4.6.2 gemeentelijk-beleid-tav-joods-onroerend-goed-eindverslag
Tekst van het document
Conclusie Duidelijk is dat voor Joodse overlevenden of hun nabestaanden het naoorlogse leven niet eenvoudig was. Dat was in Delft niet anders dan in andere steden. Op basis van dit eerste verkennende onderzoek lijkt het erop dat ook hier specifiek gemeentelijk beleid voor Joodse teruggekeerden of hun erfgenamen volledig afwezig was. Rechtsherstel volgde louter de nationale wetgeving. Wie voor de oorlog een woning of wat grond bezat, kreeg dit na mei 1945 voorlopig nog niet terug. Het duurde vaak jaren – soms tot tien jaar toe – voordat rechtsherstel was verleend. De inning van lokale belastingen ging al die jaren gewoon door. Het lijkt erop dat net als in andere steden ook hier de gemeentelijke (belasting)portefeuille leidend was. Zover nu bekend voelde de gemeente geen enkele noodzaak om eventueel ontstane belastingschulden kwijt te schelden. De vijf onderzoeksvragen uit het rapport worden hieronder zo volledig mogelijk beantwoord. Daarna volgt een kort overzicht van mogelijkheden voor eventueel vervolgonderzoek. Antwoord op de onderzoeksvragen 1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Delft in totaal 73 gebouwde percelen en 16 percelen landbouwgrond onteigend van 32 verschillende Joodse eigenaren.
Van deze Joodse eigenaren woonden er 17 in Delft; de overige 15 woonden buiten de stad, veelal in Den Haag, Rijswijk of Rotterdam. Van de 32 ontrechte eigenaren is de helft tijdens de oorlog vermoord. Onder de eigenaren bevonden zich Joodse burgers met enkel een eigen woonhuis, maar ook Joodse burgers met meerdere huizen, winkelpanden en/of percelen grond. Voor de complete lijst met eigenaren en bezittingen, zie bijlagen A en B. 2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? De Raad voor het Rechtsherstel was vanaf augustus 1945 verantwoordelijk voor de afwikkeling van het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer. Dit regelde het ongedaan maken van Duitse verordeningen na de oorlog, waardoor onder meer koopovereenkomsten van onteigend onroerend goed nietig werden verklaard. Door de eigendomspositie te herstellen, kwam het bezit met terugwerkende kracht terug bij de rechtmatige eigenaar. Dat hield in dat ook alles wat ná de ontrechting was gebeurd weer op conto van de eigenaar kwam. Deze had recht op alle huur- en pachtinkomsten vanaf het moment van ontrechting, maar was ook verantwoordelijk voor de gemaakte kosten aan afgeloste hypotheken, onderhoud en gemeentelijke belastingen. De regeling was gericht op herstel, niet op compensatie.
Verschillende afdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel bekommerden zich om de feitelijke uitvoering, zoals de afdeling Onroerende Goederen en het Nederlands Beheersinstituut. Rechtsherstel stond garant voor lange en taaie procedures die vaak jarenlang voortsleepten. Wanneer een rechtsherstelprocedure was afgerond, betrof dat een administratieve correctie. Hiermee was de status quo lang niet altijd hersteld. Los van alle persoonlijke verliezen en emotionele schade bleek ook het vermogen vaak danig aangetast. Voor een goed inzicht in de werkwijze van de 19
Raad voor het Rechtsherstel en de impact op Delftse Joodse burgers en hun nabestaanden, zie de zeven uitgewerkte cases in bijlage C. 3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? Voor dit onderzoeksverslag is omwille van de tijd niet systematisch gekeken naar de wijze van bejegening door politieagenten, gemeenteambtenaren of andere vertegenwoordigers van de gemeente Delft. Bij het zoeken naar gegevens over de rechtsherstelprocedures is wel een aantal toevallige vondsten gedaan, die laten zien dat het zinvol kan zijn om de naoorlogse opvang in zijn totaliteit nader te onderzoeken. Delftse teruggekeerden liepen tegen een muur van bureaucratie aan. Daarbij maakte de gemeente – net als de landelijke overheid – bewust geen uitzondering voor Joodse slachtoffers. Zij wilde niet discrimineren zoals de Duitse bezetter had gedaan. Iedereen stond aan hetzelfde loket bij terugkomst. De gemeentelijke instanties deden zo te zien wat tot hun takenpakket hoorde, maar ook niet meer dan dat. 4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? De gemeente Delft heeft in één geval Joods onteigend goed gekocht. Dat betrof ca. 6 ¾ ha weiland van de Joodse broers A.G. en C.H. Frank. De eigenaren moesten de grond volgens Verordnung 102/1941 verplicht verkopen.
Hoewel het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer ook op dergelijke gedwongen verkopen van toepassing was, probeerde het gemeentebestuur onder een minnelijke schikking uit te komen. Het redeneerde dat de verloren gelden van de broers Frank niet ten laste van de gemeente mochten komen. Vooral de besprekingen in het niet-openbare deel van de gemeenteraad lieten een hard en kil geluid horen. Omdat een eenvoudige minnelijke schikking niet lukte, werd de zaak voorgelegd aan een Kamer van de Raad voor het Rechtsherstel. Dat leidde in 1948 alsnog tot een schikking, waarbij de broers Frank en de gemeente Delft het verlies deelden. Geen van beide partijen werd volledig gecompenseerd. Voor de complete gang van zaken, zie Bijlage C, casus 2. 5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? Na rechtsherstel waren de rechtmatige Joodse huiseigenaren of hun erfgenamen weer verantwoordelijk voor gemeentelijke aanslagen voor straat- en rioolbelasting, ook voor de periode dat hun bezit onteigend was geweest. De gemeente ontving altijd de opgelegde belastingen, in ieder geval zover te zien bij de nader uitgezochte cases. Tijdens de oorlog diende de gemeente de rekeningen in bij de opkopers of bij het ANBO, de beheerder van nog onverkochte panden.
Na de oorlog nam het Nederlands Beheersinstituut indien nodig de betalingsverplichting over, in afwachting van teruggave van het onroerend goed aan de rechtmatige eigenaar. Bij de schikkingen na rechtsherstel werden de belastingkosten meegenomen in de kosten-batenanalyse. De gemeente heeft dus gedurende en na de oorlog de gewone heffingen ontvangen en heeft die niet kwijtgescholden. In hoeverre de gemeente achteraf bij rechtsherstelzaken daarnaast eventuele boetes voor te late betaling oplegde of juist kwijtschold, vraagt nader onderzoek. Daarvoor zullen de verschillende individuele zaken tot in detail onderzocht moeten worden in de beschikbare belastingkohieren en rechtshersteldossiers.
20
Mogelijk vervolgonderzoek De gemeente Delft was zover nu bekend – op één geval na – geen actieve oorlogskoper, maar was ook zeker niet opvallend coulant na de oorlog. Om tot in detail te kunnen zeggen in hoeverre de 32 individuele Joodse eigenaren van onroerend goed en hun nabestaanden emotioneel en financieel geleden hebben onder Delfts gemeentebeleid is nader onderzoek voor alle specifieke zaken nodig – zoals nu voor een zevental cases in aanzet is gedaan. Daarbij speelt ook mee dat de afzonderlijke zaken zeer divers van aard zijn. De strekking is vrijwel overal gelijk met het strikt bureaucratische beleid van de landelijke en gemeentelijke overheid, maar de specifieke uitwerking daarvan is voor iedere individuele zaak anders. Daarnaast zou een nadere reconstructie van besluiten uit de verslagen van de gemeenteraad, het college van burgemeesters en wethouders, en de gemeentelijke financiële afdelingen in de naoorlogse jaren meer zicht kunnen geven op de aan- of afwezigheid van beleid met betrekking tot achterstallige belastingen. Vooralsnog lijkt er géén specifiek beleid gevoerd te zijn, en zeker geen coulancebeleid. Tot nu toe is het onderzoek beperkt gebleven tot de kleine groep van Joodse huis- en grondeigenaren. Joodse inwoners en ondernemers die hun woningen of winkelpanden huurden, zijn door de geformuleerde vraagstelling vrijwel geheel buiten beeld gebleven.
Hoewel de gemeente ook bij het lot in en na de oorlog van deze grotere groep slachtoffers maar een beperkte rol heeft gespeeld, is ook op dit punt aanvullend onderzoek mogelijk en wellicht wenselijk. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan: het handelen van de gemeente en gemeentelijke diensten als politie, Centraal Woningbeheer en het GEB, tijdens de oorlogsjaren; hulpverlening en eventuele schuldsanering door de gemeente en gemeentelijke diensten na de oorlog aan alle (Joodse) teruggekeerden; rechtsherstel van Joodse ondernemers die hun gehuurde winkelpanden en bedrijven tijdens de oorlog waren kwijtgeraakt.
21
22