CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

2120380 Energie Samen Natuur en Milieu Federatie - zienswijze RES1.0-Rotterdam Den Haag

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Regionale Energiestrategie 1.0 (nr. 2114264)38.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

C) De huidige RES 1.0 zegt niets over het verdienmodel m.b.t. industriële restwarmte De RES 1.0 is niet expliciet over de prijs voor of de kosten van de restwarmte uit de industrie. Om een antwoord te geven op deze vraag, maken we een inschatting van de opbrengsten die restwarmte heeft voor de industrie. In de RES 1.0 wordt gesproken op dat er 20 – 28 PJ restwarmte in 2030 zou kunnen worden geleverd vanuit 18 bedrijven/bronnen (p. 99). Uit het onderzoek van Royal Haskoning komt dat deze restwarmte gewaardeerd kan worden op ongeveer 7 – 14 €/GJ12 . Dan vertegenwoordigt dit een waarde van 7 – 14 miljoen €/PJ. En dus voor een hoeveelheid van 20 PJ , 140 – 280 miljoen euro. Omdat volgens de nieuwe warmtewet 2.0 het warmtebedrijf een ophaalrecht heeft maar de uitkoppelkosten moet vergoeden staan er tegenover deze inkomsten voor de industriële site ook grotendeels kosten. De netto inkomsten voor een site zijn dan o.i. ook eerder ook eerder enkele miljoenen dan tientallen miljoenen euro per jaar. Hiernaast krijgt de industrie vanuit de ETS regelingen CO2 rechten voor het inzetten van restwarmte in een warmtenetwerk13. Het aantal CO2 rechten wordt bepaald met de volgende formule Vrije allocatie = benchmark * hoeveelheid geëxporteerde warmte * carbon leakage exposure factor. In het geval van stadverwarming wordt de huidige warmtebenchmark van 62,3 rechten/TJwarmte gebruikt.

Deze formule en bijbehorende factoren worden na 2025 herzien14. Dit betekent met een carbon leakage factor van 0.3 voor stadsverwarming15 dat de 20 PJ restwarmte in 2030 een vrije allocatie van ongeveer 62,3 * 20 *1.000 *0.3 = 374 duizend CO2-rechten oplevert. Met een CO2-prijs van 46 euro/recht16 hebben deze rechten een waarde van 17 miljoen euro. Met een stijging van de 12 Uit Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal

Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.

13 Guidance document n6 on the harmonized free allocation methodology for the EUETS post 2020 – Cross-Boundary Heat

Flows, januari 2019.

14 Inzicht verkregen na contact met Jos Cozijnsen van Climate Neutral Group. Zo wordt de warmtebenchmark binnenkort

bijgesteld naar 47,3 rechten/TJ.

15 Deze CLEF is constant tot 2030: Guidance document n2 on the harmonized free allocation methodology for the EUETS

post 2020 – Guidance on determining the allocation at installation level, februari 2019.

16 Klimaat en energieverkenning 2020, PBL, 2020.

20

CO2-prijs naar 125 euro17 kan dit toenemen naar 47 miljoen euro. Volgens de commissie van Geest heeft een nog hogere CO2-prijs een grote kans op weglek en daarom nemen we geen hogere prijzen mee in deze berekening. Dus ook hier zal het gaan om een netto bijdrage van enkele miljoenen euro per jaar per site. Omzetcijfers van de fabrieken in het Rotterdamse havengebied konden we niet vinden, omdat ze onderdeel zijn van multinationals, die deze cijfers niet per site rapporteren. Maar als we Wikipedia mogen geloven dan verwerkt Shell Pernis ruim 400.000 vaten ruwe olie per dag. Dit komt grofweg neer op een inkoopwaarde van de aardolie van ongeveer 7,5 miljard euro per jaar, houden we rekening met de hogere verkoopwaarde van o.a. benzine en diesel dan is de omzet groter dan 10.000 miljoen euro per jaar. Het is duidelijk dat een netto bijdrage per site van enkele miljoenen voor de restwarmte zelf en de gealloceerde ETS rechten daarmee niet wezenlijk van invloed zal zijn op de strategie van een site. Daarmee kan warmtelevering geen prioriteit zijn voor deze ondernemingen en zal het dus op zich ook geen of nauwelijks een bijdrage leveren aan het langer in stand houden van het verbranden van fossiele brandstoffen op deze sites. Wel is het aannemelijk dat een aantal van deze sites in de toekomst krimpen of verdwijnen (bijv. aardolieraffinaderijen) en er dat er nieuwe activiteiten (bijv.

productie waterstof en andere synthetische moleculen) bijkomen. Die plussen en minnen leiden er volgens het Havenbedrijf toe dat er in 2050 ruim 2x zo veel restwarmte beschikbaar kan zijn dan in 2030. Tegen die tijd zal deze restwarmte ook opgewekt worden met toepassing van CCS of emissieloze energiedragers zoals groene waterstof en daarmee niet of nauwelijks nog een bijdrage leveren aan de industriële broeikasgasemissies. O.i. is de uitkoppeling van industriële restwarmte en de daarbij behorende inkomsten voor een site als deze in de periode tot 2050 nog (deels) opgewekt wordt met fossiele brandstoffen, dan ook geen reden waarom deze verbranding van fossiele brandstoffen langer gecontinueerd zal worden. Wel kan de vraag gesteld worden of restwarmteproducenten beloond moeten worden door middel van CO2 rechten terwijl de uitkoppeling van de restwarmte vergoed wordt.

3. Lokale warmte-initiatieven met lokale warmtebronnen op lage temperatuur Vraag van opdrachtgever:

Lokale warmte-initiatieven, vertegenwoordigd via Energie Samen, vragen zich af a. wat de ontwikkeling van grootschalige restwarmte op relatief hogere temperatuur betekent voor hun kansen op ontwikkeling van lokale warmtebronnen op relatief lagere temperatuur, b. en voor de kansen op deels lokaal eigendom van en/of zeggenschap over deze warmtesystemen. c. Dit ook gelet op de inbreng van de landelijke Warmtecoalitie en van Energie Samen bij de consultatie voor de nieuwe Warmtewet.

17 Bestemming Parijs: Wegwijzer voor klimaatkeuzes 2030, 2050, studiegroep Invulling klimaatopgave Green Deal, januari

2021.

21

A) Kansen op ontwikkeling lokale warmtebronnen door lokale warmteinitiatieven In de RES 1.0 wordt er vooral restwarmte uit de industrie en geothermie gebruikt in het warmtenetwerk. In eerste instantie wordt ingezet op een hoge-temperatuur (HT) warmtenetwerk dat vanaf 2030 in de gebouwde omgeving kan worden gebruikt als midden-temperatuur (MT) warmtenetwerk. Mogelijk kan dit ook met cascadering waarbij eerst wijken met slechte isolatiegraad door een HT warmtenet worden voorzien van warmte, en dat de uitgaande warmte verder kan worden gebruikt als MT of LT warmte voor wijken met een betere isolatiegraad. De technieken zijn allemaal beschikbaar, de vraag is met name welke kosten elke techniek met zich mee zal brengen. Kleine coöperaties qua eigendom laten deelnemen in een HT warmtenetwerk is theoretisch mogelijk, maar zal o.i. in de praktijk niet snel gaan gebeuren. Veel huishoudens in de regio zijn niet geschikt voor MT warmtenetwerken en zullen eerst op een HT warmtenetwerk worden aangesloten. Verder zullen de hoge initiële investering, professionalisering van een lokale coöperatie en de garantie op warmtelevering moeilijk te organiseren zijn voor lokale en kleinschalige warmte initiatieven. Daarnaast zal er een noodzaak zijn voor professionalisering van de lokale initiatieven om contracten af te sluiten met bewoners en de warmtenetbeheerder.

Dit vraagt om een ruime cashflow positie van de lokale initiatieven, zowel voor het aantrekken van gekwalificeerd personeel als de uitbetaling van salarissen in een periode van enkele jaren dat het warmtenet nog aangelegd wordt en de inkomsten er nog niet zijn. Bovendien zijn tot op heden alle business cases van warmtenetten niet of nauwelijks rendabel. Kortom het lijkt ons zeer moeilijk voor een lokaal initiatief om een lokale warmtebron zelfstanding, professioneel, met een goede cashflow positie en voldoende rendement te exploiteren. Tot slot volgt uit de analyse van Woodwater Legal dat er juridische belemmeringen zijn voor lokale initiatieven18. Burgermeesters en wethouders wijzen voor een periode van minimaal 20 jaar en maximaal 30 jaar een warmtebedrijf aan die een exclusief recht op levering van warmte in het bijbehorende warmtekavel heeft. Vervolgens worden deze bedrijven sterk gereguleerd via wettelijke bepalingen en het toezicht op deze bepalingen van de ACM. Doordat het warmtebedrijf integraal verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie van het collectief warmtesysteem, is er weinig ruimte voor private en publieke partijen om als warmtebedrijf te kunnen optreden. Een lokaal initiatief kan wel warmte leveren aan het netwerk, maar zal dan eerst een verzoek moeten indienen om toe te treden tot het warmtenetwerk.

Vanuit een monopoliepositie beoordeelt het warmtebedrijf het verzoek en schrijft een gemotiveerde schriftelijke beslissing, waarbij de criteria waaraan de aanvrager moet voldoen niet gespecifieerd zijn. Het warmtebedrijf opereert vanuit een sterke juridische basis en het zal in de praktijk moeten blijken wat de haalbaarheid is van lokale initiatieven in combinatie met de uiteindelijke Warmtewet 2.0. Naast de bovenstaande beschouwing heeft de keuze voor een regionaal HT warmtenetwerk mogelijk nog een ander gevolg, namelijk het in de kiem smoren van lokale initiatieven. De beschikbaarheid van goedkope restwarmte kan ervoor zorgen dat lokale initiatieven niet van de grond komen. De restwarmte wordt namelijk aangeboden tegen de uitkoppelkosten plus de infrastructuurkosten plus een marge en is daarmee naar alle waarschijnlijkheid de goedkoopste warmtebron (de industriële restwarmte zelf is daardoor namelijk min of meer gratis, net als overigens geothermiewarmte zelf). Door de lagere kosten dan geothermie en andere mogelijkheden om warmte op te wekken zal deze restwarmte een groot deel van de basislast (ook in de zomer) leveren waardoor de andere warmtebronnen in minder uren hun geld moeten verdienen en mogelijk in de zomer uitgezet dienen te worden.

Hetgeen met name voor geothermiebronnen 18 Juridische analyse warmtewet 2.0 in opdracht van RES Regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, juli 2020.

22

problematisch kan zijn. In het proces van het HT warmtenetwerk is het daarom nodig om oog te houden voor de ontwikkeling van lokale warmtebronnen en indien men deze zou willen stimuleren dan kan de consequentie daarvan zijn dat de levering via deze backbone niet het gehele jaar kan plaatsvinden. Daarmee wordt dan de business case voor de lokale warmtebronnen beter, maar die voor de industriële restwarmte slechter. Voor de emissiereductie als geheel maak het waarschijnlijk weinig uit19. Bij een hoge temperatuur netwerk kan extra isolatie en een ander warmteafgifte systeem vaak worden vermeden. Lokale initiatieven voor warmtebronnen zullen eerder uitgaan van een midden of een lage temperatuurverwarming. Er is dan een directe relatie tussen de isolatiegraad van huizen en het warmteafgifte systeem in de huizen en de mogelijkheid om over te stappen op een warmtenet met een midden temperatuur of lage temperatuur. Voor het aanpassen van woningen zodat ze geschikt zijn voor een hybride lage en midden temperatuur warmtenet (40-55 °C) komen CE-Delft, CMAG en KBnG tot isolatiekosten per huis tussen de 8.000 en 19.000 euro exclusief btw20. Isolatiekosten om naar een lage temperatuur netwerk te kunnen gaan liggen nog hoger.

Vandaar dat wij denken dat de inzet van lokale lage temperatuur warmtebronnen door lokale coöperaties tot 2030 slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is in de gebieden waar bewoners met hoge temperatuur industriële restwarmte beleverd kunnen worden tegen de laagste integrale kosten.

B) Lokaal eigendom van en/of zeggenschap over deze warmtesystemen Indien een lokaal warmte-initiatief ervoor kan zorgen dat de deelname aan het warmtenet significant groter is dan wanneer de grotere warmtepartijen dit zelf regelen, dan is er ook een onderhandelingspositie voor die lokale warmte-initiatieven om gedeeld eigendom voor te stellen. Voor zover ons bekend kunnen individuele eigenaren van woningen en gebouwen niet gedwongen worden om over te stappen op een warmtenet. De participatiegraad in het warmtenet, ook wel het vollooprisico genoemd, is dan ook een van de belangrijkste redenen dat financieel daadkrachtige private partijen zullen aarzelen om een warmtenet te financieren en exploiteren. Het lokale warmteinitiatief kan daar dus een rol spelen als het de huiseigenaren lokaal weet te enthousiasmeren voor het warmtenet. Dit staat o.i. los van de lokale warmtebronnen en mede-eigendom daarvan. Het financieren, ontwikkelen en exploiteren van lokale warmtebronnen door lokale initiatieven lijkt ons slechts in uitzonderlijke gevallen verstandig vanwege de argumenten hiervoor genoemd onder A.

C) Relatie met inbreng landelijke warmtecoalitie en Energie Samen tijdens consultatie warmtewet Wat met name opvalt in de inbreng van de landelijke warmtecoalitie en Energie Samen in de consultatieronde van de Warmtewet 2.0 is de grote nadruk op het participatieve karakter van de besluitvorming. Hoewel participatie altijd toe te juichen is, moeten we hier toch ook op de keerzijde van deze participatie wijzen. Het kan ertoe leiden, in tegenstelling tot wat hierboven staat onder punt B, dat projecten niet starten of slechts met grote vertraging waardoor realisatie van de CO2 reductie doelen in gevaar komt. Voor grotere partijen is het tempo waarin een project kan worden 19 p. 66 van Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal

Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.

20 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10135083/3