CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen

Commissie Ruimte en Verkeer 7 juli 2026, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel - Actualisatie Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen17.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Gemeente Delft Juli 2026

Samenvatting Waarom en voor wie? De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Daarom heeft Delft in april 2021 een beleidsnota voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgesteld (RIS 4533675). Dit sluit ook aan bij een belangrijk doel van de omgevingsvisie 2040 van Delft: het bevorderen van de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar de beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is. De beleidsnota wordt nu vervangen door de voorliggende beleidsregel. Deze beleidsregel is een inhoudelijke actualisatie op basis van de ervaringen in de eerste jaren. Zo hebben we onder andere gemerkt dat de huidige systematiek zich niet goed leent voor gebouwen met een bouwhoogte van hoger dan 15 meter of voor plannen waar de bijbehorende buitenruimte beperkt is. Dat passen we aan. Ook is opgenomen onder welke voorwaarden, en bij hoge uitzondering, afgeweken kan worden van de regels. Begrippen en definities Met natuurinclusief bouwen, ecologie en biodiversiteit in de gebouwde omgeving hebben we te maken met een aantal nieuwe begrippen.

Aan het eind van dit toetsingssysteem vind je daarom een lijst met definities.

Insectensteen Engelsestraat

2

Zo werkt het Het toetsingssysteem werkt schalend. Dat betekent dat hoe groter het plangebied van een project is, hoe meer oppervlak met natuurinclusieve inrichting er komt. Dit is altijd in dezelfde verhouding. Dus de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente wordt zo eerlijk verdeeld. 30% groene biodiverse inrichting en per 100m2 bebouwd oppervlak (footprint):

1 nest- en verblijfsplaats of 2 bij hoogbouw vanaf 15m én per 100m2 plangebied: 2 punten voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen (bij nieuwbouw) of 1 punt voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen (bij renovatie)

Klein project 50-499 m2 1 ambassadeur

Middelgroot project 500 - 2.000 m2 2 ambassadeurs

Groot project > 2.000 m2 3 ambassadeurs

Figuur 1. Visuele samenvatting van verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen

Voor een project kan gekozen worden uit verschillende maatregelen die punten opleveren. De hoeveelheid punten die behaald moet worden, hangt af van de hoeveelheid vierkante meters van het plangebied. Voorwaarde is wel dat de maatregelen die gekozen worden samen voldoende punten opleveren én bij elkaar passen om zo een goed leefgebied te vormen voor ambassadeursoorten. Zo zorgen we dat een plek echt geschikt wordt. En dat er voedsel, veiligheid, verblijfplaatsen, verbinding met de omgeving en voldoende variatie is voor verschillende diersoorten. Naast de natuurinclusieve maatregelen moeten er ook genoeg nest- en verblijfplaatsen voor de dieren worden gerealiseerd. Hoeveel dit er zijn, hangt af van het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak en van de bouwhoogte. Samengevat bestaat de verplichting uit de volgende onderdelen: o

Zorg voor voldoende ecologische waardevolle natuur in het plangebied (de groennorm) De groennorm is 30% van de oppervlakte van het plangebied1.

o

Kies ambassadeursoorten Deze ambassadeursoorten geven richting aan de te nemen maatregelen. In het plan moet gezorgd worden voor leefgebied voor een verplicht aantal ambassadeursoorten. Het aantal soorten is afhankelijk van de projectgrootte.

1 De groennorm van 30% is afgeleid van de 3-30-300-regel zoals benoemd in de Visie Groen & Biodiversiteit 2024.

3

o

Zorg voor nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten Dit betekent een nest- of verblijfplaats per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) voor gebouwbewonende soorten. Bij hoogbouw zijn dit twee verblijfplaatsen per 100 m2 bebouwd oppervlak. Bij kleine projecten (50-499 m2 plangebied) neem je maatregelen voor minimaal één soort. Bij middelgrote projecten (500-2.000 m2) geldt dat voor minimaal twee diersoorten maatregelen moeten worden genomen en bij grote projecten (>2.000 m2) voor minimaal drie verschillende soorten. Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt wel sterk aanbevolen groene inrichtingsmaatregelen te nemen met inachtneming van het betreffende gebied en bijbehorende ambassadeurssoorten.

o

Haal voldoende punten voor natuurinclusieve maatregelen Zorg voor een selectie van natuurinclusieve maatregelen: per maatregel worden punten toegekend. Bij nieuwbouwprojecten moeten minimaal 2 punten per 100 m2 plangebied behaald worden, bij ingrijpende renovatie is dat 1 punt per 100 m2 plangebied. De natuurinclusieve maatregelen moeten daarnaast passen bij de gekozen ambassadeursoorten. Elke maatregel heeft een eigen aantal punten. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2, of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt.

o

Stuur het toetsingsformulier en de bijlage(n) naar de gemeente Voor de plantoetsing moet het toetsingsformulier met de documenten die erbij horen naar de gemeente worden gestuurd. Dit zijn de indieningsvereisten.

Binnentuin Nieuw Delft

4

Inhoudsopgave 1

INLEIDING EN DOEL VAN DIT TOETSINGSSYSTEEM ........................................................................ 6 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2

DOELSTELLINGEN, VERPLICHTINGEN EN REIKWIJDTE .................................................................. 11 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

3

AMBASSADEURSOORTEN ALS AMBASSADEURS................................................................................. 23 DE KEUZE VAN DELFTSE AMBASSADEURSOORTEN ............................................................................. 23 BIOTOOPTYPEN VOOR DE GEMEENTE DELFT .................................................................................... 24 AMBASSADEURSOORTEN VAN DELFT VOOR NATUURINCLUSIEF BOUWEN ............................................. 25

HET TOETSINGSFORMULIER ........................................................................................................... 31 5.1

6

HET STAPPENPLAN VOOR PROJECTONTWIKKELING ........................................................................... 19

OVERZICHT VAN AMBASSADEURSOORTEN................................................................................. 23 4.1 4.2 4.3 4.4

5

DOELSTELLINGEN VOOR BIODIVERSITEIT BIJ RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGEN ........................................... 11 VERPLICHTINGEN ........................................................................................................................ 12 RANDVOORWAARDEN, AANBEVELINGEN EN INDIENINGSVEREISTEN ................................................... 15 REIKWIJDTE VAN DE VERPLICHTING ................................................................................................ 16 UITZONDERINGEN EN AFWIJKINGEN ............................................................................................... 17 OVERGANGSREGELING ............................................................................................................... 18 INWERKINGTREDING .................................................................................................................... 18

STAPPENPLAN PROJECTONTWIKKELING ...................................................................................... 19 3.1

4

ACHTERGROND............................................................................................................................ 7 HET DOEL VAN HET TOETSINGSSYSTEEM VOOR NATUURINCLUSIEF BOUWEN EN ONTWIKKELEN .................... 7 DE WETGEVING EN BELEID VOOR NATUURINCLUSIEF BOUWEN.............................................................. 7 DE RELATIE MET WETTELIJKE NATUURBESCHERMING EN SOORTENMANAGEMENTPLAN............................. 8 LEESWIJZER .................................................................................................................................. 9

UITLEG TOETSINGSFORMULIER ....................................................................................................... 31

BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 36 BIJLAGE I SAMENHANG MET ANDER BELEID & WET- EN REGELGEVING ........................................................... 37 BIJLAGE II AANDACHTSPUNTEN BIJ DE DOELSTELLINGEN .............................................................................. 41 BIJLAGE III VRAGENLIJST VOOR LOCATIE-ANALYSE ..................................................................................... 44 BIJLAGE IV STAPPENPLAN GEBIEDSONTWIKKELING ...................................................................................... 45 BIJLAGE V TOELICHTING BIOTOPEN EN NATUURDOELEN ............................................................................... 46 BIJLAGE VI NATUURINCLUSIEVE MAATREGELEN .......................................................................................... 49 BIJLAGE VII TOETSINGSKADER .................................................................................................................. 54

DEFINITIES .............................................................................................................................................. 55 BRONNEN EN VERWIJZINGEN .............................................................................................................. 58

5

1

Inleiding en doel van dit toetsingssysteem

In april 2021 heeft de gemeente Delft het puntensysteem Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld. Doelstelling van dit beleid, vastgelegd in beleidsregels, was het volwaardig meenemen van flora en fauna in gebiedsontwikkel- en bouwprojecten. Maatregelen die bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit ‘liften mee’ bij bouwprojecten: zodanig bouwen en ontwikkelen dat (ook) de natuur er baat bij heeft. Inmiddels wordt bijna vijf jaar gewerkt met dit puntensysteem. Het leidt geen twijfel dat dit systeem heeft geleid tot het verbeteren van de biodiversiteit bij projecten. Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar het beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is. Toch kan het beter. Hier bestaat een aantal aanleidingen voor: •

• •

•

In de praktijk lopen we tegen knelpunten en dilemma’s aan, die willen we oplossen. Voorbeeld van een praktijkprobleem is dat in de huidige systematiek een relatief hoog gebouw met een kleine footprint en weinig buitenruimte (zoals in Nieuw Delft) gezien wordt als “middelgroot project”. Het blijkt erg lastig om de punten die dan voor natuurinclusief gehaald moeten worden ook daadwerkelijk te realiseren. Dat willen we verbeteren; In de huidige systematiek zijn geen mogelijkheden opgenomen om, in uitzonderlijke gevallen, af te wijken van de regels; Verschillende gemeenten in Nederland werken met verschillende systematieken voor natuurinclusief bouwen. Voor onderhavige systematiek hebben we samengewerkt met een viertal gemeenten (Leiden, Amsterdam, Tilburg en Amsterdam) zodat marktpartijen niet in elke gemeente met een ander beleid te maken hebben. Ook de provincie Utrecht heeft de systematiek overgenomen en als handreiking voor de Utrechtse gemeenten meegegeven; In de eind 2024 vastgestelde Visie Groen en Biodiversiteit is het belang van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen nogmaals onderstreept en deze actualisatie aangekondigd.

Natuurinclusief bouwen is het op zo’n manier ontwikkelen van gebouwen en omgeving dat de natuur er baat bij heeft. Hierdoor dragen ontwikkelingen bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden.

De gemeente heeft dit toetsingssysteem met puntensysteem opgesteld om natuurinclusief bouwen concreet te maken voor bouwprojecten. Dit geldt voor nieuwbouw, ingrijpende renovatie en gebiedsontwikkeling.

6

1.1 Achtergrond De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Biodiversiteit en natuur hebben namelijk veel positieve effecten. Ze zorgen voor o.a. een gezonde leefomgeving met ruimte om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te spelen. Ook zorgt de natuur dat we de gevolgen van een veranderend klimaat beter kunnen opvangen. Denk bijvoorbeeld aan hevigere regenbuien en langere periodes van droogte. Diversiteit in soorten (biodiversiteit) zorgt voor robuustheid, zodat de natuur tegen een stootje kan of tegen een plaag is opgewassen. De natuur levert ook ons voedsel en veel van onze medicijnen. Kortom: zij is onmisbaar en we moeten er zuinig mee omgaan. Tegelijkertijd is de druk op de ruimte in de gebouwde omgeving hoog. We zijn op zoek naar ruimte voor meer woningen, plekken om te recreëren en plaatsen voor bedrijvigheid. Het is belangrijk dat de natuur daarbij niet steeds het onderspit delft. Daarom weegt de gemeente de natuur volwaardig mee in ruimtelijke opgaven. De natuur is één van de belanghebbenden en is één van de doelen voor onze leefomgeving.

1.2 Het doel van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Dit toetsingssysteem geeft duidelijkheid over de verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen bij bouwopgaven. Zo informeert de gemeente projectteams en initiatiefnemers hoe zij biodiversiteit en natuurinclusiviteit kunnen meenemen in een bouwproject of inrichtingsopgave. Bij het natuurinclusief puntensysteem en de begeleidende informatie over ambassadeursoorten en natuurinclusieve maatregelen wordt weergegeven welke maatregelen gewenst zijn en hoeveel maatregelen genomen moeten worden om te voldoen aan de verplichting van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.

1.3 De wetgeving en beleid voor natuurinclusief bouwen Natuurinclusief Bouwen is op diverse plekken al in het Delftse beleid benoemd en vastgelegd. Zo is in de Omgevingsvisie Delft 2040 “Samen maken we de stad” (vastgesteld in 2021) gesteld dat natuurinclusief bouwen in Delft de standaard wordt. Ook in de eind 2024 vastgestelde Visie Groen en Biodiversiteit wordt het belang van natuurinclusief bouwen nogmaals benadrukt. In de Delftse beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen wordt verwezen naar natuurinclusief bouwen. Ook de beleidsregel Klimaatadaptief bouwen is de afgelopen tijd geëvalueerd en wordt naar aanleiding daarvan geactualiseerd. Hierbij is ook gekeken naar eventuele

7

overlap en onduidelijkheid tussen beide onderwerpen en zijn deze in de huidige versie weggenomen. Maar natuurinclusief bouwen is óók verplicht vanuit beleid van hogere overheden en verschillende wet- en regelgeving: -

bestaand beleid van de provincie en het Rijk. Zoals de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie; de Europese Natuurherstelverordening; het Omgevingsbeleid van Provinciale Staten; Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in Delft (oktober 2022).

In dit kader is het in ieder geval van belang de Europese Natuurherstelverordening te benoemen. Deze EU-herstelwet verplicht de lidstaten ervoor zorg te dragen dat er op nationaal niveau geen nettoverlies is van stedelijke groene ruimte en stedelijke boomkroonbedekking ten opzichte van 2021. Ook wordt de lidstaten voorgeschreven te zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte. Een overzicht en korte beschrijving van de wet- en regelgeving is opgenomen in bijlage I.

1.4 De relatie met wettelijke natuurbescherming en SoortenManagementPlan Naast natuurinclusief bouwen gelden ook de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming. De ecologische onderzoeken en mitigerende maatregelen blijven verplicht, zoals de ecologische quickscan en het aanbieden van alternatieve, tijdelijke verblijfplaatsen wanneer er beschermde soorten in het plangebied zitten. Wanneer er permanent maatregelen, zoals nestverblijven, moeten worden gerealiseerd voor de wettelijke verplichting van soortbescherming (vanuit locatie-onderzoeken of een SMP), moeten deze maatregelen meegeteld worden voor natuurinclusief bouwen. De opgave met de hoogste doelstelling in de hoeveelheid maatregelen geldt. Moeten er dus 20 verblijfsplaatsen gerealiseerd worden als compensatie voor wettelijke natuurbescherming en 16 vanuit dit kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, dan moeten er dus 20 worden gerealiseerd. Daarnaast is in Delft voor een aantal wijken een soortmanagementplan (SMP) opgesteld waarmee een gebiedsgerichte ontheffing is verkregen. https://www.delft.nl/soortenmanagementplan Wanneer er leefgebied gerealiseerd moet worden voor een aanwezige soort als onderdeel van een werkprotocol uit het SMP, dan kan het kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen gebruikt worden om te onderbouwen dat er voldoende wordt gedaan voor de betreffende soort.

8

1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is opgenomen wanneer voldaan moet worden aan dit toetsingssysteem en wat de gemeente bijvoorbeeld ziet als ‘nieuwbouw’. Ook staat hier welke verplichtingen gelden voor projecten inclusief de randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.

In hoofdstuk 3 is het stappenplan voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgenomen. Stap voor stap is weergegeven wat nodig is bij projectontwikkeling. Ook staat hier de werkwijze opgenomen voor gebiedsontwikkeling. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen draait om ruimte maken voor de ambassadeursoorten. De ambassadeursoorten die Delft heeft gekozen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en welke natuur en biotopen daarvoor nodig zijn. Tenslotte staat in hoofdstuk 5 hoe het toetsingsformulier werkt dat de gemeente gebruikt. Stap voor stap is aangegeven hoe dit formulier ingevuld kan worden en hoe daaraan kan worden voldaan. In bijlage VI zijn de natuurinclusieve maatregelen die concreet gekozen kunnen worden opgenomen. Ook staat er welke punten verkregen worden voor welke maatregelen. Daarnaast staat hoe te voldoen aan de verplichte nest- en verblijfplaatsen.

Neststeen voor huismus Lumen

9

10

2

Doelstellingen, verplichtingen en reikwijdte

2.1 Doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen Het hoofddoel van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is om de biodiversiteit in de gebouwde omgeving te beschermen, te herstellen en te versterken. Hiervoor zijn er vier doelstellingen, gebaseerd op de visie “Groen en biodiversiteit, de stad als ecosysteem”. Deze vormen de basis van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De aandachtspunten bij deze doelstellingen worden in bijlage II verder uitgelegd. Daarnaast is een aantal specifieke aandachtpunten beschreven die voortkomen uit de visie. 1. Behoud en bescherming van bestaande natuur Nieuw gerealiseerde natuur is meestal van lagere ecologische waarde dan volgroeide en oudere natuur. Daarom is behoud van waardevolle, bestaande natuur belangrijk. Net als het zo min mogelijk verstoren van de bodem. Daarnaast is bescherming van aanwezige dier- en plantensoorten belangrijk om hen in het gebied te behouden.

2. Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving De meeste diersoorten hebben voordeel van verbondenheid tussen natuur. Zo ontstaat namelijk een voldoende groot leefgebied met toegang tot alle habitateisen. Dat zijn de V’s voor het leefgebied: Voedsel, Vocht, Voortplanting/Verblijf, Veiligheid, Variatie en Verbinding. Ook kunnen populaties zo voldoende mengen om gezondheid en voortbestaan te garanderen.

3. Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen Het is belangrijk dat er voldoende ruimte is voor natuur. Dat kan ruimte zijn die exclusief met een natuurfunctie wordt ingericht, zoals natuurvriendelijke oevers, of ruimte die meervoudig wordt gebruikt. Bijvoorbeeld een groen dak of recreatiegebieden zoals parken. 4. Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur De keuze van natuurtype en beplanting bepaalt vervolgens de ecologische kwaliteit en diversiteit. Het gaat daarbij om verscheidenheid, het zorgen voor voldoende kwaliteit en om keuzes aan plantsoorten die gezamenlijk zorgen voor een goed leefgebied (habitat) voor ambassadeursoorten. Figuur 2 Overzicht aandachtspunten voor biodiversiteit

11

2.2 Verplichtingen Ieder project dat valt binnen de reikwijdte van dit systeem, als opgenomen in 2.4, moet natuurinclusief bouwen. Deze verplichting is samengevat in de volgende twee richtlijnen: 1. Het realiseren of behouden van een minimale hoeveelheid biodivers groen van 30% van het oppervlak van het plangebied. 2. Het zorgen voor een hoogwaardig leefgebied (habitat) voor ambassadeursoorten. 1. De groennorm De eerste verplichting is een groennormering. In ieder project moet minimaal 30% van het oppervlak in het plangebied ingericht worden met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen die passen bij de gekozen ambassadeursoorten. Deze maatregelen kunnen op het dak, tegen de gevel en op het maaiveld uitgevoerd worden. Ook natuur die in het plangebied behouden wordt, mag meegerekend worden. Het percentage wordt berekend door het aantal vierkante meters (m2) beplanting op maaiveld of dak (inclusief het boomkoonoppervlak (zie figuur 7) te delen door het totale plangebied. 𝑛𝑎𝑡𝑢𝑢𝑟𝑖𝑛𝑐𝑙𝑢𝑠𝑖𝑒𝑣𝑒 𝑚𝑎𝑎𝑡𝑟𝑒𝑔𝑒𝑙𝑒𝑛 𝑚2 ≥ 30% 𝑝𝑙𝑎𝑛𝑔𝑒𝑏𝑖𝑒𝑑 𝑖𝑛 𝑚2 In dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier (bijlage VII) is een lijst met natuurinclusieve maatregelen die hierin als ‘groen’ gerekend worden (zie bijlage VI).

Let op 1: natuurinclusief groen (zoals we het groen in dit toetsingssysteem bedoelen) is niet hetzelfde als wat er onder ‘groen’ wordt verstaan in stedenbouwkundige plannen en voorheen bestemmingsplannen. Voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen telt verharding, bijvoorbeeld bij speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, opritten, nutsvoorzieningen en calamiteitendoorgangen niet mee. Let op 2: in de beleidsregels klimaatadaptief bouwen in Delft wordt 50 % groen voorgeschreven. Groen heeft bij klimaatadaptief bouwen een bredere definitie. Voor natuurinclusief bouwen is 30% ecologisch waardevol groen vereist.

2. Leefgebied voor ambassadeursoorten De tweede verplichting is dat er voldoende en hoogwaardig leefgebied voor ambassadeursoorten (zie hoofdstuk 4) gemaakt wordt in het plangebied. Ambassadeursoorten staan als ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes. Dit betekent dat de relevante maatregelen genomen worden én dat deze gezamenlijk zorgen voor de verschillende voorwaarden voor het leefgebied van de gekozen ambassadeursoorten en de soorten die meeliften en gebruik maken van hetzelfde leefgebied.

Dit noemen we ook wel de leefgebied V’s: Voedsel, Vocht, Veiligheid, Verblijfplaats, Voorplanting, Variatie, Verbinding met de omgeving. Om te bepalen wat ‘voldoende’ is, wordt het puntensysteem uit dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier gebruikt. Het aantal ambassadeursoorten waarvoor een leefgebied moet worden ingericht, hangt af van de grootte van het plangebied en in welke projectcategorie het project daarmee valt. De projectcategorie bepaalt namelijk het aantal ambassadeursoorten. In de onderstaande tabel staat de indeling per categorie. Plangebied Projectcategorie Minimaal aantal (perceelgrootte) ambassadeursoorten 50 - 499 m2 Klein project 1 500 - 2.000 m2 Middelgroot project 2 >2.000 m2 Groot project 3 Tabel 1 De grootte van het plangebied bepaalt projectcategorie en minimum aantal ambassadeursoorten. Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om groene inrichtingsmaatregelen te nemen.

Nest- en verblijfplaatsen zijn een belangrijk onderdeel van een compleet leefgebied. Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) moet daarom voor minimaal één nest- of verblijfplaats ingebouwd worden. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint). Daarnaast moet ieder project in het inrichtingsplan een minimaal aantal punten behalen met natuurinclusieve maatregelen. Het aantal punten wordt bepaald aan de hand van de grootte en het type werkzaamheden (nieuwbouw of ingrijpende renovatie). De mogelijkheden en kansen voor de natuur zijn meestal het grootst in projecten met nieuwbouw of sloop-nieuwbouw. En bij projecten waarbij de buitenruimte van het gebouw en de omgeving worden (her)ingericht. Zowel gebouw(en) als de omgeving kunnen dan bijdragen aan herstel en versterking van de biodiversiteit. Daarom moet bij nieuwbouwprojecten 2 punten voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden per 100 m2 plangebied. Bij renovatie moet per 100 m2 plangebied 1 punt voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden.

Nieuwbouw of sloop-nieuwbouw

Minimaal aantal punten per 100 m2 plangebied 2

Ingrijpende renovatie Tabel 2 Minimaal aantal punten per ruimtelijke opgave

1

Niet iedere maatregel levert evenveel punten op. Voor meer wenselijke en ecologisch waardevolle maatregelen worden meer punten toegekend. In bijlage VI is weergegeven hoeveel punten de verschillende maatregelen opleveren.

Als voorbeeld: een nieuwbouwproject op een plangebied (kavel) van 1.560 m2 met 12 meter bouwhoogte moet voor minimaal 2 ambassadeursoorten een leefgebied inrichten, 16 verblijfplaatsen realiseren en 31 punten voor maatregelen behalen.

13

Bij deze verplichtingen moet er altijd voor gezorgd worden dat de natuurkwaliteit en de soorten die er al zijn beschermd worden. Daarnaast moet aansluiting met de omgeving en het maken van verbindingen worden meegenomen.

Oldelft Ultrasound TU Campus Zuid

14

2.3 Randvoorwaarden, aanbevelingen en indieningsvereisten Voor de plannen gelden ook randvoorwaarden: o

De keuze voor bomen en planten is gemaakt op basis van het lokale bodem- en watersysteem Benoem hoe de bodem en water sturend zijn geweest voor de plantkeuze. Geef ook aan hoe de uitgangspunten zijn bepaald. Bijvoorbeeld voor grondwaterstand en type grond.

o

Er is een inrichtingsplan opgesteld met hulp van een ecologisch expert Deze voorwaarde is alleen verplicht voor middelgrote en grote projecten.

Neem de volgende punten mee: 1. behoud en bescherming van bestaande natuur; 2. ontwikkeling van habitat voor (doel)soorten en zorg voor basiskwaliteit natuur; 3. Realisatie van voldoende ruimte voor natuur; en 4. versterking en behoud van groenblauwe structuren. Vul op het toetsingsformulier in welke ecologisch expert betrokken is. En vermeld de naam van de bijlage waarin het ecologisch (inrichtings)plan staat. Daarnaast gelden de volgende aanbevelingen: o

Er is een beheerplan opgesteld en afgestemd met de toekomstige beheerder Voor middelgrote en grote projecten.

Benoem wie de toekomstige beheerder van de natuurinclusieve maatregelen is. En welke afspraken er op hoofdlijnen zijn gemaakt. o

Er is een natuurvriendelijk verlichtingsplan opgesteld Voor middelgrote en grote projecten.

Stel dit plan op en vul in het toetsingsformulier de naam van de bijlage in waarin het verlichtingsplan staat. Benoem hoe er in het verlichtingsplan rekening is gehouden met natuurkwaliteit en ambassadeursoorten. o

Educatie- en voorlichtingsplan Voor middelgrote en grote projecten.

Benoem hoe (toekomstige) bewoners worden geïnformeerd en betrokken bij de natuurinclusieve inrichting. Voor de plannen gelden de volgende indieningsvereisten: - Kleine plannen: ingevuld toetsingsformulier - Middelgroot en grote projecten: ingevuld toetsingsformulier en inrichtingsplan

15

2.4 Reikwijdte van de verplichting Hieronder staat voor welke projecten dit toetsingssysteem geldt. Deze projecten moeten dus voldoen aan de normen en richtlijnen voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Projecttype o Nieuwbouw: wanneer er minimaal één gebouw wordt gebouwd op het perceel, valt het project onder dit systeem. Sloop-nieuwbouw met of zonder behoud van de fundering wordt ook gezien als nieuwbouw. Een uitbouw of aanbouw geldt in dit systeem niet als nieuwbouw. o

Ingrijpende renovaties: dit betreft renovatie aan 25% of meer van de gebouwschil. Ook transformaties waarbij 25% of meer van de gebouwschil wordt gerenoveerd of gewijzigd, vallen hier onder. Kleinere renovatieprojecten waar minder dan 25% van de gebouwschil wordt gerenoveerd, zijn niet verplicht om te voldoen.

Type vastgoed Alle soorten vastgoed vallen onder dit systeem. Denk aan woningbouw (inclusief sociale huur), bedrijfspanden en maatschappelijk vastgoed. Maar ook andere gebouwen zoals transformatorhuisjes, sportcomplexen en agrarisch vastgoed. Geografie De verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen geldt voor de gehele gemeente Delft.

Bethelpark

16

2.5 Uitzonderingen en afwijkingen Afwijking van de eisen zijn alleen toegestaan in zeer uitzonderlijke gevallen en dienen gemotiveerd aan het bevoegd gezag (College van B & W) ter goedkeuring te worden voorgelegd. 1. Als bij een gebiedsontwikkeling (meerdere percelen en aangrenzende openbare ruimte) in deelfases wordt gewerkt, kunnen maatregelen gefaseerd worden toegepast en/of met maatwerkoplossingen op bepaalde locaties van de gebiedsontwikkeling worden toegepast. 2. Indien niet wordt voldaan aan de letterlijke bepalingen van deze beleidsregels, maar op andere wijze aantoonbaar een gelijkwaardig resultaat wordt bereikt, wordt dit eveneens geacht in overeenstemming te zijn met deze beleidsregels.

3. Bij tijdelijke ontwikkelingen is het mogelijk om geheel of gedeeltelijk eisen te laten vervallen. In beginsel werken de beleidsregels per gebouw en volgt uit deze beleidsregel aan welke eisen moet worden voldaan. Bij gebiedsontwikkelingen waarbij ook openbare ruimte is betrokken, die langere tijd in beslag nemen, uit meerdere deellocaties bestaan of om een andere reden complex zijn is dit echter niet altijd mogelijk. Bij gebiedsontwikkelingen kunnen maatregelen bijvoorbeeld gefaseerd worden gerealiseerd of op een andere locatie. Bij deze plannen kunnen de eisen niet rechtstreeks worden toegepast maar is altijd een doorvertaling nodig naar concrete maatregelen die voor de betreffende gebiedsontwikkeling geschikt zijn en moet rekening worden gehouden met de fasering van het gebiedsontwikkelingsproject. De beleidsregels bieden hiervoor ruimte. De eisen uit de beleidsregels dienen dan als richtlijn en vormen het uitgangspunt voor de uitwerking in het een plan waarin de maatregelen voor de gebiedsontwikkeling zijn uitgewerkt. Hier noemen we dat een Uitwerkingsplan Natuurinclusief Bouwen. In dit Uitwerkingsplan wordt bepaald hoe aan de uitgangspunten van deze beleidsregels wordt voldaan. Dit Uitwerkingsplan wordt beoordeeld door het bevoegd gezag en als verplichting opgenomen in het omgevingsplan of de buitenplanse omgevingsvergunning (bopa).

Het voert te ver om nu al de systematiek van het Uitwerkingsplan Natuurinclusief Bouwen vast te leggen, maar de volgende aspecten zijn van belang: • Beschrijving gebiedsontwikkeling (waar in de stad, kenmerken gebied, beoogde ontwikkeling); • Beschrijving gebied ecologisch (welke groenstructuren aanwezig, welk gebruik van het gebied, bijvoorbeeld aanwezige vleermuisroutes, doelsoorten, BKN); • Te behalen punten conform Natuurinclusief Bouwen, hoe deze punten te verdelen over de ontwikkeling, aan wie/welke partij toe te delen; • Indien maatregelen terecht komen in de openbare ruimte, dit vooraf afstemmen met Stadsbeheer&Realisatie;

NB Landelijk wordt gewerkt aan een Handreiking natuurinclusieve gebiedsontwikkeling.

17

2.6 Overgangsregeling Het puntensysteem zoals hier beschreven is na inwerkingtreding van deze beleidsregel niet van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd in de periode voorafgaand aan 1 juli 2026, of waarvoor al afspraken zijn vastgelegd.

2.7 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt per 1 juli 2026 in werking. Het huidige beleid “Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, kader voor ontwikkelingen” wordt op dezelfde dag ingetrokken.

Binnentuin Nieuw Delft

18

3

Stappenplan projectontwikkeling

3.1 Het stappenplan voor projectontwikkeling Met dit toetsingssysteem en het bijbehorende puntensysteem kan in een aantal stappen voldaan worden aan de verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De hieronder beschreven stappen zijn een handreiking.

Figuur 3 Stappenplan projectontwikkeling

Stap 1. Bepaal de doelstellingen voor het project 1a. Bepaal aan de hand van de locatie de kwalitatieve doelstellingen Bekijk of er al natuur aanwezig is die kan en/of moet behouden. Bekijk ook of er belangrijke groenstructuren in het plangebied liggen. En of er nog uitdagingen zijn waar de natuur een oplossing voor kan zijn. Bepaal zo welke kwalitatieve doelstellingen behaald kunnen worden. Goed om te weten: in het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5) is een aantal vragen opgenomen die helpen om deze doelen in te vullen. 1b. Bepaal aan de hand van de grootte van het plangebied de kwantitatieve doelstellingen Als eerste stap wordt de projectcategorie op basis van het plangebied en de bouwhoogte bepaald. Daarna wordt op basis van het type project het minimale aantal ambassadeursoorten en te behalen punten voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld. Ook hierbij helpt het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5). Wanneer de grootte van het plangebied en bebouwd oppervlak ingevuld wordt, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. De gemeente wil voor ieder project een evenredige verplichting voor natuurinclusief bouwen vragen. Hierbij is de oppervlakte van het plangebied bepalend voor de doelstellingen voor een natuurinclusieve inrichting.

19

Stap 2. Onderzoek de locatie Als tweede stap moet bij middelgrote en grote projecten (zie tabel 1) een ecologisch expert de locatie onderzoeken. Dat kan aan de hand van verschillende vragen die te maken hebben met de vier doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. In bijlage III is een vragenlijst opgenomen die gebruikt kan worden bij deze locatieanalyse. Stap 3. Bepaal de ambassadeursoorten en maak plek voor natuur Bepaal de ambassadeursoorten Bepaal de ambassadeursoorten op basis van de locatie van het plangebied, de situatie in het plangebied, de groenblauwe structuren in en om het gebied en de aanwezige populaties. Je kiest hiervoor uit de lijst van ambassadeursoorten die in hoofdstuk 4 staat. Een ecologisch deskundige kan ook andere soorten aanwijzen die passen bij de projectlocatie. Dan moet deze keuze wel goed onderbouwd worden. Ook moeten de natuurinclusieve maatregelen voor het leefgebied op een soortgelijke wijze gepresenteerd worden als in het toetsingsformulier, waarbij aangegeven wordt welke maatregelen bijdragen aan het leefgebied van de gekozen soorten. Reserveer ruimte voor natuur in het plangebied De doelstelling voor groenoppervlak moet meegenomen worden. Dat is 30% van het plangebied. Reserveer hiervoor dus ruimte. Het is wenselijk om te zorgen voor een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur op maaiveld.

Natuur op maaiveld is namelijk bestendiger en heeft meer voordelen. Het is meestal ook goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. Openbaar toegankelijke natuur heeft dan weer meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken en ervan kunnen genieten. Ruimtereservering Zorg dat al vanaf de eerste ontwerpen ruimte gemaakt wordt voor natuur. Zo worden latere uitdagingen in het latere ontwerp- en ontwikkelproces vorkomen. Als dit pas later wordt meegenomen, kan dat leiden tot vertraging en extra kosten door aanpassingen in het ontwerp.

20

Stap 4. Selecteer natuurinclusieve maatregelen en ontwerp het plan Selecteer natuurinclusieve maatregelen Op basis van de locatie-analyse van het plangebied en gekozen ambassadeursoorten, worden passende, relevante natuurinclusieve maatregelen waar punten mee worden behaald, geselecteerd. Deze maatregelen moeten samen in de verschillende voorwaarden van de gekozen ambassadeursoorten voorzien. Daarnaast geldt dus ook de doelstelling voor groenoppervlak. Het is natuurlijk mogelijk en aan te bevelen om méér maatregelen en punten in het ontwerp mee te nemen dan minimaal verplicht is. Voor middelgrote en grote projecten is het verplicht om een ecoloog te laten adviseren over welke maatregelen het best passen bij het ontwerp van het gebouw en de specifieke locatie. Ook voor kleine projecten is dit verstandig. Het advies van een ecoloog kan ervoor zorgen dat de maatregelen doeltreffend(er) en correct(er) uitgevoerd en ingepast worden. Houd bij het selecteren van de natuurinclusieve maatregelen en het ontwerpen van het plan ook rekening met drukfactoren. Probeer de negatieve invloed van onder andere plaagdieren, (invasieve) soorten, verlichting en recreatie te voorkomen. Zorg bij projecten met grote oppervlaktes glas ook voor vogelvriendelijke beglazing. Ontwerp het plan Tijdens het ontwerpproces worden de eerdergenoemde stappen doorlopen.

In de verschillende fases van het ontwerp wordt aanbevolen de volgende onderdelen toe te voegen aan de ontwerpvoorstellen. o

Initiatief-fase De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen wordt bepaald in de initiatief-fase.

o

Schetsontwerp De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen worden bij de schetsontwerpen (SO) meegestuurd naar de gemeente. Hierbij hoort ook een vlekkenplan en groenblauwe-structuurtekening. Hierop staat waar de natuurinclusieve maatregelen komen en hoe de aansluiting met de omgeving is.

o

Voorlopig ontwerp Vervolgens wordt de tabel met maatregelen en een overzichtstekening bij het voorlopig ontwerp (VO) voor overleg met de gemeente opgesteld.

o

Definitief ontwerp en vergunningaanvraag Voor het definitief ontwerp (DO) moet het hele toetsingsformulier ingevuld zijn. Zorg voor de bijbehorende stukken bij de ontwerptekeningen en planinformatie. Lever dit aan als onderdeel van de vergunningsaanvraag en/of bij de stukken van het definitief ontwerp.

21

Stap 5. Vul het toetsingsformulier in en zorg voor de gevraagde stukken In iedere fase van de ontwikkeling neem je het behoud en de versterking van natuur en biodiversiteit mee: in de planvorming, in de ontwerpen en bij de realisatie en het beheer. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning en bij andere projectvoorstellen, zoals projecten in de openbare ruimte vanuit de gemeentelijke organisatie, wordt aangegeven hoe voldaan wordt aan de verplichtingen. Dit kan aan de hand van het toetsingsformulier. Zie hoofdstuk 5 voor een voorbeeld van dit formulier. Vul het toetsingsformulier in en voeg plantekeningen toe Met het toetsingsformulier wordt getoond hoe voldaan gaat worden aan de richtlijnen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. Vul de projectinformatie in. Vul vervolgens de natuurinclusieve maatregelen in die genomen worden en controleer of aan alle doelstellingen en voorwaarden voor de leefomgeving van de ambassadeursoorten worden voldaan. Maak een overzichtstekening van het plangebied met de verschillende maatregelen op de tekening aangeduid en vermeld de bijbehorende oppervlaktes. Voor toetsing wordt het toetsingsformulier met de bijbehorende tekeningen en de informatie zoals benoemd bij de doelstellingen aangeleverd. Toetsing voor een omgevingsvergunning Bij het toetsen van de vergunningsaanvraag checkt de gemeente of het plan voldoet aan de randvoorwaarden.

Ook beoordeelt de gemeente of het minimumaantal punten voor nest- en verblijfplaatsen en voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen wordt behaald. En of de gekozen maatregelen op de ontwerptekeningen en het inrichtingsplan staan.

Groene gevel Coendersbuurt

4

Overzicht van ambassadeursoorten

4.1 Ambassadeursoorten als ambassadeurs De ambassadeursoorten van de gemeente zijn soorten dieren die thuishoren in de gebouwde omgeving en het lokale landschap. Zij kunnen daar leven als de kwaliteit van dat landschap goed is. Ze zijn dus een goede graadmeter voor een gezonde staat van de biodiversiteit in de gemeente. In de visie Groen en Biodiversiteit uit 2024 is al een aantal icoon of ambassadeursoorten voor Delft benoemd. Als het leefgebied voor de ambassadeursoorten op orde is, kunnen er ook allerlei andere soorten planten en dieren leven. De ambassadeursoorten geven daarmee richting aan de keuzes die we als gemeente maken voor de inrichting van de omgeving en gebouwen. Zij zijn ambassadeurs voor alle soorten die gebruikmaken van eenzelfde leefomgeving.

4.2 De keuze van Delftse ambassadeursoorten Om invulling te geven aan natuurinclusief bouwen, is er een aantal ambassadeursoorten gekozen uit de totale lijst van soorten uit de visie Groen en Biodiversiteit. Deze ambassadeursoorten staan voor natuurtypen en maatregelen die de biodiversiteit in de gebouwde omgeving versterken. De keuze voor de ambassadeursoorten heeft de gemeente gemaakt aan de hand van onderstaande richtlijnen. Samen leidt dit tot een compacte en toch complete lijst met soorten die staan voor een basiskwaliteit natuur. En met lokaal-relevante soorten die staan voor de unieke kwaliteit van de lokale natuur. Het is dus niet zo dat elke aparte ambassadeur aan elk van deze richtlijnen moet voldoen. De ambassadeursoorten zijn samen een vertegenwoordiger van de verschillende natuurtypen die we in de gemeente willen hebben. Dit zijn de richtlijnen: Een ambassadeur stelt eisen aan zijn omgeving voor bepaalde typen natuur. o Een ambassadeur heeft inrichtingseisen die uitgevoerd kunnen worden in een bouwopgave. o Een ambassadeur is een graadmeter voor de effectiviteit van inrichting en beheer. o Een ambassadeur geeft een streven aan en is haalbaar op korte of lange termijn; o Een ambassadeur is lokaal mogelijk aanwezig en is een beschermde soort voor wettelijke natuurbescherming. o Een ambassadeur spreekt aan bij het publiek of heeft een hoge ‘aaibaarheidsfactor’.

o Een ambassadeur kan een provinciale of landelijke ambassadeur zijn. o

23

Een ambassadeur is eerder benoemd als ambassadeur voor de gemeente. o

4.3 Biotooptypen voor de gemeente Delft Iedere ambassadeur staat voor een bepaald type natuur. Deze natuur moet in voldoende mate aanwezig zijn in de inrichting van de omgeving. Zo kan de soort er een goed leefgebied (habitat) vinden. Door natuurinclusief te bouwen, krijgen deze natuurtypen als groene inrichtingsmaatregelen een plek in het ontwerp. Soms is deze natuur al aanwezig en is het belangrijk dat de natuur behouden blijft. En op andere locaties moet deze natuur toegevoegd worden aan het ontwerp van de gebouwen en omgeving. Dit zijn de biotooptypen die voor Delft relevant zijn: o o o o o

Bos, bomen en bosschages; Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen; Water en natuurvriendelijke oevers; Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie; Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken.

Overige natuurtypen, zoals kort gemaaid gras (gazon), zijn door de relatief lage ecologische waarde en al grote aanwezigheid geen natuurdoel. Deze maatregelen tellen daarom niet of enkel beperkt mee voor natuurinclusieve punten in het puntensysteem. Dit type natuur telt overigens wél mee voor de groennorm wanneer de maatregelen in het toetsingskader opgenomen zijn. In de Visie Groen en Biodiversiteit staat al een aantal maatregelen, doelstellingen en kwaliteiten beschreven die van toepassing zijn op het versterken van de biodiversiteit. Deze punten dragen ook bij aan de selectie van ambassadeursoorten en maatregelen.

24

4.4 Ambassadeursoorten van Delft voor natuurinclusief bouwen Per biotooptype heeft de gemeente meerdere ambassadeursoorten gekozen. Zij zijn als diersoort ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes. Bos, bomen en bosschages

Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen

Water en natuurvriendelijke oevers

Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie

Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken

Bomenrijen, bosjes en solitaire bomen.

Heesters, hagen en vaste planten en mantelzomen.

Natuurvriendelijke oevers, rietkragen en poelen.

Bloemrijke beplanting.

Groene tuinen, gevels en daken.

Gewone dwergvleermuis

Egel

Blauwborst

Argusvlinder

Gierzwaluw

Rosse vleermuis

Huismus

Gewone pad

Weidehommel

Laatvlieger

Merel

Konijn

Kleine karekiet

Wijkbij

Muurvegetatie

Zwartkop

Putter

Libellen

Steenuil

Figuur 4 Totaaloverzicht van ambassadeursoorten per biotoop

25

De soorten zijn gekozen op basis van verschillende richtlijnen die eerder benoemd zijn. Onderstaande tabel biedt een overzicht van de soorten en hoe zij aansluiten bij deze richtlijnen, bijvoorbeeld omdat ze ook een icoonsoort van de Provincie Zuid-Holland zijn, onderdeel van de Basiskwaliteit Natuur (BKN) soortenlijst en/of wettelijk beschermd zijn. Naast specifieke soorten zijn ook een viertal soortgroepen gekozen als vertegenwoordiger. De libellen en muurvegetatie zijn groepen van soorten met vergelijkbare voorwaarden waaraan de leefomgeving moet voldoen. Waardoor de soortgroep als vertegenwoordiger is opgenomen als Delftse icoonsoort in de visie. Daarnaast zijn de Wijkbijen als groep geselecteerd. Per wijk in Zuid-Holland is een bijachtige geselecteerd die het te vormen bijenlandschap vertegenwoordigt (Bijlage II). De soortgroepen zijn niet opgenomen in onderstaande tabel.

x

x x

x

x x x x

x x

x x

x x

x x x

x x x

x x x x

x

x

x x x x

x x

x x

x

x x x

x x

x x x

x x x

x x

x

Waargenomen in de gemeente

Delftse icoonsoorten

Icoonsoort (PZH)

Rode lijstsoort

Nationaal beschermd

Vogel- en habitatrichtlijn

Soortnaam (NL) Soortnaam (Latijn) Bos, bomen en bosschages Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus x Rosse vleermuis Nyctalus noctula x Merel Turdus merula x Zwartkop Sylvia atricapilla x Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen Egel Erinaceus europaeus x Huismus Passer domesticus x Konijn Oryctolagus cuniculus x Putter Carduelis carduelis x Water en natuurvriendelijke oever Blauwborst Luscinia svecica x Gewone pad Bufo bufo x Kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus x Meervleermuis Myotis dasycneme x Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie Argusvlinder Lasiommata megera x Weidehommel Bombus pratorum x Groene gebouwen, gevels en daken Gierzwaluw Apus apus x Laatvlieger Eptesicus serotinus x Steenuil Athene noctua x

BKN Bebouwde kom

BKN Groslijst Naturalis

Hierna vind je een uitleg over deze ambassadeursoorten per type biotoop.

Tabel 3 De achtergrond van de keuze voor de ambassadeursoorten

26

Bos, bomen en bosschages Gewone dwergvleermuis Ambassadeur voor vleermuisverblijven en een goede verbinding tussen gebouwen en structuren in de wijdere omgeving. Merel Ambassadeur voor gelaagde structuren van bomen met struweel en omliggend grasland.

Rosse vleermuis Ambassadeur van het behoud van (oude) bomen.

Zwartkop Ambassadeur van grote bomen omringd door bes- of vruchtdragende struiken.

Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen Egel Ambassadeur voor goede grondverbindingen, toegankelijk water en veilige natuur.

Huismus Ambassadeur voor groene tuinen en broedplaatsen in (grondgebonden) woningen. Konijn Ambassadeur van halfopen structuren met dichte vegetatie en open grasland.

Putter Ambassadeur van overhoekjes en ruigtestroken met overjarige kruiden.

Water en natuurvriendelijke oevers: Blauwborst Ambassadeur van vochtige tijdelijke natuur, verwildering en pionier soorten. Gewone pad Ambassadeur van natuurvriendelijke oevers met een veilige verbinding tussen land en water. Kleine karekiet Ambassadeur van oevers met overjarige rietkragen.

Libellen Ambassadeur van schone, vegetatierijke oevers en watergangen. Meervleermuis Ambassadeur van doorlopende waterverbindingen met opgaande (oever)vegetatie.

Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie Argusvlinder Ambassadeur van aansluiting met het buitengebied.

Weidehommel Ambassadeur van bloemrijk grasland en van bloemrijke tuinen.

Wijkbij Ambassadeur van bloeiende groene daken en groene gevels.

27

Groene gebouwen: tuinen, gevels en daken Gierzwaluw Ambassadeur van nestplaatsen voor vogels in gebouwen in de bebouwde omgeving.

Laatvlieger Ambassadeur van verblijfsplaatsen voor vleermuizen in gebouwen.

Muurvegetatie Ambassadeur van poreuze en kalkrijke (kade)muren.

Steenuil Ambassadeur van nestplaatsen in een kleinschalig cultuurlandschap.

Figuur 5 Ambassadeursoorten per biotooptype

Op basis van voorkomen en de overeenkomst tussen de habitatwensen en het type landschap zijn de ambassadeursoorten verdeeld over 33 deelgebieden. Per deelgebied zijn vijf of zes passende ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een ander biotooptype vertegenwoordigen. In de onderstaande tabel staat de verdeling van soorten over de deelgebieden. Hierna volgt de verdeling van deelgebieden over de gemeente. Dit is weergegeven in figuur 6 en tabel 3.

28

Biotooptype

Deelgebied

Bos, bomen en bosschages

Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen

Water en natuurvriendelijke oevers

Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie

Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken

Libel

Gewone sachembij

Gierzwaluw / Muurvegetatie

Egel Egel Konijn Putter Huismus Putter Egel Egel Konijn Huismus Huismus Huismus Konijn Huismus Huismus Huismus Egel Huismus Huismus Huismus Huismus Egel Putter Egel Egel Konijn Huismus Egel Egel Huismus Egel

Kleine karekiet Meervleermuis Gewone pad Libel Libel Blauwborst Meervleermuis Meervleermuis Blauwborst Kleine karekiet Kleine karekiet Meervleermuis Gewone pad Meervleermuis Meervleermuis Kleine karekiet Libel Libel Libel Kleine karekiet Kleine karekiet Gewone pad Libel Meervleermuis Libel Blauwborst Libel Meervleermuis Gewone pad Gewone pad Gewone pad

Weidehommel Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Tronkenbij Argusvlinder Tuinhommel Tuinhommel Weidehommel Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Argusvlinder Steenhommel Steenhommel Weidehommel Argusvlinder Roodgatje Gewone maskerbij Argusvlinder Gewone maskerbij Gewone sachembij Gewone sachembij Tronkenbij Tronkenbij

Laatvlieger Laatvlieger Laatvlieger Gierzwaluw Laatvlieger Steenuil Gierzwaluw Laatvlieger Steenuil Gierzwaluw Gierzwaluw Gierzwaluw Laatvlieger Gierzwaluw Gierzwaluw Gierzwaluw Laatvlieger Laatvlieger Laatvlieger Laatvlieger Gierzwaluw Laatvlieger Laatvlieger Gierzwaluw Gierzwaluw Laatvlieger Gierzwaluw Laatvlieger Laatvlieger Gierzwaluw Gierzwaluw

Huismus Huismus

Libel Kleine karekiet

Steenhommel Argusvlinder

Laatvlieger Gierzwaluw

1 Gewone dwergvleermuis Egel 2 Merel 3 Rosse vleermuis 4 Rosse vleermuis 5 Huismus 6 Merel 7 Rosse vleermuis 8a Gewone dwergvleermuis 8b Gewone dwergvleermuis 9 Rosse vleermuis 10 Gewone dwergvleermuis 11 Gewone dwergvleermuis 12 Zwartkop 13 Gewone dwergvleermuis 14 Zwartkop 15 Zwartkop 16 Zwartkop 17 Merel 18 Merel 19 Merel 20 Gewone dwergvleermuis 21 Merel 22 Gewone dwergvleermuis 23 Zwartkop 24 Gewone dwergvleermuis 25 Zwartkop 26 Merel 27 Merel 28 Rosse vleermuis 29 Gewone dwergvleermuis 30 Gewone dwergvleermuis 31 Gewone dwergvleermuis 32 n.v.t. 33 Merel 34 Gewone dwergvleermuis 8a. Schieoevers Noord 8b. Schieoevers Zuid

Tabel 3: Verdeling ambassadeursoorten over deelgebieden

29

Figuur 6: Verdeling deelgebieden over gemeente Delft

30

5

Het toetsingsformulier

Het toetsingsformulier (bijlage VII) is ontwikkeld om het aanleveren van natuurinclusieve ontwikkelplannen zo gemakkelijk en gestructureerd mogelijk te maken. Het is zo gemaakt dat het ieder ondersteunt om passende keuzes voor maatregelen en ambassadeursoorten te maken, die samen meerwaarde bieden en voor biodiversiteit zorgen. In bijlage VI is het overzicht weergegeven van alle natuurinclusieve maatregelen, waarvoor punten behaald kunnen worden. Per maatregel staat een toelichting per nestof verblijfplaatsen met bijhorende puntentelling voor nest- en verblijfplekken. En een toelichting over de natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen met de punten per maatregel.

5.1 Uitleg toetsingsformulier Hieronder volgt stap voor stap hoe je het toetsingsformulier invult. 1. Lees de pagina met de introductie en doelstellingen. Start vervolgens met het invullen van het formulier op het tabblad ‘Projectinformatie’. Begin bovenaan de pagina en vul de algemene projectinformatie in.

31

2. Onder het kopje ‘Kwalitatieve doelen’ vind je een aantal vragen die je kunnen helpen om deze doelen in te vullen. In de gele velden vul je de kwalitatieve doelen van het project in (waarmee de vragen worden overschreven).

3. Wanneer je de grootte van het plangebied op de pagina 'Projectoverzicht' invult, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. Deze staan in de tabel eronder. Naast het doel staat een rood kruis zolang het doel niet behaald is. Dit verandert in een groen vinkje wanneer het doel behaald wordt met de gekozen maatregelen.

4. In het overzicht van de kwantitatieve doelstellingen uit stap 3 staat het verplichte aantal ambassadeursoorten. In de tabel eronder kun je deze selecteren. Wanneer voor deze soort alle benodigde maatregelen voor het leefgebied zijn toegevoegd aan het plan, dan verschijnt er een groen vinkje naast de soortnaam.

32

5. Beantwoord of aan de verschillende randvoorwaarden wordt voldaan.

6. Vul op de volgende sheet (‘Natuurinclusieve maatregelen’) per maatregel in hoeveel vierkante meters zullen worden gerealiseerd of behouden in het plangebied.

33

Pla ntoetsingska der en Puntensysteem Na tuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen Toe lic hting Vul in de gele velden het aantal vierkante meters natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen in die in het ontwerp van het project worden meegenomen. Op de eerste pagina worden de totalen getoetst aan de kwantitatieve doelstellingen. Met behulp van de pagina 'Checklist soorten' kan bepaald worden welke combinaties passen bij de doelsoorten. Het is de bedoeling dat alle voorwaarden voor het leefgebied van de gekozen doelsoorten worden ingevuld met passende maatregelen.

Na tuurinc lusie ve inric htingsma a tre ge le n 2. Bloe mrijk gra sla nd

Selectie voor het plangebied Eenheid

-

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie

2.2 Vaste planten

3. He e ste rs e n he gge n

-

Punten per 100m2 inrichting met de maatregel

Totaal aantal m2

m2

Aantal behaalde punten

Randvoorwaarden

-

m2

-

6

-

Bij voorkeur inheemse soortenmix in volle grond (niet in pot of bak) en ecologisch beheerd. Zaai op arme grond grassen met éénjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie gericht op bijen en vlinders of kies ervoor om spontaan kruidenrijk grasland te laten ontstaan.

m2

-

3

-

Nectar- en stuifmeel-leverende vaste planten. Bij voorkeur biologische planten.

m2

-

3.1 Heesters van 1 soort

m2

-

8

-

Bij voorkeur een inheemse soort (zoals eensteilige meidoorn (Crataegus monogyna), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), veldesdoorn (acer campestere), sleedoorn (Prunus spinosa, etc.), bij voorkeur clusters van 15m2 of meer. met een goede groeiplaats onder- en boven de grond, en waarbij rekening wordt gehouden met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, waardoor deze extensief beheerd kan worden.

3.2 Heesters in meerdere soorten

m2

-

10

-

Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten. Bij insecten als doelsoort: nectarrijke struiken met een rijke variatie aan voedsel. Kies uit diverse inheemse soorten, zoals sleedoorn (Prunus spinosa), eensteilige meidoorn (Crataegus monogyna), Wilge liguster (Ligustrum vulgare), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grauwe wilg (Salix cinerea), etc. Bij voorkeur worden deze in clusters van 15m2 of meer geplant, met een goede groeiplaats onder- en boven de grond, en waarbij rekening wordt gehouden met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, waardoor deze extensief beheerd kan worden.

3.3 Heggen en hagen van 1 soort

m2

-

8

-

Bij voorkeur een inheemse soort (zoals eensteilige meidoorn (Crataegus monogyna), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), veldesdoorn (acer campestere), sleedoorn (Prunus spinosa, etc.). Minimaal 50cm hoog bij aanplant.

3.4 Heggen en hagen meerdere soorten

m2

-

10

-

Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten, zoals eensteilige meidoorn (Crataegus monogyna), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), veldesdoorn (acer campestere), sleedoorn (Prunus spinosa, etc.). Minimaal 50cm hoog bij aanplant.

4. Bome n

-

stuk(s)

Wanneer boomkronen over andere beplanting groeien, mogen beide lagen meegenomen worden in de puntenberekening.

-

4.1 Behoud bomen: 1e orde grootte

stuk(s)

-

15

-

Bomen van minimaal 15 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 35m3). Er wordt voor de punten gerekend met 35m2 per behouden boom.

4.2 Nieuwe aanplant bomen: 1e orde grootte

stuk(s)

-

12

-

Bomen die minimaal 15 meter hoog worden. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van xx cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 35m2 per nieuw aangeplante boom.

4.3 Behoud bomen: 2e orde grootte

stuk(s)

-

15

-

Bomen van minimaal 8 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 20m3). Er wordt gerekend met 20m2 per behouden boom.

4.4 Nieuwe aanplant bomen: 2e orde grootte

stuk(s)

-

12

-

Bomen die minimaal 8 meter hoog worden. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van xx cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 20m2 per nieuw aangeplante boom.

4.5 Behoud bomen: 3e orde grootte

stuk(s)

-

15

-

Bomen tot 8 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 15m3). Er wordt gerekend met 15m2 per boom.

stuk(s)

-

12

-

Bomen die tot 8 meter hoog worden. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van xx cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 15m2 per nieuw aangeplante boom.

4.6 Nieuwe aanplant bomen: 3e orde grootte

5. Na tuurvrie nde lijke oe ve rs, poe le n, wa di's e n muurpla nte n

-

m2

-

5.1 Ecologische wadi

m2

-

8

-

Wadi met een ecologische inrichting (beplanting met inheemse planten en bijvoorbeeld blokken dood hout) en ecologisch beheer.

5.2 Amfibieënpoel

m2

-

12

-

Gesloten, visvrije waterpartij met een diepte van maximaal 1 meter onder de laagste grondwaterstand. Minimaal 50% van de oever heeft veel zon en een flauw talud, flauwer of gelijk aan een hellingshoek van 1:3, en ingericht als plasdras-gebied. Bij voorkeur heeft een poel minimaal een diameter van 10 meter om 'verlanding' te voorkomen.

5.3 Natuurvriendelijke oevers

m2

-

12

-

Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers met talud 1:5 of flauwer. Enkel het gedeelte tot 1 meter diepte telt mee. Vul het aantal vierkante meters dat hieraan voldoet in bij de selectie voor het plangebied.

5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

m2

-

9

-

Denk aan maatregelen als drijvende oevers, onderwaterriffen of zogenaamde vissenbossen. Als op basis van onderzoek er een bewezen positief effect is voor het (inheemse) onderwaterleven kunnen ze worden toegepast. Zonder bewezen effect kan in overleg met de gemeente de maatregel worden toegepast mits er wordt bijgedragen aan onderzoek naar de effectiviteit.

m3

-

12

-

Muurplanten hebben geschikt gesteente nodig dat water kan vasthouden met voldoende structuur/reliëf om zich aan te hechten. Dit stimuleert spontane vegetatie. Aanplanten is niet gewenst, eventueel wel het verplaatsen van muurvegetatie die anders verloren gaat. Bij voorkeur wordt minimaal een lengte van minimaal 15 meter geschikte muur gerealiseerd. Reken met 0.5m2 plangebied per strekkende meter. Bij renovatie rekening houden met aanwezige muurbeplanting.

5.5 Muurplanten op (kade)muren

6. Ge ve ltuin e n pa rtic ulie re tuine n

-

m2

-

6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten

m2

-

12

-

Berekening van het aantal m2: de lengte van de gevel met klimplanten x 50cm. Gevelbeplanting moet bestaan uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie en voldoende ruimte om tot minimaal 3 meter door te kunnen groeien. Bij voorkeur een selectie van in Nederland en Europa van nature voorkomende soorten.

6.2 Particuliere tuinen en geveltuinen met alleen tuinaarde opgeleverd

m2

-

2

-

Tuinaarde dient turfvrij te zijn. Tuinen met schuttingen zonder doorgangen voor grondgebonden soorten als de egel tellen niet. Tuinen opgeleverd met zand tellen niet. Bij geveltuinen moet voldoende ruimte voor voetgangers worden behouden (minimaal 1.5 meter).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16978255/2