Raadsvoorstel 66, bijlage 3 CE Delft 190458 Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen Def PUBLIEK
Tekst van het document
Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen Afwegingskader
Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen Afwegingskader
Dit rapport is geschreven door: Emma Koster, Fenneke van de Poll, Hein-Bert Schurink, Marianne Teng Delft, CE Delft, juni 2020 Publicatienummer: 20.190458.083 Gemeenten / Beleid / Wijken / Energievoorziening / Duurzaam / Warmte / Elektriciteit/ Technologie / Economische factoren Opdrachtgever: Gemeente Ronde Venen
Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Emma Koster (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft
CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.
1
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Inhoud 1
Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Opbouw van dit afwegingskader 1.3 Gebiedsindeling
4 4 4 5
2
Kostenberekeningen: methodiek en aannames 2.1 Beschikbare warmtebronnen 2.2 Nationale kosten 2.3 Eindgebruikerskosten 2.4 Conclusie
6 7 9 10 12
3
Ruimtebeslag 3.1 Ruimtebeslag in de woning 3.2 Elektriciteitsproductie 3.3 Groengasproductie 3.4 Conclusie
13 13 13 15 16
4
Duurzaamheidsbijdrage
18
5
Kansenkaarten 5.1 Methodiek 5.2 Resultaten 5.3 Conclusie
21 21 22 29
6
Logische gebiedsgrenzen 6.1 Inleiding 6.2 Methodiek 6.3 Resultaten en conclusie
30 30 30 31
7
Glastuinbouw 7.1 Resultaten 7.2 Conclusie
33 33 34
8
Industrie 8.1 Inleiding 8.2 Methodiek 8.3 Resultaten 8.4 Aanbevelingen en conclusie
36 36 36 37 40
9
Buurtinformatiesheets 9.1 Buurtinformatiesheets 9.2 Bronvermelding
42 42 42
2
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
10
Concluderende samenvatting
44
11
Aanbevelingen
47
12
Bronnen
48
C
Bijlage: Buurtinformatiesheets
50
3
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
1 Inleiding Wereldwijd verandert het klimaat, terwijl op dit moment de CO 2-uitstoot van de wereld blijft stijgen door het gebruik van fossiele energiebronnen. Aardgas is een fossiele energiebron die een grote rol speelt in de Nederlandse energievoorziening. Om deze reden heeft de nationale overheid de ambitie het gebruik van aardgas in 2050 voor het verwarmen van de gebouwde omgeving tot nul te reduceren. De gemeente De Ronde Venen heeft de ambitie om reeds in 2040 aardgasvrij en klimaatneutraal te zijn. Uiteraard mag dit niet ten koste gaan van het woongenot. De oplossing ligt in energiebesparing en het duurzaam invullen van de energievraag. Gemeenten, de provincie en het Rijk hebben in het voorjaar van 2018 in het interbestuurlijk programma gezamenlijk afgesproken dat alle gemeenten uiterlijk in 2021 een planning vaststellen in de gemeenteraad voor de transitie van de gebouwde omgeving naar aardgasvrij in 2050 (Transitievisie Warmte). Hierbij dient voor alle buurten die vóór 2030 van het aardgas afgaan in 2021 het beoogde alternatief voor aardgas bekend te zijn.
1.1
Doel van het onderzoek De centrale vraag van dit onderzoek warmtetransitie is: Welke duurzame techniek kan in welke wijk ingezet worden en welke technische criteria zijn er omtrent de volgorde waarin de dorpen en wijken aardgasvrij gemaakt kunnen worden? De meest passende oplossing is zowel afhankelijk van technisch-economische als sociale kenmerken van de gemeente. Het doel van dit onderzoek is een afwegingskader met technisch-economische criteria. In combinatie met sociale criteria kan de gemeente een definitieve keuze voor een warmtetechniek in de dorpen en wijken maken, alsmede de logische volgordelijkheid van dorpen en wijken bepalen voor de realisatie. De gemeente geeft aan de sociale aspecten zelf nader te onderzoeken. De sociale aspecten zijn daarom geen onderdeel van dit onderzoek.
1.2
Opbouw van dit afwegingskader De bovenstaande vraag wordt in delen beantwoord in de verschillende onderdelen van dit afwegingskader. Om de keuze voor een techniek te ondersteunen is gekeken naar: — de beschikbare technieken en de kosten hiervan voor de gebouwde omgeving (nationale kosten en eindgebruikerskosten), zie Hoofdstuk 2 voor de methode een aannames en Hoofdstuk 9 voor de resultaten van deze analyse; — het ruimtebeslag van deze technieken, zie Hoofdstuk 3; — de duurzaamheidsbijdrage van deze technieken, zie Hoofdstuk 4. — de warmtevraag van de glastuinbouw, zie Hoofdstuk 7. Om de keuze van de volgorde van de buurten te ondersteunen is gekeken naar: — kansenkaarten, zie Hoofdstuk 5; — logische buurtgrenzen, zie Hoofdstuk 6.
4
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten op buurtniveau, in de buurtinformatiesheets. Deze zijn te vinden in Hoofdstuk 9.
1.3
Gebiedsindeling De resultaten in dit afwegingskader worden weergegeven op CBS-buurtniveau (de indeling uit 2017). De indeling van de buurten is te zien op Figuur 1. Figuur 1 - Gebiedsindeling op CBS buurtniveau
Bron: CE Delft.
5
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
2 Kostenberekeningen: methodiek en aannames De gebouwde omgeving heeft een vraag naar warmte: ruimteverwarming, koken, warm tapwater en in sommige gevallen ook koude. De vraag wordt momenteel grotendeels ingevuld door gas: de meeste gebouwen hebben een installatie die gas gebruikt als belangrijkste energiedrager. De verbranding van aardgas stoot echter CO 2 en andere broeikasgassen uit, en de wens van de gemeente De Ronde Venen is om een klimaatneutrale warmtevoorziening te realiseren voor 2040. Om dit te realiseren zijn andere verwarmingstechnieken nodig die warmte leveren uit andere energiebronnen dan aardgas. Daarnaast zorgen isolatiemaatregelen voor een reductie van de vraag. Tot slot is het van belang dat het resterende energieverbruik geen emissies meer uitstoot: dit houdt bijvoorbeeld in dat de productie van elektriciteit ook moet verduurzamen om de ambities te behalen. Klimaatneutrale warmtetechnieken bestaan in vier varianten: — Elektriciteit. Deze technieken kunnen individueel geïnstalleerd worden en maken gebruik van elektriciteit en in de meeste gevallen omgevingswarmte. All electricwarmtepompen maken gebruik van warmte uit de bodem of de lucht, en waarderen deze warmte op met behulp van elektriciteit. — Gas/hybride. Deze technieken maken gebruik van duurzaam gas (Hr-ketel) of een combinatie van duurzaam gas en elektriciteit (Hybride warmtepomp).
Een hybride warmtepomp levert de basislast met een efficiënte elektrische warmtepomp en gebruikt (duurzaam) gas voor de piekvoorziening. Vergeleken met een Hr-ketel verbruikt een hybride warmtepomp dus minder gas. Daarnaast zijn er ook ontwikkelingen gaande van installaties die gebruik maken van waterstof, maar het is onbekend wanneer duurzame waterstof beschikbaar zal zijn voor de gebouwde omgeving. — Vaste biomassa. Een cv-ketel op vaste biomassa, ook wel genoemd een pellet cv-ketel, verbrand vaste biomassa pellets (meestal houtpellets) met een hoog rendement. Bij de verbranding komen emissies vrij, waaronder fijnstof, wat een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit. Er speelt een maatschappelijke discussie over de wenselijkheid van deze techniek. In CEGOIA wordt deze techniek alleen toegepast in dun-bebouwde gebieden. — Warmte. Warmtenetten zijn distributienetten die warm water verplaatsen van de warmtebron naar de afnemer. Warmtenetten kunnen verschillende temperaturen hebben: lage-, midden- en hogetemperatuur. Voor een warmtenet is het van belang dat er een bron in de buurt is en dat er voldoende bebouwingsdichtheid is: warmtenetten zijn namelijk kostbaar in de aanleg. In samenwerking met de projectgroep is een set aan warmtetechnieken gekozen waarvan de kosten worden weergegeven op de buurtinformatiesheets. De kosten zijn op twee manieren berekend.
— Nationale kosten: dit zijn de kosten voor de hele maatschappij, en bevatten de kosten over de gehele keten in het zichtjaar van de studie: 2040. De nationale kosten geven inzicht in de kostenefficiëntie van de verschillende technieken voor alle stappen in de keten. — Eindgebruikerskosten: dit zijn de kosten van een warmtetechniek voor de eindgebruiker als deze nú geïnstalleerd zou worden. De eindgebruikerskosten kijken dus niet naar de
6
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
efficiëntie, maar wat de eindgebruiker in 2020 zou moeten betalen. Hier is rekening gehouden met de huidige belastingen en tarieven van de netbeheerders. In dit hoofdstuk staat de methodiek van de berekeningen verder uitgewerkt. De kentallen van de berekeningen staan in de Bijlage A en B. De resultaten zijn de vinden op de buurtinformatiesheets.
2.1
Beschikbare warmtebronnen Welke technieken beschikbaar zijn in een buurt hangt af van de beschikbaarheid van de warmtebron. In samenwerking met de projectgroep is afgestemd welke warmtebronnen worden meegenomen in dit onderzoek. In het onderzoek wordt onderscheid gemaakt in collectieve warmtebronnen en energiedragers. Collectieve warmtebronnen zijn warmtebronnen welke gebruikt kunnen worden om een warmtenet te voeden. Onder energiedragers vallen elektriciteit, groengas, biomassa pellets en duurzame waterstof.
Collectieve bronnen De beschikbaarheid van collectieve warmtebronnen is bepaald aan de hand van de Warmteatlas, ThermoGIS versie 2.0, en lokale informatie. Hogetemperatuur (HT) bronnen zijn de bron voor een hogetemperatuurwarmtenet (~70 tot 90°C), en lagetemperatuur (LT) bronnen voor een lagetemperatuurwarmtenet (~30 tot 55°C) of een middentemperatuurwarmtenet (~55 tot 70°C) waarin er collectieve opwaardering plaats vindt. De volgende collectieve warmtebronnen zijn meegenomen in dit onderzoek: HT-bronnen: — Stoom- en gascentrale ‘Nuon Power Generation BV’ in Diemen. Deze bron bevindt zich ten noordoosten van de gemeente, en valt dus niet binnen de gemeente. Het potentiële leveringsgebied omvat de kern Abcoude en Baambrugge-Noord. — Er is geen industriële restwarmte in de regio. In de Warmteatlas staat het bedrijf ‘Koppers’ (voorheen ‘Cindu BV’) in Uithoorn nog vermeld, maar dit bedrijf is permanent gesloten. — Een biomassacentrale zou een warmtebron voor hogetemperatuurwarmte kunnen zijn. Deze is momenteel niet aanwezig in de gemeente. De verbranding van biomassa voor warmtelevering is een maatschappelijk vraagstuk met meerdere kanten. In de webtool waar de berekeningen beschikbaar zijn is er de mogelijkheid om deze optie wel en niet mee te nemen. LT-bronnen: — Warmte koudeopslag (WKO).
— Lagetemperatuurrestwarmte van diverse bronnen, waaronder supermarkten, glastuinbouw en industrie. — RWZI (TEA). Er bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie in Mijdrecht in het beheer van Waternet. Waternet heeft hiervoor een inschatting gemaakt en gaf aan dat het vermogen 72.000 GJ/jaar is. Dit is berekend op basis van de gemiddelde effluent debiet (7.896 m3/d), jaar rond warmte onttrekking met een gemiddelde afkoeling van 6 graden en seizoen warmte opslag (WKO). Aangezien het lagetemperatuurwarmte betreft, is er daarnaast opwaardering van een warmtepomp nodig. — Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). Het Waterschap Amstel Gooi en Vecht heeft een Omgevingswarmte viewer waarin onder andere de potentie van warmte uit oppervlaktewater (TEO) te vinden is. Hierop is te zien dat er in de gemeente op meerdere plekken een potentie voor aquathermie is, vooral rondom de Vinkeveense
7
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Plassen. Ook de rivieren en kleinere waterwegen bieden potentie voor aquathermie. Voor de berekeningen zijn we daarom ervan uitgegaan dat TEO overal mogelijk is. Voor de toepassing van TEO zijn een aantal zaken van belang. Het is van belang dat de warmtebron en het warmtenet (de afnemers) niet te ver uit elkaar liggen, maximaal enkele kilometers. Als er een WKO gebruikt wordt voor de opslag moet de bodem hiervoor geschikt zijn. RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) heeft een speciale tool ontwikkeld waarin wordt aangegeven of een locatie te gebruiken is voor de toepassing van verticale open- of gesloten bodemsystemen (wkotool.nl). Voor een rendabel project zijn voldoende woningen en een bebouwingsdichtheid nodig. Het ECW (Expertise Centrum Warmte) geeft hiervoor de ondergrens van minimaal 50 woningen en een minimale bebouwingsdichtheid van 20 woningen per hectare. Tot slot moeten de gebouwen geschikt zijn voor een lage (LT) of midden temperatuur (MT) verwarming. Voor een LT-warmtenet is minimaal schillabel B vereist, voor een MT-warmtenet gelden minder hoge eisen. Er zijn veel studies beschikbaar die verder in gaan op de potentie van aquathermie, zoals de studie ‘Nationaal potentieel aquathermie’.
Op de websites van het Nationaal Netwerk Aquathermie en STOWA is ook veel bruikbare informatie te vinden, waaronder een kaart met waarop ruim 40 gerealiseerde aquathermieprojecten in Nederland te vinden zijn. In de resultaten van de nationale kosten is te zien dat een lagetemperatuurwarmtenet voor de meeste buurten een van de duurste opties is vergeleken met de andere technieken. Dit heeft te maken met de bebouwingsdichtheid (warmtenetten worden vaak pas een kostenefficiënte oplossing bij gestapelde bouw). Lagetemperatuurwarmtenetten hebben, vergeleken met midden- en hogetemperatuurnetten lagere distributiekosten maar hogere installatiekosten (omdat er ook een additionele tapwater boosterwarmtepomp geïnstalleerd moet worden1). Daarnaast is minimaal schillabel B vereist, en komen er dus isolatiekosten bij als een buurt nog onvoldoende geïsoleerd is. Vandaar dat lagetemperatuurnetten vooral geschikt zijn voor buurten die al voldoende geïsoleerd zijn. Dit is bijvoorbeeld te zien in de nationale kosten van de buurt de Maricken-Veenzijde (waar de woningen gemiddeld schillabel B hebben): hier zijn de kosten van een lagetemperatuurwarmtenet lager dan die van midden- en hogetemperatuurwarmtenetten.
Groengas Groengas is een duurzaam variant van aardgas en wordt gemaakt door biogas op te waarderen tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas (Groengas Nederland, sd). Net als bij groene stroom wordt groengas verkocht op basis van certificaten. In Nederland worden de certificaten uitgegeven door Vertogas. Aangezien groengas dezelfde eigenschappen heeft als aardgas, kan het direct ingezet worden in een bestaande aardgas installatie. Groengas wordt geproduceerd uit biologische reststromen, waaronder slib, groente en fruit resten en koeienmest. In het Klimaatakkoord staat dat de sector de ambitie heeft om in 2030 70 PJ aan groengas te realiseren, waarvan een substantieel deel kan worden ingezet voor de gebouwde omgeving (direct invoeden in het gasnet, hybride warmtepomp of via de piekvoorziening van warmtenetten) (Klimaatakkoord, 2019). Onlangs heeft minister Wiebes de Kamerbrief Routekaart Groen Gas gepubliceerd, waarin de beleidsvoornemens rondom groengas verder staan uitgewerkt (Ministerie van EZK, 2020). Hierin staat onder andere vermeld dat groengas vooral wordt gezien als een verduurzamingsmiddel voor buurten, ________________________________ 1
Bij een lage temperatuur warmtenet is de afgiftetemperatuur van het net lager dan 55 graden Celsius, wat de wettelijke minimumtemperatuur is voor tapwater i.v.m. legionella. Vandaar dat een additionele installatie, zoals een boosterwarmtepomp, nodig is om het tapwater boven de wettelijke minimumtemperatuur te verwarmen.
8
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
zoals oude binnensteden en plattelandsgebieden, waar beperkte alternatieven (all electric of warmtenetten) zijn voor gasvormige energiedragers. Terugbrengen van de energievraag wordt gezien als een belangrijk element, ook als groengas op termijn de meest kostenefficiënte oplossing blijkt voor een buurt. Dit kan via energiebesparing, isolatiemaatregelen en hybridiseren. Daarnaast is vermeld dat de lokale productie van groengas geen garantie biedt op de lokale beschikbaarheid van groengas. Groengas wordt immers ingezet op de plek waar de certificaten (Garanties van Oorsprong, oftewel GvOs) worden afgenomen. Wel draagt het faciliteren van lokale groengasproductie bij aan de algehele beschikbaarheid van groengas.
2.2
Nationale kosten Het CEGOIA-model berekent per buurt voor elke techniek wat de kosten zijn voor de samenleving als geheel, ongeacht wie de kosten draagt. Deze kosten worden ook wel de nationale kosten genoemd. Nationaal betekent hier dus ‘voor de hele samenleving’. Het CEGOIA-model berekent op CBS-buurtniveau voor elke techniek en elk isolatieniveau wat de gemiddelde kosten zijn van een warmtetechniek in een buurt. Uiteindelijk worden alleen de kosten van het meest rendabele isolatieniveau weergegeven: oftewel het isolatieniveau waarbij de totale kosten in een buurt het laagst zijn. De berekening houdt rekening met de kosten over de gehele keten van de warmtevoorziening, zie Figuur 2. Alle kosten zijn berekend exclusief belastingen. Belastingen zijn een verschuiving van geld (tussen de overheid en de consument) en zeggen niets over de kosten voor de samenleving. Figuur 2 - Nationale kosten over de gehele keten
— Onder bronkosten vallen de kosten voor het energieverbruik buiten het gebouw. Het gaat hierbij om o.a. warmteverliezen (bij een warmtenet), collectieve opwaardering, bijstook en warmte uitkoppeling en -productie bij de warmtebron. — Onder distributie vallen de kosten voor de energie-infrastructuur: de kosten van het gasnet, aanlegkosten van een warmtenet en kosten van het elektriciteitsnet (inclusief mogelijke verzwaringen). — Onder gebouw vallen de isolatiemaatregelen. — Onder installatie worden alle kosten bedoeld die te maken hebben met de installatie in het gebouw. Dit zijn onder andere een (hybride) warmtepomp/hr-ketel/warmtewisselaar, tapwaterinstallatie, ventilatie, koeling, en afgiftesysteem (de leidingen waardoor de warmte verdeeld wordt door het gebouw). — Onder energieverbruik vallen de kosten voor het energieverbruik in het gebouw. Let op: dit zijn de kosten exclusief de belastingen (energiebelasting, ODE en btw). — Indien gewenst is het wel mogelijk om btw en energiebelastingen additioneel weer te geven. De kosten zijn berekend voor het zichtjaar 2040. Dit houdt in dat er rekening is gehouden met wat de kosten van de technieken, isolatiemaatregelen en de energieprijzen zijn in 2040. De ontwikkeling van de prijzen over de tijd is te vinden in Bijlage A.
9
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
De kosten van warmtenetten hangen uiteraard samen met welke warmtebron er wordt gebruikt. Welke warmtebronnen beschikbaar zijn, is per locatie verschillend. Hiermee variëren ook de bronkosten, elk type bron kent andere productie- en uitkoppelingskosten. In dit afwegingskader is rekening gehouden met de lokale beschikbaarheid van warmtebronnen, welke hierboven in 2.1 is beschreven.
2.3
Eindgebruikerskosten De eindgebruikerskosten zijn de kosten van de warmtetechniek voor de eindgebruiker in een woning. De eindgebruikerskosten bestaan uit: — Totale jaarlijkse kosten: dit zijn de kosten die de eindgebruiker jaarlijks moet betalen. Deze bestaan uit de energierekening en de jaarlijkse aflossing van de investeringen. — Totale investeringen. Dit is het totale bedrag van de investeringen, inclusief de rente. De investeringen omvatten de installatie, isolatie, in het geval van een warmtenet de BAK (de aansluitingsbijdrage) en voor LT-netten een additionele boosterwarmtepomp voor warm tapwater. — Energierekening. Dit is de jaarlijkse energierekening van alle geconsumeerde energie, oftewel elektriciteit en gas/warmte/biomassa. Het uitgangspunt is het huidige jaar, 2020, en de berekeningen gaan er dus vanuit dat de techniek dit jaar nog geïnstalleerd wordt. Uiteraard zal de warmtetransitie niet op één moment plaatsvinden, het is immers een transitie. Echter hebben we op dit moment nog geen inzicht in hoe de belastingen, tarieven en beleidsmaatregelen zoals de Warmtewet 2.0 zich exact gaan ontwikkelingen, vandaar dat we uitgaan van het huidige jaar. Uiteraard zijn deze berekeningen alleen mogelijk voor technieken die nu op de markt zijn.
Dit houdt in dat technieken die nog niet beschikbaar zijn, technieken die gebruik maken van waterstof, niet meegenomen zijn in deze berekeningen. Daarnaast zijn ook onderhoudskosten niet meegenomen in de berekeningen. De eindgebruikerskosten zijn gebaseerd op de verbruiken zoals berekend in het CEGOIAmodel en huidige tarieven van de netbeheerders en de ACM (Autoriteit Consument en Markt). Daarbij zijn we uitgegaan van een eenjarig gas en/of stroomcontract van Nuon en uiteraard de netbeheertarieven van Stedin. De warmtetarieven zijn de maximumtarieven die de ACM stelt aan warmteleveranciers. Verder zijn de investeringskosten voor techniekinstallatie en isolatie afkomstig uit CEGOIA. De tarieven voor groengas zijn gebaseerd op het de tarieven voor aardgas (vast leveringstarief Nuon, netbeheertarief Stedin, energiebelasting, ODE) en de daarop aanvullend de leveringsprijs van groengas. Deze leveringsprijs van groengas is gebaseerd op de prijs van groengascertificaten. Alle kentallen zijn te vinden in Bijlage B. Voor de investeringen zijn we uitgegaan van de berekende kosten in de CEGOIA. De investeringen bestaan uit de installatie en de isolatiemaatregelen. Voor gebouwmaatregelen gaan we uit van een hypothecaire leningsduur (isolatiemaatregelen zijn immers een langdurige investering voor de woning) en voor de installatie gaan we uit van een duurzaamheidslening.
Installaties hebben immers een kortere levensduur dan isolatie. In het geval van warmtenetten is de aansluitbijdrage (de BAK) meegenomen in de investeringskosten met dezelfde leningsduur als isolatiemaatregelen (een warmteaansluiting is immers een
10
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
investering in het gebouw). Voor lagetemperatuurwarmtenetten zijn daarnaast de kosten van een boosterwarmtepomp2 meegenomen. De eindgebruikerskosten zijn berekend exclusief subsidies. Er zijn verschillende subsidies beschikbaar, maar het is afhankelijk van de specifieke aanvraag wat het subsidiebedrag is. Vandaar dat de kosten exclusief subsidies worden weergeven. Subsidies kunnen echter wel de uiteindelijke eindgebruikerskosten verlagen, en daarmee de keuze van individuele bewoners beïnvloeden. Hieronder geven wij een overzicht van de potentiële subsidies rondom warmtetechnieken. Woningeigenaren en VvE’s kunnen subsidie aanvragen voor energiebesparende maatregelen en de aanschaf van zonneboilers en warmtepompen. Voor de aanschaf van zonneboilers en warmtepompen in de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) beschikbaar. Het subsidiebedrag is afhankelijk van het aangeschafte apparaat. Voor isolatie is landelijk de Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) beschikbaar. De subsidiebedragen van deze regeling zijn te zien in Tabel 1. Voorwaarde hiervoor is dat er tenminste twee maatregelen worden getroffen en er gelden maximumbedragen. Tussen 1 juni en 31 december 2020 gelden verhoogde subsidiebedragen. Ten tijde van het schrijven van dit afwegingskader zijn deze bedragen nog niet bekend. Tabel 1 – Subsidiebedragen SEEH, bron: Bedrag/m2
Maatregel 2
Spoumuurisolatie min Rd 1,1 [m K/W]
€
5
Gevelisolatie: ten minste Rd 3,5 [m2K/W]
€
25
DakisolatieL ten minste Rd 3,5 [m2K/W]
€
20
2
Zolder of vlieringvloerisolatie Rd 3,5 [m K/W]
€
5
Vloerisolatie: ten minste Rd 3,5 [m2K/W]
€
7
Bodemisolatie eventueel in combinatie met vloerisolatie: ten minste Rd 3,5 [m2K/W]
€
4
Hr++ glas: ten hoogste U 1,2 [W/m2K]
€
35
Triple-glas: ten hoogste U 0,7 [W/m2K] i.c.m. isolerende kozijn: ten hoogste U 1,5 [W/m2K]
€
100
Panelen in combinatie met Hr++ glas U <= 1,2 [W/m2K]
€
15
Panelen in combinatie met triple glas U <= 0,7 [W/m2K]
€
75
Bron: (RVO, 2019).
________________________________ 2
Bij een lagetemperatuurwarmtenet is de afgiftetemperatuur van het net lager dan 55 graden Celsius, wat de wettelijke minimumtemperatuur is voor tapwater i.v.m. legionella. Vandaar dat een additionele installatie, zoals een boosterwarmtepomp, nodig is om het tapwater boven de wettelijke minimumtemperatuur te verwarmen.
11
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Disclaimer De eindgebruikerskosten zijn gebaseerd op gemiddeldes (investeringskosten, verbruiken, etc.) van woningen. Daarnaast is het van belang dat deze kosten gelden in 2020, maar dat deze in de toekomst kunnen wijzigen (bijvoorbeeld als belastingtarieven of energieprijzen veranderen). Ook de Warmtewet 2.0 kan leiden tot een verandering in de warmtetarieven. Elke specifieke situatie zal anders uitpakken, voor sommigen hoger en anderen wellicht lager. Modelberekeningen bevatten altijd een onzekerheidsmarge. De eindgebruikerskosten zijn niet bedoeld als exacte inschatting wat een warmteoplossing in een specifieke situatie gaat kosten. De kosten zijn wel bedoeld om een indruk te geven van de verwachte kosten voor eindgebruikers kunnen zijn, hoe en waarin de technieken onderling van elkaar verschillen, en wat de verschillen zijn met de nationale kosten.
2.4
Conclusie In keuze voor een warmtetechniek zijn de technische mogelijkheden en de kosten de technieken relevante factoren. We zien dat deze samenhangen. Technieken die zich op basis van de buurtkenmerken minder goed lenen, zijn nog wel mogelijk, maar hebben hoge kosten. De mogelijkheden voor warmtetechnieken worden met name beperkt door de beschikbaarheid van energiedragers. De inzet van hybride warmtepompen op groengas resulteren in alle buurten tot de laagste nationale kosten. Echter, de verwachte beschikbare hoeveelheid groengas in 2040 is niet toereikend om alle buurten te verwarmen op groengas. Er zal dus een afweging gemaakt moeten worden waar het gasnetwerk blijft liggen en waar wordt overgegaan op een alternatief. De meest kosteneffectieve alternatieven voor groengas zijn waterstof, biomassa of all electric opties. In de buurt de Maricken-Veenzijde is all electric de goedkoopste oplossing, in de overige buurten biomassa of waterstof. Als biomassa en waterstof niet beschikbaar zijn, heeft het merendeel van de buurten op basis van nationale kosten een voorkeur voor all electric. De uitzonderingen zijn Mijdrecht Dorp en Amstelhoek. Deze buurten hebben, als gasvormige energiedragers en biomassa geen optie zijn, een voorkeur voor een hogetemperatuurwarmtenet. Elk van de technieken kent verschillende investerings- en energiekosten voor de eindgebruiker.
Deze kosten zijn berekend en om de technieken onderling te kunnen vergelijken zijn ook de totale jaarlijkse kosten berekend. Opvallend hierin is dat waar op basis van nationale kosten de groengas gestookte technieken het meest kostenefficiënt zijn, deze voor de eindgebruiker in de meeste gevallen de minst interessante optie zijn. Dit heeft te maken met de groengasprijs van 75 ct/m3 (exclusief belastingen). Een warmtenetaansluiting en een warmtepomp hebben veelal vergelijkbare eindgebruikerskosten. Een warmtenet is op basis van nationale kosten geen aantrekkelijke oplossing vanwege de hoge investeringskosten in warmteleidingen. Deze kosten komen echter met de huidige maximale tarieven van de ACM niet bij de klanten terecht. De vraag is echter of een warmteleverancier een businesscase rond kan krijgen. Een eindgebruiker heeft lagere investeringskosten bij een warmtenetaansluiting dan een warmtepomp, maar hogere maandlasten. Bij nieuwe woonwijken, zoals de Maricken-Veenzijde is een all electricoplossing het goedkoopste.
12
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
3 Ruimtebeslag De warmtetransitie heeft impact op de ruimte in de woning en de benodigde ruimte voor energieopwek. Dit wordt hieronder per onderdeel besproken.
3.1
Ruimtebeslag in de woning De meeste warmtetechnieken vereisen een aanpassing van de installatie in de woning. De hr-ketel wordt dan vervangen door een alternatieve installatie. De benodigde ruimte hiervoor is overgenomen uit Strategie Warmtetransitie van Gemeente De Ronde Venen, opgesteld door Squarewise (2018). Tabel 2 – Ruimtebeslag in de woning van verschillende installaties. Techniek
3.2
Ruimtebeslag in woningen
Warmtepomp
+/- 1,5 m2
Zonneboiler
0-1 m2
Infraroodpanelen
Beperkt
Elektrische cv-ketel
0,5 m2
Pelletkachel
0,5 m2
Biomassaketel
0,5 m2
Lagetemperatuurwarmtenet
Beperkt tot +/- 1,5 m2
Hogetemperatuurwarmtenet
Beperkt
Biogas, waterstofgas, syngas
Nihil
Elektriciteitsproductie De meeste warmtetechnieken zorgen voor een verhoogd elektriciteitsverbruik. Deze elektriciteit kan worden opgewekt met pv-cellen of windturbines. We brengen het benodigde landoppervlak voor het elektriciteitsverbruik in de gebouwde omgeving met deze technieken in beeld. Het gaat om het elektriciteitsverbruik voor warmteproductie, maar ook voor apparaten en verlichting. De benodigde elektriciteit verschilt per warmtetechniek, zoals te zien is in Figuur 3. Een warmtepomp gebruikt meer elektriciteit, dan een warmtenet. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen het direct elektriciteitsverbruik in de woning of utiliteitspand en het additionele elektriciteitsgebruik voor de productie van hernieuwbaar gas, zoals waterstof of ammonia. Dit hernieuwbaar gas wordt ingezet voor de bijstook van MT/HTwarmtenetten of in hr-ketels of hybride warmtepompen op waterstof. De gemeente heeft als ambitie om 1.250 TJ aan duurzame energie op te gaan wekken. Hiervoor zijn verschillende scenario’s mogelijk (Gemeente De Ronde Venen, sd). Deze energie zal door alle sectoren gebruikt worden.
13
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
De potentie voor opwek in de gemeente schatten we in als: — Wind op land (aanname in totaal 4 turbines, geschatte totale potentie 90 TJ) — Zon op daken (aanname, zon op alle daken, geschatte totale potentie 210 TJ) — Zonneweides (aanname dat wordt gebruikt als sluitpost, opbrengst 3,2 TJ/ha) Voor het bepalen van de potentie wordt gebruik gemaakt van kentallen, zie kader. Tekstkader 1 – Benodigde opwekinstallaties voor het opwekken van 1 PJ duurzame energie 1 PJ (is 1.000 TJ, is 1.000.000 GJ) is: ~ 40 windmolens (25 TJ/windmolen); ~ 308 ha zonneveld (3,24 TJ / ha.).
Als de volledige door ons geschatte potentie voor wind op land en zon op daken wordt benut, resteert er nog elektriciteitsvraag. Dit is te zien in Figuur 3. De groene lijn geeft de potentie aan elektriciteitsopwek met vier windturbines en zonnepanelen op daken weer. Het benodigde hectares zonneweides om de resterende elektriciteitsvraag in te vullen is berekend, zie Figuur 4. Dit is ook gedaan wanneer de productie van hernieuwbare gassen wordt meegenomen. Hierbij is de aanname gedaan dat de omzetting van elektriciteit naar hernieuwbaar gas een rendement heeft van 70%. Overige energiedragers, zoals biomassa, gas en warmte zijn niet meegenomen in de analyse. Figuur 3 – Elektriciteitsgebruik in de gebouwde omgeving bij toepassing van verschillende warmtetechnieken. De groene lijn geeft de potentie aan elektriciteitsopwek met vier windturbines en zonnepanelen op daken weer.
Energiegebruik (TJ) Warmtepomp - bodem
Warmtepomp - buitenlucht Hybride warmtepomp - buitenlucht [waterstof] HR-ketel [waterstof] Hybride warmtepomp - buitenlucht HR-ketel
Warmtenet LT Warmtenet MT Warmtenet HT 0
Elektriciteit
14
200
400
600
800 1000 1200 1400 1600 1800
Elektriciteit en hernieuwbare gassen
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Figuur 4 – Benodigde oppervlakte aan zonneweides om de resterende energievraag
Benodigde zonneweides (ha) Warmtepomp - bodem Warmtepomp - buitenlucht Hybride warmtepomp - buitenlucht [waterstof]
HR-ketel [waterstof] Hybride warmtepomp - buitenlucht HR-ketel
Warmtenet LT Warmtenet MT Warmtenet HT 0 Elektriciteit
3.3
50
100
150
200
250
300
350
400
450
Elektriciteit en hernieuwbare gassen
Groengasproductie De hybride warmtepomp op groengas is op basis van kosten een aantrekkelijke warmteoptie voor de gebouwde omgeving in de gemeente. De verwachte hoeveelheid beschikbaar groengas is echter beperkt en beleid voor de inzet ervan is nog in ontwikkeling. Zie ook Paragraaf 2.1. De gemeente vraagt zich af hoeveel hectare land er nodig is zelf biomassa te gaan verbouwen voor de productie van groengas. Als optie is vanuit de gemeente olifantengras (miscanthus) aangedragen. Er zijn verschillende gewassen die geschikt zijn voor de productie van groengas, zoals bijvoorbeeld maïs. Voor de productie van groengas uit olifantsgras is superkritische vergassing nodig. Deze techniek is pas net op de markt en hiervan is de groengasopbrengst nog niet goed bekend. Ter indicatie wordt daarom gekeken naar maïs. Maïs heeft een hoge energiewaarde en wordt tot de energiegewassen gerekend. In een publicatie uit 2013 (Sevda, et al., 2013) wordt gesproken over 617 km2/TWh/jaar voor de productie van biogas. Aangenomen dat er geen energie verloren gaat bij de omzetting naar groengas, betekent dit 17,1 ha/TJ groengas uit maïs. De groengasvraag voor het verwarmen van de totale gebouwde omgeving in de gemeente met een hybride warmtepomp op groengas is 735 TJ, zie Figuur 5. De groengasvraag bij inzet van de hr-ketel ligt nog hoger. Dit betekent een landgebruik van 125 km2.
Dit is groter dan het totale oppervlakte van de gemeente (100 km2 landoppervlak).
15
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Figuur 5 – Benodigde energie in het groengas voor het verwarmen van de gehele gebouwde omgeving op groengas.
Hybride warmtepomp - buitenlucht
HR-ketel
0
200
400
600
800
1000
1200
1400
Benodigde energie (TJ)
Een aandachtspunt bij de productie van groengas is de ILUC-richtlijn, zie Tekstkader 2. De genoemde gewassen zijn landgebonden feedstock en zullen ofwel gaan vallen onder de cap voor landgebonden feedstocks, ofwel vragen om een low-ILUC certificering (CE Delft, 2017). De productie van groengas uit landgebonden feedstock kan dus niet als geheel klimaatneutraal gezien worden. Tekstkader 2 - Wat is ILUC?
ILUC-emissies ontstaan wanneer bestaande landbouwgrond wordt gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en de oorspronkelijke landbouw wordt verdrongen naar een andere plaats. Deze uitbreiding van landbouwgrond leidt tot conversie van bossen, veengebieden en graslanden, waarbij de daarin opgeslagen CO2-emissies vrijkomen. ILUC-emissies ontstaan dus alleen als de feedstocks waar de biobrandstoffen van worden geproduceerd landgebonden zijn. Bij het berekenen van de zogenaamde ‘Well-to-Wheel’-uitstoot (de uitstoot over de hele keten) dienen deze emissies meegenomen te worden. In de praktijk betekent dit dat sommige biobrandstoffen uit bijvoorbeeld palmolie dan meer uitstoten dan de fossiele variant. Aangezien biobrandstoffen met name vanuit klimaatoogpunt worden ingezet werkt de inzet van deze biobrandstoffen dus contraproductief.
3.4
Conclusie Er is gekeken naar het ruimtebeslag voor opwek van elektriciteit en groengas. Het elektriciteitsverbruik zal stijgen als de warmtevraag deels elektrisch wordt gedaan, bijvoorbeeld met een (hybride) warmtepomp. Warmtenetten zorgen niet voor een toename in elektriciteitsverbruik in het pand zelf, ten opzichte van een hr-ketel. Als ook het elektriciteitsverbruik van de productie van duurzame gassen, zoals waterstof, wordt meegenomen, wordt duidelijk dat deze technieken om aanzienlijk meer elektriciteit vragen.
16
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Om voldoende elektriciteit op te wekken voor de warmtetechnieken zal grootschalig opwek gerealiseerd moeten worden. Dit past bij de ambitie van de gemeente om 1.250 TJ te gaan opwekken. Het ruimtebeslag hangt af van de methode waarmee de elektriciteit wordt opgewekt. De groengasvraag voor het verwarmen van de totale gebouwde omgeving in de gemeente met een hybride warmtepomp op groengas is 735 TJ. Op basis van het benodigde oppervlak en de onzekerheid of het geproduceerde groengas ingezet kan worden in eigen gemeente, lijkt eigen teelt van energiegewassen voor de gebouwde omgeving geen haalbaar scenario.
17
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
4 Duurzaamheidsbijdrage Het hoofddoel van de warmtetransitie is het terugdringen van CO2-uitstoot. Bij het overgaan op aardgasvrije warmtetechnieken worden de directe emissies van de verbranding van aardgas vermeden. Er is onderzocht om hoeveel CO2-uitstoot het gaat. Dit kan worden gebruikt bij het prioriteren van de aanpak van de buurten. De huidige CO2-uitstoot voor ruimteverwarming en bereiding van warm tapwater is berekend op basis van het gemiddeld gasverbruik van woningen per buurt (CBS, 2017) en kentallen voor de warmtevraag van utiliteitsbouw (zie Bijlage A). Er is aangenomen dat de utiliteiten hun warmtevraag momenteel invullen met een hr-ketel. Voor één buurt (Abcoude Buitengebied) waren geen gegevens voor het gemiddeld aardgasverbruik. Voor deze buurt is gerekend met gemiddeld 2.000 m3 aardgasverbruik, gebaseerd op het gemiddeld aardgasverbruik in andere buitengebieden. De CO2-emissies zijn berekend op basis van een emissiekental voor de verbranding van aardgas. Deze heeft de waarde 1,791 kg/m3 (RVO, 2012). De resulterende CO2-emissies zijn te vinden in Figuur 6. Het figuur toont de totale emissies per buurt. De emissies per buurt hangen sterk af van de buurtgrootte. Abcoude-Zuidwest heeft de hoogste emissies en de buurt heeft 4.100 inwoners. Maar ook het gasverbruik verschilt per buurt.
Zo heeft Zuiderwaard-Westerheul een hoger inwonersaantal (4.260), en ook meer utiliteit, dan Abcoude-Zuidwest, maar toch lagere emissies. De woningen in Abcoude hebben Label D en een hoger gasverbruik. Daarom is ook gekeken naar de emissies per woningequivalent 3. Deze zijn te vinden in Figuur 7. De emissies per woningequivalent zitten tussen de 2 en 5 ton/jaar. Ter vergelijking, de gemiddelde totale CO2-emissies van Nederlandse huishoudens waren in 2018 15,8 ton (CBS, 2019a), voor energiegebruik in de woning, vervoer en goederen. Deze directe CO2-emissies kunnen vermeden worden als wordt overgeschakeld wordt op aardgasvrije alternatieven. Bij de productie van andere energiedragers, zoals elektriciteit en warmtelevering, komt ook CO2 vrij. Deze emissies hangen af van de productiemethode. Richting 2050 worden deze productiemethodes verduurzaamd (groene energie). Dit is een externe ontwikkeling en is daarom niet meegenomen in de berekeningen. De gemeente kan ervoor kiezen om bij het bepalen van de volgorde van de buurten te prioriteren op CO2-emissies. Hiervoor kan op verschillende manieren naar de cijfers gekeken worden. 1. Voor een hoge impact per aangepakt pand, kan gekeken worden naar de buurten met een hoge uitstoot per woningequivalent. Kanttekening hierbij is echter dat deze woningen waarschijnlijk door hun lage isolatiegraad hoge investeringen vereisen. 2.
Voor de hoogste impact per investering kan de uitstoot worden vergeleken met de nationale kosten. Er kan besloten worden te starten daar waar de vermeden uitstoot per uitgegeven euro het hoogste is. Een rekenvoorbeeld hiervan is te vinden in Tekstkader 3.
________________________________ 3
18
Een woningequivalent is één woning of 150 m2 utiliteitsoppervlakte.
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Figuur 6 – Totale CO2-emissies voor ruimteverwarming en warm tapwaterbereiding per buurt
Totaal emissies CO2 (ton/jaar) Sportpark Mijdrecht Waverveen de Hoef Vinkeveen Buitengebied Baambrugge Buitengebied Wilnis Buitengebied de Hoef Buitengebied Waverveen Buitengebied Abcoude Buitengebied Mijdrecht Buitengebied Baambrugge Dorp Amstelhoek Molenland Wilnis Dorp Twistvlied-Wickelhof Mijdrecht Dorp Bedrijventerrein Mijdrecht Vinkeveen Plassengebied Proostdijland Hofland Abcoude-Noordoost Vinkeveen Dorp de Maricken-Veenzijde Zuiderwaard-Westerheul Abcoude-Zuidwest -
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
Figuur 7 – CO2-emissies per woningequivalent voor ruimteverwarming en warm tapwaterbereiding per buurt
Emissies per WEQ (ton/WEQ/jaar) Molenland Twistvlied-Wickelhof de Maricken-Veenzijde Proostdijland Mijdrecht Dorp Zuiderwaard-Westerheul Hofland Abcoude-Noordoost Waverveen Amstelhoek Baambrugge Dorp de Hoef Vinkeveen Dorp Wilnis Dorp Abcoude-Zuidwest Mijdrecht Buitengebied Bedrijventerrein Mijdrecht Abcoude Buitengebied de Hoef Buitengebied Vinkeveen Plassengebied Waverveen Buitengebied Vinkeveen Buitengebied Wilnis Buitengebied Sportpark Mijdrecht Baambrugge Buitengebied -
0,5
1,0
1,5
2,0
2,5
3,0
3,5
4,0
4,5
5,0
Tekstkader 3 – Rekenvoorbeeld vermeden CO2-uitstoot in Molenland De CO2-emissies in Molenland zijn 2.718 ton/jaar. De nationale kosten verschillen per techniek. Ter illustratie kijken we naar de warmtepomp op buitenlucht. De nationale kosten hiervan zijn € 2.275 per woning per jaar en € 3420 per woningequivalent utiliteit per jaar. De totale nationale kosten zijn € 2.980.000 per jaar. De jaarlijkse kosten per jaarlijks vermeden ton CO2-uitstoot zijn dan € 1.100 euro.
19
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Conclusie Er is gekeken naar de CO2-uitstoot van het huidige aardgasverbruik. Daarbij is gekeken naar de uitstoot per buurt en de gemiddelde uitstoot per woningequivalent in de buurt. Door te starten met buurten met een hoge uitstoot kan de grootste uitstootreductie gehaald worden. Het is echter te betwijfelen of deze aanpak te verkiezen is, omdat deze buurten ook de grootste investeringen vereisen. Dit zijn immers ofwel grote buurten of de buurten met grote woningen met een lage isolatiegraad.
20
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5 Kansenkaarten Naast het in kaart brengen van de mogelijkheden en kosten van de klimaatneutrale warmtetechnieken, is ook de volgorde waarin buurten de transitie doormaken van belang. De vraag die daarbij allereerst opkomt is: ‘Wat zijn kansrijke buurten om te starten met de warmtetransitie?’ In samenwerking met de stakeholders uit de projectgroep zijn zeven kansen geïdentificeerd. Het doel van dit onderzoek is om een aantal van de door de projectgroep geachte relevante technisch-economische kansen in de gemeente in kaart te brengen. Daarna kan de gemeente zelf bepalen wat de weging is van deze kansen en deze naast de sociale kansen leggen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente welke factoren van belang zijn in de afweging: hierin spelen technisch-economische factoren een rol maar zeker ook andere, zoals sociale en politieke. Participatie en andere duurzaamheidsprojecten kunnen hier ook een rol in spelen. Uiteindelijk zal de gemeente op basis van al deze input bepalen wat de meest kansrijke buurten zijn om te starten met de warmtetransitie.
5.1
Methodiek Tijdens de tweede bijeenkomst heeft CE Delft een verscheidenheid aan potentiële kansen gepresenteerd. De projectgroep heeft input geleverd welke kansen zij het meest relevant vinden. In samenwerking met de gemeente hebben wij de selectie gemaakt welke zeven kansen worden uitgewerkt in dit afwegingskader. Hieronder staat een overzicht van de kansen die zijn uitgewerkt: Kansen vanuit eigenaarschap: 1. Aandeel corporatiebezit. 2. Betaalbaarheid. Kansen vanuit werkzaamheden: 3. Renovatieplannen GroenWest. 4. Waarde van het gasnet van Stedin. Kansen vanuit de techniek: 5. Isolatiekans. 6. Ruimte op het elektriciteitsnetwerk. 7. Isolatiekans. Deze kansen hebben wij uitgewerkt op basis van gegevens van het CBS, EP-online, GroenWest en het Openingsbod van Stedin.
21
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2
Resultaten De resultaten uit de kansenanalyse zijn uitgewerkt in kaarten. Elke kans heeft een kaart waarin per CBS-buurt het analyseresultaat wordt weergegeven. Daarnaast staat er bij elke kaart een toelichting hoe deze kans geïnterpreteerd kan worden.
5.2.1 Aandeel corporatiebezit De transitie naar klimaatneutraal verwarmen vraagt om samenwerking om tot een gedragen keuze voor een warmtetechniek per buurt te komen. De warmtetransitie raakt immers alle individuele gebouweigenaren. Er zal dus lokale samenwerking moeten plaatsvinden om de transitie zo efficiënt en soepel mogelijk te laten verlopen. Woningcorporaties hebben hierbij het voordeel dat ze over veel woningen beschikken en daarmee één gesprekspartner zijn in plaats van afzonderlijke. Woningcorporaties kunnen daarnaast beslissingen maken over meerdere woningen of blokken tegelijkertijd, wat ten gunste kan komen aan de projectdoorloop. Figuur 8 – Aandeel corporatiebezit GroenWest
Bron: CBS buurtdata (2017b).
22
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.2 Betaalbaarheid Om de warmtetransitie mogelijk te maken, zullen er in de meeste gebouwen investeringen moeten plaatsvinden in isolatiemaatregelen en/of techniekinstallaties. Deze investeringen zullen veelal terecht komen bij de eigenaar van de woning of utiliteit. Idealiter zou de warmtetransitie starten in een buurt waar de eigenaren voldoende investeringsruimte hebben. Echter hangt de investeringsruimte af van een heleboel factoren en zal dit voor ieder huishoudens anders zijn. Deze informatie is bovendien privacygevoelig. Om toch een indicatie te krijgen, kijken we in deze kans naar het gemiddelde inkomen per inwoner in 2017 afkomstig uit de ‘Kerncijfers wijken en buurten 2017’ (CBS, 2017a). Hoewel hiermee uiteraard geen uitspraak wordt gedaan over de specifieke situatie van inwoners, kan over het algemeen wel aangenomen worden dat hogere inkomens meer ruimte hebben voor investeringen in hun woning. Daarnaast zal de energierekening een relatief kleiner percentage zijn van de totale uitgaven, waardoor een eventuele verhoging van de maandlasten relatief minder impact zal hebben. Figuur 9 - Betaalbaarheid
Bron: CBS Statline – ‘Kerncijfers wijken en buurten 2017’.
23
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.3 Geplande renovaties GroenWest Voor dit onderzoek hebben wij samengewerkt met de woningcorporatie GroenWest en zij hebben data aangeleverd over de renovatieplannen tot en met 2030. In het gesprek gaven zij aan dat de timing van de renovatiewerkzaamheden nog flexibel is, met name verder richting 2030 (hoe verder weg de plannen, hoe flexibeler). GroenWest gaat investeren om de kwaliteit en comfort van de woningen te verhogen, en deze duurzamer te maken. Deze plannen zijn een koppelkans. Indien de gemeente en GroenWest de onderlinge duurzaamheidsplannen op elkaar kunnen afstemmen, kunnen de renovatiewerkzaamheden momentum geven voor verdere duurzaamheidsplannen van de gemeente. Kostenvoordelen liggen in het bundelen van bepaalde werkzaamheden, bijvoorbeeld als de straat open gaat. Het bundelen van werkzaamheden voorkomt daarnaast ook onnodige ergernis en hinder voor buurtbewoners. Figuur 10 - Geplande renovaties GroenWest
Bron: CE Delft.
24
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.4 Waarde gasnet Stedin De warmtransitie zal ertoe leiden dat delen van het gasnet niet meer worden gebruikt, en zullen uit de grond worden gehaald. Vanuit economisch oogpunt is het kapitaalvernietiging om in buurten het gasnet te verwijderen als dat nog niet is afgeschreven. Vanuit dit oogpunt is het dus logischer om met de warmtetransitie te starten in buurten waar het gasnet grotendeels tot volledig economisch is afgeschreven. Vanuit het Openingsbod Warmtetransitie van Stedin is gekeken welk aandeel van het gasnet ouder is dan 30 jaar. Hoe hoger dit aandeel, hoe lager de restwaarde van het gasnet. Figuur 11 - Aandeel van het gasnet dat ouder is dan 30 jaar
Bron: Stedin.
25
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.5 Isolatiekans Een goede isolatieschil biedt een voorsprong in de energietransitie: voor deze gebouwen hoeft er over het algemeen minder aangepast te worden om over te stappen op een aardgasvrije techniek. Lagetemperatuurverwarmingstechnieken, zoals warmtepompen en lagetemperatuur warmtenetten, zijn namelijk alleen mogelijk in gebouwen met een goede isolatiegraad. In het CEGOIA-model wordt ervan uit gegaan dat gebouwen minimaal schillabel B moeten hebben. In de onderstaande kaart is weergegeven wat het gemiddelde schillabel is in een buurt. Uiteraard zullen er verschillen zijn binnenin een buurt. Ook binnen een buurt met lage gemiddelde isolatiegraad zullen goed geïsoleerde woningen staan, die zich goed lenen voor lagetemperatuuroplossingen en daarmee kansen bieden om aardgasvrij te worden. Figuur 12 - Gemiddelde isolatiegraad per buurt
Bron: EP-online.
26
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.6 Ruimte op het elektriciteitsnetwerk De warmtetransitie zal leiden tot een verschuiving van aardgas naar elektriciteit, warmte en groengasverbruik. All electric-warmtepompen, maar ook hybride warmtepompen, LT-boosterpompen (voor warm tapwater) en elektrisch koken leiden tot een stijging van de elektriciteitsvraag. Dit is alleen mogelijk als het elektriciteitsnetwerk voldoende capaciteit heeft om de toegenomen vraag te leveren. De netbeheerders bereiden zich al volop voor om aan deze toegenomen vraag te kunnen voldoen. De verzwaring van het elektriciteitsnet zal echter tijd kosten. Voor de buurten die starten met de warmtetransitie en overgaan op een all electric-techniek is het van belang dat het elektriciteitsnetwerk nú al voldoende capaciteit heeft. Voor deze kans is berekend wat de benodigde capaciteit zou zijn als een volledige buurt overgaat op warmtepompen. In Figuur 13 is weergegeven wat de resterende ruimte op het netwerk is. De data is afkomstig van het Stedin Openingsbod Warmtetransitie. Figuur 13 - Ruimte op het elektriciteitsnetwerk.
Bron: Stedin.
27
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.2.7 Kostenverschil met hr-ketel Bewoners zullen eerder overgaan op aardgasvrije warmtetechnieken als deze financieel aantrekkelijk zijn. Daarom hebben we in de kosten van de verschillende technieken vergeleken met de kosten van een hr-ketel (wat voor de meeste bewoners de uitgangssituatie is). De resultaten van de kostenberekeningen zijn te vinden op de buurtfactsheets. Er is daarbij nog geen toedeling gedaan van de beschikbaarheid van energiedragers, waaronder groengas. In werkelijkheid zal er echter maar een beperkte hoeveelheid groengas beschikbaar zijn (zie hiervoor ook de toelichting in Paragraaf 2.1), de doelstelling in het Klimaatakkoord is 70 PJ. Ter vergelijking: in 2018 was het finale aardgasverbruik voor de gebouwde omgeving 418 PJ. Hoewel er nog niet bekend is hoe deze verdeling gaat plaats vinden, is het duidelijk dat de hoeveelheid groengas niet toereikend is om alle buurten van groengas te voorzien. Om hier een gevoel voor te krijgen hebben wij de landelijke potentie groengas verdeeld over alle Nederlandse gemeenten naar rato van het huidige verbruik. Deze berekende beschikbaarheid (203 TJ) is meegegeven als grenswaarde. Vervolgens heeft het CEGOIA-model een kosten-optimalisatie uitgevoerd die het beschikbare groengas in die buurten beschikbaar stelt waar het grootste kostenvoordeel behaald kan worden.
De uitkomsten uit deze optimalisatie hebben wij vervolgens naast de kosten van de referentietechniek (een hrketel op groengas) gelegd en de kosten met elkaar vergeleken. Dit relatieve kostenverschil is weergegeven in Figuur 14. Figuur 14 - Kans op basis van modeloptimalisatie met beperkte hoeveelheid groengas
Bron: CE Delft.
28
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
5.3
Conclusie Er vallen nog geen harde conclusies te trekken uit de resultaten van de kansenanalyse. Immers, de kaarten moeten nog worden samengevoegd met de resultaten van de socialekansenanalyse en de onderlinge weging moet nog worden bepaald. Op van enkel de technisch-economische kansen vallen de volgende buurten op: Op de kansenkaarten is te zien dat buurten in de dorpskern Mijdrecht meerdere kansen hebben, onder andere door het aandeel corporatiebezit, geplande renovaties en het gemiddelde schillabel. Een aantal van deze buurten heeft echter momenteel weinig ruimte op het elektriciteitsnet. Voor sommige buurten is het kostenverschil in de optimalisatie met de Hr-ketel minimaal. De buurt Maricken-Veenzijde heeft goed geïsoleerde woningen, wat lagetemperatuurverwarming voor delen van de buurt mogelijk maakt. We zien echter dat deze buurt niet de meest hoge inkomens heeft, en ook de ruimte op het elektriciteitsnetwerk is beperkt. In de buitengebieden zien we hogere inkomens en ruimte op het elektriciteitsnetwerk. Vooral in de buurten rondom Abcoude zijn de jaarlijkse kosten hybride warmtepompen in het zichtjaar nauwelijks hoger dan die van een Hr-ketel, wat zeker ook kansen biedt.
29
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
6 Logische gebiedsgrenzen 6.1
Inleiding De meest geschikte warmtetechniek wordt in grote mate bepaald door de bebouwing. Tot op dit punt is uitgegaan van de CBS buurt- en wijkindeling 2017 voor de analyses. Maar de CBS-indeling hoeft niet overeen te komen met de meest logische indeling te zijn voor de keuze voor een warmtetechniek. In de wijkuitvoeringsplannen zal in meer detail naar de buurten gekeken worden en mogelijk worden afgeweken van de buurtgrenzen. Ter ondersteuning hiervan is gekeken naar aandachtspunten per buurt. Er is per buurt een beschrijving opgesteld, deze zijn te vinden op de buurtinformatiesheets. Het aanhouden van de CBS-buurtindeling in de Transitievisie Warmte heeft als voordeel in de communicatie met bewoners. Door aan te geven wanneer welke CBS-buurt wordt opgepakt, hebben de bewoners duidelijkheid over wanneer zij te maken krijgen met veranderingen en wat dat betekent voor bijvoorbeeld de vervanging van de hr-ketel.
6.2
Methodiek Er is gekeken naar de kenmerken in Tabel 3. Tabel 3 – Bekeken kenmerken voor aandachtspunten logische gebiedsgrenzen
30
Kenmerk
Toelichting
Bron
Stedelijkheid
CBS-stedelijkheidsklasse. Er zijn vijf klassen: 1. zeer sterk stedelijk: gemiddelde oad van 2.500 of meer adressen per km2; 2. sterk stedelijk: gemiddelde oad van 1.500 tot 2.500 adressen per km2; 3. matig stedelijk: gemiddelde oad van 1.000 tot 1.500 adressen per km2; 4. weinig stedelijk: gemiddelde oad van 500 tot 1.000 adressen per km2; 5. niet stedelijk: gemiddelde oad van minder dan 500 adressen per km2.
CBS (2017b)
Corporatiebezit
Percentage van de woningen in de buurt dat in het bezit is van de woningcorporatie, zijnde GroenWest
(CBS, 2017b)
Blokverwarming
Aantal panden dat collectief wordt verwarmd met blokverwarming
Data GroenWest
Aantal woningen
Aantal woningen in de buurt
CBS (CBS, 2017b)
Energielabels woningen
Energielabels woningen (A t/m G), afgemelde labels en ingeschat
Vesta-MAIS 4.0 (CE Delft ; PBL ; Ecorys, 2019)
Woningtypen
Type woning. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: — Vrijstaand — 2 onder 1 kap — Hoekwoning — Tussenwoning — Meergezins, laagbouw
Vesta-MAIS 4.0 (CE Delft ; PBL ; Ecorys, 2019)
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
Kenmerk
Toelichting
Bron
— Meergezins, hoogbouw
6.3
Bouwperiode panden (woningen en utiliteitsbouw)
Bouwperiode van de panden, de volgende periodes worden gehanteerd: — Voor 1946 — 1946-1965 — 165-1974 — 1974-1992 — 1992-2005 — Na 2005
Vesta-MAIS 4.0 (CE Delft ; PBL ; Ecorys, 2019)
Geplande nieuwbouw (woningen)
Geplande nieuwbouwwoningen, voor zover bekend
Data gemeente
Aanwezige utiliteit
Aanwezige utiliteitsbouw per verblijfstype (BAG), er wordt onderscheid gemaakt tussen de types: — Winkel — Gezondheidszorg — Logies — Onderwijs — Industrie — Bijeenkomst — Sport — Cel — Kantoor — Overig
Vesta-MAIS 4.0 (CE Delft ; PBL ; Ecorys, 2019)
Aanwezige huisjesparken
Vakantiehuisjes in de gemeente, op basis van de BAG (uit Vesta-MAIS) en Google Maps.
Vesta-MAIS 4.0 (CE Delft ; PBL ; Ecorys, 2019) en Google Maps
Huidig gasverbruik
Gemiddeld gasverbruik van woningen, op postcode-6-niveau (1234AB)
(Overheid.nl, 2020)
Gasloze gebieden
Gebieden waar nu geen ondergrondse gasinfrastructuur aanwezig is
Data gemeente en Stedin
Woonboten
Aanwezige woonboten
Resultaten en conclusie De resultaten zijn te vinden in de buurtinformatiesheets, zie Hoofdstuk 9 en Bijlage C. De buurtindeling in de Ronde Venen volgt redelijk goed de bebouwing. Er zijn vier type buurten te onderscheiden: 1. Kernen: Deze buurten zijn historisch gegroeid en hebben als gevolg daarvan een heterogene gebouwvoorraad. Clustering van vergelijkbare bouw binnen de buurt ligt niet voor de hand, dit zou resulteren in veel kleine clusters. In deze buurten moet worden omgegaan met de heterogeniteit. Zie voorbeeld in Figuur 15. 2. Naoorlogse woonwijken: Deze buurten vallen uiteen in blokken waarin grootschalige projectmatige woningbouw heeft plaatsgevonden. Binnen deze buurten zijn clusters van woningen van vergelijkbaar type, bouwjaar en energielabel. Deze woningen zouden per cluster opgepakt kunnen worden. Zie voorbeeld in Figuur 16. 3. Buitengebieden: de gemeente heeft grote, uitgestrekte buurten, die spaarzaam bebouwd zijn. Er staan veelal vrijstaande woningen, vaak meer dan 50 jaar oud. Deze gebieden vallen buiten de rode contour en hier wordt dus maar zeer beperkt gebouwd. De meeste buitengebieden zijn onderling vergelijkbaar en kunnen dus mogelijk gelijktijdig worden opgepakt. Voorbeeld zie Figuur 17.
31
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
4. Overig: Een klein aantal buurten valt niet binnen de categorieën zoals hierboven genoemd. Dit zijn bijvoorbeeld de utiliteitsbuurten in Mijdrecht en de Vinkeveense Plassen. De buurten wijken af van het omliggende gebied. Voor deze buurten zal specifiek gekeken moeten Figuur 15 – Voorbeeld van een kern met heterogene bebouwing (Amstelhoek)
Figuur 16 – Bouwjaarperiode en energielabels voor een naoorlogse woonwijk (de Maricken-Veenzijde)
Figuur 17 – Detailuitsnede uit een buitengebied, bouwjaarperiodes en woningtypes (Wilnis Buitengebied)
32
190458 - Onderzoek warmtetransitie De Ronde Venen – Juni 2020
7 Glastuinbouw Om de huidige situatie en de mogelijkheden voor de warmtetransitie in de glastuinbouw in beeld te brengen is een kwalitatief onderzoek gedaan onder een deel van de glastuinbouwbedrijven in gemeente De Ronde Venen. Volgens het CBS zijn in de gemeente 13 glastuinbouwbedrijven gevestigd. Op basis van het bestand bodemgebruik en visuele inspectie van Google Maps zijn acht glastuinbouwbedrijven gevonden. Voor het onderzoek zijn de vijf grootste glastuinbouwbedrijven, die verschillende gewassen telen, benaderd voor een telefonisch interview. We veronderstellen dat deze groep glastuinbouwbedrijven representatief is voor de glastuinbouw in gemeente De Ronde Venen. Hierbij moet wel gezegd worden dat er geen algemene aanpak is voor de verduurzaming van de glastuinbouw. Per bedrijf moet gekeken worden welke opties het best bij dat bedrijf passen. In de interviews is gevraagd naar de huidige situatie wat betreft de warmtevraag en de invulling daarvan. Daarnaast zijn de mogelijkheden en belemmeringen die de glastuinders zien voor de verduurzaming van de warmtevraag in de glastuinbouw besproken. Alle benaderde bedrijven zijn gevestigd rondom de Oosterlandweg in Mijdrecht, omdat de meeste glastuinbouwbedrijven in gemeente De Ronde Venen hier gevestigd zijn. Een overzicht van de benaderde glastuinbouw bedrijven is te zien in Tabel 4.
Tabel 4 – Resultaten van de interviews met vijf glastuinders.
7.1
Glastuinbouwbedrijf
Teelt
Van der Wilt Gerberas
Gerbera’s
Vlasman
Glasareaal (ha)
Warmtevraag
Invulling warmtevraag
3,2
Warmtevraag in de winter, soms in de zomer
Wkk en gasketel
Sint Paulias
Onbekend
Warmtevraag in de winter
Wkk
Grifioen
Pot- en perkplanten
20
Warmtevraag in de winter
Wkk en gasketel
F.N. Kempen
Vaste planten
9
Alleen bij vorst
Gasketel (minder dan 500 draaiuren)
Florizon
Bloemen
Onbekend
Onbekend
Onbekend
Resultaten Van de vijf benaderde bedrijven, waren vier bedrijven bereid om mee te werken aan het onderzoek. Een overzicht van de belangrijkste resultaten is weergegeven in Tabel 4.
7.1.1 Warmtevraag en –overschot Over het algemeen is er in de winter een warmtevraag bij de glastuinders. Deze wordt voornamelijk ingevuld door wkk-installaties op aardgas. Op zeer koude dagen wordt er bijgestookt met een gasketel. Glastuinbouwbedrijf F.N. Kempen verwarmt alleen bij vorst, hier wordt een gasketel voor gebruikt. In de zomer is er bij alle bedrijven geen tot nauwelijks warmtevraag. Op zeer warme dagen is er een warmteoverschot. In deze situatie worden ramen of daken van de kassen opengezet om te ventileren. Indien ventileren niet mogelijk is, wordt de teelt zodanig gepland dat de kas niet in gebruik is tijdens de warmste dagen in de zomer.