CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein

Opiniërende vergadering: 'Deur spitten" 19 september 2024, gemeente De WoldenBij agendapunt: Bestemmingsplan uitbreiding bedrijventerrein Ruinen26.832 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit geldt zowel voor individuele panden als voor de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. De kaders voor ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen in relatie tot het omliggende landschap legt de gemeente vast in een Economisch Actieplan. Daarnaast komt er op de oudere bedrijventerreinen een grote verduurzamingsopgave af. Tot 2050 zullen in het kader van de warmtetransitie naar verwachting veel bedrijfspanden beter worden geïsoleerd en overgaan op alternatieven voor aardgas. Deze ontwikkeling wordt gebruikt als vliegwiel om effectief ruimtegebruik te bevorderen en de ruimtelijke kwaliteit van oudere bedrijventerreinen te verbeteren. Op de visiekaart van de toekomstvisie is voor de kern Ruinen aangegeven dat hier potentie is voor het ontwikkelen en uitbreiden en nieuwbouwen van bedrijventerrein. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

Afbeelding 4.2 Uitsnede visiekaart Toekomstvisie (Bron: Gemeente De Wolden)

27

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

4.3.3

Toetsing aan het gemeentelijk beleid

Zoals hiervoor reeds vermeld is de locatie van het plangebied zowel op de structuurvisiekaart als kaart van de toekomstvisie reeds aangeduid als uitbreidingslocatie voor het bedrijventerrein voor de Blanken. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de structuurvisie en toekomstvisie. Er worden bedrijvenkavels voor de lokale bedrijvigheid gerealiseerd, zodat deze de mogelijkheid krijgt bij het bestaande dorp gevestigd te blijven. Deze ontwikkeling is van groot belang voor de lokale economie van Ruinen. De SER-Ladder voor zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is inmiddels vervangen voor de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. In paragraaf 4.1.4 is de ontwikkeling reeds getoetst aan de ladder en is geconcludeerd dat de ontwikkeling invulling geeft aan een concrete lokale behoefte waarbij tevens sprake is van verantwoord ruimtegebruik.

28

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Hoofdstuk 5

M ilieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage, water en duurzaamheid.

5.1

Bodem

5.1.1

Normstelling

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en 5740. 5.1.2

Situatie plangebied en onderzoeksresultaten

In voorliggend geval is in februari 2021 door EcoReest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Hierna worden de onderzoekresultaten besproken. Onderzoeksresultaten Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zwak siltig, matig fijn zand dat in de bovengrond zwak tot matig humeus is. In de ondergrond is tevens sprake van sterk zandig leem. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op een diepte variërend tussen 1,4 en 2,16 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: Grond: In de boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie zijn geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden en/of detectiegrenzen. Grondwater: In het grondwater van de onderzoekslocatie zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties aan barium of kwik gemeten.

Conclusies: Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het grondwater overschrijdingen van de streefwaarden aan barium en kwik zijn aangetoond. Deze licht verhoogde concentraties aan zware metalen worden beschouwd als zijnde van nature verhoogde achtergrondconcentraties. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve bevestigd. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming (bedrijfsbestemming) van het terrein, concluderen wij dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de bedrijfsbestemming van het terrein.

29

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.1.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.

5.2

Archeologie en Cultuurhistorie

5.2.1

Archeologie

5.2.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.2.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van gemeente De Wolden heeft in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld welke is gekoppeld aan de beheersverordening Buitengebied. Voor het plangebied geldt een hoge of middelhoge verwachting. Voor deze gronden geldt op grond van de regels van de beheersverordening een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Het plangebied is circa 3,2 ha, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Dit onderzoek is in februari 2021 uitgevoerd door laagland Archeologie. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 3. De onderzoeksresultaten zijn hieronder opgenomen. Onderzoeksresultaten Het plangebied ligt op een grondmorenerug. De bovengrond wordt gevormd door dekzand waarin zich een podzol heeft ontwikkeld. In historische tijden is het terrein tot in de vorige eeuw ongebruikt (heide). In de omgeving was mogelijk een celtic field aanwezig en mogelijk zijn nabij het plangebied resten uit het middel-Paleolithicum aangetroffen. Op basis van het bureauonderzoek worden met name resten uit de periode Neolithicum tot en met de Romeinse tijd verwacht (hoge verwachting). Voor de meeste andere perioden geldt een middelhoge verwachting. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van het booronderzoek worden archeologische resten verwacht in een deel van het gebied. Eventueel aanwezige archeologische resten liggen dicht (vanaf circa 30 cm) onder het maaiveld en zijn daarmee kwetsbaar voor de voorgenomen werkzaamheden.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd in de vorm van een karterend booronderzoek, een en ander conform protocol 4004 IVO (landbodems). Het nader te onderzoeken (advies)gebied is hieronder aangegeven door middel van een blauwe arcering.

30

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Afbeelding 5.1 Nader te onderzoeken gebied (Bron: Laagland Archeologie) Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente De Wolden. het vervolgonderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De geldende dubbelbestemming blijft hiermee voor het blauw gearceerde deel van kracht en wordt in voorliggend bestemmingsplan opnieuw opgenomen. 5.2.2

Cultuurhistorie

5.2.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.2.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is voor cultuurhistorie de cultuurhistorische waardenkaart van De Wolden van belang. Gemeente De Wolden beschikt over een Cultuurhistorische beleidskaart die in 2014 door de gemeenteraad is vastgesteld. Op deze kaart zijn de gronden waar de uitbreiding plaatsvindt aangewezen als beleidszone 3. Hieronder is het beleidsadvies voor dit gebied weergeven. Beleidszone 3: Dit gebied, met uitzondering van waardevolle bebouwing, heeft een gemiddelde cultuurhistorische waarde. Cultuurhistorie speelt een nevengeschikte rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Waar mogelijk kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen.

31

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Afbeelding 5.2 Uitsnede Cultuurhistorische beleidskaart De Wolden (Bron: Gemeente De Wolden) Bij de uitbreiding van bedrijventerrein Voor de Blanken is rekening gehouden met het Esdorpenlandschap waar het plangebied zich in bevind. De uitbreiding ligt binnen de bestaande landschapsstructuur die is omzoomd met opgaande beplanting. Hiermee sluit de uitbreiding logisch aan op het bestaande bedrijventerrein en doet het geen afbreuk aan het landschap. 5.2.3

Conclusie

Archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek is noodzakelijk. Door het handhaven van de dubbelbestemmingsplan Waarde - Archeologie is de uitvoering van dit onderzoek voor realisatie van het plan gewaarborgd. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein Voor de Blanken is rekening gehouden met het cultuurhistorisch waardevolle Esdorpenlandschap waar het plangebied zich in bevind. De uitbreiding ligt binnen de bestaande landschapsstructuur die is omzoomd met opgaande beplanting. Hiermee sluit de uitbreiding logisch aan op het bestaande bedrijventerrein en doet het geen afbreuk aan het landschap.

32

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.3

Water

5.3.1

Vigerend beleid

5.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.3.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 5.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost.

Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: Een goede bescherming tegen hoog water; Een goed functionerend regionaal watersysteem; Het zuiveren van afvalwater.

33

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.3.2

Waterparagraaf

5.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.3.2.2 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied Voor de ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen welke uitgangspunten gelden voor de inrichting van het plangebied op het vlak van watersysteem, wateroverlast, waterkwaliteit, riolering, beheer en onderhoud. De volledige uitgangspuntennotitie van het waterschap is bijgevoegd in Bijlage 5.

Op basis van de uitgangspuntennotitie is door Smit Civiele techniek eerst een quickscan uitgevoerd naar de waterbergende opgave en aandachtspunten voor het stedenbouwkundig plan. Op basis hiervan is vervolgens een waterhuishoudkundig plan (WHHP) uitgewerkt. Dit waterhuishoudkundig plan is bijgevoegd in Bijlage 6. Hierna wordt op de conclusies van het WHHP ingegaan. Op basis van de opgelegde eis kan geconcludeerd worden dat het nieuw aan te leggen VWAriool overcapaciteit heeft. Doordat het riool nihil wordt belast is de kans op slibafzetting aanwezig. De hoger gelegen kavels (aan de zuidzijde) zullen het hemelwater bergen in de watergang langs de Meppelerweg. De lager gelegen kavels (aan de noordzijde) bergen in de watergang aan de noordzijde van het plan. De centraal gelegen kavels bergen het hemelwater in de watergangen aan de westzijde. Middels drie stuwen en een dam wordt voorkomen dat het water uit het plangebied wegstroomt. In de noordwesthoek van het plangebied zit een slokop op 5,25 meter + N.A.P. deze slokop met duiker zal het water westwaarts van het plan afvoeren. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt voor advies naar het waterschap toegestuurd. Het advies van het waterschap zal indien noodzakelijk op deze plek worden verwerkt. 5.3.3

Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Natuur en Ecologie

5.4.1

Algemeen

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

34

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.4.2

Gebiedsbescherming

5.4.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet dichtbij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dwingelderveld' ligt op circa 2,6 kilometer. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven, het plangebied is met de rode ster aangeduid.

Afbeelding 5.3 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS.nl) Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator 2022. Hierbij is gekeken naar de aanleg en gebruiksfase van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 7. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Onderzoeksresultaten stikstofonderzoek Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 1 van de rapportage). Echter blijkt dat als gevolg van de beëindigde N-emissie veroorzakende activiteit er reeds sprake was van stikstofdepositie (zie bijlage 3 van de rapportage).

35

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Wanneer het vorenstaande in ogenschouw wordt genomen en het beëindigde verbruik wordt gesaldeerd met de aanlegfase, is er per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van het voornemen is dus geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er wordt ook verwezen naar bijlage 4 van de rapportage waarin een verschilberekening is gemaakt met de aanlegfase en de referentiesituatie. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de toekomstige gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 2 van de rapportage). Echter blijkt dat als gevolg van de beëindigde activiteit reeds sprake was van stikstofdepositie (zie bijlage 3 van de rapportage). Wanneer het vorenstaande in ogenschouw wordt genomen en het beëindigde gebruik wordt gesaldeerd met het toekomstige gebruik, is er per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarentegen per saldo sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de het voornemen geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Er wordt tevens verwezen naar bijlage 5 van de rapportage, waarin een verschilberekening is opgenomen met de referentiesituatie en de beoogde gebruiksfase. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het voornemen, per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is in beide fasen sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde NNN gronden liggen op circa 500 meter afstand ten zuidenwesten van het plangebied. Gelet op de grote afstand is er geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.

Verder onderzoek naar invloeden van het plan op het NNN is niet van toepassing. 5.4.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Door Eco Reest is een verkennend onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd binnen het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksesultaten beknopt beschreven. Onderzoeksresultaten en adviezen Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing en opgaand groen geen geschikte broedgelegenheid voor (beschermde) vogels. In de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Ten zuiden van het plangebied

36

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

zijn meerdere holtes in bomen aangetroffen die geschikt zijn voor vogels (onder andere spreeuw en specht) als nestlocatie. Wanneer werkzaamheden binnen het broedseizoen worden opgestart is niet op voorhand uit te sluiten dat verstoring op mogelijke broedgevallen plaats kan vinden. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen binnen het plangebied uitgesloten. In de directe omgeving (met name ten zuiden van het plangebied) zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bomen. Een mogelijke overtreding op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan voorkomen worden door de zuidelijke bomenrijen te ontzien van kunstmatige lichtbelasting en obstakels. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen.

Advies overige broedvogels In de directe omgeving van het plangebied kunnen diverse (niet jaarrond beschermde) vogels tot broeden komen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen maart en september worden aangehouden als broedseizoen. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Bij uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen kan ervoor worden gekozen de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continue door te werken, zodat vogels buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden geschikte broedgelegenheid zullen zoeken. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart en de locaties niet van tevoren ongeschikt gemaakt kunnen worden, moet de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog (broedvogelcheck).

Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moet een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Advies natuurinclusief bouwen Het te herontwikkelen plangebied met de te realiseren nieuwbouw en in te richten buitenruimte biedt mogelijkheden voor het realiseren van verblijfplaatsen en leefgebied voor onder andere vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Hiervoor zijn vele mogelijkheden. Geadviseerd wordt in een vroeg stadium van de planvorming een ecoloog te betrekken om mee te denken bij een natuurinclusieve invulling met faunavoorzieningen in de realiseren bebouwing en een ecologische meerwaarde in de buitenruime. 5.4.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt met inachtneming van de gegeven adviezen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.5

Geluid

5.5.1

Algemeen

De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:

37

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen. Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)).

In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. 5.5.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden op het nieuwe bedrijventerrein planologische mogelijkheden gecreëerd voor bedrijfswoningen. Dit zijn geluidsgevoelige objecten. Hieronder wordt ingegaan op de aspecten industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op ruime afstand van het plangebied. Daarom wordt niet nader op het aspect railverkeerslawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken Stedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 m 3 of 4 rijstroken 350 m 5 of meer rijstroken 350 m De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);

38

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied betreft een bedrijventerrein dat aan de noordzijde wordt begrensd door Voor de Blanken en aan de zuidzijde de Meppelerweg. De Voor de Blanken betreft momenteel een 50 km weg tot de buitenste grens van het huidige bedrijventerrein en het bebouwde kom bord en wordt daarna in het buitengebied een 60 km weg. De Meppelerweg is tot aan de buitenste grens van het huidige bedrijventerrein en het bebouwde kom bord eveneens een 50 km weg. Vervolgens wordt het een 80 km weg. In de nieuwe situatie wordt de bebouwde kom grens opgeschoven tot de grens van het nieuwe bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein worden bedrijfswoningen toegestaan. Hoewel vanwege de ligging op het bedrijventerrein al enige geluidhinder voor deze woningen te verwachten is, is er volledigheidshalve ook een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 9). Hieronder wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting ten gevolge van de Meppelerweg bedraagt, incl. 5 dB aftrek (art. 110 Wgh), hoogstens 53 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wgh. De geluidbelasting ten gevolge van de Voor de Blanken bedraagt, incl. 5 dB aftrek (art. 110 Wgh), hoogstens 46 dB.

Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De cumulatieve geluidbelasting (excl. reductie) bedraagt hoogstens 58 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen kunnen voldoende geluidwering bieden om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Een hogere waarde van hoogstens 53 dB vanwege het wegverkeerslawaai afkomstig van de Meppelerweg voor te realiseren woningen kan dan ook worden verleend. Gelet op vorenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bouwvlakken. 5.5.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt, mits een hogere waarde wordt verleend, geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Het hogere waardenbesluit wordt gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan genomen.

5.6

Milieuzonering bedrijven

5.6.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende

39

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.6.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied zelf ligt direct aansluitend op het bestaande bedrijventerrein Voor de Blanken (ten oosten) en de bedrijvigheid aan Voor de Blanken 4 (ten noorden) er kan daarom worden uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied”. Ook voor woning aan Meppelerweg 25 wordt uitgegaan van omgevingstype 'gemengd' gebied.

Deze woning grenzt weliswaar niet direct aan bedrijfsfuncties, maar ligt al wel dichtbij het bestaande bedrijventerrein voor de Blanken, binnen de milieuzonering waar categorie 3.2 bedrijvigheid is toegestaan (100m). Daarnaast ligt Meppelerweg 25 aan een drukke weg die reeds wordt gebruikt voor verkeer van en naar het bestaande bedrijventerrein. Het is daarom goed te verantwoorden om voor deze woning uit te gaan van omgevingstype 'gemengd gebied'. Voor de woning aan Voor de Blanken 8 wordt uitgegaan van omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m

5.6.3

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

40

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggende situatie gaat het om de uitbreiding van het bedrijventerrein voor de Blanken met als uitgangspunt bedrijven tot milieucategorie 3.1. Bij milieucategorie 3.1 hoort in het omgevingstype 'Rustige woonwijk' een richtafstand van 50 meter en in 'gemengd gebied' een richtstand van 30 meter voor mogelijke geluidshinder. Voor het bedrijventerrein is gebruik gemaakt van 'inwaarts zoneren'. Dit houdt in dat de in de maximaal toegestane bedrijvencategorie rekening worden gehouden met de omliggende gevoelige functies (woonbestemmingen en bijbehorend bouwvlak) en hun ligging in het omgevingstype 'Rustige woonwijk' (Voor de Blanken 8) en 'gemengd gebied' (Meppelerweg 25). Op de verbeelding van dit bestemmingsplan zij deze inwaartse zonering zichtbaar.

Door de aangegeven maximale milieucategorieën te hanteren wordt voor de omliggende gevoelige functies (de woonbestemmingen Voor de Blanken 8 en Meppelerweg 25) voldaan aan de richtafstanden kan ervan uit worden gegaan dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze gevoelige functies aanvaardbaar blijft. Nader akoestisch onderzoek is om die reden niet noodzakelijk. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In voorliggend plan worden voornamelijk bedrijfsgebouwen toegevoegd. Het betreffen mede gebouwen bestemd en geschikt voor structureel verblijf van mensen zoals werkplaatsen. Daarnaast worden op het bedrijventerrein bedrijfswoningen toegestaan. Bedrijfswoningen Een bedrijfswoning die een functionele binding heeft met het bedrijf, waar de woning bij hoort, wordt niet beschermd tegen de hinder van het eigen bedrijf. Voor bedrijfswoningen geldt wel enige bescherming tegen bedrijfsactiviteiten van derden op het bedrijventerrein, er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de basis zijn de richtafstanden uit de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering een goed hulpmiddel om de aanvaardbaarheid te bepalen.

De richtafstanden kunnen echter niet zonder meer worden toegepast, wanneer zoals in voorliggend geval bedrijfswoningen bewust op een bedrijventerrein gesitueerd worden. Uit jurisprudentie (ABRS 19 september 2018, no. 201709944/1/R1) blijkt dat bedrijfswoningen op lokale bedrijventerreinen met een maximale milieucategorie 3.1 ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Op dergelijk bedrijventerreinen bevinden zich geen grote lawaaimakers en de bedrijfsactiviteiten vallen onder het Activiteitenbesluit. De bedrijven op het bedrijventerrein moeten hieraan voldoen, waarbij ook omliggende bedrijfswoningen worden beschouwd. Geur Zoals reeds aangegeven maakt voorliggend plan bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen mogelijk die bestemd en geschikt kunnen zijn voor structureel verblijf van mensen zoals werkplaatsen. Dergelijke gebouwen zijn geurgevoelig. Geurproducerende functies zoals veehouderijen liggen in voorliggend geval op meer dan 1 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de grote afstand kan geconcludeerd kan worden dat er voor geur geen belemmeringen zijn voor uitbreiding van het bedrijventerrein Voor de Blanken in Ruinen. 5.6.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de functies binnen het plangebied geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt dat bestaande omliggende bedrijven niet extra beperkt worden als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

41

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.7

Milieueffectrapportage (MER)

5.7.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.

Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.

Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 5.7.2

Situatie plangebied

Voor deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 10). De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. Op ….. is bij besluit van …. vastgesteld dat geen MER nodig is, zie bijlage ....

42

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.8.2

Situatie plangebied

In het kader van luchtkwaliteit dient op twee manieren naar een plan te worden gekeken: Externe werking van het plan op de omgeving Interne werking achtergrondwaarden op het plan Externe werking

43

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van het plangebied naar bedrijventerrein. Op basis van het stedenbouwkundig plan zoals beschreven in paragraaf 3.1 is aan de hand van de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381) in paragraaf Verkeer en parkeren de verwachte verkeersgeneratie globaal in beeld gebracht. De uitbreiding brengt op basis van het beoogde programma in totaliteit een verkeersgeneratie van circa 425 voertuigbewegingen per weekdagetmaal met zich mee. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aandeel vrachtverkeer is gelet op de verhouding personenautobewegingen (344) en vrachtwagenbewegingen (81) op 19 % gezet.

Afbeelding 5.4 Berekening NIBM-tool (Bron: Kenniscentrum InfoMil) Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Interne werking Op de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/concentratiekaarten.nl zijn op schaal van vierkante kilometer vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Op deze kaart voor 2025 is voor km2 vak waarin het projectgebied is gelegen aangegeven dat: De achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) voor projectgebied is 6,828 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde NO2 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 2.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM10 voor projectgebied is 12,53 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde PM10 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 4.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5 voor projectgebied is 6,095 µg/m3. Voor fijn stof (PM10 en PM2,5) bevinden de concentraties zich onder de WHO-advieswaarde. Tot slot wordt geconcludeerd dat de beoogde functies niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

44

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.8.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Normstelling

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente De Wolden is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.

45

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.9.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.5 Uitsnede Risicok aart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Opgemerkt wordt dat op de kaartuitsnede wel risicobronnen zichtbaar zijn, maar dat de kaart op hoog schaalniveau is uitgesneden. De dichtstbijzijnde risicobron (een gasbuisleiding ten zuidwesten) ligt op circa 4,3 kilometer. Omdat het plangebied ruim buiten het aandachtsgebied van deze leiding ligt is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. 5.9.3

Onderzoek en conclusie

Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid.

46

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

5.10

Verkeer en parkeren

5.10.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren', publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Bij het gebruik van kencijfers moet bereikbaarheidskenmerken van de locatie.

rekening

worden

gehouden

met

onder

meer

de

5.10.2 Uitgangspunten Het plangebied is gelet op de omgevingsadressendichtheid (CBS Statline) gelegen in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van gemeente De Wolden dat behoort tot het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. In voorliggend geval gaat het om een bedrijventerrein waar bedrijven met een maximale milieucategorie 3.1 gehuisvest mogen worden. Wanneer voor een gebied met de functie bedrijventerrein nog geen bedrijfsspecifieke informatie voorhanden is, kan toch een globale berekening van de verkeersgeneratie op etmaalniveau worden gemaakt. De publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW geeft aan dat hiervoor wordt gekeken naar het type bedrijventerrein. In voorliggend geval is sprake van het bedrijventerreintype: 'Gemengd bedrijventerrein'. Voor een gemengd bedrijventerrein verkeersgeneratie per weekdagetmaal:

geldt

per

netto

hectare

bedrijventerrein

de

volgende

128 personenauto's 30 vrachtauto's Voor het parkeren is gekeken naar een bandbreedte tussen de volgende bedrijfstypen die binnen een gemengd bedrijventerrein kunnen voorkomen: bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (gemiddeld 2,35 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo) bedrijf arbeidsextensief/bezoekersintensief (gemiddeld 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is het aantal m2 bvo bepalend. In voorliggend geval zijn daarom de kaveloppervlakten (uitgeefbaar terrein) bij elkaar opgeteld. Dit resulteert in maximaal 26.880 m2 bvo ofwel 2,6880 ha. 5.10.3 Berekening parkeerbehoefte De ondernemers zullen hun parkeerbehoefte op eigen terrein moeten oplossen. In artikel 10.2 van dit bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen om dit te kunnen waarborgen. De kencijfers uit de hiervoor genoemde CROW publicatie zijn leidend. 5.10.4 Verkeersgeneratie en ontsluiting Op basis van bovenstaande gegevens is er sprake van een verkeersgeneratie van circa: 344 personenauto's per weekdagetmaal 81 vrachtauto's per weekdagetmaal De totale verkeergeneratie bedraagt hiermee circa 425 voertuigbewegingen per weekdagetmaal. Het nieuwe deel van bedrijventerrein krijgt twee eigen ontsluitingen op de Meppelerweg (zie ook paragraaf

47

bestemmingsplan Ruinen, uitbreiding bedrijventerrein (ontwerp)

3.2). Het verkeer kan enerzijds via de Meppelerweg in oostelijke richting (via de bebouwde kom van Ruinen) richting de N375 en vervolgens de A28. In westelijke richting kan het verkeer eveneens via de Meppelerweg richting Oosteinde en vervolgens via de N375 in de richting van de A32/Meppel. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede en verkeersveilige ontsluiting van het plangebied in meerdere richtingen. 5.10.5 Conclusie De aspecten parkeren en verkeersgeneratie vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

5.11

Duurzaamheid

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) De BENG-eisen zijn verschillend voor ieder gebouwtype. Voor de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen op het bedrijventerrein gelden dus specifieke eisen waarin ze moeten voldoen om bijna energieneutraal gebouwd te worden. Het kabinet streeft er daarnaast naar daken vaker te benutten voor duurzame oplossingen voor klimaatadaptatie of de opwek van zonne-energie, zoals de vergroening van daken of het aanbrengen van zonnepanelen. Daartoe is een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in voorbereiding, die naar verwachting uiterlijk 1 juli 2021 in werking zal treden. Het Bbl is onder de Omgevingswet de opvolger van het huidige Bouwbesluit 2012.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14489249/1