Raadsvoorstel 63, bijlage 1 Integraal Ruimtelijk Perspectief - LR
Tekst van het document
Keuzes bij deze redeneerlijn Op alle schaalniveaus wordt gekozen voor een ambitieus programma voor landschap, water en groen dat meegroeit met de regio. Dit betekent: • Het behouden, beschermen en versterken van de intrinsieke kwaliteit van het landschap, inclusief de inherente natuurwaarden (soms ook zonder recreatieve functie) en cultuurhistorische waarden. • Vergroten van de ruimte voor groen, natuur, cultuurhistorie en water in kwantitatieve zin. • Vergoten van de toegankelijkheid van het landschap, en daarmee ruimte bieden voor de groeiende recreatiebehoefte van een groeiende bevolking. Ademen beweegruimte scheppen voor een groeiende bevolking met een steeds grotere behoefte aan ruimte voor recreatie en natuurbeleving. • Bieden van toekomstperspectief aan het landelijk gebied en specifiek aan de agrarische sector. • De wateropgave en klimaatadaptatie ruimte geven en/ of integreren.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
33
Nieuwe Hollandse Waterlinie (beeld: Rijksdienst Cultureel Erfgoed). 34
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Voor de realisatie van de programmatische opgave voor landschap, water en groen gelden onderstaande negen principes: 1. Het Utrechts landschap is de kwaliteitsdrager voor de hele U16. Alle ontwikkelingen in de regio zijn ruimtelijk verbonden met het landschap. Onafhankelijk van de aard van de ontwikkeling, wordt erover nagedacht hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot het versterken van de kwaliteit van het landschap. 2. Slim clusteren van de landschapsopgaven per deelgebied. Gebiedsgericht uitwerken van de landschapsopgaven in coalities van verschillende stakeholders, gemeenten en andere partijen, gekoppeld aan of gecombineerd met andere doelen. 3. Stad en land verweven door middel van de opgaven voor recreatie, natuur en landschap. Recreatie, natuur en landschap ruimtelijk de steden intrekken met groenblauwe verbindingen, scheggen en het aanleggen van ontbrekende schakels in het netwerk. De druk op bestaande kwetsbare gebieden wordt verspreid. 4. Logisch ecologisch netwerk bouwen om de biodiversiteit te versterken. Bestaande en nieuwe natuurgebieden met elkaar verbinden en zorgen voor verbeterde mogelijkheden tot uitwisseling van flora en fauna. 5. Landschapselementen herstellen. Dit ter compensatie van de vele landschapselementen die sinds midden 20e eeuw zijn verdwenen.
Onder andere het aanleggen van een fijnmazig netwerk van levendige boerensloten met soortenrijke slootkanten. 6. Meekoppelkansen in verschillende opgaven benutten. Er liggen veel kansen tot combineren, met name op locaties waar landschaps- en natuuropgaven nabij water-, stedelijke ontwikkelings- of energieopgaven liggen. 7. Landschap, water en groen-inclusief ontwikkelen. Met de verbinding tussen landschap, water, groen en de (stedelijke) ontwikkeling als uitgangspunt ontstaat een win-winsituatie. 8. De landbouw toekomstbestendig maken. Een duurzaam economisch perspectief bieden aan de agrarische sector. Door de transitie naar natuurinclusieve, circulaire kringlooplandbouw wordt de sector (weer) een belangrijke beheerder van het waardevolle landschap. 9. Natuurinclusieve steden ontwikkelen. Zowel in de nieuw te ontwikkelen woon- en werkgebieden als in de bestaande stad komt volop ruimte voor biodiversiteit, natuurinclusiviteit, klimaatadaptieve maatregelen en circulaire oplossingen in de bouw.
Kiezen voor een leefbare en gezonde regio is ook kiezen voor een waterrobuuste en klimaatbestendige regio: • De openbare ruimte in de regio wordt ingericht met gezond leven als uitgangspunt. Het groen begint zoveel mogelijk bij de voordeur en staat in verbinding met grotere groenstructuren met wandel- en fietspaden. • De openbare ruimte draagt bij aan het verminderen van hittestress. Groenblauwe daken, groene gevels en boomrijke straten en pleinen zorgen voor koele woningen en aangename ontmoetingsplekken in de zomer. • Waterretentie en infiltratie zorgen ervoor dat er geen aanvullende druk op het watersysteem komt. Hevige regenval wordt opgevangen in de bodem, wadi’s en waterpleinen (wat er ook voor zorgt dat rioolsystemen niet overstorten). Ook in het landelijke gebied wordt water vastgehouden zoals op de Utrechtse Heuvelrug. Zo wordt nadrukkelijk een relatie gelegd tussen de drinkwaterwinning en het tegengaan van verdroging. Bovendien zorgt een robuust aangelegd watersysteem met voldoende verversing ook bij hogere temperaturen voor een goede waterkwaliteit met volop leven en levendigheid in en langs het water. • De keuzes voor natuurinclusieve en klimaatadaptieve openbare ruimte geldt niet alleen voor nieuwe openbare ruimte: er ligt ook een opgave in het aanpassen van de bestaande openbare ruimte.
• Tot slot is het in het algemeen verstandiger om op hoger gelegen gronden te bouwen dan op lager gelegene, zowel vanuit het oogpunt van waterhuishouding als van waterveiligheid. Binnen peilgebieden van polders is het verstandig de laagste delen niet te bebouwen, maar juist te gebruiken voor waterretentie.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
35
Groene scheggen (beeld: BVR).
Groenblauwe verbindingen (beeld: BVR). 36
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
De voor deze redeneerlijn gewenste schaalsprong voor landschap, water en groen is gekwantificeerd (U16 Ruimtelijke Opgave Groen & Landschap 2020-2040, BVR, december 2020): • Groene scheggen zorgen voor de verbinding tussen stad en landschap en voor groene, goed toegankelijke kwaliteiten dicht bij de stad. De groene scheggen zijn landschappen van elk tientallen vierkante kilometers groot. Deze scheggen herbergen diverse functies, van landbouw tot natuur, recreatie en cultuurhistorie. De intensiteit van het recreatief bezoek en gebruik varieert per locatie: van parken in de stad en recreatiegebieden in de stadsranden (zo dicht mogelijk bij de woonomgeving, 2 tot 5 kilometer afstand van de centra), tot op iets groter afstand van de stad gelegen gebieden met en mix van natuur, landbouw en recreatie, tot in het landelijk gebied met recreatief medegebruik van het agrarisch kerngebied. Deze groene scheggen sluiten aan op de groenstructuren in de stad Utrecht, zoals die zijn uitgewerkt in de Ruimtelijke Strategie van de Gemeente Utrecht (RSU), en brengen het groen vanuit de regio tot in de haarvaten van de stad. Er zijn 6 tot 10 scheggen benoemd. • Groenblauwe verbindingen zijn groene verbindingen langs de hoofdstromen en -structuren van de regio zoals de Vecht, de Hollandse waterlinie en de Utrechtse Heuvelrug, de landschappelijke kwaliteitsdragers van de regio.
Deze dienen om grote landschappen voor recreanten te ontsluiten (over land en water) en om ecologische verbindingen te maken. Daarnaast heeft het fietsnetwerk ook een belangrijke rol in de regionale verplaatsingen voor wonen, werken en onderwijs. Door fiets- en wandelroutes te voorzien van groene bermen, natuurvriendelijke oevers en beplantingen en door om de paar kilometer groene rustpunten te creëren, ontstaat in de U16 een robuust netwerk langs cultuurhistorische structuren. Een deel van het netwerk is reeds aanwezig. Om het netwerk te completeren zijn 38 natuurschakels en 13 recreatieve verbindingen benoemd. Om barrières op te heffen zijn 19 fietsviaducten, 3 ecoducten en 16 kleinere faunapassages benoemd. • Regionale natuurkerngebieden hebben een oppervlakte van minimaal 30 hectare en worden gerealiseerd in gebieden waar geen Natuurnetwerk Nederland is. Er zijn 7 natuurkernen benoemd om het Natuurnetwerk Nederland te completeren (het realiseren van de NNN is een zelfstandige opgave die door de provincie in de regio wordt uitgevoerd). Het is nog een onderzoeksvraag of, en zo ja welke, recreatieve functie deze natuurkerngebieden kunnen hebben.
Groen van landschap tot voordeur: het landschap als onderlegger (beeld: RSU).
•
•
Groene contourgebieden, natuurgebieden die nog niet gerealiseerd zijn op de daarvoor aangewezen landbouwgronden in de U16. Gedeeltelijk vallen deze samen met de scheggen, maar het grootste deel ligt in het landelijk gebied. Herstel van erfbeplanting en kleine landschapselementen in landelijk gebied.
In totaal gaat het om het toevoegen van 4.110 hectare natuur- en recreatiegebied. Dat is inclusief 394 kilometer aan nieuwe recreatieve en ecologische verbindingen. Daarbij komt nog natuurgericht slootkantenbeheer, waarvoor 10.000 kilometer oever in aanmerking komt. Tot slot wordt er gewerkt aan een netwerk van snelfietsroutes (binnen thema mobiliteit) en komen er 9 buitenpoorten: bestaande stations die worden ontwikkeld tot recreatieve transferia, die een gezond alternatief vormen voor de auto om landschappen en recreatiegebieden buiten de stad te bereiken. De wateropgave is nog niet gekwantificeerd in dit overzicht maar kan veelal worden meegekoppeld met andere opgaven.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
37
Ruimtelijke opgaven Groen & Landschap
December 2020
Opgaven groen en landschap – ruimtelijk (beeld: BVR).
7 Gebiedsgerichte opgaven Groen & Landschap
Gebiedsgerichte opgaven groen & landschap 1. Blauwe krans Stelling van Amsterdam 2. Polderscheg Lange Linschoten - Woerden – Breukelen 3. Hollandsche IJsselscheg - Rijnenburg - A12zone 4. Waterliniescheg 5. Groene Zoom Vijfheerenlanden 6. Groen raamwerk Heuvelrug-Lek 7. Agrarisch groenblauw netwerk
December 2020
Opgaven groen en landschap – gebiedsgericht (beeld: BVR). 38
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Vertaling van de ambitie in regionale opgaven De opgave is ruimtelijk vertaald in zeven gebiedsgerichte (intergemeentelijke) opgaven en vier algemene opgaven. De gebiedsgerichte benadering geeft aanleiding om samenwerkingen aan te gaan en te werken aan de ontwikkeling van concrete landschappelijke programma’s die voorwaarde zijn voor de verdere groei van de regio. De vier algemene opgaven om de schaalsprong te maken zijn: • Financiën regelen voor de inrichting en het beheer/onderhoud van bestaande en nieuwe natuur- en recreatiegebieden, waaronder de kleine landschapselementen. • Het U16-netwerk van groenblauwe verbindingen versterken en nieuwe verbindingen toevoegen ten behoeve van recreatie, natuur en een aantrekkelijke en klimaatrobuuste leefomgeving. • Stimuleren van de transitie van reguliere landbouw naar economisch rendabele kringlooplandbouw met nadrukkelijk aandacht voor natuurinclusiviteit. • Water en groen behouden en toevoegen in de steden en dorpen. Voor het bestaande stedelijke gebied is geen aparte gebiedsopgave omschreven, maar ook hier liggen nadrukkelijk opgaven voor landschap, groen en klimaatadaptatie. De gebiedsgerichte opgaven om de schaalsprong te maken zijn: 1. Blauwe Krans van de Stelling van Amsterdam 2. Polderscheg Lange Linschoten – Woerden – Breukelen 3. Hollandse IJsselscheg – Rijnenburg – A12-zone 4. Waterliniescheg 5.
Groene zoom Vijfheerenlanden 6. Groen raamwerk Heuvelrug – Lek 7. Agrarisch groenblauw netwerk
Naast deze ruimtelijke keuzes geven een aantal meer programmatische keuzes sturing aan het uitvoeren van de ontwikkeling van groen en landschap: • Voor het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug wordt ingezet op het vergroten van het nationaal park en het robuuster maken van de Heuvelrug voor natuur en recreatie. • Voor het Groene Hart wordt aangesloten bij de agenda van het NOVI-gebied en de bijhorende overleggen en afspraken voor het Groene Hart. • De openbare ruimte in de regio wordt ingericht met gezond leven als uitgangspunt. Het groen begint zoveel mogelijk bij de voordeur en staat in verbinding met grotere groenstructuren. Nieuwe verstedelijking wordt natuurinclusief ontworpen. • De openbare ruimte draagt bij aan het verminderen van hittestress en nieuwe verstedelijking wordt klimaatadaptief ontworpen. Waterretentie en infiltratie zorgen ervoor dat er geen aanvullende druk op het watersysteem komt. De ruimtelijke keuzes voor groen, landschap en water staan niet op zichzelf. De keuze om groen voorop te zetten betekent ook een keuze om zo min mogelijk (grootschalige) uitleglocaties te ontwikkelen en om die, als ze toch nodig zijn, in te zetten voor de verbetering van het omliggende landschap.
De gebiedsgerichte opgaven zijn uitgewerkt in paragraaf 2.3.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
39
Bloemenweide (beeld: Natuurmonumenten). 40
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Financiering De groenopgave is net als de andere opgaven voor de regio ambitieus. De landschappelijke opgaven zijn, net als infrastructuur maatregelen, voorwaarde voor de groei van de regio. De financiering van de landschappelijke opgave is derhalve een gezamenlijke opdracht van de 16 gemeenten, provincie, waterschappen, natuurbeheerders, eigenaren en andere belanghebbenden. Tegelijkertijd wordt er op veel vlakken al uitvoering gegeven aan een aantal van de opgaven. Onderzocht wordt hoe de financiële dekking kan worden georganiseerd. Gezamenlijkheid is daarbij het uitgangspunt aangezien een groot deel van de landschappelijke opgaven in nadrukkelijke samenhang met de verstedelijking moet worden bezien. Zo maken landschappelijke opgaven vaak integraal onderdeel uit van gebiedsontwikkelingen waarbij voor het totale pakket (rood en groen) financiering moet worden gezocht. In het adaptief ontwikkelpad (hoofdstuk 4.3) is deze koppeling van landschappelijke opgaven aan stedelijke opgaven nader uitgewerkt. De regio werkt samen met het programma ‘Groen Groeit Mee’ van de provincie, gemeentes en waterschappen. Het programma heeft recent de eerste resultaten opgeleverd. In het programma werden de globale aanlegen beheerkosten van de landschappelijke opgave van de regio U16 (en andere regio’s) berekend.
Ook maakte het programma een overzicht van financieringsstrategieën en mogelijke geldbronnen als het Nationaal Groenfonds, het Investeringsfonds Omschakeling Landbouw (LNV), programma-onderdelen uit het NOVI-gebied Groene Hart, het Waterinnovatiefonds en diverse Europese fondsen. De realisatie en financiering wordt in de vierde fase in samenwerking met het programma ‘Groen Groeit Mee’ uitgewerkt. Het is zaak om de opgaven en de bijbehorende ruimtelijke ingrepen in de volgende fase te vertalen in een investeringsprogramma. Daarnaast moeten de meekoppelkansen optimaal worden benut. Groenopgave, verstedelijking, energie en mobiliteit moeten waar mogelijk samen worden opgepakt. Verstedelijking, waarvoor de groene opgave een voorwaarde is, kan zowel financieel als in praktische zin bijdragen aan groeninvesteringen: ‘Als de graafmachines toch bezig zijn, neem dan ook de volgende sloot mee.’
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
41
USP
Zeist
Lunetten-Koningsweg
Bunnik Nieuwegein
Odijk
Houten
Wiel met Spaken – conceptuele verbeelding (beeld: KuiperCompagnons).
42
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 2 – KIEZEN VOOR DUURZAME MOBILITEIT
Schaalsprong ov en fiets: Wiel met Spaken
In 2040 is er een aantrekkelijk en ruim aanbod van duurzame mobiliteit. Door stedelijke functies te concentreren en te mengen op locaties dicht bij de stedelijke kern en dicht bij knooppunten die goed zijn ontsloten met fiets en ov, is het voor zoveel mogelijk mensen zo gemakkelijk mogelijk om zich op een duurzame manier door de regio te bewegen. Nabijheid is daarbij het sleutelwoord. De regio Utrecht ligt als een spin in het web van het Nederlandse auto- en spoorwegennet. Een groot deel van het verkeer in de regio is nationaal georiënteerd, dit doorgaande verkeer is van groot belang voor de ruimtelijk economische ontwikkeling van de regio. De goede verbondenheid is dus een kracht van de regio, maar de opgaven die samenhangen met groeiende mobiliteitsstromen kunnen slechts deels door de regio beïnvloed worden. Organiseren van nabijheid Essentieel is het organiseren van nabijheid. Dit betekent dat functies als wonen, werken en voorzieningen steeds meer worden gemengd en dat in de directe leefomgeving ook groen aanwezig is. Naarmate de ov-bereikbaarheid van een plek groter is, stijgt de dichtheid. Door nabijheid te organiseren zijn alle benodigde dagelijkse functies binnen wandel- en fietsafstand aanwezig. Het versterken van de wandel- en fietsinfrastructuur draagt bij aan deze nabijheid en brengt wonen, werken, voorzieningen en recreatie dichter bij elkaar.
Dit principe van nabijheid geldt voor de gehele regio. Het betekent dat in alle kernen invulling wordt gegeven aan nabijheid en het bij elkaar brengen van functies.
Een tweede vereiste is dat zoveel mogelijk mensen op verstedelijkingslocaties zo makkelijk mogelijk toegang hebben tot het ov. Noodzakelijk daarvoor is een hoogwaardige ov-verbinding om de stad heen die het centraal station niet aandoet (Wiel) met dwars daarop verbindingen naar Utrecht Centraal en de regio (Spaken). Dit Wiel met Spaken wordt gefaseerd gerealiseerd en maakt het mogelijk om in de regio van plek tot plek te bewegen met hoogwaardige en frequente verbindingen die niet meer alleen zijn gericht op Utrecht Centraal, maar ook op een aantal andere knopen in het netwerk, zoals Utrecht Science Park en Leidsche Rijn. De Spaken steken diep de regio in en worden op alle knooppunten gevoed door (nieuwe en verbeterde) fietsroutes en toeleidende ov-lijnen. Zo wordt de regio verbonden met het Wiel met Spaken en ontstaat een regionaal netwerk van hoogwaardige (snel)fietsroutes. Op een aantal knooppunten wordt het mogelijk over te stappen tussen het regionale en het nationale ov-netwerk of, op zogenaamde multimodale hubs, van de auto op het ov.
Wiel met Spaken en langzaam-verkeernetwerk (beeld: RSU).
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
43
Uithoflijn (beeld: SpoorPro). 44
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Beperken groei autoverkeer Op de meeste corridors van het hoofdwegennet is niet of nauwelijks ruimte voor groei van de automobiliteit. Iedere vergroting van de regionale wegcapaciteit leidt uiteindelijk tot grotere knelpunten op deze corridors, waarbij de Ring Utrecht de bottleneck is. Het is daarom een belangrijk doel voor de regio om de groei van de automobiliteit in de spits af te remmen. Het faciliteren van de groei van de automobiliteit zou haaks staan op onze uitgangspunten van gezond stedelijk leven en zou een negatieve impact op de leefomgeving hebben: meer autoverkeer in de stad en naar bestemmingen in de regio zou immers leiden tot extra druk op het hoofdwegennet, tot meer (geluids)overlast en tot meer sluipverkeer. Het is van belang om samen met de Rijksoverheid op te trekken; als het Rijk de kosten van automobiliteit verder laat dalen en in het hele land meer snelwegcapaciteit toevoegt, roeien gemeenten met hun beperkende maatregelen tegen de stroom in. Uitgangspunt voor de U16 is dat de landelijke autonome groei van (auto) mobiliteit er niet toe mag leiden dat rond Regiopoorten of in de kernen niet kan worden verstedelijkt. We maken dus met het Rijk afspraken die de verstedelijking én de inzet van generiek mobiliteitsbeleid koppelen aan Rijksinvesteringen in alternatieven én het reduceren van (auto)mobiliteit op nationale corridors.
Daarvoor zullen we per corridor of deelgebied (mobiliteitsscheg) in het vervolgonderzoek van U Ned scherp in beeld brengen welke stromen een regionale oorsprong hebben of afkomstig zijn van nieuwe verstedelijking en welke stromen het gevolg zijn van landelijke autonome groei van het autoverkeer. Tevens gaan we samen met andere overheden aan de slag om alternatieven te verbeteren, maar ook om gedragsverandering te stimuleren door bijvoorbeeld afspraken te maken over parkeerbeleid, beprijzing en het maken van afspraken met werkgevers en onderwijsinstellingen. Deze inzet geldt voor de hele regio en is vooral zeer kansrijk in het stedelijk gebied en in de grote verstedelijkingslocaties direct om de stad, waar we door middel van het principe van nabijheid verstedelijking in hoge dichtheden kunnen combineren met ov en fietsoplossingen van zeer hoge kwaliteit.
Iets anders is de situatie buiten de stad Utrecht. De verstedelijkingsopgave landt daar in de Regiopoorten, multimodaal goed ontsloten locaties op de Spaken van het Wiel. Op deze locaties is het niet realistisch om hetzelfde effect te verwachten van het nieuwe mobiliteitsbeleid, omdat voor veel reizen de auto vanzelfsprekender is dan in het stedelijk gebied, en de ov en fiets juist minder. Hoe verder van het Wiel met Spaken, hoe belangrijker het is om andere manieren te vinden om de spitsdruk van het autoverkeer te beperken. Ook in meer landelijk gelegen gebieden is het belangrijk om te investeren in ov en fiets en liggen er kansen voor alternatieve maatregelen, waaronder Mobility as a Service (MaaS), spitsmijden en overstapmogelijkheden tussen de auto en andere modaliteiten. Adaptieve aanpak We kiezen voor een pragmatische en adaptieve aanpak, waarbij vooropstaat dat we de gewenste verstedelijking mogelijk gaan maken en we ervoor waken dat de discussie over nationale netwerken, bijvoorbeeld de capaciteit van de Ring Utrecht, verhindert dat we bij verstedelijkingslocaties aan de slag kunnen. Dat betekent dat we op kwetsbare plekken als aansluitingen of kruisingen bekijken of beperkte investeringen lokale problematiek kunnen verlichten en/ of verstedelijkingslocaties aantrekkelijker kunnen maken.
En het betekent een gerichte inzet op ketenmobiliteit waarbij sterke ov-corridors op multimodale hubs worden gekoppeld aan fietsnetwerken, P+R en deelmobiliteit. Als verstedelijking in combinatie met regionale en landelijke ontwikkelingen in mobiliteitsgedrag er toch toe leidt dat automobiliteit rond deze locaties groeit, en daarmee leidt tot verdere belasting van het hoofd- én onderliggend wegennet, dan zijn extra bovenplanse maatregelen noodzakelijk om de groei van de automobiliteit te compenseren. Om de financiering van deze maatregelen mogelijk te maken, zullen we deels ook naar de opbrengsten van verstedelijking moeten kijken. De uitwerking van deze adaptieve ontwikkelingsstrategieën zullen we in nauwe samenwerkingen met de provincie ter hand nemen op het niveau van deelgebieden, waarbij we op zoek gaan naar ruimte in het mobiliteitssysteem die de gewenste ontwikkelingen mogelijk maken. De ruimtelijke principes van het Wiel met Spaken worden bij thema 2 vertaald in concrete maatregelen (pagina 73).
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
45
Mijdrecht (beeld: Ruijgrok Makelaars).
REDENEERLIJN 3 – EEN GEZONDE REGIO BEGINT MET VITALE KERNEN In het Utrechtse landschap ligt een rijk netwerk van vitale kernen. Deze kernen blijven zich ontwikkelen, waar dat mogelijk is in samenhang met de doelstellingen voor groen, landschap en mobiliteit. De vitale kernen voegen ieder op een eigen manier karakter toe aan de regio en zijn daarmee aanvullend op de meer stedelijke woon- en werkmilieus in de regio. De vitale kernen zijn de kernen die niet direct zijn aangesloten op het Wiel met Spaken. Vanuit het oogpunt van nabijheid en mobiliteit zijn dit niet de locaties waar de grote groeiopgave van de regio haar plek vindt. De ontwikkeling van deze kernen is veel meer gericht op het behoud en de verbetering van de leefbaarheid, die door demografische ontwikkelingen onder druk staat. Vitale kernen hebben ruimte nodig om gestalte te geven aan de gewenste dynamiek, veelal door woningbouw. Soms is er genoeg ruimte binnen de kernen zelf, maar soms is uitleg nodig. De dynamiek die in de vitale kernen nodig is, wordt aangegrepen om de kwaliteit van de kernen en het landschap waarin ze liggen een impuls te geven. Belangrijke thema’s zijn het creëren van ruimte voor doorstroming in de lokale woningmarkt (met name voor senioren en jongeren) en het ondersteunen van bestaande voorzieningen en werkgelegenheid.
Het lokale midden- en kleinbedrijf speelt een belangrijke rol in de maatschappelijke structuur. Ook het behouden van voldoende werkgelegenheid, vooral in de doe- en maakindustrie, is voor verschillende vitale kernen een belangrijk thema. De ontwikkeling van deze kernen wordt gekoppeld aan andere opgaven, zoals het verbeteren van groen, landschap, water, energie en werken. Ook binnen deze kernen is nabijheid een leidend principe. Dit betekent niet dat alle functies in iedere kern aanwezig kunnen zijn, of dat alle voorzieningen behouden kunnen blijven. Het gaat erom dat voorzieningen in de dagelijkse leefomgeving toegankelijk zijn, soms ook in nabijgelegen kernen (verbonden vitaliteit), waarbij de kwaliteit van de verbindingen op orde moet zijn.
Bouwen voor de eigen woningbehoefte en vitaliteit is voor iedere gemeente mogelijk. De opgave voor vitaliteit is van belang voor de kwaliteit van de regio als geheel en is dus een gedeeld belang van alle 16 gemeenten. De vraag is dus vooral hoe lokaal invulling kan worden gegeven aan dat gedeelde belang. De behoefte van groei en dynamiek moet in balans worden gebracht met de overige opgaven, met name rond groen, landschap en mobiliteit, waarbij afstemming met het provinciale beleid belangrijk is. De opgave is het gezamenlijke uitgangspunt en wordt lokaal op de best passende manier ingevuld. De vitaliteitsopgave is geen grote groeiopgave. Ruimte geven aan vitale kernen gaat vooral over het leefbaar houden van de kernen en zal daarom ook geen grote groei van de mobiliteit veroorzaken. Het dient juist om draagvlak te houden voor bijvoorbeeld ov-verbindingen. Het uitgangspunt is dat ontwikkeling niet zou moeten leiden tot een belasting van het bestaande wegennet, waardoor de doorstroming in de spits extra belemmerd zou worden. De ontwikkeling van vitale kernen is dus geen argument om de weginfrastructuur in de regio structureel uit te breiden, temeer omdat deze uitbreiding weer zou nopen tot capaciteitsuitbreiding verderop bij op- en afritten van snelwegen.
Lokaal zijn mogelijk aanpassingen van de infrastructuur nodig om verstedelijking en mobiliteit beter op elkaar af te stemmen, bijvoorbeeld door wegen om nieuwe woonof werklocaties te leiden of infrastructuur slimmer te gebruiken. Deze aanpak willen we ook met de provincie per deelgebied verder uitwerken, ter vervanging van de huidige mobiliteitstoets. Het ontwikkelen van goede alternatieven (verbeteren van ov- en fietsverbindingen plus multimodale overstappunten) zetten we daarbij bovenaan de agenda. Het uitgangspunt blijft evenwel dat in de spits niet of nauwelijks meer auto’s het wegennet op rijden en dat we ook in de vitale kernen volop inzetten op spitsmijden en duurzame vormen van mobiliteit, waarbij de fiets volop ruimte krijgt en de verbindingen tussen kernen en Regiopoorten met uitstekende ov-verbindingen wordt verbeterd, zowel met directe en snelle ov-lijnen als door de overstap tussen modaliteiten makkelijker te maken met multimodale hubs. Daar waar directe, frequente en snelle buslijnen worden gerealiseerd, zijn haltes aan deze lijnen goede plekken om te kijken naar mogelijkheden voor woningbouw, waar dit past binnen de kernen en het landschap.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
47
Bouwen voor eigen behoefte moet uiteindelijk bijdragen aan een kwalitatieve verbetering van de kern en van het landschap waarin de kern ligt. De precieze opgave voor vitaliteit verschilt per gemeente en per kern. Vanuit een scherp beeld van de lokale knelpunten op het gebied van vitaliteit worden lokaal specifieke oplossingen ontwikkeld. Nieuwe woningen zullen bijvoorbeeld in het segment en woonmilieu moeten worden gebouwd waaraan lokaal behoefte is en in een tempo dat de lokale markt kan absorberen. Als er te veel woningen tegelijk worden gebouwd, zal dat leiden tot een aanzuigende werking. Een aantal middelgrote kernen heeft groei-ambities die de lokale woningbehoefte overstijgen. Groei is mogelijk als daarmee de vitaliteit wordt versterkt op het gebied van het voorzieningenniveau en economisch profiel, inclusief de werkgelegenheid van de kernen. Kernen verbinden zich daarbij aan de regionale opgave om een specifieke rol te vervullen. Ook hier wordt gezocht naar manieren om de groei te passen binnen de kaders van het landschap en mobiliteitssysteem. Uitbreiding bovenop de eigen behoefte wordt bezien in het licht van de verstedelijkingsladder zoals opgesteld in de Ruimtelijk Economische Koers en de Contour REP.
Concreet ligt hierbij de uitdaging om te onderzoeken hoe de ambities voor een aantal middelgrote kernen passen binnen de doelstellingen voor landschap, groen, water en verkeer: Wijk bij Duurstede Woningbouw voor de eigen woningbehoefte is mogelijk indien dit het autoverkeerssysteem niet of nauwelijks extra belast ten opzichte van de huidige situatie. Dit betekent dat er gezamenlijk moet worden ingezet op beter gebruik van ov en fiets en op spitsmijden (bijvoorbeeld door meer thuiswerken). Daarbij is een nauwe afstemming met de andere gemeenten aan de N229 en N227 noodzakelijk: ook deze gemeenten mogen de bestaande wegen in de spits niet zwaarder belasten, omdat de auto’s uit Wijk bij Duurstede dan achteraan de file moeten aansluiten. IJsselstein Woningbouw gaat hand in hand met de omlegging van de N210 en mag in de spits niet of nauwelijks leiden tot meer autopendel op bestaande provinciale en snelwegen. Het ontstaan van aantrekkelijke sluipverkeerroutes door Nieuwegein en de Lopikerwaard moet worden tegengegaan. Huidige en toekomstige bewoners moeten de bestaande voorzieningen en het bestaande ov in IJsselstein zo veel mogelijk versterken.
48
IJsselstein kan een bijdrage leveren aan de behoefte aan groenstedelijke woonmilieus, aan landschapsontwikkeling en aan de groene scheg Kromme IJsselpark. Door de mogelijke versnelling van het bestaande openbaar vervoer zijn er in IJsselstein kansen om een bijdrage te leveren aan de regionale woningbouwopgave die past bij de verstedelijkingsladder. De Ronde Venen Woningbouw is aanleiding om te onderzoeken hoe een bijdrage kan worden geleverd aan een klimaatrobuuste regio door als regio te pionieren met innovatieve manieren van natuurinclusief bouwen en met nieuwe ruimte voor waterberging in combinatie met natte natuurontwikkeling. Woningbouw mag slechts beperkt leiden tot meer autoverkeer op de N201, waarvoor reeds plannen in voorbereiding zijn om de doorstroming te verbeteren. De fiets- en ov-netwerken vanuit Mijdrecht kunnen met name richting knooppunt Breukelen en Uithoorn flink worden verbeterd door de aanleg van snelfietsroutes en een systeem van directe en snelle buslijnen ondersteund door lokale lijnen, conform het ov-plan van de gemeente De Ronde Venen. Locaties bij haltes aan directe en snelle buslijnen zijn logische plekken om te kijken naar verstedelijking voor zover dit past binnen de structuur van de dorpen en het landschap. Binnen die kaders lijkt het mogelijk om ook in De Ronde Venen groeipotentie te benutten en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.
Vijfheerenlanden Leerdam: ontwikkeling Broekgraaf-Noord. Uitdaging ligt hier in het integraal ontwikkelen van een duurzaam gebied met woningbouw en landschappelijke opgaven, in combinatie met een goede bereikbaarheid voor alle vervoersmodaliteiten, waarbij de filevorming elders in de stad niet mag toenemen. De verbindingen tussen de onderscheidene wijken in de stad Leerdam moeten worden verbeterd, vooral voor het niet gemotoriseerde verkeer. De wijk Broekgraaf en Broekgraaf Noord liggen aan de noordkant van de stad, op fietsafstand van het treinstation Leerdam van de MerwedeLingelijn. Daarnaast komt er een busverbinding naar het centrum en het station en wordt in het plan voorzien aan snellere fietsverbindingen naar het centrum van Leerdam, omliggende dorpen en steden in Vijfheerenlanden en richting de stad Utrecht. In totaal gaat de opgave voor vitaliteit om circa 15 procent van de totale woonbehoefte, oftewel circa 15.000 tot 22.000 woningen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Vitale kernen: zelfstandig en verbonden
Handreiking vitaliteit met kwaliteit
In vitaliteit voor kleine en middelgrote kernen spelen bevolkingsopbouw, woningvoorraad, economie, voorzieningenaanbod, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit een rol. Kleine en middelgrote kernen zijn allemaal verschillend en deze aspecten zullen dus in iedere kern in een andere mate spelen. De grootte van een kern speelt daarbij een belangrijke rol. Niet iedere kern kan een volledig voorzieningenprogramma ondersteunen en daarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen twee soorten vitaliteit: • Zelfstandige vitaliteit: de mate waarin een kern zelf vitaal is en aspecten als wonen, werken en voorzieningen in balans zijn. • Verbonden vitaliteit: ook al zijn voorzieningen en werk niet in dezelfde omvang in elke kern aanwezig, een kern kan toch vitaal zijn als deze zaken in de omgeving goed toegankelijk zijn met openbaar of eigen vervoer.
Bij vitale kernen is ruimtelijke kwaliteit zowel bij inbreiding als bij uitbreiding een belangrijke opgave, die ondanks de relatief geringe omvang serieus moet worden genomen. Voorkomen moet worden dat bij (kleine) uitbreidingen alleen naar de kwantiteit wordt gekeken. Bij elke uitbreiding is het van belang dat deze bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de kern en het landschap. De provincie en ook verschillende gemeentes ontwikkelden reeds richtinggevende documenten voor ruimtelijke kwaliteit.
Dit alles betekent dat er geen eenduidig antwoord is op het vitaliteitsvraagstuk, maar dat er per kern gekeken moet worden naar zelfstandige en verbonden vitaliteit.
De regio stelt een handreiking ‘vitaliteit met kwaliteit’ op. Een beeldend inspiratiedocument dat ook ‘de Utrechtse werkwijze’ beschrijft om tot ruimtelijk meerwaarde te komen. Aan de handreiking kunnen goede voorbeelden ter inspiratie worden toegevoegd. Samen met initiatiefnemers wordt onderzocht hoe de uitbreiding van de kern bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Onderwerpen die hierbij van belang zijn: • Cultuurhistorie (onder andere ontstaansbasis van de kern). • Stedenbouwkundige en architectonische eigenheid van de kern. • Landschap (onder andere verkavelingspatroon, groenstructuur). • Water- en klimaatadaptatie (onder andere belang van voldoende groen- en wateroppervlak).
Schematische verbeelding vitale kernen (beeld: KuiperCompagnons).
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
49
REDENEERLIJN 4 – NIEUWE METROPOOLPOORTEN MAKEN VAN UTRECHT HET POLYCENTRISCHE HART VAN DE REGIO Groen, landschap en mobiliteit zijn voorwaarden voor de groei van de regio, ook binnen de stad Utrecht. De stad maakt daarom een schaalsprong binnen haar grenzen. Om tegelijkertijd te groeien én te vergroenen wordt de verstedelijking geconcentreerd in een aantal hoogstedelijke centra, die goed worden verbonden met het ov. De stad Utrecht als vliegwiel van de groei van de regio De stad Utrecht groeit en ontwikkelt zich snel en de regio groeit met haar mee. Het onbetwiste hart van de regio is het Utrechtse centrum, waarbij het centraal station de best bereikbare plek van het land en daarmee ook van de regio is. Rond deze centrale plek ontwikkelt de stad zich snel. Om de verdere groei van de stad en de regio ruimte te geven, kiest Utrecht ervoor om een aantal aanvullende hoogstedelijke centra toe te voegen, waarin wonen, werken, voorzieningen, groen en mobiliteit in samenhang worden ontwikkeld. Binnen tien minuten van de voordeur kan iedere Utrechter straks alle functies vinden die hij of zij in het dagelijks leven nodig heeft. Utrecht wordt een 10-minutenstad. Metropoolpoorten: nieuwe hoogstedelijke centra Deze Metropoolpoorten zijn uitstekend verbonden met het ov, zowel met het centrum van de stad, als met de regio en met elkaar (Wiel met Spaken).
Deze hoogstedelijke centra zijn volop gemengd en hebben ook allemaal een verbinding met het landschappelijke netwerk van de regio.
Van een stad in het landschap met één centrum naar een landschap met meerdere hoogstedelijke centra (beeld: RSU).
Deze hoogstedelijke centra hebben ook voor de regio betekenis. Het zijn plekken waar functies in hoge dichtheid en menging aanwezig zijn, waar veel mensen wonen en werken, naar school gaan, winkelen en recreëren. Ze beschikken ook over punten waar kan worden overgestapt van het regionale ov-netwerk op het nationale treinennetwerk, zoals in Lunetten-Koningsweg en Leidsche Rijn Centrum. Door de introductie van deze hoogstedelijke centra in Utrecht verandert dus ook de relatie tussen regio en stad. Het regionale ov-netwerk wordt minder gericht op enkel Utrecht Centraal, zo wordt het gemakkelijker door de regio en door de stad te bewegen. Door het Wiel met Spaken is straks niet alleen het centrum maar de hele stad goed bereikbaar vanuit de regio. Utrecht Centraal blijft het hart van het regionale en nationale netwerk, maar krijgt voor het opvangen van de grote groeiopgaven hulp van de Metropoolpoorten. Groene scheggen dringen het stedelijk weefsel in Als contramal van de Spaken, die als assen van verstedelijking radiaal vanuit Utrecht de regio in steken, dringen groene scheggen vanuit de regio de stad binnen. Vanuit iedere Metropoolpoort wordt de relatie gelegd met een groene scheg en daarmee met het Utrechtse landschap. Mobiliteit, verstedelijking en groen worden zo in relatie met elkaar gebracht.
50
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
De ontwikkeling van Utrecht concentreert zich op verschillende plekken Groot Merwede Groot Merwede is het gebied waar de komende jaren grote groei zal plaatsvinden. Utrecht Centraal, het Jaarbeurskwartier, de Merwedekanaalzone, Nieuwegein City en Nieuwegein Rijnhuizen bieden ruimte aan duizenden woningen. De plannen hiervoor zijn al volop in voorbereiding. De A12-zone ligt als grootste regionale ontwikkellocatie in het midden van dit gebied. Tot 2040 is er ruimte om nog eens 20.000 arbeidsplaatsen toe te voegen in het gebied. Het stationsgebied zal, als één van de belangrijkste werklocaties van Nederland, daarbij verder doorgroeien. Gezond leven is het uitgangspunt in deze gebieden, waarbij het groen een essentiële rol speelt in de ontwikkeling. Om al deze ontwikkelingen mogelijk te maken zal de Merwedelijn (de tram van Utrecht Centraal naar Nieuwegein en IJsselstein, tevens één van de Spaken) worden versneld. Dat vereist de aanleg van een nieuw tracé langs de Europalaan en optimalisaties in Nieuwegein en IJsselstein. Doel is om binnen 15 minuten te kunnen reizen van Nieuwegein Centrum naar Utrecht Centraal. De bestaande tramlijn over de Beneluxlaan zal via de Bevrijdingslaan naar een nieuw eindpunt in Papendorp worden geleid.
De ruimtelijke kwaliteit in de A12-zone wordt gedragen door de kanalen die door het gebied lopen en door de groene verbindingen die er vanuit dit gebied zijn met de groene scheggen van de Hollandse IJssel aan de westkant en de Nieuwe Hollandse Waterlinie aan de oostkant. In deze zone wordt een ruimtelijke reservering gemaakt voor een mogelijke toekomstige infrastructuurverbinding, de regionale bypass van de A12. Voorwaarde voor deze mogelijke toekomstige weg is dat de leefkwaliteit in het gebied niet mag verslechteren. In Westraven kruisen Wiel en Spaak elkaar, waardoor hier de grootste stedelijke dichtheid mogelijk is. In Liesbosch wordt de werkfunctie verder verdicht en is menging met woningbouw alleen mogelijk langs de Vaartsche Rijn, aansluitend op Westraven, onder de voorwaarde dat een systeemsprong op de vervoersknoop wordt gerealiseerd. De tramremise en de Galecopperzoom worden nieuwe stedelijke woongebieden die een nieuw type woonmilieu toevoegen aan Nieuwegein, daarmee wordt met name bijgedragen aan de doorstroming op de woningmarkt. Papendorp transformeert van een kantoorlocatie naar een gemengd stedelijk woon-werkgebied. In totaal gaat het om het toevoegen van 16.000 tot 24.000 woningen en ten minste 7.500 arbeidsplaatsen.
Deze verbeteringen van de mobiliteitsstructuur zorgen voor een duurzaam en groen binnenstedelijk woonwerkgebied en een snellere verbinding tussen Nieuwegein/ IJsselstein en Utrecht. A12-zone De A12-zone is een belangrijke schakel in de verstedelijkingsstrategie van de regio. Dit gebied wordt nu niet optimaal gebruikt en maakt dat Nieuwegein en Utrecht gevoelsmatig verder van elkaar verwijderd zijn dan fysiek het geval is. Door het herschikken van functies en infrastructuur is hier ruimte voor verschillende stedelijke milieus. Doordat de Merwedelijn en de Waterlinielijn elkaar hier kruisen, zijn Utrecht Centraal en Nieuwegein Centrum, maar ook het USP en Leidsche Rijn Centrum, vanuit de A12-zone dus snel bereikbaar. Een treinstation en daarmee nationale ov-bereikbaarheid ontbreken, maar voor het regionale ov is het een optimaal bereikbare locatie. De A-12 zone is daarmee bij uitstek geschikt voor werkmilieus, gecombineerd met andere functies. Metropoolpoorten als polycentrisch hart van de regio (beeld: KuiperCompagnons).
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
51
Brusselplein (beeld: de Architect). 52
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Lunetten-Koningsweg
Leidsche Rijn Centrum, Lage Weide
Aan de Oostkant van de stad wordt een nieuw hoogstedelijk centrum gerealiseerd rond station LunettenKoningsweg. Reizigers kunnen overstappen op het ov naar het USP en naar de A12-zone en Nieuwegein (de Waterlinielijn). Dit gedeeltelijk nieuwe station wordt een plek waar wonen en werken in hoge dichtheid mogelijk aan de rand van aantrekkelijke landschappen als Amelisweerd, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Landgoed Oostbroek en Nieuw Wulven. De Kromme Rijn kronkelt hier als belangrijke landschapsdrager de stad in.
Aan de westzijde is de stad Utrecht de afgelopen jaren sterk gegroeid. Het centrum van Leidsche Rijn ontwikkelt zich in hoog tempo tot een nieuwe hoogstedelijke hub.
Het is een belangrijke opgave om deze verstedelijking in te zetten om barrières tussen deze landschappen te overbruggen. Zo kan verstedelijking dienen om de toegang tot het groen aan de zuidoostkant van de stad voor alle Utrechters te verbeteren. USP-Rijnsweerd Ook op het USP en in Rijnsweerd is ruimte voor nieuwe verstedelijking. Het wetenschapsprofiel wordt hier verder versterkt en daarmee ontstaat volop ruimte voor werkgelegenheid gemengd met nieuwe woningen.
In de omgeving van Leidsche Rijn Centrum ligt ruimte voor de verdere ontwikkeling tot een hoogstedelijk centrum. In de directe omgeving van station Leidsche Rijn wordt al hard gewerkt aan woon- en werkmilieus in hoge dichtheid, onder andere met het toevoegen van de hoogste woongebouwen van de stad. Ook in het Vierde Kwadrant van Lage Weide, vlakbij station Leidsche Rijn, liggen volop locaties met ruimte voor verdichting. Meer dan in de andere hoogstedelijke centra zal de verdichting hier in het teken staan van werken. In deelgebieden als Lage Weide Vierde Kwadrant en Werkspoor zal wonen geen grote rol spelen. Op beide locaties wordt expliciet gekozen om het werkmilieu te beschermen, deels om ruimte te maken en houden voor bedrijven in zwaardere milieucategorieën (Lage Weide), deels om ontwikkelruimte te geven aan de creatieve industrie (Werkspoor). Wel is er ruimte om deze gebieden intensiever te gebruiken, met name nabij de stations Leidsche Rijn en Zuilen. Overvecht Overvecht wordt verder ontwikkeld tot een met de stad verbonden wijk voor iedereen. Met behoud van de identiteit en kwaliteit van het groene karakter, een ruim aanbod van diverse woningtypologieën en een centrum met een eigen profiel, dat ruimte biedt voor stedelijke voorzieningen. Er worden betere verbindingen gemaakt met de stad, maar ook met het landschap van het Noorderpark.
In totaal is in Utrecht en het Nieuwegeinse deel van de A12-zone ruimte om ten minste 74.000 woningen toe te voegen in de vorm van hoogstedelijke centra. Als de hoge bandbreedte voor de A12-zone wordt aangehouden loopt dit zelfs op tot 82.000 woningen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
53
REDENEERLIJN 5 – INTENSIVEREN VAN REGIOPOORTEN Op korte afstand van de stad Utrecht liggen in alle windrichtingen steden en dorpen die uitstekend met de stad, de regio en het landschap verbonden zijn en die bij hun ovknooppunten ruimte hebben voor verstedelijking. Deze locaties spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van de regio, doordat lokale en regionale opgaven hier verbonden worden. Ruimte voor verdichten en mengen De Regiopoorten hebben allemaal ruimte voor verstedelijking in de vorm van transformatie en verdichting nabij stations. In veel gevallen is transformatie en menging met werken een belangrijke opgave voor de Regiopoorten. De locaties die in Woerden, Breukelen, Bunnik, Houten en Zeist-Noord in beeld zijn voor verstedelijking, zijn nu deels nog werklocaties. De toekomstige verstedelijking kenmerkt zich in ieder geval door dichtheden die hoger zijn dan gebruikelijk in deze kernen. Dit sluit aan bij de kwalitatieve behoefte in deze kernen om met name te bouwen voor doorstroming en voor starters op de woningmarkt. Het sluit ook aan bij de visie op mobiliteit door het organiseren van nabijheid, functiemenging en intensief gebruik van ov-knooppunten (alle drie belangrijk om fietsgebruik te stimuleren). De precieze uitwerking van de woon-werkmilieus zal lokaal gebeuren, maar het uitgangspunt is dat ze een slag stedelijker worden dan tot nu toe gebruikelijk.
In de visie op de kwalitatieve woonmilieus in de regio is daarom voor de Regiopoorten de term Regionaal Transformatiemilieu als categorie toegevoegd.
Voor Houten geldt dat de wijze en mate van verstedelijking onderdeel is van een breed politiek en maatschappelijk debat over de Ruimtelijke Koers Houten. Op dit moment is sprake van ‘agendavorming’ om mogelijk op een later moment keuzes te kunnen maken, in een nieuwe ruimtelijke visie of anderszins. Hierbij zal de juiste balans worden gezocht tussen binnenstedelijke verdichting en de keuze voor een ontwikkellocatie buiten de bestaande Rondweg. Een uitleglocatie aan de oostzijde van de bestaande kern is daartoe nu onderwerp van nader onderzoek. In ditzelfde onderzoek wordt een locatie aan de noordwestzijde onderzocht (tegen de A12-zone). Beide onderzoeken leveren inzichten, dilemma’s en aanbevelingen voor een mogelijk vervolg op. Verbonden met het landschap De Regiopoorten hebben veelal een sterke ruimtelijke relatie met het nabij liggende groene landschap. Er liggen koppelkansen om Regiopoorten te ontwikkelen in samenhang met de groen- en landschapsopgave. Dit draagt niet alleen bij aan het gezonde leefmilieu in deze Regiopoorten zelf, maar kan deze plekken ook een dubbelrol geven als buitenpoort, die het landschap toegankelijk maakt met het ov. Regiopoorten als multimodale hub De Regiopoorten zijn ook plekken die als bronpunten in het regionale ov-systeem fungeren. Reizigers uit de regio stappen op deze plekken over van de fiets of de bus op het Wiel met Spaken.
Daarbij hebben sommige Regiopoorten ook een functie als multimodale hub, wat de inpassing van parkeervoorzieningen noodzakelijk maakt.
Intensiveren van regiopoorten (beeld: KuiperCompagnons).
54
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Investeringen nodig in infrastructuur Om de Regiopoorten goed te laten functioneren is het nodig dat de stations van goede kwaliteit zijn en dat ze frequent bediend worden: • Voor Woerden en Houten is de infrastructuur al op orde en zullen de sprinterfrequenties voor 2030 worden verhoogd. • Voor de Regiopoort Zeist-Noord is het nodig dat de snelle HOV-verbinding van het USP doorgetrokken wordt naar Zeist-Noord en eventueel verder naar Amersfoort. • Voor de extra intensivering van Nieuwegein-Centrum is het nodig dat de Merwedelijn naar Utrecht wordt versneld. • Voor de Regiopoorten Bunnik en Breukelen is het nodig dat de sprinterfrequentie verhoogd wordt. Hiervoor is het uitbreiden van de spoorinfrastructuur tussen Utrecht en Maarn noodzakelijk. De Regiopoorten zijn stedelijke en goed verbonden plekken. De woonmilieus die hier worden gebouwd moeten aansluiten bij het mobiliteitsprofiel van de plek. Ov-bediening en verstedelijking moeten in balans met elkaar worden gezien. Het gebruik van de fiets wordt gestimuleerd door de Regiopoorten te voorzien van hoogwaardige voorzieningen voor voor- en natransport (ruime bewaakte stallingen, deelfietsen, onderhoud, et cetera). De belangrijkste Regiopoorten zijn: • Woerden (binnenstedelijk en transformatie). • Nieuwegein (binnenstedelijk en transformatie). • Houten (binnenstedelijk, transformatie en mogelijke uitleg).
• Bunnik (binnenstedelijk, transformatie en uitleg in hoge dichtheid georiënteerd op ov en fiets). • Zeist-Noord (binnenstedelijk en transformatie). • Breukelen (binnenstedelijk en transformatie). De opgave voor de Regiopoorten is adaptief. In de regio liggen knopen die in combinatie met aanvullende verstedelijking mogelijk kunnen worden versterkt tot Regiopoort. Voorbeelden zijn Bilthoven, Vianen en Driebergen-Zeist. In totaal kunnen in de gemeenten met Regiopoorten circa 35.000 tot 40.000 woningen worden gebouwd.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
55
Breukelen-West (beeld: data.overheid.nl). 56
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 6 – NIEUWE UITLEGLOCATIES BEPERKT NODIG
Rijnenburg
Landschap en mobiliteit zijn voorwaarden voor de ontwikkeling van de regio. In de prioritering van locaties voor wonen en werken staan uitleglocaties dan ook onder aan de lijst. De behoefte aan uitleglocaties hangt af de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die onder aan de streep overblijft. De mate waarin potentiële uitleglocaties in beeld blijven, hangt ook af van de mate waarin ze bijdragen aan de doelstellingen voor landschappelijke kwaliteit en ov-bereikbaarheid. In de Contour REP is een aantal grotere uitleglocaties benoemd, die vervolgens in de verstedelijkingsstrategie zijn afgewogen. Indien de verwachtingen van de Metropoolpoorten en Regiopoorten kunnen worden waargemaakt, is het vanuit kwantitatief oogpunt niet nodig om veel grootschalige uitleglocaties te ontwikkelen. Toch is er ook in dat geval nog wel iets nodig. Bunnik-Zuid Vanuit het oogpunt van nabijheid van werkgelegenheid en ov en van de bijdrage aan het versterken van bestaande voorzieningen en structuren is stationsgebied BunnikZuid benoemd als locatie waar uitleg mogelijk zou moeten zijn, maar uitsluitend als het wordt ontwikkeld tot een Regiopoort en niet tot een traditionele uitleglocatie. Dit betekent dat er in hoge dichtheid moet worden gebouwd, gericht op de ov-knoop.
Het doel moet een relatief stedelijk woonmilieu zijn, dat mensen stimuleert om de fiets te pakken naar het USP, en de trein naar andere plekken in de regio.
De gemeente Utrecht wil het gebied Rijnenburg in eerste instantie ontwikkelen als energielandschap, met ruimte voor bijvoorbeeld sport en recreatie. Als op termijn woningen worden gebouwd, dan moet het een duurzame wijk worden met minimaal hetzelfde voorzieningenniveau als bij de andere knooppunten. Er worden dus dezelfde kwaliteitsstandaarden gehanteerd. Een mogelijke bouw start niet voor 2035, maar onderzoek en eventueel tijdelijke ontwikkeling vindt al eerder plaats. Een besluit tot bouw vindt plaats wanneer nodig (dat kan al voor 2035 zijn). Tijdelijk is het mogelijk om ‘overloop’ van de ruimtebehoefte uit de stad op te vangen (recreatie, sport, werk, cultuur, et cetera). Daarbij worden besluiten vermeden die toekomstige ontwikkelingen in de weg staan. Voor de regionale woningbouwopgave blijft Rijnenburg dus in beeld als strategische ontwikkellocatie. Als de woningbehoefte toch groter blijkt dan gepland of als de productie op andere locaties tegenvalt, kan Rijnenburg zorgen voor robuustheid in de vraag naar stedelijke ontwikkeling. Realisatie van Rijnenburg kan alleen onder voorwaarde dat het ov en de bereikbaarheid per fiets op deze locatie goed georganiseerd zijn en dat er geen extra druk op de snelwegen wordt veroorzaakt. Breukelen-West en Loenersloot Tot 2040 zijn Loenersloot en Breukelen-West geen locatie voor woningbouw.
Voor beide locaties geldt dat dit het landschap te zeer zouden aantasten, Loenersloot beschikt bovendien niet over een ov-knoop.
Voor deze plek geldt, net als voor de eerder genoemde middelgrote kernen, dat het niet logisch is om het wegennet uit te breiden om aan de groeiambities te voldoen. In afstemming met de andere gemeenten in de Kromme Rijnstreek komt er voor Bunnik-Zuid een visie op de mobiliteitsontwikkeling die de autostromen in de spits beperkt, waarbij de omlegging van de N229 naar de Limesbaan als onderzoeksoptie wordt meegenomen. De opgave zal bovendien moeten worden gecombineerd met het versterken van de landschapsopgave rond de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Woningbouw kan hierbij een katalysator zijn van de vele landschappelijke opgaven in dit gebied.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
57
Lage Weide (beeld: Eneco). 58
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 7 – TOEKOMSTBESTENDIGE WERKLOCATIES MET EEN DUIDELIJK PROFIEL Voor werklocaties gelden twee, in elkaar grijpende en elkaar versterkende, uitgangspunten: verdichten in gemengde stedelijke gebieden én verdergaande specialisatie, waarbij elk bedrijventerrein een duidelijk eigen profiel krijgt. De Metropoolpoorten en Regiopoorten zijn gemengde woon-werklocaties. De benodigde circa 80.000 arbeidsplaatsen komen voor een groot deel terecht in deze stedelijke gemengde woon-werkmilieus, met een zwaartepunt in de stad Utrecht, die de economische motor van de regio is en blijft. Deze stedelijke locaties sluiten aan bij de grote vraag naar werkplekken in goed bereikbare kantoormilieus, wetenschapsmilieus en gemengde woonwerkmilieus. In de ontwikkeling van de werklocatie van de toekomst is net zoals bij woonlocaties de kwaliteit van de omgeving van steeds groter belang. Bereikbaarheid per ov en fiets, toegankelijkheid van groen, ontmoeting en toegang tot voorzieningen zijn belangrijk. Daarnaast bieden werklocaties ook kansen voor een koppeling met andere opgaven, zoals klimaatadaptatie en energie, en moet de inrichting van werklocaties, net als bij woonlocaties, worden ingezet vanuit het thema gezond leven. De keuzes voor wonen en werken lijken daardoor steeds meer op elkaar, en locaties kunnen daarom ook steeds meer beide functies bedienen.
Voor de ontwikkeling van werklocaties zijn naast deze koppelkansen keuzes nodig die een ruimtelijke uitwerking hebben.
Wetenschap/campus De sectoren life science, health en duurzaamheid groeien snel. Hiervoor is aanvullende ruimte nodig op of direct rond het Utrecht Science Park en USP Bilthoven of op mogelijke satellietlocaties. Informele bedrijfsruimte De groei in het segment informele bedrijfsruimte levert een vraag op van maximaal ca. 68.000 m2 aan ruimte voor (kleinschalige) bedrijfsruimte in de wijk of op solitaire locaties. Werken vanuit huis Het aantal banen dat geregistreerd staat op een woning neemt tot 2040 naar verwachting met circa 12.000 toe. NB: het gaat hier niet om het aantal mensen dat parttime thuis werkt, maar om banen die geregistreerd staan op een woning en waarvoor dus geen ander kantoor of werkplek beschikbaar is. Het aantal mensen dat (parttime) thuis werkt ligt hoger. Detailhandel Door de groei van online-bestedingen neemt de vraag naar detailhandelsruimte naar verwachting af. In totaal zal er in 2040 70.000 m2 tot 190.000 m2 minder nodig zijn. Dit betekent dat de inzet gericht moet zijn op het compact maken van winkelcentra en, met name in de regio, op het verkleinen van het winkeloppervlak,. In de stad Utrecht is door de sterke bevolkingsgroei nog vraag naar enige uitbreiding in bepaalde segmenten. Bedrijventerreinen
Keuzes per type werklocatie Tot 2040 worden in de regio naar verwachting circa 80.000 arbeidsplaatsen gecreëerd, waarvan 70.000 banen in de stad Utrecht en zo’n 10.000 banen in de overige gemeenten. Per type werklocatie wordt een specifieke ruimtelijke keuze gemaakt: Kantoren Tot 2040 is er behoefte aan maximaal 853.000 m2 kantoorruimte in de stad Utrecht op plekken die goed bereikbaar zijn met het ov (met name Utrecht Centraal, Leidsche Rijn Centrum en Lunetten-Koningsweg). Buiten de stad Utrecht is (kwantitatief) voldoende kantooraanbod en is het mogelijk om kantoormeters te transformeren naar woningen.
Er is tot 2040 nog circa 216 hectare bedrijventerreinen te programmeren. Een deel van deze opgave kan terechtkomen in gemengde stedelijke gebieden, maar een aanzienlijk deel laat zich juist niet mengen of heeft bescherming nodig. Zo wordt bijvoorbeeld voor Lage Weide in Utrecht en voor verschillende andere locaties in de regio expliciet gekozen om bedrijven niet te mengen met woningbouw, deels omdat dit niet wenselijk is vanuit milieucontouren en hinder, deels om innovatieve werkmilieus te beschermen tegen verdringende effecten die menging met woningbouw kan veroorzaken. Zoals voor alle werklocaties wordt de bereikbaarheid per ov en fiets voor bedrijventerreinen steeds belangrijker. Op bedrijventerreinen komen in totaal 15.000 extra arbeidsplaatsen, dat is bijna 20% van het totaal aantal arbeidsplaatsen. Een deel van de opgave, de vraag naar nieuwe XXL-logistiek (en/of grootschalige, extensieve bedrijvigheid met ondergemiddelde arbeidsintensiteit) zal niet worden geaccommodeerd in de regio.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
59
60
Bedrijventerreinen – Ambities
Bedrijventerreinen – Keuzes per type
Centraal staat de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen. Dit betekent dat de volgende ambities worden gehanteerd: • Toekomstbestendig betekent dat regionaal ruimte wordt gemaakt voor de groei van bedrijventerreinen op de juiste plek. We creëren een sterkere profilering van terreinen en een betere onderlinge samenhang tussen terreinen. • Toekomstbestendig betekent het bieden van een aantrekkelijke werkomgeving voor werknemers. Bij het aantrekken en behouden van talent is dat voor bedrijven steeds meer van belang. Om als regio economisch aantrekkelijk te blijven, is het creëren van een aantrekkelijke en uitdagende werkomgeving essentieel. • Toekomstbestendig betekent klimaatadaptief maken door vergroening van daken en parkeerplaatsen. Hierdoor ontstaan prettigere werkomgevingen, wordt hittestress tegengegaan en wordt bijgedragen aan de wateropgave en de biodiversiteit. • Toekomstbestendig betekent het maken van duurzame gezonde gebouwen en werkomgevingen. Op een duurzame, circulaire werklocatie wordt per activiteit zo min mogelijk energie verbruikt, doordat processen geoptimaliseerd zijn en het vastgoed goed geïsoleerd is. Daarnaast wordt energie zoveel mogelijk lokaal en duurzaam opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op daken of door windturbines, maar bijvoorbeeld ook door ‘restenergie’ van andere bedrijven in het gebied te hergebruiken.
Met hun grote dakoppervlakken kunnen bedrijventerreinen uitgroeien tot energieopwekkers. • Toekomstbestendig betekent een optimale en multimodale ontsluiting. De mate van bereikbaarheid per modaliteit (auto, ov, fiets of te voet) verschilt per terrein. Hoe dichter een terrein in stedelijk gebied is gelegen, hoe minder autobereikbaarheid er nodig is en hoe ov- en fietsvriendelijker het terrein moet zijn.
De U16 kiest ervoor om het grootste deel van de berekende vraag naar bedrijventerreinen te accommoderen met een combinatie van intensiveren en uitbreiden. We maken hiervoor een programmatische regiobrede aanpak. De schaarse ruimte benutten we voor bedrijvigheid met een duidelijke regionale binding, dan wel met een duidelijke regionale bijdrage aan duurzaamheidsambities. Hiermee willen we het economisch concurrerend profiel van de regio versterken en tegelijk voldoende werkgelegenheid scheppen. Een fors deel van de geplande 15.000 extra banen op bedrijventerreinen is gerelateerd aan de gemeente Utrecht. Om het concurrerend profiel van de regio te borgen kiezen we voor aanscherping van de onderlinge profilering van bedrijventerreinen. Zo spelen we sterk in op de huisvestingswensen van bedrijven en de mogelijkheid tot clusteren. Daarmee stimuleren we een gezonde verhuisdynamiek waarmee de investeringsmogelijkheden voor bestaande bedrijventerreinen worden geoptimaliseerd om versnelde veroudering te voorkomen (‘gezonde ecosysteem voor bedrijven’).