3 Concept Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
9
Rapport met kenmerk R004-1276265LVT-V01-rlk-NL
30/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het geluidgezoneerde industrieterrein Schie-Oevers is maximaal 50 dB(A). De geluidbelasting is gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein Schie-Oevers vormt geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde voor N470 (Kruithuisweg), Rotterdamseweg, Mekelweg, en railverkeer niet wordt overschreden. Deze geluidbelastingen vormen geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen berekend. De geluidbelasting ten gevolge van de Cornelis Drebbelstraat, Feldmannweg, Korvezeestraat en Leeghwaterstraat zijn lager dan, of gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze geluidbelastingen vormen geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geluidbelasting ten gevolge van de Balthasar van der Polweg bedraagt maximaal 49 dB. In vergelijking met de grenswaarden in de Wet geluidhinder wordt de voorkeursgrenswaarde met 1 dB overschreden. Bron- en overdrachtmaatregelen zijn niet doeltreffend. Gezien de beperkte overschrijding (1 dB) ten gevolge van een gedezoneerde weg kan worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De gecumuleerde geluidbelasting inclusief gedezoneerde wegen is maximaal 56 dB. Conclusie Met in achtneming van de hiervoor genoemde zaken is het voorgenomen plan uitvoerbaar bezien vanuit het thema geluid. Wel wordt er geadviseerd om voor het industrieterrein Schie-oevers een hogere grenswaarde van 55 dB vast te stellen om in de toekomst ruimte te houden voor ontwikkelingen op het industrieterrein.
5.9
Luchtkwaliteit
De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit is opgenomen onder titel 5.2 van de Wet Milieubeheer (Wet luchtkwaliteit). Daarbij is sprake van grens- en richtwaarden voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. In de wet luchtkwaliteit is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) geïntroduceerd. Wanneer een project een NIBM bijdrage aan de luchtkwaliteit kent, is het inpasbaar. Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10. Dit komt neer op een bijdrage van 1,2 μg/m3 voor beide componenten. Dit betekent dat als aangetoond kan worden dat het plan aan niet meer dan 1,2 μg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie van zowel PM10 als NO2, het voornemen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden en inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de
31/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Bijlage 3a en 3b van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. De NIBM-grens voor woningbouw ligt op woningbouwlocaties groter dan 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en groter dan 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Op basis van deze stelregels kan vastgesteld worden dat de ontwikkeling van BalPol4 niet in betekenede mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Want het deze ontwikkeling blijft onder de grens van 1.500 woningen en hoeft daarom niet getoetst te worden. Ter extra onderbouwing is een korte berekening gemaakt die dit uitgangspunt onderstreept. Deze berekening geeft ook inzicht in de effecten van het BalPol4 gebouw op de lokale concentraties. Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 136 studentenwooneenheden. Het plan wordt via twee richtingen ontsloten, de Korvezeestraat (noorden) en de Balthasar van der Polweg (zuiden). Ondanks dat de het aantal woningen ruim onder de NIBM-grens van 1.500 woningen ligt, is toch een NIBM toetsing uitgevoerd en is de achtergrondconcentratie beschouwd.
Voor de verkeersgeneratie van de nieuwe Balpol gebouw wordt het kencijfer aangehouden uit de CROW publicatie 381 (‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018) voor zelfstandige kamerhuur in de schil rondom het centrum. Deze bedraagt 1,8 per appartement/etmaal voor personenauto’s en 0,02 per appartement/etmaal voor vrachtwagens. De verkeersgeneratie van het nieuwe gebouw is daarmee 1,82 * 136 = 248 mvt/etmaal. Hiervan is 1,09 % (2,7 gemiddeld per etmaal) vrachtwagen bewegingen. De bijdrage aan de luchtkwaliteit ten gevolge van het project zijn doorgerekend in de NIBM-tool versie maart 2020 (zie afbeelding 5.1). De uitkomst is berekend voor jaartal 2021 met worst case rekenparameters. Uit de tool wordt berekend dat de bijdrage aan de NO2 en PM10 concentraties niet in betekende mate bijdragen (niet meer dan 1,2 μg/m3 voor NO2 en PM10) aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer maximaal 0,20 μg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,04 μg/m3 bijdragen.
32/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Afbeelding 5.4 Berekening bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit (NIBM-Tool, versie: maart 2020)
Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-monitoringstool 2019. Het beschouwde rekenpunt is 114823 en geeft de totale concentraties in de nabije omgeving van het plangebied. In afbeelding 5.2 wordt de ligging van het rekenpunt in de NSL-monitoringstool weergegeven. Voor het rekenjaar 2018 bedraagt de totale concentratie NO2 26,07 μg/m3 en voor PM10 20,34 μg/m3. Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 26,25 μg/m3 en 20,38 μg/m3. De concentraties voldoen daarmee aan de grenswaarde van 40 μg/m3.
33/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Afbeelding 5.5 NSL-monitoringstool (rood omcirkeld betreft het beschouwde rekenpunt (114823)
De NIBM-tool rekent met de voor luchtkwaliteit relevante stoffen NO2 en PM10. Per 1 januari 2015 moet ook voldaan worden aan de PM2,5 grenswaarde van 25 μg/m3 jaargemiddeld. De totale concentratie PM2,5 die is opgenomen in de NSL-monitoringstool is 12,24 μg/m3. Gezien de PM10 bijdrage (waar de fractie PM2,5 in is opgenomen) ten gevolge van het plan 0,04 μg/m3 bedraagt, is te verwachten dat de PM2,5 niet hoger zal zijn dan 12,28 μg/m3. De concentratie PM2,5 voldoet daarmee aan de grenswaarde van 25 μg/m3. Conclusie Het aantal te realiseren wooneenheden ligt ruim onder de NIBM-grens van 1.500 woningen. Een voor de volledigheid uitgevoerde toets wijst uit dat het effect van het project minder dan 1,2 μg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit wordt daarmee beschouwd als niet ‘niet in betekende mate’ en vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar op basis van artikel 5.16 lid 1c van de Wet milieubeheer. De concentratie NO2, PM10 en PM2,5 voldoen ook aan de wettelijk vastgelegde grenswaarden. Vanuit het thema luchtkwaliteit bezien, is de planontwikkeling inpasbaar.
34/43
Kenmerk
5.10
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Stikstof
Voor het project BalPol4 is een stikstofdepositie-onderzoek 10 uitgevoerd (bijlage 10). Als uitgangspunt is genomen dat de geschatte bouwtijd van het woongebouw één jaar is. Wanneer blijkt dat het plan meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuur in Natura-2000 gebieden is er sprake van een in potentie significant effect en kan het plan niet zondermeer worden vastgesteld. Afbeelding 5.6 toont de ligging van plangebied en de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. De meest nabije stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn gelegen op 12 km van het plangebied in Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2019A. In de berekeningen wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. De referentiesituatie (huidige situatie) is niet berekend, omdat er op dit moment geen bebouwing aanwezig is op het terrein. In de huidige situatie is er een parkeerplaats die verwijderd zal worden, dit is meegenomen in de berekening voor de aanlegfase.
Afbeelding 5.6 Planlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden (blauw / mosterdgeel) en stikstofgevoelige habitats en leefgebieden
10
Rapport met kenmerk R001-1276265LKR-V01-nja-NL, d.d. 4 juni 2020
35/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
In de berekeningen zijn de emissies van NOx en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: • Mobiele werktuigen in de aanlegfase • Verkeersgeneratie van en naar de locatie in de aanlegfase •
Verkeersgeneratie van en naar de locatie in de gebruiksfase
Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: 1. Berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van de aanlegfase 2. Berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van de gebruiksfase Uitgangspunten Voor de aanlegfase is onderscheid gemeekt tussen het bouwrijp maken en de bouw van de appartementen. Ook is er gekeken naar de mobile werktuigen die nodig zijn voor de werkzaamheden en de vervoersbewegingen over weg om materiaal, materieel en personen naar en van de locatie te vervoeren. Voor de gebruiksfase is als uitgangspunt genomen dat de appartementen worden verwarmd zonder verbrandingsinstallatie. Zonder verbrandingsinstallatie is er ook geen sprake van NOx emissies. Wel levert het gebouw extra verkeersbewegingen op. Dit zijn (zoals berekend in paragraaf 5.7) in totaal 248 motorvoertuigen per etmaal, obv 1,8 bewegingen van personenauto’s en 0,02 vrachtwagenbewegingen per appartement/etmaal gemidddeld. De verspreiding van emissies en de bijdrage aan de stikstofdepositie ten gevolge van het bestemmingsplan BalPol4-gebouw Delft is berekend met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2019A). In de bijlage zijn de AERIUS berekeningen weergegeven.
Uitkomsten Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is de maximale bijdrage minder dan 0,00 mol/ha/jaar (AERIUS uitvoer: ‘Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar’). Daarmee kan geconcludeerd worden dat er bij gebruik van STAGE IV klasse werktuigen geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase en de gebruiksfase van het bestemmingsplan BalPol4-gebouw Delft. Conclusie Vanuit het thema stikstof bezien is het plan uitvoerbaar. Geconcludeerd wordt dat de aanlegfase alleen bij gebruik van moderne STAGE IV klasse werktuigen (bouwjaar 2014 of later) niet leidt tot een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijdrage 0,00 mol/ha/jaar). Bij het gebruik van STAGE III klasse werktuigen berekenen we 0,01 mol/ha/jaar (bijdrage >0,00 mol/ha/jaar). Het gebruik van STAGE IV klasse werktuigen zal daarmee een eis moeten zijn voor de aannemer die het werk gaat uitvoeren.
36/43
Kenmerk
5.11
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Externe veiligheid
De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van externe veiligheid zullen hieraan getoetst worden. Het PR is het risico op een plaats nabij een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval bij de risicobron. Het GR is de cumulatieve kans dat per jaar tenminste tien mensen slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Onderzoek Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie. Hierbij dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Tauw heeft voor de ontwikkeling van het Balpol4 gebouw een quickscan externe veiligheid uitgevoerd 11 (bijlage 11).
Transport over de weg Over de wegen A13 en de N470 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de ruime afstand van beide transportroutes tot het plangebied (> 200 m), vormt het transport van gevaarlijke stoffen over de weg geen belemmering voor de realisatie van het woongebouw. Transport per spoor Binnen 200 m van het plangebied zijn geen spoorlijnen aanwezig. Op ongeveer 815 m van het plangebied is de intercitylijn Den Haag HS - Rotterdam Centraal aanwezig. Over dit spoor worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Hierdoor vormt het transport van gevaarlijke stoffen per spoor geen belemmering voor de realisatie van het woongebouw. Transport over het water Binnen 200 m zijn geen vaarwegen aanwezig. Op een afstand van ongeveer 300 m is het Rijn-Schiekanaal / Delftse Schie gelegen. Over deze vaarweg worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Hierdoor vormt het transport van gevaarlijke stoffen over het water geen belemmering voor het bestemmingsplan.
11
Rapport met kernmerk R003-1276265FHB-V01-los-NL, d.d. 24 juni 2020
37/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Transport via buisleidingen Binnen 200 m van het plangebied is geen buisleiding aanwezig waar gevaarlijke stoffen door worden vervoerd. Op ongeveer 900 m ten zuiden van het plangebied is een buisleiding met het kenmerk W-521-37-KR-001 voor het transport van aardgas aanwezig. Gezien de afstand van deze buisleiding tot het plangebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor het bestemmingsplan. Conclusie In de buurt van het plangebied zijn diverse risicobronnen aanwezig, waaronder transportroutes waarover/waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd en inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Al deze objecten liggen op een dusdanige afstand dat het onderdeel externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plangebied.
5.12
Milieuzonering bedrijven
In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) van de VNG is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten ‘milieubelastende activiteiten’ aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van ‘milieugevoelige activiteiten’. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Onderzoek Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet een afweging gemaakt worden of ontwikkelingen inpasbaar zijn. Bedrijven hebben namelijk (milieu)ruimte nodig om te kunnen functioneren en bewoners hebben belang bij het voorkomen van hinder. De te realiseren woningen betreffen een gevoelig object. Door adviesbureau Tauw is een quickscan Milieu- en bedrijfszonering uitgevoerd 12 (bijlage 12). Het onderzoek heeft zich gericht op eventuele hinder vanuit de omgeving op het woongebouw. Het woongebouw kent zelf geen milieucontouren. Uit het onderzoek blijkt dat de bedrijven in de omgeving van het plangebied geen knelpunten opleveren voor de realisatie van het BalPol4 gebouw. De planlocatie bevindt zich in een gemengd gebied.
De hindercontouren overlappen het plangebied niet. Zoals uit het akoestisch onderzoek is gebleken, vormt het geluidgezoneerde industrieterrein Schie-oevers geen knelpunt. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening wenselijk een hogere waarde (55dB) voor het BalPol4 gebouw vast te stellen.
12
Rapport met kenmerk N001-1243990PMB-evp-V01-NL, d.d. 13 januari 2017
38/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen knelpunten die de voorgenomen ontwikkeling in de weg staan.
5.13
Windonderzoek
De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, wordt gebruik gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Onderzoek Voor de ruimtelijke onderbouwing is een indicatief windklimaatonderzoek uitgevoerd op basis van NEN-norm 8100 13 (zie bijlage 13). Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen en maakt inzichtelijk wat de gevolgen van het project voor de windklimaatsituatie rondom het bouwplan zijn. Uit het onderzoek blijkt dat de gevolgen aanvaardbaar zijn. Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend wordt voor de beoordeling van het windklimaat. Voor windhinder wordt een drempelwaarde aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- en verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu's, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier. Het windonderzoek geeft aan hoe groot de overschrijdingskans is in procenten van het aantal uren per jaar dat een hogere windsnelheid dan 5m/s optreedt op een bepaalde plek.
Dit wordt de hinderkans genoemd. Bij de beoordeling van het windklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën loop- en slentergebied. Het windklimaat op de trottoirs, de straat, het binnenplein en dergelijke wordt beoordeeld met het criterium loopgebied. Ter plaatse van de gebouwentrees wordt het strengere criterium voor slentergebied gehanteerd. Een goed windklimaat, met een hinderkans van minder dan 5 % wordt bij gebouwentrees nagestreefd. Uit het onderzoek volgt dat op de huidige bouwlocatie een overwegend als goed te beoordelen windklimaat aanwezig is. Door de realisatie van de geplande nieuwbouw neemt de kans op windhinder bij de bestaande studentenwoningen enigszins af. Verder blijft de windsituatie vrijwel gelijk; er treedt geen verslechtering van de windsituatie op door realisatie van de nieuwbouw. Ten gevolge van de relatief hoge hinderkans door de bestaande bebouwing is bij de gebouwhoeken aan de westzijde van de nieuwbouw plaatselijk sprake van een als matig te beoordelen windklimaat. Voor de gevels van de nieuwbouw is een goed windklimaat berekend. De hoofdentree, gesitueerd aan de westzijde van de geprojecteerde nieuwbouw, ligt door een positie nabij de gebouwhoek in een gebied met een, voor de entreefunctie, relatief hoge hinderkans van
13
Peutz rapportage met kenmerk OA 15299-1-RA-001 d.d. 10 juni 2013
39/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
4 %. Hierdoor kan het nog net als goed beoordeeld worden. In het definitieve ontwerp is hierop ingespeeld door de entree terug te leggen waardoor een lagere hinderkans verkregen wordt. Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat de nieuwbouw een licht positief effect heeft op het windklimaat in de directe omgeving. Ondanks invloeden van bestaande bebouwing is het windklimaat rond het BalPol4 gebouw als overwegend goed te beoordelen.
5.14
Aanmeldnotitie m.e.r.
In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk / noodzakelijk maken. De activiteit 'woningbouw' valt in het Besluit m.e.r. onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject van de D-lijst van het Besluit m.e.r. De voorgenomen activiteit is opgenomen in bijlage D categorie 11.2 van het Besluit m.e.r., maar blijft onder de drempelwaarde (drempelwaarde oppervlakte van 100 hectare of meer, aaneengesloten gebied van 2000 woningen of meer, bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). De voorgenomen activiteit bestaat uit bouw van een complex van 136 appartementen. Omdat de omvang van het voorliggende project onder de drempelwaarde van een direct m.e.r.-(beoordelings)plicht blijft, is enkel een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit m.e.r. inwerking getreden.
In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld Het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de (vergunning)aanvraag voegen
In de aanmeldnotitie (bijlage 14) wordt geconcludeerd dat geen m.e.r. plicht aan de orde is.
40/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
6 Handhaving Als kader voor handhaving wordt het beleidskader ‘Veiligheid van de gemeente Delft’ gehanteerd. Dit kader is vastgesteld in B&W en gaat uit van een zeer bescheiden inzet op handhaving. Handhaving zal plaatsvinden op basis van strategie (risicoanalyse, prioriteren en programmeren). Aandachtspunten daarbij zijn onder andere: de gevolgen voor gebruikers en omgeving (veiligheid, gezondheid en milieu), het gedrag van de overtreder, legalisatiemogelijkheden, beschikbare capaciteit en de termijn waarbinnen handhaving mogelijk is (de wettelijk redelijke termijn waarbinnen zaken verjaren). Uiteraard zal altijd worden gereageerd op klachten van omwonenden. Doordat illegale situaties die reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan worden uitgezonderd van het overgangsrecht, bestaat op grond van de jurisprudentie ook na langere tijd in beginsel nog de mogelijkheid om handhavend op te treden, indien een situatie aan het licht komt die redelijkerwijze niet eerder bekend kon zijn. Juridisch zijn deze situaties immers wegbestemd. Per geval zal door het bevoegde bestuursorgaan een zorgvuldige belangenafweging worden gemaakt.
41/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1
Inspraak en overleg
De ruimtelijke onderbouwing is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op 27 augustus 2013 opgestuurd aan de Provincie ZuidHolland, Hoogheemraadschap van Delfland, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Regio Haaglanden, TenneT, Stedin, Gasunie, Pipeline Control, Evides en de Veiligheidsregio Haaglanden. Van twee partijen is een reactie binnengekomen. Dit betreffen de Veiligheidsregio Haaglanden en het Hoogheemraadschap van Delfland. De Veiligheidsregio geeft in haar reactie aan dat door de aanwezigheid van risicobronnen op het gebied van externe veiligheid en de toename van het aantal personen in het plangebied de risico's op het gebied van externe veiligheid toenemen. Er treden geen knelpunten, zoals ook naar voren komt in het uitgevoerde onderzoek, zoals beschreven in paragraaf 5.8. Door de Veiligheidsregio zijn enkele maatregelen geformuleerd die zich vooral richten op de beheersing en vermindering van de effecten van een incident. Daarbij gat het om het toepassen van afschakelbare ventilatie en het informeren van bewoners over de wijze van alarmering en de wenselijke manier van reageren bij een incident in de omgeving van het woongebouw. De door de Veiligheidsregio genoemde maatregelen worden door de initiatiefnemer meegenomen bij de uitwerking van het bouwplan.
Het Hoogheemraadschap merkt op dat in de concept ruimtelijke onderbouwing het waterbelang nog onvoldoende is geborgd. Zo waren ten tijde van de conceptversie de huidige en toekomstige waterhuishouding en de wateropgave nog niet voldoende uitgewerkt. Op basis van deze reactie is het effecthoofdstuk water (paragraaf 5.3) uitgebreid. In dit hoofdstuk is toegelicht wat de omvang de wateropgave is en op welke wijze de benodigde compensatie zal plaatsvinden.
7.2
Vervolgprocedure
Voor onderhavig plan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing en heeft de aanvraag vanaf 9 januari 2014 gedurende 6 weken ter visie gelegen. Gedurende die periode is een aantal zienswijzen ingediend. Voor deze uitgebreide procedure is een vvgb van de gemeenteraad nodig op basis van artikel 6.5 lid 1 Bor en een vvgb van de ODH. Aangezien de vvgb en een aantal onderzoeken in januari 2014 niet ter visie hebben gelegen, is vanuit zorgvuldigheid overwogen nogmaals de aanvraag en de relevante stukken ter visie te liggen. In de vernieuwde ruimtelijke onderbouwing is mede rekening gehouden met de eerder ingediende zienswijzen.
42/43
Kenmerk
R005-1276265WPG-V02-nda-NL
De concept omgevingsvergunning en andere relevante stukken- waaronder de aangepaste ruimtelijke onderbouwing worden- vanaf datum nogmaals voor een periode van 6 weken ter visie gelegd. Tijdens de ter visie legging wordt een inloopbijeenkomst georganiseerd, tenzij vanwege Corona maatregelen naar een alternatief moet worden gezocht. Voorafgaand aan de ter visie legging wordt een ieder die eerder een zienswijze heeft ingediend schriftelijk op de hoogte gebracht van de actuele stand van zaken. De aangepaste ruimtelijke onderbouwing bevat ook waar nodig een actualisatie van de eerder verrichten onderzoeken. Bij een aantal onderzoeken zijn geen ontwikkelingen nadien die noodzaken tot een actualisatie van deze onderzoeken. Een ieder kan tegen de concept omgevingsvergunning en de relevante stukken (wederom) een zienswijze kenbaar maken. Eventuele zienswijzen worden voor zover noodzakelijk in de definitieve ruimtelijke onderbouwing verwerkt. Daarna wordt definitief het besluit door het college vastgesteld. Deze ligt vervolgens zes weken ter inzage en wordt gepubliceerd. Alleen belanghebbenden die eerder een zienswijze hebben ingediend, kunnen hiertegen in beroep gaan bij de rechtbank.
7.3
Financiële uitvoerbaarheid
De ontwikkeling van het BalPol4 gebouw vormt een bouwplan in de zin van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 6.2.1 onder a Besluit ruimtelijke ordening, omdat (studenten)woningen worden gebouwd. De Wet ruimtelijke ordening voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten van de grondexploitatie. Dit kan op publiekrechtelijke grondslag, via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage dient te worden gelegd. Er is een anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. De ontwikkeling vindt geheel voor rekening en risico van de TUD en DUWO plaats. De ontwikkeling van het plan met betrekking tot deze locatie heeft daarom voor de gemeente geen financiële gevolgen.
43/43