CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

2a BP Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 toelichting en regels.pdf

Gemeenteraad 30 juni 2022, gemeente De WoldenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 1125.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

4.2

Waterhuishouding

Sinds 1 november 2003 is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op waterhuishoudkundige aspecten: de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze ruimtelijke plannen en besluiten. Het watersysteem wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater worden dus (in samenhang) in beschouwing genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van het watersysteem betekent ook dat het watersysteem wordt benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen waterneutraal vorm te geven en om het watersysteem op orde te krijgen. Het plangebied is gelegen op gronden waarvan het Waterschap Drents Overijsselse Delta het bevoegde waterschap is. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. Hieronder volgt een korte toelichting op de doelen in het waterbeheerplan: Overstromingen, wateroverlast of droogte voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken.

Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving, de Kaderrichtlijn Water (KRW), maken onderdeel uit van het plan; Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Niet alleen wordt geprobeerd om de schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wordt geprobeerd om van deze stoffen nieuwe producten te maken en nieuwe toepassingen te zoeken. Naar aanleiding van het doorlopen van de watertoets (zie bijlage 1) heeft het waterschap een uitgangspuntennotitie opgesteld. Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. Dit kan worden opgenomen in de waterparagraaf van het inrichtingsplan, bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. De uitgangspuntennotitie bevat informatie over de bestaande waterhuishouding en concrete uitgangspunten voor het plan op basis waarvan de waterhuishouding kan worden geregeld. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Wold Aa.

Rond het plangebied liggen geen primaire A-watergangen of secundaire B- watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. In het plan is er sprake van twee peilgebieden (noord en zuid). Het noordelijke peilgebied heeft een maximumpeil van NAP + 0,50 m. Het peilgebied ten zuiden van de bebouwing heeft een maximumpeil van NAP + 0,70 m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Watersysteem Het waterschap heeft watersystemen ingedeeld in verschillende categorieën, zodat de aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water kan worden gewaarborgd. Ten noorden van het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A-watergang waar rekening mee dient te worden gehouden.. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is verantwoordelijk voor de inrichting en het onderhoud ervan. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta.

Voorgenomen ontwikkeling heeft geen belemmerende werking voor het beheer en inrichting van deze watergang. Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van

28

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

het plangebied. Daarom is er bij de erfinrichting rekening gehouden met de inpassing van voldoende waterberging. Circa 10% van de toename van verhard oppervlak is als waterberging in het plangebied zijn verwerkt. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 28.000 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 2.800 m2 zal worden aangelegd waarin maximaal 30 cm pijlsteiging mogelijk is. Dit zal voornamelijk worden gerealiseerd door de bestaande en historische slagen in het landschap te gebruiken ten behoeve van waterberging en infiltratie. Hiermee draagt het water bij aan een waardevolle cultuurhistorische inpassing van het plangebied. Naast het gebruik van de slotenstructuur zal er op de agrarische grond aan de noordoostzijde van het plangebied een wadi worden gerealiseerd. Ook in de showtuin zullen waterelementen bijdragen aan de beleving van water en infiltratie. Voor eventuele overtollige afvoer wordt afstemming gezocht met de Gemeente De Wolden om aan te sluiten bij de afvoer van de Hoge Akkers II. Middels deze ingrepen kan water bij extreme kortstondige buien in het plangebied worden geborgen, zonder dat dit tot externe overlast leidt. Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren.

Het hemelwater vanaf de dakoppervlakken en binnenerf zal zal worden afgevoerd op oppervlaktewater op agrarische gronden en in de showtuin. Dit is schoon hemelwater en kan zonder extra ingrepen worden geïnfiltreerd. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Ten tijde van het ontwerpen van de terreininrichting zal in nader overleg worden getreden met het waterschap, zodat de inrichting van het oppervlaktewater kan worden afgestemd op de benodigde ecologische kwaliteit. Het watersysteem zal worden ontworpen met aandacht voor doorspoeling, zodat zo min mogelijk geïsoleerde vijverpartijen of watergangen ontstaan. Riolering Uitgangspunt voor het waterschap is het optimaliseren van de aanvoer van afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Dit ten behoeve van het verminderen van hydraulische belasting van de rioolwaterzuivering en het beperken van riooloverstorten op het oppervlaktewater. Afvalwater en hemelwater zullen daarom gescheiden worden aangeboden op de perceelgrens. Zoals aangegeven zal hemelwater zoveel mogelijk worden geinfiltreerd in de bodem of worden geborgen in het oppervlaktewater. Voor eventuele overtollige afvoer wordt gezocht naar een afstemming met de Hoge Akkers II.

Externe werking ruimtelijk plan De ontwikkeling is erop gericht om omliggende grond grond- en oppervlaktewatersysteem te beschermen voor om nadelige gevolgen. Daarom worden met voorgenomen ontwikkeling de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied wordt daarom zo ontworpen, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Er is voornamelijk sprake van verharding rondom de watergangen, waardoor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud gewaarborgd is. Daarnaast zal ten behoeve van de aanleg van het nieuw aan te leggen water opnieuw overleg plaatsvinden met het waterschap. Ook voor nieuwe bomen langs een watergang geldt een vergunningsplicht of meldingsplicht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er voorgenomen ontwikkeling geen belangen van het waterschap schaadt. Het initiatief is zodoende in lijn met de uitgangspunten van het waterschap, waarbij het als integraal onderdeel van de erfinrichting zal worden ingepast. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten voor het aspect water.

29

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

4.3

Luchtkwaliteit en fijnstof

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met Wet Milieubeheer beschreven categorieën, kan worden aangenomen dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Gezien voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Archeologie & Cultuurhistorie

4.4.1

Archeologie

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. In de beleidskaart ‘Archeologisch erfgoed in de gemeente De Wolden’ is de locatie ingeschaald met een lage archeologische verwachting. Dit betekend dat er archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen groter dan 3 hectare en dieper dan 30 cm -Mv. Hoewel de ontwikkeling ca. 5 hectare beslaat vinden er slechts grondwerkzaamheden plaats op gronden kleiner dan 3 hectare. Archeologisch onderzoek is daarom niet verplicht. 4.4.2

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Om dit voor de gemeente inzichtelijk te maken heeft de gemeente De Wolden een Cultuurhistorische beleidskaart. Deze is in 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Op deze kaart zijn de gronden aangewezen als beleidszone 1 en grenst deze aan een cultuurhistorisch ensemble. Hieronder zijn de beleidsadviezen voor dit gebied weergeven en is de locatie indicatief op de beleidskaart aangeduid.

30

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

cultuurhistorische waardenk aart Beleidszone 1: De cultuurhistorische waarde van dit gebied is zeer hoog. Bij nieuwe ontwikkelingen spelen cultuurhistorische waarden dan ook een essentiële rol. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de bestaande situatie wordt daarom aanbevolen. Iedere verandering zou moeten bijdragen aan het versterken van de bestaande cultuurhistorische waarden of deze tenminste niet aantasten. Cultuurhistorisch ensemble: Dit zijn waardevolle gebieden in de gemeente. Cultuurhistorie biedt hier voor zowel gemeente als private partijen bij uitstek kansen voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen.

31

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

In de omgeving van het plangebied aan het Haakswold bevinden zich daarnaast rijksmonumenten, provinciale monumenten en karakteristieke panden. Bij de vestiging van het bedrijf aan de Haakswold is een belangenafweging gemaakt tussen de economische belangen en de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de locatie in de omliggende omgeving. Hierbij is ervoor gekozen een bedrijfsvestiging mogelijk te maken die zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast en waarbij zichtlijnen zoveel mogelijk behouden blijven. Gezamenlijk met de uitbreiding van de Hoge Akkers vormt het plan de nieuwe westelijke rand van de kern Ruinerwold. De rand van het plangebied wordt afgehecht met een robuuste groenstrook met bomen en struiken. Daarbij wordt de voormalige agrarische bedrijfslocatie ruimtelijk losgekoppeld van het industriële gedeelte. Ook binnen het plangebied wordt veelvuldig groen toegepast en vormen de landschappelijke slagen de structuur waarbinnen de ontwikkeling plaats mag vinden. De groenstroken met bomen lopen door in het plan van uitbreiding van de Hoge Akkers. De bestaande boerderij is opgenomen als karakteristiek pand in de lijst karakteristieke panden van de gemeente De Wolden. In het bestemmingsplan wordt daarom voor de boerderij de aanduiding karakteristiek opgenomen. Hiermee is geborgd dat de hoofdvorm en verschijning gehandhaafd dient te worden.

Gesteld wordt dat de ontwikkeling daarmee in overeenstemming is met de uitgangspunten zoals omschreven voor Cultuurhistorie.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico’s die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Er bevindt zich in de omgeving van het plangebied één risicobron, te weten een aardgasleiding op circa 475 meter van het plangebied. Deze aardgasleiding heeft een diameter van 203 mm en een maximale werkdruk van 95 bar. Daarmee heeft het een toetsingsafstand van 40 meter. Het plangebied is daarmee ruim buiten de aangegeven toetsingsafstand van de leiding gelegen en vormt geen beperking voor voorgenomen ontwikkeling.

Daarnaast voegt voorgenomen ontwikkeling geen risicobron aan het plangebied toe. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving aangaande de externe veiligheid.

4.6

Bodemkwaliteit

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand agrarisch perceel. Om de kwaliteit van de bodem inzichtelijk te maken heeft Lievense begin 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Het gehele rapport is als bijlage 2 van dit bestemmingsplan bijgevoegd. Hier volgen enkel de conclusies met betrekking tot voorgenomen initiatief. Resultaten voormalig agrarisch bedrijf Ter hoogte van de sloot bij Haakswold 11 is sprake van een asbestspot (inspectiegaten A101 t/m A103) met gehalten ruim boven de interventiewaarde in de bovengrond (oppervlakte van circa 4 m2; bodemvolume van circa 2 m3). Er is daarmee sprake van een historisch geval van ernstige

32

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

bodemverontreiniging, welke eventueel dient te worden gesaneerd. In de opstallen aan Haakswold 11 is vermoedelijk asbest aanwezig en in de loods ten zuiden van de boerderij zijn op de verharding diverse asbestverdachte plaatmaterialen waargenomen. In verband met de geplande sloop en verbouwing van de opstallen dient nog een asbestinventarisatie van de gebouwen te worden uitgevoerd. Als daadwerkelijk sprake is van asbesthoudende opstallen wordt aanbevolen, gezien het feit dat asbestverdachte materialen op de verharding in de loods zijn waargenomen, na de beoogde sloop van de opstallen een verkennend asbestonderzoek uit te laten voeren (eventuele druppelzone en ter plaatse van het aantreffen van asbesthoudende plaatmaterialen op de bodem). Resultaten agrarische gronden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zwaksiltig, matig fijn zand, in de bovengrond matig humeus. Het grondwaterniveau is tijdens hetonderzoek vastgesteld op 0,6 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen.

Conclusie De resultaten van het onderzoek vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de bedrijfsbestemming van het terrein. Wel dient ten tijde van de sloop van de opstallen een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd. Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Wettelijk e consequenties m.b.t.

gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. In verband met de ligging van het plangebied op enige afstand van het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnet Nederland geen externe werking kent. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, neemt de depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied vermoedelijk af. Daar komt bij dat vervoersbewegingen op meer dan 5 kilometer van Natura2000 gebieden niet hoeven worden meegenomen in de berekeningen. Dit betekend dat verkeersbewegingen van en naar het plangebied geen toename van uitstoot teweeg kunnen brengen. Om de volledige situatie inzichtelijk te maken is door de Natuurbank Overijssel een Aerius-calculatie uitgevoerd. De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een NOX-emissie van 10,2 kg/jaar. Deze emissie leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied en leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te

33

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is opgenomen in bijlage 4. Er zijn geen stikstofbronnen die berekend hoeven te worden tijdens de gebruiksfase. Er is daarom geen stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Er is daarom geen sprake van een wettelijke consequentie in het kader van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Wettelijk e consequenties m.b.t. soortbescherming Om voorgenomen initiatief te toetsen aan bestaande regelgeving inzake soortbescherming is er een Quickscan Natuurwaarden-onderzoek uitgevoerd door de Natuurbank Overijssel. De resultaten zijn hier beknopt weergegeven. Het gehele Natuurwaarden-onderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd. Het onderzoeksgebied is op 11 oktober 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er vogels en bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied, wordt voor de in het plangebied foeragerende diersoorten niet aangetast. Conclusie Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor gebieds- of soortenbescherming.

4.8

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is; Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 van het besluit; Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor een herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie tot reguliere bedrijfslocatie en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r.

en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. De beoogde ontwikkeling is opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage, namelijk: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In voorliggend

34

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

geval is sprake van de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie tot reguliere bedrijfslocatie. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde voor bedrijfsmatige activiteiten zoals benoemd in onderdeel D. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

35

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

36

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. De planopzet is in overeenstemming met de RO-standaarden. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Het aantal regels is beperkt mogelijk gehouden. De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels. In hoofdstuk 1 worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels of vergunningsregels voor aanleggen. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.

5.2

Bestemmingsregels

Bij dit bestemmingsplan wordt aangesloten op de plansystematiek van het moederplan ‘bestemmingsplan bedrijventerrein Hoge Akkers 2008’, met enkele regels uit beheersverordening Buitengebied. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd. Het plan is opgesteld conform de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). ‘Agrarisch’ Dit artikel regelt het gebruik van de gronden met een agrarische functie (zonder gebouwen). De bestemming is opgenomen om het voortzetten van het huidige gebruik van een klein deel van het plangebied mogelijk te maken. ‘Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf’ Deze gronden zijn bestemd voor een regulier bedrijf dat wordt gehuisvest op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het bedrijf dat hier wordt gesitueerd dient de bestaande inrichting als uitgangspunt te nemen voor de vestiging, waarbij herkenbaar moet blijven dat het om een voormalige agrarische bedrijfslocatie gaat. Dit komt met name tot uiting in behoud van de bestaande boerderij en de erfinrichting. Ten behoeve van het behouden van de karakteristieke hoofdvorm wordt de bestaande boerderij voorzien van de aanduiding ‘karakteristiek’.

De soort/aard van toelaatbaar te achten bedrijven wordt afgekaderd door bedrijven tot en met categorie 2 uit de VNG-brocure “Bedrijven en milieuzonering” (2009). Daarmee is de soort/aard van de bedrijven beter geschikt voor het bestaande woonlint aan de Haakswold. Zwaardere bedrijvigheid dient te worden ingepast op gronden bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Nadrukkelijke eis is dat hier geen plaats is voor kleinschalige detailhandel of horeca. ‘Bedrijventerrein’ Deze gronden zijn bestemd voor (plaatselijk passende) bedrijven. Uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is geweest om maatwerk te leveren voor initiatiefnemer. Daarom is gewerkt met

37

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

verschillende gradaties van bedrijvigheid en moet de bestemming voornamelijk ondersteunend tot de bestemming ‘Bedrijf - Voormalig agrarisch bedrijf’ worden gezien. De bestemming ‘Bedrijventerrein’ wordt toegekend aan gronden waar voornamelijk opslag en transport plaatsvindt, ten behoeve van het bedrijf gevestigd aan de noordzijde van het perceel. Dit komt ook tot uiting in de bouwmogelijkheden binnen de bestemming, die zeer beperkt zijn opgenomen. Voor het zuid- oostelijke deel van het plangebied zijn meer bouwmogelijkheden opgenomen, inclusief de mogelijkheid een bedrijfswoning te realiseren. Dit is ten behoeve van de hervestiging van een gebruiker van de bestaande gronden, die als onderdeel van de ontwikkeling een plaats wordt gegund binnen voorgenomen ontwikkeling. Voor deze ondernemer is een bedrijfsperceel van circa 1.700 m2 opgenomen, zie hoofdstuk 3. Dit perceel sluit in de toekomstige situatie aan bij de bedrijfspercelen van de Hoge Akkers II en kan worden ontsloten via de nieuw aan te leggen weg. Omdat ieder bestemmingsplan enkel een juridisch kader biedt, bestaat er de mogelijkheid dat andere bedrijven zich hier in de toekomst willen vestigen. Daarom is gezocht naar een zo strikt mogelijke toekenning van de bestemming, zodat een mogelijke toekomstige gebruiker van eenzelfde aard en omvang is als het bedrijf van de initiatiefnemer.

Dit moet voorkomen dat ongewenste functies als kleinschalige detailhandel of horeca zich op de locatie vestigen. Voor een nadere beoordeling over de toelaatbaarheid van bedrijven wordt verwezen naar de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009), en de bestemde categorieën. Naast een omschrijving van de soort/aard van toelaatbaar te achten bedrijven bevat deze brochure indicaties voor de in acht te nemen afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben betrekking op dan wel vloeien voort uit bepaalde activiteiten van het gemiddeld te achten bedrijf in die sector. Gelet op de aard van het bedrijf, alsmede de ligging van het bedrijf nabij het woongebied dienen de te ontwikkelen bedrijfsactiviteiten in beginsel beperkt te blijven tot activiteiten als genoemd in de categorieën 1, 2, 3.1 en beperkt 3.2. De keuze voor een Staat van Bedrijfsactiviteiten vloeit voort uit de wens reeds bij de planologische toets nadrukkelijk inzicht te hebben in de milieuaspecten, die van belang kunnen zijn voor de toelaatbaarheid. De samenstelling van de Staat is gebaseerd op factoren, die het woonmilieu niet of slechts in geringe mate belasten en voorts de toelaatbare bedrijfsactiviteiten onderling niet negatief belasten. Een en ander samenvattend kan worden gesteld dat de “omschrijving” en de “milieucategorie” in principe als “hard” gegeven dienen te worden beschouwd.

De factoren, die hebben geleid tot de indeling in categorieën dienen daarentegen als indicatief te worden beschouwd, met dien verstande dat de bepalende “grootste afstand” niet mag worden overschreden indien daardoor een bedrijfsactiviteit ontstaat die niet meer past binnen de indeling. Zoals hiervoor is gesteld is deze Staat gebaseerd op het gemiddelde bedrijfstype. Daardoor kan de milieubelasting van de binnen dit type voorkomende bedrijven onderling nogal verschillen. Deze verschillen kunnen voortvloeien uit: bedrijfsgrootte (productiecapaciteit, opgesteld vermogen, aantal productiemedewerkers, terreinoppervlakte en dergelijke); verouderingsgraad, nieuwe ontwikkelingen; productiewijze. Ter ondervanging van eventuele onvolkomenheden van de gekozen systematiek en om op eenvoudige wijze te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen, is ter zake dan ook een ontheffingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen. Met ontheffing kunnen bedrijven worden toegelaten die naar de aard van de bedrijvigheid alsmede qua bedrijfsomvang vergelijkbaar zijn met de bedrijven, die in de betreffende categorieën zijn genoemd. Voorwaarde is wel dat deze bedrijven qua hinder en of gevaar geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu.

Rechtens zijn in dit bestemmingsplan bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.2 toegestaan, zoals die zijn beschreven in de lijst van bedrijven van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Mede door nieuwe technologieën en ontwikkelingen kunnen nieuwe bedrijfstypen ontstaan die dan (nog) niet in de lijst van bedrijven voorkomen. De regel als hiervoor genoemd, waarin bepaald wordt dat bedrijven die naar aard en/ of omvang geen onevenredige afbreuk doen aan de omgeving, biedt hiervoor uitkomst. De productiegebonden detailhandel is toegestaan. Om de vestiging van pseudo-bedrijven te voorkomen zijn in de bebouwingsregels minimale vereisten ten aanzien van de grootte van een bouwperceel en voor de oppervlakte van gebouwen opgenomen.

38

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

Daarnaast is, ter behoud van de kleinschaligheid van het bedrijventerrein, een maximale oppervlakte van het bouwperceel in de bebouwingsregels vastgelegd. Binnen de bebouwingsvlakken geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter. Bedrijfswoningen zijn rechtens toegestaan ter plaatse de daarvoor opgenomen aanduiding ‘Bedrijfswoning’. Bedrijfswoningen dienen onderdeel uit te maken van de bedrijfsbebouwing. Hiermee wordt beoogd vervreemding aan particulieren te voorkomen, hetgeen voortvloeit uit de hiermee gemoeid zijnde milieuproblematiek. De vestiging van zogenaamde Wgh- en Bevi-inrichtingen is uitgesloten. Verder zijn ook seksinrichtingen niet toegestaan. ‘Groen’ De als zodanig bestemde gronden zijn wanneer ze zijn voorzien van de functieaanduiding voor opgaande beplanting vooral bedoeld voor een landschappelijk aanvaardbare afscherming naar het landelijk (agrarisch) gebied. ‘Tuin’ De bestemming ‘Tuin’ hangt in hoge mate samen met de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf’. Hierbinnen zijn de siertuinen van de woningen en de showtuin van het bedrijf opgenomen, die niet mogen worden bebouwd. De voortuinen van de woningen zijn prive en niet toegankelijk voor bezoekers van het bedrijf. De showtuin van het bedrijf is aangemerkt door de aanduiding ‘Tuin - Showtuin’.

Hier zijn kleine bouwwerken toegestaan zoals prieel, pergola en veranda of in aard daarmee gelijk te stellen bouwwerk, als onderdeel van de tuin. ‘Wonen’ In de huidige situatie zijn twee woningen in de bestaande boerderij aan de Haakswold in gebruik. Deze zijn geen onderdeel van de bedrijfsfunctie, maar zullen als zelfstandige woningen worden blijven verhuurd. Daarom heeft bij de bestemming Wonen een afweging plaatsgevonden tussen het geven van een grotere vrijheid aan de invulling van de woonhuizen in de bestaande boerderij aan de Haakswold, ten opzichte van die van een bedrijfswoning. Dit heeft geleid van het opnemen van de bestemming ‘Wonen’ in het bestemmingsplan. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen realiseren zijn de milieukundige aspecten goed geinventariseerd. Aan de hand hiervan is als onderdeel van de bestemming ‘Wonen’ een tussenzone van 5 meter met de aanduiding ‘wonen uitgesloten’. Deze ruimte is enkel bestemd voor ondersteunend gebruik van wonen, zoals bijvoorbeeld berging en opslag of in aard daarmee gelijk te stellen gebruik.. De bestemming maakt enkel hoofdgebouwen mogelijk, omdat bijgebouwen inpandig zullen worden opgelost in de zone met de aanduiding ‘wonen - uitgesloten’.

5.3

Anti-dubbeltel regel

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken.

5.4

Algemene bouwregels

Voor de redactie van de gebruiksregels is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedacht dat de bouwgrenzen in afwijking van het plan en de bestemmingen in de regels, uitsluitend mogen worden overschreden door bepaalde ondergeschikte bouwdelen.

5.5

Algemene gebruiksregels

Voor de redactie van de gebruiksregels is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte, dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met debestemming. Dit maakt het noodzakelijk, dat de bestemmingsomschrijving voldoende duidelijk is.

39

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

5.6

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal ontheffingsregels opgenomen, teneinde het mogelijk te maken dat op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken. Dit evenwel met het voorbehoud dat de belangen van derden in redelijkheid niet mogen worden aangetast. Ook kleine afwijkingen (maximaal 10%) van de in de regels opgenomen, dan wel op de kaart aangegeven maten, kunnen volgens dit artikel mogelijk worden gemaakt. Omdat een en ander zich niet beperkt tot één bestemming maar bij diverse bestemmingen gewenst dan wel noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels op alle bestemmingscategorieën van toepassing.

5.7

Algemene wijzigingsregels

Ondanks dat de algemene procedure met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid al in de Wro is opgenomen, wordt deze hier voor alle duidelijkheid en toegespitst op deze plaatselijke situatie toch opgenomen. Zo kunnen bestemmingen onderling gewijzigd worden ten behoeve van ondergeschikte aanpassingen dan wel kunnen bebouwingsgrenzen van de bouwvlakken binnen de bestemming “Bedrijventerrein” verschoven worden als dit ruimtelijk en stedenbouwkundig verantwoord is. De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast als een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

5.8

Overgangsrecht

Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het bepaalde in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is in beginsel onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing wordt mogelijk gemaakt. Indien de onder het overgangsrecht gebrachte bebouwing door een calamiteit verloren gaat is volledige herbouw toegestaan. Het gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding daarvan, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot.

40

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid komt volledig voor de rekening van de initiatiefnemer. De gemeente De Wolden en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook het planschadeverhaal is opgenomen, waardoor de gemeente planschade-claims bij de initiatiefnemer kan verhalen. Voor de gemeente De Wolden zijn er geen financieel-economische gevolgen van de realisatie van het bedrijf op het perceel.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Vooroverleg Provincie Drenthe Voorliggend plan betreft een project dat valt binnen de voorwaarden en ambities beschreven in de Omgevingsvisie Drenthe 2018. Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van de ruimtelijke procedure voorgelegd aan de Provincie Drenthe. In hun reactie geven zij aan een duidelijke ruimtelijke splitsing te willen ervaren van het voormalige agrarische bedrijf en het bedrijventerrein deel. Naar aanleiding van de reactie van de Provincie Drenthe is het plan hierop aangepast. De positionering van de gebouwen is gewijzigd en er is een extra groenstrook als ruimtelijke scheiding tussen beide bestemmingen opgenomen. Er ontstaat daarmee een strook van ca. 25 meter waarmee beide functies ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn. Tijdens diverse overleggen zijn de plannen verder met de provincie Drenthe afgestemd. Aan de hand van de gemaakte wijzigingen hebben zij aangegeven in te kunnen stemmen met het plan.

Waterschap Drents Overijsselse Delta Op 10 oktober 2020 heeft er een vooroverleg plaatsgevonden met het waterschap. Hierin zijn diverse uitgangspunten van het waterschap en initiatiefnemers met elkaar gedeeld. De plannen zijn op basis hiervan op enkele punten aangepast.Vervolgens is online de watertoets doorlopen. Naar aanleiding hiervan is een uitgangspuntennotitie opsteld. Deze uitgangspunten zijn in het bestemmingsplan verwerkt. In het kader van het voorontwerp bestemmingsplan heeft de gemeente De Wolden opnieuw vooroverleg gevoerd met het waterschap. Het plan voorziet in het behoud van de oorspronkelijke slotenstructuur, waarbij het waterschap heeft aangegeven dat er voor het dempen of graven een watervergunning dient te worden aangevraagd. Omdat er sprake is van het behoud van bestaande sloten is hiervan geen noodzaak. De omschrijving voor dit aspect is in het bestemmingsplan gewijzigd om onduidelijkheid te voorkomen. Daarnaast geeft men aan dat een eventuele afwenteling van water naar de Hoge Akkers II voor vaststelling van het bestemmingsplan met de gemeente moet zijn kortgesloten. Initiatiefnemers en adviseurs zullen hiervoor onderlinge afstemming hebben.

6.3

Inspraak

Burgerparticipatie In het kader van burgerparticipatie heeft de initiatiefnemer voorafgaand aan de tervisielegging omwonenden en naburige bedrijven diverse malen geïnformeerd over de planontwikkeling. Een directe

41

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

samenwerking vergroot het lokale draagvlak en bespoedigd de ruimtelijke procedure als geheel. Tijdens deze informerende gesprekken hebben de omwonenden en naburige bedrijven de plannen voor het meerendeel positief ontvangen. Zij zien de nieuwe invulling van de Haakswold 11 als een toegevoegde waarde, waarbij de reeds opgestarte renovatie van de bestaande boerderij in het oog springt en de kwaliteit van het lint verbeterd. Men heeft er daarom vertrouwen in dat voorgenomen ontwikkeling tot een goed einde gebracht kan worden. Wel is een aantal omwonenden kritisch op de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg van de uitbreiding van de Hoge Akkers. Men verwacht een toename van verkeersbewegingen. De ontsluitingsweg valt buiten de scope van dit bestemmingsplan, maar de opmerkingen zullen kenbaar gemaakt worden bij de Gemeente De Wolden. Het ontwerp bestemmingsplan zal in het najaar van 2021 gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Een ieder kan gedurende de periode van terinzagelegging een schriftelijke of mondelinge inspraakreactie op het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar maken.

42

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

Bijlagen bij toelichting

43

bestemmingsplan Ruinerwold, deelplan Haakswold 11 (ontwerp)

Bijlage 1 Watertoets

44

UITGANGSPUNTENNOTITIE HERONTWIKKELING HAAKSWOLD 11 Het plan ligt aan de Haakswold 11 in de gemeente de Wolden. Het beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta, is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021 en de Beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt! (2015). Een goede vertaling van het beleid naar deze uitgangspuntennotitie is tevens af hankelijk van de inf ormatie die de initiatief nemer van het plan heef t aangeleverd. De initiatief nemer heef t het plan als volgt omschreven: Na ons vooroverleg bij gemeente De Wolden heeft u ons geadviseerd online de watertoets te doorlopen. Het betreft de herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijf naar regulier bedrijf aan de Haakswold 11 te Ruinerwold. Een en ander zoals is toegelicht in de bijlage. Er zal ca. 30.000 m2 aan verhard oppervlak worden toegevoegd. De historische slagen in het landschap zullen worden hersteld ten behoeve van waterberging en infiltratie. Daarnaast zal er op de agrarische grond aan de noordoostzijde van het plangebied een wadi worden gerealiseerd. Ook in de showtuin zullen waterelementen bijdragen aan de beleving van water en infiltratie. 1. Doel en inhoud van het document Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatief f ase van een plan bruikbare inf ormatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied .

Dit kan worden opgenomen in de waterparagraaf van het inrichtingsplan, bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing . De uitgangspuntennotitie bevat: de bestaande waterhuishouding van het plangebied (paragraaf 2); concrete uitgangspunten voor het plan op basis waarvan u de waterhuishouding kunt regelen (paragaaf 3) en inf ormatie over het vervolg van de watertoets en de uiteindelijke beoordeling van het waterschap in het kader van de watertoets (paragraaf 4). Beschikbare gegevens Sommige gegevens die u kunt gebruiken voor het plan, zijn digitaal beschikbaar. Hieronder vindt u een omschrijving van verschillende gegevens. Legger oppervlaktewater en waterkeringen waterschap Op de website van het waterschap vindt u een geoportaal met de legger van het waterschap. De legger bestaat uit kaarten en tabellen met de volgende gegevens: de locatie van wateren en dijken; de eisen (vorm en afmetingen) waaraan wateren en dijken moeten voldoen; de ruimte die we ron d de dijken reserveren voor toekomstige dijkversterkingen; wie het onderhoud moet uitvoeren. (indien onderhoudsplichtige niet is opgenomen, geldt de Keur) ArcGIS Online Het waterschap heeft divers alle beschikbare gegevens. Klimaatatlas waterschap Drents Overijsselse Delta Via de klimaatatlas kunt u de lokale situatie voor neerslag en hitte in het stedelijk gebied zien.

Deze gegevens geven een die voortkomen uit de ruimtelijke ontwikkeling te minimaliseren. Daarnaast zijn in samenwerking met gemeenten en de provincie klimaatatlassen ontwikkeld die een breder beeld geven van de gevolgen van klimaatverandering: Fluvius (Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel) RIVUS (West-Overijssel) Algemene Hoogtekaart Nederland Om een indicatief beeld van de hoogteligging van het plan te krijgen adviseren we om gebruik te maken van de Algemene Hoogtekaart Nederland. U kunt op deze site uw locatie aanwijzen om de exacte hoogte te bepalen. Bodem en grondwaterstanden provincie Overijssel Informatie over de bodem en grondwaterstanden is te vinden op de website van de provincie Overijssel. Bodem en grondwaterstanden provincie Drenthe Informatie over de bodem en grondwaterstanden is te vinden op de website van de provincie Drenthe.

Uitgangspunten Haakswold 11, Ruinerwold

Pagina 1 van 7

2.

Bestaande waterhuishouding

Het plan ligt in het stroomgebied Wold Aa. Rond het plangebied liggen geen primaire A-watergangen of secundaire B- watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. In het plan is er sprake van twee peilgebieden (noord en zuid, zie onderstaande kaart). Het noordelijke peilgebied heef t een maximumpeil van NAP + 0,50 m. Het peilgebied ten zuiden van de bebouwing heef t een maximumpeil van NAP + 0,70 m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil af hankelijk van de af stand tot de instelhoogte.

Figuur 1 Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied.

-

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP + 1,53 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zandgronden en podzolgronden. De maximale grondwaterstand ligt op 20-40 cm onder het maaiveld. Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta).

3. Uitgangspunten voor het plan op inrichtingsniveau De uitgangspunten die in deze paragraaf worden benoemd, moeten zichtbaar worden verwerkt in het plan. Dat houdt in dat de initiatief nemer in de waterparagraaf aangeef t hoe wordt omgegaan met de uitgangspunten en op welke wijze deze worden vertaald naar het plangebied. De initiatief nemer is vrij te bepalen op welke wijze wordt voldaan aan de uitgangspunten. Eventueel kan over maatregelen advies worden gevraagd aan het waterschap. Indien noodzakelijk worden de uitgangspunten vertaald naar de plankaart (bijvoorbeeld waterberging) en de planregels.

Uitgangspunten Haakswold 11, Ruinerwold

Pagina 2 van 7

Watersysteem Wateroverlast Waterkwaliteit Riolering Externe werking ruimtelijk plan Beheer en onderhoud Deze uitgangspunten zijn hieronder nader uitgewerkt. Het integraal overnemen van onderstaande uitgangspunten zonder verdere onderbouwing is niet voldoende! Alleen plannen waarin de uitgangspunten goed zijn vertaald kunnen in de vervolgf ase van het bestemmingsplan door het waterschap worden beoordeeld. Watersysteem Aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. Watergangen: Ten noorden van het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A-watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta waar rekening mee dient te worden gehouden. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Primaire A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het onderhoud.

Secundaire B-watergangen (>10 L/s afvoer en <25 L/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): waterschap is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer, maar de grondgebruikers zijn verantwoordelijk voor het onderhoud (eigenaar is onderhoudsplichtig). In de B-watergangen is een bepaalde vorm van toezicht door het waterschap mogelijk (schouw). C-Watergangen: Hier zijn de grondgebruikers verantwoordelijk voor de inrichting en ze doen zelf het onderhoud. Er geldt geen onderhoudsverplichting en het waterschap houdt geen toezicht of onderhoud goed wordt uitgevoerd. Wijzigingen aan het watersysteem Dempen of graven wateren: Voor het dempen, verleggen of graven van wateren (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Voor het dempen van watergangen (of greppels dieper dan 40 cm) dient gecompenseerd te worden. Vooroverleg voor het aanvragen van een vergunning wordt geadviseerd. Het waterschap neemt nieuwe primaire A-watergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld of deze nieuwe watergangen voldoen aan de daarvoor geldende criteria 1.

Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de g emeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; het gescheiden houden van hemelwater; de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. 1 Hierover vindt nadere afstemming plaats met het waterschap

Uitgangspunten Haakswold 11, Ruinerwold

Pagina 3 van 7

Compensatie nieuwbouw plannen Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 30.000 m 2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 3000 m 2 wordt aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van een vertraagde afvoer. Grondwateroverlast Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, adviseren wij de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen of het (2) ophogen van het plangebied. Aanleghoogte van bebouwing: Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwaterove rlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren.

Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.

Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het schoon is voor mensen, planten en dieren.

en voldoende

Afvoer hemelwater Kwaliteit afvoer hemelwater: Als de keuze wordt gemaakt om het hemelwater af te voeren op oppervlaktewater dan mag alleen schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken of woonerven) direct worden afgevoerd. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het af stromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater op open water met het waterschap te worden afgestemd. Inrichtingseisen oppervlaktewater Inrichting van het oppervlaktewater: De inrichting van het oppervlaktewater is sterk afhankelijk van de functie van het oppervlaktewater. Dit is maatwerk. Neem contact op met het waterschap als extra aandacht aan de inrichting van het oppervlaktewater moeten worden besteed ten behoeve van de ecologische kwaliteit. Doorspoeling oppervlaktewater: Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen worden vermeden. Het watersysteem wordt ontworpen met aandacht voor doorspoeling. Peilbeheersing: het waterschap kan sturen in de waterkwaliteit door bijvoorbeeld water in te laten of juist af te voeren.

Vooral in gebieden net droogvallende sloten is het bela ngrijk hier rekening mee te houden. We adviseren om watergangen en vijvers een minimale waterdiepte te geven van 100 cm. Verontreiniging Microverontreiniging: Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden.

Uitgangspunten Haakswold 11, Ruinerwold

Pagina 4 van 7

Riolering Optimaliseren aanvoeren afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Verminderen van hydraulische belasting van de rioolwaterzuivering en beperken van riooloverstorten op het oppervlakte water. Beleid en regelgeving Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hem elwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. Eventueel geldt er een bergingseis (zie wateroverlast). Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater: Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu worden teruggebracht (afkoppelen). Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om daar waar mogelijk, het hemelwater oppervlakkig af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater.

Koppeling met zuidelijk gebied: Als er voor afvoer naar de zuidkant wordt gekozen is afstemming met de ontwikkelingen in het zuidelijk gedeelte belangrijk. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) op oppervlaktewater vanuit een woning of een (agrarisch) bedrijf gelden de volgende regels: luit lozing afvalwater wordt geloosd. Indien niet mogelijk is, moet een voorziening worden aangelegd die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt. Voor lozingen vanuit niet-

Externe werking ruimtelijk plan Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen. Relatie oppervlaktewater en grondwater: In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd . Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. Peilbeheer grasland: Het plan ligt in een agrarisch gebied met grasland. Het peilbeheer in graslanden kent hogere waterstanden dan bij akkerbouw. In extreme neerslagsituaties kan op grasland/maïsland groter dan 1/10 jaar wateroverlast optreden en op akkerbouwgebieden groter dan 1/25 jaar wateroverlast optreden. Het peilbeheer is hierop aangepast, dus houd rekening met deze hogere waterstanden. Verdroging / vernatting: Het waterschap gaat bij het plan uit van het bestaande grond- en oppervlaktewaterregime. Indien bij ontwikkelingen van grasland naar bebouwd gebied het waterpeil wordt gewijzigd is op grond van de Waterwet een vergunning van het waterschap nodig. Op de grens van het plangebied ligt een C-watergang. Deze wordt in de huidige situatie op basis van de bestaande peile n beheert. Daarmee wordt voorkomen dat wateroverlast optreedt in het grasland gebied.

De peilen van deze watergang kunnen niet worden gewijzigd (niet beschikbaar voor waterberging).

Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishoudin g op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied dient zodanig te zijn, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Bij nieuw aan te leggen water vindt overleg met het waterschap plaats.

Uitgangspunten Haakswold 11, Ruinerwold

Pagina 5 van 7

Wijze van onderhoud watersysteem: Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk. Rijdend onderhoud vanaf de kant: Bij onderhoud vanaf de kant geldt een obstakelvrije zone van 5 m vanaf de boveninsteek van de watergang. Beheer en onderhoudsafspraken nieuwe watergangen: Voor nieuwe watergangen moeten beheer en onderhoudsafspraken worden vastgelegd. Het waterschap neemt nieuwe primaire A-watergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld dat deze watergangen voldoen aan de daarvoor geldende criteria 2. Nieuwe bomen langs een watergang zijn vergunningsplichtig of meldingsplichtig. Toegankelijkheid van water: Alle wateren die een functie hebben in de waterhuishouding (afvoer, aanvoer of berging) liggen in openbaar gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11604615/1