1b IGVO Toelichting regels en bijlage regels
Tekst van het document
4.10
Archeologie
4.10.1 Kader Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Hiervoor hanteert Archeologie Delft sinds 2012 een archeologische beleidskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten.
4.10.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group (2021) een archeologisch bureau en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 25 Inventariserend Veldonderzoek Archeologie, hieronder worden de conclusies en aanbevelingen besproken. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? De aangetroffen natuurlijke bodemopbouw is grotendeels conform de verwachting. Onder de recente ophooglaag van ca. 1 à 1,5 m ophoogzand is de natuurlijke opbouw in drie van de vier boringen intact aangetroffen. De andere boring is tot vrij grote diepte verstoord, mogelijk een oude slootvulling. Binnen de natuurlijke afzettingen zijn twee niveaus te onderscheiden. Het bovenste natuurlijke niveau (NAP hoogte top: ca. 0,8-1,2 m-NAP) bestaat uit matig siltige kleilagen (ca. 50-80 cm dik), waarop plaatselijk bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 50
bestemmingsplan IGVO een dunne bouwvoor gevormd is. Onder deze kleilagen ligt tot de einddiepte van 3 m-mv overal een fijngelaagd pakket van kleiig zand. Binnen deze laag komen verspoelde veen en plantenresten voor. Beide natuurlijke lagen zijn te interpreteren als de verwachte Gantelafzettingen (Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Walcheren). De onderste zandige afzettingen zijn daarvan geulafzettingen, in een getijdeachtige omgeving. De bovenste kleilagen zijn de verlandingsfases van de Gantelgeul. Het verwachte vegetatieniveau met een hoge archeologische verwachting, de zogenaamde 'woudlaag' is in de boringen niet aangetroffen. De in het milieukundig booronderzoek aangetroffen 'veenlaag' wordt nu niet als in situ gelegen veenlaag geïnterpreteerd, maar eerder een slootvulling o.i.d. 2. Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Hiervoor zijn geen aanwijzingen gevonden en de kans hierop wordt voor het plangebied nu ook laag ingeschat. 3. Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Niet van toepassing. 4. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing. 5.
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Niet van toepassing. 6. Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Omdat er geen indicaties zijn voor een archeologische vindplaats en er sprake is van een ophoogpakket van 1-1,5 meter hoeft planaanpassing niet te worden overwogen. De geplande verstoringen gaan namelijk niet dieper dan 1 meter -mv. 7. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Op basis van het bureauonderzoek werd rekening gehouden met een verstoord en/of opgehoogd bodemprofiel en de aanwezigheid van diverse getij-afzettingen. Ook werd rekening gehouden met de aanwezigheid van een woudlaag en de Gantel-afzettingen. Daarnaast werd rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten uit de Romeinse tijd en de (late) middeleeuwen / nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft de verwachte bodemopbouw wel bevestigd. Het potentieel archeologisch kansrijk niveau (een mogelijke woudlaag dan wel de Gantel-afzettingen of getijdenafzettingen met een vegetatieniveau) is echter niet aangetroffen en ook zijn er geen andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats binnen het plangebied aangetroffen. 8.
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie hiervoor onderstaand selectieadvies.
Selectie) advies Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een archeologische vindplaats en de kans hierop wordt vanwege de bodemkundige opbouw van het plangebied laag ingeschat. Ook is er een ophoogpakket van 1-1,5 m aanwezig en gaan de verstoringen voor de geplande ontwikkeling niet dieper dan 1 meter -maaiveld. bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 51
bestemmingsplan IGVO Daarom wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven van aanvullend archeologisch onderzoek. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
4.10.3 Conclusie Het plangebied is grotendeels vrijgegeven, op twee deelgebieden wordt een dubbelbestemming gelegd in het bestemmingsplan om de archeologische waarden te beschermen. Het aspect 'archeologie' vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.11
Cultuurhistorische waarden
4.11.1 Kader en uitgangspunten Cultuurhistorische waarden zijn beschermd onder de Erfgoedwet. Dit betreft onder meer monumentale panden, maar ook landschappelijke waarden. Het niveau van bescherming verschilt per soort erfgoed, zo komen in Delft zowel rijks- als gemeentelijk beschermde gebouwde monumenten voor. Landschappelijke waarden heeft de gemeente niet specifiek beschermd. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische hoofdstructuur waarin waardevolle gebieden, ensembles en elementen zijn weergegeven. Voor deze Cultuurhistorische hoofdstructuur streeft de provincie naar behoud en herkenbaarheid. Bij de voorgenomen herontwikkeling blijft een deel van de bestaande bebouwing behouden. Dit betreft de Kramerstoren, welke onderdeel uitmaakte van het Kramerslaboratorium. In het naastgelegen plangebied van Gele Scheikunde behoudt de Kramerstoren hierbij zijn aansluiting op het Poortwachtersgebouw dat eveneens wordt behouden.
4.11.2 Aanwezige waarden
Beschermingsregimes Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook bevinden zich geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten in het plangebied. Aan de Prins Bernhardlaan zijn wel monumentale bomen gelegen. Verder is de behouden Kramerstoren in het plangebied van cultuurhistorische waarde. De Kramerstoren heeft in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 52
bestemmingsplan IGVO Figuur: Vogelvluchtfoto van het gebouw, na sloop van het gebouw de Witte Olifant (Geoweb gemeente Delft)
Cultuurhistorischonderzoek SteenhuisMeurs heeft voor Gele Scheikunde Complex en het Kramerslaboratium de cultuurhistorische waarde van het terrein en de gebouwen onderzocht. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 24 Cultuurhistorisch onderzoek.
De Prins Bernhardlaan ligt aan de oude waterloop van de Kloosterwetering, onderdeel van de middeleeuwse ontginningsstructuur vanaf de Schie. Deze wetering liep ooit ver door in het buitengebied, maar werd in 1930 onderbroken door de Aula van de tegelijk daarmee uitgebreide begraafplaats Jaffa. Met de vroege 20e-eeuwse stadsuitbreidingen werd, voor het eerst in het uitbreidingsplan van Hartman in 1908, het schuine verloop van de Julianalaan geïntroduceerd. Het verder uitgewerkte plan van 1915 hield rekening met aankoop door het Rijk van terreinen voor de geplande gebouwen van de Technische Hogeschool (hierna: TH). Als laatste deel daarvan startte in 1938 de aanleg van het complex voor Gele Scheikunde, dat voltooid werd na de Tweede Wereldoorlog. De vorm van de driehoek Gele Scheikunde, in aanzet al bepaald door de Julianalaan, werd definitief begrenst met de verlengde Michiel de Ruyterweg, de hoofdtoegang naar de nieuwe TH-wijk om de Mekelweg. Het Kramerslab werd gelijktijdig met de vroeg-naoorlogse plannen voor deze TH-wijk ontwikkeld. De driehoek is zowel qua structuur, als qua bouwtijd van de complexen eind jaren '30 - eind jaren '40, de overgang tussen de vooroorlogse en naoorlogse universiteitsgebieden. Het Kramerslab werd als een complex van 'Proeffabrieken' gebouwd in 1946-1949 volgens ontwerp van architect C.A. Abspoel.
De hoeksituatie bepaalde in samenhang met de functionele onderverdeling de L-vormig uitleg met twee haaks op elkaar staande 'fabriekshallen' verbonden door een toren en poortgebouw. In 1959 werd het lab uitgebreid met het met wit geglazuurde bakstenen beklede gebouw op het binnenterrein, de inmiddels gesloopte 'Witte Olifant'. De Prins Bernhardlaan, die de middeleeuwse Kloosterwetering flankeert, heeft als structuur een hoge cultuurhistorische waarde. Dit wordt ondersteunt door de (groen)inrichting, vooral door de beeldbepalende rij van monumentale bomen. Het gebouw is, samen met de recente gebiedsontwikkeling na 1900, onderzocht door SteenhuisMeurs (cultuurhistorisch onderzoek met waardestelling – november 2018). De cultuurhistorische waarden zijn: 9. de positie op de hoeklocatie, waarbij de toren de overgang markeert tussen de voor- en naoorlogse universiteitsgebieden, en de toegang aanduidt via de poort tot het binnenterrein 10. de zachte overgang met groen (´groene kraag') die ook rond Gele Scheikunde loopt en gebiedssamenhang versterkt 11. de typologie van het gebouw, met zijn door de functie bepaalde uitleg in diverse vleugels (´paviljoenstructuur´) met de toren als verbindend element 12. de architectuur, gekenmerkt door een sobere, functionele vormgeving met aandacht voor details, vooral bij de toren en poort.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 53
bestemmingsplan IGVO
Figuur: Het Kramerslab, ofwel de Proeffabrieken, rond 1950 kort na oplevering (Archief Delft) 4.11.3 Effecten en afweging Het cultuurhistorisch onderzoek geeft aan dat het behoud van cultuurhistorische waarden richting kan geven bij de planvorming, dit wordt ook gevraagd vanuit de aanwezige dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan. Volgens het Ruimtelijk-Programmatisch Kader (RPK) voor Gele Scheikunde en het Kramerslaboratorium is de uiteindelijke keuze tussen behoud en transformatie, aanpassing of zelfs sloop is afhankelijk van een bredere, integrale afweging tussen diverse factoren, zoals financiële haalbaarheid, duurzaamheid, bruikbaarheid en stedenbouwkundige kwaliteit. Vanwege de ongeschiktheid voor hergebruik van de hal van het Kramerslaboratorium is dit onderdeel inimddels met toestemming gesloopt. De Kramerstoren wordt, als beeldbepalend verticaal accent, wel in de planvorming geïntegreerd en hiermee behouden. De Kramerstoren blijft hierbij zijn verbinding houden met het Poortwachtsgebouw dat in het belendende plangebied voor Gele Scheikunde eveneens gehandhaafd blijft. De Kramerstoren krijgt een functionele invulling voor het IGVO. De aansluitende nieuwbouw volgt de bestaande rooilijn aan de Bernhardlaan, zodat de karakteristieke terugsprong vanaf de toren, en de zachte overgang (als her in te richten 'groene kraag') behouden blijven.
De nieuwbouw krijgt vorm als een in contour driehoekig bouwvolume, dat relatief smal en laag aanzet vanaf de toren, en aan de voorzijde van de Prins Bernhardlaan in hoogte is getrapt. De architectuur zal aan deze beeldbepalende zijde passende aansluiting zoeken met die van de toren. 4.11.4 Bescherming De monumentale bomen worden beschermt door middel van een aanduiding, deze wordt overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Het waardevolle gebouw, de Kramerstoren, die een plek krijgen in de toekomstige situatie wordt beschermt door middel van een dubbelbestemming. Deze ligt op het huidige gebouw. De dubbelbestemming borgt het behoud, herstel en benutten van de aanwezige cultuurhistorische waarden. 4.11.5 Conclusie De stedenbouwkundige opzet van de transformatie houdt rekening met de bestaande cultuurhistorische structuren en is afgestemd met de AOK. In het bestemmingsplan is een beschermingsregime opgenomen voor de behouden cultuurhistorisch waardevolle Kramerstoren. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.12
Water
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 54
bestemmingsplan IGVO 4.12.1 Kader Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. In het kader van het onderhavige bestemmingsplan is door Antea Group (2021) een Watertoets opgesteld, het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 14 Watertoets.
4.12.2 Huidige situatie
Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. Het maaiveld bevindt zich tussen NAP -0,3 m en NAP -0,5 m. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een klein grasveldje met een maaiveldhoogte van NAP -2,2 m.
Bodemopbouw Om de bodemopbouw ter plaatse van de planlocatie te analyseren zijn grondboringen uit het DINOloket geraadpleegd. Binnen het plangebied is één boring tot 20,5 m -mv. uitgevoerd (B37E0453). De uitgevoerde sonderingen aan de Michiel de Ruyterweg direct ten oosten van het plangebied laten een zelfde beeld van de bodemopbouw zien. De geschematiseerde bodemopbouw is in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.5: Bodemopbouw. Bron: Dinoloket.
Grondwater Om de grondwaterstand in het plangebied te kunnen analyseren zijn peilbuizen van DINOloket geraadpleegd. Op basis van de relevante peilbuis op circa 350 m ten noordoosten van het plangebied (B37E0646) blijkt dat de GHG NAP -0,85 m is en de GLG NAP -1,24 m. De grondwaterstroming stroomt op basis van het uitgevoerde historische bodemonderzoek (kenmerk 0462769.100; d.d. 30 december 2020; door Antea Group) in noordwestelijke richting. Op basis van de WKO-tool zijn in de directe omgeving van het plangebied meerdere grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen aanwezig. Daarnaast is ook aan de westzijde van het plangebied een grondwateronttrekking aanwezig.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 55
bestemmingsplan IGVO
Watersysteem Direct ten zuiden van het plangebied aan de overkant van de Prins Bernhardlaan bevindt zich een primaire watergang. Aan de oostzijde langs de Michiel de Ruyterweg is een secundaire watergang gelegen. Ten westen is een duiker gelegen die in verbinding staat met de zuidelijke primaire watergang en in het noorden met een inlaat dit in contact staat met de Schie. Het plangebied is in een peilgebied gelegen. Het peilgebied betreft GPG2011ZPD 28-A en heeft een vast peil van NAP -1,49 m.
Vuil- en hemelwater In zowel de Michiel de Ruyterweg als de Julianalaan ligt een HWA-riolering en een DWA-riolering. Het huidige plangebied voert af op deze riolering. Waterveiligheid bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 56
bestemmingsplan IGVO Uit de legger van het hoogheemraadschap blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid. 4.12.3 Toekomstige situatie
Grondwater De grondwaterstand in het plangebied staat circa 0,45 tot 0,85 m -mv. Hierbij is uitgegaan van een gemiddeld maaiveld van NAP -0,4 m, een gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van NAP -0,85 m, een gemiddelde grondwaterstand (GG) van NAP -1,05 m en een gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) van NAP -1,25 m. Binnen de gemeente Delft dient bij nieuwbouw een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m -mv. gehanteerd te worden voor stedelijk gebied inclusief wegen. Onder openbaar groen geldt een minimale ontwateringsdiepte van 0,35 m -mv.
Watersysteem Verhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa 600 m2 af en het onverharde oppervlak met circa 600 m2 toe. Waterbergingsopgave Om te bepalen of watercompensatie noodzakelijk is, is de watersleutel van het hoogheemraadschap ingevuld. Op basis van de watersleutel blijkt dat door de afname in verhard oppervlak het niet noodzakelijk is om watercompensatie uit te voeren en sprake is van een 'kruimelgeval'. In bijlage 1 bij Bijlage 14 Watertoets is de watersleutel van het hoogheemraadschap toegevoegd, hierin staat de benodigde watercompensatie als een negatieve waarde. Dit komt omdat de watersleutel met een formule werkt, waardoor bij afname van verharding een negatieve waarde ontstaat. In de praktijk betekent dit dat een overschot ontstaat. Convenant Klimaatadaptief Bouwen In het kader van klimaatadaptatie is het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' opgesteld. Zowel het hoogheemraadschap als de gemeente hebben dit convenant ondertekend. Het convenant is geen beleid van de waterbeheerders, maar een ambitie. De genoemde eisen dienen te worden nagestreefd. In het convenant is ten aanzien van het voorkomen van wateroverlast opgenomen dat ten minste 50 mm/m2 van een korte hevige bui (70 mm in 1 uur) dient te worden vastgehouden op privaat terrein.
De randvoorwaarde hierbij is dat dit water niet eerder dan 24 uur afgevoerd mag worden en de berging binnen 48 uur weer beschikbaar dient te zijn. Hoewel watercompensatie niet noodzakelijk is op basis van de watersleutel, dient wel te worden nagestreefd aan het vasthouden van 50 mm/m2 bij een korte hevige bui. In eerste instantie dient dit te worden gedaan door het realiseren van open water op eigen terrein. Indien dit niet mogelijk is, kan worden uitgeweken naar een waterberging. Ten aanzien van een waterberging kan worden gedacht aan het realiseren van een groen dak boven op het gebouw. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de sterkte van de constructie. De bebouwing dient het gewicht van het groene dak aan te kunnen. Daarnaast kan het regenwater worden opgevangen door middel van een grotere waterberging op eigen terrein. Het water uit de waterberging kan lokaal worden gebruikt binnen het terrein van de school (bewatering planten, speelwater in warme zomerdagen, etc.). Omdat het om een school gaat, bestaat de mogelijkheid om van klimaatadaptieve maatregelen een educatief onderwerp te maken en de leerlingen in de praktijk uitleg te geven over de werking van dergelijke systemen. De klimaatadaptieve maatregelen zijn overigens breder dan enkel het wateraspect.
Een volledige weergave van de uitgewerkte klimaatadaptieve maatregelen is op genomen in de bijlagen 15, 16, 17 en 18 van deze toelichting. bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 57
bestemmingsplan IGVO
Opgave Ruimtelijk Programmatisch Kader en match met Klimaatadaptief bouwen: Uit het RPK als opgenomen in Bijlage 10 Ruimtelijk-programmatisch kader vloeit het uitgangspunt voort om 5,3% van het te ontwikkelen areaal in oppervlaktewater uit te voeren. Het plangebied bedraagt 5038 m2. 5,3% van 5038 m2 = 267 m2. In onderhavig plangebied is het niet doenlijk om kwalitatief hoogwaardig en goed ontsloten oppervlaktewater te realiseren. Derhalve is in samenspraak met het Hoogheemraadschap Delfland besloten dat het wordt toegestaan om af te wijken van het RPK, en dat de opgave gerealiseerd mag worden middels vasthoud-/waterbergingsmaatregelen. Overeengekomen waterbergingsopgave: In het peilvak wordt gerekend met een peilstijging van 0,55 m. Een peilstijging van 0,55 m over 267 m2 oppervlaktewater resulteert in een waterbergingsvolume en opgave van 147 m3. Er dient dus 147 m3 waterberging binnen de ontwikkeling te worden gerealiseerd, vanuit de overeengekomen aangepaste uitgangspunten volgend uit het RPK. Deze eis komt in grote lijnen overeen met de eisen t.a.v. wateroverlast uit het convenant klimaatadaptief bouwen. Er is afgesproken dat aan het convenant op dit punt dan ook niet wordt vastgehouden, maar dat we uitgaan van de hierboven genoemde opgave.
Het verhard oppervlak (gebouwen en terreinverhardingen) dient te worden afgekoppeld, en moet afvoeren op de te realiseren waterberging. De beoordelingscriteria van het ontwerp en de vastlegging in het BP staan benoemd in de “Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces” van het HHD. De waterberging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. Een en ander is in het bestemmingsplan geborgd. Een volledige weergave van de uitgewerkte klimaatadaptieve maatregelen is op genomen in de bijlagen 15, 16, 17 en 18 van deze toelichting. Vuil- en hemelwater De gemeente heeft aangegeven dat afhankelijk van de grondwaterstand het te ontwikkelen terrein waarschijnlijk dient te worden voorzien van DT-riolering (drainage-transport). Daarnaast moet het te ontwikkelen gebied gescheiden gerioleerd worden en dient tevens rekening te worden gehouden met kosten voor het aanpassen van het rioolgemaal Zuidplantsoen. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Derhalve dient gewerkt te worden met materialen die geen uitloging veroorzaken. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap Delfland blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid.
Juridische borging Het hoogheemraadschap verwacht dat de aanleg en instandhouding van de bergingsvoorzieningen in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd worden. Dit is ook als zodanig doorvertaald. Hierbij is voor wat betreft de bergingsvoorzieningen een norm van 147 m3 aangehouden teneinde rekening te houden met de klimaatadaptatie en eisen voortvloeiend uit het RPK. 4.12.4 Conclusie De waterbergingsopgave is ingepast in het ontwerp en geborgd in de regels. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 58
bestemmingsplan IGVO
4.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.13.1 Kader De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijk eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten).
Tabel 4.6: Kolom D11.2 van m.e.r.-plichtige activiteiten uit Wet Milieubeheer en Besluit m.e.r.
Voor de activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst, of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het planvoornemen valt onder de in D gestelde drempelwaarde.
4.13.2 Beoordeling en conclusie In het kader van de onderhavige ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is meegenomen in Bijlage 27 Aanmeldingsnotitie vormvrije mer. Voor de getoetste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 59
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Verantwoording planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemming in het plangebied is aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden en de doorvoor uitgevoerde onderzoeken van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden. Er is gekozen voor een op de ontwikkeling van het plangebied gericht bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de Delftse systematiek c.q. handboek.
5.2
Systematiek bestemmingen
5.2.1
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht). Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals Gedeputeerde Staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft of een minister voor projecten van nationaal belang.
Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden.
5.2.2
Bestemmingsregels
Groen Deze bestemming is gericht op groen en groenvoorzieningen, maar maakt onder andere ook langzaamverkeersroutes en ontsluitingen mogelijk. Maatschappelijk Deze bestemming is ingericht en afgestemd op de beoogde realisatie van de internationale school. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is gericht op verkeers en verblijfsvoorzieningen, maar maakt onder andere ook groenvoorzieningen mogelijk. bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 60
bestemmingsplan IGVO Waarde - Archeologie Deze dubbelbesteming beschermt de gronden waar mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn. Waarde - Cultuurhistorie Deze dubbelbestemming beschermt de structuren met een cultuurhistorische waarde.
5.2.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn nadere bepalingen ten aanzien van het parkeren opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Aangegeven is welk gebruik in ieder geval verboden is en welk gebruik hieronder niet wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels ingeval van geringe afwijkingen van de bouwregels.
5.2.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot. Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert. Slotregel Hierin is de naam van het onderhavige bestemmingsplan opgenomen.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 61
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 6
Handhaving
Toezicht en handhaving is iets dat door betrokkenen als onprettig wordt ervaren. De gemeente doet het omdat we in een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving willen wonen, werken en leven. Soms kan het gedrag van individuele burgers of bedrijven dit streven bedreigen en een risico opleveren voor de leefomgeving. Deze risico's willen wij beheersbaar houden. Er is echter altijd een grens aan de middelen die de gemeente daarvan kan en wil inzetten. De rode draad in het gemeentelijke beleid is dat de inschatting van de risico's voor de gebruikers en voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die gesteld worden bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan onderwerpen en gevallen waarin de risico's van niet-naleving het grootst zijn. De concrete doelstellingen en speerpunten worden elk jaar vastgesteld in een jaarplan. De gemeente heeft verschillende instrumenten om het naleefgedrag te beïnvloeden en zo nodig naleving af te dwingen. Het begint met heldere regels waar draagvlak voor is en die bekend zijn bij degenen die door de regels worden geraakt. Daarnaast wordt er risicogestuurd toezicht gehouden.
Indien toezichtactiviteiten leiden tot de constatering van een illegale situatie, bijvoorbeeld omdat de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd, dan wordt beslist of en in hoeverre en met toepassing van welke sanctiemiddelen de gemeente zich zal inspannen om de overtreder te dwingen deze illegale situatie op te heffen. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de (regionale) handhavingsstrategie. Uitgangspunt daarbij is de 'beginselplicht tot handhaving'. Gelet op de beperkte beschikbare capaciteit is het echter niet mogelijk en ook wenselijk - om tegen alle overtredingen handhavend op te treden. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de overige omstandigheden van het geval zal een passende reactie en aanpak worden bepaald. Dat kan onder meer zijn een legalisatietraject, afzien van handhaving, waarschuwing of het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook sprake zijn van een strafrechtelijk traject. Strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van en gebeurt door het Openbaar Ministerie.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 62
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
7.1
Inspraak en overleg
7.1.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de relevante overlegpartners. De overlegpartners zijn in de periode van 2 maart 2022 tot en met 22 maart 2022 in de gelegenheid gesteld op het concept ontwerpbestemmingsplan te reageren. Het betreft een informele procedure zonder een harde reactietermijn. De ontvangen ontvangen reacties zijn samengevat en beantwoord in Bijlage 29 Nota vooroverleg. De ontvangen reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan.
7.1.2
Proces bestemmingsplan
Participatie De eerste participatieronde heeft plaatsgevonden tijdens een inloopavond tbv het VO bouwplan van IGVO op 28 oktober 2021. Voorafgaand aan de inloopavond is een uitnodiging verstuurd aan alle bewoners van de Zeeheldenbuurt en aan ouders van de IGVO. De inloopavond was van 19:00 tot 21:00. Op locatie in de International School Delft Primary aan de Jaffalaan zijn panelen opgehangen met het Voorlopig Ontwerp van de nieuwbouwplannen. Aanwezig waren de architect, schooldirecteur, adviseur Mobiliteit van goudappel Coffeng en adviseur van de gemeente delft om de plannen toe te lichten. De opkomst was beperkt tot circa 25 personen waarvan de helft ouders betrof. Er zijn vragen gesteld over het ontwerp en de voorgenomen verkeersafwikkeling in de Prins Bernardlaan. Als reactie hierop is aangegeven dat in de omgeving van de Prins Bernhardlaan voldoende mogelijkheden zijn voor het brengen en ophalen. Veelvuldig werd gevraagd naar de uitwerking van de plannen van Gele Scheikunde. Hier is inhoudelijk niet op gereageerd aangezien dit om een andere ontwikkeling gaat. De algehele avond maakte een positieve indruk op de aanwezige vertegenwoordigers van de initiatiefnemer.
Zienswijze Na het wettelijk vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 63
bestemmingsplan IGVO
7.2
Financiële uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag, via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Maar ook kan het gemeentelijke kostenverhaal anderszins geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst over grondexploitatie met de initiatiefnemer/ontwikkelaar, als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening of door kostenverhaal via de grondprijs. De reikwijdte van de exploitatieplanplicht en het daaruit voortvloeiende kostenverhaal, volgt uit de omschrijving van bouwplannen zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De gemeentelijke kosten bestaan voor deze wijzigingen onder andere uit de proces-, onderzoeks- en apparaatskosten ten behoeve van het wijzigingen van de bestemming op deze locaties. De gemeentelijke kosten voor het wijzigingen van het juridisch-planologisch kader voor deze maatschappelijke voorziening worden uit gemeentelijke middelen voldaan.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 64
IGVO
bestemmingsplan IGVO
Inhoudsopgave
Regels IGVO
3
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 8
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Groen Maatschappelijk Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologie ll Waarde - Cultuurhistorie
9 9 10 12 13 15
Hoofdstuk3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
16 16 17 19 20 21 22
Hoofdstuk4 Artikel 14 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
23 23 24
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 2
bestemmingsplan IGVO
Regels IGVO
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 3
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In dit plan wordt verstaan onder: 1.1
plan
het bestemmingsplan IGVO van de gemeente Delft; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0503.BP00082-0001 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw op de begane grond dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw; 1.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; 1.7
balkon
open buitenruimte met balustrade uitkragend aan de verdieping van het aangrenzend hoofdgebouw; 1.8
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.10
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.11
bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.12
bijbehorende voorzieningen
voorzieningen die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming zoals parkeren, groen, water en ontsluitingswegen; 1.13
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht ten dienste staat van de in het bijbehorende hoofdgebouw toegelaten functies; 1.14
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 4
bestemmingsplan IGVO 1.15
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.16
bouwlaag
een tussen twee opeenvolgende vloeren gelegen, voor verblijf geschikt, deel van een gebouw met uitsluiting van een kap; 1.17
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.19
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21
burgemeester en wethouders
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; 1.22
culturele voorzieningen
het uitoefenen van activiteiten op cultureel en kunstzinnig vlak, waaronder ateliers, galeries, dansscholen, muziekscholen, musea en theaters etcetera; 1.23
cultuurhistorischewaarden
de aan een bouwwerk, gebied of element toegekende waarde in verband met ouderdom, gaafheid, zeldzaamheid of herkenbaarheid vanuit historisch oogpunt; 1.24
dakopbouw
een geheel of gedeeltelijk toegevoegde bouwlaag op een gebouw boven goothoogte; 1.25
dakterras
een buitenruimte, gelegen op een hoofdgebouw of op een aan- of uitbouw of op een bijgebouw voorzien van een afscheiding; 1.26
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.27
dienstverlening
het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden met rechtstreeks contact met het publiek, zoals kapsalons en reisbureaus; 1.28
erker
een uitbouw aan de voorgevel van een hoofdgebouw; 1.29
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 5
bestemmingsplan IGVO 1.30
hoofdgebouw
een gebouw, op een bouwperceel dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.31
Hoogheemraadschap
het Hoogheemraadschap van Delfland; 1.32
horeca
een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van drank- en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, waaronder in ieder geval worden verstaan café's, restaurants, lunchrooms, snackbars en hiermee gelijk te stellen inrichtingen of bedrijven met uitsluiting van hotels en discotheken; 1.33
hoofdrijbaan
een rijbaan die in belangrijke mate is bestemd voor doorgaand (auto)verkeer; 1.34
hoogtescheidingslijn
een op de verbeelding binnen een bouwvlak aangegeven lijn waarmee de scheiding tussen twee binnen dat bouwvlak aangegeven hoogteaanduidingen wordt weergegeven; 1.35
kantoor
een bedrijf dat niet of slechts in ondergeschikte mate op het publiek gericht is en dat zich richt op administratieve, adviserende of daarmee gelijk te stellen werkzaamheden; 1.36
kap
een gesloten, voornamelijk hellende bovenbeëindiging van een gebouw bestaande uit tenminste twee niet-horizontale vlakken; 1.37
kunstwerken
voortbrengsels van de beeldende kunsten en bouwwerken waarvoor andere materialen dan aarde en zand gebruikt zijn, zoals sluizen, viaducten, bruggen en aanlandingen van bruggen etcetera; 1.38
maatschappelijke voorzieningen
het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder gezondheidszorg, zorg en welzijn, jeugd/kinderopvang, onderwijs, religie, bibliotheken, openbare dienstverlening en verenigingsleven met uitsluiting van uitvaart/begraafplaatsen, gevangeniswezen en defensie/militaire zaken; 1.39
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie; 1.40
onderzoeksvoorzieningen
onderzoek dat gericht is op het ontwikkelen, onderzoeken, vervaardigen, testen, evalueren en anderszins bewerken van hoogwaardige producten, methoden, technologieën en productiewijzen; 1.41
openbaar toegankelijk gebied
weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.42
parkeervoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het parkeren, zoals parkeerplaatsen en de daarbij behorende in- en uitritten;
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 6
bestemmingsplan IGVO 1.43
peil
voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.44
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; 1.45
slootbodem
bodem watergang, zoals opgenomen in de legger van het Hoogheemraadschap Delfland;
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 7
bestemmingsplan IGVO
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstanden:
afstanden worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4
de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.5
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.6
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.7
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8
de hoogte van een voorziening voor betreding van een dakterras
de hoogte van een voorziening voor betreding van een dakterras wordt gemeten vanaf de bovenkant van de bebouwing waarop de voorziening is geplaatst.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 8
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; langzaam verkeersroutes; ontsluitingen; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; kunstwerken; voorzieningen ten behoeve van warmte koude opwekking (bodemlussen); ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' tevens een monumentale boom;
Een en ander overeenkomstig het bepaalde in deze bestemming.
3.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan; b. voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de regels van artikel 9. 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.3.1
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het aanleggen van halfverharde paden en wegen; het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en educatief medegebruik; e. het aanbrengen van drainage; f. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen. 3.3.2
Uitzondering verbod
Het verbod als bedoeld in lid 3.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, en/of c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 9
bestemmingsplan IGVO
Artikel 4 4.1
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
onderwijsvoorzieningen; onderzoeksvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; kunstwerken; nutsvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van warmte koude opwekking (bodemlussen); ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' tevens monumentale bomen; bijbehorende voorzieningen voor zover ten dienste van de maatschappelijke voorziening, waaronder in ieder geval begrepen een schoolplein, fietsenstallingen, parkeervoorzieningen;
Een en ander overeenkomstig het bepaalde in deze bestemming.
4.2
Nadere detaillering bestemmingsomschrijving
In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in Maatschappelijk:
4.2.1
Voorwaardelijke verplichting klimaatadaptieve waterberging
De gronden ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' mogen uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in de bestemmingsomschrijving worden gebruikt, mits: a. uiterlijk 3 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan ter plaatse een waterberging van 147 m3 is gerealiseerd, instand wordt gehouden en te allen tijde effectief beschikbaar wordt gehouden. 4.2.2
Voorwaardelijke verplichting natuurinclusieve bouw
De gronden ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' mogen uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in de bestemmingsomschrijving worden gebruikt, mits: a. uiterlijk 3 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan ter plaatse maatregelen in het kader van een natuurinclusieve bouw zijn gerealiseerd en instand worden gehouden. Een en ander overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen 2, 3 en 4 bij deze regels. 4.2.3
Voorwaardelijke verplichting ontheffing Wnb soorten
De gronden ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' mogen uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in de bestemmingsomschrijving worden gebruikt, mits de voorwaarden uit Bijlage 1 Ontheffing soorten Wet Natuurbescherming, voor zover deze van toepassing zijn binnen het bestemmingsplan worden nageleefd.
4.3
Bouwregels
4.3.1
Bouwwerken, binnen het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken binnen het bouwvlak gelden de regels van artikel 9 en de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 10
bestemmingsplan IGVO b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. 4.3.2
Bouwwerken, buiten het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de regels van artikel 9 en de volgende bepalingen: a. fietsenstallingen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 m; b. voor het overige zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het aanleggen van halfverharde paden en wegen; het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en educatief medegebruik; e. het aanbrengen van drainage; f. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen. 4.4.2
Uitzondering verbod
Het verbod als bedoeld in lid 4.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, en/of c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 4.5
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om binnen de bestemming ' Maatschappelijk' de in het plan opgenomen bouwvlakken te wijzigen, mits deze wijziging geen onevenredige nadelige gevolgen voor de omgeving heeft in de vorm van geluids-, verkeers- of parkeeroverlast en is aangetoond dat voor de realisatie van de onder 4.1 genoemde functies geen milieutechnische belemmeringen zijn van de milieuaspecten luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering en verkeerslawaai.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 11
bestemmingsplan IGVO
Artikel 5 5.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. 5.2
hoofdrijbanen; verblijfs- en verkeersvoorzieningen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen, groenstructuren; water; kunstwerken; nutsvoorzieningen; voorzieningen voor het stallen van fietsen; voorzieningen ten behoeve van warmte koude opwekking (bodemlussen); bijbehorende voorzieningen; Bouwregels
Voor het bouwen gelden de regels van artikel 9.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 12
bestemmingsplan IGVO
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie ll
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie ll' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
6.2
Bouwregels
Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemming(en) gelden de volgende bouwregels: a. Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. b. Indien uit het in lid 6.2 onder a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. De verplichting als bedoeld in lid 6.2 onder a geldt niet voor projecten met een oppervlakte die kleiner is dan 200 m2 en/of een diepte die kleiner is dan 40 cm onder maaiveld.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerken met een oppervlakte die groter is dan 200 m2 en een diepte dieper dan 40 cm onder maaiveld, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen en verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen. 6.3.2
Uitzondering verbod
Het verbod als bedoeld in lid 6.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, en/of b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan, en/of c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, en/of d. archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht, en/of bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 13
bestemmingsplan IGVO e. betrekking hebben op een project met een oppervlakte die kleiner is dan 200 m² en/of een diepte die kleiner is dan 40 cm onder maaiveld. 6.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning als bedoeld in lid 6.3.1 wordt slechts verleend, indien: a. door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden en b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de gemeente archeoloog. 6.3.4
Archeologisch onderzoek
Alvorens een vergunning als bedoeld in lid 6.3.1 wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. 6.3.5 Voorschriften aan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Indien uit het onderzoek als bedoeld in lid 6.3.4 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1 kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie II' ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd indien op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden meer te verwachten zijn.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 14
bestemmingsplan IGVO
Artikel 7 7.1
Waarde - Cultuurhistorie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van actuele en het benutten van potentiële cultuurhistorische waarden.
7.2
Bouwregels
Voor het bouwen van bouwwerken gelden in afwijking van het bepaalde in de regels voor de andere daar voorkomende bestemming(en) voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen: a. op alle locaties is vergroting en/of verandering van de bestaande bebouwing niet toegestaan, indien de vergroting en/of verandering zichtbaar is vanaf de openbare weg; b. voor alle panden is de bestaande goothoogte de maximaal toelaatbare goothoogte; c. voor alle panden en objecten is de bestaande bouwhoogte de maximaal toelaatbare bouwhoogte. 7.3
Afwijken van de bouwregels
7.3.1
Voorwaarden omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 teneinde de bestaande bebouwing te vergroten en/of te veranderen, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten, en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het pand of object gelet op: a. bouwmassa naar hoofdafmeting en onderlinge verhoudingen; b. dakvorm, nokrichting, dakhelling, dakoverstekken, goot- en daklijsten en schoorstenen; c. gevelindelingen naar ramen, deuren en erkers.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 15
bestemmingsplan IGVO
Hoofdstuk 3 Artikel 8
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
bestemmingsplan "IGVO" (ontwerp) 16
bestemmingsplan IGVO
Artikel 9 9.1
Algemene bouwregels
Bouwen
Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regels met inachtneming van de volgende bepalingen: a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald; b. de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag - tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', in hoofdstuk 2 of in de overige regels anders is bepaald - maximaal bedragen: Maximale bouwhoogte
9.2
Van erf- en terreinafscheidingen niet grenzend aan openbaar toegankelijk gebied