Mail bij zienswijze geanonimiseerd
Tekst van het document
From: Sent: To: Cc: Subject:
" 5.1.2e " < 5.1.2e @haskoning.com> 1/27/2026 11:53:51 AM "Gemeente De Wolden" < 5.1.2e @dewolden.nl>, "provincie Drenthe" <post@drenthe.nl>, " 5.1.2e 5.1.2e " < 5.1.2e @dewoldenhoogeveen.nl>, " 5.1.2e " < 5.1.2e @drenthe.nl> " 5.1.2e " < 5.1.2e @sibelco.com>, " 5.1.2e " < 5.1.2e @sibelco.com>, " 5.1.2e 5.1.2e " < 5.1.2e @sandrose.nl>, " 5.1.2e " < 5.1.2e @alexadvocaten.nl>, " 5.1.2e 5.1.2e " < 5.1.2e @haskoning.com>, "Warner van Aalst" < 5.1.2e @haskoning.com> Zienwijze op het Ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 5.1.2e Koekange (BK4853)
U ontvangt niet vaak e-mail van 5.1.2e
@haskoning.com. Ontdek waarom dit belangrijk is
Geachte dames en heren, Het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Wolden heeft voor het gebied ten westen van de bestaande zandwinning aan de 5.1.2e een ontwerp-TAM-omgevingsplan inclusief een ontwerp-milieueffectrapportage. Dit plan ligt ter inzage zoals vermeld in de publicatie van het Gemeenteblad nummer 542662, d.d. 17 december 2025. Namens 5.1.2e Nederland N.V. gevestigd te Maastricht, hierna “ 5.1.2e ” wordt door 5.1.2e hierbij gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen in verband met het ter inzage gelegde ontwerp TAM-omgevingsplan 5.1.2e Koekange en de daarbij behorende milieueffectrapportage (MER). Deze zienswijze bestaat uit de bijgesloten brief en rapportage inclusief bijlage. 5.1.2e behoudt zich het recht voor deze zienswijze aan te vullen. Deze brief en het rapport worden ook per reguliere post verzonden. Met vriendelijke groeten, 5.1.2e
Senior Consultant – Advisory Group Environment & Safety (werkdagen ma t/m do). Business Line Industry & Buildings | Business Unit Industry & Energy NL | T: 5.1.2e M: 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e E @haskoning.com | W www.haskoning.com | Nederland B.V | Dutch Trade Register nr. 56515154 | P.O. Box 151, 5.1.2e Nijmegen. Visit adress - 5.1.2e – FTD 5.1.2e Nijmegen, the Netherlands
Save a tree...please don't print this e-mail unless you really need to _______________________________________________________ the information contained in this message may be privileged and confidential and protected from disclosure. If the reader of this message is not the intended recipient, or an employee or agent responsible for delivering this message to the intended recipient, you are hereby notified that any dissemination, distribution or copying of this communication is strictly prohibited. If you have received this communication in error, please notify us immediately by replying to the message and deleting it from your computer. Thank you. _______________________________________________________
This email and any attachments are intended solely for the use of the addressee(s); disclosure or copying by others than the intended person(s) is strictly prohibited. If you have received this email in error, please treat this email as confidential, notify the sender and delete all copies of the email immediately
HASKONING NEDERLAND B.V.
Gemeente De Wolden T.a.v. De Gemeenteraad Postbus 20 7920 AA ZUIDWOLDE
5.1.2e 5.1.2e
Nijmegen Netherlands
Telefoon: 5.1.2e E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com
Ons kenmerk: Uw kenmerk: Datum: Contact: Telefoon: E-mail: Classificatie: Bijlagen:
BK4853-IB-LT00701 27 januari 2026 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e @haskoning.com Projectgerelateerd 1
Ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 5.1.2e
Koekange
Geachte dames en heren, Het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Wolden heeft voor het gebied ten westen van de bestaande zandwinning aan de 5.1.2e een ontwerp-TAM-omgevingsplan inclusief een ontwerp-milieueffectrapportage. Dit plan ligt ter inzage zoals vermeld in de publicatie van het Gemeenteblad nummer 542662, d.d. 17 december 2025. Namens 5.1.2e Nederland N.V. gevestigd te Maastricht, hierna “ 5.1.2e ” wordt door 5.1.2e hierbij gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen in verband met het ter inzage gelegde ontwerp TAM-omgevingsplan 5.1.2e Koekange en de daarbij behorende milieueffectrapportage (MER). Deze zienswijze bestaat uit voorliggende brief en rapportage inclusief bijlage. 5.1.2e behoudt zich het recht voor deze zienswijze aan te vullen. 5.1.2e is belanghebbende omdat 5.1.2e eigenaresse is van gronden met de kadastrale aanduiding De Wijk, sectie K nummer 477, 479, 481, 824, 1028 en 1031. Deze percelen liggen grofweg tussen de bestaande zandwinning en de locatie waar de nieuwe zandwinning is beoogd. 5.1.2e heeft derhalve belangen die direct worden geraakt door de voorgenomen ontwikkeling, waaronder mogelijke effecten op waterhuishouding, bodem, natuur, geluid, luchtkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit.
In dit verband is van belang dat als gevolg van een tweetal bresvallen (waarvan de laatste in augustus 2025) het perceel met nummer 479 schade heeft ondervonden doordat een deel daarvan in de plas is geraakt en er geen sprake meer is van een veilige bufferzone van 20-25 meter tot de insteek van de zandwinplas.
5.1.2e Nederland B.V., a ‘Royal’ business as designated by the Royal House of the Netherlands in 1981. Trade register number: 56515154
Algemene conclusie 5.1.2e is van oordeel dat het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de MER onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en niet kunnen dienen als deugdelijke onderbouwing voor besluitvorming, vanwege wezenlijke tekortkomingen in:
• • • • •
de procedurele opzet (NRD en MER); de onderbouwing van nut en noodzaak; de afweging van alternatieven; de beoordeling van milieueffecten; en de borging van belangen van derden.
Navolgend worden deze bezwaren nader toegelicht.
1
Procedurele bezwaren (NRD en MER)
1.1
Nieuwe ontwikkeling, geen uitbreiding
De voorgenomen zandwinning betreft geen uitbreiding van een bestaande zandwinning, maar de realisatie van een nieuwe, ruimtelijk gescheiden zandwinplas. Desondanks wordt in de stukken herhaaldelijk gesproken over een “uitbreiding”. Deze onjuiste kwalificatie heeft geleid tot een onvolledige en onjuiste afbakening van de MER-plicht en de reikwijdte van het onderzoek.
1.2
Onvolledige Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)
De NRD is onvoldoende concreet en laat essentiële keuzes en onderzoeken over aan de MER. Hierdoor konden belanghebbenden in de NRD-fase hun belangen niet adequaat beoordelen of inbrengen. Dit is in strijd met het doel van de NRD en met het zorgvuldigheidsbeginsel.
1.3
Leemten in kennis
In de MER worden op meerdere punten expliciet leemten in kennis benoemd, onder andere ten aanzien van hydrologie, waterkwaliteit, natuur en archeologie. Besluitvorming op basis van een MER met dergelijke essentiële kennisleemten is niet aanvaardbaar.
2
Nut en noodzaak onvoldoende onderbouwd
• Er ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van de marktvraag naar zand en het beschikbare aanbod.
• De noodzaak om juist op deze locatie een zandwinning te realiseren is niet aangetoond. • De economische haalbaarheid van de winning is niet inzichtelijk gemaakt. • De maatschappelijke doelen (natuurontwikkeling, recreatie, waterberging) lijken ondergeschikt aan het economische belang van zandwinning en zijn niet zelfstandig onderbouwd. Hierdoor is niet voldaan aan de eisen van een deugdelijke motivering.
27 januari 2026
BK4853-IB-LT00701
2/5
3
Onvoldoende onderzoek naar alternatieven
3.1
Ontbreken van locatie-alternatieven
In strijd met de eisen aan een MER zijn geen locatiealternatieven onderzocht, terwijl deze redelijkerwijs beschikbaar zijn, waaronder:
• uitbreiding van de bestaande zandwinplas; • alternatieve locaties in de regio; • varianten met verplaatsing van installaties. De uitsluiting van deze alternatieven is onvoldoende gemotiveerd en niet toetsbaar.
3.2
Onvoldoende uitgewerkte inrichtingsalternatieven
De alternatieven “Optimale zandwinning” en “Optimale natuurontwikkeling” zijn:
• niet gelijkwaardig onderzocht; • gebaseerd op verschillende aannames; • niet beoordeeld aan de hand van eenduidige criteria. Een zorgvuldige vergelijking ontbreekt.
4
Hydrologie en waterhuishouding
4.1
Onvolledig en inconsistent hydrologisch onderzoek
Het geohydrologisch onderzoek vertoont interne tegenstrijdigheden, onder andere ten aanzien van:
• de aanwezigheid en rol van keileemlagen; • kwel- en wegzijgingspatronen; • het zogenoemde Domelaar-effect. In dit kader verwijzen wij ook naar bijlage 1 van de bijgevoegde rapportage waarin een beoordeling door 5.1.2e van de stukken is gegeven.
4.2
Onvoldoende inzicht in effecten
Onvoldoende inzicht is gegeven in:
• • • •
verdroging en vernatting van omliggende percelen; effecten op landbouw (nat- en droogteschade); effecten op nabijgelegen natuurgebieden (NNN); gevolgen op korte én lange termijn (inclusief zettingsrisico’s).
4.3
Waterkwaliteit
Risico’s op mobilisatie en verspreiding van bestaande bodemverontreinigingen en eutrofiëring zijn onvoldoende onderzocht. Monitoring wordt wel genoemd, maar zonder concreet plan en kader.
27 januari 2026
BK4853-IB-LT00701
3/5
5
Bodem en geotechnische risico’s
• De bodemkwaliteit is onvoldoende inzichtelijk gemaakt. • Risico’s op taludinstabiliteit, verweking en inbressingen zijn onvoldoende onderbouwd. • Er is onvoldoende rekening gehouden met ervaringen bij bestaande zandwinningen in de omgeving. Deze risico’s kunnen leiden tot schade aan omliggende percelen en infrastructuur, niet in de laatste plaats inbressingen welke plaatselijk bij de bestaande zandwinning al aan de orde zijn.
6 • • • •
7 • • • •
8
Natuur en biodiversiteit De natuurtoets is onvolledig: meerdere beschermde en karakteristieke soorten zijn niet onderzocht. Nachtelijk onderzoek naar vleermuizen ontbreekt. Uitspraken over de aanwezigheid van soorten zijn onderling tegenstrijdig. Het verdwijnen van veenweidegebied leidt tot een aantoonbare achteruitgang van biodiversiteit, hetgeen onvoldoende is meegewogen.
Geluid, trillingen en luchtkwaliteit Op enkele locaties worden naar het zich laat aanzien de geluidsnormen overschreden in de nacht. Cumulatieve effecten (gelijktijdige zandwinningen, toekomstige energiehub) zijn niet meegenomen. Trillingen in de aanlegfase, in een veenbodem, zijn niet beoordeeld. Luchtkwaliteit voldoet in delen van het plangebied niet aan actuele WHO-advieswaarden.
Ruimtelijke kwaliteit, woningen en landschap
• De grenzen van het plangebied verschillen per hoofdstuk en per alternatief, wat leidt tot onduidelijkheid.
• Bij één alternatief verdwijnen drie woningen; dit effect is onvoldoende zwaar gewogen. • Landschappelijke inpassing is tegenstrijdig en niet consistent met beleidsdoelen voor veenweidegebieden.
• Er is gebruikgemaakt van onjuiste provinciale beleidskaders.
9
Kabels, leidingen en externe veiligheid
Er wordt onvoldoende inzicht is gegeven in:
• de aanwezigheid en ligging van (voormalige) NAM-leidingen; • toekomstige infrastructuur ten behoeve van een energiehub; • de gevolgen hiervan voor stabiliteit en veiligheid.
27 januari 2026
BK4853-IB-LT00701
4/5
10
Conclusie en verzoek
Samenvattend bevatten het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de MER wezenlijke inhoudelijke en procedurele tekortkomingen, is het plan gebaseerd op onvolledige onderzoeken en aannames en biedt het daardoor onvoldoende zekerheid over milieueffecten en risico’s. Er is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De belangen van 5.1.2e zijn onvoldoende geborgd. Besluitvorming op basis van de huidige stukken is niet zorgvuldig en niet verdedigbaar. Het bevoegd gezag wordt daarom verzocht om het ontwerp-TAM-omgevingsplan niet vast te stellen. Op basis van het totale dossier wordt verzocht de plannen te heroverwegen omdat er verschillende belemmeringen zijn die verdere uitwerking en uitvoering van het plan in de weg staan. Vanzelfsprekend zijn 5.1.2e en 5.1.2e bereid deze zienswijze nader toe te lichten. Een reactie op dit schrijven zien wij dan ook gaarne tegemoet.
Met vriendelijke groet, 5.1.2e d B.V. 5.1.2e
5.1.2e
Senior Consultant Industry & Buildings
27 januari 2026
BK4853-IB-LT00701
5/5
RAPPORT Ontwerp-TAM-omgevingsplan zandwinplas Koekange (Gemeente De Wolden) Zienwijze Klant:
5.1.2e
Referentie:
BK4853-IB-RP-260112-1324
Status:
Definitief/01
Datum:
26 januari 2026
Projectgerelateerd
HASKONING NEDERLAND B.V.
5.1.2e
Nijmegen Netherlands Industry & Buildings Trade register number: 56515154 5.1.2e
Telefoon: 5.1.2e E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com
Titel document:
Ontwerp-TAM-omgevingsplan zandwinplas Koekange (Gemeente De Wolden) Zienwijze BK4853-IB-RP-260112-1324 Zandwinning Roelofs Echten Definitief/01 26 januari 2026 Zandwinning Echten/ Ongevingsplan Koekange BK4853
Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):
5.1.2e
Opgesteld door:
5.1.2e
Gecontroleerd door: Datum:
, 5.1.2e ,
5.1.2e
5.1.2e
26 januari 2026
Goedgekeurd door:
5.1.2e
Datum:
26 januari 2026
Classificatie:
Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. 5.1.2e Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van 5.1.2e Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. Dit document kan zijn opgesteld met behulp van kunstmatige intelligentie (AI); alle door AI gegenereerde inhoud is beoordeeld en gevalideerd door onze experts. 26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
2
Aanleiding en doelstelling
1
3
Achtergrondinformatie
2
4
Werkwijze/ leeswijzer
2
5
Bevindingen milieueffectrapportage
3
5.1
Inleiding
3
5.1.1
Aanleiding
3
5.1.1.1
Het voornemen
3
5.1.2 5.1.3
Mer-plicht Mer-procedure en MER
3 4
5.1.3.1
NRD en zienswijze
4
5.2
Voorgenomen ontwikkeling
4
5.2.1
Doel nieuwe zandwinning Echten
4
5.2.1.1
Nut en noodzaak
4
5.2.1.2
Bestaande zandwinning
5
5.2.2
Voorgenomen activiteit: zandwinning
5
5.2.2.1
Technische aspecten
5
5.2.3
Alternatieven
5
5.2.3.1
Locatiealternatieven
5
5.2.3.2
Optimale zandwinning
6
5.2.3.3
Optimale natuurontwikkeling
7
5.2.4
Landschappelijke inpassing
8
5.3
Onderzoeksmethodiek
11
5.3.1 5.3.2 5.3.3
Referentiesituatie Plan- en studiegebied Beoordelingskader
11 11 12
5.3.3.1
Wijze van effect bepaling
12
5.3.4
Beoordelingsmethodiek per thema
12
5.3.4.1
Bodem
12
5.3.4.2
Water
12
5.3.4.3
Natuur
13
5.3.4.4
Geluid en trillingen
13
5.4
Bodem
14
5.4.1 5.4.2
Inleiding Huidige situatie en referentiesituatie
14 14
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
iii
Projectgerelateerd
5.4.2.1
Bodemkwaliteit
14
5.4.3
Effectbeschrijving en beoordeling
14
5.4.3.1
Taludstabiliteit
14
5.4.4
Mogelijkheden voor mitigatie
16
5.5
Water
16
5.5.1
Huidige situatie en referentie situatie
16
5.5.1.1
Geohydrologie en bodemopbouw
16
5.5.1.2
Watersysteem
17
5.5.1.3
Waterkwaliteit
18
5.5.2
Effectbeschrijving en beoordeling alternatieven
19
5.5.2.1
Oppervlaktewater
19
5.5.2.2
Grondwatersysteem
19
5.5.2.3
Kwel en wegzijging
21
5.5.2.4
Waterkwaliteit
22
5.5.2.5
Grondwaterkwaliteit
22
5.5.3
Mogelijkheden voor mitigatie
23
5.5.3.1
Grondwatersystemen
23
5.5.4
Leemten in kennis
24
5.6
Natuur
24
5.6.1
Huidige situatie en beoordeling
24
5.6.1.1
Soorten
24
5.6.2
Effectbeschrijving en beoordeling
25
5.6.2.1
Soorten
25
5.6.2.2
Biodiversiteit
27
5.6.3
Mogelijkheden voor mitigatie
28
5.6.3.1
Soorten
28
5.6.4
Leemtes in kennis
28
5.7
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
29
5.7.1 5.7.2
Inleiding Effectbeschrijving en beoordeling
29 29
5.7.2.1
Historische patronen en elementen
29
5.7.3
Leemten in kennis
29
5.7.3.1
Archeologie
29
5.8
Geluid en trillingen
30
5.8.1
Huidige en referentie situatie
30
5.8.1.1
Hinder door trillingen
30
5.8.2
Effectbeschrijving en beoordeling
30
5.8.2.1
Geluidsbelasting op woningen
30
5.8.2.2
Laag frequent geluid
31
5.9
Lucht
31
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
iv
Projectgerelateerd
5.9.1
Huidige situatie en referentie situatie
31
5.9.1.1
Luchtkwaliteit
31
5.9.1.2
Stofhinder
31
5.9.2
Effectbeschrijving en beoordeling
32
5.9.2.1
Luchtkwaliteit
32
5.10
Verkeer
32
5.10.1
Inleiding
32
5.11
Ruimtegebrek
32
5.11.1 5.11.2
Inleiding Huidige situatie en referentie situatie
32 32
5.11.2.1 Woningbouw
32
5.11.2.2 Kabels en leidingen
33
5.11.2.3 Woningbouw
33
5.11.2.4 Nat-droogteschade landbouw
33
5.11.2.5 Recreatie
34
5.11.3
Mogelijkheden voor mitigatie
34
5.12
Van alternatieven naar KVA
35
5.12.1
Het voorkeursalternatief
35
5.13
Voorkeursalternatief Zandwinning Echten
36
5.13.1
Bodem
36
5.13.1.1 Bodemkwaliteit
36
5.13.2
Water
37
5.13.2.1 Oppervlaktewater
37
5.13.2.2 Grondwaterkwlaiteit
37
5.13.2.3 Grondwaterstand en stijghoogte
37
5.13.2.4 Kwel en infiltratie
38
5.13.3
Natuur
40
5.13.3.1 Soorten
40
5.13.3.2 Natura 2000
41
5.13.4
42
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
5.13.4.1 Landschappelijke kenmerken
42
5.13.4.2 Archeologische waarden
42
5.13.4.3 Aardkundige waarde
42
5.13.4.4 Geluidbelasting op woningen
42
5.13.4.5 Hinder door trillingen
42
5.13.5
Lucht
43
5.13.5.1 Luchtkwaliteit
43
5.13.6
44
Externe veiligheid
5.13.6.1 Plaatsgebonden risico’s
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
44
BK4853-IB-RP-260112-1324
v
Projectgerelateerd
5.13.7
Ruimtegebruik
44
5.13.7.1 Nat-droogteschade
44
5.14
Conclusie
44
5.14.1
Monitoring
44
5.15
Bronnen
45
6
Resterende bevindingen NRD
46
7
Conclusies
53
Tabellen No table of figures entries found.
Figuren No table of figures entries found.
Bijlagen Bijlage 1 Beoordeling hydrologie
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
vi
Projectgerelateerd
1
Inleiding
In opdracht van 5.1.2e heeft 5.1.2e de voorliggende zienswijze opgesteld op een ontwerp TAMomgevingsplan. Genoemde plan bestaat uit een kaart en verschillende documenten.
2
Aanleiding en doelstelling
De exploitant van de bestaande zandwinning aan de 5.1.2e (Gemeente De Wolden, Provincie Drenthe) heeft het voornemen om een nieuwe zandwinning te realiseren ten westen van de bestaande zandwinplas. Het plangebied is ongeveer 65 hectare groot. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de dijk van de 5.1.2e en de Ossesluis. Aan de westkant wordt de grens gevormd door de Koekangerweg. De noordelijke grens wordt gevormd door de percelen gelegen aan de zuidkant van de 5.1.2e . Aan de oostkant wordt de grens bepaald door de gronden van de voormalige NAM Luchtscheidingsinstallatie en door de Kanaaldijk tot aan het depot van de bestaande zandwinning. In de milieueffectrapportage zijn de resultaten opgenomen van het onderzoek naar de effecten van het nieuwe TAM-omgevingsplan. De rapportage dient als onderbouwing van het TAM-omgevings- plan. De milieueffectrapportage is opgenomen als bijlage 20 van de toelichting van ontwerp TAM-omgevingsplan. 5.1.2e
Het ‘ontwerp TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b zandwinplas Koekange’ en de bijbehorende stukken en de ontwerp-milieueffectrapportage liggen van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage. De plannen raken de belangen (eigendommen) van 5.1.2e in het gebied. Om die reden wenst 5.1.2e , na eerdere reacties (zie hoofdstuk 3) een zienswijze in te dienen. Het voorliggende rapport heeft tot doel daar invulling aan te geven.
1
5.1.2e
26 januari 2026
5.1.2e
Koekange; Postadres; Zandexploitatiemaatschappij VOF Echten Postbus 12 5.1.2e
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
Den Ham. 1
Projectgerelateerd
3
Achtergrondinformatie
Ter achtergrondinformatie is navolgend een chronologisch overzicht opgenomen van de stappen die tot heden gezet zijn om te reageren op de planvorming. 1. In het Provinciale blad nr. 2566 d.d. 19 februari 2025 is aankondiging gedaan van de terinzagelegging Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Deze lag van 13 februari tot en met 26 maart 2025 ter inzage. 2. Op 25 maart 2025 is middels een rapport door 5.1.2e een beoordeling op de NRD gegeven (‘Zandwinning Echten. Reactie op NRD’, kenmerk BK4853-IB-RP-250317, d.d. 25 maart 2025). Deze is per e-mail op 26 maart door 5.1.2e bij de gemeente ingediend. Op basis van de bevindingen in dit rapport wordt geconcludeerd dat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) niet volledig is. Er zijn aspecten die daardoor in het MER niet of onvoldoende worden onderzocht. 3. Op 9 oktober 2025 (na 28 weken) is een concept-beantwoording van de zienswijzen ontvangen van de gemeente De Wolden. Uit de e-mail en het bijgevoegde word-bestand wordt niet duidelijk welke procedure gevolgd wordt inzake de beantwoording, met name of hierop gereageerd kan worden en zo ja tot welk moment. 4. Op 26 november 2025 is middels een rapport door 5.1.2e een beoordeling op de conceptbeantwoording gegeven (‘Zandwinning Echten. Reactie op beantwoording zienswijze’, kenmerk BK4853-IB-RP-251027-1701 d.d. 26 november 2025).
Deze is door 5.1.2e per email ingediend op 27 november 2025. In de zienswijze is een groot aantal zaken benoemd waar het in de concept beantwoording aan schort en waar de NRD op aangepast had moeten worden wat niet is gebeurd. 5. In de e-mail van de gemeente d.d. 27 november wordt gemeld dat de NRD is vastgesteld en een afschrift van de beantwoording is gestuurd. Verder wordt het advies gegeven om t.z.t. een advies in te dienen op het milieueffectrapport. 6. Door ons is de website van en de commissie MER te Utrecht geraadpleegd. Er zijn geen stukken bekend inzake deze procedure bij de commissie.
4
Werkwijze/ leeswijzer
Door 5.1.2e is aan de hand van de milieueffectrapportage, met verwijzing naar daarmee verband houdende stukken die ook ter inzage liggen, in deze rapportage een zienswijze beschreven op basis van geconstateerde tekortkomingen, risico’s op het schaden van belangen van 5.1.2e en daarmee samenhangende standpunten.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
2
Projectgerelateerd
5
Bevindingen milieueffectrapportage
In onderstaande (sub)paragrafen is aangesloten bij de paragrafen zoals deze zijn opgenomen in het MER.
5.1
Inleiding
5.1.1
Aanleiding
5.1.1.1 Het voornemen Op bladzijde 6 is het plangebied weergegeven.
Reactie De buisleiding tussen de nieuwe en bestaande zandwinning loopt over belendende percelen, welke geen eigendom van de huidige of toekomstige zandwinning zijn. Hoe de buisleiding gerealiseerd wordt, is niet duidelijk. Het bezwijken van de leiding bij gebruik kan schade opleveren aan de waterkering. Deze schade kan vervolgschade op de omliggende percelen tot gevolg hebben.
5.1.2
Mer-plicht
In het MER is op bladzijde 7 het volgende opgenomen: “In het kader van de plan- en besluitvorming voor de uitbreiding van de zandwinning wordt een merprocedure doorlopen.” Reactie: Aangezien de nieuwe zandwinning niet aansluitend is op de bestaande locatie, is dit geen uitbreiding maar een nieuwe locatie.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
3
Projectgerelateerd
5.1.3
Mer-procedure en MER
5.1.3.1 NRD en zienswijze Op bladzijde 8 is het volgende opgenomen. “Als begin van de mer-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De reikwijdte geeft aan wat het voornemen is, of en welke alternatieven/varianten worden onderzocht en welke (milieuen omgevings)thema’s in beeld wordt gebracht. Het detailniveau betreft de diepgang en methode van het onderzoek. De NRD heeft van 13 februari 2025 tot en met 26 maart 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn bestond de mogelijkheid voor eenieder om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen. In totaal zijn er twee schriftelijke zienswijzen ingediend (waaronder door 5.1.2e ). Er zijn geen mondelinge zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn binnen de zienswijzentermijn binnengekomen. Aan de hand van de zienswijzen zijn enkele punten voor het MER benoemd: - Aanpassing van de beschrijving - figuren van het plangebied en landschappelijke inpassing: het verwijderen van een wandelpad en het toevoegen van de transportleiding en bestaande depot en installatieterrein. - Ingaan binnen het MER op de effecten op waterberging; watergangen; kabels en leidingen; geluid; en extensieve recreatie.” Reactie Bij de NRD ontbrak juist de diepgang en methode van het onderzoek en is alles doorgeschoven naar het MER.
De aangegeven punten voor aanvulling op het MER is een selectie van meerdere punten genoemd van de ingebrachte zienswijzen. Het is onduidelijk hoe met andere punten wordt/ is omgegaan.
5.2
Voorgenomen ontwikkeling
5.2.1
Doel nieuwe zandwinning Echten
5.2.1.1 Nut en noodzaak Op bladzijde 10 is opgenomen dat Nederland de komende decennia een opgave heeft. Er is een tekort aan woningen en de infrastructuur moet worden onderhouden en uitgebreid. Om dit alles te realiseren, is er behoefte aan grote hoeveelheden industriezand en ophoogzand. Gesteld wordt dat de voorgenomen zandwinning waar zowel industriezand als ophoogzand wordt gewonnen een belangrijke bijdrage levert aan de nationale en regionale behoefte aan bouwgrondstoffen. Reactie: In het MER ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van enerzijds de marktvraag en anderzijds het marktaanbod aan zand waaruit blijkt dat er noodzaak is voor de voorgenomen zandwinning. Daardoor ontbreekt ook een deel van de onderbouwing waardoor aannemelijk is dat er sprake is van economisch haalbare en houdbare bedrijfsvoering. Tevens is opgenomen dat: “Indien er geen winmogelijkheden bijkomen bestaat er, zoals ook geconcludeerd door Berenschot, een grote kans is op maatschappelijke problemen door een zand- en grindtekort (o.a. vertraagde en duurdere woningbouw- en infrastructuurprojecten en vertraging in de energietransitie).
Daarnaast zullen bijdragen aan maatschappelijke ambities, bijvoorbeeld ruimte voor de rivier, waterbuffering en nieuwe natuur, welke op dit moment onderdeel zijn van de gebiedsontwikkelingen rondom winningsprojecten, niet langer worden gerealiseerd als (nieuwe) projecten geen doorgang vinden. Dit kan vanzelfsprekend grote
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
4
Projectgerelateerd
gevolgen hebben voor betaalbaarheid en uitvoering van doelstellingen in het kader van bijvoorbeeld de hoogwateropgave, klimaatadaptatie of natuurontwikkeling.” Reactie: Op basis van het MER ontstaat de indruk dat primair zandwinning de reden is voor het project en daarmee de nut en noodzaak.
5.2.1.2 Bestaande zandwinning Op bladzijde 11 is opgenomen dat: “Deze laatst genoemde hoeveelheid zand kan echter niet worden gewonnen, aangezien het geheel aan installaties/gebouwen met toebehoren en zanddepots ook worden gebruikt door de nieuwe zandwinning en daardoor niet op de locatie nieuwe van de zandwinning hoeven te worden gesitueerd. Tevens zal daardoor de verkeersafwikkeling in de toekomst via de aanwezige infrastructuur van de bestaande zandwinning hetzelfde blijven.” Reactie: Vanaf de nieuwe locatie wordt het zand met een transportleiding naar de bestaande installaties verpompt. De aanleg en het gebruik van deze transportleiding leidt tot effecten en risico’s.
5.2.2
Voorgenomen activiteit: zandwinning
Op bladzijde 11 is het volgende opgenomen. “Door de percelen en hun erfbeplanting ligt aan de noordelijke grens een kleinschaliger landschap. Door het gebied loopt een bredere watergang. Voor de rest bestaat het gebied uit weilanden met een zeer open en weids karakter met twee bosschages aan de oost- en westkant.” Reactie: De nieuwe zandwinning heeft tot gevolg dat bestaand leefgebied (flora en fauna) én weidegronden verdwijnt. In hoeverre dit past binnen het historische ontginningslint, waterrijke natuurzone en weids veenweidegebied, is onduidelijk.
5.2.2.1 Technische aspecten Op bladzijde 11 is opgenomen dat: “Via een transportleiding gaat het zand naar het depot van de bestaande zandwinningsplas op de Willem 5.1.2e weg. Voordeel hiervan is dat het gewonnen zand opgeslagen kan worden op de huidige zandwinninglocatie en er geen extra ruimte gereserveerd hoeft te worden voor het opslaan van zand en er geen nieuwe infrastructuur hoeft worden aangelegd.” Reactie: De aanleg en het gebruik van deze transportleiding leidt tot effecten en risico’s.
5.2.3
Alternatieven
5.2.3.1 Locatiealternatieven Op bladzijde 11 is het volgende opgenomen.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
5
Projectgerelateerd
“Vanwege de specifieke locatie van de ruimtelijke ontwikkeling wordt er geen onderzoek gedaan naar locatiealternatieven. Dit heeft te maken met een aantal aspecten: Vanuit de Omgevingsvisie Drenthe 20222 zijn er ambities opgesteld op het gebied van (onder andere) zandwingebieden. Hierbij heeft de provincie als uitgangspunt geformuleerd dat nieuwe zandwingebieden zoveel mogelijk geconcentreerd moeten blijven in een beperkt aantal zandwinplaatsen. Directe aansluiting aan de huidige zandwinplas is niet mogelijk. Uit geohydrologisch onderzoek blijkt dat een uitbreiding van de bestaande zandwinplas niet aan de orde is. De watertoevoer voor de huidige plas wateraanvoer en het vergroten van deze plas past niet bij de huidige discussies over een goede droogte- en waterverdeling binnen provincie Drenthe. Een eventuele uitbreiding van de bestaande plas in de westelijke richting zou beide plassen dichter bij elkaar laten komen met een grotere kans op wederzijdse beïnvloeding (vernatting en verdroging). Een groter tussenliggend gebied vormt een grotere buffer om deze effecten te mitigeren. Een uitbreiding van de bestaande plas in noordelijke en noordoostelijke richting is vanwege een aanwezige keileemscol technisch niet mogelijk.
Er wordt op een efficiënte wijze gebruik gemaakt van de huidige infrastructuur om de zandwinning uit te voeren, te transporteren en op te slaan op de bestaande zandwinningsplas aan de 5.1.2e . Voor de bestaande werklocatie is een nieuwe brug aangelegd om een snelle ontsluiting richting snelweg te realiseren. Door deze werklocatie te behouden, kan deze brug ook blijven functioneren. Vanwege de landschappelijke inpassing op basis van de landschapsanalyse waardoor de zandwinning op een natuurlijke manier past in het huidige en historische landschap (die kenmerkend zijn voor het historisch ontginningslint, weids veenweidegebied en de waterrijke natuurzone).” Reactie Het eerste aspect leent zich juist om de bestaande zandwinplas uit te breiden. De beoordeling dat een westelijke uitbreiding op basis van het hydrologisch model niet mogelijk is, wordt niet onderschreven. Er wordt nog separaat ingegaan op het gebruikte hydrologisch model en de ontleende conclusies. Het project leent zich voor de afweging, zeker gezien het doel van de MER, om als alternatieven het verplaatsen van de installatie versus het laten staan van de installatie te beoordelen als onderdeel van de te beoordelen alternatieven. Op die wijze kan het meest optimale scenario worden gekozen waarbij de installatie zo min mogelijk milieueffecten heeft.
Doordat de zandwinning nu niet aansluitend wordt gerealiseerd, ontstaan er juist meerdere zandwinplassen kort bij elkaar. Dit leidt tot versnippering van het bestaande landschap. Bij inrichtingsalternatieven: Onduidelijk is waarom er slechts twee alternatieven zijn beschouwd: ‘Optimale zandwinning’ en ‘Optimale natuurontwikkeling’? Zijn andere richtingen binnen gebiedsalternatieven ook nog mogelijk? Zijn de scenario's realistisch, ook met andere mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het gebied? Hoe gaat getoetst worden wat het optimale scenario is? Met welke criteria of parameters worden vergeleken (voorbeeld: stikstof, ecologie, geld, werkgelegenheid?)
5.2.3.2 Optimale zandwinning Figuur 2-2 toont de tekening voor de optimale zandwinning.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
6
Projectgerelateerd
Reactie Het plangebied heeft aan de noordzijde een andere contour dan het plangebied opgenomen op bladzijde 6 bij “het voornemen”. Hiervoor worden 3 woningen geamoveerd en een perceel verkleind. Twee huizen hebben een vroege oorsprong te weten 1902 en 1916. Dit strookt niet met de veronderstelde beperking in milieubelastende activiteiten/lagere milieueffecten (niet verplaatsen depot en installaties) om vervolgens over te gaan op sloop van huizen (aantasting cultuurhistorische waarden) en daarmee ook verhuizing/nieuwbouw nieuwe huizen.
5.2.3.3 Optimale natuurontwikkeling Figuur 2-4 toont de tekening voor de optimale natuurontwikkeling.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
7
Projectgerelateerd
Reactie De noordelijke grens, ter hoogte van 5.1.2e , komt niet geheel overeen met het plangebied op bladzijde 6. Onduidelijk is waarom de noordelijke grens anders loopt en welke implicaties deze heeft.
5.2.4
Landschappelijke inpassing
Op bladzijde 16/17 is het volgende opgenomen. “De landschappelijke inpassing van de eindsituatie van de zandwinningsplas gaat uit van een natuurgebied in de historisch gegroeide landschapsstructuur. De overgangen van het plangebied naar het landschap worden versterkt en het gebied wordt ingericht ten behoeve van natuurfuncties en kleinschalige recreatie. De waterplas in het natuurgebied krijgt zijn definitieve vorm door de eindsituatie die ontstaat na beëindiging van de zandwinning. De Volgende geeft een beeld van het uiteindelijke landschappelijke plan.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
8
Projectgerelateerd
Vanuit een landschappelijke analyse en de wensen van diverse partijen2 en omwonenden wordt rekening gehouden met verschillende zonering en uitgangspunten. Centraal in het landschapsplan staan: • Het historisch ontginningslint: o Aansluiting met de historische karakteristieken van het lint van de 5.1.2e ; o Zone verbreden tot tegen de waterlijn. • Weids veenweidegebied: o De bestaande weidsheid en openheid borgen; o Geen nieuwe opgaande beplanting toevoegen. •
Waterrijke natuurzone: o Aansluiting op het natuurlandschap van de Veeningerplas; o Inzetten op natuur en ecologische waarden.
Reactie Gesteld wordt dat de overgangen van het plangebied naar het landschap worden versterkt en het gebied wordt ingericht ten behoeve van natuurfuncties en kleinschalige recreatie. Zowel tekstueel als op figuur 27 is geen gras zichtbaar met her en der een bosschage (donkergroene zones op figuur 2-7). Hoe echter de overgang versterkt wordt is niet duidelijk. Aangezien nieuwe bosschages lijken te worden aangeplant (donkergroene vlakken), staat dat haaks op de stelling op pagina 17 “geen nieuwe opgaande beplanting toevoegen”. Er is niet duidelijk welke natuurfuncties beoogd zijn te realiseren of ondersteunen. Een weids veenweidegebied (flora en fauna) is niet gebaad bij een diepe plas. Daarnaast zal met de aanleg van de
2
5.1.2e
is niet geraadpleegd als eigenaar van gronden in het gebied en feitelijk genegeerd.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
9
Projectgerelateerd
zandwinplas een deel van de aanwezige laagveenvlakte aan de westzijde en veengronden aan de westen zuidoostzijde van het terrein verdwijnen, zie ook onderstaande figuur.
Op de figuur in paragraaf 5.2.4. zijn blauwe en oranje pijlen zichtbaar. Onduidelijk is wat hiermee bedoeld wordt. Als deze figuur een doorkijk geeft naar de uiteindelijke situatie en met het landschapsplan dat er naar de waterlijn een verbreding heeft plaatsgevonden, lijkt al voorgesorteerd te worden op een meer optimale situatie voor zandwinning. Hoe dit zich vertaalt tot het inzetten op natuur en ecologische waarden is niet duidelijk. In het landschapsplan zijn 3 pijlers opgenomen. Echter is een niet aangegeven wat onder kleinschalige recreatie wordt verstaan. Ook het inzetten op ecologische waarden, is onduidelijk wat hier mee bedoeld wordt. Een diepe plas heeft namelijk voor een veenweidegebied geen ecologische waarde. Ook is aangegeven dat met de wensen van diverse partijen en omwonenden rekening is gehouden. Het is niet duidelijk welke wensen zijn opgehaald en van wie dat afkomstig is. Onduidelijk is hoe wordt aangesloten op het natuurlandschap van de Veeningerplas of hoe deze stelling gelezen dient te worden, aangezien de Veeningerplas zich aan de andere zijde van de Hoogeveense Vaart bevindt.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
10
Projectgerelateerd
5.3
Onderzoeksmethodiek
5.3.1
Referentiesituatie
Op bladzijde 18 is het volgende opgenomen. “In het MER zijn de effecten van de voorgenomen uitbreiding van de zandwinning bepaald. Dit ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de toekomstige situatie in het plangebied zonder de uitbreiding. Dit om alleen de effecten van de uitbreiding te beschouwen en niet de effecten van overige ontwikkelingen in en rond het plangebied.” En “Referentiesituatie = huidige situatie + autonome ontwikkeling Referentiesituatie: toekomstige situatie in het plangebied zonder de voorgenomen dijkversterking. Huidige situatie: bestaande/feitelijke situatie in het plangebied. Autonome ontwikkelingen: andere (zekere) ontwikkelingen in het plangebied waarover al een besluit is genomen en de duurzame energie hub.” Reactie Eerst wordt gesteld dat de referentiesituatie de toekomstige situatie in het plangebied is zonder de uitbreiding. Verderop staat beschreven dat de referentiesituatie het plangebied zonder de voorgenomen dijkversterking betreft. Indien de dijkversterking al voorzien is dan zou dit een autonome ontwikkeling (kunnen) zijn waarmee al rekening gehouden dient te worden. Anders dient te worden gespecificeerd dat de voorgenomen dijkversterkingen in het gebied een voorgenomen ontwikkeling zijn waarover nog geen besluit is genomen.
De vraag rijst of hier abusievelijk van dijkversterking wordt gesproken waar aanleg van een zandwinning wordt bedoeld. Bij De Wijk 20 werd stikstof geïnjecteerd door de NAM om gaswinning mogelijk te maken. Nergens wordt er ingegaan over het leidingwerk van de NAM-locatie. Daardoor is onduidelijk wat nog aanwezig is en in hoeverre hier rekening mee gehouden moet worden (zelfs al is de locatiue buiten gebruik). Daardoor is onduidelijk wordt geborgd dat deze leidingen geen gevaar lopen bij de ontwikkeling van de nieuwe plas (oeverinstabiliteit). Met de voorgenomen duurzame energie hub is ook onduidelijk welke andere kabels en leidingen hergebruikt of gerealiseerd gaan worden welke van invloed zijn op het huidige plangebied.
5.3.2
Plan- en studiegebied
Op bladzijde 18 is het volgende opgenomen. “In het MER is onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het studiegebied is het totale gebied waarbinnen milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling kunnen optreden. Het studiegebied is dus groter dan het plangebied en kan per milieuaspect verschillen. Voor milieuaspecten zoals bodem en aardkundige waarden treden de effecten alleen binnen het plangebied zelf op (het studiegebied is hier gelijk aan het plangebied).”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
11
Projectgerelateerd
Reactie Indien een bodemverontreiniging buiten het plangebied aanwezig is, lijkt deze niet te worden meegenomen in het MER. Echter door ontwikkeling van een zandwinplas, mag aangenomen worden dat mobiele verontreinigingen juist buiten het plangebied beïnvloed kunnen worden. Het is niet duidelijk hoe hiermee wordt omgegaan en wat de gevolgen daarvan zijn.
5.3.3
Beoordelingskader
5.3.3.1 Wijze van effect bepaling Op pagina 20 in tabel 3-1 is opgenomen dat recreatie kwalitatief via expert judgement na winning bepaald wordt. Reactie Hier dient bij uitstek juist de omgeving betrokken te worden om te bepalen welke recreatie gewenst en nuttig is.
5.3.4
Beoordelingsmethodiek per thema
5.3.4.1 Bodem Taludstabiliteit Op pagina 21 is het volgende opgenomen. “Het aspect taludstabiliteit gaat in op de borging van de taludstabiliteit tijdens en na de zandwinning. Hierbij is de omgeving van het plangebied het onderzoeksgebied. Dit is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is kwalitatief onderzoek uitgevoerd.” Reactie In hoeverre is er geleerd van de aanwezige instabiliteit/inbressing bij de reeds actieve zandwinning Echten? Hier hebben meerdere inbressingen plaatsgevonden waarop nog geen maatregelen worden getroffen.
5.3.4.2 Water Op pagina 21 is het volgende opgenomen. “Het thema Water bestaat uit de aspecten waterkwaliteit, grondwaterkwaliteit, grondwaterstand en stijghoogte en kwel/infiltratie.” Reactie Grondwater is een onderdeel van de bodem en valt daarmee ook samen met het thema bodem. In hoeverre wordt voorkomen dat een mobiele bodemverontreiniging in of buiten het plangebied niet wordt meegewogen? Op pagina 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect Grondwaterstanden en stijghoogte gaat in op de grondwaterstanden en stijghoogte. Het studiegebied voor het aspect is de omgeving van het plangebied. Het aspect Grondwaterstanden en
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
12
Projectgerelateerd
stijghoogte is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd (Sweco, 2024).” Reactie In tabel 3-4 op bladzijde 21 is opgenomen dat voor de grondwaterstanden en stijghoogte een kwantitatief onderzoek plaatsvindt. Onduidelijk is welk type onderzoek nu heeft plaatsgevonden.
5.3.4.3 Natuur Soorten Op pagina 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect Soorten gaat in op de mate waarin de zandwinning effecten heeft op (beschermde) diersoorten.” Reactie Ontbreken van effect op (beschermde) plantensoorten in het bestaande veenweidegebied. NNN Op bladzijde 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect soorten is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd doormiddel van een natuuronderzoek (Antea, Natuurtoets, 2024).” Reactie Het aspect soorten is geen onderdeel van aspect NNN. Onduidelijk welk onderzoek er voor aspect NNN heeft plaatsgevonden. Biodiversiteit Op bladzijde 22 is het volgende opgenomen. “Het aspect biodiversiteit gaat in op de mate waarin de zandwinning effect heeft op de biodiversiteit. Het studiegebied voor het aspect is de omgeving van het plangebied. Het aspect Biodiversiteit is beoordeeld aan de hand van een deskundigenoordeel. De gedetailleerde plannen voor inrichting van de zandwinning zijn gebruikt bij de beoordeling.” Reactie Het is onbekend hoe een lijst van flora en fauna is verkregen waaraan is getoetst. Daarnaast zal met de aanleg van de zandwinplas een deel van het aanwezige veen binnen het plangebied verdwijnen. Dit staat haaks op behoud van (laag)veen, met haar cultureel en ecologisch belang.
5.3.4.4 Geluid en trillingen Bij de drie aspecten wordt verwezen naar een onderzoek van Huygen voor de Zandwinning Echten uit 2024. Reactie Dit onderzoek behelst de actieve zandwinplas en is niet één op één aansluitend op de nieuwe zandwinplas.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
13
Projectgerelateerd
Zo zijn bestaande woningen niet hetzelfde gesitueerd ten opzichte van het plangebied. Het is ook niet duidelijk of de nieuwe zandwinplas dezelfde oever en diepte krijgt als de huidige actieve zandwinplas.
5.4
Bodem
5.4.1
Inleiding
Op bladzijde 27 is opgenomen dat een milieuhygiënisch onderzoek door Aveco de Bondt is uitgevoerd. In tabel 4-1 is opgenomen dat een vooronderzoek bodem de onderzoeksmethode is. Reactie Een vooronderzoek betreft normaliter een vooronderzoek zoals genoemd in de NEN 5725. Een milieuhygiënisch onderzoek is daarmee een andere insteek en volgt de NEN 5740. Het is onduidelijk waarom gekozen is om een bodemonderzoek uit te voeren en met welke insteek.
5.4.2
Huidige situatie en referentiesituatie
5.4.2.1 Bodemkwaliteit Landbodem Op bladzijde 28 en 29 is tabel 4-3 opgenomen met de aanwezigheid van type van verontreinigingen bij de betreffende locatie of activiteit. Reactie Het is onduidelijk welke kwaliteit van de bodem is aangetoond en hoe zich dat verhoudt ten opzichte van de heersende achtergrondgehalten c.q. concentraties. Ook is niet inzichtelijk gemaakt of dit grond of grondwater betreft en welke invloed dit kan hebben op de zandwinning en daarbij mogelijke mobilisatie van de verontreinigingen in de bodem. Waterbodem Op bladzijde 29 is het volgende opgenomen. “Uit het vooronderzoek is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied sprake is van één type deellocatie, namelijk ’onbelast, landelijk gebied’. Er is geen verdenking voor asbest of verhoogde gehalten met andere stoffen in de waterbodem. De lengte van de watergang bedraagt circa 1.300 meter.” Reactie De watergang wordt omsloten door agrarische velden. In hoeverre is rekening gehouden met toepassing van mest en het uitlekken van stoffen als nitraat, sulfaat en fosfaat naar de waterbodem?
5.4.3
Effectbeschrijving en beoordeling
5.4.3.1 Taludstabiliteit Kenmerken van taludstabiliteit Op bladzijde 33 tot en met 36 wordt ingegaan op de kenmerken van taludstabiliteit. Reactie
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
14
Projectgerelateerd
De taludstabiliteit is berekend met de daarvoor bestemde rekenmethode. Echter gebleken is dat bij Traandijk inbressingen hebben plaatsgevonden. Onduidelijk is of hier rekening mee is gehouden. Op bladzijde 35 zijn verschillende benodigde breedtes en randstrookbreedtes tekstueel en in tabel 4-5 opgenomen. Reactie De randstrookbreedte van de NAM locatie is op 72 meter gezet. Echter de afstand van de plas naar de grens van het terrein is 25 meter en de afstand van de NAM locatie naar de grens is 37 meter. Hiermee zou de randstrookbreedte 25+37 = 62 meter zijn. Opmerkelijk is wel dat ter plaatse van de NAM locatie slechts een benodigde breedte van 20 meter noodzakelijk is, de laagste afstand van alle randstroken. Is er gezien de toekomstige ontmanteling van de site en realisatie van de energie hub (en daarmee trillingen) juist niet meer ruimte nodig? Taludstabiliteit van de alternatieven Op bladzijde 36 is het volgende opgenomen. “Het onderzoek van Wiertsema & Partners (2025) is uitgevoerd op basis van een kaart van het plangebied die niet overeenkomt met het alternatief ‘optimale natuurontwikkeling’ noch met het alternatief ‘optimale zandwinning’. Beide alternatieven zijn echter wel getoetst aan de beoordelingskaders zoals vastgesteld in het onderzoek van Wiertsema & Partners.
De exacte berekeningen uit dat onderzoek kunnen echter niet worden overgenomen.” Op bladzijde 38 is opgenomen. “De resultaten van het onderzoek uitgevoerd door Wiertsema & Partners tonen aan dat de zandwinning ruimschoots voldoet aan de gestelde eisen. De alternatieve scenario’s voor optimale zandwinning en optimale natuurontwikkeling wijken echter af van deze berekeningen. Deze afwijking is echter minimaal, hiermee is de verwachting dat de evenwichtsfactor nog steeds voldoende is.” Reactie Aangezien het onderzoek niet overeenkomt met de alternatieven, kan de uitgevoerde toets ook niet representatief zijn voor deze alternatieven. De “verwachting” is wel erg summier en dus niet onderbouwt om daarmee aan te nemen dat er geen gevolgen zijn. Op bladzijde 38 is tevens opgenomen. “Voor de microstabiliteit kan gesteld worden dat dit in zowel het alternatief optimale zandwinning als alternatief optimale natuurontwikkeling voldoende is. Het plaspeil is namelijk hoger dan de grondwaterstand, waardoor uitredend water niet zal optreden en de microstabiliteit dus kan worden gegarandeerd.” Reactie Hoe wordt het plaspeil hoger gehouden dan de grondwaterstand? Wordt de zandwinplas afgesloten van de omliggende percelen middels damwanden o.i.d.? Anders staat de grondwaterstand in direct contact met de plas en zal er een evenwicht ontstaan tussen het peil van de plas en de grondwaterstand.
Tevens op bladzijde 38 opgenomen. “Enkele delen van het plangebied zijn gevoelig voor verweking, echter verweking vereist een trigger, zoals aardbevingen of bouwtrillingen. De zandwinlocatie ligt buiten seismisch actieve gebieden en er zijn geen bouwactiviteiten gepland. Het risico op verweking is daarom verwaarloosbaar.”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
15
Projectgerelateerd
Reactie Bij traandijk zijn er wel (recente) inbressingen. Ook daar zijn geen bouwactiviteiten. Zijn bouwactiviteiten en aardbevinden de enige factoren voor trillingen? Er zijn ook andere processen die een rol spelen bij verweking die nu buiten beoordeling blijven. Voorbeeld: is er rekening gehouden met invloed van weersextremen? kunnen hevige regenval of overstromingen leiden tot verweking of oeverinstabiliteit?
5.4.4
Mogelijkheden voor mitigatie
Op bladzijde 38 het volgende opgenomen. “Een mogelijkheid voor mitigatie in het alternatief optimale natuurontwikkeling is om de randstrookbreedtes te verbreden zodat de taludstabiliteit gewaarborgd blijft. De randstrookbreedtes moet dan verbreed worden aan de west-, noord- en zuidzijde.” Reactie Onduidelijk is wat hier wordt bedoeld. Uit de bovenliggende tekst uit het MER lijkt juist het alternatief optimale natuurontwikkeling te voldoen aan de randstrookbreedtes. Waarom er dan mitigerende maatregelen nodig zijn en waardoor deze dan worden veroorzaakt is onbekend. Ook is niet duidelijk waarom de oostgrens juist geen verruiming nodig heeft, met de toekomstige ontmanteling en realisatie energie hub. Op bladzijde 39 is opgenomen. “Binnen de huidige kennis en alternatieven zijn mogelijkheden voor mitigatie van bodemeffecten beperkt. Beperken of voorkomen van effecten kan door een alternatief te kiezen met geen of minder effecten. Bij verdere uitwerking van het ontwerp en na vervolgonderzoek naar bodemkwaliteit kunnen deze bodemeffecten mogelijk gemitigeerd worden.” Reactie Onduidelijk is of hiermee bedoeld wordt dat een ander alternatief gekozen zou kunnen worden of juist naar een mitigerende maatregel gekeken gaat worden. Voor beide opties blijft staan dan er een voor een problematiek geen mitigatie of alternatief gekozen wordt in het MER.
Hierdoor is het onduidelijk wat er gedaan gaat worden en of dit invloed heeft op andere onderdelen en uiteindelijke keuze.
5.5
Water
5.5.1
Huidige situatie en referentie situatie
5.5.1.1 Geohydrologie en bodemopbouw Aanwezigheid van keileem Op bladzijde 42 is de volgende figuur met tekst opgenomen. “In de nabije omgeving van het plangebied is keileem aangetroffen. Om de mogelijke effecten van de realisatie van de zandwinning Echten te bepalen, is rekening gehouden met de aanwezigheid van een keileemlaag binnen het plangebied. Deze laag heeft een weerstand van 750 tot 1.000 dagen.”
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
16
Projectgerelateerd
Reactie De figuur laat beperkt zien wat er in de omgeving aanwezig is. Op basis van deze figuur is er geen data beschikbaar van huidig studiegebied. Hierdoor kan niet gezegd worden dat er wel of geen keileem aanwezig zal zijn. Bij de sluis (Ossesluis, in de zuidwesthoek van de figuur, bron BRO DGM v2.2.1) is immers ook keileem aangetoond (2,2-4 m-mv en 47,4-53,5 m-mv).
5.5.1.2 Watersysteem Grondwatersysteem
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
17
Projectgerelateerd
Kwel/wegzijging Op bladzijde 45 is de volgende figuur opgenomen.
Reactie Op de figuur is het plangebied te noordelijk opgenomen, waardoor het gebied een gedeelte kwel en een gedeelte wegzijging lijkt te hebben. Op de daadwerkelijk positie van het plangebied lijkt enkel kwel te bestaan. Het is niet duidelijk waarmee nu rekening is gehouden en welke gevolgen dat heeft.
5.5.1.3 Waterkwaliteit Op bladzijde 46 is het volgende opgenomen. “Er zijn geen bekende saneringen of verdachte locaties aangetroffen die van invloed zijn op de waterkwaliteit in het gebied.” Reactie In het aspect bodem is een bodemonderzoek uitgevoerd waarbij meerdere stoffen in de bodem aanwezig waren. Er lijkt hier geen rekening mee te zijn gehouden. Daarnaast is niet duidelijk of ook hier geen rekening is gehouden met de meststoffen die kunnen uitvloeien en in het grondwater terecht komen (dan wel direct of via kwel) binnen het plangebied.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
18
Projectgerelateerd
5.5.2
Effectbeschrijving en beoordeling alternatieven
5.5.2.1 Oppervlaktewater Op bladzijde 47 is het volgende opgenomen. “Voor alternatief optimale zandwinning is echter nog geen definitief ontwerp beschikbaar voor de aanpassing van het watersysteem. Dit vormt een belangrijk aandachtspunt.” Reactie Onduidelijk is waarom dit niet is uitgewerkt. Hiermee is de MER onvolledig.
5.5.2.2 Grondwatersysteem Effecten referentiesituatie Voor de beoordeling van de hydrologische effecten verwijzen wij naar bijlage 1 van deze zienswijze.
Effecten Alternatief “Optimale Natuurontwikkeling” Op bladzijde 48 is het volgende opgenomen. “Sweco (2024) heeft de hydrologische effecten van de beoogde uitbreidingslocatie in beeld gebracht. Hierbij is uitgegaan van een niet peilgestuurde en geïsoleerde plas met een maximale bodemdiepte van NAP -39 m. Binnen deze uitbreiding worden de aanwezige watergangen verondersteld te worden gedempt. Er is geen rekening gehouden met het omleggen van deze watergangen, waarmee dit scenario een zogenoemde worst-case benadering vormt. In Figuur 5-12 zijn de berekende effecten op het freatische grondwater (boven de keileemlaag) weergegeven voor zowel de GHG- als GLG-situatie.” Reactie Eerder is gebleken dat geen keileem aanwezig zou zijn (figuur op bladzijde 42 van het MER, aspect Water specifiek aanwezigheid van keileem). Hier wordt aangegeven dat op Figuur 5-12 de berekende effecten op het freatische grondwater (boven de keileemlaag) zijn weergegeven. Nu blijkt dus toch keileem aanwezig. Het is onduidelijk dat hier wel rekening wordt gehouden met keileem en eerder niet. Tevens is onduidelijk waarom gerekend wordt met het niet omleggen van watergangen als worse case benadering, terwijl eerder al de watergangen voor dit alternatief zijn vastgelegd in overleg met het waterschap.
Hoe reëel is deze situatie dan? En welke gevolgen heeft dat? Ook lijkt geen rekening gehouden te worden met de zandwinplas van Traandijk. Als deze niet verder verdiept wordt dan zal ook daar het Domelaar-effect optreden volgens dit MER. Hierdoor zal een vernatting plaatsvinden in de plas en een verdroging stroomafwaarts vanwege de bodem- en wandweerstand. Als er dus verdroging plaatsvindt voor de nieuwe zandwinplas, hoe kan hier dan een vernatting plaats gaan vinden? De strook tussen Traandijk en Echter is daarvoor te klein om de vernatting te verklaren. Al lijkt dat wel het geval in figuren 5-14 en 5-15. Op bladzijde 49 is het volgende opgenomen:
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
19
Projectgerelateerd
“Hoewel de meeste effecten optreden binnen het terrein van de zandwinning Echten zelf, vallen ook aangrenzende percelen binnen het invloedsgebied.” Reactie Het gebied van invloed strekt zich over een groter oppervlakte uit buiten dan binnen het plangebied. Hoe deze opmerking dan ook gelezen moet worden is niet duidelijk. Het Domelaar-effect is berekend bij de volledige contour van de nieuwe zandwinplas. Wat er optreedt tijdens de verschillende fases is niet inzichtelijk gemaakt. Treedt er tijdens elke fase eenzelfde beeld op als bij het totaal, idem voor het Domelaar-effect tijdens de actieve fase van de zandwinning? Op bladzijde 50 is het volgende opgenomen. “Effecten op de grondwaterstanden na beëindiging van de werkzaamheden in Echten (permanent ruimtebeslag): • In de GHG-situatie: Aan de bovenstroomse kant wordt het in de winter iets droger. Aan de benedenstroomse kant kan het juist iets natter worden (<25 cm), maar alleen op enkele percelen die direct aan de plas grenzen. Het invloed gebied is ingeschat op ca. 1km. • In de GLG-situatie: In de zomer wordt het aan de benedenstroomse kant natter (minder droog). Aan de bovenstroomse kant kan het op aangrenzende percelen juist droger worden. Het invloed gebied is ingeschat op ca. 1km. Hier kan het grondwater tot maximaal 10 cm zakken in vergelijking met de huidige situatie.
• Effect op Zandwinning Traandijk: De realisatie van plas Echten heeft geen invloed op Zandwinning Traandijk, omdat deze plas kunstmatig op peil wordt gehouden. De hoeveelheid water die naar deze plas wordt aangevoerd, kan iets toenemen, maar dit is beperkt. Deze toename is veel kleiner dan de hoeveelheid die nodig zou zijn bij een vergroting van de bestaande plas.” Reactie Bij het effect op Zandwinning Traandijk wordt gesteld dat er geen invloed is, maar dat de hoeveelheid water die naar deze plas wordt aangevoerd, iets kan toenemen, maar dat is beperkt. Hieruit blijkt dat er dus wel een invloed is. Tevens wordt aangegeven dat de toename veel kleiner is dan de hoeveelheid die nodig zou zijn bij een vergroting van de bestaande plas. Met de nieuwe zandwinplas, wordt uiteindelijk weer veel meer water naar die plas gebracht. Dus met de nieuwe locatie gaat er meer water naar de nieuwe zandwinplas dan bij vergroting van de huidige plas. In hoeverre is hier rekening mee gehouden? Op bladzijde 51 is het volgende opgenomen. “Sweco heeft ook gekeken naar de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij zijn twee situaties onderzocht: • Korte termijn: actieve situatie in Traandijk (geen Domelaar-effect) maar met aangepaste aanvoer (maximaal in de winter) Als de plas wel al is afgerond, treedt het Domelaar-effect op in zandwinning Echten.
• Het maximaal opzetten van het waterpeil in Traandijk heeft een duidelijk vernattend effect in de omgeving. • De vernatting is maximaal tot op meer dan 1 km van Traandijk merkbaar (> 5 cm). • Hierdoor is in de GLG-situatie praktisch nergens meer sprake van een verlaging.
26 januari 2026
ZIENSWIJZE OMGEVINGSPLAN ZANDWINPLAS KOEKANGE
BK4853-IB-RP-260112-1324
20
Projectgerelateerd
• Lange termijn (afgeronde situatie in Traandijk (Domelaar-effect) zonder wateraanvoer: Het optreden van het Domelaar-effect zorgt voor vernatting aan de stroomopwaartse zijde en verdroging aan de stroomafwaartse zijde. • Hierdoor ontstaat een grotere zone waar zowel de GHG, als de GLG dalen (maximaal 30 cm); • Hierdoor wordt de initiële vernatting die is ontstaan toen Traandijk is gegraven, weer (deels) teruggedraaid. • De grootste verandering is dan juist een verdroging tussen de twee plassen, die in alle situaties merkbaar is.” Reactie Bij de klimaatveranderingen is onduidelijk waarmee rekening is gehouden. Betreft dit bijvoorbeeld een algehele verwachte verdroging of is hier gekeken naar extreme kortstondige regenbuien. Waar komt de vernatting bij de lange termijn bij de GLG situatie vandaan als ervoor juist een verdroging plaatsvindt? Op bladzijde 52 is het volgende opgenomen. “Te verwachte effecten op Natuur Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 50 meter ten zuiden van het plangebied, waar Bergingsgebied Zandwinning De Panjerd-Veening ligt. Door de realisatie van Zandwinning Echten wordt een verlaging van de grondwaterstanden en stijghoogten verwacht voor de GHG-situatie. Daarnaast is een verhoging van de GLG-situatie berekend, zie figuur 5-16 en 5-17.
Na het optreden van het Domelaareffect worden geen effecten gezien in het NNN-gebied.” Reactie Juist op de figuren van de lange termijn waarbij het Domelaar-effect optreedt is een verdroging van Bergingsgebied Zandwinning de Panjerd-Veeningen zichtbaar (figuur 5-17 effecten lange termijn) zichtbaar voor de GHG en GLG situatie. Dit staat haaks op deze uitspraak op bladzijde 51. Welke gevolgen heeft dit?
5.5.2.3 Kwel en wegzijging Op bladzijde 53 is het volgende opgenomen. “In de huidige situatie treedt er kwel op binnen het plangebied. In de toekomstige situatie wordt een zandwinningsplas gerealiseerd met een diepte tot NAP -39 m voor alternatief optimale natuurontwikkeling en tot NAP -49 m voor alternatief optimale zandwinning. In beide alternatieven is er een risico dat een deel van de keileemlaag wordt ontgraven. Door het gedeeltelijk verwijderen van deze keileemlaag zal de weerstand tegen opwaartse grondwaterstromen lokaal afnemen.” Reactie De keileemlaag is eerder niet beschreven en leek zelfs afwezig. Moet dit niet de sluitende kleilaag zijn? De sluitende laag is op 45 meter-NAP voorzien. Bij het alternatief “Optimale natuurontwikkeling” is ontgraving tot 39 meter-NAP voorzien. De kans dat deze sluitende laag wordt ontgraven is daarmee vrij klein.