2120380 Energie Samen Natuur en Milieu Federatie - zienswijze RES1.0-Rotterdam Den Haag
Tekst van het document
Tot slot Wij wensen u veel succes en plezier in de transitie naar duurzame warmte. Omdat warmte zowel in de leefomgeving, het thuisgevoel en privé-eigendom van mensen zit, biedt deze transitie een kans om relaties te voeden, buurten te verbeteren en de lokale economie te versterken. De samenwerking met lokale initiatieven en energiecoöperaties zal u daarbij helpen. Mocht u meer voorbeelden kennen van de waardering van coöperatieve warmte in transitievisies of moties en amendementen die coöperatieve warmte in deze transitievisies een plek geven, horen wij dat graag. Versie maart 2021
Energie Samen | Buurtwarmte de landelijke koepel en belangenvereniging van collectieve energie-initiatieven. buurtwarmte@energiesamen.nu
Review RES 1.0 Rotterdam – Den Haag m.b.t. de warmtevoorziening van de Gebouwde Omgeving
In opdracht van RES-kerngroep Rotterdam Den Haag van Energie Samen
29 april 2021 Sander Kempkes John Kerkhoven Peter Vermaat
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ............................................................................................................................................ 2 A.
EEN REVIEW VAN DE REGIONALE ENERGIE STRATEGIE ROTTERDAM-DEN HAAG 1.0 ............................. 6
B.
WAT IS EEN REGIONALE ENERGIESTRATEGIE VOLGENS DEZE RES 1.0? .................................................. 8
C.
VROEGTIJDIGE CO2 REDUCTIE, RISICO’S EN ADAPTATIE EN EEN INTEGRALE WARMTEVISIE ................... 9 1. 2. 3.
VROEGTIJDIGE CO2 REDUCTIE ALS BELANGRIJKSTE DOEL OM TE BEHALEN ................................................................ 9 ONZEKERHEID EN ADAPTATIE ........................................................................................................................ 10 INZET OP INTEGRALE WARMTEVISIE INCLUSIEF KOELING ...................................................................................... 10
D)
WAT STAAT ER WEL EN WAT STAAT ER NIET OVER DE VERWARMING VAN DE GEBOUWDE OMGEVING 11
E)
VRAGEN VAN DE OPDRACHTGEVER .................................................................................................... 17 1.
KLIMAATNEUTRALITEIT VOOR 2050 ............................................................................................................... 17 Is de ambitie van de RES voldoende om ‘Parijs’ te halen? ................................................................ 17 Geeft deze RES zicht op het eerder halen van klimaatneutraliteit .................................................... 18 2. STRANDED ASSETS, CO2 VRIJE RESTWARMTE EN VERDIENMODEL INDUSTRIE ........................................................... 18 A) De huidige RES 1.0 houdt niet expliciet rekening met stranded assets .................................................. 18 B) Industriële restwarmte per definitie CO2 neutraal ongeacht met welke energiedrager het is gemaakt ..................................................................................................................................................... 19 C) De huidige RES 1.0 zegt niets over het verdienmodel m.b.t. industriële restwarmte ....................... 20 3. LOKALE WARMTE-INITIATIEVEN MET LOKALE WARMTEBRONNEN OP LAGE TEMPERATUUR .......................................... 21 A) Kansen op ontwikkeling lokale warmtebronnen door lokale warmte-initiatieven ........................... 22 B) Lokaal eigendom van en/of zeggenschap over deze warmtesystemen ............................................
23 C) Relatie met inbreng landelijke warmtecoalitie en Energie Samen tijdens consultatie warmtewet .. 23 4. HYBRIDE, OPEN WARMTENET MET COMBI VAN HOGERE EN LAGERE TEMPERATUREN ................................................. 24 A) Zijn varianten zoals een hybride warmtenetwerk voldoende onderzocht en wat zouden hiervan de kosten en baten zijn? .................................................................................................................................. 24 B) Effect van deze varianten op de elektriciteits- en warmtevraag en de CO2-uitstoot? ...................... 24 5. PRIJSONTWIKKELING RESTWARMTE INDIEN INDUSTRIE OVERSCHAKELT OP CCS, ANDERE ENERGIEDRAGERS EN/OF ANDERE PRODUCTIETECHNIEKEN ......................................................................................................................................... 25 A) Wat is het toekomstbeeld voor de prijsontwikkeling van (fossiele) restwarmte? ............................ 25 B) Wordt er op termijn energiebelasting op warmte geheven .............................................................. 26 C) Socialisering ...................................................................................................................................... 26 6. KOSTEN EN BATEN VAN WARMTESCENARIO’S ...................................................................................................
26 A) Zijn de kosten en baten van de warmtescenario’s compleet ............................................................ 26 B) Is duidelijk hoe de kosten verdeeld worden? .................................................................................... 27 7. BETROKKENHEID BEWONERS C.Q. BURGERS...................................................................................................... 28 A) Betrokkenheid bewoners c.q. burgers ............................................................................................... 28 B) Is de benodigde informatie volledig en transparant genoeg gedeeld? ............................................. 30 BIJLAGE A: INSCHATTING JAARLIJKSE LASTEN VAN HYBRIDE WARMTEPOMP ...................................................................... 32 A) B)
1
Samenvatting De RES 1.0 Rotterdam – Den Haag is een zeer informatief document en een grote stap voorwaarts t.o.v. wat er bekend was over collectieve warmte systeem (CWS) in deze regio. Het onderliggende rapport “Collectieve warmtevoorziening Rotterdam – Den Haag”1 begint inzicht te geven in de kosten van CWS voor twee scenario’s. De “Systeemstudie Zuid-Holland”2 laat zien hoe in vier verschillende scenario’s de situatie in 2050 zou kunnen zijn en geeft ook zicht op de verdeling tussen CWS en individuele warmteoplossingen. Om een idee te krijgen van wat er wel en niet in de RES 1.0 staat en acht daaraan gerelateerde rapporten hebben we deze rapporten gescoord op een aantal hoofdcriteria, die aan de taakstelling van de RES zijn ontleend. Om de hoofdcriteria te concretiseren heeft Kalavasta een vertaalslag gemaakt naar bijhorende subcriteria. Aan het eind van deze samenvatting laten we alleen het resultaat zien voor de in de vorige alinea genoemde drie rapporten. De methodiek en de scoring van de overige zes rapporten zijn verderop in deze review beschikbaar. De RES 1.0 benoemt en onderbouwt veel onderwerpen (groen in tabel 1) die je zou verwachten in een strategisch warmteplan voor een regio. Maar tegelijk worden er ook veel onderwerpen wel genoemd maar niet onderbouwd (geel in tabel 1) en zijn er onderwerpen die niet benoemd worden (rood in tabel 1).
De lezer van alleen de RES 1.0 zal dan ook wellicht met vraagtekens blijven zitten. In combinatie met het rapport “Collectieve warmtevoorziening Rotterdam – Den Haag” en de “Systeemstudie Zuid-Holland” ontstaat echter een meer compleet beeld. Ondanks dit meer complete beeld zijn er enkele belangrijke onderwerpen die kunnen worden toegevoegd aan de RES 1.0 om tot een RES 2.0 te komen, die de uitvoering duidelijker stuurt: 1. Doel: - Formuleer een CO2-reductiedoelstelling voor 2030. - Benoem het aantal woningen dat verduurzaamd dient te worden voor 2030. - Maak een inschatting van hoeveel woningen er voor 2030 op een nieuw CWS gaan worden aangesloten. 2. Tempo: - Probeer indicaties te geven voor wanneer bepaalde onderdelen van de CWS-oplossingen worden gerealiseerd. Het is op dit moment uit de RES 1.0 niet geheel duidelijk of een nieuwe CWS kan worden gerealiseerd voor 2030. Geef een tijdspad aan waarin de sleutelprojecten lopen. - Laat expliciet zien dat emissiereductie die je nu realiseert waardevoller is in termen van klimaatverandering dan emissieoplossingen die je later realiseert. Hieronder valt ook het onderwerp resterend CO2 budget. 3. Collectieve warmte systemen in verhouding tot individuele warmteoplossingen: - Geef aan hoe deze CWS-oplossingen zich verhouden tot individuele oplossingen en dan met name de afweging CWS versus Hybride Warmtepomp.
- We hebben een zorg dat het rapport “Collectieve warmtevoorziening” een individuele oplossing als all-electric warmtepompen afzet tegen een hoge temperatuur CWS qua kosten en daarmee de indruk wekt dat individuele oplossingen veel duurder zijn. Dat de vergelijking er heel anders uit zou zien bij een vergelijking van een CWS met een 1 Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal Haskoning, in
opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021.
2 Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland, door CE Delft, Quintel Intelligence en TNO, in opdracht van Provincie
Zuid-Holland, Stedin en Havenbedrijf Rotterdam, januari 2021.
2
4.
5.
6.
7.
individuele Hybride Warmtepomp wordt niet gemeld. In bijlage A laten we met een eerste inschatting zien dat de hybride warmtepomp inderdaad meegenomen moet worden in deze vergelijking en het goedkoopste alternatief kan zijn ten opzichte van de huidige situatie indien we de rekenmethode van dit rapport hanteren. Met de hybride warmtepomp kan een groot deel van de fair share van de opgave uit het Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving behaald worden. - Het concept hybride warmtenetten wordt niet benoemd in de RES 1.0 terwijl er een recente studie is gedaan waarin naar voren komt dat hybride warmtenetten een mogelijke optie zijn in Den Haag3. - Door bovenstaande punten is het aan te raden meer handvatten te geven door de kosten-en baten van verschillende warmteopties (mogelijk voor een modelwijk) tegen elkaar af te zetten. Warmtebronnen strategie: - Het uitgangspunt in de RES voor deze regio is dat er restwarmte beschikbaar is in de haven van Rotterdam en dat het een gebied is dat gunstig is voor geothermie. Het op zich begrijpelijke idee dat een hoge temperatuur CWS op basis van industriële restwarmte en geothermie een kostenefficiënte oplossing is, wordt echter geponeerd zonder dat er in de RES 1.0 details beschikbaar zijn over of en tegen welke kosten industriële bedrijven in het havengebied Rotterdam bereid zijn restwarmte uit te koppelen.
Meer inzicht in deze kosten – ook met het oog op Warmtewet 2.0 – is nodig. - Meer informatie is nodig over backup- en piekvoorzieningen voor een CWS evenals of en hoe lokale warmtebronnen op midden of lagere temperatuur te verenigen zijn met een hoge temperatuur warmtenet. - Maak een risicoanalyse en een beschrijving van mogelijkheden om bij ingezet beleid nog de strategie aan te kunnen passen (fall-back en adaptatie). Groen gas: - De regionale potentie voor productie van groen gas is 4 PJ (p. 56; theoretisch genoeg voor 190.000 geïsoleerde woningen met een HWP). Het verdient aanbeveling de inzet hiervan nader te onderzoeken omdat dit betrekkelijk snel én tegen relatief lage kosten kan worden doorgevoerd. Energiebelasting en socialisering: - Het zicht op de energiebelasting voor warmte ontbreekt nog. Dit is geen omissie van de RES 1.0 maar is wel belangrijk, gegeven dat broeikasgasemissies verbonden aan een CWS in de toekomst waarschijnlijk zullen worden belast. - Bij gasnetten en elektriciteitsnetten zijn de kosten verdeeld over de aansluitingen en daarmee hetzelfde in grote gebieden van Nederland. Bij warmtenetten is het onduidelijk of en hoe enige vorm van socialisering mogelijk wordt, waarbij het wel waarschijnlijk lijkt dat het historische “niet meer dan anders principe” zal worden losgelaten. Het is wenselijk hier meer inzicht in te krijgen.
Participatie: - De RES 1.0 besteedt veel aandacht aan participatie, tegelijk is de RES 1.0 niet duidelijk in hoe die participatie verloopt bij het ontwikkelen van de RES 1.0 tot een RES 2.0. Beschrijf het participatieproces naar de RES 2.0 en de link tussen TVW en RES. - De RES kan duidelijker zijn in hoe participatie in besluitvorming kan helpen in sommige processen en snelheidsbeperkend kan zijn in andere. - Het kiezen van de passende participatievorm bij de verschillende processen is hierbij van belang. - Het Klimaatakkoord biedt ruimte voor twee sporen: collectief (top-down en/of bottomup) en individueel. We pleiten er sterk voor om niet alles top-down in een collectieve
3 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.
3
route te gieten, maar juist op die plekken waar de collectieve potentie beperkt is royaal ruimte te geven aan individueel initiatief. Onze conclusie is dat de RES 1.0 en de onderliggende rapporten een waardevolle aanzet zijn tot een aanpak voor de verduurzaming van de Regio Rotterdam Den Haag. Maar daarmee zijn we er nog niet. In deze review benoemen we de zaken, die op weg naar de RES 2.0 aandacht behoeven en van de RES een doelgerichte en uitvoerbare strategie kunnen maken. Dit kan ook meegenomen worden in de ontwikkeling van de Transitie Visie Warmte, die eind dit jaar moet worden opgeleverd. De kans dat er voor 2030 ‘genoeg’ huizen via een CWS worden verduurzaamd, neemt daarmee naar onze inschatting toe. Tevens is het o.i. dringend noodzakelijk dat er een goede balans wordt gevonden tussen individuele warmte oplossingen, die al op korte termijn geïmplementeerd kunnen worden en collectieve warmtevoorzieningen die enige jaren voorbereiding vragen.
4
Oplossingsrichting
1. Welke oplossingsrichtingen worden genoemd voor de verwarming van de gebouwde omgeving a. Type Warmtenetten i. Welke temperaturen 1. Temperatuur H of M of L 2. Hybride H & M of M & L 3. Cascadering eerst H dan M of L ii. Open/Gesloten iii. Relatie met isolatiegraad en warmteafgifte systeem iv. Kosten van aanpassingen aan de woning b. Warmtebronnen strategie i. Wat is/zijn de baseload warmtebron(nen) (locatie, bedrijf) ii. Wat zijn de kosten van warmte uit deze bron(nen) iii. Is de capaciteit van de bron passend bij de vraag iv. Wat zijn de alternatieven voor deze baseload bron(nen) v. Welke kosten hebben de alternatieven vi. Welke warmtebron levert het piekvermogen, indien de baseload bron hier niet geschikt voor is vii. Tegen welke kosten kan het piekvermogen worden geleverd viii. Welke warmtebron levert backup vermogen indien de baseload bron off-line gaat ix. Tegen welke kosten kan het backup vermogen worden geleverd c. Warmteopslag i. Wat zijn de opslagmogelijkheden (per wijk) ii. Wat zijn de kosten van deze opslagmogelijkheden d. Koeling van gebouwde omgeving e. Specifiek voor Industriele restwarmte uitkoppeling i. Invloed op CO2 emissies bedrijven ii. Invloed op omzet bedrijven iii. Invloed op flexibiliteit bedrijven f. Alternatieven voor warmtenetten i. All-electric ii. Hybride op aardgas en later groen gas of waterstof iii. CV Ketel op groen gas of waterstof g.
Relatie tussen collectieve warmtenetten en individuele oplossingsrichting h. Impact op resterend CO2 budget 2. Welke technisch-inhoudelijke onderzoeken zijn er gedaan naar de verwarming van de gebouwde omgeving a. Techno-economische analyse: welke oplossingsrichting is het goedkoopst b. Continuïteit: welke oplossingsrichting is het meest robuust richting 2050 c. Doorlooptijd: welke oplossingsrichting kan nog voor 2030 worden geeffectueerd d. Risico’s: welke oplossingsrichting geeft voor de stakeholder de minste risico’s 3. Welke vertaling is er al geweest naar de lokale context a. Zijn er criteria voor de vertaling naar de lokale context b. Is er al een vertaling naar wijken of woningen gemaakt 4. Vervolgproces en openstaande vragen a. Is er een duidelijk vervolgproces beschreven i. Is het duidelijk hoe de warmtevisie in RES verder wordt ontwikkeld ii. Wanneer is een kostenanalyse voor de verschillende warmtebronnen en warmtenetten beschikbaar iii. Zijn er concrete plannen betreffende stedelijke verbouwing (isolatie en aanleggen warmtenet) Legenda Voldoende concreet, onderdeel van een strategisch plan Wordt besproken als concept, verdere uitwerking nodig Niet aanwezig
5
Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland, door CE Delft, Quintel Intelligence en TNO, in opdracht van Provincie Zuid-Holland, Stedin en Havenbedrijf Rotterdam, januari 2021
Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021
RES 1.0: Rotterdam-Den Haag, 1 april 2021
Totaal
Tabel 1. De scoring van 3 rapporten m.b.t. RES Rotterdam – Den Haag op 4 hoofdcriteria en diverse subcriteria. De hoofdcriteria sluiten aan op de doelstelling van de RES 1.0. Kalavasta heeft de vertaalslag gemaakt naar de subcriteria om de scoring te concretiseren.
A. Een review van de Regionale Energie Strategie Rotterdam-Den Haag 1.0 In maart 2021 kreeg Kalavasta het verzoek van de RES-kerngroep Rotterdam Den Haag van Energie Samenom een review te doen van de Regionale Energie Strategie Rotterdam-Den Haag 1.0. Naast het RES 1.0 document zelf betrekken we ook een aantal documenten bij de review die bij de ontwikkeling van de RES 1.0 voor de regio Rotterdam – Den Haag van belang zijn geweest.
Het gaat om de volgende documenten, in volgorde van publicatiedatum: 1. RES 1.0: Rotterdam-Den Haag, 31 maart 2021 2. Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021 3. Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag, Milieueffectrapport, Arcadis, februari 2021 4. Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland, door CE Delft, Quintel Intelligence en TNO, in opdracht van Provincie Zuid-Holland, Stedin en Havenbedrijf Rotterdam, januari 2021 5. De concept Energiestrategie Regio Rotterdam – Den Haag deel A, april 2020 6. De concept Energiestrategie Regio Rotterdam – Den Haag deel B, verdieping bij de concept RES, april 2020 7. Energieperspectief 2050, Energiestrategie regio Rotterdam Den Haag, CE Delft, Generation Energy en APPM management consultants, juli 2019 8. Energiestrategie regio Rotterdam – Den Haag, regionale prioriteiten, Generation Energy en APPM management consultants, juli 2019 9. Basisdocument Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag, Generation Energy en APPM management consultants, september 2018 Deze notitie start vanuit het besef dat het woord strategie betekent dat het gaat om een concreet plan om een doelstelling te behalen.
In deze review bekijken we of de RES 1.0 Rotterdam – Den Haag en de onderliggende rapporten voldoen aan de definitie van een concreet plan om een emissiereductie te behalen in de gebouwde omgeving in de regio Rotterdam – Den Haag. En daar waar we constateren dat het nog niet het geval is, doen we voorstellen voor verdere concretisering. De RES 1.0 is onderdeel van een groot leerproces van alle betrokkenen. Dit leerproces stopt niet met de RES 1.0, maar leidt iteratief tot volgende versies. De punten die we aandragen in deze review bedoelen wij dan ook als leerpunten die meegenomen kunnen worden in het traject dat uiteindelijk leidt tot een RES 2.0 De RES 1.0 is dus idealiter een concreet plan met als beoogd doel emissiereductie in de gebouwde omgeving. Vanuit de nationale doelstelling van het klimaatakkoord zou dit moeten gaan om een equivalent van ongeveer 1,5 miljoen verduurzaamde woningen, met ruwweg 300.000 woningen allelectric (20%), 640.000 warmte (48%) en 580.000 hybride (32%). In deze regio zou dit dus kunnen gaan om een “fair share” van deze nationale ambitie. Waarbij in dit gebied de verhouding tussen warmte(net), all-electric en hybride anders kan zijn door de beschikbaarheid van warmtebronnen. Er wonen volgens de RES 1.0 bijna 2.4 miljoen mensen in de regio Rotterdam – Den Haag.
Een fair share als je alleen kijkt naar het aantal mensen zou dan ( 2,4 miljoen mensen in de regio / 17,4 miljoen in Nederland * 1,5 miljoen huizen verduurzaamd in 2030) ongeveer 200.000 huizen verduurzaamd in 2030 zijn voor de regio Rotterdam – Den Haag. 6
We gingen in de 9 rapporten op zoek naar wat die fair share is en welke verdeling wordt nagestreefd in deze regio. We hebben geconstateerd dat dit niet wordt vermeld in de RES 1.0 Rotterdam – Den Haag of de onderliggende documenten. Dat is jammer, want zonder doel voor 2030 is het ook niet duidelijk in welke tempo je resultaat dient te halen in de komende jaren. Het meest concreet in de RES 1.0 op het gebied van warmte zijn de zeven sleutelprogramma’s warmte. Behalve dat deze voor 2030 gereed zouden moeten zijn is niet bekend op basis van de RES 1.0 wanneer deze gereed kunnen zijn en wat het tijdspad is van deze projecten. En aangezien de zeven sleutelprogramma’s zich richten op de regionale hoofd warmte-infrastructuur is ook niet bekend wanneer de daaraan te koppelen warmte distributienetten gereed kunnen zijn. Kortom uit de RES 1.0 kan niet worden opgemaakt welke bijdrage regionale warmtenetten voor 2030 kunnen gaan leveren aan het halen van de doelen uit het klimaatakkoord met betrekking tot de gebouwde omgeving. Het nationale doel voor 2050 is overigens helder, dan moeten (nagenoeg) alle huizen emissieloos worden verwarmd. We scoren de 9 rapporten op een viertal hoofdcriteria die in de inleiding van de RES 1.0 worden benoemd. Het gaat om: 1. Concrete oplossingsrichtingen 2. Onderbouwing daarvan door technisch-inhoudelijke onderzoeken 3.
Vertaalbaarheid van de RES 1.0 naar de lokale context 4. En duidelijkheid over de vervolgstappen Eigenlijk bestaat deze review van de RES 1.0 uit twee verschillende delen. In de hoofdstukken A,B,C en D beperken we ons in deze review tot dat wat er wel of niet in de documenten vermeld staat over de verwarming van de gebouwde omgeving. In hoofdstuk E concentreren we ons op de vragen van de opdrachtgever en hoe die wel of niet beantwoord worden door de RES 1.0. Ter verduidelijking opwek van elektriciteit door zon en wind wordt niet meegenomen in deze review, we kijken uitsluitend naar de verwarming van de gebouwde omgeving.
7
B. Wat is een regionale energiestrategie volgens deze RES 1.0? In de inleiding van de RES Rotterdam-Den Haag wordt uitgelegd waarom, wanneer en wie er werken aan de regionale energiestrategieën. “In Nederland werken 30 energieregio’s aan de verduurzaming van de energievoorziening, de zogeheten energietransitie. Verduurzaming is nodig om de uitstoot van broeikasgassen sterk te verminderen. Nederland heeft als doel om in 2030 de helft minder CO2 uit te stoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% zijn afgenomen. Deze doelstelling is afgesproken in het Klimaatakkoord dat het kabinet op 29 juni 2019 publiceerde. Het Klimaatakkoord is de Nederlandse uitwerking van de afspraken die 55 landen maakten tijdens de Klimaatconferentie in Parijs (2015). Eind 2019 hebben de decentrale overheden (gemeenten, provincies, waterschappen) zich aan het Klimaatakkoord verbonden. Per regio stellen ze een Regionale Energie Strategie (RES) op, waarin ze de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord vertalen naar de eigen regio. In een RES staan de keuzes die de energieregio’s maken over hoe ze de CO2-doelstellingen willen bereiken: waar en hoe ze het best duurzame elektriciteit kunnen opwekken, welke warmtebronnen ze kunnen gebruiken en hoe duurzame brandstoffen een rol kunnen spelen.
Bij deze keuzes speelt betaalbaarheid een belangrijke rol, evenals betrokkenheid van de inwoners, en maatschappelijk draagvlak. Deze RES is het resultaat van de samenwerking van 23 gemeenten, vier waterschappen, de provincie en de netbeheerders. Omdat participatie een essentieel onderdeel is van het energietransitie-proces, hebben de bestuurders, ambtenaren en volksvertegenwoordigers ook inwoners, maatschappelijke organisaties, initiatiefnemers en marktpartijen betrokken bij het maken van de RES. Gemeenteraden, Provinciale Staten en de algemene besturen van de waterschappen besluiten in 2021 over de vaststelling van de RES. De RES wordt daarna elke twee jaar geactualiseerd, op grond van nieuwe inzichten, ervaringen en technieken. Deze RES 1.0 is een tussenstap op weg naar 2030 en zelfs 2050.”
Tevens geeft de RES Rotterdam-Den Haag aan wat er verwacht mag worden van een regionale energiestrategie. “Deze RES beschrijft de visie van de regio Rotterdam Den Haag. Hij bevat ambities en oplossingsrichtingen voor de komende decennia, voor tal van sectoren en activiteiten – van de gebouwde omgeving tot de productie van elektriciteit, van energienetwerken tot energiebesparingen. Daarmee biedt de RES een perspectief aan alle partijen die een rol spelen in de regionale energievoorziening. De oplossingsrichtingen zijn ontwikkeld op basis van technisch-inhoudelijke onderzoeken en analyses (met data van o.a. de deelnemende partijen en het Kadaster), waarna in samenspraak met betrokken partijen gedeelde conclusies zijn getrokken. De ambities en oplossingsrichtingen uit deze RES worden vertaald naar de lokale context waarbij inspraak mogelijk is en blijft. Ze krijgen een plek in het (omgevings)beleid van de publieke partijen. Het streven is dat ten laatste op 1 januari 2025 de uitgewerkte plannen zijn vergund (Klimaatakkoord, p. 164), zodat uiterlijk dan met de uitvoering wordt begonnen. Gemeenten, provincie en waterschappen bepalen uiteindelijk zelf hoe de RES wordt vertaald naar het eigen (omgevings)beleid en de bijbehorende instrumenten. Dit maatwerk en deze flexibiliteit maken het mogelijk om rekening te houden met de lokale context.”
8
C.Vroegtijdige CO2 reductie, risico’s en adaptatie en een integrale warmtevisie De blik waarmee we naar te reviewen documenten kijken richt zich niet alleen op “een concreet plan om een doelstelling te halen”, maar ook op de focus van broeikasgasreductie als belangrijkste doel. Daarnaast zijn we op zoek naar paragrafen over waarmee onzekerheid gereduceerd wordt en in een later stadium verdere concretisering van de plannen nuttig is.
1. Vroegtijdige CO2 reductie als belangrijkste doel om te behalen Het bovenliggende doel van de energietransitie is CO2-reductie. Onder de aanname dat ieder CO2 molecuul of ander broeikasgas molecuul dat in de lucht komt bijdraagt aan klimaatverandering, is niet het alleen het aardgasvrije einddoel belangrijk, maar ook het beperken van uitstoot tijdens de weg daar naar toe. Het is daarom belangrijk dat de keuzes in de RES ook rekening houden met het belang van CO2-reductie op de korte termijn, door bijvoorbeeld een no-regret maatregel als energiebesparing en isolatie vooraan in de planning te zetten of een (tussen)stap te stimuleren als Hybride Warmtepomp (mogelijk ook eindstap), die bij redelijke isolatie al 50% CO2-reductie oplevert. Het gaat tenslotte niet om hoeveel we gereduceerd hebben in 2030 of 2050. Het gaat om hoeveel CO2 we nog uitstoten in de periode voordat we klimaatneutraal zijn. Een verwarmingsoplossing die in 2021 wordt geïnstalleerd is meer waard in termen van klimaatverandering dan wanneer deze pas in 2030 in bedrijf genomen wordt. Collectieve warmtenetten vragen voorbereidingstijd en kennen een bouwtijd van enkele jaren. Bijvoorbeeld individuele oplossingen als Hybride Warmtepompen kunnen in daarvoor geschikte huizen “morgen” al worden geïnstalleerd. Een rekenvoorbeeld illustreert de potentie hiervan voor de regio Rotterdam – Den Haag.
Stel dat in deze regio 20% van de 1,1 miljoen huishoudens een hybride (lucht)warmtepomp krijgt in de periode 2021-2030 en dat deze 50% bespaart op aardgas. Dan levert dit het equivalent op van 110.000 huizen4. Dit is equivalent aan 0,26 Mton CO25. Indien er ook voor de helft van deze huizen groen gas wordt ingezet dan stijgt de emissiereductie naar het equivalent van 165.000 woningen ofwel 0,39 Mton CO2 per jaar4. Landelijk is de doelstelling 3,4 Mton CO2 /jaar6. Daarmee is dan ongeveer 80% van de fair share van deze regio behaald. Dat deze oplossing een belangrijke bijdrage kan leveren aan volledige klimaatneutraliteit is uitgewerkt in de Systeemstudie Zuid-Holland. De hybride warmtepomp verwarmt bijvoorbeeld ruim 60% van de huizen in het Internationale Scenario. Het aardgas is dan na 2030 vervangen door waterstof in dit scenario. Ons advies is om meer dan nu gebeurt, in een volgende versie van de RES 2.0 aandacht te schenken aan CO2 reductie op de korte termijn en bij te gaan houden hoeveel CO2 budget er wordt opgemaakt indien de isolatie en warmteoplossingen later in de tijd beschikbaar komen.
4 Binnen het klimaatakkoord tellen de Scope 2 emissies (o.a. ingekochte stroomemissies) niet mee in de gebouwde
omgeving. De echte besparing moet nog rekening houden met een hoger elektriciteitsverbruik, waarvan in 2030 70% uit hernieuwbare energie bestaat. Met deze mix levert de besparing een equivalent op van ongeveer 100.000 emissievrije huishoudens. 5 Uitgaande van 1300 m3 aardgas/jaar per woning stoot een gemiddelde woning 1300*1,8 = 2,34 ton CO /jaar uit (1,8 kg 2 CO2/m3 aardgas). Met 50% reductie levert dit een besparing op van 0,2*1,10* 106 *0,5*2,34 = 0,26 Mton CO2/jaar. Als ook de helft groen gas gaat gebruiken levert dit een extra reductie op van 0,13 Mton CO2/jaar. 6 Deze 3,4 Mton/jaar is de reductie ten opzichte van het basispad. Wanneer de doelstellingen van het basispad meegenomen worden is de doelstelling hoger.
9
2. Onzekerheid en adaptatie Bij dit aspect gaat het om de goede balans tussen nu keuzes maken in onzekerheid, anders komt er niets in beweging, en opties openhouden, zodat later nieuwe inzichten en technieken tot betere resultaten of lagere kosten kunnen leiden (fall-back en adaptatie). De energietransitie is veelomvattend en zeer complex. De RES stipt dit ook aan maar geeft – mede door de sterke inzet op collectieve warmte - niet de indruk dat er rekening wordt gehouden met risico reductie en adaptatie. Weliswaar wordt geadresseerd dat binnen warmte een ontwikkeling van hoge temperatuur naar midden temperatuur mogelijk moet zijn, maar er lijkt geen scenario te zijn met fall-back opties binnen de collectieve warmtestrategie, of fall-back opties als een collectieve warmtestrategie niet lukt of eventuele tussenstappen via bijvoorbeeld hybride warmtepompen. Ons advies is om in een volgende versie van de RES meer aandacht te schenken aan de onzekerheid die er is en adaptie zodat ook fall-back opties en spijtvrije tussenstappen in beeld komen die kunnen leiden tot een meer zekere en/of snellere emissiereductie.
3. Inzet op integrale warmtevisie inclusief koeling Het energiebeleid van de toekomst zou rekening moeten houden met verschillende vormen van beschikbare bronnen die kunnen worden opgeslagen en omgezet in elkaar. Dit betekent concreet dat elektriciteit van windmolens omgezet kan worden in warmte via elektriciteit en/of waterstof of dat warmte in de zomer wordt opgeslagen om ingezet te worden in de winter. Warmtebronnen, energiedragers, isolatie, warmteafgiftesystemen, koeling en infrastructuren moeten integraal bezien worden. De systeemstudie Zuid-Holland kan hiervoor als voorbeeld dienen. Het integrale energiesysteem en de onderbouwing ervan komt slechts in beperkte mate terug in de RES. Doordat er verschillende hoofdstukken zijn die op een kwalitatieve manier samenkomen in hoofdstuk 6, met een korte toelichting in paragraaf 7.5 en een verdere kwalitatieve beschrijving in paragraaf 8.5, wordt de indruk gegeven dat er nog onvoldoende kennis is over een integraal ontwerp. Ons advies is om de koppelingen tussen deze energiebronnen duidelijker (kwantitatiever) te maken en isolatie en koeling als hoofdonderwerpen toe te voegen aan dit proces.
10
D) Wat staat er wel en wat staat er niet over de verwarming van de gebouwde omgeving De RES 1.0 Rotterdam – Den Haag dient, volgens de eigen inleiding, oplossingsrichtingen aan te dragen voor de gebouwde omgeving op basis van technisch-inhoudelijke onderzoeken en analyses en deze te vertalen naar de lokale context. Verder is het duidelijk dat de RES 1.0 niet op zichzelf staat maar onderdeel is van een groter proces dat nog vele stappen zal kennen voordat een nieuwe warmtevoorziening is gerealiseerd. Vanuit dit doel beoordelen we de RES 1.0 en de hiervoor genoemde documenten daarom op deze vier aspecten: oplossingsrichtingen, technisch-inhoudelijke aspecten, vertaling naar lokale context en zicht op het vervolg. Dit biedt zicht op welke concretiseringen op weg naar RES 2.0 ingevoerd kunnen worden. Om deze analyse van de documenten mogelijk te maken hebben we per aspect een aantal deelaspecten benoemd, die o.i. onderdeel zouden dienen te zijn van een dergelijk concreet regio warmte energieplan. We hebben hier dus een vertaalslag gemaakt van de bovengenoemde 4 aspecten naar concrete toepassingen in een warmtestrategie. We hebben vervolgens de 9 rapporten gescoord. De RES 1.0 geeft bij een aantal criteria (zoals koeling en warmteopslag) aan dat het buiten scope van het onderzoek valt en in een later stadium wordt onderzocht.
Ook zullen een aantal onderdelen die we scoren pas ontwikkeld worden in de TVW van de gemeentes. We hebben toch besloten deze subcriteria mee te nemen en te scoren om een duidelijk overzicht te geven van wat er wel en niet staat in de RES 1.0. De tabel zien wij dan ook als leidraad richting de RES 2.0.
11
Oplossingsrichting
1. Welke oplossingsrichtingen worden genoemd voor de verwarming van de gebouwde omgeving a. Type Warmtenetten i. Welke temperaturen 1. Temperatuur H of M of L 2. Hybride H & M of M & L 3. Cascadering eerst H dan M of L ii. Open/Gesloten iii. Relatie met isolatiegraad en warmteafgifte systeem iv. Kosten van aanpassingen aan de woning b. Warmtebronnen strategie i. Wat is/zijn de baseload warmtebron(nen) (locatie, bedrijf) ii. Wat zijn de kosten van warmte uit deze bron(nen) iii. Is de capaciteit van de bron passend bij de vraag iv. Wat zijn de alternatieven voor deze baseload bron(nen) v. Welke kosten hebben de alternatieven vi. Welke warmtebron levert het piekvermogen, indien de baseload bron hier niet geschikt voor is vii. Tegen welke kosten kan het piekvermogen worden geleverd viii. Welke warmtebron levert backup vermogen indien de baseload bron off-line gaat ix. Tegen welke kosten kan het backup vermogen worden geleverd c. Warmteopslag i. Wat zijn de opslagmogelijkheden (per wijk) ii. Wat zijn de kosten van deze opslagmogelijkheden d. Koeling van gebouwde omgeving e. Specifiek voor Industriele restwarmte uitkoppeling i. Invloed op CO2 emissies bedrijven ii. Invloed op omzet bedrijven iii. Invloed op flexibiliteit bedrijven f. Alternatieven voor warmtenetten i. All-electric ii. Hybride op aardgas en later groen gas of waterstof iii. CV Ketel op groen gas of waterstof g.
Relatie tussen collectieve warmtenetten en individuele oplossingsrichting h. Impact op resterend CO2 budget 2. Welke technisch-inhoudelijke onderzoeken zijn er gedaan naar de verwarming van de gebouwde omgeving a. Techno-economische analyse: welke oplossingsrichting is het goedkoopst b. Continuïteit: welke oplossingsrichting is het meest robuust richting 2050 c. Doorlooptijd: welke oplossingsrichting kan nog voor 2030 worden geeffectueerd d. Risico’s: welke oplossingsrichting geeft voor de stakeholder de minste risico’s 3. Welke vertaling is er al geweest naar de lokale context a. Zijn er criteria voor de vertaling naar de lokale context b. Is er al een vertaling naar wijken of woningen gemaakt 4. Vervolgproces en openstaande vragen a. Is er een duidelijk vervolgproces beschreven i. Is het duidelijk hoe de warmtevisie in RES verder wordt ontwikkeld ii. Wanneer is een kostenanalyse voor de verschillende warmtebronnen en warmtenetten beschikbaar iii. Zijn er concrete plannen betreffende stedelijke verbouwing (isolatie en aanleggen warmtenet) Legenda Voldoende concreet, onderdeel van een strategisch plan Wordt besproken als concept, verdere uitwerking nodig Niet aanwezig
Ieder van de negen rapporten, die betrekking heeft op de RES 1.0 Rotterdam – Den Haag is apart beoordeeld op de vier hoofdcriteria en de diverse sub criteria. Groen betekent dat er een voldoende concreet “puzzelstukje” is beschreven voor een strategisch regionaal warmteplan. De score is geel als het onderwerp wordt besproken maar nauwelijks of geen onderbouwing kent en verdere uitwerking behoeft. En rood als het onderwerp niet wordt besproken.
12
Basisdocument Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag, Generation Energy en APPM management consultants, september 2018
Energiestrategie regio Rotterdam – Den Haag, regionale prioriteiten, Generation Energy en APPM management consultants, juli 2019
Energieperspectief 2050, Energiestrategie regio Rotterdam Den Haag, CE Delft, Generation Energy en APPM management consultants, juli 2019
De concept Energiestrategie Regio Rotterdam – Den Haag deel B, verdieping bij de concept RES, april 2020
Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland, door CE Delft, Quintel Intelligence en TNO, in opdracht van Provincie Zuid-Holland, Stedin en Havenbedrijf Rotterdam, januari 2021 De concept Energiestrategie Regio Rotterdam – Den Haag deel A, april 2020
Warmtetransportleiding Vlaardingen – Den Haag, Milieueffectrapport, Arcadis, februari 2021
Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag, verdieping en verkenning met scenario’s, Royal Haskoning, in opdracht van Invest-NL & EBN, maart 2021
RES 1.0: Rotterdam-Den Haag, 1 april 2021
Totaal
Tabel 2. Scoring van 9 rapporten m.b.t. RES Rotterdam – Den Haag op 4 hoofdcriteria en diverse subcriteria. De hoofdcriteria sluiten aan op de doelstelling van de RES. Kalavasta heeft de vertaalslag gemaakt naar de subcriteria om de scoring te concretiseren.
Dit is een indicatieve inschatting waarbij we een rapport het voordeel van de twijfel hebben gegeven op een criterium en het hokje groen gekleurd als er een vorm van onderbouwing is, zelfs als o.i. de onderbouwing nog wel wat steviger had gemogen. Een uitgebreidere tabel met verwijzing naar paginanummers uit de betreffende documenten ter onderbouwing van de kleurkeuze is bijgevoegd aan deze review. De eerste kolom in de kleurentabel geeft het (sub)criterium, de tweede kolom de totaalscore van alle rapporten. De totaalscore is de hoogste kleur die tenminste één van de rapporten is gevonden. Dus als er 8 rapporten zijn met rood en 1 rapport met groen dan krijgt de totaalkolom voor dat criterium de kleur groen. De derde kolom is de scoring van de RES 1.0 zelf en de verdere kolommen de achtergronddocumenten in volgorde van publicatie. De RES 1.0 voldoet niet aan haar eigen hoofdcriteria7 (derde kolom in de kleurentabel), maar in combinatie met de onderliggende rapporten ontstaat er een positiever beeld (tweede totaalkolom). Met name de “Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland” en het rapport “Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag” dragen hieraan bij. Tevens begrijpen wij dat in het kader van WarmtelinQ project er studies lopen die nog zullen gaan bijdragen in de komende maanden aan de onderbouwing van de RES 1.0.
Nog een verdere invulling kan plaatsvinden zodra de Warmtevisies van de gemeenten bekend zijn. Desalniettemin kan een aantal conclusies uit de tabel worden getrokken. De RES 1.0 kan concreter en transparanter zijn over onderwerpen zoals een kosteninschatting van een warmtenet en de mogelijke alternatieven voor warmtenetten. In de aanloop van de ontwikkeling van de RES 1.0 zijn diverse rapporten verschenen waarbij dit soort kostenanalyses gedaan zijn, maar die komen niet terug in de RES 1.0 zelf. Ondanks dat er wordt benoemd dat een kosten-batenanalyse nadrukkelijk geen onderdeel is van de RES 1.0 omdat er onvoldoende inzicht is in de totale kosten en baten van de energietransitie (p. 65), is het wel belangrijk om deze resultaten te laten zien ter indicatie en om de lezer mee te nemen in de keuze voor een collectief warmtenet of een andere warmtetechniek. Door de 7 sleutelprojecten lijkt het alsof bepaalde keuzes al gemaakt zijn in de ontwikkeling van de regio, terwijl er niet genoeg inzicht is in de relevantie en haalbaarheid van (bepaalde delen van) het warmtenetwerk en of er voldoende alternatieven bestudeerd zijn. Aangezien betaalbaarheid een belangrijk onderdeel is in de afweging van de oplossingsrichtingen, zou je verwachten dat de RES 1.0 een transparante analyse geeft waar de keuze voor een collectief warmtesysteem onderbouwd wordt met een kosten-baten analyse.
Vervolgens kan de regionale kostenanalyse een bijdrage leveren in de ontwikkeling van de TransitieVisie Warmte (TVW) door gemeenten en waar mogelijk draagvlak creëren voor een warmtenet als beste oplossing voor deze regio. Deze analyse ontbreekt echter en de lezer wordt gerefereerd naar de complexe systeemstudies voor een inschatting van de kosten. Het rapport “Collectieve warmtevoorziening regio Rotterdam Den Haag” is het meest concreet over de kosten van een warmtenet, of zoals het in deze studie heet, een Collectieve Warmte Voorziening (CWS). De onrendabele top (ORT) van een collectieve warmtevoorziening wordt in het rapport vergeleken met de ORT van een all-electric oplossing. Het verdient aanbeveling om ook de ORT van een hybride warmtepomp op vergelijkbare wijze uit te rekenen. O.i. zal deze berekening laten zien dat de individuele hybride oplossing een veel lagere ORT zal kennen dan de all-electric oplossing en mogelijk ook dan de CWS oplossing, zie bijlage A. Daarmee kan deze additionele berekening dus leiden tot significant andere conclusies als er gezocht wordt naar de laagst mogelijke 7 Waarbij de hoofdcriteria uit de doelstelling van de RES 1.0 zijn gehaald. Kalavasta heeft een vertaalslag gemaakt van de
hoofdcriteria naar subcriteria om te scoring te concretiseren.
13
maatschappelijke kosten voor deze regio en de snelst mogelijke implementeerbaarheid. Het feit dat in de gehele RES 1.0 de hybride oplossingen nergens worden vermeld vinden wij een ernstige omissie. Warmteopslag wordt benoemd als een van de onderdelen om in de winter de piekbelasting te verlagen en kan daarom een belangrijk onderdeel in een warmtestrategie zijn (zie bijvoorbeeld p. 9 en p. 30 van RES 1.0). In de RES 1.0 is echter geen analyse van de concrete mogelijkheden voor warmteopslag gegeven en een kosteninschatting ontbreekt. Dit onderdeel moet nog onderzocht worden (p. 64), waarbij het onduidelijk is op welke termijn dit noodzakelijk is en wat er precies onderzocht moet worden. Ook is er meer bekend dan in de RES 1.0 wordt gepresenteerd. In de Systeemstudie Zuid-Holland p. 124-125 wordt een eerste aanzet gegeven door op een kaart weer te geven waar warmte kan worden opgeslagen. Deze kaart kan de opzet vormen voor verder onderzoek. De rol voor de industrie is in de RES 1.0 beperkt tot het leveren van restwarmte. Er wordt uitgegaan van een grote potentie restwarmte in het havenindustrieel complex Rotterdam, waarbij het onvoldoende duidelijk is wat de contracteerbaarheid van de bronnen is (p. 101 RES 1.0).
Volgens het ontwerp wetsvoorstel van de Warmtewet 2.0 zal de industrie restwarmte die nu geloosd wordt moeten leveren aan het warmtenet indien het warmtebedrijf daarom vraagt. Het warmtebedrijf voorziet in de bijbehorende kosten voor het uitkoppelen van de restwarmte en haalt zogezegd de restwarmte tegen kostprijs op. Onder de uitkoppelkosten vallen ook de kosten voor de zekerheid van het beschikbaar stellen van de restwarmte en opportuniteitskosten. In de RES 1.0 wordt niet geschreven over het effect van deze regeling op de industrie (langdurige contracten met leveringsgaranties), of deze regelingen voldoende zijn om het gewenste aanbod van restwarmte te verwezenlijken en of de verschillende belangen voor het warmtebedrijf, warmteproducenten en de warmtebedrijven van kleinere distributienetten tot extra risico’s kunnen leiden. In de juridische analyse van Woodwater Legal 8 9 is te lezen dat de industrie waarschijnlijk te weinig geprikkeld zal worden door deze nieuwe wetgeving. Met name de afwezigheid van de juridische grondslag voor een heffing op of verbod van lozing van restwarmte (wel aanwezig in de huidige Warmtewet) en dat er per warmteproducent afspraken gemaakt moeten worden over de uitkoppelkosten zouden het beschikbaar stellen van restwarmte verminderen.
Dit komt met name doordat het warmtebedrijf eerder andere warmtebronnen gaat aanspreken waarbij het duidelijk is welke kosten bij de warmtebron horen. Restwarmte heeft de kans een ‘last resort’ te worden in plaats van een preferente bron (p. 23, Woodwater Legal 6). Verder zouden de uitkoppelkosten niet door het warmtebedrijf, maar door de warmteproducent gedragen moeten worden om het aanbod van restwarmte inzichtelijker te maken. De Warmtewet 2.0 wordt in 2022 van kracht en zal een belangrijke factor worden in hoeveel restwarmte er beschikbaar wordt gesteld door de industrie. In de RES 1.0 is op dit moment geen analyse van een mogelijk laag of hoog aanbod van restwarmte en wat in dat geval de belangrijkste bron van warmte zal zijn in de regio. Aangezien de restwarmte bij de ‘gratie van de industrie’ beschikbaar is (p. 88 Collectieve warmtevoorziening RES Rotterdam-Den Haag), de Warmtewet 2.0 nog in ontwikkeling is en de industrie grote veranderingen gaat doormaken in de periode 2020-2050 zou een dergelijke analyse inzichtelijk zijn in de RES 1.0.
8 Juridische analyse warmtewet 2.0 in opdracht van RES Regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, juli 2020.
9 Analyse wet- en regelgeving in opdracht van RES regio Rotterdam-Den Haag, Woodwater Legal, december 2020.
14
Een van de uitgangspunten in deze review is om aan te sturen op vroegtijdige CO2-reductie. In de tabel is te zien dat er geen uitspraken worden gedaan over de impact op het resterend CO2-budget en dat de doorlooptijd van projecten niet benoemd wordt in de RES 1.0. In de achtergronddocumenten wordt de CO2-reductie aangestipt ter vergelijking van scenario’s en niet expliciet benoemd als een doel op zich. De RES 1.0 is daardoor niet specifiek over welke oplossingen voor 2030 ingevoerd kunnen worden buiten de voltooiing van de 7 sleutelprogramma’s waarbij warmtenetten worden aangelegd (p. 30 RES 1.0). Daarbij is het voor de sleutelprogramma’s nog niet duidelijk of ze financieel haalbaar zijn (het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van WarmtelinQ wordt bijvoorbeeld nu uitgevoerd), wanneer de eerste huizen aangesloten kunnen worden op het warmtenet en op welke manier de warmtenetten in de binnensteden kunnen worden aangelegd. Al met al zullen deze projecten veel tijd kosten en is het de vraag of ze in 2030 gerealiseerd zijn. Verdere analyse van de tabel maakt duidelijk dat een aantal onderwerpen wel benoemd wordt, maar onderbelicht is gebleven in de RES 1.0. Over het algemeen worden deze onderwerpen in meer detail besproken in een achtergronddocument of wordt er verwezen naar aankomende projecten zoals de gemeentelijke TVW.
De onderwerpen cascadering, risico’s en concrete plannen wat betreft het aanleggen van warmtenetten en aanbrengen van isolatie blijven te vaag. Met name het onderwerp isolatie is van belang. In meerdere achtergronddocumenten wordt de noodzaak van isoleren aangestipt en het doel is om zo snel mogelijk naar label C te gaan. In de RES 1.0 wordt niet ingegaan op een concreet plan of doelstelling van het isoleren van de 1.2 miljoen huishoudens10, terwijl het o.i. nuttig zou zijn om de gemeenten hierin te begeleiden en handvatten te geven in de realisatie. Een voorbeeld zou zijn om aan te geven wat de globale kosten zijn voor het isoleren van een woning (mogelijk voor de verschillende energielabels) en een doel te stellen voor het aantal geïsoleerde woningen in 2030. Er ontbreekt dus een strategie, terwijl er wordt aangegeven dat isoleren een van de snelste manieren is om te besparen. Een ander onderwerp dat niet wordt genoemd in de RES 1.0 is het inzetten van hybride (een combinatie van verschillende temperaturen) warmtenetten. In een recente studie van CE-Delft, CMAG en KBnG komt naar voren dat in Den Haag 85%-90% van de basislast ingevuld kan worden met lokale lagere temperatuurbronnen met vergelijkbare aanleg- en onderhoudskosten als een HT warmtenetwerk11.
Het is opvallend dat er wel doelstellingen worden genoemd voor een zo laag mogelijke temperatuurafgifte in de gebouwde omgeving, maar dat het niet concreet is hoe de afbouw in temperatuur in zijn werk gaat en op welke manier de verschillende temperatuurnetten naast elkaar zullen bestaan. Sterker nog, in de Collectieve warmtevoorziening Rotterdam – Den Haag staat vermeld op p. 19-20 dat LT warmtenetten niet worden meegenomen in het onderzoek omdat de aanpassingen in de woningen te ingrijpend zijn en de kosten navenant hoog. Dit beeld wordt versterkt op p. 121 in de Systeemstudie Zuid-Holland waar de LT-warmtenetten vanwege hoge investeringen nauwelijks uit de kostenoptimalisatie van het model CEGOIA naar voren komen als goede opties. De vraag blijft echter of een hybride variant wel genoeg is onderzocht in de achterliggende studies van de RES 1.0 en door een breed draagvlak een realistische optie is. Tot slot wijzen we erop dat de goedkoopst beschikbare warmtebron (industriële hoge temperatuur restwarmte) er ook toe leidt dat lokale warmtebronnen die warmte leveren op een midden of lage temperatuur veelal niet zullen kunnen concurreren.
Dit komt behalve door de lagere prijs voor deze warmte ook doordat de industriële restwarmte gedurende het gehele jaar de basislast levert (namelijk het goedkoopst) en de andere warmtebronnen alleen ingezet zullen worden tijdens de 10 Isolatie is onderdeel van sleutelprogramma 1, maar hierbij is het niet duidelijk wat de concrete stappen zijn in dit
programma.
11 Hybride warmtenetten, CE-Delft, CMAG en KBnG in opdracht van Duurzaam Den Haag, maart 2019.
15
koudere periodes in het jaar (p. 96 RES 1.0, waar te vinden is dat restwarmte bovenaan staat in de warmteladder). Daarmee moeten de kosten voor deze andere warmtebronnen in minder “vollasturen” worden terugverdiend. Het is duidelijk dat de opdrachtgevers van de diverse studies nog niet alle vragen hebben gesteld of hebben kunnen stellen, die noodzakelijk waren om tot een complete en voldoende concrete regionale warmte strategie te komen. De belangrijkste vragen bij een concreet plan namelijk wie, doet wat, wanneer en wat gaat het kosten kunnen maar zeer ten dele worden beantwoord. Hopelijk biedt deze analyse van de 9 rapporten derhalve houvast bij de uitvraag voor nieuwe onderzoeken, zodat de ontbrekende puzzelstukjes kunnen worden gevonden. In het vervolg van deze review zullen we specifiek ingaan op de zeven vragen die de opdrachtgevers van deze studie ons gesteld hebben.
16
E) VRAGEN VAN DE OPDRACHTGEVER 1. Klimaatneutraliteit voor 2050 Vraag van opdrachtgever:
De ambitie van de RES is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. a) De vraag is of dit ambitieus genoeg is om aan het Klimaatakkoord van Parijs en het daaruit volgende resterende CO2-budget te kunnen voldoen, b) ook gelet op de ambitie van het Europees Parlement van 60% CO2-reductie in 2030, de ambitie van de gemeente Den Haag om al in 2030 klimaatneutraal te zijn, en de uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-klimaatzaak, waarin gewezen wordt op het risico van tipping points en van gokken op negatieve emissies.
A) Is de ambitie van de RES voldoende om ‘Parijs’ te halen? De RES 1.0 is een tussenstap. De RES zegt slechts beperkt iets over de haalbaarheid van doelen en dan met name alleen voor het einddoel van klimaatneutraliteit in 2050. De RES gaat uit van de doelen uit het Klimaatakkoord voor 2030 en werkt vanuit een eigen doorkijk naar 2050. Maar de RES is op zich eigenlijk niets meer dan een eerste stap in een variëteit aan transitiepaden, scenario’s en plannen op weg naar 2030, en zegt daarmee niets over de haalbaarheid van doelen in 2050. Toch kunnen we wel iets zeggen over haalbaarheid door te kijken naar de uitgangspunten en de aanpak die de RES kiest. Aan de positieve kant kunnen we constateren dat de RES aangrijpt op de juiste drivers, namelijk de combinatie van het verlagen van het energieverbruik (besparing en isolatie) en het vergroenen van de energie (p. 19). Verder is belangrijk dat de RES kiest voor een verstandige, gefaseerde route met als kenmerken: Stapsgewijs, integraal, in overleg, participatief (p. 65-66). Tenslotte komen relevante aspecten van het energiesysteem in beeld door een focus op betrouwbaarheid, veiligheid en betaalbaarheid (p. 23). Tegelijk zijn er wel enkele aspecten die tot zorg leiden. Er wordt, terecht, veel aandacht gevraagd voor draagvlak en participatie.
Een zorg zou kunnen zijn of de lange tijd die gepaard gaat met het organiseren van draagvlak -vooral ook nodig bij collectieve systemen als warmte met veel nieuwe infrastructuur- niet ten koste gaat van de snelheid die nodig is om de CO2-reductiedoelen te halen. Individuele routes met bijvoorbeeld een hybride warmtepomp kunnen sneller gaan, maar worden niet benoemd in de RES 1.0 . Op dit punt is de haalbaarheid van de beoogde landelijke 49% CO2reductie, met name richting 2030, dus onzeker. Een ander belangrijk aspect is de energie-continuïteit tijdens transitie: Het ontwikkelen en bouwen van het eindbeeld van energietransitie in al haar facetten is al complex genoeg, maar nog complexer wordt het als we ons realiseren dat tijdens verbouwing de winkel open blijft en er dus diverse systemen naast elkaar bestaan (c.q. elkaar in de weg zitten). Dit aspect wordt wel benoemd, maar is niet uitgewerkt en vormt daarmee een risico voor 2030 en later (p. 191). Het geheel overziende concluderen we bij deze vraag:
17
•
• •
Vanuit deze review hebben we op dit moment geen reden om te veronderstellen dat een klimaatneutrale gebouwde omgeving in deze regio in 2050, alhoewel uitdagend, niet mogelijk zal zijn over 30 jaar. De ambitie voor 2030 op weg naar 2050 is voldoende hoog, maar de haalbaarheid van 2030 is niet realistisch op het aspect doorlooptijd. Hogere ambities leiden niet per sé tot versnelling, maar de volgende aandachtspunten kunnen wel snelheid brengen: - advies is om meer aandacht te geven aan individuele routes die sneller CO2-reductie genereren dan collectieve warmtenetwerken, met name op die locaties waar voorlopig geen warmtenetwerk wordt voorzien - verder is het advies om vertraging te voorkomen door meer aandacht te geven aan de continuïteit van het energiesysteem tijdens de verbouwingsfase
B) Geeft deze RES zicht op het eerder halen van klimaatneutraliteit Deze RES 1.0 is niet specifiek over wanneer er iets gaat gebeuren. Er is wel een richting, maar nog geen planning. Wanneer de aanleg van een nieuw warmtenet start, hoe lang de aanleg duurt en wanneer 80% van de huizen aangesloten zijn op het warmtenet staat niet genoemd. Het tempo van besluitvorming en de uitvoerbaarheid van die besluiten en de daarvoor benodigde middelen en mensen maken het o.i. hoogst onwaarschijnlijk dat klimaatneutraliteit in de periode tussen 2030 en 2040 bereikt kan worden voor de gebouwde omgeving. Technisch zou het haalbaar moeten zijn om WarmtelinQ en nieuwe warmtenetten beschikbaar te hebben tussen 2025 en 2030, maar wij vragen ons af of de besluitvorming om over te kunnen gaan tot de aanleg van de warmtenetten in de wijken en het beschikbaar maken van de warmtebronnen in enkele jaren rond kan zijn. Derhalve is het niet ondenkbaar dat tot 2030 het aandeel warmte via warmtenetten in dit gebied slechts langzaam groeit en pas na 2030 sneller gaat groeien. Daarmee lijkt het onwaarschijnlijk dat een snelle of snellere warmtetransitie dan nu wordt nagestreefd mogelijk is gegeven het participatieve proces.
2. Stranded Assets, CO2 vrije restwarmte en verdienmodel industrie Vraag van opdrachtgever:
(a) In dit licht kent een onvoldoende ambitieus klimaatbeleid mogelijk een aanzienlijk risico op stranded assets als dat beleid later alsnog aangescherpt wordt c.q. moet worden. De vraag is of dit risico voldoende onderkend is en hoe daarmee zo nodig omgegaan wordt? (b) In het verlengde hiervan vragen wij ons af in hoeverre het gebruik van fossiele restwarmte als CO2-vrij beschouwd kan worden en/of (c) het verdienmodel van de fossiele industrie verlengt met per saldo extra CO2-uitstoot tot gevolg.
A) De huidige RES 1.0 houdt niet expliciet rekening met stranded assets Bij het kiezen van een warmtestrategie is het belangrijk om zo veel mogelijk opties op te houden omdat niet met zekerheid gezegd kan worden of een keuze op termijn ook de goedkoopste is 18
en/of deze keuze ook de komende 30 jaar of langer beschikbaar is. Dit geldt zowel voor een individuele keuze voor verwarming als voor de collectieve keuze. Bij een individuele keuze is de hybride warmtepomp de techniek die de opties naar de toekomst openhoudt terwijl deze techniek al een aanzienlijke emissiereductie in matig geïsoleerde huizen geeft. Bij verder isoleren van de huizen en eventueel het aanpassen van de warmteafgifte systemen in de loop van de tijd gaat de hybride warmtepomp zich steeds meer als een all-electric oplossing gedragen. Bij het beschikbaar komen van groen gas of waterstof in de wijk is het mogelijk om deze te benutten, bovendien is het een oplossing die ongeveer 15 jaar na investering is afgeschreven en dan kan nog voor 2050 van warmtestrategie worden gewisseld. En deze techniek is in staat om overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen door tijdig over te schakelen op gas. Tevens is het een techniek die meteen vanaf nu kan worden ingezet. Qua infrastructuur dient in dit geval de gasinfrastructuur aanwezig te blijven en de elektriciteitsinfrastructuur in de tijd te worden verzwaard. De kans op stranded assets is dan ook klein bij een “hybride, tenzij….” strategie. Waarbij dat wat volgt op tenzij wordt ingevuld door keuzes van de bewoners die voor hen beter zijn.
Bij de keuze voor een collectieve hoge temperatuur warmtestrategie is de warmte-infrastructuur een gegeven, maar de warmtebronnenstrategie niet. Iedere keer zal moeten worden gekeken naar welke warmtebron het goedkoopst is, in welke mate deze bron bijdraagt aan emissiereductie en welke alternatieven beschikbaar zijn mocht de warmtebron in een van de volgende situaties niet beschikbaar zijn of voldoen: • Bij een piekvraag • Bij het in storing of onderhoud gaan van de warmtebron • Indien de warmtebron op zich verdwijnt doordat bijvoorbeeld een industrie die restwarmte levert op andere productietechnieken overgaat die minder restwarmte leveren of in geval het betrokken bedrijf stopt met zijn activiteiten in het Rotterdamse havengebied Bij een nieuwe collectieve warmtevoorziening dient er een nieuwe infrastructuur te worden aangelegd en omdat het meerdere jaren kost voordat een warmtenet operationeel is, is het onwaarschijnlijk dat er voor 2050 nog een moment is waarop van warmtestrategie kan worden gewisseld zonder stranded assets. Daarmee is gelijk de vraag beantwoord. De keuze voor een collectieve warmtevoorziening verhoogt het risico op stranded assets. Dit risico wordt verder vergroot indien er geen adequate warmtebronnenstrategie is. O.i.
bevat de RES 1.0 nog onvoldoende een concrete warmtebronnen strategie en dus zal deze nog moeten worden ontwikkeld, inclusief de inzet van groen gas, in een volgende fase om het risico op stranded assets zo klein mogelijk te houden. Wat overigens opvalt in de RES 1.0 is dat er geen concrete beschrijving te vinden is, ook niet in de onderliggende documenten, welke industriële site welke hoeveelheid warmte gaat leveren, tegen welke kosten en voor hoe lang. Daarmee kunnen we hetgeen in de RES 1.0 staat beter als een warmtevisie dan een warmtestrategie karakteriseren. Een strategie is tenslotte een (lange termijn) plan waarmee doelstellingen kunnen worden gerealiseerd en een visie een inspirerend toekomstbeeld.
B) Industriële restwarmte per definitie CO2 neutraal ongeacht met welke energiedrager het is gemaakt In het volgende baseren wij ons op de huidige EU ETS en Nederlandse regelgeving op dit gebied. De directe of scope 1 emissies van een industriële site worden gemeten op basis van wat er aan 19
aardgas, steenkool en aardolie op een site binnenkomt en vervolgens op die site wordt verbrand en waarvan verondersteld wordt dat deze emissies via een schoorsteen de site weer verlaten. Daarmee worden alle directe emissies van die site dus al geteld. Indien er industriële restwarmte wordt uitgekoppeld dan is de CO2 al geteld en dus wordt de industriële restwarmte zelf, ongeacht waarmee het is geproduceerd, geadministreerd als CO2 neutraal. Wij hebben momenteel geen reden om te veronderstellen dat dit binnenkort anders gaat worden in het Europese CO2 handelssysteem (ETS). Wel krijgt de industrie vrije allocatie van CO2 rechten door de inzet van restwarmte in de gebouwde omgeving (zie hieronder bij C). In deze zin krijgt de fossiele industrie compensatie vanuit het ETS terwijl het effectief geen besparing levert in de eigen productieprocessen. Men kan zich afvragen of deze compensatie te rechtvaardigen is omdat er op de site niet minder CO2 wordt uitgestoten en deze vorm van fossiele restwarmtelevering niet meer mogelijk is in 2050. Op dit moment zijn de afspraken voor 5 jaar vastgelegd en daarna zullen de huidige allocatieprocessen opnieuw worden ingeschaald. Het kan daarom zijn dat in de nieuwe afspraken deze gealloceerde CO2 rechten voor uitgekoppelde restwarmte t.b.v. stadsverwarming minder zullen worden.