1b IGVO Toelichting regels en bijlage regels
Tekst van het document
2m
Van erf- en terreinafscheidingen elders
1,5 m
Van voorzieningen voor de betreding van een dakterras
1,5 m
Van lichtmasten
9m
Van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3m
Algemene parkeerregels
a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van auto's op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden. b. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang en de gebruiksfunctie van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van fietsen op het eigen terrein en deze parkeerruimte in stand wordt gehouden. 9.3
Uitzondering
Het bepaalde in lid 9.2 sub b geldt niet voor een gebouw voor een woonfunctie, niet-zijnde een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg.
9.4
Afwijkingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2 : a. indien het voldoen aan het bepaalde in lid 9.2 door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; en/of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien en deze in stand wordt gehouden. 9.5
Voorwaarden voor afwijken
Afwijken van de regels, als bedoeld in lid 9.4 is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie. bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 17
bestemmingsplan IGVO
9.6
Beleidsregels Nota Parkeernormen 2018
Het bevoegd gezag past het bepaalde in de leden 9.2, 9.4 en 9.5 toe met inachtneming van de beleidsregels uit de Nota parkeernormen 2018. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt bij de toetsing uitgegaan van de nieuwe of gewijzigde beleidsregels, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 18
bestemmingsplan IGVO
Artikel 10 10.1
Algemene gebruiksregels
Gebruiksverbod
Onder strijdig gebruik wordt - tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald - in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken als: a. opslagplaats voor bagger en grondspecie; b. opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind of brandstoffen, met uitzondering van het bepaalde in lid 10.2, sub a; c. uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen. 10.2
Uitzonderingen gebruiksverbod
Onder strijdig gebruik wordt - tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald - niet verstaan: a. vormen van gebruik als bedoeld in lid 10.1, die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de grond ingevolge de bestemming en/of de overige regels mag worden gebruikt; b. het opslaan van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 19
bestemmingsplan IGVO
Artikel 11 11.1
Algemene afwijkingsregels
Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 terzake reeds een omgevingsvergunning kan worden verleend - bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10% waarbij geldt dat de hoogtematen met maximaal 1 m mogen worden verhoogd; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; c. overschrijding van de bestemmingsgrenzen en/of bouwgrenzen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; de overschrijdingen mogen niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak en/of bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; d. aanpassing in geringe mate van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; e. overschrijding van aangegeven grenzen van bestemmingen en/of bouwvlakken, door luifels, erkers, balkons, bordessen, pergola's en andere ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 2 m; f.
het bouwen en gebruiken van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, mits de inhoud niet meer bedraagt dan 60 m3; g. het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals vlaggenmasten, reclame-uitingen, gedenktekens, beeldhouwwerken en andere kunstuitingen, waarbij geldt dat de hoogtematen van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 7 m mag bedragen; h. overschrijding van de toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van sirenemasten, mits de hoogte niet meer bedraagt dan 40 m. 11.2
Voorwaarden afwijken
Van de in lid 11.1 genoemde afwijkingsbevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de stedenbouwkundige kwaliteit; c. en de verkeersafwikkeling ter plaatse.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 20
bestemmingsplan IGVO
Artikel 12
Algemene wijzigingsregels
12.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
12.2
Bevoegdheid vaststelling exploitatieplan
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij het wijzigen van een bestemming, zoals bedoeld in lid 12.1, een exploitatieplan vast te stellen, danwel te besluiten om in afwijking hiervan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 21
bestemmingsplan IGVO
Artikel 13 13.1
Overige regels
Voorrangsregeling dubbelbestemmingen
Voorzover dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen, gelden: a. in de eerste plaats de regels van Artikel 6 Waarde - Archeologie ll; b. in de tweede plaats de regels van Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 22
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 4 Artikel 14 14.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2
Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 23
bestemmingsplan IGVO
Artikel 15
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan IGVO.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 24
IGVO
bestemmingsplan IGVO
Inhoudsopgave
Bijlagen bij regels IGVO
3
Bijlage 1
Ontheffing soorten Wet Natuurbescherming
4
Bijlage 2
Overzicht natuurinclusieve maatregelen
14
Bijlage 3
Bijlage tekeningen bij overzicht natuurinclusieve maatregelen
16
Bijlage 4
Bijlage DO buitenruimte bij overzicht natuurinclusieve maatregelen
21
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 2
bestemmingsplan IGVO
Bijlagen bij regels IGVO
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 3
bestemmingsplan IGVO
Bijlage 1 Ontheffing soorten Wet Natuurbescherming
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 4
Bezoekadres
Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag Postadres
Zaaknummer Ons Kenmerk Datum
: : :
00575052 ODH-2020-00080260 6 juli 2020
Postbus 14060 2501 GB Den Haag T (070) 21 899 02 E vergunningen@odh.nl I www.odh.nl
Beschikking Wet natuurbescherming - Soortenbescherming Onderwerp Op 24 februari 2020 hebben wij een aanvraag om ontheffing ontvangen als bedoeld in artikel 3.8 eerste lid, van de Wet natuurbescherming. De aanvraag heeft betrekking op de sloop van de gebouwen “Kramers Laboratorium” en “De Witte Olifant” aan de Prins Bernhardlaan te Delft en is aangevraagd door de gemeente Delft. De aanvraag betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ontheffing wordt gevraagd van het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in: -
artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);
-
artikel 3.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).
De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2025.
Besluit Wij besluiten: I.
de aangevraagde ontheffing te verlenen aan de gemeente Delft;
II.
de voorschriften 1 tot en met 12 te verbinden aan deze ontheffing;
III.
de aanvraag van 24 februari 2020 en de aanvullende documenten van 16 juni 2020 onderdeel te laten zijn van deze ontheffing;
IV.
dat deze ontheffing geldig is vanaf 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2025.
Ondertekening Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,
ir. L.P. Klaassen Directeur Omgevingsdienst Haaglanden
Rechtsmiddelen Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beschikking wijzen wij op de desbetreffende tekst in het begeleidende schrijven.
2/9
VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1 -
De ontheffinghouder dient: de start van de werkzaamheden schriftelijk te melden; het ecologisch werkprotocol op te sturen bij de startmelding van de werkzaamheden; eventuele wijzigingen gedurende de uitvoering uiterlijk één week van te voren schriftelijk te melden; de beëindiging van de werkzaamheden uiterlijk één week van te voren te melden.
Voorgaande meldingen dienen gericht te worden aan de Unit Groen Bodem en Opsporing van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Postbus 550, 3300 AN te Dordrecht, telefoonnummer 0787708585, e-mailadres meldingwnb@ozhz.nl onder vermelding van flora en fauna. 2
De ontheffinghouder is ervoor verantwoordelijk dat zijn personeel of derden welke betrokken zijn bij de uitvoering van het project, op de hoogte zijn van de voorschriften in deze ontheffing en de maatregelen in het Activiteitenplan. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld en op de locatie aanwezig te zijn. In het ecologisch werkprotocol dient in ieder geval het volgende te worden opgenomen: a De voorwaarden zoals opgenomen in deze ontheffing; b Aanduiding van de locatie van het plangebied; c De uit te voeren werkzaamheden; d De periode waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden; e De mitigerende en compenserende maatregelen; f De momenten waarop ecologische begeleiding ingeschakeld wordt.
3
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een afschrift van deze ontheffing en het ecologisch werkprotocol op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouders of opsporingsambtenaren.
4
De details over de plaatsing, de types en het onderhoud van de voorzieningen dienen te worden gemeld via het registratieformulier verblijfsvoorzieningen op https://eloket.odh.nl/verblijfsvoorzieningen. Deze meldingen dienen te worden gedaan: a Voor tijdelijke voorzieningen: Uiterlijk één week voor het plaatsen van de tijdelijke voorzieningen of uiterlijk twee weken na het ontvangen van deze ontheffing; b Voor permanente voorzieningen: Uiterlijk één week voor het plaatsen van de permanente voorzieningen.
5
De werkzaamheden dienen ecologisch begeleid te worden door een deskundige1 op het gebied van de gewone dwergvleermuis.
1
Onder een deskundige wordt verstaan: • Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; • Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt flora en fauna, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; • Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; • Hij/zij is als ecoloog of adviseur/specialist ecologie werkzaam voor een (semi)overheidsinstantie zoals het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, het Rijksvastgoedbedrijf, provincies, waterschappen, hoogheemraadschappen, gemeenten, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven • Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; • Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van desbetreffende beschermde soorten.
3/9
6
De ontheffinghouder dient, met in achtneming van de voorschriften in deze ontheffing, de maatregelen uit te voeren zoals beschreven in paragraaf 3.4 van het rapport ‘Activiteitenplan voor ontheffing gewone dwergvleermuis Kramers Laboratorium en De Witte olifant Prins Bernhardlaan te Delft’ van februari 2020 en de aanvullende stukken van 16 juni 2020.
7
Indien één of meerdere in voorschrift 6 bedoelde maatregelen onverhoopt niet uitvoerbaar zijn, dienen hiervoor een minimaal gelijkwaardige maatregelen voor wat betreft de functionaliteit en effectiviteit te worden getroffen.
8
Tijdig, minimaal één maand, voordat de in voorschrift 7 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd, dienen deze ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid te worden voorgelegd.
Specifieke voorschriften 9
Het ongeschikt maken van de huidige kraamverblijfplaats dient te worden uitgevoerd in de minst kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis, tussen 15 augustus en 1 oktober, onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Voorzieningen zoals exclusion flaps of het verwijderen van gevel- of dakonderdelen dienen minimaal 5 dagen te worden ingezet, zodat vleermuizen redelijkerwijs de mogelijkheid hebben gehad om de verblijfplaats te verlaten voordat met de start van de werkzaamheden wordt aangevangen. Na het ongeschikt maken, en voorafgaand aan de werkzaamheden, dient een controlebezoek te worden uitgevoerd door een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis om de aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing uit te sluiten, alvorens het plangebied wordt vrijgegeven.
10
De wijze van plaatsen van de permanente voorzieningen, dient te voldoen aan hetgeen opgenomen in het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017).
11 Zowel de tijdelijke als de permanente voorzieningen moeten functioneel zijn gedurende de periode waarvoor deze worden ingezet. De voorzieningen dienen minimaal eenmaal per jaar gecontroleerd te worden op de functionaliteit en – indien nodig – dient de functionaliteit van de voorziening hersteld te worden. Bovendien moeten de tijdelijke vleermuiskasten zich te allen tijde buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te bevinden. 12
Het verwijderen van de tijdelijke vleermuiskasten dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis. Na inachtneming van een gewenningstijd van 6 maanden, waarin zowel de tijdelijke als de permanente voorzieningen aanwezig en beschikbaar zijn, mogen de tijdelijke kasten alleen verwijderd worden nadat door de deskundige is vastgesteld dat de kast is verlaten, buiten de kwetsbare periode van de soort.
AANWIJZINGEN VOOR GEBRUIK • Voor alle soorten - beschermd én onbeschermd - geldt de zorgplicht ex artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan dient zoveel als redelijkerwijs mogelijk is schade aan deze soorten te worden voorkomen. • Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. • Als de ontheffinghouder de onderhoudsverplichting wenst over te dragen aan een derde, dan moet de ontheffinghouder zorgdragen voor de overdracht daarvan. Dit dient contractueel vastgelegd te worden.
4/9
OVERWEGINGEN Aanleiding Op 24 februari 2020 hebben wij een aanvraag om ontheffing ontvangen als bedoeld in artikel 3,8 eerste lid, van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De aanvraag heeft betrekking op de sloop van twee gebouwen aan de Prins Bernhardlaan te Delft en is aangevraagd door de gemeente Delft. De aanvraag betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ontheffing wordt gevraagd van het overtreden van de verbodsbepalingen zoals genoemd in: -
artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb voor wat betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus);
-
artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor wat betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).
De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 december 2025. Bij de aanvraag zijn de volgende stukken gevoegd: - Flora- en faunaonderzoeken Gele Scheikunde TU Delft, Tauw BV, kenmerk R001-1238403JNA-ndaV01, 13 oktober 2016 - Asbestinventarisatie Prins Bernhardlaan 6 te Delft, Adviesbureau Flamant BV, projectnummer AS 197995, 9 september 2019 - Vervolgonderzoek wilde planten, huismussen, roofvogels, gierzwaluwen en vleermuizen Julianalaan 136 te Delft, Eco-Niche, november 2019 - Activiteitenplan voor ontheffing gewone dwergvleermuis Kramers Laboratorium en De Witte olifant Prins Bernhardlaan te Delft, Eco-Niche, februari 2020 Op 16 juni 2020 hebben wij de volgende aanvullende informatie ontvangen: - Re_antwoorden aanvullende informatie ontheffingaanvraag 00575052 Julianalaan/PrinsBernhardlaan Delft, Eco-Niche, 16 juni 2020
Procedure Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.1 van de Wnb zijn toegepast op deze beschikking. Doordat de aangeleverde gegevens onvolledig waren, is op 12 juni 2020 verzocht om aanvullende gegevens. De aanvullingen zijn op 16 juni 2020 ontvangen.
Verlenging Met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, Wnb hebben wij op 7 april 2020 de termijn voor de afhandeling van de aanvraag met zeven weken verlengd.
Bevoegd gezag De handeling wordt verricht binnen de provincie Zuid-Holland. Gelet op de bepalingen in artikel 1.3 van de Wnb zijn wij bevoegd gezag voor de beoordeling van de aanvraag.
5/9
Toetsingskader en grondslag beschikking De aanvraag is getoetst aan de artikelen 3.5 en 3.8 van de Wnb en de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. De gewone dwergvleermuis is een van nature in Nederland in het wild levend dier van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a bij de Habitatrichtlijn. Op grond van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb is het verboden: - de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren; - voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis te beschadigen of te vernielen. Op grond van artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb wordt een ontheffing slechts verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing bestaat; - de ontheffing nodig is omdat één van de belangen genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef onder b, van de Wnb aan de orde is; en - de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soort.
Beoordeling Aanvraag De gemeente Delft is voornemens om de gebouwen “Kramers Laboratorium” en “De Witte Olifant” aan de Prins Bernhardlaan te Delft te slopen. De aanvraag heeft betrekking op de volgende werkzaamheden: - Sloop van de gebouwen “Kramers Laboratorium” en “De Witte Olifant.” - Verwijdering van begroeiing. - Faciliteren van onderwijshuisvesting van het Internationaal Georiënteerd Voorgezet Onderwijs. De werkzaamheden starten op zijn vroegst in augustus 2020, minimaal één week na het ongeschikt maken van de aangetroffen kraamverblijfplaats en duren uiterlijk tot 31 december 2025. Overtreding verbodsbepaling(en) Om te bepalen of er sprake is van overtreding van de Wnb heeft in 2019 nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol (2017). Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis in kaart zijn gebracht. Hiermee zijn wij van mening dat de onderzoeksinspanning voldoende is geweest. De gewone dwergvleermuis is in het plangebied aangetroffen. Aan de zuidwest zijde van de toren van het Kramers laboratorium, aan de Prins Bernhardlaan 6 te Delft, is een kraamverblijfplaats aanwezig. De verblijfplaats wordt gebruikt door ongeveer 30 individuen.
De kraamkolonie maakt gebruik van twee kraamverblijfplaatsen, waarvan één buiten het plangebied valt en niet aangetast wordt. Met de geplande werkzaamheden gaat de verblijfplaats binnen het plangebied verloren en worden individuen opzettelijk verstoord. Hiermee worden de verbodsbepalingen zoals bedoeld in artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb overtreden. Voorgestelde maatregelen Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de gewone dwergvleermuis tot een minimum te beperken, worden maatregelen voorgesteld zoals beschreven in ‘Activiteitenplan voor ontheffing gewone dwergvleermuis Kramers Laboratorium en De Witte olifant Prins Bernhardlaan te Delft’ van februari 2020 en 6/9
de aanvullende informatie die is verkregen op 16 juni 2020. Deze maatregelen zien onder andere toe op het ongeschikt maken van de aangetroffen kraamverblijfplaats door middel van het plaatsen van exclusion flaps in de minst kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis en het treffen van compenserende en mitigerende maatregelen. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecoloog met kennis van gewone dwergvleermuis. Staat van instandhouding Als gevolg van de sloop van het Kramers Laboratorium gaat een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Op 2 april 2020 zijn vier tijdelijke vleermuiskasten van het type “Faunus Nature Creations Ariela met achterwand” opgehangen aan de gevels van het uitvaartcentrum aan de Jaffalaan 10 te Delft. De kasten zijn qua grootte geschikt om te dienen als kraamkast of winterverblijf. Aan elke hoek van het gebouw is één kast opgehangen, en elke kast beschikt over vier compartimenten. Op deze wijze is een variatie aan microklimaten beschikbaar gemaakt. De voorzieningen zijn op minimaal drie meter hoogte opgehangen, op ongeveer 140 meter van de oorspronkelijke kraamverblijfplaats. Dit is op een grotere afstand dan aanbevolen in het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis (BIJ12, 2017).
Deze locatie is echter beoordeeld als het meest geschikt, aangezien deze op een waargenomen vliegroute ligt van de kraamkolonie, er in de directe omgeving voldoende foerageergelegenheid aanwezig is en de locatie vrij is van verstoring. De tijdelijke voorzieningen zijn minimaal één volledig kraamseizoen voor de start van de werkzaamheden geplaatst. Tijdens de werkzaamheden worden geen lampen op verblijfplaatsen of groenvoorzieningen gericht, zodat er geen lichtverstoring optreed aan verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied. In de permanente situatie worden inmetselkasten van het type Vivara Pro IB-VL-01, Vivara Pro IB-VL-02, Waveka Schwegler 1W1, Waveka Schwegler 2FR, Waveka Schwegler 3FE of vergelijkbaar gerealiseerd aan de gevels van het gebouw aan de Prins Bernhardlaan 6 te Delft. Bij plaatsing van de permanente voorzieningen worden minimaal drie elementen boven elkaar geschakeld ingebouwd om voldoende ruimte te creëren voor een kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis. De precieze planning van de plaatsing van de permanente voorzieningen is nog niet bekend. Bij het uitwerken van de planning wordt een ecologisch deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis geraadpleegd. De uitwerking van de permanente compensatie wordt opgenomen in het ecologisch werkprotocol.
Deze wordt, zoals opgenomen in voorschrift één, voor de start van de werkzaamheden aangeboden aan de Omgevingsdienst Haaglanden. De kraamkolonie maakt tevens gebruik van een kraamverblijfplaats aangetroffen in het aangrenzende gebouw aan de Michiel de Ruyterweg. Deze valt echter buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden en blijft derhalve behouden. Hiermee zijn er gedurende en na de werkzaamheden voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig voor de gewone dwergvleermuis. Tussen 15 augustus en 1 oktober wordt de aangetroffen kraamverblijfplaats ongeschikt gemaakt door het plaatsen van exclusion flaps op de uitvliegopeningen. Daarnaast worden overige kieren en spleten afgedicht, na het uitvoeren van een controle met een endoscoop op aanwezigheid van vleermuizen. Na de periode van minimaal vijf dagen na plaatsing van de exclusion flaps, zoals opgelegd in voorschrift 9, wordt het plangebied gecontroleerd op aanwezigheid van vleermuizen door een ecologisch deskundige. Op deze wijze wordt voorkomen dat er vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. Daarmee wordt voorkomen dat er dieren kunnen worden verwond of gedood. De genoemde maatregelen worden getroffen conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol (2017). De gewone dwergvleermuis komt verspreid voor in de directe omgeving van het plangebied en op grotere schaal binnen Delft.
De aangetroffen kraamkolonie is relatief klein en er zijn minstens twee andere geschikte kraamverblijven aanwezig in het gebied: één in het aangesloten gebouw aan de Michiel de Ruyterweg en één op 600 meter afstand van het plangebied. Het plangebied is onderdeel van een groter herontwikkelingsgebied genaamd “gele scheikunde.” Het gebouw aan de Michiel de Ruyterweg waar meerdere verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen valt hier ook binnen. Het complete ontwikkelingsplan is nog onbekend. Om mogelijke cumulatieve effecten te voorkomen zijn door de gemeente Delft zowel de huidige als de toekomstige eigenaren van het gebied “gele scheikunde” op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Door de 7/9
voorgenomen maatregelen en de beperkte omvang van het effect is het aannemelijk dat de gewone dwergvleermuis in de directe omgeving aanwezig blijft. Op grond van het vorenstaande zijn wij van mening dat de maatregelen, met inachtneming van de voorschriften, voldoende zijn om negatieve effecten te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken en dat de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Ecologisch werkprotocol De start van de werkzaamheden dient gemeld te worden bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De werkzaamheden en de wijze waarop de maatregelen worden uitgevoerd dienen in een ecologisch werkprotocol te worden opgenomen. Dit protocol dient bij het melden van de start van de werkzaamheden meegestuurd te worden. Voorts dient het protocol op de locatie aanwezig te zijn. Hierdoor weten ook de uitvoerders op welke wijze de werkzaamheden zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Wij hebben dit in de voorschriften 1, 3 en 4 vastgelegd. Belangenonderbouwing De ontheffing is aangevraagd op grond van het belang van ‘de volksgezondheid of de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met begrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’.
In het Energieakkoord is afgesproken dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 energieneutraal is. Daarnaast heeft Nederland ingestemd met het Klimaatakkoord van Parijs dat als centraal doel heeft het reduceren van CO2-uitstoot. De gebouwen van de voormalige scheikunde faculteit van de TU Delft staan al enige tijd leeg. De gebouwen dateren uit de jaren ‘50 en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd. De gebouwen zijn al enkele jaren niet meer in gebruik. In verband met de aanwezigheid van asbest en brandveiligheid is (tijdelijk) gebruik nauwelijks mogelijk. Het beheer is beperkt tot bewaking. De kans op verval en vandalisme is groot en door de aanwezigheid van onbevoegden (’s nachts) kan het leiden tot onveilige situaties. In het kader van de openbare orde is het gewenst om de leegstand (na overdracht aan de gemeente) een zo kort mogelijke termijn in beslag te laten nemen. Bij brand bestaat kans op ongewenste verspreiding van asbest in de (woon)omgeving en daarmee gevaar voor de volksgezondheid. Bij voorkeur wordt de asbest zo snel mogelijk verwijderd, binnen de financiële en technische mogelijkheden. Het huidige gebouwencomplex is sterk verouderd. Bij hergebruik kunnen deze niet optimaal worden geïsoleerd, waardoor de gebouwen een verhoogde mate van energie gebruiken.
Het creëren van nieuwbouw voor het Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO) biedt kansen om bij te dragen aan bijna energie neutrale gebouwen (BENG) die een bijdrage leveren aan het terugbrengen van CO2-uitstoot en de daarbij behorende klimaatsveranderingen. Het terugdringen van de CO2-uitstoot is essentieel voor het beperken van klimaatverandering en dient daarmee een groot maatschappelijk belang, onder meer op het vlak van veiligheid, natuurbescherming, welzijn en welvaart. Het verminderen van fossiele emissies leidt bovendien tot een verbeterde luchtkwaliteit en heeft daarmee een positief effect op de volksgezondheid. Gelet op het voorgaande en de onverminderde actualiteit van de naar voren gebrachte omstandigheden zijn wij van oordeel dat het belang “Volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” voldoende is onderbouwd om de negatieve effecten op de vleermuizen, die als gevolg van de uitvoering van het project zullen optreden, te rechtvaardigen.
8/9