CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte De Wolden 20211109.pdf

Gemeenteraad 15 december 2021, gemeente De WoldenBij agendapunt: Transitievisie Warmte De Wolden12.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

29

DE WONINGEIGENAAR

bedrijventerreinen uitgebreid. De gemeente wil de ondernemers graag stimuleren verduurzamingsmaatregelen te treffen en informeren over (financierings)mogelijkheden. De app voor ondernemers kan hier een goed middel voor zijn. Het is overigens goed om te realiseren dat er ondernemers zijn die een dubbele ‘rol’ hebben. Er zijn ook ondernemers die de warmte- en energietransitie helpen uitvoeren, naast dat ze met de verduurzaming van het eigen bedrijf bezig gaan. Denk bijvoorbeeld aan ondernemers uit de installatiebranche. Het is belangrijk hen ook in die rol goed mee te nemen in de transitie, om de transitie uitvoerbaar en lokaal te houden.

Woningeigenaren hebben de vrijheid om zelf actie te ondernemen. Dit betekent dat onderhoudsplannen te combineren zijn met energiebesparende maatregelen en voorbereidingen op aardgasvrij wonen. Dit bespaart energie, tijd en geld. In de kleine kernen zien we dat inwoners vaak lokaal gebonden zijn, dit biedt kansen om acties samen op te pakken om te profiteren van meerdere zaken zoals: het regelen van een collectieve inkoopactie, opstellen van een wijkuitvoeringsplan of leren van elkaars ervaringen. Woningeigenaren hebben de regie in eigen handen, waarbij de gemeente een ondersteunende en faciliterende rol aanneemt.

7.2. COMMUNICATIE IN DE UITVOERING

DE HUURDER

DE KERNBOODSCHAP

Anders dan woningeigenaren, hebben huurders minder invloed en zeggenschap op en over besparingsmaatregel aan de woning. De verhuurder of woningcorporatie heeft de verantwoordelijkheid om dit soort maatregelen te nemen, waarbij de vaste lasten voor de individuele huurder het liefst redelijk stabiel blijven. Zij zullen hun huurders tijdig en eenduidig moeten informeren over de plannen en wat dit voor hen betekent. Waar mogelijk, sluit de gemeente graag aan bij activiteiten van bijvoorbeeld Actium om koppelkansen te benutten.

Woningeigenaren, huurders, ondernemers, netbeheerders, woningcorporaties, energiecoöperaties en overheid werken samen aan de warmtetransitie. Dit gebeurt met kleine en grote aanpassingen: van koken op inductie en het isoleren van onze gevels tot de overstap op een (hybride) warmtepomp. Het is belangrijk om hier nu mee aan de slag te gaan: het klimaat verandert en fossiele brandstoffen worden schaarser, waardoor de prijzen zullen stijgen (zoals de prijs voor aardgas).

7.1. WIE ZIJN ONZE INWONERS? In De Wolden wonen ruim 24.000 inwoners en zijn ongeveer 5.500 ondernemers actief. In deze visie maken we onderscheid tussen de woningeigenaren en de huurders vanwege de verschillende communicatiebehoeften. Ondernemers hebben ook een eigen behoefte. Er is dus maatwerk nodig.

DE ONDERNEMER In De Wolden is een aantal lokale ondernemersverenigingen actief. Er is een grote diversiteit aan sectoren waarin de ondernemers actief zijn als ZZP’er. Om ondernemerschap in De Wolden te ondersteunen worden

Huizen en gebouwen moeten op een andere manier verwarmd worden. Eerst is het van belang goed te isoleren. Op deze manier is zo weinig mogelijk energie nodig. Daarnaast moeten betrouwbare en duurzame alternatieven voor aardgas worden gevonden en toegepast worden. Daarin kunnen en moeten we samen optrekken en elkaar helpen.

30

HOE BEREIKEN EN BETREKKEN WE ONZE INWONERS? De informatie over besparen en isoleren moet zowel gemeente breed als wijkgericht (bijvoorbeeld met een lokaal duurzaamheidsinitiatief) verspreid worden. We willen de bestaande netwerken en kanalen zo goed mogelijk benutten in het bereiken van onze inwoners en ondernemers. De verschillende dorpsbelangen, (ondernemers)verenigingen en al actieve lokale (duurzaamheids)initiatieven lenen zich hiervoor. Het Drents Energieloket heeft hierin ook een belangrijke rol. Samen met het Drents Energieloket probeert de gemeente zo veel mogelijk huiseigenaren in beweging te krijgen voor het uitvoeren van isolerende maatregelen en stappen te zetten richting een energieneutrale woning. Onder meer via het Drents Energieloket, bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse campagne in de gemeente, en de energiecoaches die in De Wolden actief zijn, krijgen bewoners informatie aangereikt waar zij al mee aan de slag kunnen.

gemeente te starten met energiebesparing of een concreet wijkuitvoeringsplan op te stellen. We willen aan de slag, daar waar energie zit.

LEREN VAN DE PROEFTUIN IN ANSEN In de proeftuin Aardgasvrije Wijken Schoolkring Ansen doet de gemeente waardevolle ervaring op in het concreet samenwerken met een lokaal duurzaamheidsinitiatief, energieKansen, en het delen van verantwoordelijkheden. De ervaringen die in Ansen opgedaan worden met participatie en communicatie, kan de gemeente helpen in andere dorpen. Waarom willen inwoners wel of niet de overstap maken naar aardgasvrij? Met welke communicatiemiddelen bereik je een grotere groep inwoners? Vanuit de proeftuin wil de gemeente successen meenemen en oplossingen vinden voor knelpunten.

Vanuit het Actieplan Klimaat & Energie is er jaarlijks budget voor communicatie. Vanuit dit budget is bijvoorbeeld twee keer een duurzaamheidsmagazine verspreid. Het is de bedoeling met dit budget zo veel mogelijk inwoners te bereiken en mee te nemen in de transitie. Nieuwe communicatiemiddelen en -kanalen, zoals bijvoorbeeld het specifieke duurzaamheidsmagazine, zijn daarbij een optie.

LOKALE (DUURZAAMHEIDS)INITIATIEVEN Binnen de gemeente zijn al enkele bewonersinitiatieven actief. Wij willen bestaande en ook startende initiatieven daar waar nodig ondersteunen. We willen hen de juiste handvatten bieden om stappen te kunnen nemen. De gemeentelijke energieregisseur en de beschikbare middelen vanuit het Actieplan Klimaat & Energie voor lokale initiatieven moeten deze handvatten bieden. De energieregisseur is de schakel tussen de gemeentelijke organisatie en lokale (duurzaamheids)initiatieven. Initiatieven kunnen de eerste stap zetten naar aardgasvrij wonen in hun wijk door in samenwerking met de

31

8. HET VERVOLG

HET VERVOLG HOOFDSTUK 8 Met deze eerste Transitievisie Warmte voor De Wolden geven we een vervolg aan de verduurzaming van de gemeente en een duidelijker beeld van de weg naar een duurzame en aardgasvrije gemeente. De gemeente wijst naast de proeftuin geen startwijk aan, maar in de komende jaren kan het zo zijn dat er wel gewerkt gaat worden aan wijkuitvoeringsplannen als er bijvoorbeeld koppelkansen zijn. Inwoners en lokale initiatieven kunnen nu al stappen zetten in de verduurzaming van de woningen en gebouwen en De Wolden.

32

8.1. WIJKUITVOERINGSPLANNEN Hoewel de gemeente geen startwijk aanwijst, kunnen koppelkansen ervoor zorgen dat er de komende jaren gewerkt gaat worden aan wijkuitvoeringsplannen. Een wijkuitvoeringsplan wordt vastgesteld door het college van Burgemeesters & Wethouders en gaat niet per se over een officiële wijk, maar kan ook gaan om een deel van een wijk of een combinatie van wijken, afhankelijk van de samenhang die er is. Samen met inwoners en andere stakeholders wil de gemeente door middel van een participatief proces een gedragen plan tot stand brengen over hoe het gebied van het aardgas af gaat. In het wijkuitvoeringsplan bepaalt de gemeente met de betrokken stakeholders de warmtebron en -techniek voor het gebied en op welke datum de levering van aardgas daadwerkelijk beëindigd wordt. Daarnaast zijn belangrijke onderdelen van het plan de financiering van de transitie en communicatie & participatie. Als uitgangspunt willen we de wijkuitvoeringsplannen starten met het organiseren van een actieve groep bewoners (een duurzaam netwerk), die in het gehele proces meewerken aan de totstandkoming en de uitvoering van het wijkuitvoeringsplan. Onderdelen van een wijkuitvoeringsplan zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Een uitgesproken bestuurlijke ambitie Een business case Participatieproces: welke vorm en welke doelgroepen? Technisch inzicht: welke warmtebronnen en wat betekent dat voor de woningen? Meekoppelkansen in beeld: welke benut je wel en welke niet? Een risicoanalyse Inzicht in de gebouwgebonden financiering Financieringsmogelijkheden Organisatie van de transitie Een planning

8.2. WAAR KUNNEN INWONERS EN ONDERNEMERS NU AL MEE AAN DE SLAG? De focus in deze visie ligt op energiebesparing, het beperken van de warmtevraag, en individuele oplossingen op natuurlijke momenten. Inwoners kunnen altijd no-regretmaatregelen treffen, ongeacht welke alternatieve duurzame warmtetechniek in de toekomst gekozen wordt. Door nu al zulke maatregelen te treffen, kan geleidelijk worden overgegaan op een alternatief voor aardgas. Voorbeelden zijn rendabel isoleren of overstappen op koken op inductie, zie het handelingsperspectief op bijlage 7.

ONDERSTEUNING VAN INWONERS EN ONDERNEMERS Inwoners en ondernemers worden op verschillende manieren ondersteund. Het Drents Energieloket (DEL) biedt particuliere woningeigenaren in Drenthe ondersteuning en advies bij het verduurzamen van woningen. In de gemeente zijn bovendien verschillende energiecoaches actief die inwoners kunnen helpen bij het zetten van de eerste stappen richting een duurzame woning en energiebesparing. Via de provincie (Klimaatroute) kunnen mkb-ondernemers een gratis energiescan laten uitvoeren. Via Ik Ben Drents Ondernemer (IBDO) kunnen ondernemers gebruikmaken van een voucherregeling voor financiële ondersteuning voor het inhuren van kennis, onder andere op het gebied van energie en circulaire economie.

STIMULEREN VAN LOKALE (DUURZAAMHEIDS)INITATIEVEN Met capaciteit en middelen worden nieuwe en bestaande lokale (duurzaamheids)initiatieven in De Wolden ondersteund. De gemeente wil dergelijke initiatieven de ruimte blijven geven om met duurzame ideeën te komen. Op basis van lokale duurzame ideeën kan het zijn dat er een wijkuitvoeringsplan moet worden opgesteld.

33

BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST Alternatieve warmtebronnen

Water verwarmingssystemen die geen gebruik maken van de fossiele brandstof aardgas noemen we alternatieve duurzame warmtebronnen.

Collectieve oplossingen

Warmteoplossingen waarbij meer dan één woning of gebouw aangesloten zijn op de warmtebron of -techniek zijn collectieve oplossingen.

Duurzaamheidsleningen

Duurzaamheidsleningen zijn leningen die gebruikt worden om duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Een duurzaamheidslening moet worden terug betaald, maar kent in de regel een lage rente.

Eindgebruikerskosten

De kosten die een bewoner, huurder of gebruiker van een woning of gebouw betaald voor het verwarmen van de woning of het gebouw. Eindgebruikerskosten kunnen worden onderverdeeld in jaarlijkse kosten en investeringskosten. Jaarlijkse kosten komen elk jaar terug (zoals kosten voor onderhoud en de energierekening) en investeringskosten zijn eenmalig (zoals voor het installeren en aanschaffen van de techniek).

Energietransitie

De overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van hernieuwbare brandstoffen voor onze energievoorziening noemen we de energietransitie.

Individuele oplossingen

Warmteoplossingen waarbij één woning of gebouw is aangesloten op de warmtebron of -techniek zijn individuele oplossingen.

Klimaatakkoord

In het Klimaatakkoord heeft Nederland afspraken gemaakt om maatregelen te nemen die de gevolgen van klimaatverandering tegengaan. Er zijn twee soorten Klimaatakkoorden: het Klimaatakkoord van Parijs en het nationale Klimaatakkoord.

Maatschappelijke kosten

Maatschappelijke kosten zijn de totale financiële kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een woning, wijk of dorp van het aardgas af te halen, ongeacht wie die kosten betaalt.

Marktrijpheid

Een warmtebron of -techniek is marktrijp als deze zodanig ontwikkelt is dat hij klaar is om de 'markt' op te gaan. Oftewel, als de techniek volwassen is en gebruikt kan worden om woningen en gebouwen te verwarmen.

34

No-regret of 'geen spijt'

Maatregelen die je als woning- of gebouweigenaar hoe dan ook kan nemen om je woning of gebouw te verduurzamen zonder dat je al weet op welk duurzaam

maatregelen

warmte alternatief je overgaat. Voorbeelden van dit soort maatregelen zijn isoleren, elektrisch koken of het plaatsen van een waterbesparende douche.

Regionale Energiestrategie

De Regionale Energiestrategie (RES) beschrijft de bovenregionale afstemming om warmtebronnen te verdelen tussen regio’s en gemeenten. Daarnaast geeft de RES aan hoe gemeenten kunnen samenwerken voor de opwekking van duurzame elektriciteit en bevat het inzicht in hoe de regio de energieproductiecapaciteit voor de regio kan realiseren.

Subsidies

Een nieuwe duurzame maatregel levert vaak besparing, of meerwaarde voor de woning op. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te kunnen betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Subsidies worden dan gebruikt om bewoners te helpen de maatregel te nemen.

Transitievisie Warmte

De Transitievisie Warmte is een document waarin de route naar een aardgasvrije gemeente wordt beschreven. Elke gemeente moet een dergelijke visie in 2021 hebben vastgesteld en tenminste eens in de vijf jaar herzien. Op deze manier wordt de visie steeds concreter en blijft er ruimte om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen of nieuwe onderzoeksinzichten.

Warmtetransitie

De overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van hernieuwbare brandstoffen voor onze warmtevoorziening noemen we de warmtetransitie.

Warmtevraag

De hoeveelheid warmte die nodig is om een gebouw, wijk of gemeente te voorzien van warmte.

Woningequivalent

Een woningequivalent is een eenheid om woningen en andere gebouwen met elkaar te vergelijken. Eén woningequivalent is het gemiddelde warmteverbruik per jaar van een gemiddelde woning in Nederland. Om het warmteverbruik van woningen en gebouwen te kunnen vergelijken, wordt het energieverbruik van gebouwen omgerekend naar woningequivalenten.

Wijkuitvoeringsplan

Een wijkuitvoeringsplan is een document waarin concreet wordt beschreven hoe een wijk, buurt of dorp van het aardgas afgaat. Deze uitvoeringsplannen vormen het vervolg op een Transitievisie Warmte.

35

BIJLAGE 2: BOUWJAAR Het bouwjaar van een woning geeft op hoofdlijnen inzicht in de mate van isolatie en daarmee geschiktheid voor HT- of LT-temperatuuroplossingen. Over het algemeen geldt: hoe ouder de woning, hoe slechter de isolatiewaarde en hoe hoger de benodigde temperatuur om de woning te kunnen verwarmen. Energielabels geven accurater dan het bouwjaar weer wat de isolatiewaarde is, maar niet van alle woningen is het energielabel bekend. Hieronder geven we per bouwperiode weer wat in de basis de benodigde isolatiemaatregelen zijn en welke warmtebron het beste past bij deze woningen. Bij onderstaande informatie is uitgegaan van gemiddelden. Het kan zijn dat een individuele woning uit een bepaald bouwjaar beter of slechter presteert dan de genoemde gemiddelde prestaties. Bestaande isolatie kan bijvoorbeeld slecht aangebracht zijn of degradeert na verloop van jaren, waardoor het een deel van de isolatiewaarde verliest. Woningen voor 1980 - Voor woningen van voor 1980 is het nodig om de woning beter te isoleren om van LT-warmte gebruik te kunnen maken. Echter lopen de kosten van isolatie voor dit soort huizen snel op. Hierdoor kan het kostenefficiënter zijn om van een andere bron gebruik te maken (HT). Woningen van 1980 tot 1992 - Voor woningen van na 1980, maar voor 1992, is er een minimale isolatie van 5 cm in de spouwmuren aanwezig.

De woningen hebben gemiddeld een RC waarde van 1,5. De RC waarde geeft het totale isolerende vermogen van een gebouw weer. RC staat voor Resistance of Construction, oftewel warmteweerstand. Bij deze woningen is het vaak voldoende om de vloer, de ramen en het dak extra te isoleren om naar LTwarmte over te gaan. Er dient dan ook een groter warmteafgifteoppervlak te worden gecreëerd. Vaak zit de spouwmuur van deze woningen al bijna vol met isolatie waardoor het navullen hiervan wel zinvol is, maar minder bijdraagt dan

de reeds aanwezige isolatie. Hierdoor is de terugverdientijd van muurisolatie voor dit soort woningen een stuk langer. Bouwbesluit 1992 - Dankzij de invoer van het bouwbesluit van 1992 zijn woningen met een bouwjaar van 1992 of later relatief goed geïsoleerd of ‘eenvoudiger’ te isoleren. Het bouwbesluit schrijft minimale isolatie standaarden voor. Zo is er een minimale RC-waarde voor gevels, ramen en vloeren van 2,5. Dit houdt onder andere in dat panden gebouwd onder het Bouwbesluit 1992 voorzien zijn van een gevulde spouwmuur en dubbel glas. Aanvullende isolatie en aanpassingen elders in het gebouw zijn wel aan te bevelen. Dit gaat voornamelijk om, wanneer het moment daar is, dubbel glas vervangen door minimaal HR++ en idealiter HR+++ glas. Daarnaast zijn er voldoende grote warmteafgifteoppervlakten nodig (zoals grotere radiatoren, convectoren of vloerverwarming) om LT mogelijk te maken. Nieuwbouw - Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (VET) in werking getreden en geldt dat alle nieuwbouwwoningen aardgasvrij moeten zijn. Omdat nieuwbouwwoningen zeer goed geïsoleerd zijn, kunnen deze goed aangesloten worden op een LT-warmtenet of retourleiding van een MT- of HT-warmtenet, als deze beschikbaar is. Als een warmtenet niet mogelijk is, dan zijn deze woningen zeer geschikt voor een all-electric oplossing (warmtepomp).

36

BIJLAGE 3: BRONTEMPERATUUR

Figuur 5: Indicatie van temperatuur per warmtebron van laag naar hoog

37

BIJLAGE 4: TECHNIEKEN INDIVIDUELE OF COLLECTIEVE TECHNIEKEN Afhankelijk van het woningtype liggen bepaalde systemen meer voor de hand dan andere. Bij een lage bebouwingsdichtheid en oudere woningen, zoals vaak in het buitengebied en kleine kernen het geval is, is een individuele oplossing een geschikt systeem. In het geval van een nieuwe woning bij een lage bebouwingsdichtheid kan gebruik gemaakt worden van warmte uit de lucht of bodem in combinatie met een warmtepomp. Dit is een all-electric oplossing. Ook collectieve oplossingen die gebruik maken van het bestaande aardgasnet zoals groen gas of waterstofgas kunnen een goede optie zijn, omdat er geen nieuw transportnet geplaatst hoeft te worden. De kosten voor het plaatsen van een warmtenet of gasnet lopen bij een lage bebouwingsdichtheid snel op. Daarnaast is het logistiek gezien een enorme onderneming. De straat moet namelijk open worden gebroken, het warmtenet moet aangelegd worden en de oude gasleiding moet eruit. Hieronder staat in meer detail beschreven welke type warmtebronnen er zijn en of die zich lenen voor collectieve of individuele technieken en voor welk type gebieden zij geschikt zijn.

TECHNIEK VAN COLLECTIEVE WARMTEBRONNEN Collectieve warmtealternatieven zijn warmtesystemen waarbij meerdere gebouwen zijn aangesloten op dezelfde warmtebron (zoals het huidige gasnet of stadsverwarming). De warmte of brandstof wordt via een warmte- of gasnet getransporteerd naar de individuele panden.

Een collectief systeem op een HT-systeem (> 70°C), zoals restwarmte van industrie of geothermie kan een woning direct verwarmen zonder dat daar aanpassingen voor nodig zijn zoals andere radiatoren. Een collectief systeem op MT (tussen 40°C en 70°C) verlangt wel goede isolatie. Ook is een tweede technologie nodig om warm tapwater te leveren, zoals een boiler. Een optie is om MT-warmte met een collectieve HT warmtepomp eerst centraal naar een HT te brengen en vervolgens alsnog via een warmtenet te transporteren. Bij deze HT is vergaande isolatie van de panden geen vereiste, maar rendabele isolatie wel gewenst om zoveel mogelijk energie te besparen en, indien mogelijk, meer panden op het warmtenet te kunnen aansluiten. HT en MT zijn zeer geschikt voor oude panden waarvan isolatie zeer kostbaar is. Voor een collectief warmtesysteem is een hogere bebouwingsdichtheid nodig met een minimaal aantal aansluitingen, omdat het anders financieel niet haalbaar is. Een HT, collectief, systeem is bij hoogbouw en voor oude dorps- en stadskernen vaak de meest geschikte keuze vanwege de beperkte ruimte rondom het pand of geluidsoverlast van andere oplossingen, zoals de luchtwarmtepompen. Er moet echter nog wel voldoende ruimte vrij zijn in de bodem voor het plaatsen van het nieuwe net, indien dit nodig is.

HT bronnen (bijvoorbeeld geothermie) in combinatie met een warmtenet vraagt vanwege de hoge investeringskosten vaak om minimaal 5000 woningen. Voorbeelden van collectieve systemen met lage temperatuur zijn warmtekoudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater of afvalwater (aquathermie). Dit zijn bronnen die warmte winnen uit de bodem en het rioolof oppervlaktewater. Vanwege de lage temperatuur van de bronnen moet de temperatuur op individueel of collectief niveau met een warmtepomp omhoog gebracht worden naar ten minste 30°C. Bij deze vorm van warmtelevering is vergaande isolatie nodig. Het grootste nadeel van lage temperatuur (LT) warmtenetten is dat er zowel een warmtenet, als een warmtepomp nodig is. 38

Soms ook warmteopslag. De energielasten kunnen hierdoor hoog oplopen. Voordeel is dat lage temperatuur warmtebronnen geschikt zijn voor kleinere warmtenetten van enkele honderden woningen. Daarnaast zijn er meer lage en midden temperatuur (MT) beschikbaar in vergelijking tot hoge temperatuur (HT) restwarmte, die schaars is. Tot slot geeft een LT warmtenet vaak de mogelijkheid tot koudelevering in de zomer.

Daarom kan de houtpellet kachel worden gezien als een optie voor het buitengebied waar de woningdichtheid laag is.

TECHNIEK VAN INDIVIDUELE WARMTEBRONNEN

ELEKTRISCHE WARMTEPOMP – ELEKTRICITEIT

Individuele alternatieven zijn warmtesystemen die per individueel pand worden toegepast. Voorbeelden zijn warmtepompen waarbij de toevoer aan warmte afkomstig kan zijn uit de lucht, bodem(lus), riool, warmte- koudeopslag (WKO) of oppervlaktewater uit de directe nabijheid van het gebouw. Zonneboilers zijn ook duurzame warmte alternatieven.

Een warmtepomp maakt het elektrisch verwarmen van een goed geïsoleerde woning mogelijk. Het brengt warmte afkomstig uit lucht, bodem of grondwater middels elektriciteit naar een hogere temperatuur geschikt voor het verwarmen van een woning en het leveren van warm water. Omdat ook na het elektrisch verwarmen de warmte nog steeds een lage temperatuur betreft is een goed geïsoleerd huis noodzakelijk om onnodig veel elektriciteitsgebruik te voorkomen. Een woning moet geschikt zijn of gemaakt worden voor lage temperatuur verwarming. Dit houdt in dat je een groter oppervlak nodig hebt dat warmte uitstraalt. Vloerverwarming of andere radiatoren zijn dan noodzakelijk om voldoende warmte in de woning te krijgen.

Voor een individuele warmtepomp (LT-warmte) moet een woning vergaand geïsoleerd zijn of worden, om in de wintermaanden voldoende comfort te kunnen garanderen. Is volledige isolatie te kostbaar omdat het pand oud is? Dan is een hybride warmtepomp een optie. In de meeste gevallen van een hybride warmtepomp is spouw-, vloer- en dakisolatie en HR++-glas nodig. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp aangesloten op het bestaande gasnet. Dan worden de piekvragen (de warmtevraag op erg koude dagen) met (duurzaam) gas ingevuld. Bij LT-oplossingen zal de manier van warmteafgifte in de woning vaak moeten worden aangepast; ruimteverwarming gaat dan niet meer via traditionele radiatoren, maar met grote radiatoren, convectoren of vloerverwarming, omdat deze een groter oppervlak voor warmteafgifte hebben. Deze LT/all-electric opties lenen zich met name voor relatief nieuwe panden, van na 1992, waarbij isoleren relatief ‘eenvoudig’ is of niet nodig. Een houtpellet gestookte ketel is een individuele HT-variant. De duurzaamheid van deze optie is omstreden wanneer de houtpellets niet geproduceerd zijn met hout uit de regio. Daarnaast duurt het tientallen jaren voordat de CO2 die vrijkomt bij verbranding weer opgenomen wordt door bomen. Op korte termijn zorgt dit daarom niet voor CO2-reductie. Tenslotte levert het discussies op over luchtkwaliteit, zeker in dichtbebouwde gebieden.

ALLE ALTERNATIEVEN OP EEN RIJ

WKO – WARMTENET EN ELEKTRICITEIT Op ondiepe schaal kan middels een warmte-koude-opslag (WKO) een kantoorpand of een woonwijk verwarmd worden. Een WKO is als het ware een opslagvat onder de grond dat warmte vast kan houden. Een WKO zorgt voor opslag van warmte in de zomer die in de winter gebruikt kan worden om te verwarmen en opslag van koude in de winter die in de zomer gebruikt kan worden om te koelen. Het in balans houden van een WKO is essentieel. Dit betekent dat een WKO alleen geschikt is voor wijken of gebieden die naast een warmtevraag ook te maken hebben met een koudevraag, waardoor een WKO niet overal toepasbaar is. Daarnaast levert een WKO lage temperatuurwarmte waardoor woningen net als bij een elektrische warmtepomp geschikt moeten zijn voor lage temperatuur verwarming of de temperatuur collectief in de wijk naar een hogere temperatuur gebracht dient te worden.

39

AQUATHERMIE – WARMTENET EN ELEKTRICITEIT Aquathermie gaat over het gebruiken van warmte uit oppervlaktewater (TEO), drinkwater (TED) en afvalwater (TEA). Warmte uit drinkwater ontstaat bij het afkoelen van drinkwater, voordat het in het net gaat. Warmte uit oppervlaktewater en afvalwater kan direct uit de bron (rivier, rioolwaterzuivering) worden gewonnen. De warmte van deze 3 bronnen zorgt voor de verwarming van een lage temperatuur warmtenet. Bij oppervlaktewater wordt hierbij vaak een koppeling gemaakt met een WKO, omdat de warmte in de winter nodig is, maar vooral in de zomer aanwezig is en daarom opgeslagen moet worden. Het gebruik van warmte uit rioolwater heet ook wel riothermie.

GEOTHERMIE – WARMTENET Geothermie is warmte afkomstig uit de bodem en aarde en kan middels verschillende technieken een woning van warmte voorzien. Met geothermie in de warmtetransitie bedoelt men meestal het gebruik van warmte uit diepe aardlagen die gebruikt kan worden voor de verwarming van water in een warmtenet. In diepe aardlagen (dieper dan 500 meter) wordt de aarde verwarmd door de kern van de aarde. Hierdoor kunnen we ‘onbeperkt’ grondwater uit deze diepe lagen oppompen en hier afgekoeld water voor terug in de plaats stoppen. Dit afgekoelde water warmt vervolgens op den duur vanzelf weer op en de warmte die vrijkomt gebruiken we om een hoge temperatuur warmtenet te realiseren. In Nederland kunnen we echter niet overal in de grond boren en niet elke aardlaag is geschikt voor geothermie. Daarnaast zijn de investeringen voor het oppompen van water uit diepe aardlagen hoog, waardoor er veel woningen dichtbij de bron nodig zijn om het betaalbaar te houden. Een warmtenet gevoed door geothermie is daarom lang niet overal mogelijk.

RESTWARMTE – WARMTENET Warmte kan ook afkomstig zijn van bedrijven. In dit geval spreken we vaak van restwarmte. Bij industriële processen ontstaat er soms warmte die een bedrijf zelf niet meer nuttig kan gebruiken en een warmtenet van warmte kan

voorzien. Voordat een restwarmtebron als bron voor een warmtenet wordt gekozen moet er altijd een garantie komen dat ook als het bedrijf weg gaat. Tapwater (water voor douche/bad/keuken) moet tot minimaal 55 ⁰C verwarmd worden in verband met legionella. een andere bron het net van warmte kan voorzien. Dit in verband met de leveringszekerheid. Daarnaast is van veel bedrijven onvoldoende bekend hoeveel restwarmte er in potentie beschikbaar is en hoe zich dat in de toekomst ontwikkelt. Restwarmte is daarom als warmtebron voor een warmtenet organisatorisch vaak complexer te realiseren, als er geen grote restwarmtebronnen aanwezig zijn, dan bijvoorbeeld aqua- of geothermie. Afhankelijk van de leveringstemperatuur kan het nodig zijn om (op buurtniveau of individueel) met warmtepompen de temperatuur van het tapwater op te hogen naar minimaal 55-60 ⁰C2 en ruimteverwarming van minimaal 35 ⁰C.

BIOMASSA – WARMTENET Biomassa is plantaardig en dierlijk restmateriaal (GFT, mest, snoeiafval, etc.) dat gebruikt kan worden om warmte uit te krijgen. Door biomassa, vooral snoeiafval, in een biomassacentrale te verstoken ontstaat warmte. Doordat er bij dit proces fijnstof vrijkomt en er geen ongelimiteerde regionale biomassavoorraad is, wordt deze warmtebron minder snel gekozen.

GROEN GAS – GAS Biogas ontstaat door het vergisten van biomassa. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van mest, GFT-afval en rioolslib. Door dit te vergisten ontstaat biogas. Biogas kunnen we echter niet zomaar in ons bestaande aardgasnet invoeren. De eigenschappen (onder andere de calorische waarde) van biogas verschillen te sterk van aardgas. Daarom kan biogas worden opgewaardeerd naar groen gas. Door biogas te zuiveren en te drogen ontstaat een (groen) gas met dezelfde eigenschappen als aardgas, waardoor het in het bestaande gasnet kan worden ingevoerd. Groen gas is een hoge temperatuur warmtebron. Doordat groen gas dezelfde eigenschappen als aardgas heeft, vraagt dit geen enkele aanpassing aan de bestaande infrastructuur en 40

woningen. We kunnen immers onze woning middels gas blijven verwarmen. Dit klinkt aantrekkelijk, maar de benodigde biomassa is slechts beperkt aanwezig, waardoor we zuinig om moeten gaan met de inzet van groen gas. Dit betekent dat ook woningen die aangesloten blijven op een gasnet hun warmtevraag naar beneden moeten brengen. Dit kan door goed te isoleren en door gebruik te maken van een hybride warmtepomp in combinatie met een HR ketel. Hierbij zorgt elektriciteit voor verwarming op de warme dagen en wordt alleen het groen gas gebruikt als het buiten te koud is of voor verwarming van tapwater.

temperatuurwarmte kan leveren aan oude panden in het buitengebied, zolang de fijnstofuitstoot wordt beperkt. Of melkveehouders die warmte uit melk kunnen halen om hun woning te verwarmen. Daarnaast is het de verwachting dat er in de toekomst meerdere alternatieven voor aardgas geschikt worden voor de woningmarkt, zoals de hoge temperatuur warmtepomp

WATERSTOFGAS – GAS Waterstofgas is geen bron die van nature voorkomt. Waterstof ontstaat op dit moment vooral door een chemische reactie waarbij aardgas wordt omgezet naar waterstof en CO2. Waterstof kan echter ook duurzaam worden verkregen door met veel elektriciteit water te splitsen, waarbij waterstof en zuurstof vrijkomt. In dit laatste geval waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie spreken we over groene waterstof, een geschikt duurzaam alternatief voor aardgas. Productie van deze groene waterstof vindt op dit moment nog nauwelijks plaats. Of en hoe de productie en het gebruik van groene waterstof zich gaat ontwikkelen is nog onbekend. Waarschijnlijk wordt een groot deel van de groene waterstofproductie door de industrie en mobiliteitssector gebruikt. Of en hoeveel er voor de woningen overblijft en tegen welke prijs is nog onzeker. Wij houden daarom de optie voor waterstofgas in de toekomst zeker open, maar kiezen daar waar andere opties beschikbaar zijn voor andere, meer toekomst zekere alternatieven voor aardgas.

ANDERE ALTERNATIEVEN Naast bovengenoemde alternatieven zijn er nog andere alternatieven voor aardgas beschikbaar. Dit zijn veelal alternatieven die op individueel niveau en kleine schaal worden toegepast. Deze alternatieven worden daarom nooit voor een gehele wijk aangewezen, maar bieden op individueel niveau soms wel uitkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om de pelletkachel die hoge 41

BIJLAGE 5: BRONNEN IN DE WOLDEN* * In de grafiek hiernaast wordt uitgegaan van woningequivalenten. Wanneer isolerende maatregelen zijn genomen, zullen de potentiewaarden hoger liggen.

Potentie warmtebronnen in De Wolden 12000 10000 8000

6000 4000

2000 0

Aantal woonequivalenten in gemeente

42

BIJLAGE 6: BEZIT WONINGCORPORATIES

43

BIJLAGE 7: HANDELIN GSPERSPEC TIEF VOOR VERSCHILL ENDE BOUWJAR EN 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10875313/1