2048913 College van B en W - manifest Opvoeden en opgroeien in Delft
Tekst van het document
Samenleving Advies
+ ht Vve
Gemeente Delft
bezoekadres: Stationsplein 1 2611 BV Delft IBAN NL21 BNGH 0285 0017 87 t.n.v. gemeente Delft Internet www.delft.nl Telefoon 14015
Retouradres. Postbus 78, 2600 ME Delft
De gemeenteraad van Delft
VERZONDEN 2 7 NOV AA Datum
Onderwerp
24-11-2020
Manifest Opvoeden en opgroeien in Delft
Ons kenmerk
4414858 Uw brief van Uw kenmerk Bijlage
Geachte leden van de raad, Hierbij bieden wij u het manifest 'Opvoeden en opgroeien in Delft: uitgangspunten voor de duurzame inrichting van het stelse/' ter kennisname aan. In het kader van het visietraject jeugd(preventie) bent u op 23 januari ji. in de raadscommissie Sociaal Domein en Wonen hierover geïnformeerd en in navolging daarop schriftelijk (raadsinformatiebrief visietraject jeugdpreventie, kenmerk: 4207957, 19 maart 2020). Het manifest komt van de hand van dr. Rob Gilsing, lector 'Jeugdhulp in transformatie' van De Haagse Hogeschool. Aan de totstandkoming hebben vele partners in de stad met enthousiasme meegewerkt. De inhoud is gebaseerd op 25 interviews, 5 focusgroepen en een bestuurlijke bijeenkomst. In elke stap van het visietraject zijn maatschappelijke partners betrokken, waaronder ervaringsdeskundigen en leden van de Adviesraad Sociaal Domein. Uw inbreng tijdens de beeldvormende raadsbijeenkomst op 23 aprii ji. maakt hier ook onderdeel vanuit. Over de inhoud van het manifest als onderlegger voor alle beleidsontwikkelingen rond opvoeden en opgroeien in Delft, is brede waardering en draagvlak uitgesproken door onze maatschappelijke partners. Op donderdag 3 december wordt dit met de betrokken partners symbolisch bekrachtigd in een digitale tekensessie.
Het beleidskader Jeugd(preventie) verrijken we met de opbrengsten uit het visietraject en bieden wij u in het eerste kwartaal 2021 ter vaststelling aan. Hoogachtend, het college van burgemeester en wethouders van Delft,
, burgemeester
drs. H.H. van der Woude I.b. , secretaris
£::;~=---~dr. M. Berger, l.s.
Manifest
Opvoeden en opgroeien in Delft
Over dit manifest De gemeente Delft presenteert met dit manifest een nieuwe, richtinggevende visie op het bieden van ondersteuning bij opvoeden en opgroeien. Dat doet zij samen met maatschappelijke partners die zijn betrokken bij het opvoeden en opgroeien van de Delftse jeugd. Deze visie vormt de basis voor een duurzame werkwijze, waarin gemeente en maatschappelijke organisaties zich vooral opstellen als partners van ouders en jeugdigen. Dit manifest roept alle partners op om te werken volgens de elf uitgangspunten en daarvoor ook de ruimte te bieden in de praktijk. Het zijn uiteindelijk de professionals op de werkvloer van de organisaties die ermee aan de slag moeten gaan. De partners moeten hun professionals hierin faciliteren, ruimte geven om te innoveren en om samen te werken met professionals van andere organisaties. De gemeente Delft en haar maatschappelijke partners verbinden zich in dit manifest aan deze uitgangspunten en delen de oproep. Wij gaan doen wat hiervoor nodig is, altijd vanuit de belangen van jeugdigen. Wij doen dat met lef en creëren en pakken de ruimte daarvoor. Wij houden elkaar scherp. Ieder doet wat nodig is en zoekt daarbij de grenzen van de eigen mogelijk heden op. Met elkaar houden wij in de gaten of we op de goede weg zitten. Veel partners in de stad hebben met enthousiasme meegewerkt aan dit manifest.
Ook andere partijen zijn van harte welkom om zich hierbij aan te sluiten.
2
3
Manifest Opvoeden en opgroeien in Delft Delft is een middelgrote gemeente in Nederland, die op 1 januari 2020 103.601 inwoners telde, samenlevend in 58.742 huishoudens, en met 15.315 jeugdigen van 0 -18 jaar. Het aantal 0 -18-jarigen was de laatste jaren min of meer stabiel, terwijl de studentenpopulatie toenam. Delft kan gekenmerkt worden als een ‘kleinere’ stad met ‘grootstedelijke’ problematiek. Zo maken bovengemiddeld veel jeugdigen deel uit van een eenoudergezin en komt armoede relatief veel voor vergeleken met andere steden van vergelijkbare grootte. Ambities Gemeenten hebben sinds 2015 een bijzondere verantwoordelijkheid in het sociaal domein. Zoals veel andere gemeenten had de gemeente Delft de sterke ambitie om jeugdigen en hun ouders beter te ondersteunen bij het opgroeien en opvoeden. Deze waren vooral gebaseerd op de veronderstellingen van de Jeugdwet dat het transformeren van de jeugdhulp op termijn zou leiden tot een geringer beroep op jeugdhulp. Bovendien zouden lichtere vormen van jeugdhulp geleidelijk deels zwaardere vormen van jeugdhulp vervangen. 4
Helaas zijn deze ambities tot nu toe nog niet waargemaakt. Integendeel, net als elders in het land is het gebruik van jeugdhulp in Delft de afgelopen jaren gestegen. Mede hierdoor staat de duurzaamheid van het stelsel onder druk. Dat was de aanleiding voor de gemeente Delft om samen met maatschappelijke partners een nieuwe visie te ontwikkelen op het ondersteunen bij opvoeden en opgroeien. Die visie vormt de basis voor een duurzame werkwijze.
Formuleren van de visie De gemeente heeft De Haagse Hogeschool gevraagd om een traject uit te voeren waarin de gemeente en maatschappelijke partners, waaronder ervaringsdeskundigen, samen de uitgangspunten voor de visie hebben geformuleerd. Dit manifest is daarvan het resultaat. Het lectoraat ‘Jeugdhulp in transformatie’ van De Haagse Hogeschool heeft het manifest opgesteld, in samenwerking met het lectoraat 'Public governance'. De tekst van dit manifest is in belangrijke mate het resultaat van de 25 interviews die de onderzoekers in totaal met 54 personen hebben gevoerd. Daarnaast hebben zij vijf focusgroepgesprekken georganiseerd, waarin thema’s aan bod kwamen die verdieping behoefden. Tussentijds is ook de gemeenteraad van Delft betrokken. Op basis hiervan heeft De Haagse Hogeschool het manifest opgesteld. Het is in concept besproken in een bijeenkomst met bestuurders van de gemeente en maat schappelijke partners. Daarna is de definitieve tekst opgesteld. Wat opviel was de grote betrokkenheid van de geïnterviewden
en de deelnemers aan de focusgroepen. Zo goed als alle benaderde personen en organisaties wilden meewerken. Dat zegt iets over de Delftse bereidheid tot samenwerking.
Over de uitgangspunten De elf Delftse uitgangspunten bieden beslist geen volledig nieuwe inzichten – noch landelijk, noch in Delft zelf. De rechten van het kind zoals geformuleerd in het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind liggen ten grondslag aan deze uitgangspunten. Bovendien bouwen de uitgangspunten voort op wettelijke kaders als de Jeugdwet en professionele codes en richtlijnen, zoals de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze blijven natuurlijk onverminderd van toepassing. In Delft werken we ook voor een deel al volgens de elf uitgangspunten. Toch willen we met deze uitgangspunten richting geven aan een nieuwe, duurzame en samenhangende werkwijze, waarin gemeente en maatschappelijke organisaties zich vooral opstellen als partners van ouders en jeugdigen.
Leeswijzer In dit manifest formuleren we de elf Delftse uitgangspunten. Eerst presenteren we ze met een korte uitleg. Daarna belichten we elk uitgangspunt en geven we aan wat de gevolgen zijn voor de praktijk. Daarbij gaan we in op de relevante partners voor het uitgangspunt en op de consequenties voor de rol en de houding van professionals. De uitgangspunten hangen vanzelfsprekend nauw met elkaar samen en overlappen soms gedeeltelijk.
Toelichting gebruikte termen • In het manifest gebruiken we regelmatig de term ‘basisvoorzieningen in de pedagogische civil society’. Dat zijn voorzieningen die mede-opvoeder zijn van jeugdigen: scholen, kinderopvang, vve-voorzieningen en jeugd- en jongerenwerk. Voorzieningen die open staan voor alle jeugdigen en niet zorg of hulp als oogmerk hebben. Deze basisvoorzieningen vormen samen met informele verbanden en vrijetijds- en levensbeschouwelijke organisaties de pedagogische civil society. • Als we spreken over onderwijs, dan doelen we daarmee op onderwijs in brede zin, inclusief passend onderwijs en samenwerkingsverbanden. • Bij kinderopvang doelen we op zowel kinderdagverblijven (ook voor peuters van ouders die strikt genomen geen opvang nodig hebben) als buitenschoolse opvang. • Als we het hebben over alle jeugd, gebruiken we de term jeugdigen. Voor jeugd in de basisschoolleeftijd (grofweg tot en met 12 jaar) gebruiken we ‘kinderen’ en voor oudere jeugd (van 12 tot 18 jaar) ‘jongeren’. Als we het hebben over jeugdigen in relatie tot hun ouders, spreken we ook van kinderen. • Vanwege de leesbaarheid spreken we in dit manifest van ‘ouders’ waar we ‘ouders/ verzorgers’ bedoelen.
Oproep aan partners Dit manifest roept alle partners op om te gaan werken volgens de elf uitgangspunten en daarvoor ook de ruimte te bieden. Het zijn uiteindelijk de professionals op de werkvloer van uiteenlopende organisaties die handen en voeten geven aan de uitvoering ervan. De partners moeten hun professionals hierin faciliteren, ruimte geven om te innoveren en om samen te werken met professionals van andere organisaties. 5
alledaagse vragen, zorgen en problemen rond opvoeden en opgroeien. Verwijzers en andere professionals in de sector handelen actief vanuit dat perspectief.
De 11 uitgangspunten Onze basis: jeugdigen ontwikkelen zich zoals past bij hun leeftijd, ouders zijn als eerste verantwoordelijk en niet alles is een probleem. 1
Wij bevorderen dat jeugdigen zich leeftijds adequaat ontwikkelen, in goede fysieke en mentale gezondheid. Daarbij besteden we nadrukkelijk aandacht aan de ontwikkeling van talent en veerkracht. We luisteren actief naar jeugdigen zelf. 2
De uitgangspunten staan bewust in deze volgorde. 1
2
3
De punten 1 tot en met 3 schetsen de basis van onze visie op opgroeien en opvoeden.
6
4
5
6
7
De punten 4 tot en met 7 vormen de ankerpunten voor het bieden van ondersteuning bij het alledaagse opvoeden en opgroeien.
8
9
10 11
De punten 8 tot en met 11 zijn belangrijke principes die gelden wanneer gezinnen en/ of jeugdigen meer ondersteuning nodig hebben.
Wij zien ouders als de eerstverantwoordelijken voor het bevorderen van een leeftijdsadequate, gezonde ontwikkeling bij hun kinderen en het stimuleren van talenten en veerkracht. Ouders doen waar mogelijk een beroep op hun sociale netwerk. Ook de basisvoorzieningen in de pedagogische civil society hebben de belangrijke taak om daaraan bij te dragen. 3
We zijn het erover eens dat we niet elke kwets baarheid of moeilijkheid moeten problematiseren of voorzien van een label. Wij gaan ervan uit dat ouders en jeugdigen veel zelf kunnen. Zij kunnen samen met mensen in hun omgeving oplossingen vinden voor alledaagse problemen. Professionals, vrijwilligers, ouders en jeugdigen zien het belang van het normaliseren van
Onze aanpak: positief, preventief, laagdrempelige ondersteuning en vroegtijdige signalering. 4
We benutten de kracht van preventie. Voorzieningen die voor alle Delftenaren beschikbaar zijn, versterken de veerkracht van jeugdigen en ouders. Daarnaast zorgen we voor een gericht preventief aanbod voor jeugdigen en ouders die specifieke problemen hebben of risico’s lopen, op verschillende leefgebieden. 5
We zorgen voor een laagdrempelig, toegankelijk aanbod van opvoed- en opgroeiondersteuning. We bieden plekken waar ouders en jeugdigen met kleine vragen en zorgen terechtkunnen. 6
We vinden het belangrijk om opvoed- en opgroeiproblemen en -risico’s vroeg te signaleren. We zetten ondersteuning in na vroegtijdige signalering. Daarmee voorkomen we dat problemen en risico’s in een latere fase escaleren. Professionals van basisvoorzieningen in de pedagogische civil society gaan met ouders in gesprek over hulp en ondersteuning die niet alleen gericht is op problemen en risico's, maar ook op het bieden van perspectief en het voortbouwen op aanwezige kansen, talenten en veerkracht. Daarbij houden we het uitgangspunt van normaliseren (3) nadrukkelijk in het oog.
7
Ons uitgangspunt is het ‘goed genoeg’-principe. Dat geldt zowel bij het verlenen van lichte hulp als bij het toewijzen van meer specialistische hulp. Ouders en jeugdigen hebben een belangrijke stem in het bepalen wanneer in hun situatie sprake is van goed genoeg. Ook bepalen zij mee wat er eventueel voor nodig is om dat te realiseren.
Als specialistische hulp nodig is, zorgen we ervoor dat deze passend is en op het juiste moment geboden wordt. We bieden zo snel als nodig hulp die is afgestemd op de problemen of risico’s van de ouders en/of jeugdigen. Dat geldt ook als hulp van buiten het jeugddomein nodig is. Uiteraard gelden ook hier de uitgangspunten normaliseren (3) en ‘goed genoeg’ (7).
Onze professionals: systeemgericht, passende hulp, interprofessioneel samenwerken.
10 Wanneer we signaleren dat de ontwikkeling en/of veiligheid van jeugdigen wordt bedreigd, zorgen we voor een zorgvuldige taxatie van signalen en risico’s. Als de signalen blijken te kloppen, en als ouders en professionals vanuit de basisvoorzieningen in de pedagogische civil society deze bedreigingen niet kunnen wegnemen, bieden we ondersteuning. Dat doen we bij voorkeur met instemming van ouders, maar indien nodig in het gedwongen kader.
8
We willen dat professionals vanuit een systeem gerichte blik werken. Dat geldt voor mensen die problemen en risico’s signaleren én voor de professionals die de melding hierover ontvangen. Naast het gezin heeft ook de bredere omgeving invloed op de ontwikkeling van jeugdigen. Wanneer we problemen en risico’s bij het opgroeien en opvoeden signaleren of verhelpen, moeten we ook het systeem om de jeugdige heen goed bekijken. Daarmee voorkomen we dat we de oorzaken van problemen en de mogelijke oplossingen alleen bij de jeugdige zoeken. En zo brengen we de beschermende factoren en sterke kanten van de jeugdige en het systeem direct in beeld. Als we met een systeemgerichte blik kijken, kunnen we sneller passende hulp verlenen.
9
11 We erkennen dat bij het opvoeden en opgroeien van de Delftse jeugd veel partners betrokken zijn – ieder vanuit een eigen rol en verantwoordelijkheid. Hun onderlinge samenwerking is cruciaal voor een goede ondersteuning. Daarom versterken we de samenwerking tussen professionals, onder meer door kennismaking en uitwisseling te faciliteren. Verschillende professionele invalshoeken komen in de samenwerking tot hun recht. Het resultaat van de samenwerking is daardoor meer dan de som der delen.
7
Onze basis: jeugdigen ontwikkelen zich zoals past bij hun leeftijd, ouders zijn als eerste verantwoordelijk en niet alles is een probleem.
1
Wij bevorderen dat jeugdigen zich leeftijdsadequaat ontwikkelen, in goede fysieke en mentale gezondheid.
Daarbij besteden we nadrukkelijk aandacht aan de ontwikkeling van talent en veerkracht. We luisteren actief naar jeugdigen zelf. Toelichting In Delft bevorderen wij dat jeugdigen zich kunnen ontwikkelen in goede fysieke en mentale gezondheid. Hierbij hebben we aandacht voor hun cognitieve ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, identiteitsontwikkeling, fysieke gezondheid, psychosociaal welbevinden en de ontwikkeling van autonomie. De ontwikkeling van jeugdigen vindt plaats in verschillende fases, van baby tot tiener en (jong)volwassene, met daarbij verschillende ontwikkelingsdoelen en bijbehorende opvoedopgaven (zie tabel 1). Vanuit een positieve benadering richten wij ons daarbij op beschermende factoren in het opgroeien van jeugdigen. Leidend is de top 10 van beschermende factoren, zoals het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft ontwikkeld (zie tabel 2). Daarom besteden wij in Delft veel aandacht aan de ontwikkeling van talent en veerkracht.1 Iedere jeugdige is uniek en jeugdigen verschillen in de mogelijkheden die zij hebben in hun ontwikkeling. Wat leeftijdsadequaat is, bepalen we daarom per individu, waarbij we breed kijken naar zijn/haar ontwikkeling. Jeugdigen hebben zelf een belangrijke stem wanneer er vragen of zorgen zijn over hen.
We hechten belang aan zijn/haar mening in overeenstemming met zijn/haar leeftijd en rijpheid 1 Veerkracht zien we als het vermogen van een jeugdige om om te gaan met situaties in de omgeving, met tegenslag, teleurstelling en verlies. Ontleend aan NCJ.
8
(art.12 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind). Zij kunnen zelf een beroep doen op ondersteuning of hulp. In voorzieningen voor jeugdhulp betekent dit bijvoorbeeld dat jeugdigen betrokken worden bij de vraagverheldering, de probleem- en krachtenanalyse, het opstellen van doelen en het beslissen over de juiste hulp. Uiteraard hoeven zij hun stem niet
te laten horen, maar zij moeten wel altijd de mogelijkheid krijgen. Het is voor jeugdigen duidelijk waar en bij wie ze veilig terechtkunnen met vragen en zorgen. We betrekken hun ouders niet zonder overleg. Het is voor jeugdigen ook duidelijk waar zij met bezwaren of klachten terechtkunnen.
Tabel 1. Overzicht van ontwikkelings- en opvoedingsopgaven en ‘normale problemen’
Leeftijd
Belangrijkste milieus
Ontwikkelingsopgaven
Opvoedingsopgaven
‘Normale’ problemen
-9 maanden2 jaar
Gezin Geboortezorg Kinderopvang
Fysiologische zelfregulatie; veilige gehechtheid; autonomie en individuatie
Bevorderen gezonde zwangerschap; soepele verzorging; sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; letterlijk beschikbaar zijn; structuur bieden; ruimte geven voor exploratie
Voedingsproblemen; slaapproblemen; scheidingsangst; angst voor vreemden, donkerte, geluiden en onbekende situaties; incidenteel huilen
2-4 jaar
Gezin Kinderopvang
Representationale vaardigheden (zoals taal); constructieve omgang met leeftijdsgenootjes; internaliseren van eisen (socialisatie); sekserol-identificatie
Sensitief voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven); omgaan met ambiguïteit van het kind (respect voor autonomie én grenzen stellen)
Angst voor vreemden, donkerte, geluiden en onbekende situaties; koppigheid; driftbuien; agressie; ongehoorzaamheid; druk gedrag; angst in samenhang met sekse-rol en identiteit; niet zindelijk zijn
4-12 jaar
Gezin Kinderopvang School Verenigingen Peergroep
Schoolvaardigheden; acceptatie door leeftijdgenoten
Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; waardering voor schoolprestaties; ‘democratische’ opvoedingsstijl
Ruzies; concentratieproblemen; laag prestatieniveau; niet naar school willen; gepest worden; incidenteel stelen of vandalisme; ritualistisch gedrag
12-18 jaar
Gezin School Verenigingen Peergroep Internetgroep Werkkring
Emotionele en praktische zelfstandigheid; omgaan met eigen en andere sekse; ontwikkeling van waardesysteem: persoonlijke identiteit, school, beroep en samenleving
Emotionele beschikbaarheid; tolerantie voor experimenten; leeftijdsadequate structuur bieden en grenzen stellen; voorbeeldfunctie vervullen; meer symmetrische relatie met jongere aangaan
Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met uiterlijk; problemen met autoriteit; incidenteel spijbelen
Bron: NJi (2013). De ontwikkeling van kinderen. Geraadpleegd via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/De-ontwikkeling-van-kinderen.pdf 9
Betrokken partners
Rol en houding professionals
Basisvoorzieningen in de pedagogische civil society hebben een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij stimuleren vanuit hun expertise de ontwikkeling en talenten van jeugdigen. Daarbij houden zij zich aan de geldende richtlijnen en best practices binnen hun vakgebied. Bovendien zorgen zij voor voldoende gekwalificeerde en geschoolde professionals die hun verantwoordelijkheid nemen om de ontwikkeling van jeugdigen te stimuleren.
Wanneer professionals jeugdigen ondersteunen bij hun ontwikkeling, van preventie tot aan (intensieve) jeugdhulp, zijn zij vaak gericht op problemen. Maar om deze problemen aan te pakken, moeten professionals juist ook kijken naar de krachten, talenten en veerkracht van de jeugdigen en gezinnen. Professionals hebben de vaardigheden om in gesprekken bij de jeugdige aan te
sluiten, hem/haar van voldoende informatie te voorzien en serieus te nemen. Professionals maken jeugdigen duidelijk wat zij doen met hun eigen inbreng. Jeugdigen moeten, los van hun ouders, ook toegang hebben tot voorlichting en informatie voorzieningen over hulp, vertrouwenspersonen en regelingen. Die informatie kan bijvoorbeeld beschikbaar zijn op scholen, vrijetijdsverenigingen, werk of bij huisartsen.
Tabel 2. Top 10 beschermende factoren
Partners in het Delftse stelsel voor opgroeien en opvoeden Top 10 beschermende factoren bevorderen de gezonde en leeftijdsadequate ontwikkeling 1. Sociale binding: het gaat om de emotionele band en commitment die een jeugdige heeft met sociale relaties in het gezin, van jeugdigen primair vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkzijn vriendengroep, school en wijk. heid, maar altijd met oog voor de jeugdige in zijn geheel. 2. Kansen voor betrokkenheid: jeugdigen moeten kansen krijgen om een concrete, betekenisvolle en gewaardeerde bijdrage Belangrijke partners: te leveren aan verbanden waarvan zij deel uitmaken (familie, school, gemeenschap). • De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) adviseert en begeleidt kinderen 3. Prosociale normen: voor een gezonde ontwikkeling van jeugdigen is het nodig dat zij opgroeien in een omgeving waarin en jongeren bij het opgroeien en verleent preventieve (medische) duidelijke normen en waarden voor positief gedrag uitgedragen en nageleefd worden. zorg. Zij richt zich op alle aspecten van het opgroeien. De JGZ 4. Erkenning en waardering voor positief gedrag: om hun sociale gedrag te versterken is van groot belang dat jeugdigen speelt zeker in de eerste jaren een belangrijke rol rondom de erkenning en waardering krijgen voor positief gedrag. fysieke gezondheid, maar ook rond hechting en ouderschap. 5.
Steun van belangrijke volwassenen en voorzieningen in de omgeving: steun van ouders en andere volwassenen in de • Het primair en voortgezet onderwijs, de voor- en vroegschoolse omgeving van jeugdigen, zoals pedagogische medewerkers in de kinderopvang, leerkrachten en volwassenen in de buurt, educatie (vve) en de kinderopvang hebben naast hun kerntaken is van belang voor het welbevinden en voorspoedige ontwikkeling van jeugdigen. aandacht voor gezondheid (o.a. beweging en gezonde voeding), 6. Constructieve tijdsbesteding: het gaat hierbij om de kansen die jeugdigen geboden worden vanuit het gezin en de de sociaal-emotionele ontwikkeling (o.a. sociale vaardigheden en gemeenschap om in hun vrije tijd deel te kunnen nemen aan bijvoorbeeld creatieve activiteiten (muziek, theater) en pesten), de identiteitsontwikkeling (o.a. maatschappelijke jeugdprogramma’s (zoals sport, clubs of verenigingen). normen en waarden) en de ontwikkeling van autonomie van 7. Competenties: het gaat om sociale competenties, emotionele competenties en gedragsmatige competenties. jeugdigen. Bovendien dragen zij mede zorg voor het psycho 8. Cognitieve vaardigheden: er kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene en specifieke cognitieve vaardigheden. sociaal welbevinden van jeugdigen (o.a. door zicht te houden 9.
Schoolmotivatie: hierbij gaat het om een combinatie van persoonlijke overtuigingen, waarden en vaardigheden waarvan op de prestatiedruk die jeugdigen ervaren). is aangetoond dat ze samenhangen met schoolsucces. • Ook recreatieve (o.a. sport en cultuur), levensbeschouwelijke en 10. Positieve identiteit: het gaat hier om hoe jongeren zichzelf zien in relatie tot de toekomst, eigenwaarde en gevoel van welzijnsorganisaties maken deel uit van de natuurlijke omgeving persoonlijke effectiviteit. waarin jeugdigen opgroeien. Zij leveren van daaruit een positieve bijdrage aan de gezonde ontwikkeling van jeugdigen. Voor Bron: Nederlands Jeugdinstituut (2018). Top tien beschermende factoren. Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: NJi. jongeren speelt het jongerenwerk hierin een specifieke rol.
2
Wij zien ouders als de eerstverantwoordelijken voor het bevorderen van een leeftijdsadequate, gezonde ontwikkeling bij hun kinderen en het stimuleren van talenten en veerkracht.
Ouders doen waar mogelijk een beroep op hun sociale netwerk. Ook de basisvoorzieningen in de pedagogische civil society hebben de belangrijke taak om daaraan bij te dragen. Toelichting2 Ouders hebben de verantwoordelijkheid om ondersteuning of hulp in te schakelen wanneer de ontwikkeling van hun kinderen niet voorspoedig verloopt. Daarbij zijn ze zich ervan bewust dat niet elke kwetsbaarheid of moeilijkheid ook direct een probleem is (3e uitgangspunt). Wanneer jeugdhulp nodig blijkt om de ontwikkeling van jeugdigen te bevorderen, hebben ouders de regie over deze hulp. Zij worden nauw betrokken bij alle stappen van de hulpverlening. Dit draagt bij aan het duurzaam versterken van het opvoeden. De vragen en problemen die ouders hebben, brengen professionals gezamenlijk met de ouders in kaart, net als de krachten die in het gezin aanwezig zijn. Ouders stellen samen met professionals de doelen voor de hulpverlening en kiezen de meest passende aanpak om deze doelen te behalen. Alleen in uiterste gevallen nemen we de regie over van ouders. Met de bedoeling dat dit tijdelijk is en we de regie teruggeven zodra het verantwoord is (zie uitgangspunt 10).
2 Mede gebaseerd op de Richtlijn Samen met ouders en jeugdigen beslissen over passende hulp en General Comment no. 12 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
10
Waar mogelijk krijgen ouders bij het opvoeden ondersteuning van hun sociale netwerk. Familie, vrienden en buren kunnen een belangrijke bron van informatie en steun zijn voor ouders en bijdragen aan de ontwikkeling van jeugdigen. Het is van belang dat ouders goed geïnformeerd zijn, onder andere over het recht om hun mening te geven, de invloed die zij kunnen uitoefenen, en de mogelijkheden die zij hebben om hun stem te laten horen. Ook moeten ouders de mogelijkheid hebben om in verweer te komen tegen een beslissing. Klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures moeten beschikbaar zijn als ouders vinden dat zij onvoldoende gelegenheid kregen om hun mening te geven of als zij vinden dat deze onvoldoende is meegewogen.
Rol en houding professionals Alle professionals in het Delftse stelsel voor opgroeien en opvoeden erkennen de regie van ouders over de ontwikkeling en opvoeding van hun kinderen. Zij helpen waar nodig ouders om deze regie te nemen. Zij staan naast ouders en werken vanuit een gelijkwaardigheidsprincipe, gericht op het leren door ouders én op zelf leren. Goed luisteren en inleven in de positie van ouders en jeugdigen zijn belangrijk om echt van betekenis te zijn. Maatwerk bieden en vraag- en oplossingsgericht denken en werken staan centraal. Bij ondersteuningsvragen van ouders en jeugdigen kunnen professionals het gesprek aangaan over de mogelijkheden van het sociale netwerk en deze waar mogelijk benutten.
Betrokken partners Ouders kunnen pas verantwoordelijkheid nemen als zij voldoende opvoedvaardigheden hebben én als in hun leefomgeving de basis op orde is. Dat wil zeggen dat jeugdigen in een huis wonen en dat ouders de basiszorg voor hun kinderen kunnen geven (o.a. eten, kleding en fysieke verzorging). Van ouders verwachten wij dat zij hun kinderen in een veilige en liefdevolle omgeving opvoeden. De opvoedvaardigheden van ouders om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren zijn onder andere gericht op aanmoediging, erkenning, ondersteuning, stabiliteit, structuur en grenzen. Ook bij ouders bevorderen wij veerkracht, zodat zij zo veel mogelijk zelf met de uitdagingen als opvoeder kunnen omgaan. 11
3
We zijn het erover eens dat we niet elke kwetsbaarheid of moeilijkheid moeten problematiseren of voorzien van een label.
Wij gaan ervan uit dat ouders en jeugdigen veel zelf kunnen. Zij kunnen samen met mensen in hun omgeving oplossingen vinden voor alledaagse problemen. Professionals, vrijwilligers en ouders en jeugdigen zien het belang van het normaliseren van alledaagse vragen, zorgen en problemen rond opvoeden en opgroeien. Verwijzers en andere professionals in de sector handelen actief vanuit dat perspectief. Toelichting Opgroeien en opvoeden gaat met vallen en opstaan. Het gaat niet altijd vanzelf. Ouders en jeugdigen stuiten op kwetsbaarheden en moeilijkheden en er zijn incidenten. Jeugdigen volgen een eigen pad in hun ontwikkeling en kunnen daarbij afwijken van de gemiddelde ontwikkeling. Soms zover dat ze buiten de ‘marges van het gemiddelde’ vallen. Dat hoeft niet altijd problematisch te zijn, niet elke afwijking van ‘de norm’ is een probleem – al is het maar omdat die norm bepaald wordt door milieu en cultuur. We vertrouwen op de kracht van ouders, jeugdigen en hun netwerk. We zijn het erover eens dat niet elke kwetsbaarheid of moeilijkheid, niet elk incident, niet elke afwijking van het gemiddelde een probleem is of moet worden voorzien van een label of diagnose. Terughoudendheid met testen past in het streven om te normaliseren en niet te problematiseren. 12
Jeugdigen en opvoeders hebben bovendien het recht om fouten te maken. We tolereren dat fouten en leed horen bij het leven en dat we niet elk risico kunnen uitbannen tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de opvoeding en het opgroeien van hun kinderen. We willen dit besef onder ouders versterken. Maar ook onder professionals die met jeugd en ouders werken. We vergroten de acceptatie van meer alledaagse kwetsbaarheden en moeilijkheden, van incidenten en van afwijkingen van het gemiddelde, zowel bij ouders en jeugdigen als bij vrijwilligers en professionals. Alledaagse vragen over opvoeden en opgroeien kunnen meestal opgelost worden als de omgeving positieve aandacht heeft voor de vragenstellers. Professionele hulpverlening is dan in veruit de meeste gevallen onnodig. Dat vereist dat het makkelijker en meer vanzelfsprekend wordt om kwetsbaarheden en problemen te bespreken, bijvoorbeeld door zo’n gesprek met alle jeugdigen te voeren, in plaats van alleen met de kwetsbaren. Ook belangrijk is het besef dat ondersteuning primair thuis plaatsvindt, door ouders zelf, en aanvullend door de reguliere basisvoorzieningen zoals onderwijs. Het beroep op de inzet van individuele ondersteuning wordt daarmee eerder overbodig. Die lichte ondersteuning voor ouders, maar ook voor kinderen en jongeren is heel belangrijk.
Cruciaal is verder dat jeugdigen zich veilig voelen, niet gestigmatiseerd worden en niet het gevoel hebben dat we hun ouders direct en zonder overleg betrekken. Voorlichting en informatievoorziening over hulp, vertrouwenspersonen en regelingen moeten we ook aan jeugdigen, los van hun ouders, aanbieden.
We waken ervoor dat normaliseren wordt opgevat als het negeren van vragen van jeugdigen en ouders, omdat er niet echt sprake lijkt te zijn van een probleem. Ook dan gaat het om luisteren, begrip tonen en aangeven hoe jeugdigen en ouders met deze alledaagse zorgen kunnen omgaan. Daarbij houden we altijd oog voor de verhouding tussen draagkracht en draaglast bij ouders en jeugdigen.
Rol en houding professionals Professionals gaan het denken over normaliseren en het werken vanuit dat uitgangspunt actief uitdragen. Het gaat dan met name om huisartsen, leerkrachten, professionals in de opvang, welzijnswerkers en de medewerkers van Delft Support. Welke problematiek hoort bij welke ontwikkelingsfase? Zie ook het overzicht in tabel 1. Wat kun je laten gaan, wanneer is ondersteunen of verwijzen naar preventief aanbod wel nodig of gewenst? Op hun eigen expertisegebied zijn professionals goed geïnformeerd over de leeftijdsadequate ontwikkeling van jeugdigen.
Betrokken partners Normaliseren speelt in de hele piramide van opgroeien en opvoeden: van basisvoorzieningen in de pedagogische civil society tot in het gedwongen kader. Het accent moet wel liggen bij jeugdigen en ouders, bij basisvoorzieningen en bij de lichte, vrij toegankelijke opvoedondersteuning. Kinderopvang, vve en scholen hebben een specifieke verantwoordelijkheid in het normaliseren van problemen en risico’s die zij waarnemen bij jeugdigen. Na ouders hebben zij immers het meeste contact met jeugdigen en zij zien daardoor veel. Maatschappelijk partners en basisvoorzieningen kunnen veel doen om jeugdigen en ouders mee te nemen in het normaliseren – de JGZ, maar ook scholen/vve en kinderopvang, Delft voor Elkaar en vrijwilligersorganisaties, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. Professionals van deze organisaties kunnen de vragen van jeugdigen en ouders vanuit hun kennis en expertise normaliseren en jeugdigen en ouders geruststellen wanneer zij tegen alledaagse opvoed- en opgroeiproblemen aanlopen. Ook belangrijke verwijzers naar jeugdhulp, zoals Delft Support en huisartsen, handelen vanuit dit uitgangspunt.
13
Onze aanpak: positief, preventief, laagdrempelige ondersteuning en vroegtijdige signalering.
4
We benutten de kracht van preventie.
Voorzieningen die voor alle Delftenaren beschikbaar zijn, versterken de veerkracht van jeugdigen en ouders. Daarnaast zorgen we voor een gericht preventief aanbod voor jeugdigen en ouders die specifieke problemen hebben of risico’s lopen, op verschillende leefgebieden. Toelichting Preventie biedt veel mogelijkheden en kansen, die andere punten uit dit manifest versterken, zoals vroegsignaleren, normaliseren en lichte opvoed- en opgroeiondersteuning. Momenteel is het preventieve aanbod versnipperd. We kunnen die samenhang nog versterken, zeker als het gaat om de inzet op beschermende factoren. We streven naar een stevige verankering van het preventieve aanbod in het Delftse stelsel van opgroeien en opvoeden. Pijlers in het preventieve aanbod zijn ouderschap, hechting, gezondheid en weerbaarheid.3 Het is belangrijk dat preventief aanbod laagdrempelig en vrij toegankelijk is, zodat iedereen er toegang toe heeft (universele preventie). Plaatsen waar jeugdigen en ouders vaak komen, bieden goede mogelijkheden om groepsgerichte vormen van preventie aan te bieden – denk aan de jeugdgezondheidszorg, kinder opvang en scholen.
3 Zie preventieagenda NCJ.
14
We richten preventie niet alleen op risico’s en achterliggende patronen, maar ook op het versterken van beschermende factoren (zoals veerkracht), versterken van de acceptatie van het ‘normale leven’ en de ontwikkeling van talenten. Het gevaar van het minimaliseren van alle risico’s is dat het de experimenteerruimte van jeugdigen beperkt, waardoor ze hun veerkracht minder goed ontwikkelen. Zij moeten de ruimte hebben om fouten te maken en daarvan te leren. We besteden nadrukkelijk aandacht aan een preventief aanbod dat bevordert dat in gezinnen de ‘basis op orde’ is. Financiële en huisvestingsproblematiek zijn regelmatig de oorzaak van problemen in opvoeden en opgroeien. Dat maakt dat het preventieaanbod in de ene wijk er anders kan uitzien dan in een andere wijk. Aanstaande en jonge ouders vormen een belangrijke doelgroep voor het preventieve aanbod. Naast het algemeen toegankelijke aanbod aan preventie moet het aanbod gericht zijn op het voorkomen of verminderen van problemen, wanneer zich bepaalde risico’s voordoen in het opgroeien van jeugdigen (gerichte preventie). Denk hierbij aan echtscheiding en relatieproblematiek, verstandelijke beperking, psychische of verslavingsproblematiek bij ouders of criminele antecedenten in een gezin.
We grijpen preventief in wanneer serieuze risico’s bestaan op onveiligheid en ontwikkelingsbedreiging, voordat daar daadwerkelijk sprake van is. Daarbij houden we oog voor de (positieve) krachten in het gezin. Voor eenvoudige hulpvragen of lichte problemen moet snel, zonder allerlei bureaucratische processen, preventief of licht hulpaanbod beschikbaar zijn (zie ook uitgangspunt 5).
Het aanbod, zowel universeel als selectief, is zoveel mogelijk goed onderbouwd en/of evidence based.4
Betrokken partners De jeugdgezondheidszorg heeft een centrale positie in het preventieve werken. Zij fungeert als regisseur, in nauwe samenwerking met het welzijnswerk (jeugd- en jongerenwerk, buurthuizen), maar ook met GGD, scholen, kinderopvang, kraamzorg, verloskundige zorg en huisartsen. Het is van belang een goede verbinding te hebben met organisaties die preventief werken op bet gebied van de ‘basis op orde’, zoals Delft Support, schuldpreventie (Financiële Winkel), huisvesting en politie. Al deze partners signaleren op welke gebieden het preventieve aanbod versterkt moet worden.
Rol en houding professionals Professionals van basisvoorzieningen zijn goed geïnformeerd over het preventieve aanbod en kunnen met ouders en jeugdigen het gesprek aangaan over het gebruik daarvan. Professionals die preventief aanbod verzorgen, hebben oog voor de beschermende factoren die bij en rond jeugdigen en ouders aanwezig zijn en zij weten hoe zij die kunnen versterken.
4 Zie o.a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi (https://www.nji.nl/ nl/Databank/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies ); voor internationale onderbouwing, bijvoorbeeld de databank van Het Washington State Institute for Public Policy (http://www.wsipp.wa.gov/BenefitCost )
15
5
We zorgen voor een laagdrempelig, toegankelijk aanbod van opvoed- en opgroeiondersteuning.
We bieden plekken waar ouders en jeugdigen met kleine vragen en zorgen terechtkunnen. Toelichting Bijna alle ouders maken zich weleens zorgen over het opgroeien of opvoeden van hun kind. Voor ouders die daarbij even een steuntje in de rug nodig hebben, hebben we in Delft een laagdrempelig en toegankelijk aanbod van opvoed- en opgroeiondersteuning. Deze ondersteuning is een vorm van universele preventie en is vrij toegankelijk voor alle ouders in Delft die hieraan behoefte hebben. Als ouders hun zorgen kunnen uiten op het moment dat ze (even) in de knel zitten, kunnen we mogelijk voorkomen dat problemen escaleren. Ouders krijgen advies en begeleiding, waardoor hun weerbaarheid toeneemt. Bovendien kunnen problemen die ouders ervaren waar nodig normaliseren, voordat zij de weg naar niet vrij toegankelijke jeugdhulp zoeken (zie punt 3). Groepsbijeenkomsten bieden ouders de mogelijkheid om hun netwerk te vergroten, waar zij wellicht in de toekomst op kunnen terugvallen. Ten slotte kunnen professionals die opvoed- en opgroeiondersteuning bieden zorgelijke situaties vroegtijdig signaleren, waardoor eerder opgeschaald kan worden naar meer gespecialiseerde zorg (zie punt 6).
Betrokken partners Partners in het voorliggend veld, met name de JGZ, Delft voor Elkaar en huisartsen, maar ook organisaties als Humanitas en andere vrijwilligersorganisaties, kunnen opvoed- en opgroeiondersteuning bieden aan Delftse ouders in de vorm van advies. Ouders krijgen met hun kinderen vaak op een natuurlijke manier met deze partners te maken, waardoor zij een makkelijk aanspreekpunt vormen voor ouders. Deze partners kunnen hun adviserende rol uitbreiden door voorlichting aan ouders en inloopspreekuren te organiseren. Daarbij kunnen zij ouders ook verwijzen naar de website van de JGZ, waar veelvoorkomende vragen en antwoorden voor opvoeders staan. Naast advies van bovengenoemde partners moet er ook een vrij toegankelijk aanbod zijn. Dit aanbod is thematisch geordend en gaat in op de meest voorkomende problemen en vragen van ouders. De JGZ kan hierin een voortrekkersrol vervullen.
te nemen. Bovendien zijn professionals scherp op signalen dat er meer aan de hand is dan de ‘normale’ problematiek en vragen zij door om problemen in kaart te brengen (zie ook uitgangspunten 6 en 8).
6
We vinden het belangrijk om opvoed- en opgroeiproblemen en -risico’s vroeg te signaleren.
We zetten ondersteuning in na vroegtijdige signalering. Daarmee voorkomen we dat problemen en risico’s in een latere fase escaleren. Professionals van basisvoorzieningen in de pedagogische civil society gaan met ouders in gesprek over hulp en ondersteuning die niet alleen gericht is op problemen en risico's, maar ook op het bieden van perspectief en het voortbouwen op aanwezige kansen, talenten en veerkracht. Daarbij houden we het uitgangspunt van normaliseren (3) nadrukkelijk in het oog.
Rol en houding professionals
Toelichting5
Opvoed- en opgroeiondersteuning neemt als uitgangspunt de sterke kanten en beschermende factoren van gezinnen en bouwt hier in de ondersteuning op voort. Professionals geven helder en makkelijk toepasbaar advies over hoe ouders met vragen en zorgen kunnen omgaan. Dat advies past bij de situatie die ouders hebben geschetst en bij de oplossingen die ouders zelf al hebben geprobeerd. Professionals bieden een luisterend oor voor ouders en normaliseren waar nodig de problemen die zij schetsen, om zo de zorgen van ouders weg
Het maatschappelijk rendement van het bieden van ondersteuning en zorg aan jeugdigen en/of ouders is relatief hoog in een jonge leeftijdsfase of in de fase van zwangerschap. Risico’s en problemen zijn dan vaak klein in vergelijking met die op latere leeftijd. Ernstige internaliserende en zeker externaliserende psychosociale problematiek bij jeugdigen hebben hun wortels op jonge leeftijd. Kindermishandeling is een belangrijke oorzaak van veel problematiek in het verdere leven. Het opsporen van problemen en risico’s op jonge leeftijd of vroeg in het ontwikkelingsproces van het probleem is cruciaal, mede omdat 5 Mede gebaseerd op Hermanns et al., 2005
16
interventies dan (kosten)effectiever zijn. Het verband tussen vroegtijdig ontdekte problemen en risico’s en problematiek in een latere fase is niet eenduidig. Niet elk probleem of risico leidt tot problematiek in een latere fase. Er is sprake van verhoogde kansen. Iedere risicofactor verhoogt licht de kans dat problematiek zich in een latere fase voordoet, hoewel de kans dat die problematiek zich níet voordoet nog steeds groter is. De kans op problemen in een latere fase neemt sterk toe bij een opeenstapeling van risicofactoren. Beschermende factoren, zoals een goede relatie met de ouders, sociale steun vanuit de omgeving of veerkracht werken als een buffer op risicofactoren. Aandacht daarvoor en het aanwenden van die factoren zijn altijd belangrijk, hoe groot de risico’s of problemen ook zijn. Het effect van risicofactoren kan dus per situatie verschillen en hangt onder meer af van de aanwezigheid van andere risicofactoren en beschermende factoren. Daarom is het belangrijk dat we focussen op risicoprocessen in plaats van afzonderlijke factoren. Gesprekken met jeugdigen en ouders zijn belangrijk om dergelijke processen in beeld te brengen; instrumenten zoals de methodiek Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften (GIZ, zie kader) kunnen daarbij behulpzaam zijn als onderlegger voor het gesprek.
Daarbij is het zaak ervoor te waken om kleine zorgen onnodig te problematiseren (zie ook uitgangspunt 3). Verder moeten professionals informatie die al beschikbaar is, optimaal benutten. Dan hoeven ouders hun verhaal niet te herhalen en ontstaat een zo compleet mogelijk beeld.
De GIZ-methodiek6 helpt professionals in het sociaal domein om samen met ouders en jeugdigen te bepalen hoe het gaat en wat nodig is (krachten en behoeften). Dit gebeurt door een gestructureerd en motiverend gesprek en uitnodigende schema’s. De methodiek kan focussen op zowel preventieve als aanvullende zorg. Hierdoor kunnen professionals binnen de jeugdgezondheidszorg de GIZ-methodiek toepassen, maar ook binnen de jeugdhulp en het onderwijs. In het gesprek wordt gebruikgemaakt van de Common Assesment Framework (CAF)-driehoek; dit zijn gespreksthema’s rondom de ontwikkeling, de opvoeding en de omgeving van de jeugdige. Daarnaast wordt de Gezonde Ontwikkeling Matrix (GOM) gebruikt om gezamenlijk een analyse te maken van de aard, ernst en urgentie van de zorgbehoefte.
6 Ontwikkeld door GGD Hollands Midden en in beheer bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, geraadpleegd via https://www.ncj.nl/giz/ wat-is-giz/
17
Betrokken partners Het is voor alle professionals die met jeugdigen en/of ouders in aanraking komen belangrijk dat zij risico’s op het ontstaan van opvoed- en opgroeiproblemen signaleren. Dit geldt voor jeugdhulpprofessionals, maar ook voor verloskundigen, kraamzorgmedewerkers, leerkrachten, vve- en kinderopvangmedewerkers, huisartsen, maatschappelijk werkers, medewerkers verslavingszorg, medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen, medewerkers spoedeisende hulp, politieagenten, enzovoorts. Medewerkers van vrijetijds- en levensbeschouwelijke organisaties en van informele jeugdhulporganisaties weten waar zij terechtkunnen voor advies als zij zorgelijke signalen waarnemen.
7
Ons uitgangspunt is het ‘goed genoeg’-principe. Dat geldt zowel bij het verlenen van lichte hulp als bij het toewijzen van meer specialistische hulp.
Ouders en jeugdigen hebben een belangrijke stem in het bepalen wanneer in hun situatie sprake is van goed genoeg. Ook bepalen zij mee wat er eventueel voor nodig is om dat te realiseren.
Rol en houding professionals
Toelichting
Professionals van basis- en eerstelijnsvoorzieningen zien het belang in van vroegtijdige signalering. Zij kunnen signalen en mogelijke problemen waarnemen en hebben oog voor onderliggende problematiek. Bovendien zijn zij in staat om de signalen en hun zorgen met ouders te bespreken en hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid (uitgangspunt 2). Professionals toetsen of er meer signalen of zorgen zijn door hun eigen waarnemingen voor te leggen aan andere professionals, vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk rond de jeugdige. Indien nodig kunnen zij daarna toeleiden naar jeugdgezondheidszorg, lichte opvoedondersteuning of verwijzers naar jeugdhulp, vanzelfsprekend met instemming van ouders.
Zoals in uitgangspunt 1 staat, bevorderen wij in Delft dat jeugdigen zich leeftijdsadequaat kunnen ontwikkelen, in goede fysieke en mentale gezondheid. We verlenen lichte ondersteuning en jeugdhulp aan ouders en jeugdigen. Daarmee zorgen we ervoor dat de ontwikkeling van jeugdigen en de opvoedvaardigheden van ouders goed genoeg worden en blijven. Met goed genoeg bedoelen we dat jeugdigen zich voldoende kunnen ontwikkelen en dat ouders voldoende opvoedvaardigheden hebben om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren. We verwachten daarbij geen perfectie.
Alleen als de veiligheid en de ontwikkeling van jeugdigen bedreigd worden, is hun instemming niet vereist (zie ook uitgangspunt 10). Professionals dienen zich bij het wegen van risico’s en risicoprocessen bewust te zijn van hun eigen achtergrond en positie.
18
Het ‘goed genoeg’-principe is leidend bij het bepalen welke ouders en jeugdigen hulp ontvangen in Delft. Als een jeugdige zich voldoende kan ontwikkelen en ouders voldoende opvoedvaardigheden hebben, hebben zij geen extra ondersteuning van jeugdhulp nodig. Bovendien bouwen we hulp tijdig af, dat wil zeggen, als de ontwikkelingskansen en opvoedvaardigheden verbeteren. Sommige gezinnen hebben echter altijd een vorm van ondersteuning nodig om het opvoederschap goed genoeg te behouden.
Wat goed genoeg is, bepalen professionals, maar wel nadrukkelijk in samenspraak met ouders. Dat doen zij door risicofactoren en problemen af te wegen tegen de beschermende factoren en sterke kanten van een gezin. Het gebruik van risicotaxatieinstrumenten kan hierbij behulpzaam zijn. Zoals beschreven in uitgangspunt 2 betrekken we ouders vanuit gelijkwaardigheid bij het hulpverleningsproces. Zij hebben een belangrijke verantwoordelijkheid en stem in het bepalen wanneer in hun situatie sprake is van goed-genoeg. We nemen de (culturele) normen en waarden van het gezin mee in de afweging of er sprake is van goed-genoeg opvoederschap en voldoende ontwikkelingskansen, met inachtneming van de rechten van het kind. Steeds hanteren we daarbij de ondergrens: bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van de jeugdige. Dat geldt onder meer in de volgende gevallen: • bij het overschrijden van bepaalde grenzen (mishandeling, verwaarlozing, ernstig middelen- of alcoholgebruik); • bij ouders die de verantwoordelijkheid van het opvoeden zelf niet aankunnen; • als de jeugdige zelf ernstige problemen heeft; • bij jeugdigen die kans lopen om zichzelf of een ander te beschadigen; • bij ouders die hun kinderen betrekken bij criminele activiteiten; • en bij jeugdigen die zelf de criminaliteit ingaan (zie ook uitgangspunt 10).
jeugdhulp ontvangen. Met behulp van nauwkeurige intakes, anamneses en diagnostiek maken professionals de balans op uit de risicofactoren, problematiek, beschermende factoren en sterke kanten van het gezin.
Rol en houding professionals Professionals kunnen aan de hand van de hulpvraag van ouders en de ontwikkelingsdomeinen (zie uitgangspunt 1) het gesprek met ouders aangaan over de ontwikkeling van hun kinderen en hun opvoedvaardigheden. Daarbij kunnen ze aan de ene kant problemen normaliseren als deze bij het gewone opgroeien horen. Aan de andere kant kunnen ze goed duidelijk maken op welke gebieden de ontwikkeling van kinderen en het opvoederschap versterkt kunnen worden. Professionals voeren gesprekken met ouders hierover vanuit gelijkwaardigheid, waarbij zij luisteren naar ouders, doorvragen en aansluiten bij hun verhaal. Professionals zijn zich bewust van hun eigen normen, waarden, achtergrond en cultuur, en hoe dit hun blik op goed genoeg beïnvloedt. Professionals krijgen voldoende ruimte voor reflectie en intervisie. Bovendien bieden jeugdhulporganisaties voldoende ruimte voor intercollegiaal en multidisciplinair overleg, zodat professionals weloverwogen beslissingen kunnen nemen in een casus en het lerend vermogen van individuen en de organisatie hoog blijft. Professionals houden gezinnen niet langer in zorg dan nodig is om het opvoederschap duurzaam goed genoeg te laten zijn.
Betrokken partners Alle formele jeugdhulporganisaties in Delft hanteren het ‘goed genoeg’-principe bij het bepalen welke gezinnen (lichte) 19
Onze professionals: systeemgericht, passende hulp, interprofessioneel samenwerken.
8
We willen dat professionals vanuit een systeemgerichte blik werken. Dat geldt voor mensen die problemen en risico’s signaleren én voor de professionals die de melding hierover ontvangen.
Naast het gezin heeft ook de bredere omgeving invloed op de ontwikkeling van jeugdigen. Wanneer we problemen en risico’s bij het opgroeien en opvoeden signaleren of verhelpen, moeten we ook het systeem om de jeugdige heen goed bekijken. Daarmee voorkomen we dat we de oorzaken van problemen en de mogelijke oplossingen alleen bij de jeugdige zoeken. En zo brengen we de beschermende factoren en sterke kanten van de jeugdige en het systeem direct in beeld. Als we met een systeemgerichte blik kijken, kunnen we sneller passende hulp verlenen. Toelichting De individuele behoeften en de belangen van jeugdigen staan voorop in het Delftse stelsel voor opgroeien en opvoeden. Jeugdigen groeien echter op in interactie met hun directe omgeving. Naast het gezin heeft ook de bredere omgeving invloed op de ontwikkeling van jeugdigen. Deze verschillende milieus beïnvloeden elkaar bovendien. Wanneer professionals
20
problemen en risico’s bij het opgroeien en opvoeden signaleren of verhelpen, moeten zij deze milieus en de invloed die zij hebben op de risico’s en problemen in samenhang bekijken. Daarbij hebben zij ook aandacht voor de overdracht van problematiek naar volgende generaties (intergenerationele overdracht). Zo krijgen zij een zo volledig mogelijk beeld van de oorzaken van en oplossingen voor problemen en risico’s. Dit bevordert bovendien het in beeld brengen van beschermende factoren en sterke kanten van de jeugdige en het systeem. Als professionals met een systeemgerichte blik kijken, kunnen ze sneller passende hulp verlenen. Elke jeugdige heeft een uniek systeem om zich heen. Wanneer we dit systeem in kaart brengen, hebben we in ieder geval aandacht voor de volgende zaken: • het welzijn van ouders; • de opvoedvaardigheden van ouders; • het functioneren van het gezin; • de basis (huisvesting, voeding, financiën, etc.); • het netwerk rondom het gezin; • de school/opvang; • de buurt; • de vrijetijdsbesteding; • en eventueel de geloofsgemeenschap. Werken met een systeemgerichte blik betekent nadrukkelijk niet dat signaleerders en verwijzers zelf met het hele systeem aan de slag hoeven.
Betrokken partners Alle partners in het Delftse stelsel voor opgroeien en opvoeden werken vanuit een systeemgerichte blik. Partners die overwegend vanuit een kindgerichte blik werken, zoals scholen, kinderopvang en vve, zijn zich bewust van het belang van een systeemgerichte blik. Waar nodig schakelen zij de expertise in van professionals die een systeemgerichte blik hanteren. Een systeemgerichte blik is extra van belang bij verwijzers naar jeugdhulp (Delft Support, huis- en jeugdartsen, medisch specialisten en gecertificeerde instellingen) om zo recht te doen aan het uitgangspunt om de juiste hulp op het juiste moment te bieden (uitgangspunt 9). Wanneer in een gezin op meerdere gebieden problemen spelen, wordt het Sociaal Team van Delft Support betrokken. Zij zorgen voor de samenwerking tussen jeugdhulp en aanpalende domeinen zoals volwassenen-GGZ, huisvesting en schuldhulpverlening.
21
Rol en houding professionals Belangrijk bij een systeemgerichte blik is dat professionals samen met het gezin de gehele situatie rondom een jeugdige in beeld proberen te brengen. In Delft maakt een aantal organisaties hierbij al gebruik van de GIZ-methodiek. Dit is prettig voor zowel ouders als professionals, omdat dit het onderlinge begrip bevordert en een doorgaande lijn in het hulptraject kan stimuleren. Professionals dienen toegerust te zijn om op een open manier deze onderwerpen uit te vragen bij ouders en jeugdigen. Daarvoor is het belangrijk dat zij een goede relatie hebben met ouders en jeugdigen, de tijd nemen en aansluiten bij het gezin. Toch is het niet altijd mogelijk om het (hele) systeem in kaart te brengen, bijvoorbeeld omdat ouders (nog) niet willen inzien dat zij bijdragen aan eventuele problemen of risico’s. In contact blijven is dan belangrijk en indien nodig doorverwijzen of de meldcode volgen.
9
Als specialistische hulp nodig is, zorgen we ervoor dat deze passend is en op het juiste moment geboden wordt.
We bieden zo snel als nodig hulp die is afgestemd op de problemen of risico’s van de ouders en/of jeugdigen. Dat geldt ook als hulp van buiten het jeugddomein nodig is. Uiteraard gelden ook hier de uitgangspunten normaliseren (3) en ‘goed genoeg’ (7). Toelichting7 Soms zetten we bij jeugdigen met complexe problematiek in eerste instantie te lichte of niet passende zorg in, of we zetten de zorg te laat in. We hebben de ambitie om, als specialistische ondersteuning of zorg nodig is, deze zo snel mogelijk in te zetten. Deze zorg is dan afgestemd op de problemen of risico’s van de ouders en/of jeugdigen. Zo licht als mogelijk, zo intensief als nodig, niet belemmerd door wachtlijsten. Het is immers bekend dat de problemen van jeugdigen en hun ouders door lange ‘zorgcarrières’ met weinig resultaat alleen maar weerbarstiger en hardnekkiger worden. Bovendien weten we dat veel jeugdigen hierdoor weerstand ontwikkelen tegen hulpverlening en de toekomstige zorgmijders zijn, waardoor ze – als ze zelf kinderen hebben – niet snel een beroep doen op jeugdhulp. Direct de juiste zorg inzetten verkleint de kans op teleurstellingen bij jeugdigen en ouders én zorgt voor lagere kosten. Zulke hulp zorgt niet alleen voor verlichting van de jeugdhulp, het kan ook helpen om lange zorgcarrières te voorkomen door chronische problematiek vroegtijdig aan te pakken.
7 Mede gebaseerd op Manifest Effecten van de transformatie jeugdhulp, april 2018
22
Het is voor gezinnen belastend en stigmatiserend als zij telkens opnieuw zorg krijgen. Als jeugdigen en ouders vaker een beroep doen op jeugdhulp, laat dat zien dat we er onvoldoende in slagen om hen goed te ondersteunen. Het kost ook veel geld. Een goede analyse waarin we achterliggende patronen herkennen, uitgevoerd samen met ouders en jeugdigen, draagt eraan bij dat ze de juiste zorg krijgen. Een herhaald beroep op jeugdhulp is dan niet nodig. In het geval van chronische problemen kan wel langdurige ondersteuning nodig zijn. Dan is het belangrijk dat we ouders in interventies leren omgaan met bestaande problemen, waardoor die draaglijk en hanteerbaar worden. Dat heeft dan prioriteit boven het verhelpen van de problemen.
Rol en houding professionals Om passende en tijdige hulp te kunnen bieden, moeten verwijzers en hulpverleners adequate analyses kunnen maken van vragen en zorgen rondom opvoeden en opgroeien. Daarbij kijken zij verder dan hun eigen professionaliteit. Zij maken waar nodig gebruik van interprofessionele consultatie, bijvoorbeeld in de vorm van multidisciplinair casusoverleg mét ouders en jeugdigen.
Dit uitgangspunt bouwt voort op het uitgangspunt 6 ‘vroegtijdige signalering en ondersteuning’: hoe eerder we risico’s en problemen adequaat in beeld hebben, hoe meer mogelijkheden we hebben om tijdig de juiste hulp in te zetten. Het werken volgens dit uitgangspunt van tijdig de juiste hulp inzetten kan niet als er wachttijden zijn.
Betrokken partners Alle jeugdhulporganisaties dragen bij aan het organiseren van passende en tijdige hulp voor gezinnen. Verwijzers naar jeugdhulp zorgen voor adequate vraagverheldering en triage. Passende en tijdige hulp bieden vraagt inzet en betrokkenheid van partners buiten het jeugddomein, zoals op het gebied van volwassenen-GGZ, schuldhulpverlening, werk en inkomen en huisvesting. 23
10
Wanneer we signaleren dat de ontwikkeling en/of veiligheid van jeugdigen wordt bedreigd, zorgen we voor een zorgvuldige taxatie van signalen en risico’s.
Als de signalen blijken te kloppen, en als ouders en professionals vanuit de basisvoorzieningen in de pedagogische civil society deze bedreigingen niet kunnen wegnemen, bieden we ondersteuning. Dat doen we bij voorkeur met instemming van ouders, maar indien nodig in het gedwongen kader. Toelichting Een onbedreigde ontwikkeling en een veilige opgroeiomgeving behoren tot de kernwaarden van het opvoed- en opgroeistelsel. Jeugdhulp is noodzakelijk – zo nodig gedwongen – wanneer jeugdigen in hun veiligheid en/of in hun ontwikkeling worden bedreigd en ouders deze situatie niet kunnen beëindigen of onvoldoende meewerken. Van onveiligheid en ontwikkelingsbedreiging is in ieder geval sprake in de volgende situaties: • bij het overschrijden van bepaalde grenzen (zoals mishandeling, verwaarlozing, ernstig middelen- of alcoholgebruik); • bij ouders die de verantwoordelijkheid die hoort bij opvoeden zelf niet aankunnen; • als de jeugdige zelf ernstige problemen heeft; • bij jeugdigen die kans lopen om zichzelf of een ander te beschadigen; • bij ouders die hun kinderen betrekken bij criminele activiteiten; • en bij jeugdigen die zelf de criminaliteit ingaan.
24
Wanneer professionals onveiligheid signaleren, volgen zij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij brengen signalen van onveiligheid in kaart en overleggen hierover met een collega of eventueel Veilig Thuis. Daarna praten zij met zowel ouders als jeugdigen, om te kijken of ze de onveiligheid in kaart kunnen brengen en kunnen wegnemen. Bij het spreken met ouders is het belangrijk dat professionals hen motiveren hulp aan te nemen door naast hen te gaan staan en te kijken naar het belang van hun kind. Het is belangrijk dat zij apart met jeugdigen spreken, op een voor hen gepast niveau, waarbij zij duidelijk maken wat wel en niet als veilig wordt beschouwd in onze maatschappij. Na deze gesprekken weegt de professional de signalen, bij voorkeur met collega's van andere organisaties en/of met een andere achtergrond. Professionals in verschillende sectoren kunnen een afwegingskader gebruiken om deze weging te maken. Zij doen een melding bij Veilig Thuis wanneer er acute of structurele onveiligheid is. Wanneer de onveiligheid niet acuut of structureel is, kijken zij of hulp rondom het gezin georganiseerd kan worden om zo tot duurzame veiligheid te komen. Wanneer dit niet mogelijk is, doen ze alsnog een melding bij Veilig Thuis. De grens tussen wanneer hulp wenselijk is en wanneer noodzakelijk, is lastig te bepalen.
Deels bepaalt de overheid dit, maar het hangt ook af van de situatie en context en wordt soms bepaald door de eigen waarden en opvattingen van de professional. Professionals moeten zich daar voortdurend bewust van zijn en reflecteren, ook met collega’s met een andere professionele of culturele achtergrond.