CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

4.6.2 gemeentelijk-beleid-tav-joods-onroerend-goed-eindverslag

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 12 januari 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Onderzoek Joods Vastgoed10.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeentelijk beleid t.a.v. Joods onroerend goed in Delft 24 november 2021 Ingrid van der Vlis en Kees van der Wiel

In opdracht van Stadsarchief Delft

1

Inleiding - Aanleiding - Fases in rechtsherstel - Opzet onderzoeksverslag

3

Historisch kader - Jodenvervolging in Delft - Verordnungen (VO) m.b.t. beroving en uitsluiting van Joden uit het economische leven, 1940-1942 - Onteigening huizenbezit

5

1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? - Verkaufsbücher - Joodse eigenaren - Delfts onroerend goed

7

2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? - Raad voor het Rechtsherstel - Lange en taaie procedures - Vooroorlogse situatie werkelijk hersteld?

11

3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? - Bureaucratie - Hulpverlening - Eigendommen Joodse gemeente

14

4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? - Aankoop grond

16

5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? - Belastingen op onroerend goed - Naheffingen

17

Conclusie - Antwoord op de onderzoeksvragen - Mogelijk vervolgonderzoek

19

Bijlagen A. Overzicht van Joods onroerend goed in Delft B. Overzicht Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft C. Zeven cases van Joodse eigenaren van Delfts onroerend goed 1. Wolf Willem Erschler en Henriëtte Spits 2. Carel Heyman Frank en Abraham George Frank 3. Rachel Hirsch 4. Isaak van IJssel 5. Jacob Stad 6. Andries van der Stam 7. Jozef de Wilde D. Bronnenoverzicht, incl. overzicht afkortingen

2

Inleiding Nadat Canadese militairen op 8 mei 1945 door duizenden Delftenaren juichend waren binnengehaald likte de stad haar wonden. Na vijf jaar bezetting en de zware Hongerwinter was er voor de gemeente volop werk aan de winkel. Terugkeer naar de ‘normale’ situatie ging niet van de ene op de andere dag, al was het maar omdat het gemeentelijke apparaat gezuiverd en opnieuw opgebouwd moest worden. Burgers hadden te kampen met een veelheid aan problemen. Veel gezinnen leefden in onzekerheid over hun geliefden, talrijke Delftse mannen verbleven nog in werkkampen in het buitenland, er heerste tekort aan vrijwel alles en nog dagelijks vielen er mensen flauw van de honger. In deze context kwam geleidelijk aan het onbeschrijflijke leed dat de Joodse gemeenschap was aangedaan aan het licht. Dit onderzoeksrapport zoomt in op een specifiek onderdeel van deze naoorlogse geschiedenis, namelijk het Delftse gemeentelijke beleid m.b.t. Joods onroerend goed en rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog. Aanleiding Bijna 60 procent van de Joodse burgers van Delft heeft de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. Voor zij vermoord werden in Auschwitz, Sobibor of elders had de nazibezetter hen reeds al hun bezit tot op de laatste cent ontnomen. Voor zover niet gewoon gestolen, werden Joodse eigendommen zoveel mogelijk formeel te gelde gemaakt.

De opbrengst daarvan werd ‘beheerd’ op een rekening waarover de slachtoffers niet konden beschikken, maar waarvan de meest bizarre kosten voor hun eigen ondergang werden betaald, zoals voor kamp Westerbork en de treinreizen naar de vernietigingskampen. Wie de oorlog wel overleefde, kwam berooid en beroofd terug. Meubilair was gestolen, het gehuurde huis had andere bewoners en een eigen woning was nu van iemand anders. De besluiten van de bezetter tot roof van onroerend goed zijn na de oorlog nietig verklaard, maar voor de overlevenden of overlevende verwanten bleek het een heel pijnlijk en moeilijk proces om hun rechtmatige bezittingen weer (deels) terug te krijgen. In veel gevallen heeft dat jaren geduurd. Met lede ogen moesten zij ondertussen aanzien hoe notarissen, advocaten en de fiscus eerst hun eigen facturen indienden voordat zij zelf nog iets terugkregen. De administratieve nachtmerries die daarbij kwamen kijken, hebben bij de overlevenden voor veel verbittering gezorgd.1 In het bureaucratische doolhof op zoek naar rechtsherstel speelde de gemeentelijke overheid geen hoofdrol. Recente onderzoeken in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam hebben echter aangetoond dat er ook op plaatselijk niveau bij de teruggave van Joods bezit veel is gebeurd wat achteraf niet de schoonheidsprijs verdient.

Het heeft in veel gemeenten tot het besef geleid dat het noodzakelijk is onderzoek te doen naar – en eventueel rekenschap te geven van – die zwarte bladzijde uit de geschiedenis. In het voorjaar van 2021 stelde de gemeente Delft daarom aan Stadsarchief Delft de vraag: ‘Wat was het gemeentelijk beleid ten aanzien van Joods onroerend goed in Delft?’ Fases in rechtsherstel De vraag van de gemeente Delft past in een trend. Steeds meer gemeenten willen zich rekenschap geven van hun naoorlogse beleid ten opzichte van Joodse overlevenden en hun nabestaanden. Dit is door historici wel aangeduid als de ‘derde fase’ van rechtsherstel.2 De eerste fase duurde van ca. 1945 tot 1967 toen de Raad voor het Rechtsherstel zich met behulp van landelijke wetgeving boog over teruggave van afgenomen bezittingen. Dat betrof een formele nietigverklaring van nazibesluiten, waarbij in de uitvoering geen onderscheid werd gemaakt tussen Joodse slachtoffers en andere gedupeerden. In de tweede fase, van ca. 1990 tot 2000, deed onder meer de Commissie-Van

1

Pregnante samenvattingen en voorbeelden hiervan in onder meer: Aalders, Beroofd; Aalders, Berooid; Citroen, U wordt door niemand verwacht; Lipschits, De kleine Sjoa. 2 Over de verschillende fases: Schütz, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel’, 118-119.

3

Kemenade onderzoek naar de omvang van de roof van Joodse bezittingen in Nederland, en naar hoe uitvoering is gegeven aan het vermogensrechtsherstel na 1945. Enkele commissies later leidde dit tot de conclusie dat het administratieve rechtsherstel formeel grotendeels correct was verlopen, maar dat het onbedoeld soms onrechtvaardige consequenties had opgeleverd. Het Ministerie van Financiën reserveerde daarop 400 miljoen gulden om aan eventuele aanspraken van de Joodse gemeenschap te kunnen voldoen: de zogenoemde Maror-gelden, Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel. Hiernaast stelden verzekeraars en de Nederlandse banken elk 50 miljoen, en de effectenbeurs nog eens 264 miljoen gulden beschikbaar. De Nederlandse overheid wilde hiermee ‘uitdrukkelijk finaal recht’ doen voor al het overheidsoptreden.3 Na een toevallige archiefvondst in Amsterdam in 2013 ging de discussie een nieuwe fase in. De gemeente Amsterdam bleek na de oorlog naheffingen en boetes voor erfpacht opgelegd te hebben. Nu bleek dat op lokaal niveau het rechtsherstel van individuele burgers lang niet altijd even correct was afgehandeld, gingen ook andere gemeenten over tot historisch onderzoek.

Naast grote steden als Den Haag, Rotterdam en Utrecht hebben inmiddels tientallen gemeenten verspreid over het land historici aan het werk gezet op zoek naar het eigen beleid tijdens en na de Tweede Wereldoorlog met de wens om ook op lokaal niveau moreel rechtsherstel te bewerkstelligen.4 Opzet onderzoeksverslag Dit onderzoeksverslag richt zich op de Delftse situatie, maar kan niet los worden gezien van de algemene achtergrond van Jodenvervolging, ontrechting, onteigening en teruggave van Joods bezit. Daarom volgt eerst een historisch kader en zal waar nodig ingegaan worden op landelijke ontwikkelingen. Om zicht te krijgen op de rol van de gemeente Delft daarbinnen staat een aantal deelvragen centraal: 1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? 2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? 3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? 4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? 5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? Om vat te krijgen op de ingewikkelde materie van het rechtsherstel i.v.m. Joods onroerend goed in Delft hebben we na een kort vooronderzoek besloten zeven cases zover mogelijk uit te werken.

Dat heeft ons als onderzoekers beter inzicht gegeven in de materie in algemene zin en heeft de context geschetst waarin we de specifieke Delftse situatie zo goed mogelijk kunnen duiden. Hiermee geeft dit onderzoeksrapport een goede eerste indruk van de naoorlogse situatie voor teruggekeerde Joden in Delft. Het is met nadruk een ‘eerste indruk’. Enerzijds omdat het onderzoek laat zien dat vrijwel iedere zaak unieke elementen kent, en anderzijds omdat gezien de beschikbare tijd het onderzoek niet uitputtend kon zijn.5 Dit onderzoeksrapport is opgebouwd aan de hand van de vijf gestelde vragen, waarbij regelmatig gerefereerd wordt aan de concrete cases die volledig uitgeschreven in bijlage C zijn toegevoegd. Hierna volgt een conclusie waarin gepoogd wordt aan te geven hoe de gemeente zich

3

Citroen, U wordt door niemand verwacht, 15-19; Piersma en Marleen van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, 6-7. 4 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen; Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’; Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel; Blauw, Verschil maken? In juni 2021 vond een (online) bijeenkomst plaats van ca. 35 historici uit het hele land die met vergelijkbare vragen aan het werk zijn; in december 2021 volgt een tweede bijeenkomst. 5 Onder andere de mogelijk relevante archieven die bij het NIOD berusten hebben we tot nu toe buiten beschouwing moeten laten, evenals de archieven voor Bijzondere Rechtspraak bij het Nationaal Archief.

4

over het algemeen opstelde in de genoemde kwesties van rechtsherstel van ontrechte Joden en hun onteigend onroerend goed, en of aanvullend historisch onderzoek mogelijk is. Tot slot kent het rapport enkele bijlagen: A. Overzicht van Joods onroerend goed in Delft B. Overzicht Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft C. Zeven cases van Joodse eigenaren van Delfts onroerend goed D. Bronnenoverzicht, incl. overzicht afkortingen

Historisch kader De Joodse gemeente in Delft was sinds de tweede helft van de negentiende eeuw een bescheiden maar zichtbare factor in de stad. Er waren verschillende Joodse winkeliers en aan de Technische Hogeschool doceerden enkele Joodse hoogleraren. Vanaf 1845 bezat de gemeente van nog geen 200 leden een eigen begraafplaats en in 1862 werd de nieuwgebouwde synagoge aan de Koornmarkt geopend. De Joodse gemeenschap nam aan het eind van de negentiende eeuw in omvang af door vertrek van leden naar grotere gemeenten als Den Haag, Rotterdam en Rijswijk. Het bleek in Delft dan ook al snel lastig om een eigen gemeente, gebedshuis en begraafplaats in stand te houden.6 In de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw groeide de Delftse Joodse gemeenschap nog een beetje door immigranten, voor een deel uit Duitsland op de vlucht voor het daar oplaaiende antisemitisme. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, telde Delft echter maar 34 inwoners die zich als lid van de Joodse gemeente beschouwden. Jodenvervolging in Delft Vanaf mei 1940 stond de kleine Joodse gemeente ongewild in de schijnwerpers. In januari 1941 verordende het nazibestuur dat alle Joden en personen met ten minste één Joodse grootouder zich moesten laten registreren bij het bevolkingsregister.

Op de lijsten die op basis hiervan zijn opgesteld en die in het Stadsarchief Delft bewaard worden, staan 165 namen van ‘voljoden’ en 95 kinderen uit gemengde huwelijken. Daarnaast is er nog een lijst van 35 ‘personen van joodschen bloede (alhier gevestigd, doch elders aangemeld)’. Dit betrof vooral Rotterdammers die na het bombardement van mei 1940 hun heil in Delft hadden gezocht.7 Opeens telde Delft ongeveer 300 Joodse burgers. De Duitse bezetter ging immers niet uit van lidmaatschap van de Joodse gemeente, maar van afstamming. Joodse Delftenaren maakten zich na de inval van nazi-Duitsland weinig illusies. De propagandamachine van Hitler draaide al jaren op volle toeren. Terwijl de bezetter in het eerste jaar benadrukte dat het sociale en economische leven in Nederland gewoon kon doordraaien, werden vrijwel direct beperkende maatregelen voor Joden ingevoerd. Docenten aan de Technische Hogeschool werden in november 1940 geschorst, werken bij de politie mocht niet meer en vanaf februari 1941 was een baan als ambtenaar ook niet meer toegestaan. Kinderen mochten na de zomer van 1941 niet meer naar hun gewone school terug en Joodse studenten werden van hun opleidingen geweerd. Met een reeks van maatregelen werd Joden in de loop van 1941 en 1942 alles afgepakt wat zij bezaten, tot en met het tafelzilver toe. Zij mochten nog slechts beschikken over 250 gulden per persoon per maand.

Wat zij eventueel meer verdienden moesten werkgevers storten op een rekening bij Lippmann, Rosenthal & Co, de ‘Liro-bank’, waarover de betrokkene niet meer zelf kon beschikken. Eind april 1942 voerde de bezetter de verplichte Jodenster in. De ster moest – tegen inlevering van een textielpunt – afgehaald worden in de winkel van de vertegenwoordiger van de

6 7

Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 18-25. SAD, 598, inv.nr 881; Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 159-160.

5

Joodse Raad in Delft, herenkledingmagazijn De Adelaar aan de Choorstraat 46, toen nog het bedrijf van Isaak van IJssel (zie Bijlage C, casus 4).8 Wie hoopte dat deze laatste vernederende maatregel het eindpunt was, kwam bedrogen uit. Vanaf juli 1942 reden de eerste treinen uit Westerbork naar het oosten. Overal in het land werden Joodse burgers opgepakt en afgevoerd om in kampen in Duitsland en Polen te ‘werken’. Dat het merendeel van de mensen ter plekke meteen vermoord werd, ging er bij veel mensen niet in. Delft was op 5 maart 1943 aan de beurt. Wie niet al eerder was opgepakt of een onderduikplek had weten te regelen, werd die dag door de politie opgehaald en naar Westerbork gestuurd. Verordnungen (VO) m.b.t. beroving en uitsluiting van Joden uit het economische leven, 1940-1942

Joodse zakenlieden moeten hun onderneming laten registeren

VO 189/1940

Bedrijven van Joden – waaronder ook winkels – komen onder beheer van een Verwalter om te worden geliquideerd of ‘geariseerd’. Met het eerste was belast de Omnia-Treuhandgesellschaft, met het tweede de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU)

VO 48/1941

Joden die landbouwgrond bezitten moeten dat laten registreren en vóór 1-9-1941 VO 102/1941 verkopen Joodse winkels mogen op zondag niet meer open

VO 114/1941

Joden moeten hun banktegoeden van meer dan 1000 gulden overmaken naar Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro-bank)

1e Liroverordening VO 148/1941

Joden moeten hun grond- en huizenbezit laten registreren bij de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV)

VO 154/1941

Joden moeten goud, zilver, antiek en andere waardevolle spullen inleveren

2e Liroverordening VO 58/1942

Onteigening huizenbezit Voor dit specifieke onderzoek is vooral Verordnung 154 uit augustus 1941 (VO 154/1941) van belang. Joodse eigenaren moesten hun huizenbezit inclusief hypotheken laten inschrijven bij de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV), waarna ze er geen enkele zeggenschap meer over hadden. De woning was ontvreemd, onteigend. ‘Onteigening’ is een wat verwarrende term. Dat gebeurt heden ten dage als de gemeente een huizenblok opkoopt omdat er een weg aangelegd moet worden, het gaat dan om een zaak in het algemeen belang en de eigenaren worden gecompenseerd. Na de oorlog werden zowel de termen onteigening als roof en ontvreemding gebruikt. Voor wat de eigenaren is aangedaan is ontrechting de meest zuivere term, omdat het doel van de bezetter was om de Joodse eigenaren buiten de rechtsorde te plaatsen. Zij konden geen rechten meer doen gelden op hun eigendommen, iets dat na de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse overheid weer ongedaan werd gemaakt.9 In dit rapport worden daarom twee termen gebruikt. Het gaat om ‘onteigening’ van de onroerende goederen en om ‘ontrechting’ van de eigenaren.

8

Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 168-169. Over rechtsherstel in het algemeen: Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog. Over het juridische verschil tussen de verschillende termen: Veraart, Ontrechting en rechtsherstel. 9

6

Voor het te gelde maken van het geconfisqueerde huizenbezit nam de bezetter een beheerder in de arm, vaak het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende goederen (ANBO) en soms Nobiscum of Everout.10 Deze beheerders probeerden de panden met hulp van lokale taxateurs, makelaarskantoren en notarissen te verkopen. Bij verkoop werd de transactie vermeld in de zogenoemde Verkaufsbücher. Lukte het niet om het onroerend goed te slijten, dan bleven of werden de panden door de beheerder verhuurd om in ieder geval de huur te incasseren. Op soortgelijke wijze had de bezetter de Joden al eerder hun bedrijven en winkels afhandig gemaakt door een ‘Verwalter’ aan te stellen van de Omnia Treuhandgesellschaft of de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU). De opbrengst werd, net als die van onroerend goed door het NGV, doorgesluisd naar de Vermögensverwaltungund Rentenanstalt (VVRA).

1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? Eigen woningbezit van particulieren was tot ver na de Tweede Wereldoorlog een zeer beperkt verschijnsel, zeker in de steden. Bij de woningtelling van 1947 was 85 procent van alle woningen in Delft een huurwoning en werd nog geen 15 procent van alle Delftse panden door de eigenaar zelf bewoond.11 Het merendeel van de Joodse Delftenaren was dan ook huurder. Dat gold eveneens voor ongeveer de helft van het handjevol Joodse winkeliers in de stad. Van belang is vooral om te beseffen dat het onderzoek hiermee nog iets verder inzoomt op een specifieke groep burgers die de dupe werd van dit specifieke onderdeel van de Jodenvervolging. Verkaufsbücher Om zicht te krijgen op Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft is het onderzoek gestart met de Verkaufsbücher. Deze landelijke administratie van de bezetter omvat ca. 7500 transacties, opgetekend in oorspronkelijk achttien boeken. De administratie is vrijwel compleet overgeleverd, slechts het eerste deel met ca. 400 transacties aan het einde van de oorlog is zoekgeraakt.12 Afgaand op de informatie uit deze boeken waren er ten tijde van de ontrechting 19 verschillende Joodse eigenaren die 29 Delftse panden bezaten. Al snel werd duidelijk dat deze bron lang niet al het Joodse huizenbezit omvatte. De Verkaufsbücher hebben als bron namelijk zo hun beperkingen.

In de boeken staan alleen de panden vermeld, die tijdens de oorlog verkocht zijn, en dan ook alleen de transacties met de eerste koper, zodat niet-verkochte panden en eventuele doorverkopen tijdens de oorlog buiten zicht blijven.13 Ook was de administratie weliswaar pünktlich, maar niet foutloos. Nader onderzoek wees uit dat twee van de Delftse huizen die in de Verkaufsbücher staan uiteindelijk toch niet zijn verkocht, terwijl twee andere, die wel zijn verkocht, daarin ontbreken. Stadsarchief Delft bleek een zinvolle aanvulling op de Duitse boeken te bezitten. In het kohier van de gemeentelijke straat- en rioolbelasting van 1943 stonden de namen van 27 Joodse eigenaren van onroerend goed dat nog niet door de bezetter was verkocht.14 Aanvullend onderzoek in de leggers van het kadaster leidde naar de panden van deze eigenaren en liet zien dat al deze leggers voorzien waren van een stempel met ‘Verord. No. 154/1941’, verwijzend naar de maatregel die gelastte al het onroerend goed en eventuele hypotheken te laten vastleggen. Met de lijst namen van

10

Na de oorlog zijn de administraties van deze instituten, voor zover nog aanwezig, onder bewind gesteld van het Nederlands Beheersinstituut en zodoende opgenomen in de betreffende collectie bij het Nationaal Archief. 11 Uitkomsten van de Woningtelling 1947 te raadplegen op www.volkstellingen.nl. Van de 13.093 woningen in Delft werden destijds 1921 door de eigenaar bewoond. 12 https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/open-data/open-data-indexen 13 Zie voor verdere uitleg over de verschillende bronnen m.b.t. het overzicht van de Joodse panden bijlage D. 14 SAD, 653, inv.nr 5439, 1943.

7

Joodse Delftenaren bleek het langs deze weg mogelijk nog een aantal eigenaren van onroerend goed op te sporen.

Kohier voor straat- en rioolbelasting uit 1943, met een aparte lijst voor onteigend Joods bezit: het ANBO betaalt. Vervolgens kon aan de hand van deze namen én de namen van de oorlogskopers gericht gezocht worden in de archieven van de Raad voor het Rechtsherstel (over diens werkwijze zie de betreffende paragraaf). Deze archieven worden bewaard in het Nationaal Archief en zijn ontsloten op naam en woonplaats. Dat leverde tientallen dossiers op, van zowel ontrechten als oorlogskopers, en vaak ook meerdere dossiers per pand. Dergelijke dossiers variëren qua omvang en qua inhoud. Soms is de naoorlogse procedure via notariële stukken en correspondentie van week tot week te volgen, soms zit er slechts een enkel doorslagje in. Omdat veel archiefmateriaal in de loop der jaren al vernietigd is, lukte het niet altijd om alle gewenste gegevens boven water te krijgen. De uiteindelijke uitkomsten van veel procedures werden vastgelegd in de zogenoemde ‘geschillendossiers’ van de afdeling Onroerende Goederen van de Raad voor het Rechtsherstel.

Via een kaartsysteem bleek het mogelijk hier voor het merendeel van de Delftse panden een dossier te vinden, vaak met een rechtskrachtig document waarin de voorwaarden voor het rechtsherstel vermeld stonden.15 Door bundeling van al deze verschillende bronnen kunnen we een naar verwachting volledig overzicht geven van het onteigende onroerend goed van Joodse eigenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Delft. Aangezien de diverse bronnen ons soms voor verrassingen stelden, sluiten we niet uit dat er bij nader onderzoek nog een enkel perceel of een nu nog onbekende eigenaar opduikt. Het is vrijwel uitgesloten dat dit om meer dan een marginaal aantal zal gaan. Joodse eigenaren Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Delft in totaal 73 gebouwde percelen en 16 percelen landbouwgrond onteigend van 32 verschillende Joodse eigenaren. De helft van de ontrechte eigenaren is tijdens de oorlog vermoord. Voor de complete lijst met eigenaren en bezittingen, evenals de bijbehorende bronverantwoording, zie bijlagen A en B. Bijna de helft van de Joodse eigenaren woonde buiten de stad, veelal in Den Haag, Rijswijk of Rotterdam, een enkele mede-eigenaar zelfs in de Verenigde Staten. Deze niet-Delftse eigenaren beschikten vaak ook nog over bezittingen in andere steden, eigendommen die we verder niet in dit onderzoek betrokken hebben. Er waren ook Delftenaren met meerdere huur- en/of winkelpanden,

15

NA, 2.09.48, inv.nr 775 (toegang) en nrs 786-919 (geschillendossiers).

8

zoals textielhandelaar Isaak van IJssel en slager in ruste Andries van der Stam (zie bijlage C, cases 4 en 6).16 Hoewel het aantal onteigende panden met een factor drie is toegenomen door onderzoek naast de Verkaufsbücher, gaat het in Delft om een zeer overzichtelijk aantal eigenaren. Vrijwel alle tot nu onderzochte (grote) steden werken met een schatting, variërend van 5 tot 8 procent Joodse huiseigenaren op het totaal aantal woningbezitters. Dat komt neer op een kleine 700 Joodse huiseigenaren in Rotterdam, ca. 850-980 in Den Haag en ca. 665-1000 in Utrecht.17 Het is duidelijk dat de stad Delft niet alleen een maatje kleiner was dan deze steden, maar dat ook de Joodse gemeenschap hierbinnen een zeer bescheiden plek innam.

Joodse eigenaren van Delfts onroerend goed (%) 17 Delftenaren, 15 niet-Delftenaren

12,5

37,5

15,6

34,4

Delftenaren, hebben de oorlog overleefd niet-Delftenaren, hebben de oorlog overleefd Delftenaren, zijn vermoord niet-Delftenaren, zijn vermoord

Delfts onroerend goed De 30 huizenbezitters en 2 landeigenaren hadden in Delft samen 73 kadastrale bebouwde percelen en 16 percelen landbouwgrond in bezit. Vaak stond er één woning op een perceel, maar soms betrof het meerdere huizen (zie Bijlage B). De onteigende Joodse panden bleken tijdens de oorlog niet gewild. Overal in het land viel de verkoop tegen. Hoewel notarissen formeel aantekenden dat er geen bezwaar bestond om de onteigende eigendommen op een nieuwe eigenaar over te schrijven, wilden velen zich niet branden aan de koop van een afgenomen huis. Dat gebeurde waarschijnlijk deels uit moreel-ethische overwegingen; ook Radio Oranje liet in de zomer van 1942 weten dat het kopen van bezit van ontrechte Joden not done was. Belangrijker was misschien nog wel dat weinig banken het aandurfden een hypotheek te verstrekken voor bezit dat na de oorlog vermoedelijk weer aan de rechtmatige eigenaar zou vervallen. Vanaf eind 1943 moest een speciaal opgerichte Landelijke Hypotheekbank dat bezwaar uit de weg ruimen. Samen met de dalende prijzen trok dat toch nog

16

Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, 10 over dit fenomeen in Rotterdam. Blauw, Verschil maken, 14; Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, 10 noot 20 voor berekening van schatting Rotterdam. 17

9

behoorlijk wat kopers over de streep, over het algemeen met de NSB sympathiserende opkopers. Gezien de in diezelfde periode kerende oorlogskansen bleven anderen huiverig voor dergelijk besmet bezit, niet goed wetend wat ermee zou gebeuren als Duitsland verloor en de bezetting ten einde kwam.18 In november 1942 werd voor het eerst een onteigend Joods pand in Delft verkocht: Insulindeweg 15, in dit geval aan de huurder/bewoner. De meeste onteigende panden (16) wisselden in 1943 van eigenaar, de rest (12) in 1944. Het merendeel van de panden, 44 van de 73 (60 procent), werd dus nooit verkocht, maar alleen verhuurd. Dat weerspiegelde het landelijke beeld al lijkt het in een vrij kleine gemeenschap als Delft nog moeilijker te zijn geweest om kopers voor Joods bezit te vinden dan in grote steden als Amsterdam of Den Haag. Het onderscheid tussen Delftse en nietDelftse eigenaren leek hierbij geen doorslaggevende rol te spelen, de verhouding tussen aantallen verkochte en niet-verkochte panden was in beide groepen vrijwel gelijk. Nauw verwant aan de ontrechting van huizeneigenaren was de gedwongen verkoop van landbouwgronden van Joodse eigenaren. Toen verordening 102 op 27 mei 1941 van kracht ging, had dit in Delft consequenties voor twee eigenaren die gezamenlijk 16 percelen bezaten: de gebroeders Frank (zie bijlage C, casus 2) en de gebroeders Wijler.

Bij zo’n gedwongen verkoop was uiteraard geen sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie.19

Onteigend Joods bezit in Delft (%) 73 huizen (kadastrale panden), 16 percelen land

18% 33%

49%

Huizen, verkocht

Huizen, niet verkocht

Percelen land, verkocht

De zeven cases die nader uitgewerkt zijn om het verloop van het proces te verhelderen, hebben we zo divers mogelijk samengesteld op basis van bovengenoemde gegevens. Dat neemt niet weg dat de verhalen louter illustratief zijn, niet representatief. Pas tijdens het onderzoek bleek vaak hoe de ontrechting, de onteigening en het rechtsherstel precies hadden plaatsgevonden. Van de zeven Joodse eigenaren zijn er vijf Delftenaren (cases 1, 3, 4, 5, 6) en twee nietDelftenaren (cases 2, 7). Zij bezaten voornamelijk huizen, in een enkel geval (casus 2) landbouwgrond. Hun bezittingen zijn op één geval na (casus 5) tijdens de oorlog verkocht. Van de zeven eigenaren hebben drie de oorlog overleefd (cases 2, 4, 7), bij de vier anderen moesten nabestaanden achter het onteigende bezit aan (cases 1, 3, 5, 6). Tot slot is als zevende de enige zaak waarbij de gemeente zelf als koper optrad ook meegenomen: dat betrof percelen landbouwgrond van een niet-Delftse eigenaar (casus 2).

18 19

Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 48-55. NA, 2.09.48.02, inv.nr 301, procesdossier R 2788, familie Wijler.

10

2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? Al in 1944 kondigde de Nederlandse regering in Londen het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer (E 100) af. Dit regelde het ongedaan maken van Duitse verordeningen na de oorlog, waardoor onder meer koopovereenkomsten als gevolg van VO 48/1941 (bedrijven), VO 102/1941 (landbouwgrond) en VO 154/1941 (onroerend goed) nietig werden verklaard. Joodse overlevenden of hun erfgenamen konden hiermee weer aanspraak maken op hun eigendommen. Eventuele verkopen werden onwettig verklaard, tenzij de koper kon aantonen dat hij niet wist – of niet kon weten – dat het om Joods bezit ging. Dat laatste was overigens lastig hard te maken, want het kadaster was gedurende de oorlog gewoon in te zien.20 Door de eigendomspositie te herstellen, kwam het bezit na de oorlog met terugwerkende kracht terug bij de rechtmatige eigenaar. Dat hield in dat ook alles wat ná de ontrechting was gebeurd weer op conto van de eigenaar kwam. Deze had recht op alle huur- en pachtinkomsten vanaf het moment van ontrechting, maar was ook verantwoordelijk voor de gemaakte kosten aan afgeloste hypotheken, onderhoud en gemeentelijke belastingen. De regeling was gebaseerd op herstel, niet op compensatie.

Het ook in 1944 uitgevaardigde wetsbesluit Vijandelijk Vermogen (E 133) zorgde ervoor dat de middelen voorhanden waren om teruggave en eventuele terugbetaling af te dwingen. Raad voor het Rechtsherstel De Raad voor het Rechtsherstel, die op 9 augustus 1945 werd opgericht, was verantwoordelijk voor de afwikkeling van het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer. Verschillende afdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel bekommerden zich om de feitelijke uitvoering, zoals de grote afdeling Onroerende Goederen en het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Daarbij maakte het verschil of het bezit alleen onder beheer was gesteld bij de Duitse instanties of dat het verkocht was. In het eerste geval hadden overlevenden of nabestaanden alleen te maken met de afdeling Onroerende Goederen. In het tweede geval was de oorlogskoper ook partij, wiens bezittingen vaak onder bewind stonden van het NBI. Het NBI had na de oorlog de administratie van het ANBO overgenomen en daarmee het beheer over de bezittingen van de ‘afwezige gedepossedeerden’, zoals de Joodse eigenaren werden genoemd die nog niet terug waren of waarvan formeel nog niet was vastgesteld of zij de oorlog hadden overleefd. Bewindvoerders van het NBI bleven die taak uitvoeren tot de rechtmatige eigenaar in ere was hersteld of een nieuwe bewindvoerder was benoemd.

Dat kon een belanghebbend familielid zijn, maar ook een (neutrale) notaris die door het NBI werd aangewezen. Dat was niet altijd tot genoegen van de betrokken families, zoals in het geval van de jonge nabestaanden van slager Van der Stam (bijlage C, casus 6) die zich hardnekkig beklaagden over het gebrek aan daadkracht en interesse van de hen toegewezen notaris.21 Tegelijkertijd was het NBI verantwoordelijk voor het beheer van de bezittingen van geïnterneerde NSB’ers en andere al dan niet vermeende collaborateurs. Deze groep maakte het merendeel van de dossiers uit, waardoor de afhandeling van de Joodse dossiers ernstige vertraging opliep. Het betekende ook dat verschillende bewindvoerders van hetzelfde instituut regelmatig met elkaar tot een vergelijk moesten komen over ontnomen én aangekocht Joods onroerend goed. De situatie in Delft liet die frictie in één oogopslag zien. Het eerste jaar na de oorlog had het NBI een kantoortje op de Markt, op nummer 38, voorheen een winkel die gehuurd werd door Jacob en Sophie de Groot, beiden in Auschwitz vermoord. Van de via dat kantoortje in behandeling genomen zaken en de daarvoor benoemde bewindvoerders is een register bewaard gebleven.22 Het bevat zo’n 800 zaken, waarvan ca. 30 van Joodse slachtoffers.

Nabestaanden en teruggekeerde Delftse Joden hebben dus regelmatig met partners van collaborateurs in de rij gestaan om hun zaken te regelen.

20

Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 28-29. NA, 2.09.48, inv.nr 388 dossier R 8578. 22 NA 2.09.16, inv.nr 6714. 21

11

Het doel van de Raad voor het Rechtsherstel was altijd een minnelijke schikking, waarbij de twee partijen met behulp van een notaris-bemiddelaar zonder tussenkomst van een rechter tot overeenstemming kwamen, zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij Jozef de Wilde (bijlage C, casus 7). Expliciet werd daarbij vermeld dat geen van beide partijen erdoor verrijkt mocht worden. Pas als het niet lukte om tot overeenstemming te komen, bijvoorbeeld als een oorlogskoper weigerde afstand te doen of omdat de partijen het niet eens werden over gemaakte kosten en gederfde inkomsten, kon een procedure bij de Raad voor het Rechtsherstel gestart worden, zie bijvoorbeeld Isaak van IJssel (bijlage C, casus 4). Ook dan was een minnelijke schikking vaak de uitkomst.23 In de praktijk waren de Joodse eigenaar of zijn nabestaanden in veel gevallen wel genoodzaakt compromissen te sluiten om hun leven weer zo snel mogelijk op de rails te krijgen. Een volledig herstel van hun rechten eisen – zo dat al mogelijk was – was een weg die heel veel tijd en geld ging kosten. En ook voor wie wel tot compromissen bereid was, duurde het al onbegrijpelijk lang. Lange en taaie procedures Van de 32 bestolen Joodse eigenaren in Delft keerde de helft terug.

In die gevallen leek er weinig beletsel hun bezittingen weer vrij snel in handen te krijgen, zoals Isaak van IJssel die terugkeerde uit de onderduik en zijn kledingzaak De Adelaar in de Choorstraat in augustus 1945 heropende. Zonder veel verkoopbare handel overigens, want de voorraad en de daaruit voortgekomen winst waren door oorlogskoper Willem van Zwieten volledig om zeep geholpen. Op het eerste gezicht is dit een overzichtelijke zaak. Dat nam niet weg dat Van IJssel in 1953 nog een procedure bij de Raad voor het Rechtsherstel moest aanspannen om de koop van zijn zaak formeel ongedaan gemaakt te krijgen en als schadevergoeding de koopsom van zijn bedrijf in handen te krijgen (zie bijlage C, casus 4). Zo’n langdurige en ingewikkelde procedure was eerder regel dan uitzondering. Er was in 1945 nog geen jurisprudentie, waardoor veel notaris-bewindvoerders niet goed wisten wat ze ermee aan moesten.24 Velen lieten de zaken daarom een tijd liggen tot er meer duidelijkheid kwam, wat voor grote frustratie bij de nabestaanden zorgde (zie bijvoorbeeld Bijlage C, cases 1 en 6). Het legde meteen ook de willekeur van de regeling bloot omdat een succesvol rechtsherstel mede afhankelijk was van de vasthoudendheid van de bewindvoerder of notaris-bemiddelaar. Hoe doortastend deze overigens ook was, sommige formele procedures duurden bij iedereen lang.

Voor rechtsherstelprocedures gold de administratieve noodzaak om van alle betrokken familieleden overlijdensakten te kunnen laten zien. Voor veel vermisten was dit onmogelijk. Het Rode Kruis nam de taak op zich om hier klaarheid in te brengen, maar dat nam veel tijd in beslag. Een wettelijke regeling om die verklaringen te erkennen verscheen pas op 10 juni 1949 in het Staatsblad. Een schrijnende bijkomstigheid was dat de volgorde van moord in de vernietigingskampen voor de vererving soms een doorslaggevende rol speelde. Zolang die niet bekend was, stond het administratieve raderwerk stil. Er konden geen nalatenschappen worden verdeeld, geen huwelijken gesloten, geen weduwen- en wezenpensioenen worden uitgekeerd. De overlijdensakten van veel Delftenaren die in maart 1943 in Sobibor vermoord zijn, konden dan ook pas in december 1949 officieel in de burgerlijke stand worden ingeschreven.25 De vlotste zaken van rechtsherstel konden in 1947 worden afgedaan. Diverse Delftse zaken liepen echter tot 1950 en de laatste kwestie van de in Sobibor vermoorde winkelier Solmanovitz sleepte tot 1955 voordat restitutie aan de erfgenamen een feit was. Problematisch was vaak de verrekening van de opbrengsten (huur, pachtinkomsten) en uitgaven (gemeentelijke belastingen, achterstallig onderhoud) sinds de ontrechting in 1942.

Voor afronding van de procedure was een precies overzicht nodig van alle financiën terwijl zowel de (bewindvoerders van de) oorlogskopers als

23

Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 28-30. Schütz, Kille mist, hoofdstuk 15. 25 SAD, 15, Overlijdensakten, 14 en 15-12-1949 bijvoorbeeld voor de families Van Hoorn en Van der Stam; Citroen, U wordt door niemand verwacht, 207. 24

12

de nabestaanden die om verschillende redenen vaak niet konden overleggen. Zelfs wanneer nabestaanden redelijk goed thuis waren in het ambtelijke jargon en zij juridische adviseurs aan hun zijde hadden, bleek het moeizaam om alle verlangde papieren boven water te krijgen. Zo kon de over het algemeen goed geïnformeerde Julius Spits, erfgenaam en bewindvoerder van het vermoorde echtpaar Erschler-Spits uit de Fransen van de Puttestraat, pas in 1951 zijn taken als bewindvoerder neerleggen (zie bijlage C, casus 1). De tijdrovende complicatie dat een huis in de tussentijd ook aan anderen was doorverkocht, heeft zich in Delft, voor zover nu bekend, maar één keer voorgedaan. De drie huizen van Jozef de Wilde aan de Rotterdamseweg zijn in 1943 eerst aan een makelaar en nog op dezelfde dag aan de Delftse ondernemers Gouweleeuw verkocht. Omdat het bij deze ene transactie bleef, en omdat de eigenaar de oorlog overleefde, was dit uiteindelijk overigens een van de sneller afgehandelde rechtsherstelzaken (zie bijlage C, casus 7). Vooroorlogse situatie werkelijk hersteld? Wanneer een rechtsherstelprocedure was afgerond, betrof dat een administratieve correctie. Hiermee was de status quo echter lang niet altijd hersteld. Los van alle persoonlijke verliezen en emotionele schade bleek ook het vermogen vaak danig aangetast.

De theorie van het rechtsherstel ging uit van het principe dat de rechtmatige eigenaar de ‘vruchten’ van het bezit, het batig saldo van de huurinkomsten minus de lasten, bij de beheersinstantie van de bezetter of de oorlogskoper kon terugvorderen. In de praktijk bleek dat lang niet altijd haalbaar. Van de niet-verkochte panden inde het ANBO tijdens de oorlog de huren en betaalde daarvan het onderhoud en de vaste lasten, zoals de gemeentelijke belastingen. Daarvan behoorde het een deugdelijke administratie bij te houden. Na mei 1945 was veel daarvan niet meer terug te vinden. Onderzoek in onder meer Den Haag laat zien dat er vaak wel huur werd opgehaald, maar waar het op betalen aankwam veel nalatigheid voorkwam. Daardoor is het lang niet altijd duidelijk of tegenover de inning van belastingen de huurinkomsten bij de rechtmatige eigenaar zijn terechtgekomen. In Delft was dat bijvoorbeeld het geval bij de erfgenamen van pianolerares Rachel Hirsch. Zij kregen pas na lang juridisch getouwtrek het huis van hun vermoorde tante terug. Haar woning, Binnenwatersloot 17, was tijdens de oorlog in handen gevallen van de NSB’er en zwarthandelaar Jacob van de Krol. Na de oorlog was hij zo goed als failliet en lukte het niet om achterstallige huurinkomsten op hem te verhalen.

Die bedragen zijn dan ook niet opgenomen in de schikking; ze golden als verliespost voor de erfgenamen (zie bijlage C, casus 3). Bij de aanvaarding van de erfenis van het echtpaar Erschler-Spits moesten de nabestaanden zelfs eerst een nieuwe hypotheek afsluiten om de kosten die uit de schikking voortvloeiden te kunnen betalen (zie bijlage C, casus 1). Het is een probleem waar meer erfgenamen tegenaan liepen. Zij waren zelf vaak volkomen berooid en moesten diverse kosten voor rechtsherstel (advocaten, notarissen, bewindvoerders), oude hypotheken en successierechten ophoesten voordat zij hun – rechtmatige – erfenis ontvingen. Onderdeel van veel schikkingen was een al dan niet gedeelde claim op de gevorderde tegoeden van de Duitse oorlogsroof-instellingen als de Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS, boedel van de ‘Liro-bank’), Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) en de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), waarbij het lange tijd de vraag was óf er wel geld beschikbaar zou komen. In de loop der jaren werd bij alle schuldeisers van het NBI vanwege het arbeidsintensieve uitzoekwerk van de administratieve chaos van de oorlogsadministratie telkens een deel van het gevorderde bedrag uitbetaald. In 1948 was dat 30 procent, in 1950 werd dat verhoogd tot 55 procent. Het laatste geld werd pas eind jaren ’50 overgemaakt.

Dat uiteindelijk toch nog zo’n 85 procent van de hele vordering (zonder vergoeding voor gederfde rente of geldontwaarding) is uitbetaald, bleek een meevaller, die velen niet meer verwacht hadden.26 In hoeverre ook deze bedragen uiteindelijk bij de betreffende rechthebbenden zijn terechtgekomen is maar de vraag. Sommigen waren inmiddels al overleden. Van de onderzochte cases is alleen bij de gebroeders Frank

26

Aalders, Berooid, 128-142.

13

een dergelijke eindafrekening bekend, die bewaard is gebleven omdat de gemeente Delft partij was en de daar werkzame ambtenaren de financiële boeken jaar na jaar bijhielden (zie bijlage C, casus 2).

3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? Voor dit onderzoeksverslag is omwille van de tijd niet systematisch gekeken naar de wijze van bejegening door politieagenten, gemeenteambtenaren of andere vertegenwoordigers van de gemeente Delft. Dergelijk onderzoek vraagt het doornemen van veel verschillende bronnen. Bij het zoeken naar gegevens over de rechtsherstelprocedures is wel een aantal toevallige vondsten gedaan, die laten zien dat het zinvol kan zijn om de naoorlogse opvang in zijn totaliteit nader te onderzoeken. Bureaucratie De gemeente Delft lijkt op dezelfde wijze te zijn omgegaan met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden als overal in Nederland gebeurde. Een werkelijk repatriëringsbeleid ontbrak. De ellende van Joodse slachtoffers werd daarbij niet helemaal weggemoffeld, maar werd ook zeker niet als zodanig benoemd. De overheid maakte direct na de oorlog zelfs bewust geen onderscheid, want zij wilde niet discrimineren zoals de Duitse bezetter had gedaan. Iedereen stond aan hetzelfde loket bij terugkomst.

De verzuilde hulpverlening hielp daarbij niet mee, want waar moesten Joden dan aankloppen? Van een werkelijke, laat staan slagvaardige, Joodse zuil was nu helemaal geen sprake meer.27 Voor zover er ondersteuning was van de daarvoor in 1945 opgerichte landelijke Joodse Coördinatie Commissie, was die geheel afhankelijk van giften, vooral uit Amerika. Voor de rest was men aangewezen op de Gemeentelijke Sociale Diensten. Pas in 1973 kwam er – niet zonder slag of stoot – een Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers. Het stak veel slachtoffers dat voor de reintegratie van politieke delinquenten kort na de oorlog wel geld werd uitgetrokken door de overheid.28 De toch al kleine Joodse gemeente in Delft bleek na 1945 geminimaliseerd. Wie bovengronds kwam uit een onderduikadres of wie de concentratiekampen had overleefd, kon in Delft nauwelijks terugvallen op een Joods netwerk. Ieder zocht zijn eigen weg. Dat een eenvoudige terugkeer niet vanzelfsprekend was, ontdekte bijvoorbeeld de familie Waterman. Na met het hele gezin ongedeerd uit Theresienstadt te zijn teruggekomen, troffen ze in hun huis op de Nieuwe Plantage andere bewoners aan. Ze bivakkeerden een tijdlang noodgedwongen in het gebouw Gele Scheikunde.29 In de eerste maanden na de bevrijding werd er voor het organiseren van woonruimte vermoedelijk veel geïmproviseerd.

Of het nu een huurpand of een eigen huis was, lang niet iedereen kon direct in de oude woning terugkeren. Vooral tijdelijk leegstaande huizen hadden zwaar te lijden gehad in de koude Hongerwinter; alles wat brandbaar was, was eruit gesloopt. Het was eerst zaak woonruimte te vinden, dan moest de rechtsgang om eventueel eigen woningbezit weer terug te krijgen nog beginnen. Delftse teruggekeerden liepen bij al deze zaken tegen een muur van bureaucratie aan. Na de oorlog was alles op de bon. Om bonkaarten te krijgen moest je een persoonsbewijs hebben. Veel Joden moesten daarom eerst bij het politiebureau langs om hun persoonsbewijs als vermist op te geven.30 Dat was hetzelfde politiebureau van waaruit agenten een groot deel van de Joodse burgers in 1943 uit hun huis hadden gehaald. Nog schrijnender was het misschien wel voor degenen die vóór

27

Citroen, U wordt door niemand verwacht; Specifiek voor de Delftse situatie: Wijnberg-Stroz en Van LunterenSpanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 196-197 en 206-209; Ingrid van der Vlis, ‘3 Joodse gezinnen, 7 personen’, ‘Joodse Brigade’ en ‘Mijn en dijn’ op www.stadsarchiefdelft.nl onder ‘Bevrijdingsbulletins’. 28 Lipschits, De kleine Sjoa, 21-23 en 133. 29 SAD, ‘Oorlogsherinneringen van een Delftenaar’, interview van Marja van Bijsterveldt met Ronald Waterman, 18-3-2021. 30 Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 219.

14

de oorlog uit Duitsland waren gevlucht en niet tot Nederlander genaturaliseerd waren. Alle Duitsers, dus ook veel Joodse immigranten, golden vanaf mei 1945 als staatsvijand. Dat betekende dat onder andere de Joodse boekhandelaar Martin Cohen nog een jarenlange procedure voor ‘ontvijanding’ te wachten stond. Hulpverlening Het politiebureau was voor velen de eerste plek om bij terugkomst om hulp te vragen. Julius Spits uit Enschede informeerde kort na de bevrijding bij de Delftse politie of daar meer bekend was over de roerende en onroerende goederen van zijn zuster en zwager Erschler-Spits uit de Fransen van de Puttestraat. Commissaris U. van der Zee liet een rechercheur de zaak uitzoeken en stuurde Spits de verlangde informatie (zie bijlage C, casus 1).31 De instanties deden zo te zien wat tot hun takenpakket hoorde. Uit een toevallig gevonden briefwisseling in het archief van burgemeester G. van Baren blijkt dat de gemeente daar in principe niet van afweek en dus ook niet méér actie ondernam. Mevrouw J.M.W. Meuleman-Smeltzer wendde zich in 1946 tot de burgemeester. De slagerij van haar Joodse man, aan de Verwersdijk 60, was in 1942 op last van de bezetter gesloten. Hij werd in de oorlog vermoord, zij bleef bankroet achter. Omdat het geen onteigend bezit betrof, kon de Raad voor het Rechtsherstel niets voor haar doen.

Meuleman-Smeltzer had goede hoop dat de gemeente haar wilde helpen, zoals een paar goede ambtenaren tijdens de oorlog ook hadden gedaan. De burgemeester zag echter weinig andere mogelijkheden dan haar door te verwijzen naar de nationale Schade-enquêtecommissie. Deze organisatie was belast met de uitvoering van landelijke regelingen m.b.t. materiële schade, onder meer voor huiseigenaren die hun bezit vernield zagen door bombardementen.32 Interessant kan zijn om te zien hoe gemeentelijke instanties zich na de oorlog opstelden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het (gemeentelijk) Centraal Woningbeheer, waar ontheemden waarschijnlijk aanklopten om een huis te huren. Tijdens de oorlog waren de ambtenaren daar onverbiddelijk geweest. Nadat bijvoorbeeld Meta Katzenstein in augustus 1942 werd gedeporteerd schreef de verhuurder een brief aan de Liro-bank met een claim voor anderhalve maand onbetaalde huur.33 Mogelijk heeft ook het Gemeentelijk Energiebedrijf met onbetaalde rekeningen gezeten en die op Joodse rekeningen proberen te verhalen.34 Ook dé hulporganisatie bij uitstek, het Nederlands Volksherstel, is buiten dit onderzoek gebleven. Het was in het eerste jaar na de bevrijding één van de weinige instanties die expliciet de Joodse teruggekeerden noemde als specifieke groep die hulp nodig had.

In een advertentie in Veritas sloeg de organisatie daarbij overigens vooral zichzelf op de borst: ‘Hebt u het Joden-echtpaar bij ons gezien?’ Het was zo ontroerend geweest, “de menschjes schreiden haast”. Dat kwam doordat een officiële instantie hen nu eens gewoon vriendelijk te woord stond. ‘Ja, dat is wat meneer, na alles wat wij meegemaakt hebben!’35 Eigendommen Joodse gemeente De synagoge en de Joodse begraafplaats werden tijdens de oorlog opvallend genoeg formeel niet ontvreemd, zoals elders vaak wel, en zijn ook opmerkelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen. Wel werd contant geld uit de kas van de Joodse gemeente verplicht afgedragen aan de Liro-bank. Uit die berooide kas moest na mei 1945 onder meer het door Openbare Werken verrichte onderhoud aan de begraafplaats betaald worden. Onderhandelingen over verkoop van de synagoge en de

31

SAD, 575, inv.nr 277-1098. SAD, 594, inv.nr 17, 9-10-1945, 15-10-1945, 27-2-1946 en 4-3-1946. 33 SAD, 137, inv.nr 57, brief d.d. 31-10-1942 inzake de huur van het gemeentepand Markt 25, waar op 28 augustus haar meubelen waren geruimd en sinds 1 september geen huur meer was betaald. 34 Lipschits, De kleine Sjoa, 45 geeft daarvan een pijnlijk voorbeeld in Apeldoorn. 35 Veritas, 4-6-1945. 32

15

begraafplaats aan de gemeente Delft duurden jaren, ook omdat het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap over de hoofden van het Delftse kerkbestuur heen de aankoop blokkeerde. Pas in 1968 was de gemeente formeel eigenaar van de synagoge en werd het ernstig verwaarloosde gebouw gerestaureerd.36

Veritas, 29 mei 1945

4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? In beginsel was de gemeente bij ontrechting en rechtsherstel geen partij, behalve in geval zij zelf als koper van Joods bezit in oorlogstijd was opgetreden. Uit onderzoeken elders en uit de Verkaufsbücher blijkt dat Nederlandse gemeenten wisselend omgingen met onteigende en vervolgens te koop aangeboden Joodse panden: het Rotterdamse gemeentebestuur bijvoorbeeld kocht acht panden/percelen, in Den Haag waren het er liefst 101.37 Dergelijke aankopen waren vaak omkleed met stedenbouwkundige argumenten of vonden soms plaats omdat een NSB-burgemeester een kapitaal pand op het oog had, zoals in Utrecht gebeurde.38 Aankoop grond De gemeente Delft wordt niet genoemd in de Verkaufsbücher. Ook de twee NSB-burgemeesters die tijdens de oorlog in Delft aan het roer stonden, F.W. van Vloten en A. van Leijenhorst, komen niet als kopers in de boeken voor. Omdat ook in de gemeentelijke administratie niets wijst op aankopen van onteigend bezit, mag aangenomen worden dat de gemeente Delft tijdens de oorlog geen Joodse panden heeft gekocht. Wél kocht de gemeente in 1941 landbouwgrond van de Joodse broers A.G. en C.H. Frank: ca. 6 ¾ ha weiland in de Vrijenbanse Polder bij de Tweemolentjesvaart.

Hoewel ook voor dergelijke overnames rechtsherstel en dus teruggave gold, blijkt niet alles altijd bij de rechtmatige eigenaren te zijn teruggekomen. Omdat de grond juridisch gezien ‘slechts’ gedwongen verkocht was en de Joodse eigenaar dus geld had ontvangen voor de verkoop, pakte de rechtsherstelprocedure niet altijd even gunstig uit voor de ontrechte partij. Er werd geredeneerd dat er immers een prijs voor was betaald, ook al was dat geld linea recta naar de bezetter gevloeid. Boeren die de grond pachtten en deze na onteigening wel moesten kopen om hun bedrijf voort te kunnen zetten, kregen ook het voordeel van de twijfel. In dit geval kocht de gemeente – volgens haar woordvoerders – op verzoek van de broers Frank, reden waarom Delft na de oorlog niet wilde schikken. Ook toen een moreel appèl gedaan werd op het gemeentebestuur hield het daaraan vast. Het redeneerde dat de verloren gelden van de 36

Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 232-241. Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, 15 noot 31. 38 Blaauw, Verschil maken?, 15-17. 37

16

broers Frank niet ten laste van de gemeente Delft mochten komen. Vooral de besprekingen in het niet-openbare deel van de gemeenteraad lieten een hard en kil geluid van onder andere burgemeester G. van Baren horen. Omdat een eenvoudige minnelijke schikking niet lukte, werd de zaak voorgelegd aan een Kamer van de Raad voor het Rechtsherstel. Dat leidde in 1948 alsnog tot een schikking, waarbij de broers Frank en de gemeente Delft het verlies deelden. De partijen deelden ook de claim op de gevorderde Duitse tegoeden. Tien jaar na de schikking bleek dat hier onverwacht nog zo’n 75 procent van geïnd kon worden. De gemeente sloot het dossier af met de constatering dat het verlies uiteindelijk wel was meegevallen; de twee broers waren toen al overleden. (zie Bijlage C, casus 2)

5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? Huiseigenaren in Delft hadden in de jaren ‘40 te maken met grondbelasting, sluisgeld, straat- en rioolbelasting. Na rechtsherstel waren de rechtmatige eigenaren weer verantwoordelijk voor deze aanslagen, ook voor de periode dat hun bezit onteigend was geweest. De gemeente had er belang bij dat over alle jaren belasting werd betaald. Het lijkt erop dat dit ook vrijwel altijd gebeurd is – in ieder geval zover het de zeven nader uitgezochte cases betreft. Belastingen op onroerend goed Om te kunnen beoordelen of de gemeente Delft na mei 1945 naheffingen oplegde aan Joodse huiseigenaren over de periode dat zij ontrecht waren, is vooral de inning van de straat- en rioolbelasting van belang. De grondbelasting was een rijksbelasting en het sluisgeld werd betaald aan het hoogheemraadschap. Erfpacht werd in Delft niet of nauwelijks geheven, dus dat speelde geen rol van betekenis. De straatbelasting dateerde voor Delft uit 1916, en was gebaseerd op de gevellengte van een woning. De rioolbelasting volgde enkele jaren later – uiteraard alleen voor die panden die daadwerkelijk op het riool waren aangesloten.

Hierdoor betrof het geen standaardbedragen die geïnd werden; iedere huiseigenaar had in het belastingkohier een eigen aanslagbedrag.39 Kohieren van de straat- en rioolbelasting van de gemeente Delft uit de jaren 1942 tot en met 1950 zijn bewaard gebleven. Deze zijn geordend op leggernummer, waardoor individuele gevallen redelijk eenvoudig zijn terug te vinden.40 Zo is te zien dat de Israëlitische Gemeente jaarlijks voor fl 15 rioolbelasting werd aangeslagen. Van 1940 tot 1942 ging de rekening naar de Delftse Joodse Raad-vertegenwoordiger Isaak van IJssel, vervolgens naar de Joodse Raad in Amsterdam om uiteindelijk bij het Commissariaat voor de Niet-Commerciële Verenigingen en Stichtingen te belanden.41 Die laatste organisatie was door de bezetter in het leven geroepen om (vermogens van) geliquideerde verenigingen te beheren. Het NBI nam het beheer over in 1945. Van belang in dit geval is vooral dat de gemeente Delft dus gewoonweg alle jaren belasting ontving. In het al eerdergenoemde kohier van 1943 maakte de dienstdoende ambtenaar het de onderzoeker – en zichzelf – heel eenvoudig. Voorin staat een aparte lijst van 27 Joodse eigenaren van wie bezit wel in beslag was genomen, maar dat nog niet was verkocht. De aanslagen daarvan werden naar het ANBO gestuurd en werden allemaal voldaan.42 In de andere kohieren ontbreekt een dergelijke lijst.

Wel staat in 1944 bij het leggernummer van Joodse huiseigenaren nog vermeld dat de aanslag naar het ANBO gestuurd moest worden. Was de woning inmiddels verkocht, dan ging de rekening uiteraard naar de opkoper.

39

Felle discussies in de Delftsche Courant in o.a. 1897, 1898, 1912 en 1915; voor belastingteruggave over 1937 en verlaging voor 1938 zie DC, 21-7-1938. 40 SAD, 653, inv.nrs 5437-5445, 1942-1950. 41 SAD, 653, inv.nrs 5433, 5435, 5437, 5439, 5441 en 5443, leggernummer 4349. 42 SAD, 653, inv.nr 5439, 1943. Vrijwel alles werd meteen in het najaar van 1943 betaald. De belasting van Berta Austeiczer voor Insulindeweg 23 volgde op 31 mei 1944, kort voor haar woning werd verkocht.

17

Naheffingen Na de oorlog oordeelde de minister van Financiën dat het invorderen van grondbelasting over de periode dat onroerend goed onder beheer was gesteld niet strookte met ‘de billijkheid en derhalve achterwege moet worden gelaten’. Er zou in ieder geval uitstel verleend kunnen worden.43 Het was geen specifieke regeling voor Joodse huiseigenaren, maar het zorgde uiteraard wel voor enige verlichting. De dispensatie was gebaseerd op de artikelen 52 en 53 van de Wet op de Grondbelasting en was daardoor niet één op één te transporteren naar de lokale straatbelasting.44 Dat neemt niet weg dat gemeenten bij dispensatie voor plaatselijke belastingen wel degelijk hun eigen koers konden varen. In Amsterdam bijvoorbeeld werd meegedacht over een coulanceregeling voor achterstallig straatgeld, waarbij het mogelijk was om aan Joodse eigenaren de belasting over 1943 en soms ook over 1944 kwijt te schelden. Dit meedenkende beleid ging overigens gepaard met van gemeentewege afkeurende geluiden over Joodse erfgenamen die blijkbaar ‘wel de baten, doch niet de lasten’ wilden hebben. Boetes voor wie de erfpacht niet had betaald tijdens de oorlog vielen in Amsterdam dan ook niet onder het coulancebeleid.45 De gemeente Den Haag stelde zich principieel op het standpunt dat ze geen verantwoording kon of wilde nemen voor onrecht dat door nazistische anti-Joodse maatregelen was ontstaan.

In beide steden kwam protest tegen het gevoerde beleid, waarbij de Haagse gemeente tot aan de Hoge Raad procedeerde en in het gelijk werd gesteld. De Hoge Raad oordeelde heel strikt naar de letter van de wet: door herstel van het eigendom was een pand altijd bezit gebleven, en dus was de oorspronkelijke eigenaar belastingplichtig.46 Hoe stond Delft hierin? Tijdens de oorlog had de gemeentelijke administratie een helder adres waar ze de aanslagen naartoe kon sturen zolang de woning nog niet verkocht was. Het lijkt erop dat het ANBO vrijwel altijd aan die belastingplicht voldeed. Voor de aanslagen vanaf mei 1945 is er geen trendbreuk. Zolang het huis na de oorlog nog niet was toegewezen aan de rechtmatige eigenaar kon de gemeente terecht bij het NBI dat de administratie van het ANBO had overgenomen en als bewindhebber optrad voor de opkopers die als collaborateurs geïnterneerd waren. In een tweede reeks Delftse belastingkohieren – geordend op betaaldatum – staan ook eventuele boetes genoteerd. Daar is in de marge soms te zien dat er na de oorlog duplicaten van aanslagen verzonden werden naar notaris-bewindvoerders, nodig om de kosten/batenanalyse voor een schikking bij rechtsherstel in orde te maken.47 Tot slot is er een register met wanbetalers die buiten Delft woonden.

Daarin staat onder andere de in Rijswijk wonende Jozef de Wilde die zijn straatbelasting voor drie huizen aan de Rotterdamseweg over 1942 niet betaalde. De door de gemeenteontvanger opgelegde boete van fl 0,50 werd weer ingetrokken toen bleek dat het ANBO de rekening zou voldoen.48 (zie Bijlage C, casus 7) Discussie over naheffingen was er in Delft niet. De gemeente ontving eigenlijk altijd de opgelegde belastingen, in ieder geval zover we nu hebben kunnen zien bij de uitgezochte cases. Want ook bij de schikkingen na rechtsherstel werden de belastingkosten immers meegenomen; ze kwamen dan weer voor rekening van de rechtmatige Joodse eigenaar. In hoeverre de gemeente in die verrekeningen eventuele boetes oplegde of juist kwijtschold, is met dit onderzoek niet te achterhalen. Daarvoor zullen de verschillende individuele zaken tot in detail onderzocht moeten worden in de beschikbare belastingkohieren en rechtshersteldossiers.

43

Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen, 196. Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 170. 45 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen, 198-202. 46 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen, 203-220; Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, 173175 en 182-185. 47 SAD, 653, inv.nrs 9455-9467, 1940-1951 48 SAD, 653, inv.nr 5476. 44

18

Belangrijk is dat Delft de ruimte had om het voorbeeld van het Rijk inzake grondbelasting en van Amsterdam inzake het straatgeld te volgen bij ontheffingen. Tot nu toe blijkt echter uit niets dat de gemeente Delft iets dergelijks zelfs maar heeft overwogen. Bij het leegstaande pakhuis van Jacob Stad (zie Bijlage C, casus 5) bijvoorbeeld liftte de gemeenteontvanger mee op de verkoop die noodzakelijk was om achterstallige hypotheekschuld te betalen. Niet alleen de hypotheekbank wist zo het eigen vermogen veilig te stellen, ook de gemeente kon de belastingachterstanden innen. De erfgenamen sloten pas daarna in de rij aan. Uit het relaas van de erfgenamen van Wolf Willem Erschler (Bijlage C, casus 1) bleek overigens dat zij hun grieven over belastingschulden bij de NSBopkoper neerlegden, niet bij de gemeente. Mogelijk is er bij de gemeente Delft nooit rechtstreeks druk uitgeoefend om belastingen kwijt te schelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12235125/1