinden), voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Je moet aan de hand van objectieve gegevens uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten? Dan moet je alle passende preventieve maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
Vergeet de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming en de realisatie van faunaverblijven niet mee te nemen in de projectplannen.
39
Instructieregel Rijk in de Omgevingswet In de Omgevingswet staat een algemene instructieregel (artikel 2.31a) voor flora en fauna. Deze regel stelt het behoud of herstel van de staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, biotopen en habitats verplicht als doelstelling voor de fysieke leefomgeving. Het doel: de bescherming, het herstel en de ontwikkeling van natuur en landschap, en voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen.
Europese Natuurherstelverordening De EU-herstelwet verplicht om de habitat te herstellen en te zorgen voor voldoende groenoppervlak en boomkroonbedekking. Dat geldt óók voor stedelijk gebied. Artikel 6 van de wet gaat namelijk over herstel van stedelijke ecosystemen. In dat artikel staan de volgende twee hoofddoelen voor steden: De lidstaten zorgen ervoor dat er tegen 2030 geen nettoverlies is van de totale nationale oppervlakte van stedelijke groene ruimte en van stedelijke boomkroonbedekking op nationaal niveau ten opzichte van 2024. De lidstaten zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte in steden, kleinere steden en voorsteden. Hiervoor moet het Rijk een Nationaal Herstelplan vaststellen.
40
Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen Doelstelling 1: Behoud en bescherming van bestaande natuur Behoud van waardevolle natuur in het gebied Bomen en struiken die al een tijd hebben kunnen groeien en plekken of lijnstructuren waar soorten al langer gebruik van maken, zijn bijna altijd ecologisch waardevoller dan nieuw aangelegde natuur. Ze zijn doorgaans groter, robuuster en goed geworteld. En ze bevatten gaten en kieren waar dieren in kunnen broeden en verblijven. Ook zijn ze vaak meer divers en lokaal relevanter, omdat soorten die er goed gedijen er hun plek hebben kunnen vinden en behouden. Daarom worden in de puntentoekenning van dit toetsingssysteem (zie figuur 6 en 7) meer punten toegekend aan het behouden van ecologisch waardevolle natuur als voor nieuwe aanplant. Behoud wordt dus beloond. Het kan ook nog eens kosten besparen, omdat je niets nieuws hoeft aan te planten. Verstoring van de bodem voorkomen Ook de bodem verdient aandacht. Het zo goed mogelijk behouden van een gezonde bodem en deze zo min mogelijk verstoren in het bouwproces zorgt voor een goede basis. Tijdens én direct na realisatie van een project, in plaats van pas na vele jaren. Beschermde soorten Op een planlocatie zijn er vaak diersoorten (of beschermde planten) die al voor de ontwikkeling gebruikmaakten van het gebied.
En die via wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming een beschermde status hebben. Voor deze soorten moet er tijdens en na de ontwikkeling van het gebied continu voldoende leefgebied van goede kwaliteit zijn.
Doelstelling 2: Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving Bestaande hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur van de gemeente bestaat uit de huidige ecologische hoofdstructuurlijnen en kerngebieden binnen de gebouwde omgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de huidige groenstructuur (zo veel mogelijk) beschermd worden. Wanneer dit niet mogelijk is, is voldoende compensatie verplicht.
Fijnmazige groenstructuur Naast de hoofstructuur zijn ook vele fijnmazige verbindingen tussen gebieden en hoofdstructuren heel waardevol. We noemen dat ook wel de nevengroenstructuur en leefomgevingsgroen. Het zorgt ervoor dat allerlei soorten zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. Maar het betekent ook dat veel woningen dichtbij groene routes liggen, wat goed is voor de gezondheid van mensen. Deze fijnmazige structuur kan gerealiseerd of behouden worden bij een (her)inrichting of gebiedsontwikkeling.
41
Doelstelling 3: Voldoende ruimte voor diverse biotopen Voldoende ruimte voor natuur Volgens de richtlijn in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen moet op buurtniveau minimaal 30% groen komen. Hierbij telt het boomkroonoppervlak mee. Dit geeft daarmee richting aan de hoeveelheid groen die je moet realiseren in het plangebied. Het oppervlak wordt berekend door het invullen van vierkante meters in de tabel met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen. Het is belangrijk dat je hiermee al vroeg in het ontwerpproces (in het structuurontwerp en schetsontwerp) rekening houdt. Op die manier wordt er voldoende ruimte voor natuur gereserveerd. Zo voldoe je aan de richtlijn. Daarnaast voorkom je dat er op een te laat moment nog grote aanpassingen in het ontwerp nodig zijn om te voldoen aan de beleidsregels uit het omgevingsplan. Doelstelling 4: Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur Habitatrealisatie voor ambassadeursoorten Ambassadeursoorten vertegenwoordigen een leefomgeving die geschikt is voor de ambassadeur én voor een breed palet aan soorten die gebaat zijn bij een soortgelijke omgeving. Ze staan voor maatregelen die wenselijk zijn voor deze hele groep en vormen als soort het ‘icoon’ of de ‘gids’ om dit te verbeelden. De gemeente Delft heeft een aantal ambassadeursoorten met een bijbehorend biotoop en natuurinclusieve inrichting vastgesteld.
Deze biotopen en bijbehorende ambassadeursoorten vind je in hoofdstuk 4. Het is belangrijk dat al deze natuurdoelen in voldoende mate aanwezig zijn in de gemeente. Bij iedere gebiedsontwikkeling moeten daarom alle bij het lokale bodem- en watersysteem passende natuurinclusieve maatregelen worden toegevoegd. Bij kleinere ruimtelijke opgaven is dit meestal een deel van de natuurtypen en soorten. Basiskwaliteit natuur De gemeente wil dat de kwaliteit van natuur in de gebouwde omgeving minimaal een basiskwaliteit heeft. En dat dieren en planten die hierbij passen in voldoende mate aanwezig zijn. Met dit toetsingssysteem wil de gemeente ervoor zorgen dat elke ontwikkeling bijdraagt aan het realiseren of behouden van op zijn minst deze basiskwaliteitsnorm. Aandachtspunten en selectie van maatregelen De natuurinclusieve maatregelen waaruit je kunt kiezen in het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zijn geselecteerd vanuit deze vier doelstellingen met de bijbehorende aandachtspunten. Deze lijst vind je in bijlage VI.
42
Specifieke aandachtspunten uit de visie Groen en Biodiversiteit Naast de bovenstaande doelstellingen worden ook een aantal specifieke punten beschreven in de visie die relevant zijn voor het bewerkstelligen van de visie en het selecteren van ambassadeursoorten of maatregelen. De punten zijn als volgt: 1. In het groenareaal is een disbalans van de gelaagdheid, dit komt omdat het aantal struiken en struwelen in het merendeel van Delft onvoldoende is tot zelfs ontbreekt. Soorten die hiervan afhankelijk zijn, worden daardoor in Delft steeds minder of in mindere maat waargenomen. 2. Het bomenbestand is verdeeld over de wijken relatief op orde, wat betreft het aantal bomen. Om het bomenbestand vooral kwalitatief te versterken, wordt ingezet op het behoud en vergroten van het aantal oude bomen (>50 jaar) en de soortenrijkdom van het bomenbestand. Daarnaast spelen de bomen een belangrijke rol voor het vleermuisnetwerk, waarbij het (beter) verbinden of doortrekken van boomstructuren een belangrijk aandachtspunt is. 3. In de binnenstad van Delft blijft het inzetten op het beschermen van muurvegetatie een belangrijk punt. 4. Bij alle graslanden waarbij het mogelijk is, wordt ingezet op het omvormen tot een kruidenrijk en natuurvriendelijk beheerd grasland. Zodat een bijenlandschap wordt gevormd. En waarbij het vergroenen van tuinen bij kan dragen aan het invullen van het bijenconvenant.
5. Voor het water en de oever geldt dat de afgelopen jaren het aantal rietvogels in de stad zijn toegenomen. Maar verdere inzet wordt gevraagd voor het vervangen van beschoeide oevers voor natuurvriendelijke oevers. 6. Tegelijk met het verduurzamen van vastgoed, is de bescherming van het leefgebied van gebouw bewonende soorten zoals vleermuizen, gierzwaluwen en mussen van belang.
43
Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse Hier volgt een (niet-uitputtend) overzicht van vragen per doelstelling die beantwoord kunnen worden tijdens de locatie-analyse: 1. Behoud en bescherming: a. Zijn er plekken aangeduid als ecologisch waardevolle natuur die behouden moeten blijven? b. Zijn er beschermde soorten aangetroffen (of benoemd vanuit een soortmanagementplan) waarvoor een habitat in stand gehouden moet worden? 2. Groenstructuren: a. Zijn er bestaande groenstructuren aangeduid in het plangebied? b. Zijn er gewenste groenstructuren aangeduid in het plangebied? c. Zijn er barrières die moeten worden opgelost in het gebied? 3. Voldoende natuur: a. Bepaal hoeveel natuur er aanwezig is en gerealiseerd moet worden. Er dient minimaal 30% van het plangebied groen ingericht te zijn. Het is daarbij wenselijk om een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur te realiseren op maaiveld. Natuur op maaiveld is vaak goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. En openbaar toegankelijke natuur heeft meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken. 4. Realisatie van leefgebied voor soorten: a. Bepaal welke biotopen passen bij de planlocatie. b. Bepaal welke ambassadeursoorten passen bij de planlocatie. 5. Natuur als oplossing: a.
Onderzoek welke aanvullende uitdagingen er spelen waar de natuur in de ontwikkeling een positieve bijdrage aan kan leveren. Bepaal wat dit betekent voor de natuurinclusieve maatregelen die gekozen moeten worden. Als voorbeeld: er is veel hittestress in de wijk. Het toevoegen van schaduwgevende beplanting levert daarom meerwaarde op.
44
Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling In een gebiedsontwikkeling is een aantal stappen nodig om de opgave voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen concreet te maken. Hieronder lees je hoe dit kan werken bij een gebiedsvisie en een stedenbouwkundig plan. Gebiedsvisie In de beeldvorming over het te ontwikkelen gebied (als onderdeel van een gebiedsvisie of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen: 1. Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in de gebiedsvisie (of een vergelijkbaar document). 2. Beschrijf de historische landschapsstructuur, de grondwaterstanden en de bodemopbouw en op hoofdlijnen de manier waarop het te ontwikkelen gebied hierop voortbouwt. 3. Onderzoek welke ecologisch waardevolle groene en blauwe structuren er zijn in de wijdere omgeving van het plangebied. En omschrijf/verbeeld op hoofdlijnen de manier waarop het plangebied hierop zal aansluiten. Maak hierin specifiek om welke type verbinding het gaat. Zoals bomenrijen, waterlijnen, grondverbindingen van struiken, bloemrijke bermen etc. 4. Beschrijf aan de hand van de uitkomst in stap 2 en 3 de (voorlopige) biotopen voor het plangebied. 5. Bepaal de (voorlopige) ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling aan de hand van de natuurdoelen. Als basis hiervoor gebruik je de gemeentelijke ambassadeursoorten. 6.
Verbeeld op hoofdlijnen waar in het plangebied ruimte wordt gereserveerd voor natuurbehoud- en ontwikkeling. Toon aan dat de groennorm van 30% behaald wordt. Stedenbouwkundig plan Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen: 1. Betrek een deskundig (landschaps)ecoloog bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. 2. Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document). 3. Omschrijf de definitieve biotopen die worden behouden en ontwikkeld binnen de gebiedsontwikkeling. 4. Leg de definitieve ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling vast en omschrijf waarom voor deze ambassadeursoorten is gekozen. 5. Beschrijf/verbeeld de te behouden en ontwikkelen groene en blauwe structuren in het plangebied (aan de hand van de bepaalde biotopen). En de manier waarop deze aansluiten bij de groene en blauwe structuren in de omgeving van het plangebied. 6. Leg de dimensies (hoeveelheid/oppervlakte/breedte) van deze structuren binnen het plangebied vast. En toon aan dat deze van voldoende omvang zijn voor een geschikte habitat voor de bepaalde ambassadeursoorten. 7. Verbeeld in de vorm van een vlekkenplan hoe je voldoet aan de gemeentelijke groennorm in het plangebied.
45
Bijlage V Toelichting biotopen en natuurdoelen In het natuurinclusief puntensysteem staan verschillende biotopen en natuurdoelen. Hierna volgt een korte uitleg. Nest- en verblijfplaatsen Verschillende gebouwbewonende diersoorten zijn afhankelijk van plekken in onze gebouwen. Zo hebben vogels als de huismus en gierzwaluw broedplaatsen nodig. En zijn vleermuizen op zoek naar ruimte om te kramen, paren, slapen en te overwinteren. Voor deze soorten moet je daarom zorgen voor nest- en verblijfplaatsen.
Hagen en heggen Plaats geen schuttingen maar een haag. Of als dat niet kan: plaats een klimop voor de schutting of bijvoorbeeld leifruit. Vogels vinden daar beschutting, ze maken er nesten in en de bessen in de struiken bieden voedsel, net als de insecten die erop afkomen. Huismussen houden van hagen. Dreigt er gevaar, dan trekken ze zich onzichtbaar terug in de haag.
Bloemrijk grasland en zoomvegetatie
Takkenril Een takkenril of houtril is meestal een tot anderhalve meter hoog. Zo’n wal heeft veel waarde voor natuur. Door deze aan te leggen, bied je voedsel- en schuilgelegenheid aan vogels, zoals de winterkoning, en insecten.
Bloemrijk en kruidenrijk grasland Kruidenrijk grasland bestaat uit hoge, inheemse kruiden (circa 1 meter of hoger), of inheemse bramen die het grootse deel van de dag zon-beschenen zijn. De kruiden staan op zichzelf, of langs een struweel (mantelzoom). Dit kan zowel lijnvormig als vlakvormig zijn.
Vaste planten Roodborstjes, merels, zanglijsters, heggenmussen: ze scharrelen graag tussen de struiken op zoek naar eten. Vaste planten en onderbeplanting vergroten de mogelijkheden om ongemerkt insectjes weg te pikken. Later in het seizoen zijn de zaden ook aantrekkelijk.
Zoomvegetatie Zoomvegetatie is kruidenrijk en bloemrijk grasland in een lijnvorm. Dit zorgt voor verbinding tussen gebieden.
Struweel Een struweel is een lijnvormige beplanting die uit struiken bestaat, waarvan een groot deel bij voorkeur besdragend is. Struiken met bessen bloeien in het voorjaar, waardoor ze insecten aantrekken. In het najaar vormen de bessen een voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren. Struweel bestaat bij voorkeur uit inheemse soorten. De structuur van een struweel is doorgaans dicht en vrijwel ondoordringbaar. Dat maakt het aantrekkelijk voor kleine zoogdieren en broedvogels, zelfs al gaat het om een struweel met een kleine omvang.
Onverharde paden Paden van houtsnippers, schelpen, grind of andere natuurlijke materialen zorgen voor plassen en plekken om naar voedsel te zoeken. Heesters, hagen en mantelzomen Heesters (struiken) Struiken, ook wel heesters genaamd, zijn houtige gewassen die soms ook als haag kunnen dienen, zoals de vuurdoorn.
46
Mantelzoom Een mantelzoom is een geleidelijke overgang van een bosje naar de omliggende omgeving. Een goed ontwikkelde mantelzoom trekt insecten aan zoals vlinders, bijen en zweefvliegen. Zij zijn op hun beurt weer voedsel voor vogels en zoogdieren.
Bomen en bosschages Bomenrij Een bomenrij zorgt voor verbinding tussen gebieden. Voor nachtdieren, zoals vleermuizen, is het belangrijk dat er voldoende donkerte is. Voor (kleine) vogels is het belangrijk dat de bomen in voldoende voedsel voorzien en dus inheems en voedselrijk zijn. Bosje Een bos(je) bestaat uit minimaal een aantal bomen met struiken eronder of direct eromheen. In een bosje groeien bij voorkeur inheemse soorten. Die zijn namelijk aantrekkelijker voor insecten en andere dieren dan uitheemse soorten. Bosjes zijn belangrijk voor broedvogels en kleine zoogdieren zoals muizen, egels en kleine marterachtigen. Ze moeten voldoende dicht van structuur zijn.
Solitaire bomen Bomen die vrijstaan of in kleine groepen geven dekking voor o.a. huismussen. Wanneer ze hoog zijn, zorgen ze juist voor een uitkijkplek voor roofvogels. Water en natuurvriendelijke oevers Natuurlijke vijver en amfibieënpoel Vijvers en poelen zijn geïsoleerd gelegen en bestaan uit zonbeschenen laagtes die in principe het hele jaar door waterhoudend zijn. De waterdiepte is minstens 50 cm en een grillige vorm zorgt voor de nodige variatie. Poelen hebben onderhoud nodig om te voorkomen dat ze dichtgroeien met riet of andere waterplanten, of dat ze droogvallen. Door hun geïsoleerde ligging leven er in poelen geen vissen. Zo vormen ze een veilige opgroeiplek voor kikkers, watersalamanders en libellen. Daarnaast zijn ze leefgebied voor allerlei water- en oeverplanten. Ecologische wadi’s Een wadi (waterdoorlating door infiltratie) is een beplante greppel of sloot met een waterdoorlatende bodem. Ecologische wadi’s (dat zijn wadi’s die natuurlijk zijn ingericht en niet alleen uit gras bestaan) met hoog opgaande planten versterken de ecologische infrastructuur. Want ze dienen als ecologische verbindingszone of als stapsteen. Ze zorgen ook voor meer biodiversiteit. O.a. egels en spitsmuizen vinden dekking en voedsel in wadi's. Water met natuurvriendelijke oevers In tegenstelling tot poelen is het water hier wel verbonden met andere sloten, vaarten of waterpartijen.
Het vormt dan ook nadrukkelijk een leefgebied voor vissen. In ondiepe delen met waterplanten kunnen libellenlarven opgroeien, terwijl op de oevers zich een kruidenrijke, moerassige vegetatie kan vormen. Hierbij is in stedelijke gebieden niet zozeer de omvang van het water van belang. Vooral een gevarieerde oever- en watervegetatie en een functionele
47
leefomgeving voor dieren die aan het water gebonden zijn, zijn belangrijk.
Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken Groene tuinen Groen ingerichte tuinen zorgen in steden voor veel waardevol groenoppervlak waar prettig leefgebied voor allerlei soorten door ontstaat. Tuinen opleveren met tuinaarde Nieuwe woningen waar de tuinen gemakkelijk ingericht kunnen worden, stimuleren groene vingers bij bewoners. Geveltuin Langs gevels kunnen stoeptegels weggelaten worden. Deze ruimte kun je beplanten met vaste planten. Groene, grondgebonden gevels Een gevel met geen of weinig ramen kun je voorzien van klimmend gevelgroen. De klimplanten bedekken muren en schuttingen, en creëren zo een
rustgevende en stressverlagende omgeving. Ook verfraaien ze het straatbeeld. Dit kan zelfs leiden tot een verhoging van de waarde van onroerend goed. Voor dieren is gevelgroen vaak ideaal. De gevels bieden zo voedsel, beschutting en nestgelegenheid voor vogels, vlinders en wilde bijen. Groene daken en daktuinen Groene daken zijn daken die voorzien zijn van beplanting. Ze hebben, behalve een ecologische waarde, ook een waterbufferende, een klimaat-temperende en een isolerende waarde. Bovendien zijn ze, wanneer ze zichtbaar en/of toegankelijk zijn, een verrijking van het stadslandschap en hebben ze een recreatieve functie. Daarnaast bieden ze een prima bodem voor allerlei dieren en planten. Daardoor zijn ze ook heel waardevol voor de biodiversiteit. Groene daken zijn vooral goed voor vogels, vlinders, bijen en vleermuizen. Bruine daken, schelpen- of grinddaken Bruine daken hebben een ecologische en water-bufferende waarde. Bij bruine daken bestaat de dakbedekking voornamelijk uit zand en steen, bijvoorbeeld gerecycled puin. Vooral vogels die van origine op zandig terrein broeden, gebruiken bruine daken als nestplaats. Diersoorten die baat hebben bij een bruin dak zijn o.a. de scholekster, zwarte roodstaart en verschillende insecten.
48
Bijlage VI Natuurinclusieve maatregelen Toelichting nest- en verblijfplaatsen Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) dien je te zorgen voor minimaal één nest- of verblijfplaats. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak. In de puntentelling telt één verblijf voor één punt zolang het aan onderstaande richtlijnen voldoet. Deze nest- of verblijfplaatsen dienen permanente voorzieningen te zijn. Dit betekent dat de voorziening niet te verwijderen mag zijn en een lange levensduur kent. In de Inspiratiegids Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen (T24.09548) zijn bovendien richtlijnen voor deze voorzieningen opgenomen. Hieronder vind je een toelichting per nest- of verblijfplaats. 1.1 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de huismus Realiseer minimaal 5 broedplaatsen bij elkaar, ook in kleine projecten. Een standaard ingebouwde nestkast of neststeen telt als 1 plek. Elke 50 cm breedte van een toegankelijke dakgoot mag je als 1 plek tellen. Onder een toegankelijke dakgoot verstaan we het verplaatsen van het vogelschroot onder de dakpannen, zo dat de eerste twee panlatten dienen als broedlocatie voor huismussen. Dakpannen voor mussen en nestkasten die los op de muur worden geplaatst tellen niet, behalve bij galerijen van minimaal 2 meter breed.
1.2 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de gierzwaluw Een standaard nestkast of neststeen telt als 1 plek. Dakpannen voor gierzwaluwen en nestkasten die los op de muur worden geplaatst tellen niet, behalve bij galerijen van minimaal 2 meter breed. 1.3 Broedplaatsen voor andere gebouw-bewonende vogels Een standaard nestkast of neststeen voor holenbroeders en dakbroeders, zoals de zwarte roodstaart, spreeuw, etc. telt als 1 plek. 1.4 Zomer- en paarverblijven voor de gewone dwergvleermuis Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwd zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.5 Kraamverblijven voor de gewone dwergvleermuis Maak spouwmuren en/of maak de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Voor kraamverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwde kraamkast als 2 plekken per laag. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.6 Massawinterverblijven voor de gewone dwergvleermuis Bij voorkeur winterverblijven altijd meenemen in hoogbouw.
Maak kelders, spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Voor winterverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Inbouwkasten en kasten op de gevel tellen niet mee als winterverblijf, de ruimte moet tussen muren en in daken en kelders gerealiseerd worden.
49
1.7 Verblijven voor andere gebouw-bewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger en meervleermuis Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor andere soorten vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwd zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.8 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout Een ingebouwde insectensteen telt als 1 verblijfplaats. Voor een insectenhotel en/of steilwand geldt dat deze minimaal 1 m2 verticaal oppervlak moet hebben. Elke m2 verticaal oppervlak geldt als 2 verblijven. Voor een houtstapel/boomstam en/of zandhoop/bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak. Elke m2 horizontaal oppervlak geldt als 2 verblijven. Realiseer de verblijfplaatsen voor insecten op maximaal 2 m hoogte vanaf maaiveld of de daktuin, en bij inheemse beplanting. 1.9 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten Voor soorten die niet benoemd zijn in dit overzicht of als ambassadeur: overleg met de gemeente welke maatregelen je kunt toepassen. Figuur 6 Puntentelling voor nest- en verblijfplekken
Overzicht natuurinclusieve maatregelen Om te zorgen voor een robuuste en gezonde leefomgeving voor mens en dier is (bio)diversiteit belangrijk. Dat vraagt om een inrichting van onze leefomgeving met verschillende typen natuur met bomen, heesters, planten, bloemrijk grasland, water, etc. Hiervoor is een lijst met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen opgesteld. Alle inrichtingsmaatregelen leveren een aantal punten op. Dit puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2 of een deel of veelvoud hiervan. Het toepassen van een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt. Hieronder de punten per maatregel. 2 Bloemrijk grasland 2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland, en zoomvegetatie Bij voorkeur inheemse soortenmix in volle grond (niet in pot of bak) en zorg voor ecologisch beheer. Zaai op arme grond grassen met eenjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie gericht op bijen en vlinders of kies ervoor om spontaan kruidenrijk grasland te laten ontstaan.
6
2.2 Vaste planten in tuinen en openbare ruimte Nectar- en stuifmeel-leverende vaste planten. Bij voorkeur biologische planten. Vaste planten in de openbare ruimte mag je alleen op A-locaties zoals centra en wijk/buurt entrees toevoegen in overleg met de gemeente.
3
3. Heesters, heggen en takkenrillen
50
3.1 Heesters van 1 soort Bij voorkeur een inheemse soort, en bij voorkeur in clusters van 15m2 of meer, met een goede groeiplaats onder- en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Controleer altijd de LIOR op de meest recente eisen voor minimum oppervlaktes.
8
3.2 Heesters in meerdere soorten Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten. Bij insecten als ambassadeur: nectarrijke struiken met een rijke variatie aan voedsel. Kies uit diverse inheemse soorten. Bij voorkeur worden deze in clusters van 15m2 of meer geplant, met een goede groeiplaats onder- en boven de grond. Houd rekening hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Controleer altijd de LIOR op de meest recente eisen voor minimum oppervlaktes.
10
3.3 Heggen en hagen van 1 soort Bij voorkeur een inheemse soort. Minimaal 75cm hoog bij aanplant en bij voorkeur 150cm hoog. Ook een groene tuinafscheiding of een takkenril leveren punten op. Bij heggen, takkenril of andere groene tuinafscheiding moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen. 3.4 Heggen en hagen meerdere soorten Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten. Minimaal 75cm hoog bij aanplant en bij voorkeur 150cm hoog. Bij heggen als tuinafscheiding moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen.
8
9
4. Bomen 4.1 Behoud van bomen: 1e grootte Bomen van minimaal 12 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 35m2 per behouden boom.
15
4.2 Aanplant van bomen: 1e grootte Bomen die minimaal 12 meter hoog worden na 30-40 jaar. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van 18 cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 35m2 per nieuw aangeplante boom.
12
4.3 Behoud van bomen, 2e grootte Bomen van minimaal 8 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 20m3). Er wordt gerekend met 20m2 per behouden boom.
15
4.4 Aanplant van bomen: 2e grootte Bomen die minimaal 8 meter hoog worden na 30-40 jaar. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van 18 cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 20m2 per nieuw aangeplante boom.
9
4.5 Behoud van bomen, 3e grootte Bomen tot 6 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 15m3). Er wordt gerekend met 15m2 per boom.
15
4.6 Aanplant van bomen: 3e grootte Bomen die tot 6 meter hoog worden na 30-40 jaar. Er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 15m2 per nieuw aangeplante boom.
6
51
5. Water en oevers, inclusief wadi's en poelen 5.1 Ecologische wadi Wadi met een ecologische inrichting (natuurlijke vegetatie, zoals vochtig grasland of stuweel, en bijvoorbeeld blokken dood hout) en ecologisch beheer. 5.2 Amfibieënpoel Gesloten, visvrije waterpartij met een diepte van maximaal 1 meter onder de laagste grondwaterstand. Minimaal 50% van de oever heeft veel zon en een flauw talud, flauwer of gelijk aan een hellingshoek van 1:3, en ingericht als plasdrasgebied. Bij voorkeur heeft een poel minimaal een diameter van 10 meter om 'verlanding' te voorkomen. 5.3 Natuurvriendelijke oevers Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers met talud 1:3 of flauwer. De natuurvriendelijke oever dient te voldoen aan de eisen van het betreffende hoogheemraadschap. Alleen het gedeelte tot 30 cm diepte telt mee. Vul het aantal vierkante meters dat hieraan voldoet in bij de selectie voor het plangebied.
8
8
10
5.4 Overige natuurinclusieve maatregelen op en bij water Denk aan maatregelen als drijvende oevers, onderwaterriffen of zogenaamde vissenbossen. Als op basis van onderzoek er een bewezen positief effect is voor het 6 (inheemse) onderwaterleven kunnen ze worden toegepast. Zonder bewezen effect kan in overleg met de gemeente de maatregel worden toegepast mits er wordt bijgedragen aan onderzoek naar de effectiviteit. 5.5 Muurplanten in (kade)muur Muurplanten hebben geschikt gesteente nodig dat water kan vasthouden met voldoende structuur/reliëf om zich aan te hechten. Dit stimuleert spontane vegetatie. Aanplanten is niet gewenst, eventueel wel het verplaatsen van muurvegetatie die anders verloren gaat. Bij voorkeur wordt minimaal een lengte van minimaal 15 meter geschikte muur gerealiseerd. Reken met 0.5m2 plangebied per strekkende meter. Bij renovatie rekening houden met aanwezige muurbeplanting.
8
6. Geveltuin en particuliere tuinen 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten Gevelbeplanting moet bestaan uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie en voldoende ruimte om tot minimaal 3 meter door te kunnen groeien. Bij voorkeur een selectie van in Nederland en Europa van nature 12 voorkomende soorten. De beplanting moet op particulier terrein gerealiseerd worden. Bij groene gevels en groene hekken moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte en de lengte van de gevel met klimplanten om het oppervlak in vierkante meters te berekenen. 6.2 Particuliere tuinen en geveltuinen met alleen grond opgeleverd (niet zand) Minimaal 50% van de tuinen (in m2) wordt opgeleverd met grond. Alleen de vierkante meters met grond tellen mee. Bij gebruik van tuinaarde dient dit turfvrij te zijn. Tuinen met schuttingen zonder doorgangen voor grondgebonden soorten zoals de egel tellen niet. Tuinen opgeleverd met (bouw)zand tellen ook niet.
2
7. Intensieve groendaken, balkonbakken en water op daken 7.1 Groen dak (5 - 7 cm substraatlaag) met sedumplanten Substraatlaag van minimaal 5 cm, pakketdikte minimaal 10cm. Minimaal begroeid met sedum..
2
52
7.2 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 7 cm) met sedum, grassen en kruiden Substraatlaag van minimaal 7 cm. Beplanting van sedum, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting met in ieder geval kruiden of grassen wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
4
7.3 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 15cm) met grassen, kruiden en lage beplanting Substraatlaag van minimaal 15 cm. Beplanting van lage planten en struiken, grassen en kruiden. Geen sedumplanten. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
6
7.4 Intensief groen dak (substraatlaag van minimaal 30cm) met grassen, kruiden en heesters Substraatlaag van minimaal 30 cm. Beplanting van (dwerg)heesters, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.
8
7.5 Intensief (substraatlaag van minimaal 50cm) groen dak met struiken, grassen, kruiden en/of bomen Tuin op daken van gebouwen, inclusief daken van parkeergarages. Substraatlaag 10 van minimaal 50 cm en voldoende ruimte als groeiplaats voor struiken en bomen. Wanneer zowel de substraatlaag en de struiken en/of bomen worden gerealiseerd, worden de punten toegekend. 7.6 Bruin dak Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit lokale grond, stenen, zand en houtblokken.
6
7.7 Schelpendak Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit schelpen.
2
7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten Minimaal 5 m2 oppervlak, voldoende draagkracht van het dak.
8
8. Gazon en onverharde paden 8.1 Gazon Grasvelden zonder ecologisch beheer. Kunstgras telt niet mee.
0
8.2 Onverharde paden Onverharde paden van bijvoorbeeld schelpen, houtsnippers, grind en zand.
2
9. Overig groen en blauw in het plangebied 9.1 Overige maatregelen Overleg met de gemeente welke overige maatregelen toegestaan zijn. En of de gemeente hiervoor eventueel punten geeft. 9.1 Braakliggend terrein en kale grond Zorg voor een gezonde bodem met goede grond. Hierop kan lokale vegetatie spontaan opkomen. Ga vervolgens over op ecologisch beheer of laat het gebied met rust. Deze grond is ook tijdens het bouwproces vrij van werkzaamheden. Figuur 7 Overzicht van natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen en punten
?
2
53
Bijlage VII Toetsingskader Het Toetsingskader is als Excel tabel bijgevoegd (te vinden op de website van de gemeente Delft onder het kopje Milieu).
54
Definities o
Biodiversiteit Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom in dieren en planten. Het gaat daarbij om een mix van genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen). Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende soorten en lagen van vooral inheemse plantensoorten die samen als robuust ecosysteem werken. Alleen bomen en gras geeft weinig biodiversiteit. Juist afwisseling aan plantensoorten zorgt voor o.a. voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten. Biodiversiteit behoud en versterk je door een afwisseling in soorten en mogelijkheden.
o
Boomkroonoppervlak De kroon is het gedeelte van de boom boven de takvrije stam. Het boomkroonoppervlak is het horizontale oppervlak van de kruin. Dit kan benaderd worden door de kroon op de grond te projecteren en de inhoud van het oppervlak in vierkante meters te meten.
o
Ambassadeursoorten Om de biodiversiteit te stimuleren zijn een aantal ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze diersoorten gericht een habitat (leefgebied) te maken, wordt de omgeving geschikt voor nog veel meer diersoorten die gebruikmaken van dezelfde biotoop. Ook besteed je zo aandacht aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede basiskwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied. De ambassadeur is als het ware een graadmeter voor de kwaliteit van een bijbehorend biotoop. Na verloop van tijd kun je op basis van zijn aanwezigheid conclusies trekken over het succes van de gebiedsgerichte aanpak.
o
Ecologische V’s Met de ecologische V’s bedoelen we de habitatvoorwaarden die een diersoort nodig heeft voor een geschikte leefomgeving. Het gaat daarbij vooral om Voedsel, Vocht, Verblijfplaatsen en Voortplantingsplaatsen, Verbindingen, Veiligheid en Variatie.
o
Fijnmazige structuur De fijnmazige structuur bestaat uit de lijnen van natuur (water en groen) tussen de hoofdgroenstructuren. Het zijn daarmee vaak de kleinere wijkstructuren, velden en plantsoenen.
o
Gebiedsontwikkeling Gebiedsontwikkeling is het complexe, integrale proces waarbij overheid, marktpartijen en maatschappelijke partners langdurig samenwerken om een gebied, te transformeren tot een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving met een mix van functies zoals wonen, werken, voorzieningen ,recreatie en infrastructuur.
o
Gebouwbewonende soorten Soorten die hun slaap- en/of broedplaats in of op gebouwen vinden, noemen we gebouwbewonende soorten. Veelvoorkomende gebouwbewonende soorten in
55
stedelijk gebied zijn de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en huismus, maar ook vogels die op daken broeden, zoals de zwarte roodstaart, horen hierbij. o
o
Gebouwschil De gebouwschil is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak. Hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur bestaat uit de belangrijkste groengebieden en verbindingslijnen in de gemeente. Het doel is een aaneengesloten netwerk van groen met voldoende diversiteit en kwaliteit.
o
Hoogwaardige habitat Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaalde diersoort voorkomt. Een habitat bestaat uit de biotische en abiotische eisen van het dier. Daarmee bedoelen we: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen. Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een diersoort bedoeld waar je zoveel als mogelijk op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kunt voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een diersoort die lokaal gerealiseerd kunnen worden. Dit vatten we samen in de verschillende v’s: Voedsel & Vocht, Veiligheid, Verblijven & Voortplantingsmogelijkheden, Verbinding en Variatie.
o
Ingrijpende renovatie Op grond van artikel 5.20, vijfde lid, van het Bbl (Besluit Bouwwerken Leefomgeving) is sprake van een ingrijpende renovatie wanneer: o meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en o deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis.
o
Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij dragen een bouwwerk en de omgeving samen bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Het zorgt dus voor een plus ten opzichte van de eerdere situatie.
o
Biotopen We gebruiken biotopen om afspraken te maken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu. Op die manier kan de gewenste natuurkwaliteit gerealiseerd worden. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijvoorbeeld tuinen, plantsoenen, bermen, bomen, struweel, braakliggende gronden, kademuren, vijvers, grachten en sloten.
o
Natuurwaarden De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschapselementen. De term ‘natuurkwaliteit’ wordt hiervoor ook gebruikt.
56
o
Plangebied Het terrein waarin de bouwontwikkeling plaatsvindt waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend moet worden.
o
Soortcategorieën Geschikte soortcategorieën (dieren) worden per plangebied door een ecoloog geselecteerd op basis van een omgevingsscan per gebied. De soortcategorieën zijn als volgt ingedeeld: 1) gebouwbewonend 2) boombewonend 3) aan bloemrijk grasland gebonden 4) aan struweel gebonden 5) aan water en oevers gebonden
57
Bronnen en verwijzingen o
Nationale Omgevingsvisie (NOVI): https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/default.aspx
o
Omgevingsvisie 1.0 Delft: https://www.Delft.nl/direct-regelen/wonen-verhuizenverbouwen/wonen/omgevingsvisie-Delft/33153/
o
Visie Groen en Biodiversiteit Delft De stad als ecosysteem in 2040: Visie Groen &
Biodiversiteit o
SMP Voorhof en Buitenhof Soortenmanagementplan | Gemeente Delft
o
Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland: https://bouwadaptief.nl
o
Flora & Fauna-activiteit voor wettelijke natuurbescherming: https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/activiteiten-natuur/flora-en-faunaactiviteit/rijksregels/
o
Nationale Database Flora & Fauna (NDFF): https://ndff-ecogrid.nl/
o
Overzicht richtlijnen voor het ontwerpen voor ambassadeursoorten: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/ambassadeursoorten/
o
Beleidsregel Natte Ecologische Zones van Hoogheemraadschap Delfland: https://www.hhdelfland.nl/over-ons/regelgeving/beleidsregels/
o
Inspiratieboek Verzachten en vergroenen oevers: https://www.hhdelfland.nl/ontdekwerk/schoon-gezond-water/water-natuur/inspiratieboek-verzachten-vergroenen/
58
Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Delft Postbus 78, 2600 ME Delft Telefoon 14015 Djuma 6422989 Internet www.delft.nl
Juli 2026
59
60