bijlage 4a OntwerpTAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer_Ruimtelijke motivering (1)
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer
Plannaam: Plantype: Datum: Status:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan November 2025 Ontwerp
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 5 LEESWIJZER .............................................................................................................. 6
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Inleiding .............................................................4
Het voornemen ...................................................7
HUIDIGE SITUATIE ....................................................................................................... 7 PLANBESCHRIJVING ..................................................................................................... 9
Hoofdstuk 3 Zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden ...................................................... 10 3.1 3.2 3.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 10 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 10 LANDSCHAPPELIJKE WAARDEN ........................................................................................ 11
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3
Beleidskaders .................................................... 12
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 14 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 16
Hoofdstuk 5
Omgevingsveiligheid .........................................21
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen................... 23
6.1 6.2 6.3 6.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 23 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 23 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ...................................................... 24 CONCLUSIE ............................................................................................................. 25
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7
Bescherming gezondheid en het milieu ............. 26
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 26 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 28 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 29 GEUR ................................................................................................................... 30 TRILLINGHINDER....................................................................................................... 31 GEZONDHEID .......................................................................................................... 31 SPUITZONES GEWASBESCHERMING .................................................................................. 32
Hoofdstuk 8
Infrastructuur en openbare ruimte ................... 34
Hoofdstuk 9
Bescherming van de natuur .............................. 35
9.1 9.2 9.3
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 35 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 36 CONCLUSIE ............................................................................................................. 37
Hoofdstuk 10 10.1 10.2 10.3 10.4
WETTELIJK KADER .................................................................................................. 38 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 38 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 39 CONCLUSIE .......................................................................................................... 39
Hoofdstuk 11 11.1 11.2 11.3
Archeologie en cultuurhistorie .......................... 38
M.e.r.- Beoordeling............................................ 40
ALGEMEEN........................................................................................................... 40 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 40 CONCLUSIE .......................................................................................................... 40
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 12 12.1 12.2 12.3
ALGEMEEN........................................................................................................... 41 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 41 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 41
Hoofdstuk 13 13.1 13.2 13.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................... 42
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 42 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ................................................................................. 42 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 42
Hoofdstuk 14 14.1 14.2 14.3
Economische uitvoerbaarheid ........................... 41
Juridische verantwoording ................................ 43
INLEIDING ........................................................................................................... 43 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 43 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 44
Bijlagen bij de ruimtelijke motivering .........................................46 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11
NOTITIE ‘LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING’ .................................................. 46 WEGING WATERBELANG ..................................................................................... 46 AKOESTISCH ONDERZOEK GELUID DOOR WEGEN .......................................................... 46 ONDERZOEK INDIRECTE AKOESTISCHE EFFECTEN ......................................................... 46 VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................... 46 ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE........................................................................... 46 QUICKSCAN NATUURWAARDENONDERZOEK ................................................................ 46 ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK .............................................................................. 46 PROEFSLEUVENONDERZOEK ................................................................................. 46 AANMELDNOTITIE PLAN M.E.R.-BEOORDELING ............................................................ 46 VERSLAG PARTICIPATIE ...................................................................................... 46
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggende omgevingsplanwijziging heeft betrekking op de uitbreiding van het dorp Alteveer, in de gemeente De Wolden. Het voornemen is om de dorpskern in zuidwestelijke richting uit te breiden met 58 grondgebonden woningen. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van zowel vrijstaande, halfvrijstaande als rijwoningen en bedient daarmee een brede doelgroep. Het plangebied grenst aan de bestaande kern van Alteveer. Momenteel zijn de gronden onbebouwd en in gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. Op basis van het geldende omgevingsplan ontbreken dan ook de benodigde bouw- en gebruiksmogelijkheden om het voornemen te realiseren. Een wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk om het voornemen mogelijk te maken. Dit wijzigingsbesluit voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het betreft hier een tijdelijke alternatieve maatregelen om van de bestaande techniek IMRO gebruik te maken, oftewel TAM-IMRO.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt ten zuidwesten van de bebouwde kom van Alteveer, in de gemeente De Wolden. De te ontwikkelen locatie ligt ten zuiden van de Oosterweg, die de twee dorpen Zuidwolde en Alteveer met elkaar verbindt. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied met de rode contour weergegeven.
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied (Bron: plattekaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
1.3
Het omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: • • • •
Omgevingsplan gemeente De Wolden (in werking vanaf 15 januari 2024); Beheersverordening ‘Buitengebied de Wolden 2023’ (vastgesteld op 28 december 2023); Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010 (vastgesteld op 1 januari 2011); Bestemmingsplan ‘Buitengebied De Wolden’ (vastgesteld op 13 maart 2008).
Voor de duiding van het planologisch regime van het plangebied zijn met name het bestemmingsplan ‘Buitengebied de Wolden’ en de beheersverordening ‘Buitengebied de Wolden 2023’ van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Met de regels uit de bovengenoemde wordt in voorliggend wijzigingsbesluit wel rekening gehouden. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan ‘Buitengebied De Wolden’ opgenomen. Het plangebied is aangewezen met de rode contour. Het plangebied heeft op basis van het omgevingsplan van rechtswege een agrarische functie. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor cultuurgrond en de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Op basis van de beheersverordening ‘Buitengebied De Wolden 2023’ is het plangebied in het geheel voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.
Afbeelding 1.2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied De Wolden’ (Bron: Omgevingsloket)
1.3.2
Opheffen strijdigheid
Aangezien de gronden een agrarische functie hebben, staat het omgevingsplan niet toe dat deze locatie wordt benut voor woningbouw. Het omgevingsplan dient daarom te worden herzien. Voorliggende omgevingsplanwijziging voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders en toont aan dat met het toekennen van een woonfunctie sprake is van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp Zoals in de aanleiding aangegeven, wordt dit deel vormgegeven met de zogenaamde TAM-IMRO techniek. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding zal in hoofdstuk 2 worden ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hoofdstuk 5 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 6 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofdstuk 7 gaat respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid en het milieu, waarna hoofdstuk 8 ingaat op de infrastructuur en de openbare ruimte. In hoofdstuk 9 wordt de bescherming van de natuur behandeld. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 14 ingegaan op de juridische planverantwoording van het TAM-omgevingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 2
Het voornemen
2.1
Huidige situatie
2.1.1
Ontstaansgeschiedenis
De dorpen Alteveer en Kerkenveld zijn ontstaan in het voormalige heide- en moerasgebied dat zich uitstrekte van Zuidwolde tot Coevorden aan weerszijden van de Drents-Overijsselse grens. Omdat de grond voor een belangrijk deel uit keileem bestond, een restant uit de voorlaatste ijstijd, stagneerde de waterafvoer en kon zich vanaf zesduizend jaar geleden een veenpakket ontwikkelen. Kenmerkend voor het gebied waren de vele meerstallen, dat zijn veenplassen, terwijl de begroeiing zich beperkte tot hier en daar wat moerasbos. Het gebied rond het dorp maakt landschappelijk deel uit van het wegdorpenlandschap van de hoogveenontginningen. Doordat de hoogvenen volgens een systematische, planmatige opzet worden ontgonnen, ontstaat een rationeel ontginningspatroon met rechte lijnen en (min of meer) haakse hoeken. De bebouwing vormt een lang lint aan de hoofdontginningsas. Op kruisingen van wegen liggen de dorpskommen Alteveer en Kerkenveld. In tegenstelling tot meer beplante linten, is het achterliggende gebied relatief open. Het dorp Alteveer groeide aanvankelijk langzaam. In 1745 telde het niet meer dan vijf huizen, maar in het begin van de negentiende eeuw was het dorp aanzienlijk gegroeid en had het een eigen school. Nadat kanalen en wijken waren gedempt ontstond er een wegenpatroon. Aan de weg Alteveer werd in 1915 de Gereformeerde Kerk opgericht.
In Alteveer werd de latere woningbouw gerealiseerd aan de westzijde van de weg Alteveer en later aan de westzijde van de Jan Haarstraat. Hierdoor heeft het dorp ruimtelijk gezien een meer samenhangend dorpslichaam verkregen en is de vanouds bestaande karakteristiek doorbroken. Met een duidelijk herkenbare lineaire structuur van de oorspronkelijke bebouwing is Alteveer duidelijk aan te merken als wegdorp. Een belangrijk kenmerk van een wegdorp is de aanwezigheid van de bebouwing aan één of twee zijden van de weg. 2.2.2
Ruimtelijke en functionele structuur
Het plangebied grenst aan het zuidwesten van de bestaande dorpskern van Alteveer. Het plangebied ligt daarmee op de overgang van bebouwd gebied naar het buitengebied van de gemeente De Wolden. De gronden ten noorden en noordoosten zijn functioneel dan ook met name in gebruik voor woondoeleinden. Ten zuiden en zuidwesten bevinden zich agrarische (bedrijfs)percelen. De gronden zelf zijn onbebouwd en in gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. Het plangebied ligt ten zuiden van de Oosterweg. Samen met de Jan Haarstraat zijn dit de twee wegen die bepalend zijn voor de ruimtelijke structuur waaraan het wegdorp Alteveer zich heeft ontwikkeld. In onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie met en luchtfoto en straatbeeldfoto in beeld gebracht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie (Bron: Google Maps)
Afbeelding 2.2: Straatbeeldfoto huidige situatie, vanaf de Oosterweg (Bron: Google Maps)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
2.2
Planbeschrijving
De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het dorp Alteveer in zuidwestelijke richting. Concreet wordt met deze omgevingsplanwijziging voorzien in de realisatie van 58 woningen. Het te realiseren programma bestaat uit 7 vrijstaande woningen, 10 twee-onder-één-kapwoningen en 41 rijwoningen. De te realiseren woningen betreffen grondgebonden koopwoningen in de sectoren betaalbare, middeldure en dure koop. Het plan richt zich daarmee op meerdere doelgroepen, te weten starters, (jonge) gezinnen en mensen die op zoek zijn naar een levensloopbestendige woning. Het plangebied wordt ontsloten via meerdere inritten. In het noorden wordt het plangebied aangesloten op de Oosterweg. In het oosten wordt het plangebied daarnaast aangesloten op de Alkesingel en de Bente, van waaruit het plangebied op alle in- en uitritten te bereiken en te verlaten is. In afbeelding 2.3 is het schetsontwerp van de beoogde ontwikkeling opgenomen.
Afbeelding 2.3: Schetsontwerp beoogde ontwikkeling (Bron: Adore Vastgoed)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 3
3.1
Zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; cultureel erfgoed en werelderfgoed; landelijke fiets- en wandelroutes; ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten.
3.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 3.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Er zijn inmiddels meerdere uitspraken geweest om te bepalen wanneer er bij een woningbouwontwikkeling sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak ‘ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953. Hierin wordt geconcludeerd dat een ontwikkeling die voorziet in 12 woningen als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. In voorliggend geval is een notitie ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ opgesteld, die is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een concrete behoefte. Tevens wordt gemotiveerd waarom het bouwplan buiten het bestaande stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.
3.3
Landschappelijke waarden
De uitbreiding van Alteveer wordt zodanig vormgegeven dat deze zorgvuldig aansluit bij de bestaande landschappelijke waarden van zowel het dorp als het aangrenzende buitengebied. In de opzet van het plan is rekening gehouden met de karakteristieke openheid en groene doorzichten die het landschap typeren. De overgang tussen het dorp en het buitengebied wordt verzacht door uitsluitend groene erfafscheidingen en inheemse beplanting toe te staan. Aan de westzijde van het plangebied wordt een haag van 1,20 meter breed aangelegd, die niet alleen een groene afscherming vormt, maar ook het landschappelijk beeld versterkt. Op deze manier sluit de nieuwe woonwijk harmonieus aan op haar omgeving en blijft de landschappelijke kwaliteit behouden en herkenbaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 4
Beleidskaders
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes; de aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7a); het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 4.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
Met het voornemen is er geen sprake van een ontwikkeling waarmee nationale belangen zoals verwoord in de NOVI in het geding zijn. Binnen het voornemen zijn de kenmerken en identiteit van het plangebied en de omgeving centraal gesteld. In deze motivering wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
4.2
Provinciaal beleid
Het beleid van de provincie Drenthe is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 4.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2018
4.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie ziet toe op het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van het beleid waarmee wordt ingezet op ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In de omgevingsvisie worden zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. 4.2.1.2 Geldende kernkwaliteiten Landschap Voor wat betreft de kernkwaliteit 'landschap' is het plangebied gelegen binnen het 'landschap van de veenkoloniën'. Dit landschapstype beslaat in totaal ongeveer een kwart van het gehele grondgebied van de provincie. Tot dit landschapstype behoren behalve de Drents-Groningse Veenkoloniën ook het Odoornerveen, Hoogeveen-Hollandscheveld, Smilde en enkele kleinere gebieden bij Dalen en Roden. Afhankelijk van het type dorp (enkel- of dubbellint) en de dichtheid van de bebouwing dringt het landelijk gebied diep of minder diep door in het dorp.
Vanaf de hoofdontsluiting is het landelijk gebied in veel gevallen waarneembaar. Kenmerkend is de regelmaat. Het dorpssilhouet is een langgerekte strook waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van grote boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de langgerekte beplanting van opgaande bomen langs de wegen, in een open vlak landschap. Cultuurhistorie Binnen de kernkwaliteit 'cultuurhistorie' is het plangebied gelegen binnen deelgebied 9: het Hollandscheveld en Hoogeveen. De cultuurhistorische samenhang, zoals die in de hoofdstructuur is verwoord en verbeeld, is van provinciaal belang. Daarom geldt binnen dit deelgebied de strategie 'respecteren', waarmee de provincie het uitgangspunt hanteert dat zij die cultuurhistorische samenhang wil veiligstellen voor de toekomst. De categorie is vooral van toepassing in gebieden waar de ontwikkelingen meer kleinschalig zijn en in een laag tempo zich voltrekken. Bij ontwikkelingen ligt de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen. De provincie beoordeelt plannen en initiatieven daar op. Aardkundige en archeologische waarden Wat betreft de 'aardkundige waarden' is het plangebied aangeduid met beschermingsniveau ‘hoog’.
Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met aardkundig erfgoed vormt het vertrekpunt bij planvorming. Ontwikkelingen worden alleen toegestaan als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden. Rust en Natuur Er gelden ter plaatse van het plangebied geen specifieke voorschriften voor de kernkwaliteiten 'rust' en 'natuur'.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 4.2.1.3 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie Drenthe 2018 Landschap Voorliggende ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling aan de rand van het dorp Alteveer. De gronden grenzend aan het plangebied hebben een relatief hoge dichtheid. Het landelijk gebied is daarom vanuit de kern nauwelijks waarneembaar. Vanaf de Oosterweg is deze geleidelijk aan steeds meer waarneembaar. Dominerend voor de zichtlijnen en het silhouet zijn de langgerekte stroken met opgaande bomen langs de wegen. Deze kernkwaliteiten zijn ter plaatse niet aanwezig, maar bevinden zich verderop aan de Oosterweg. Met de realisatie van het voornemen worden de kernkwaliteiten van het landschap dan ook niet aangetast. Cultuurhistorie Na raadpleging van de Atlas Leefomgeving is gebleken dat er in of de directe nabijheid van het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle objecten die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen worden aangetast. In hoofdstuk 10 wordt hier tevens op ingegaan. Aardkundige en archeologische waarden Het plangebied is aangeduid met het beschermingsniveau 'hoog'. Hoofdstuk 10 gaat dieper in op de bescherming van aardkundige en/of archeologische waarden. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat met de realisatie van het voornemen geen provinciale belangen worden geschaad.
4.2.2
Omgevingsverordening
4.2.2.1 Algemeen De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In dit geval zijn artikel 3.1 lid 3 (Kernkwaliteiten Landschap) en artikel 3.16 lid 1 (Woningbouw) van belang om nader te belichten. Hieronder worden de betreffende artikelen aangehaald en wordt hieraan getoetst. 4.2.2.2 Relevante artikelen Artikel 3.1 (lid 3) Kernkwaliteit Landschap Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit landschap: a. b.
Houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en; bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.
Toetsing aan artikel 3.1 lid 3 Het plangebied bevindt zich in het Landschap van de Veenkoloniën. In paragraaf 5.2.1.2 zijn de kernkwaliteiten van dit landschapstype uiteengezet en in 5.2.1.3 is uiteengezet hoe het voornemen hiermee rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de instructieregel zoals opgenomen in artikel 3.1 lid 3 van de Omgevingsverordening. Artikel 3.16 (lid 1) Woningbouw Een omgevingsplan dat in “Landelijk Gebied” aansluitend op “Bestaand Stedelijk Gebied” voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: 1. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 2. benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid kernenstructuur; 3. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; 4. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en 5. geeft een lange termijnbeeld.
en
Toetsing aan artikel 3.16 lid 1 Voorliggende omgevingsplanwijziging voorziet in een woningbouwontwikkeling in het landelijk gebied, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Afbeelding 4.1 geeft dit weer. Het plangebied is aangeduid met de blauwe omlijning. Op basis van artikel 3.16 is deze ontwikkeling mogelijk indien de behoefte hieraan is aangetoond op basis van de gemeentelijke woonvisie. Paragraaf 4.3.2 gaat in op de woonvisie van de gemeente De Wolden. Hierin wordt aangetoond dat er zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt behoefte is aan het voornemen. Er wordt dan ook voldaan aan artikel 3.16 lid 1 van de Omgevingsverordening Drenthe.
Afbeelding 4.1: Ligging plangebied binnen het Landelijk gebied (Bron: Omgevingsverordening Drenthe)
4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie en verordening van de provincie Drenthe.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Toekomstvisie 2022-2040 ‘Samen aan zet!’
4.3.1.1 Algemeen De toekomstvisie ‘Samen aan zet!’ verbindt het verleden, heden en de toekomst van De Wolden. Een van oorsprong jonge plattelandsgemeente, ontstaan uit een fusie van de gemeenten Ruinen, Ruinerwold, Zuidwolde en de Wijk. Deze toekomstvisie is de opvolger van de toekomstvisie die De Wolden in 2005 heeft gemaakt. De gemeenteraad heeft de opdracht gegeven om één integrale visie te maken, waarin de sociale en fysieke leefomgeving met elkaar verbonden zijn. Daarom wordt deze toekomstvisie ook als Omgevingsvisie gebruikt in het kader van de Omgevingswet. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp 4.3.1.2 Wonen en leven De Wolden is het groene hart van de regio waar het prettig en ruim wonen is. Deze kwaliteit wil de gemeente uitdragen in de regio en daarbuiten. Om de gevolgen van vergrijzing het hoofd te bieden en de kwaliteit en kwantiteit van het voorzieningenniveau te verhogen, wil de gemeente meer (jonge) mensen uit de regio aan de gemeente verbinden. In samenwerking met de Regio Zwolle is de doelstelling om een bijdrage te leveren aan de woningbouwopgave van de regio en wordt ingezet op groei van het aantal woningen. Hierbij wordt nieuwbouw gezien als een flexibele opgave die meebeweegt met de tijd. We zetten in op beheerste uitbreiding van de kleine dorpen en grootschalige uitbreiding (extra groei) van de kerndorpen. Voor woningbouwontwikkelingen is de volgende leidraad voor de fysieke leefomgeving opgesteld. • • • • • • • • • •
Bij elke nieuwe ontwikkeling gaat de voorkeur uit naar inbreiding boven uitbreiding; In de kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange) en in AlteveerKerkenveld wil de gemeente uitbreiding toestaan; In de kerndorpen wordt uitbreiding actief gestimuleerd, ook als de behoefte niet uit het eigen dorp komt; In de kleine dorpen wil de gemeente voorzichtig omgaan met uitbreidingen. Het landschappelijke karakter van de dorpen moet bij nieuwe ontwikkelingen behouden blijven; Bij uitbreiding wordt bij voorkeur aansluitend aan de bestaande dorpen gebouwd. De gemeente is terughoudend met het bouwen van woningen die niet grenzen aan de bestaande dorpen, behalve als er sprake is van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB); Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) mag binnen de kaders van de programma’s ontwikkeld worden voor woningbouw; Nieuwe ontwikkelingen passen binnen de aard en de schaal van het landschap en laten zich inspireren door de cultuurhistorie van het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt; Nieuwe woningbouwinitiatieven worden zoveel mogelijk klimaatadaptief ingericht. Hierbij wordt aandacht besteed aan het leefklimaat in en rond de woningen; Initiatieven die gebruik maken van circulaire bouwmaterialen worden gestimuleerd; De gemeente stimuleert woningbouwinitiatieven die vanuit de samenleving ontstaan.
Denk hierbij ook aan collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO).
4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie 2022-2040 Het dorp Alteveer is, samen met Kerkenveld, binnen de leidraad van de fysieke leefomgeving expliciet aangewezen als locatie waar uitbreiding kan worden toegestaan. Op de visiekaart, waarvan een uitsnede is opgenomen in afbeelding 4.2, is dit ook weergegeven. De uitbreiding sluit conform de toekomstvisie aan bij de bestaande bebouwing. Het effect van de ontwikkeling op het landschappelijke karakter van Alteveer is hiermee minimaal. Hiermee houdt de ontwikkeling rekening met de bestaande kernkwaliteit van het dorp en van het landschap. Geconcludeerd wordt dat het voornemen past binnen de toekomstvisie 2022-2040 van de gemeente De Wolden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Afbeelding 4.2: Uitsnede Visiekaart (Bron: Gemeente De Wolden)
4.4.2
Woon(zorg)visie 2023-2027
4.4.2.1 Algemeen In maart 2023 is de nieuwe woon(zorg)visie van de gemeente De Wolden vastgesteld. Deze visie is een uitwerking van de Toekomstvisie Samen aan zet! op het thema wonen en leven en fungeert daarmee als het omgevingsprogramma Wonen van de gemeente De Wolden. Met diverse woningtypen in grotere dorpen als Zuidwolde en Ruinen, kleinere dorpen als Linde en Ansen en in het buitengebied is De Wolden voor een keur aan mensen een aantrekkelijke plek om thuis te noemen. Tegelijkertijd zijn er in De Wolden, net als in de rest van het land, de nodige uitdagingen op de woningmarkt en in de volkshuisvesting. De huizenprijzen stijgen, starters en jonge huishoudens vinden moeilijk een woning, het aantal woningzoekenden met een zorgvraag neemt toe en er speelt een versnellingsopgave voor de woningbouw(productie) terwijl de bouwkosten stijgen en de bestaande woningvoorraad moet worden verduurzaamd. Na 2022 loopt het woonplan ‘Een leven lang wonen’ 2017-2022 (met doorkijk naar 2025) af. Een goed moment om het woonbeleid van de gemeente De Wolden te actualiseren en antwoorden te formuleren op de nieuwe uitdagingen op de woningmarkt en in de volkshuisvesting. De visie is opgesteld in de vorm van een vrijwillig programma onder de Omgevingswet, die ook dient als woonzorgvisie.
Zodoende vertaalt deze woon(zorg)visie de ambities uit de Toekomstvisie Samen aan zet! en de analyse uit recent opgesteld woningmarktonderzoek naar concreet beleid. De woon(zorg)visie loopt vier jaar, kijkt door naar 2030 en beschrijft kaders en context, analyse, ambitie en visie, een uitvoeringsprogramma en de wijze van monitoring en evaluatie van de doelen en maatregelen. 4.4.2.2 Veelzijdig wonen in De Wolden In de Toekomstvisie 2022-2040 Samen aan zet! Heeft de gemeente De Wolden haar ambities voor het wonen in De Wolden als volgt geformuleerd: “In 2040 kan elke inwoner passende woonruimte vinden in De Wolden. Het groeiend aantal huishoudens draagt bij aan de draagkracht van voorzieningen en het sociale vangnet van oudere
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp inwoners. We hebben invulling gegeven aan de opgaven om woningen energieneutraal en levensloopbestendig te maken, zodat er ook in de toekomst kan worden voldaan aan de vraag naar passende woonruimte.” Deze stip op de horizon is uitgewerkt in zes ambities voor de komende vier jaar: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Met nieuwbouw bijdragen aan de veranderende woningbehoefte; Een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad; Wonen en zorg; Betaalbaar wonen; Leefbare wijken en dorpen en; Huisvesting aandachtsgroepen op orde.
De ambities worden uitgewerkt in concrete doelen op de lange termijn, tot 2030. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van 58 woningen. De komende jaren verwacht de gemeente De Wolden een trendmatige huishoudensgroei (minimaal 550 tot 2030). Deze groei komt onder andere doordat er meer mensen naar gemeente De Wolden verhuizen en omdat huishoudens kleiner worden (meer alleenstaanden). Bovenop deze trend wordt een aanvullende groei verwacht, door de uitstroom van de vakantieparken, meer arbeidsmigranten en meer statushouders. Dit alles betekent voor de periode tot 2030 een verwachte woningbehoefte van 750-1.000 extra woningen, waarvan het grootste deel in de komende vijf jaar nodig is. Hierdoor bestaat naast deze woningbouwopgave ook een versnellingsopgave. De nieuwbouwopgave is naast kwantitatief vooral kwalitatief. Er is aandacht nodig voor de kwalitatieve woonbehoefte van verscheidene doelgroepen. Het gaat de komende tien jaar in belangrijke mate om de vraag van starters en doorstromers. Er is vooral behoefte aan betaalbare en middeldure koopwoningen (Companen 2021). Figuur 1 geeft dit weer.
Figuur 1: Kwalitatieve woningbehoefte 2021-2030. Er is de komende tien jaar vooral behoefte aan betaalbare en middeldure koopwoningen (Bron: Companen 2021)
4.4.2.3 Toetsing van het voornemen aan de Woon(zorg)visie 2023-2027 Kwantitatief is er zonder meer een behoefte aan woningen. In de gemeente wordt ingezet op de realisatie van 750 tot 1.000 extra woningen in de periode tot en met 2030. Tussen de 143 en 192 daarvan komen terecht in de overige kernen, waar Alteveer onder valt. Met het voornemen wordt daarmee ingespeeld op een groot deel van de kwantitatieve behoefte. Tevens wordt in de woon(zorg)visie onderschreven dat woningzoekenden en hun behoeften door de tijd heen kunnen veranderen. Flexibel programmeren is daarom een belangrijke doelstelling. De voorliggende
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp wijziging speelt hierop in aangezien dit woningbouwplan gefaseerd wordt uitgevoerd. Tevens wordt het plan flexibel opgesteld waarmee eenvoudig kan worden ingespeeld op een behoefte aan meer vrijstaande, danwel meer halfvrijstaande woningen. Met de ontwikkeling wordt ingespeeld op de behoefte van meerdere doelgroepen. In het dorp Alteveer is met name behoefte aan koopwoningen. Het voornemen voorziet in woningen in meerdere segmenten. Met de toevoeging van betaalbare koopwoningen wordt ingespeeld op de concrete behoefte van starters. Koopwoningen in het middeldure en dure segment bedienen een deel van de behoefte van gezinnen. Ten slotte voorziet het voornemen in levensloopbestendige woningen die senioren. Dit sluit aan bij de woon(zorg)visie waarin expliciet wordt geschetst dat met name starters en senioren in de knel zitten op de woningmarkt. Door aantrekkelijke levensloopbestendige woningen toe te voegen met voldoende ruimte, een extra slaapkamer en een kleine tuin worden senioren verleid om door te stromen op de woningmarkt. Hierdoor komen gezinswoningen vrij en kan deze groep woningzoekenden ook een geschikte woning vinden. In de in bijlage 1 opgenomen notitie ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt hier dieper op ingegaan. Het voornemen voorziet daarmee ook in kwalitatief opzicht in een woningbouwbehoefte.
Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de doelstellingen zoals geconcludeerd in de woon(zorg)visie. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het voornemen past binnen de in het relevante gemeentelijk beleid gestelde kaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de signaleringskaart externe veiligheid zijn de risicobronnen in en nabij het plangebied in beeld gebracht. In afbeelding 5.1 is een uitsnede hiervan opgenomen. In de nabijheid bevinden zich enkele risicobronnen, waarvan de aardgasleiding ten noordwesten de meest voorname betreft. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen de aandachtsgebieden van deze en de andere risicobronnen. Een verantwoording van het groepsrisico kan dan ook achterwege blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Afbeelding 5.1: Risicobronnen nabij het plangebied (groene contour) (Bron: Atlas Leefomgeving)
5.3
Conclusie
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2022-2027, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl.
6.2
Wateraspecten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer Ontwerp gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
6.3
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
Het plan is via de watertoets aangemeld bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. Uit de watertoets is gebleken dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het plan raakt daarmee waterhuishoudkundige belangen. Om deze reden is het waterschap om nader advies gevraagd. Het waterschap heeft hierop een uitgangspuntennotitie opgesteld waar het plan rekening mee dient te houden. De uitgangspuntennotitie is in bijlage 2 van deze motivering toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de voor het plan van belang zijnde uitgangspunten. Watersysteem Binnen het plangebied ligt een beperkingengebied van een A-watergang (met een beschermingszone) van WDODelta. Het beperkingengebied bij een A-watergang bestaat uit de watergang (van insteek tot insteek) en de beschermingszone. Voor activiteiten binnen het beperkingengebied van een watergang dient een melding te worden gedaan bij het waterschap of dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Dit is een separaat spoor die parallel loopt aan de planologische procedure. Overbelasting watersysteem Bij het voorkomen van wateroverlast zijn er twee zaken van belang: • •
Voorkomen van overbelasting van het watersysteem en; Voorkomen van versnelde afvoer van afstromend hemelwater
Het is van belang om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door gebiedseigen water daar waar het valt te gebruiken of vast te houden. Hierbij is de voorkeursreeks van toepassing: hergebruik – vasthouden/infiltreren – afvoeren. Regenwater dat op een onverharde bodem valt, dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Ter plaatse van verhard oppervlak zoals bebouwing en terreinverharding zal het regenwater nauwelijks in de bodem dringen: vrijwel al het water stroomt direct af naar het slotenstelsel. Dit betekent dat het waterpeil bij een flinke regenbui snel kan stijgen. Het is van belang om wateroverlast binnen het plangebied te voorkomen. Ook mag de bebouwing, door het versneld afvoeren van water, geen wateroverlast veroorzaken buiten het plangebied, dit wordt afwentelen genoemd. Het afwentelen van wateroverlast betekent dat de problemen die ontstaan door overtollig water niet worden opgelost, maar verplaatst naar andere gebieden. Daarom is het aanleggen van extra waterberging ter compensatie van het verhard oppervlak noodzakelijk, zo wordt de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater voorkomen. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthoudenbergen-(vertraagd) afvoeren.
Voor grote(re) plannen en uitbreidingslocaties geldt als regel, dat voor het totale aanwezige verhard oppervlak binnen het plan een berging, ter compensatie voor de versnelde afvoer, van het afstromende hemelwater benodigd is. Zoals al is aangegeven volgt compensatie de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. Na realisatie van het plan is er een totaal verhard oppervlak van ongeveer 11.800 m² aanwezig binnen het plangebied. Dit houdt in dat een waterbergend van 11.800 m² * 0.08m = 944 m³ aanwezig moet zijn of moet worden aangelegd. Bij de uitwerking van het plan moet beschreven zijn hoe en waar waterberging aanwezig is of wordt gerealiseerd. Locatiekeuze gevoelige gebieden voor wateroverlast Grondwater – grondwateronttrekking: In een nieuw te ontwikkelen gebied verlaagt het waterschap structureel de waterstanden binnen het gebied niet na het bouwrijp maken. Op grond van de waterschapsverordening is een melding aan of vergunning van het waterschap nodig voor grondwateronttrekkingen. Het uitgangspunt is dat de minder risicovolle grondwateronttrekkingen met een melding worden toegestaan en daarmee vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. Als niet BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies