CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4a OntwerpTAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer_Ruimtelijke motivering (1)

Besluitvormende vergadering: “D’r op an” 2 juli 2026, gemeente De WoldenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Alteveer16.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp voldaan kan worden aan de criteria uit de algemene regel uit de waterschapsverordening, blijft het verbod om zonder vergunning grondwater te onttrekken van toepassing. Structurele grondwateronttrekking (vanaf 10 m3/uur) zijn in principe niet gewenst. Peilbeheer grasland: Het plan ligt in een agrarisch gebied met grasland. Het peilbeheer in graslanden kent hogere waterstanden dan bij akkerbouw. In extreme neerslagsituaties kan op grasland/maïsland vaker dan 1/10 jaar wateroverlast optreden en op akkerbouwgebieden meer dan 1/25 jaar wateroverlast optreden. Het peilbeheer is hierop aangepast. Verdroging/vernatting: Het waterschap gaat bij het plan uit van het bestaande of verhogen van grond- en oppervlaktewaterregime. Indien bij het ontwikkelingen van grasland naar bebouwd gebied er een wens is tot waterpeil wijziging, dan is het nodig om het waterschap hier tijdig bij te betrekken. Riolering De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel dient rekening te worden gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. In het op te stellen waterhuishoudkundige plan wordt dit aspect nader onderzocht. Hierbij wordt tevens ingegaan op het effect van het voornemen op de aanwezige persleiding.

Waterkwaliteit Het plan zal vergezeld gaan van een waterhuishoudkundig plan. Hierin wordt nader beschreven hoe met de afvoer van hemel- en afvalwater wordt omgegaan. Drinkwatervoorziening Het plangebied ligt (deels) in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. De provincie is bevoegd gezag om deze gebieden te beschermen. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico's op verontreiniging van het grondwater. Op grond van artikel 7.11, eerste lid, onder b Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), moet de provincie in de omgevingsverordening regels opnemen over het beschermen van de grondwaterkwaliteit in gebieden waar grondwater wordt onttrokken voor menselijke consumptie. Het plan wordt op dit punt nader afgestemd met de provincie Drenthe.

6.4

Conclusie

De uitgangspunten van het waterschap zullen nader worden uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Dit plan zal worden besproken met het waterschap en in onderling overleg met het waterschap worden afgestemd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 7

Bescherming gezondheid en het milieu

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘spuitzones’ behandeld.

7.1

Geluid door activiteiten

7.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2

Situatie plangebied

Met de realisatie van woningen voorziet het plan in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied bevindt zich in het geluidsaandachtsgebied van de Oosterweg en de Jan Haarstraat. Om deze reden is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, waarvan de volledige rapportage is opgenomen in bijlage 3 van deze ruimtelijke motivering. Hieronder worden de belangrijkste resultaten nader toegelicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Akoestisch onderzoek geluid door wegen Het geluid ten gevolge van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 66 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl van 53 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 70 dB uit het Bkl. De standaardwaarde wordt enkel overschreden op de bouwvlakken van drie vrijstaande kavels. Voor de overige woningen wordt voldaan aan de standaardwaarde. Voor de woningen waar niet aan de standaardwaarde wordt voldaan is een maatregelenafweging noodzakelijk. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 66 dB. Er is een gevelwering van minimaal 66-33 = 33 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Doordat een nieuwbouwwoning dient te beschikken over een gevelwering van 20 dB, wordt verwacht dat met geringe gevelmaatregelen een binnenniveau van 33 dB is te realiseren.

Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor in het kader van geluid en gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Indirecte akoestische effecten Naast directe akoestische effecten als gevolg van het bestaande geluid, zorgt de voorliggende ontwikkeling ook voor indirecte akoestische effecten. Dit aangezien de hoeveelheid verkeersbewegingen als gevolg van het voornemen toeneemt, waardoor er sprake kan zijn van een toename van het geluid op de al bestaande woningen. De indirecte akoestische effecten zijn beoordeeld aan de hand van het in bijlage 4 opgenomen akoestisch onderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen langs de aan – en afvoerwegen in de huidige situatie varieert tussen de 23 en 54 dB in Lden. Het geluid door wegen verschilt per woning en is onder andere afhankelijk van de ligging/afstand ten opzichte van de weg en de verkeersintensiteit op het nabijgelegen wegvak. Bij enkele woningen is het geluid door wegen hoger dan de standaardwaarde van 53 dB. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting na realisatie van de woningen maar beperkt stijgt.

De meest maatgevende toetspunten zijn de woningen waar het geluid door wegen in de toekomst de standaardwaarde overschrijdt. Het gaat daarbij om 31 woningen, waarvan op vier woningen ook in de huidige situatie de standaardwaarde wordt overschreden. Op deze woningen stijgt de geluidbelasting tussen de 0,47 en 0,66 dB en blijft onder de drempelwaarde van 1,5 dB van de Omgevingswet. In voorliggend geval stijgt het geluid door wegen op de woningen waar de standaardwaarde wordt overschreden hoogstens met 0,66 dB, hiermee vindt er geen toename van meer dan 1,5 dB plaats. Een afweging van belangen en maatregelen is daarom in voorliggend geval niet nodig. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dan ook dat: • • •

er geen sprake is van indirecte akoestische effecten in de zin van de Omgevingswet; het optredende geluid door wegen vanwege het wegverkeer aanvaardbaar is; er geen wettelijke verplichting bestaat om maatregelen te treffen om het geluid op de gevels te beperken.

Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorlijnen aanwezig die geluidhinder veroorzaken. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een gezoneerd industrieterrein.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Solitaire bedrijvigheid In de nabijheid van het plangebied bevinden zich twee milieubelastende functies die op basis van het geldende planologische regime geluidhinder kunnen veroorzaken. Dit betreffen het bedrijfsperceel aan de Oosterweg 42 en het grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Verbindingsweg 5. Hieronder worden de richtafstanden weergegeven voor het aspect geluid, gebaseerd op de VNGuitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Functie Bedrijf Oosterweg 42 Grondgebonden agrarisch bedrijf Verbindingsweg 5

Milieucategorie 2

Richtafstand (geluid) 30

Afstand 0

3.1

30

500

De richtafstand ten opzichte van het bedrijfsperceel aan de Oosterweg wordt niet gehaald, aangezien het plangebied aan dit perceel grenst. In dit geval is dit echter verantwoord, aangezien ter plaatse geen bedrijf meer wordt uitgeoefend en de eigenaar van het perceel bezig is om de functie van het perceel om te zetten naar een reguliere woonfunctie. Hiermee komt de milieubelasting, die planologisch mogelijk is, te vervallen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 7.1.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2

Situatie plangebied

Om de bodemkwaliteit van het plangebied te beoordelen, is door Dumea een verkennend en milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hieronder nader toegelicht. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5. Verkennend bodemonderzoek Gehele locatie • •

In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen.

Gedempte sloten • • •

In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster minerale olie verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb1wm2) blijkt dat er geen verhoging is aangetroffen in het grondwatermonster.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Perceel 5346 Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. 7.2.3

Conclusie

Het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2

Situatie plangebied

Conform artikel 5.54 sub b Bkl valt een activiteit die betrekking heeft op de realisatie van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan onder een NIBM project, indien er sprake is van: • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;

In voorliggend geval is er sprake van de realisatie van 58 woningen met drie ontsluitingswegen. Gelet op de aard en omvang van het voornemen, in vergelijking met bovengenoemde gevallen, is er zonder meer sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4

Geur

7.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat). Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat). Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat). Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 7.4.2

geurnormen in het omgevingsplan; rekenen; afstandseisen; randvoorwaarden. Situatie plangebied

Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf bevindt zich aan de Verbindingsweg 5. Hier is sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Op basis van paragraaf 22.3.6.2 van het omgevingsplan geldt dat hiervoor een afstand van 100 meter dient te worden aangehouden ten opzichte van geurgevoelige gebouwen. De afstand tussen het plangebied en dit bedrijf bedraagt minimaal 500 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Er is dan ook geen sprake van geurhinder ter plaatse van het plangebied en omgekeerd is er geen sprake van enige belemmering van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. 7.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5

Trillinghinder

7.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. 7.5.2

Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig die voor trillinghinder in de woningen kan zorgen. 7.5.3

Conclusie

Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

7.6

Gezondheid

7.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2

Situatie plangebied

Zoals uit deze ruimtelijke motivering is gebleken, kan ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden verwacht. Het toedelen van een woonfunctie aan deze locatie is daarom evenwichtig te noemen. 7.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

7.7

Spuitzones gewasbescherming

7.7.1

Algemeen

Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Dit heet drift. Drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. Het realiseren van verblijfsruimten zoals (tuinen bij) woningen, speelplaatsen of andere terreinen waar langdurig menselijk verblijf mogelijk is binnen die spuitzone, kan tot problemen leiden. Dit vanwege de mogelijke effecten van de gewas- en bestrijdingsmiddelen op de gezondheid. 7.7.2

Situatie plangebied

Vanwege de ligging van de beoogde ontwikkeling woning grenzend aan agrarische gronden ten westen en zuiden zijn er twee planologische maatregelen genomen. Ten eerste zijn de agrarische gronden aan de westzijde van het plangebied vanaf 50 meter van het dichtstbijzijnde woonperceel voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – milieuzone chemische gewasbeschermingsmiddelen’. Ter plaatse van deze gronden is het gebruik van gronden ten behoeve van het spuiten van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Agrarisch grondgebruik waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet is wel toegestaan, indien dit in overeenstemming is met het Handelingskader spuitvrije zone De Wolden. De vrijstaande woningen in het zuiden van het plangebied zijn daarnaast voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – spuitzone’. Met deze aanduiding is een extra beoordelingsregel voor het bouwen van deze woningen opgenomen. Hier wordt de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken pas verleend als door middel van onderzoek en/of door het treffen van maatregelen aangetoond kan worden dat het woon- en leefklimaat hierdoor niet onevenredig worden aangetast.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 7.7.3

Conclusie

In het proces rondom de planvorming wordt rekening gehouden met de spuitzones behorende bij gewasbescherming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 8 8.1

Infrastructuur en openbare ruimte

Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 8.2

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua verstedelijkingsgraad en stedelijke zone worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (Gemeente De Wolden, CBS Statline). Stedelijke zone: rest bebouwde kom.

Met toepassing van bovenstaande uitgangspunten wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als volgt berekend: Functie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, 2^1 kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal Functie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, 2^1 kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal

Parkeerbehoefte Parkeernorm per woning 2,0 1,9 1,8

Aantal woningen 7 10 41

Totaal 14 19 73,8 106,8

Verkeersgeneratie Verkeersbewegingen per woning 8,2 7,8 7,4

Aantal woningen 7 10 41

Totaal 57,4 78 303,4 438,8

De vrijstaande en de twee-onder-één-kapwoningen worden elk voorzien van een oprit met 2 parkeerplaatsen. Bij de aaneengebouwde woningen wordt voorzien in parkeerkoffers met voldoende ruimte voor de benodigde (afgerond) 78 parkeerplaatsen. Tevens kunnen de straten worden benut voor langsparkeren. Op eigen terrein is dan ook voldoende ruimte om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. De ontwikkeling brengt een geschatte verkeersgeneratie van 439 verkeersbewegingen per weekdag met zich mee. De verkeersbewegingen binnen het plangebied worden ontsloten via drie verschillende in- en uitritten. Het grootste deel van de verkeersbewegingen kan zich via de Oosterweg in westelijke richting verplaatsen in de richting van Zuidwolde. Het verkeer dat zich richting het oosten beweegt kan via de Alteveer in de richting van Hoogeveen (noordelijk) en Kerkenveld (zuidelijk) bewegen. De genoemde wegen en het omliggende wegennetwerk zijn van voldoende capaciteit om deze extra bewegingen veilig en vlot af te wikkelen. 8.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 9

Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

9.1.3.1 Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Mantingerzand’ bevindt zich op circa 10,5 kilometer afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling door bijvoorbeeld geluid of verstrooiing van licht zijn daarmee uitgesloten. Naast directe effecten kan een ontwikkeling ook indirecte negatieve effecten met zich meebrengen als gevolg van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is door BJZ.nu een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, waarvan de volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6 van deze motivering. Uit de rekenresultaten is gebleken dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Afbeelding 9.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 en het NNN (Bron: Atlas Leefomgeving)

9.1.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Uit afbeelding 9.1 blijkt dat het dichtstbijzijnde NNN zich bevindt op 790 meter ten westen van het plangebied. Vanwege deze afstand is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 9.1.3.3 Conclusie Het voornemen leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Vanwege de beoogde ontwikkeling kan er sprake zijn van een aantasting van het leefgebied van beschermde soorten. Deze mogelijke effecten zijn daarom in beeld gebracht aan de hand van een quickscan soortenbescherming. Deze is opgenomen in bijlage 7 van deze ruimtelijke motivering. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Quickscan soortenbescherming Door het bouwrijp maken kan verstoring en sterfte van algemene, kleine zoogdieren en amfibieën optreden. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Drenthe geldt deze vrijstelling voor alle te verwachte soorten. Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten niet noodzakelijk. In de opgaande begroeiing zijn broedsels te verwachten. Bij het rooien van de begroeiing tijdens het broedseizoen kan sterfte van vogels en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Voor de overige onderzochte soorten zijn negatieve effecten uit te sluiten, te weten vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden.

Het voornemen gaat niet gepaard met negatieve effecten op beschermde soorten.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 10

10.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het plangebied heeft op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Wolden een hoge of middelhoge verwachting. In afbeelding 10.1 is dit weergegeven. In deze gebieden is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen van meer dan 1000 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Deze onderzoeksgrenzen worden met het voornemen overschreden. Om deze reden is door Laagland Archeologie een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. In bijlage 8 is dit onderzoek te vinden. Hieronder worden de resultaten nader toegelicht.

Afbeelding 10.1: Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente De Wolden)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Op basis van de onderzoeksresultaten worden nog resten in het plangebied verwacht, met name in de noordzijde van het plangebied. Om deze reden is een aanvullend onderzoek is de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, ter plaatse van het verdachte gebied zoals opgenomen in afbeelding 10.2.

Afbeelding 10.2: Onderzoeksgebied proefsleuvenonderzoek (Bron: Laagland Archeologie)

Tijdens het proefsleuvenonderzoek, dat is opgenomen in bijlage 9, zijn geen archeologisch relevante sporen of vondstmateriaal aangetroffen. Er is geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats ter plaatse van de geplande nieuwbouw. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen en geen voorwaarden te stellen aan het aspect ‘archeologie’.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Ter plaatse van het plangebied zijn op basis van de Atlas Leefomgeving en het cultuurhistorisch kompas Drenthe (CHK) geen cultuurhistorische waarden aanwezig in en rondom het plangebied die kunnen worden aangetast als gevolg van het voornemen.

10.4

Conclusie

Uit de archeologische onderzoeken is gebleken dat het plangebied vrij kan worden gegeven voor verdere ontwikkeling. Cultuurhistorische waarden worden daarnaast niet aangetast door het voornemen. Het plan houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van cultureel erfgoed.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 11

11.1

M.e.r.- Beoordeling

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor het plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Een woningbouwontwikkeling valt onder categorie J11: “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”, zoals opgenomen in bijlage V Ob. Een plan-m.e.r. is niet verplicht voor een dergelijke ontwikkeling. Op basis van kolom 3 en 4 geldt voor een omgevingsplan die voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijke ontwikkeling een plan-m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiertoe is een aanmeldnotitie voor de plan m.e.r.beoordeling opgesteld, die is opgenomen in bijlage 10 van deze ruimtelijke motivering. Uit deze notitie komt naar voren dat de beoogde ontwikkeling, gelet op de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet leidt tot significant negatieve effecten die op het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 12

12.1

Economische uitvoerbaarheid

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 13

13.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De belanghebbenden zijn ingelicht over het voornemen middels een aantal participatieavonden. Het verslag dient nog te worden opgesteld en wordt opgenomen in bijlage 11 van deze motivering.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie Drenthe, het waterschap Drents Overijsselse Delta en de Omgevingsdienst. Voorgenoemde partners hebben hun reactie uitgebracht en het plan is hierop aangepast.

13.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het wijzigingsbesluit voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Hoofdstuk 14

14.1

Juridische verantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Algemene bepalingen; Regels voor functies en activiteiten; Algemene regels; Overgangsregels.

14.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit plan beoogt een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken aan de Oosterweg te Alteveer. Juridisch gezien is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente De Wolden. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22(a) van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel' na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage'. na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden. 14.2.3 Toepassingsbereik Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden.

Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 1 van de algemene bepalingen. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 1 (Toepassingsbereik) a.

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp b. c.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAMomgevingsplan. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1690.TAMOPH22aUitbrAlt-CO01.

14.2.4 Begripsbepalingen Het TAM-omgevingsplan is een regeling opgesteld op grond van de Omgevingswet en maakt onderdeel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (art. 1.1 Omgevingswet) en dus ook op het TAM-omgevingsplan. Begripsbepalingen in dit TAMomgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de Omgevingswet. Het TAMomgevingsplan bevat daarom uitsluitend aanvullende begripsbepalingen. Tevens zijn de begripsbepalingen uit de AMvB’s en Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Begripsbepalingen uit de AMvB’s en de Omgevingsregeling zijn namelijk niet rechtstreeks van toepassing op het omgevingsplan. 14.2.5 Aanvraagvereisten In paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op dit TAM-omgevingsplan, aangezien deze onderdeel is van het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In artikel 4 is daarom de volgende bepalingen opgenomen: Artikel 4 (Aanvraagvereisten) De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

14.3

Verantwoording van de regels

De regels en de verbeelding van dit wijzigingsbesluit geven aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Agrarisch De gronden ten westen van de te realiseren woningen behouden hun agrarische functie. Deze gronden mogen worden gebruikt voor agrarisch grondgebruik. Op deze gronden is een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - milieuzone chemische gewasbeschermingsmiddelen' opgenomen. Binnen deze zone, die 50 meter vanaf de naastgelegen woningen bedraagt, is agrarisch grondgebruik waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet toegestaan. Groen De onbebouwde gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de functie ‘Groen’. Deze gronden mogen worden gebruikt voor groenvoorzieningen. Als gebouwen mogen uitsluitend nutsvoorzieningen worden gebouwd. Tuin Enkele voor- en zijtuinen zijn, om ongewenste bebouwing te voorkomen, voorzien van de functie ‘Tuin’. Gronden en bouwwerken binnen deze functie mogen worden gebruikt voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen en erkers en entreepartijen ten dienste van de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Verkeer De te realiseren wegen in het plangebied zijn voorzien van de functie ‘Verkeer’. Gronden en bouwwerken binnen deze functie mogen onder andere worden gebruikt voor wegen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Wonen De gronden waar de woning worden gerealiseerd zijn voorzien van de functie ‘Wonen’. Gronden en bouwwerken binnen deze functie mogen worden gebruikt voor het wonen. In de beoordelingsregels is opgenomen onder welke voorwaarden de omgevingsvergunning bouwwerken kan worden verkregen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp

Bijlagen bij de ruimtelijke motivering

Bijlage 1

Notitie ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’

Bijlage 2

Weging waterbelang

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek geluid door wegen

Bijlage 4

Onderzoek indirecte akoestische effecten

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 6

Onderzoek stikstofdepositie

Bijlage 7

Quickscan natuurwaardenonderzoek

Bijlage 8

Archeologisch onderzoek

Bijlage 9

Proefsleuvenonderzoek

Bijlage 10

Aanmeldnotitie plan m.e.r.-beoordeling

Bijlage 11

Verslag participatie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17112705/1