Mail bij zienswijze geanonimiseerd
Tekst van het document
Daarbij is de voorgenomen ontgronding aangegeven met een gele lijn. Reactie • De NRD beschrijft hoe de installatie op de oude zandwinning in bedrijf blijft. Vanaf de nieuwe locatie wordt het zand met een transportleiding naar de installaties verpompt. De ligging van het leidingtracé is niet aangegeven en maakt geen deel uit van het plangebied. Er is een (beperkte) leiding aanwezig waarvan niet duidelijk is of deze gebruikt wordt en voldoet. De aanleg, het gebruik en het verwijderen van deze transportleiding leidt tot effecten en risico’s. • Voorts is het plangebied zeer beperkt gedefinieerd. De bestaande installaties met de aan- en afvoerroutes dienen te worden opgenomen in het plangebied van de NRD. De NRD dient hierop te worden aangevuld omdat anders dit aspect buiten beoordeling blijft. • In de NRD wordt gesteld: In het MER zal per milieuaspect worden toegelicht wat het relevante studiegebied is. Daarmee is de NRD onvolledig en kan niet worden beoordeeld of de belangen van 5.1.2e voldoende betrokken zijn in het MER en daarmee de effecten in voldoende mate in beeld worden gebracht. Nut en noodzaak In de NRD is op pagina 7 verder opgenomen dat: “Indien er geen winmogelijkheden bijkomen bestaat er, zoals ook geconcludeerd door Berenschot, een grote kans is op maatschappelijke problemen door een zand- en grindtekort (o.a.
vertraagde en duurdere woningbouw- en infrastructuurprojecten en vertraging in de energietransitie). Daarnaast zullen bijdragen aan maatschappelijke ambities, bijvoorbeeld ruimte voor de rivier, waterbuffering en nieuwe natuur, welke op dit moment onderdeel zijn van de gebiedsontwikkelingen rondom winningsprojecten, niet langer 26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
49
Projectgerelateerd
worden gerealiseerd als (nieuwe) projecten geen doorgang vinden. Dit kan vanzelfsprekend grote gevolgen hebben voor betaalbaarheid en uitvoering van doelstellingen in het kader van bijvoorbeeld de hoogwateropgave, klimaatadaptatie of natuurontwikkeling.” Reactie: Op basis van de NRD ontstaat de indruk dat primair zandwinning de reden is voor het project en daarmee de nut en noodzaak. De eindsituatie, natuurfuncties en kleinschalige recreatie worden maar beperkt benoemd. In het kader van de MER dient te worden onderzocht of hier behoefte aan is en of in deze behoefte met het project wordt voorzien. Bestaande zandwinning “Deze laatstgenoemde hoeveelheid zand kan echter niet worden gewonnen, aangezien het geheel aan installaties/gebouwen met toebehoren en zanddepots ook worden gebruikt door de nieuwe zandwinning en daardoor niet op de locatie nieuwe van de zandwinning hoeven te worden gesitueerd. Tevens zal daardoor de verkeersafwikkeling in de toekomst via de aanwezige infrastructuur van de bestaande zandwinning hetzelfde blijven” Reactie: Het project leent zich voor de afweging, zeker gezien het doel van de MER, om in de NRD als alternatieven het verplaatsen van de installatie versus het laten staan van de installatie te beoordelen als onderdeel van de te beoordelen alternatieven.
Op die wijze kan het meest optimale scenario worden gekozen waarbij de installatie zo min mogelijk milieueffecten heeft. Voorgenomen activiteit:zandwinning “Door de percelen en hun erfbeplanting ligt aan de noordelijke grens een kleinschaliger landschap. Door het gebied loopt een bredere watergang. Voor de rest bestaat het gebied uit weilanden met een zeer open en weids karakter met twee bosschages aan de oost- en westkant.” Reactie: De nieuwe zandwinning heeft tot gevolg dat bestaand leefgebied (flora en fauna) én weidegronden verdwijnt. In de NRD is niet beschreven of en op welke wijze dit aspect wordt onderzocht en gewogen in de MER. Technische aspecten zandwinning Op pagina 9 is het volgende opgenomen.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
50
Projectgerelateerd
Reactie: In de NRD is de aanleg van een mogelijke nieuwe watergangverbinding niet benoemd als onderdeel van het project. In tabel 3.1 wordt niet benoemd welke onderzoeksinspanning in het MER hiernaar wordt uitgevoerd en waaraan resultaten zullen worden getoetst. Landschappelijke inpassing Op pagina 10 is het volgende opgenomen: Centraal in het landschapsplan staan: • Het historisch ontginningslint: o Aansluiting met de historische karakteristieken van het lint van de 5.1.2e o Zone verbreden tot tegen de waterlijn. • Weids veenweidegebied: o De bestaande weidsheid en openheid borgen; o Geen nieuwe opgaande beplanting toevoegen. • Waterrijke natuurzone: o Aansluiting op het natuurlandschap van de Veeningerplas; o Inzetten op natuur en ecologische waarden.
;
Reactie: Een diepe plas heeft weinig te maken met een veenweidegebied en al in zijn geheel niet met ontwikkeling van veenweidegebieden. Deze ontwikkeling sluit hier niet op aan. Locatie alternatieven Op pagina 10 en 11 wordt het volgende gesteld:
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
51
Projectgerelateerd
•
Directe aansluiting aan de huidige zandwinplas is niet mogelijk. Uit geohydrologisch onderzoek3 blijkt dat een uitbreiding van de bestaande zandwinplas niet aan de orde is. De watertoevoer voor de huidige plas wateraanvoer en het vergroten van deze plas past niet bij de huidige discussies over een goede droogte- en waterverdeling binnen provincie Drenthe. Een eventuele uitbreiding van de bestaande plas in de westelijke richting zou beide plassen dichter bij elkaar laten komen met een grotere kans op wederzijdse beïnvloeding (vernatting en verdroging). Een groter tussenliggend gebied vormt een grotere buffer om deze effecten te mitigeren. Een uitbreiding van de bestaande plas in noordelijke en noordoostelijke richting is vanwege een aanwezige keileemscol4 technisch niet mogelijk
Reactie: • Voorgaande motivatie kan niet worden beoordeeld omdat het onderzoek waarnaar verwezen wordt geen deel uitmaakt van de ter inzage gelegde NRD. Op voorhand lijkt het aanleggen van een tweede plas gescheiden met een dam of kleinere buffer geen bezwaar om aan hydrologische bezwaren tegemoet te komen. • Het is juist in het kader van een MER aan de orde om alternatieve locaties mee te nemen in de beoordeling. Deze zijn er direct aansluitend aan de bestaande plas, de beoogde nieuwe plas maar ook op wat meer afstand. Zeker wanneer in de beoordeling van de alternatieve de verschillende vervoersmogelijkheden worden meegewogen, in het bijzonder zowel de afvoer per as als per schip over nabijgelegen waterwegen. Op pagina 11 wordt het volgende geteld: •
•
Er wordt op een efficiënte wijze gebruik gemaakt van de huidige infrastructuur om de zandwinning uit te voeren, te transporteren en op te slaan op de bestaande zandwinningsplas aan de Willem Moesweg. Voor de bestaande werklocatie is een nieuwe brug aangelegd om een snelle ontsluiting richting snelweg te realiseren. Door deze werklocatie te behouden, kan deze brug ook blijven functioneren. Vanwege de landschappelijke inpassing op basis van de landschapsanalyse waardoor de zandwinning op een natuurlijke manier past in het huidige en historische landschap (die kenmerkend zijn voor het historisch ontginningslint, weids veenweidegebied en de waterrijke natuurzone).
Reactie: Er is onduidelijk hoe wordt aangesloten; is sprake van een transportroute per as of een ()bestaand danwel te vernieuwen) leidingtracé en hoe loopt dit tracé? Welke alternatieven zijn hiervoor aanwezig en op welke wijze worden deze in het MER betrokken?
3
Rapport: 5.1.2e Traandijk, uitbreiding ten westen van bestaande zandwinlocatie (Sweco, 5.1.2e ). Een keileemscol is een heuvel die is ontstaan door de werking van ijs tijdens de ijstijd. Het bestaat uit keileem, een mengsel van zand, grind, en leem dat door het ijs is samengeperst. Deze heuvels zijn vaak te vinden in gebieden waar eerder gletsjers waren. 4
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
52
Projectgerelateerd
7
Conclusies
Onderstaand zijn per deelonderwerp de conclusies weergegeven die getrokken worden door 5.1.2e op basis van het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijhorende stukken. Het voorliggende rapport vormt daarmee de basis voor de zienswijze van 5.1.2e . Procedure en MER-opzet • De voorgenomen zandwinning betreft geen uitbreiding, maar een nieuwe zandwinlocatie. Dit is in de MER en NRD niet consequent en correct verwerkt. • De NRD is onvolledig en te summier, waardoor belanghebbenden (waaronder 5.1.2e ) hun belangen onvoldoende hebben kunnen beoordelen. • Essentiële onderwerpen (alternatieven, kabels/leidingen, hydrologie, cumulatie met andere projecten) zijn doorgeschoven naar het MER, wat procedureel onzorgvuldig is. • De MER bevat substantiële leemten in kennis, waardoor effecten en risico’s niet goed toetsbaar zijn. Nut en noodzaak Er ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van: • de marktvraag naar zand; • het beschikbare marktaanbod; • de economische haalbaarheid van de winning op deze locatie; • De noodzaak om juist op deze locatie te winnen is niet aangetoond; • De indruk ontstaat dat zandwinning als economisch belang leidend is, terwijl natuurontwikkeling, waterbeheer en recreatie ondergeschikt worden gemaakt. Alternatieven en locatiekeuze Er zijn geen locatiealternatieven zijn onderzocht, terwijl dit wettelijk wél vereist is bij een MER.
De uitsluiting van uitbreiding van de bestaande zandwinplas Traandijk is: • niet onderbouwd met openbaar gemaakte onderzoeken; • beleidsmatig onvoldoende gemotiveerd (Provincie Drenthe stuurt juist op concentratie). De alternatieven “Optimale zandwinning” en “Optimale natuurontwikkeling”: • zijn onvoldoende uitgewerkt; • zijn onderling niet gelijkwaardig onderzocht; • missen objectieve toetsingscriteria. Hydrologie en water (kernpunt) Het geohydrologisch onderzoek is onvolledig en intern inconsistent: • keileemlagen worden wisselend wel en niet verondersteld; • kwel- en wegzijgingseffecten zijn niet volledig gemodelleerd; • het Domelaar-effect is onvoldoende onderbouwd. Voor het alternatief “Optimale zandwinning” ontbreekt een volwaardige modelstudie. De gevolgen voor de omgeving zijn onvoldoende inzichtelijk: • verdroging tot ca. 30 cm op langere termijn, met risico’s op zetting; • vernatting en droogteschade voor landbouwpercelen; • mogelijke negatieve effecten op de Veeningerplas (NNN-gebied). Waterkwaliteit: • risico’s op mobilisatie van bestaande bodemverontreinigingen zijn onvoldoende onderzocht; • effecten van kwelstromen en eutrofiëring zijn niet meegenomen. • Monitoring wordt genoemd, maar zonder concrete doelen, parameters en analysekader.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
53
Projectgerelateerd
Bodem en geotechnische stabiliteit; het inzicht in bodemkwaliteit is onvoldoende: • onduidelijkheid over aard en verspreiding van verontreinigingen; • risico op mobilisatie richting plas niet uitgesloten. Taludstabiliteit: • gebaseerd op aannames en “verwachtingen” in plaats van sluitende berekeningen; • eerdere inbressingen bij bestaande zandwinningen zijn niet aantoonbaar meegenomen. Risico’s op zetting, verweking en vervolgschade zijn onderschat. Natuur en biodiversiteit De natuurtoets is onvolledig: • meerdere soorten ontbreken (o.a. kievit, geelgors, scholekster, ringslang); • geen nachtelijk vleermuisonderzoek uitgevoerd; • tegenstrijdige uitspraken over aanwezigheid van soorten (o.a. das). Het vervangen van veenweidegebied door een diepe zandwinplas leidt tot verlies van biodiversiteit, met name bij het alternatief “Optimale zandwinning”. Mitigerende maatregelen zijn: • inconsistent; • onvoldoende onderbouwd; • soms strijdig met de conclusie dat effecten “verwaarloosbaar” zijn. Geluid, trillingen en luchtkwaliteit Geluidsnormen worden plaatselijk overschreden, met name ’s nachts (o.a. 5.1.2e Cumulatieve effecten: • gelijktijdige exploitatie van twee zandwinningen; • toekomstige energiehub op NAM-locatie zijn niet meegenomen. • Trillingen in de aanlegfase (veenbodem!) zijn niet beoordeeld.
Luchtkwaliteit: • in een groot deel van het plangebied wordt niet voldaan aan WHO-advieswaarden 2021; • toetsing aan toekomstige EU-normen (o.a. PM2,5) ontbreekt.
).
Ruimtegebruik, woningen en landschap De plangebied-grenzen verschillen per hoofdstuk en per alternatief dit leidt tot juridische en planologische onduidelijkheid. Bij “Optimale zandwinning” verdwijnen 3 woningen (ca. 25% van nabijgelegen woningen), wat onvoldoende zwaar is meegewogen. Landschappelijke inpassing is tegenstrijdig: • “geen nieuwe opgaande beplanting” versus aanleg van houtsingels; • verlies van veenweidegebied past niet bij beoogde landschapsdoelen. • Verkeerde beleidskaders gebruikt (Overijssel i.p.v. Drenthe). Kabels, leidingen en NAM-locatie Er is onvoldoende duidelijkheid over: • aanwezige leidingen (NAM, elektriciteit, toekomstige energiehub); • risico’s voor stabiliteit en veiligheid. • Beoordeling hiervan is toegezegd, maar (nog) niet uitgewerkt. Samenvattend bevat het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de MER wezenlijke inhoudelijke en procedurele tekortkomingen, is het plan gebaseerd op onvolledige onderzoeken en aannames en biedt het daardoor onvoldoende zekerheid over milieueffecten en risico’s. De belangen van 5.1.2e en andere grondeigenaren zijn daardoor onvoldoende geborgd. Besluitvorming op basis van de huidige stukken is niet zorgvuldig en niet verdedigbaar.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
54
Projectgerelateerd
Bijlage Bijlage 1 Beoordeling hydrologie Aspecten oppervlakte- en grondwater
26 januari 2026
BIJLAGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
A0
Notitie / Memo
Nederland B.V. Water & Maritime
Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door
5.1.2e
Onderwerp:
1
5.1.2e
5.1.2e
20 januari 2026 Click to enter "CopyTo" BK4853-WM-ME-260120-1234 Projectgerelateerd 5.1.2e
Reactie MER stukken zandwinning Echten op basis van geohydrologie
Inleiding
In opdracht van 5.1.2e is gevraagd om geohydrologisch inhoudelijk een review uit te voeren op de rapportage van het MER zandwinning Echten, opgeleverd 13 november 2025 onder document referentienummer “projectnummer 484810 – definitief revisie 00”, opgesteld door Antea Group. In de MER-rapportage wordt het doel en nut als volgt omschreven: “Het voornemen is op grond van de Omgevingswet een mer-plichtige activiteit. De voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage V bij het Omgevingsbesluit, onderdeel B1, zoals beschreven in Tabel 1-1. Het betreft een oppervlakte van meer dan 25 ha en is daarmee mer-plichtig. In het kader van de plan- en besluitvorming voor de uitbreiding van de zandwinning wordt een merprocedure doorlopen. Mer staat voor milieueffectrapportage, een procedure waarin de omgevingseffecten van de uitbreiding vroegtijdig, volwaardig, open en transparant in beeld worden gebracht om zo betrokken te kunnen worden bij het maken van keuzes. Het in beeld brengen van milieu/omgevingseffecten draagt bij aan het vroegtijdig signaleren van negatieve effecten, zodat maatregelen onderzocht en afgewogen kunnen worden om negatieve effecten te voorkomen, dan wel te beperken (mitigatie) of te herstellen (compensatie). De mer-procedure draagt daarmee bij aan een zorgvuldig besluit over de zandwinning”.
Bij het dorp Echten in de gemeente De Wolden, provincie Drenthe, is een zandwinningsbedrijf actief. Er zijn plannen om westelijk van deze zandwinning een nieuwe zandwinning te beginnen. Deze nieuwe zandwinning ligt naast grond van 5.1.2e . 5.1.2e wil weten wat de plannen zijn, hoe deze hun zakelijke belangen raken en hoe ze hun belangen kunnen beschermen. Daarom is eerder een reactie op beantwoording van de zienswijze ingediend door 5.1.2e op 26 november 2025, documentreferentie BK4853-IB-RP-251027-1701. Deze memo heeft als doel om te verifiëren of de vragen en opmerkingen in 1 relatie tot het aspect (geo)hydrologie zoals gesteld door 5.1.2e ( 5.1.2e ) meegenomen en/of beantwoord zijn in de MER-procedure, aldus bijbehorende rapportage inclusief bijlagen.
1 5.1.2e
(26-11-20025), Zandwinning Echten “reactie op beantwoording zienswijze, Documentreferentie: BK4853-IB-RP-251027-1701, versie: Definitief/01
20 januari 2026
BK4853-WM-ME-260120-1234
1/4
2
Review
De volgende zaken vallen op: • Door 5.1.2e is met een geohydrologisch inhoudelijke blik het geohydrologisch onderzoek van Sweco met documentreferentie 5.1.2e , versie D1, opgeleverd op 25 juli 20242 beoordeeld. Daar zijn in de zienswijze meerdere vragen/opmerkingen over geplaatst. Het valt op dat de MER-rapportage nog steeds naar ditzelfde document verwijst en geen aanvullende berekeningen en/of verduidelijkingen zijn aangebracht. Het document bijgevoegd als bijlage genaamd b_NL.IMRO.1690.TAMOPH22bRuinerwol-ON01_tb10_Geohydrologie in de MERprocedure is identiek aan deze rapportage. • In Hoofdstuk 2.3 wordt hetzelfde geformuleerd als in het destijds opgestelde NRD opgesteld door Antea Group met documentreferentie 484810, versie definitief revisie 00 opgeleverd op 19 november 20243. Daarmee ontbreekt nog steeds een referentie naar een beleidsstuk of formeel standpunt rondom droogte- en waterverdeling waarop het uitsluiten van de optie van een zandwinplas aansluitend aan de huidige plas is gebaseerd. Evenals geohydrologische onderbouwing in de vorm van berekeningen. Aangezien nog steeds naar dezelfde rapportage met modelberekeningen van Sweco2 wordt verwezen. Tekst is één op één overgenomen uit het NRD naar het MER-rapport. • Paragraaf 3.4.2 water. Kopje Grondwaterstanden en stijghoogte.
Quote uit de MER-rapportage: “Het aspect Grondwaterstanden en stijghoogte gaat in op de grondwaterstanden en stijghoogte. Het studiegebied voor het aspect is de omgeving van het plangebied. Het aspect Grondwaterstanden en stijghoogte is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd (Sweco, 2024).” Er wordt verwezen naar de rapportage van Sweco2 met geohydrologische effectberekeningen. Echter staat er dat er kwalitatief onderzoek is uitgevoerd. In tabellen daarvoor staat kwantitatief. Is er kwalitatief of kwantitatief beoordeeld? • In Hoofdstuk 5.2.1 wordt een paragraaf over het keileem opgenomen. Er wordt niks benoemd over de onzekerheden in relatie tot het keileem. Dit is een belangrijke nuance die ook gesteld wordt in de rapportage van Sweco2 waarnaar verwezen wordt. Waarom is hier niks over opgenomen? • In Hoofdstuk 5.2.2.2 grondwatersysteem wordt gesproken over de freatische grondwaterstanden. Er is echter sprake van schijngrondwaterspiegels en de kalibratie heeft in de rapportage van Sweco2 aangetoond dat hier geen fit gevonden is. In de MER-rapportage wordt hier niks over vermeld en worden de resultaten gepresenteerd als zijnde de waarheid. Terwijl er een significante foutmarge in zit. Hetzelfde geldt voor de figuren met de grondwaterstand ten opzichte van maaiveld. Figuren 5-6 en 5-7.
Daarna wordt met behulp van figuur 5-8 over kwel en wegzijging gesproken en ook niets aangeduid rondom onzekerheden bij de keileemschol. • Zettingsrisico in Hoofdstuk 5.3.2 is beperkt meegenomen en wordt alleen vertaald op één woning met potentiële droogteschade. Het oordeel is negatief (-), maar er is eerder door 5.1.2e ( 5.1.2e gesteld dat dit ook kan gelden voor andere omliggende woningen. Zetting van maaiveld is niet benoemd in de MER-rapportage. Dit staat wel als aandachtspunt in beleidsstukken van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. • Er is niet duidelijk gesteld in Hoofdstuk 5.3.2 wat de duur van de “tijdelijke” situatie is. Dit is de zandwinning, maar dat is orde grootte jaren. Zo tijdelijk is deze situatie niet en dat vereist verheldering. Deze vraag is eerder gesteld.
2
Sweco (25-07-2024), 5.1.2e Traandijk Uitbreiding ten westen van bestaande zandwinlocatie, Documentreferentie: 5.1.2e , versie: D1. 3 Antea Group (19 november 2024), Notitie Reikwijdte en Detailniveau – MER-zandwinning Echten, projectnummer 484810, versie: definitief revisie 00.
20 januari 2026
BK4853-WM-ME-260120-1234
2/4
•
Er wordt veelvuldig over het Domelaar-effect gesproken. Maar ten aanzien van door 5.1.2e ( 5.1.2e gestelde vragen en opmerkingen is geen duidelijkheid of referentie gegeven. Hoofdstuk 5.5.2 moet het hoofdstuk voor mogelijke mitigatie zijn. Maar hier wordt een voorstel voor aanvullende monitoring gegeven. Er ontbreekt een onderbouwing waarom dit een mitigerende maatregel is of wat er moet gebeuren als er daadwerkelijk negatieve effecten worden gemeten. Dit is ons inziens ook geen mitigerende maatregel. Mitigeren is voorkomen. Meten is verifiëren of hetgeen wat je probeert te voorkomen ook daadwerkelijk voorkomen wordt. Dit hoofdstuk is naar ons inziens dus niet doelmatig en incompleet. Het bevat geen voorstel om daadwerkelijk te verwachten effecten te mitigeren. En dat terwijl er op het gebied van grondwaterstanden, stijghoogte, kwel en wegzijging minimaal een (-) wordt gescoord gedurende alle alternatieven en fases. Hoofdstuk 5.6 Leemten in kennis. Advies voor modelmatig onderzoek kwelstromen is opgenomen. Maar er ontbreekt nog inzicht in verlies/aanvoer van debiet op de zandwinplassen die benodigd is bij bepaalde scenario’s. Dit is nagevraagd, maar er is geen verduidelijking gegeven. Een leemte in kennis is het ontbreken van modelsimulaties/analyse/onderbouwing voor het kiezen van een locatie voor de zandwinplas aangrenzend aan de bestaande zandwinplas Traandijk.
Dit is niet opgenomen in de leemtes in kennis, evenals onderbouwing waarom deze locatie überhaupt niet is opgenomen. Hoofdstuk 13.2 wordt de lengte van fases benoemd. Orde grootte jaren, dus dat behoeft nuances in de hoofdteksten. De “tijdelijke” fase, aldus zandwinning, duurt t/m het jaar 2056. Voor Hoofdstuk 14.3.4 geldt eigenlijk hetzelfde als eerdergenoemde opmerkingen rondom de (toelichting bij) de beoordeling. Hoofdstuk 14.3.5 is nieuwe informatie. Er is een aanvullende analyse naar kwel/wegzijging gedaan. Alleen de lange termijn is beoordeeld (dus na het jaar 2056?). Waarom is de korte termijn niet beoordeeld (tot en met 2056)? Daar wordt weergegeven dat infiltratie uit de zandwinplas Traandijk afneemt. Een gunstige beoordeling ten opzichte van het vraagstuk droogte. Geeft potentieel de indicatie dat een zandwinplas dichter op de traandijk een gunstige werking heeft op het waterverlies uit zandwinplas Traandijk voor de lange termijn. Hoofdstuk 15.3 betreft mitigatie en compensatie van het voorkeursalternatief. Ik zie wederom geen concreet voorstel voor mitigatie als gevolg van de aangetoonde verdroging/vernatting in het rapport van Sweco2. Mocht dit niet nodig geacht worden mist er een onderbouwing waarom dit niet het geval is.
Er worden namelijk significante verlagingen van GLG en verhogingen van GHG berekend buiten het beoogd projectgebied met als risico verdroging en vernatting. Er wordt wederom een aanvullend grondwatermeetnet benoemd. Dit is geen mitigerende maatregel. Komt neer op voorgaand benoemde: “Mitigeren is voorkomen. Meten is verifiëren of hetgeen wat je probeert te voorkomen ook daadwerkelijk voorkomen wordt. Dit hoofdstuk is naar mijn inziens dus niet doelmatig en incompleet. Het bevat geen voorstel om daadwerkelijk verwachtte effecten te mitigeren. En dat terwijl er op het gebied van grondwaterstanden, stijghoogte, kwel en wegzijging minimaal een (-) wordt gescoord gedurende alle alternatieven en fases.” Hoofdstuk 15.4 leemten in kennis van het voorkeursalternatief. Wederom ontbreekt het onderzoeken voor een alternatieve locatie van de zandwinplas nabij de bestaande zandwinplas Traandijk. Op het moment is er geen inzicht in dit alternatief, omdat het niet beschouwd is. De geohydrologie wordt met huidig voorgestelde alternatieven van de MER-rapportage op basis van geohydrologie altijd negatief beoordeeld. Dit geeft kansen voor andere locatie alternatieven ten aanzien van de potentiële impact op de (geo)hydrologie. 5.1.2e
•
•
• • •
•
•
20 januari 2026
BK4853-WM-ME-260120-1234
3/4
Bijlage weging waterbelang: • Figuur 2-8. Waarom wordt dit gepresenteerd als er een gekalibreerd grondwatermodel is gemaakt. Deze gegevens van het LHM zijn onnauwkeuriger dan het grondwatermodel en bevatten qua freatische grondwaterstanden dezelfde problemen. • In Hoofstuk 3 een mooi overzicht van het beleid. Wat daarin nog mist is, naar aanleiding van onze vraag, een duidelijke referentie of beleidsstuk rondom de discussie met droogte- en waterverdeling. Er ontbreekt een duidelijke onderbouwing, waarom in relatie tot al dit beleid is afgeweken van een onderzoek/alternatief naar een zandwinplas naast de bestaande zandwinplas Traandijk. • In Hoofdstuk 3.3 staan beleidsregels van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Als men naar deze beleidsregels kijkt en naar de beoordeling, wordt aan meerdere aspecten niet voldaan of geen onderbouwing gegeven. Er wordt ook geen concrete mitigerende maatregel voorgesteld. Monitoring is namelijk geen concrete mitigerende maatregel. Met een peilbuis kan ik geen effect voorkomen, alleen meten.
Aan de volgende aspecten wordt niet voldaan of is geen onderbouwing voor gegeven volgens het beleid van het Waterschap: o “Er treedt geen ongewenste maaivelddaling op;” o “Het graven heeft geen significant negatieve invloed op de grondwaterstanden in het beïnvloedingsgebied van het oppervlaktewaterlichaam;” o “De uitvoering van de werkzaamheden heeft geen negatieve invloed op het functioneren van het watersysteem. Zo nodig worden hiervoor tijdelijke, compenserende maatregelen voorgeschreven.” • Hoofdstuk 4.3. Wat is er gebeurd met alle beleidsregels van het Waterschap Drents Overijsselse Delta rondom de negatieve effecten van het creëren van nieuw oppervlaktewater? • Hoofdstuk 4.8 Conclusie weging van het waterbelang. Hier mist een duidelijk verhaal om hoe men omgaat met alle negatieve effecten rondom de geohydrologie. Zie daarop aansluitend het bullit hierboven.
20 januari 2026
BK4853-WM-ME-260120-1234
4/4
Notitie / Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door Onderwerp:
1
5.1.2e
Nederland B.V. Water & Maritime
5.1.2e 5.1.2e
27 oktober 2025 Click to enter "CopyTo" BK4853-WM-ME-251027-1527 Projectgerelateerd 5.1.2e
Reactie zienswijze zandwinning Echten - Review geohydrologie
Inleiding
In opdracht van 5.1.2e is gevraagd om geohydrologisch inhoudelijk een review uit te voeren op de het uitgevoerde geohydrologisch onderzoek zandwinplas Traandijk, uitgevoerd door Sweco met documentreferentie 5.1.2e , versie D1, opgeleverd op 25 juli 20241 en op het bovenliggende NRD (Notitie Reikwijdte en Detailniveau) opgesteld door Antea Group met documentreferentie 484810, versie definitief revisie 00 opgeleverd op 19 november 20242. De rapportage van het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) is opgesteld met het volgend beschreven doel: “Doel van het project is het ontwikkelen van een gedragen model-instrumentarium om de uitbreidingsscenario’s mee door te rekenen. Het grondwatermodel dient als instrument om op transparante en reproduceerbare wijze de relatieve geohydrologische effecten van de verschillende scenario’s ruimtelijk in beeld te brengen. Op basis van de uitkomsten van deze modelstudie kan VOF Echten een keuze maken voor het voorkeursscenario en de vergunningsprocedure hiervoor opstarten.” In het door Antea Group (2024) opgestelde NRD wordt beschreven dat het stuk “bedoeld is om de omgeving en betrokkenen te informeren en te raadplegen over de gewenste inhoud van het op te stellen milieueffectrapport, ofwel over de reikwijdte en het detailniveau.
De ‘reikwijdte’ geeft aan wat het voornemen is, of en welke alternatieven/varianten worden onderzocht en welke (milieu- en omgevings) thema’s in beeld worden gebracht. Het ‘detailniveau’ betreft de diepgang en methode van het onderzoek.” Bij het dorp Echten in de gemeente De Wolden, provincie Drenthe, is een zandwinningsbedrijf actief. Er zijn plannen om westelijk van deze zandwinning een nieuwe zandwinning te beginnen. Deze nieuwe zandwinning ligt naast grond van 5.1.2e . 5.1.2e wil weten wat de plannen zijn, hoe deze hun zakelijke belangen raken en hoe ze hun belangen kunnen beschermen. Deze memo heeft als doel om met een
1
Sweco (25-07-2024), 5.1.2e Traandijk Uitbreiding ten westen van bestaande zandwinlocatie, Documentreferentie: 5.1.2e , versie: D1. 2 Antea Group (19 november 2024), Notitie Reikwijdte en Detailniveau – MER-zandwinning Echten, projectnummer 484810, versie: definitief revisie 00.
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
1/7
geohydrologisch inhoudelijke blik het NRD en bijbehorende geohydrologische rapportage van Sweco (2024) bovenstaand benoemd te beoordelen. De review is uitgevoerd door: de vraagstelling van de rapportage te beoordelen ten opzichte van de conclusies. de consistentie met het NRD en het beschreven beleid aangaande ontgrondingen te toetsen. een inhoudelijke toetsing van geohydrologische aspecten (geo(hydro)logische (model)opbouw, wateraspecten, effectberekening).
2
Geo(hydro)logische modelopbouw, berekeningen en effecten
2.1
Keileemverbreiding
In Hoofdstuk 2.2 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) is beschreven dat de keileemschol bij de 5.1.2e niet volledig was opgenomen in de keileemkaart van TNO. Op basis van één peilbuis met een duidelijke schijngrondwaterstand is de keileemverbreding aangepast. Figuur 2 geeft ook een duidelijk beeld van dit voorkomen. Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen rondom de aanpassing van deze keileemverbreding: 1. In hoeverre heeft het keileemschol een impact op de berekende effecten op de freatische grondwaterstand/stijghoogte. Is hier een gevoeligheidsanalyse op uitgevoerd? 2. In de rapportage ontbreekt een inzicht op basis van welke boringen/peilbuizen de keileemschol is aangepast. Daardoor mist een inzicht in leemte in kennis van de ondergrond rondom de Keileemschol. Er is ook geen referentie beschikbaar naar achtergrondinformatie rondom de aanpassing die, zoals aangegeven in de rapportage Sweco (2024), uitgevoerd is in 2017. 3.
Is overwogen om aanvullend grondonderzoek uit te voeren om deze keileemschol beter in beeld te krijgen en/of zijn ligging te verifiëren? Zo nee, uit welke onderbouwing volgde dat dit niet benodigd is? Zo ja, waarom is dit niet uitgevoerd? In het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) wordt beschreven dat er een leemte in kennis is over de schijnwaterspiegel boven de keileemschol en dit huidig niet in het MIPWA-grondwatermodel te modelleren is. Daarbij is in de rapportage geconcludeerd dat er geen extra verdroging (>5 cm ten opzichte van GLG) wordt verwacht. Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen rondom de leemte in kennis met betrekking tot de schijngrondwaterspiegel boven de keileemschol: 1. Er ontbreekt inzicht in de filterstelling van de freatische peilbuizen boven de keileemschol. Het is duidelijk dat deze droogvallen, maar er wordt niet toegelicht of daarmee verondersteld wordt dat de keileemschol in zijn geheel droogvalt gedurende een GLG-situatie. Wordt het keileemschol onder natuurlijke omstandigheden al droog of blijft er jaarrond een schijnwaterspiegel op de keileemschol aanwezig? In het geval de schijnwaterspiegel in de zomer geheel verdwijnt dient te worden verondersteld dat het zandpakket onder de keileemschol als freatisch systeem functioneert (stijghoogte wordt freatische grondwaterstand).
Er is dus ook niet inzichtelijk gemaakt of er een risico is dat het keileemschol verdroogt en wat daaropvolgend de consequenties zijn van een verdroging van de keileemschol. Mocht het keileemschol verdrogen gedurende een GLG-situatie resulteert dit ons inziens in een potentieel zettingsrisico ter plaatse van de keileemschol. 2. In het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) in Hoofdstuk 4.6 wordt als onderbouwing voor het wegschrijven van potentiële freatische effecten boven de keileemschol het volgende benoemd: “Op de keileemschol van de 5.1.2e is de berekende verlaging in de GLG-
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
2/7
situatie circa 10 tot 20 centimeter. Omdat hier in werkelijkheid sprake is van een lokaal met name neerslagafhankelijk grondwatersysteem, wordt het daadwerkelijke effect hier kleiner dan 5 cm ingeschat.” Naar ons inziens is deze conclusie wat te kort door de bocht. Is dit wel een geldig argument om te veronderstellen dat de effecten gedurende een GLG-situatie afnemen? Er hebben zich de afgelopen jaren perioden met droogte gedurende de zomer voorgedaan van meerdere maanden. In deze perioden, waar de GLG zich vormt, vindt dus geen consequente aanvoer van neerslag plaats. Er worden in Hoofdstuk 5.1 en 5.2 van het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) ook potentiële effecten boven de keileemschol weggeschreven. Klopt het dat deze conclusies op dezelfde onderbouwing gebaseerd zijn?
2.2
“Domelaar effect” (bodemweerstand zandwinplassen)
In het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) is binnen de grondwatermodellering “het Domelaar effect” toegepast. Er ontbreekt (een referentie) met een wetenschappelijke en/of met proeven onderbouwde studie rondom het “Domelaar effect”. Naar ons inziens is de bodemweerstand van de zandwinplassen is een zeer belangrijke parameter in relatie tot de berekende effecten op de grondwaterstand. Uit het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) wordt inzichtelijk uit berekeningen inclusief en exclusief het toepassen van “het Domelaar effect” dat de bodemweerstand een bepalende factor heeft in het berekend effect op de freatische grondwaterstand en stijghoogte. Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen rondom het Domelaar effect: 1. Er is behoefte aan een onderbouwing voor het Domelaar effect en bijbehorende gekozen weerstanden in dagen. Waar worden de gebruikte bodemweerstanden bij het Domelaar effect op gebaseerd en wat is de herkomst van deze methodiek? 2. Er ontbreekt een inzicht in de gevoeligheid van toepassing van het Domelaar effect (aldus bodemweerstand) op de resultaten. Zijn er gevoeligheidsanalyses uitgevoerd? 3. Op pagina 43 wordt geconcludeerd dat de afvoerpieken van de plas Panjerd flink worden onderschat. Als mogelijke verklaring wordt verondersteld dat dit samen hangt met onzekerheid in het werkelijke afvoerniveau of in werkelijkheid vaker storten van fijn zand.
Maar heeft dit niet ook te maken met de aannames rondom het Domelaar effect op de plas Panjerd? Naast het Domelaar effect worden in de rapportage voor het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) in Hoofdstuk 3.4 uitgangspunten besproken rondom bodemweerstanden en infiltratiefactoren van de zandwinplassen. Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen op deze uitgangspunten: 1. De infiltratiefactor van de zandwinplas Panjerd wordt op 0 gezet. Dit betekent dat er enkel een drainerende werking van de zandwinplas Panjerd op de grondwaterstanden en stijghoogte werkt. Er is geen infiltrerende werking vanuit de zandwinplas Panjerd op het grondwatersysteem mogelijk. De vraag is of dit een terecht uitgangspunt is? Uit beschreven data in de rapportage geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) wordt in Figuur 10 beschreven dat afvoer incidenteel plaatsvindt, maar dit is afvoer van oppervlaktewater. Dit gegeven sluit niet uit dat er in de praktijk infiltratie van oppervlaktewater van de Panjerd richting het grondwatersysteem plaatsvindt. In het grondwatermodel van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) wordt dit nu dus wel uitgesloten. 2. Uit de rapportage wordt niet duidelijk welke infiltratiefactor er gebruikt wordt voor de nieuwe beoogde zandwinplas, evenals welke bodemweerstand in het grondwatermodel is aangenomen (als het Domelaar effect niet van kracht is).
Welke bodemweerstand is gehanteerd en infiltratiefactor is ingevoerd voor de nieuw beoogde geïsoleerde zandwinplas?
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
3/7
2.3
Effecten op de grondwaterstand en stijghoogte
5.1.2e beoordeelt op basis van de rapportage geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) dat, met uitzondering van de schijngrondwaterstanden boven de keileemschol, een goede modelfit aan de metingen is gevonden. Deze schijngrondwaterstanden zijn zoals ook aangegeven in de rapportage niet te modelleren met het MIPWA-grondwatermodel. Het grondwatermodel presteert met deze modelfit aan de grondwatermetingen naar de mogelijkheden dus voldoende om een grondwatereffectenstudie uit te voeren.
Zoals in Hoofdstuk 2.1 en 2.2 van deze memo aangegeven zijn er een aantal vragen rondom de gevoeligheden van bepaalde aannames en aanpassingen in het grondwatermodel. Er zijn leemtes in kennis met betrekking tot de keileemschol/schijngrondwaterspiegel en er wordt door 5.1.2e beoordeeld dat de bodemweerstand in de zandwinplassen een zeer belangrijke parameter is met betrekking tot de berekende effecten op de grondwaterstanden en stijghoogte. Daarom is het belangrijk om de gevoeligheid van aanpassingen of de meest bepalende parameters inzichtelijk te maken. Zo wordt onderschatting of overschatting van effecten op grondwaterstanden en stijghoogten voorkomen. Het is op basis van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) niet duidelijk welke impact de leemte in kennis met betrekking tot de keileemschol en de aannames voor bodemweerstand in de zandwinplassen hebben op de berekende effecten op de grondwaterstand en stijghoogte. Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen en observering rondom de berekende effecten op de freatische grondwaterstanden en stijghoogten: 1. In Hoofdstuk 4.4 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) wordt het effect op de freatische grondwaterstand en stijghoogte van enkel de geïsoleerde uitbreiding behandeld. De berekende effecten zijn hierbij beperkt (slechts beperkte verdroging van GLG en beperkte vernatting van GHG).
Naar verwachting geeft dit dus ook een beperkt effect op de waterbalans van de plas Traandijk met wateraanvoer. Waarom is de impact op de waterbalans van de plas Traandijk niet inzichtelijk gemaakt? In Hoofdstuk 1.1 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) is het belang van wateraanvoer op de plas in relatie tot huidige discussies over droogte en waterverdeling binnen de Provincie Drenthe kenbaar gemaakt. Inzicht in het berekende effect op de waterbalans is daarom relevante informatie over de keuzes rondom de locaties van geïsoleerde zandwinplassen. 2. In Hoofdstuk 4.5 en 4.6 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) wordt het voorkeursscenario behandeld. Het wordt niet geheel duidelijk wat wordt verstaan onder de “korte termijn” en de “lange termijn”. Uit het door Antea Group (2024) geschreven NRD wordt duidelijk dat de situatie “korte termijn” potentieel nog 5 jaar duurt en vervolgens de situatie “lange termijn” optreedt, is dit correct? Een periode van 5 jaar is gezien het optreden van grondwatereffecten een situatie voor langjarige grondwatereffecten. Een vernatting van GHG (periode van 7 jaar) resulteert in een risico op grondwateroverlast, waar de grondwaterstand t.o.v. maaiveld in Bijlage 2 een zeer geringe ontwateringsdiepte van 10 tot 30 centimeter aangeeft (oostzijde percelen 5.1.2e ).
Een verdroging van GLG (westzijde percelen 5.1.2e ) resulteert in een risico op bijvoorbeeld zettingen en landbouwschades. In de situatie voor de lange termijn nemen de effecten op de freatische grondwaterstand en stijghoogte toe, zoals besproken in Hoofdstuk 4.6 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024). De verdroging van de GLG in dit scenario is groot. In het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) wordt een getal van 30 centimeter verdroging benoemd. Deze verdroging beslaat het gehele gebied met percelen van 5.1.2e (zie onderstaand figuur). De potentiële impact van een dergelijke verdroging wordt niet benadrukt in de rapportage van Sweco (2024), waar
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
4/7
voornamelijk gefocust wordt op het (deels) terugdraaien van vernatting uit het “korte termijn” voorkeursscenario. Ook in Hoofdstuk 4.5 en 4.6 van het geohydrologisch onderzoek Sweco (2024) is geen inzicht gegeven in de impact op de benodigde wateraanvoer (impact op de waterbalans) ten opzichte van de huidige situatie. Figuur 2-1: Percelen in eigendom van 5.1.2e
3
.
Locatiekeuze nieuwe zandwinplas, beleid en hydrologie
In zowel het door Antea Group (2024) geschreven NRD als de geohydrologische rapportage van Sweco (2024) wordt niet duidelijk waar de locatiekeuze van de nieuwe geïsoleerde zandwinplas op gebaseerd is en op welke manier deze keuze tot stand is gekomen. Er is niet op basis van geohydrologisch onderzoek onderbouwd, dat een aaneengesloten uitbreiding van de bestaande zandwinplas Traandijk niet haalbaar is. Daarnaast wordt niet onderbouwd, waarom de nieuwe geïsoleerde zandwinplas niet meer oostelijk op het terrein van 5.1.2e (zie figuur 2.1) geplaatst kan worden. Wat ook opvalt is dat in het door Antea Group (2024) geschreven NRD het volgende wordt gesteld: “Hierbij heeft de provincie als uitgangspunt geformuleerd dat nieuwe zandwingebieden zoveel mogelijk geconcentreerd moeten blijven in een beperkt aantal zandwinplaatsen.” Deze stelling roept ook de vraag op, waarom niet wordt gekozen voor een zandwinplas direct aangelegen of een nieuwe geïsoleerde zandwinplas direct ten westen van de zandwinplas Traandijk.
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
5/7
Tot slot volgen vanuit 5.1.2e een aantal vragen/observaties rondom het volgende citaat van een alinea die als volgt beschreven staat in het door Antea Group (2024) opgestelde NRD: “Directe aansluiting aan de huidige zandwinplas is niet mogelijk. Uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat een uitbreiding van de bestaande zandwinplas niet aan de orde is. De watertoevoer voor de huidige plas en het vergroten van deze plas past niet bij de huidige discussies over een goede droogte- en waterverdeling binnen provincie Drenthe. Een eventuele uitbreiding van de bestaande plas in de westelijke richting zou beide plassen dichter bij elkaar laten komen met een grotere kans op wederzijdse beïnvloeding (vernatting en verdroging). Een groter tussenliggend gebied vormt een grotere buffer om deze effecten te mitigeren. Een uitbreiding van de bestaande plas in noordelijke en noordoostelijke richting is vanwege een aanwezige keileemschol technisch niet mogelijk.” Vanuit 5.1.2e resulteren de volgende vragen/observaties over deze alinea: - Er wordt in het NRD benoemd dat uitbreiding van de huidige zandwinplas Traandijk onderzocht is. In het geohydrologisch onderzoek is echter geen onderzoek uitgevoerd naar de uitbreiding van of aansluiting aan de zandwinplas Traandijk ten opzichte van het al vergunde oppervlak.
- Er wordt in het NRD benadrukt dat discussies over goede droogte- en waterverdeling binnen de provincie Drenthe belangrijk zijn, net zoals in de geohydrologische rapportage. Echter worden bij de resultaten van de effectenstudie in het geohydrologisch onderzoek geen relatie gelegd naar het effect op de wateraanvoer in relatie tot het voorkeursalternatief (effecten op de waterbalans zijn niet inzichtelijk gemaakt). Daarnaast wordt zowel in het NRD, als in het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) de discussies over goede droogte- en waterverdeling aangehaald. Er ontbreekt echter een duidelijke referentie naar een beleidsstuk of formeel standpunt. Op basis van welk beleidsstuk of formeel standpunt is dit gebaseerd? - Er wordt in het NRD benoemd dat de zandwinplas Traandijk en de nieuwe geïsoleerde plas niet te dicht op elkaar moeten liggen, omdat er een grotere kans is op wederzijdse beïnvloeding. Echter is deze wederzijdse beïnvloeding, aldus het verder naar het oosten plaatsen van de nieuwe geïsoleerde zandwinplas, niet onderzocht in het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) waarnaar verwezen wordt. Er is dus niet inzichtelijk in welke mate wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt afhankelijk van de locatie van de geïsoleerde plas. - Er wordt in het NRD benoemd dat een groter tussenliggend gebied een grotere buffer vormt voor het mitigeren van effecten.
In het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024) zijn echter geen mitigerende maatregelen inzichtelijk gemaakt en is ook niet inzichtelijk gemaakt wat het effect van de gekozen locatie van de nieuwe geïsoleerde zandwinplas op de wateraanvoer is (effect op waterbalans). Een relevante vraag is daarnaast of strategische keuzes rondom de eigenschappen van een nieuwe zandwinplas naast of aansluitend aan de zandwinplas Traandijk niet kan fungeren als een mitigerende maatregel op zichzelf. Het compenseren van droogte in het gebied tussen de zandwinplassen (locatie percelen 5.1.2e ) op de huidig voorgestelde locatie leidt naar grote waarschijnlijkheid namelijk ook tot een (indirect) verlies aan oppervlaktewater.
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
6/7
4
Conclusie
Door 5.1.2e is met een geohydrologisch inhoudelijke blik het geohydrologisch onderzoek van Sweco met documentreferentie 5.1.2e , versie D1, opgeleverd op 25 juli 20243 en het bovenliggende NRD (Notitie Reikwijdte en Detailniveau) opgesteld door Antea Group met documentreferentie 484810, versie definitief revisie 00 opgeleverd op 19 november 20244 beoordeeld. Samengevat kunnen de volgende conclusies worden gesteld op basis van de uitgevoerde beoordeling: • De locatiekeuze voor de nieuwe geïsoleerde zandwinplas is onvoldoende onderbouwd; alternatieve locaties zijn (geohydrologisch) niet onderzocht of geanalyseerd. Wederzijdse beïnvloeding tussen de bestaande en nieuwe plas is benoemd, maar niet kwantitatief onderzocht; effecten op waterbalans (bijv. de impact op de wateraanvoer naar plas Traandijk is) en mitigerende maatregelen zijn niet inzichtelijk gemaakt. • De optie voor een uitbreiding van de bestaande zandwinplas Traandijk is niet geohydrologisch onderbouwd uitgesloten. Daarnaast ontbreekt een referentie naar een beleidsstuk of formeel standpunt rondom droogte- en waterverdeling waarop het uitsluiten van deze optie is gebaseerd.
Tot slot sluit de huidige keuze voor een nieuw geïsoleerde plas op afstand van de huidige zandwinplassen niet aan bij het standpunt van de Provincie Drenthe dat “nieuwe zandwingebieden zoveel mogelijk geconcentreerd moeten blijven in een beperkt aantal zandwinplaatsen”. • Keileemschol en schijngrondwaterspiegel; De modelmatige ligging van de keileemschol bij 5.1.2e is aangepast, maar bronvermelding, onderbouwing en gevoeligheidsanalyse ontbreken. Er is een kennisleemte over de schijngrondwaterspiegel boven de keileemschol, wat (potentieel) risico’s geeft op verdroging en zetting. • Domelaar-effect; Voor het toegepaste Domelaar-effect (bodemweerstand in zandwinplassen) met bijbehorende aannames mist een onderbouwing en een gevoeligheidsanalyse. Verder zijn er onzekerheden in de afvoerpieken (plas Panjerd) die kunnen samenhangen met aannames rond dit effect. • Grondwatermodellering; Het grondwatermodel sluit goed aan op metingen, behalve bij schijngrondwaterstanden. Er is slechts een summiere onderbouwing gegeven, waarom de effecten op de freatische grondwaterstand afgeschaald worden naar <5 centimeter. • Effecten op grondwaterstanden; o Op korte termijn (aldus de eerste 5 jaar): beperkte verdroging (GLG) en vernatting (GHG), maar potentieel een risico op grondwateroverlast en landbouwschade aan de randen van de zandwinplassen.
o Op lange termijn (aldus na 5 jaar): forsere verdroging (tot 30 cm) op 5.1.2e -percelen, met mogelijk een risico op zettingen. • Risico’s op verdroging, zetting en (grond)wateroverlast zijn onvoldoende belicht/benoemd in de resultaten van het geohydrologisch onderzoek van Sweco (2024).
3
Sweco (25-07-2024), 5.1.2e Traandijk Uitbreiding ten westen van bestaande zandwinlocatie, Documentreferentie: 5.1.2e , versie: D1. 4 Antea Group (19 november 2024), Notitie Reikwijdte en Detailniveau – MER-zandwinning Echten, projectnummer 484810, versie: definitief revisie 00.
27 oktober 2025
BK4853-WM-ME-251027-1527
7/7
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 13, 14, 16, 17, 18, 20, 21, 41, 42, 44, 45, 48, 49, 58, 61, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78