CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 47, Toelichting

Besluitnemende agenda 30 september 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Baambrugse Zuwe 127a te Vinkeveen, raadsvoorstel 47/2114.592 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 28

liggen. 2. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Relatie tot ontwikkeling In figuur 4.2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven, waarop de projectlocatie indicatief is aangeduid met een rode cirkel.

Figuur 4.3 uitsnede risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl)

Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute. De projectlocatie is immers op voldoende afstand (ruim 800 meter) van de Provincialeweg N201 gelegen. Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 29

4.7

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Relatie tot ontwikkeling Bij de onderhavige ontwikkeling is sprake van de realisatie van een geluidsgevoelig object, namelijk een woning. Derhalve is door Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V. een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai uitgevoerd (kenmerk 19.030 v01, d.d. 13 juni 2019). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting.

Uit de berekeningsresultaten van dit onderzoek blijkt dat door het wegverkeer op de Baambrugse Zuwe ter plaatse van de voorgevel een geluidsbelasting veroorzaakt zal worden die hoger bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar niet meer bedraagt dan de hoogste toelaatbare waarde van 63 dB. Op de voorgevel betreft de geluidsbelasting 52 dB. Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai is onderzocht of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. De onderzochte bronen overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van verkeerskundige, civieltechnische en stedenbouwkundige aard. Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk en doelmatig zijn gebleken, kunnen burgermeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen overwegen hogere waarden vast te stellen (inclusief correctie ex artikel 110g Wgh). In het hogere waarden beleid van de gemeente De Ronde Venen is geregeld dat burgemeester en wethouders alleen een hogere waarde zullen vaststellen indien de gevoelige bestemming tenminste 1 geluidsluwe zijde heeft. Ten opzichte van het wegverkeerslawaai wordt aan deze voorwaarde voldaan. De aan te vragen hogere waarden zien toe op de voorgevel van de beoogde woning. Conclusie Voor het aspect geluid dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Dit leidt echter niet tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Derhalve staat het aspect geluid niet in de weg voor vaststelling van dit bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 30

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.

Figuur 4.4 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Daarnaast dienen de richtafstanden gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming waarbinnen bedrijvigheid is toegestaan, tot de gevel van een woning. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivering gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Relatie tot ontwikkeling Omgevingstype De projectlocatie is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied, daar de locatie direct grenst aan de naastgelegen jachthaven. Daarnaast is de projectlocatie gelegen in het (bebouwings)lint van de Baambrugse Zuwe, waar sprake is van functiemenging. Omliggende functies Aan de zuid- en oostzijde van de projectlocatie zijn enkel woonfuncties gelegen. Woningen leveren geen (milieu)hinder op ten opzichte van andere woningen. De voorgenomen ontwikkeling vormt voor deze functie derhalve geen belemmering. Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 31

Daarnaast grenst de projectlocatie direct aan Jachthaven Oldenburger (west- en noordzijde). Een jachthaven valt op basis van de richtafstandenlijst van de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in milieucategorie 3.1 (SBI-2008 code 932), waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt. Hiervoor is geluid het maatgevende hinderaspect. Op onderstaande afbeelding is te zien dat de projectlocatie gedeeltelijk binnen de richtafstand van de jachthaven is gelegen. Dit geldt eveneens voor een aantal andere woningen aan de zuid- en westzijde van de jachthaven.

Figuur 4.5 ligging binnen richtafstand van de jachthaven (bron: akoestisch onderzoek Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V.) Zoals reeds is aangegeven, kan gemotiveerd van deze richtafstand afgeweken worden. Toetsing aan geluidrichtlijnen VNG-handreiking Omdat geluid het meest hindergevende aspect is van de jachthaven, is door Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit is onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. In dit onderzoek wordt de berekende geluidbelasting onder andere getoetst aan de geluidrichtlijnen uit de VNG-handreiking. Voor de gebiedstypering 'gemengd gebied' gelden de volgende geluidrichtlijnen: 50 dB(A)-etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A) in de dag-, 65 dB(A) in de avond- en 60 dB(A) in de nachtperiode voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden). Uit het onderzoek volgt dat binnen de overschaduwende richtafstand van 30 meter sprake is van een geluidsbelasting van 49 t/m 50 dB(A)-etmaalwaarde als gevolg van de geluidsemissie van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van de jachthaven. Hiermee wordt binnen de richtwaarden van 50 dB(A)-etmaalwaarde op grond van de VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” gebleven. Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet binnen de overschaduwende richtafstand sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Met betrekking tot het aspect geluid is daarvan sprake, nu gebleken is dat binnen de geadviseerde richtwaarden kan worden gebleven. Toetsing aan geluidsgrenswaarden Activiteitenbesluit Naast het onderzoek dat sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning, dient ook beoordeeld te worden of de jachthaven niet wordt belemmerd Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 32

in zijn bedrijfsvoering, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit is eveneens onderzocht in het akoestisch onderzoek (zie bijlage 3). De toegestane geluidsemissie van de jachthaven wordt begrensd door de geluidsgrenswaarden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze grenswaarden gelden ter plaatse van de gevels van omliggende woningen. De aanwezige omliggende woningen zijn dus bepalend voor de thans toegestane geluidsemissie van de jachthaven. Getoetst moet worden of, bij een minimaal gelijk blijvende toegestane geluidsemissie ter plaatse van de geprojecteerde woonvilla, binnen de geluidsgrenswaarden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gebleven kan worden. Uit het onderzoek volgt dat sprake is van een geluidbelasting van 38 t/m 49 dB(A)-etmaalwaarde ter plaatse van de gevels als gevolg van de geluidsemissie van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van de jachthaven. Door de komst van een woonvilla op die locatie zal de maximaal toegestane geluidsemissie van de maximale planologische mogelijkheden niet worden beperkt. De uitoefening van de aanwezige jachthaven zal dus niet beperkt worden.

Borging in planregels en verbeelding Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstand. In het akoestisch onderzoek is echter uitgegaan van een bepaalde positionering van de beoogde woning in het plangebied. Het bouwvlak waarbinnen deze woning gebouwd mag worden is gelijk aan de gevel van de geprojecteerde woning die het dichtst aan de Jachthaven grenst. Derhalve zijn de bouwmogelijkheden in overeenstemming met de uitgangspunten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Om een bepaalde mate van doorzichten te waarborgen én het uitsluitend gebruik van deze gronden als tuin te regelen, worden de gronden hier bestemd als 'Tuin - Landschappelijk'. Dit heeft mede tot gevolg dat voorkomen wordt dat de Jachthaven als gevolg van vergunningsvrije bouwwerken ten behoeve van bewoning wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Op deze gronden mogen enkel erfarscheidingen gebouwd worden. Daarnaast wordt in de regels bepaald dat “Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 behorende bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht voor zover het gaat om voor bewoning gebruikte bijbehorende bouwwerken.“ Hiermee is vergunningsvrij bouwen uitgesloten. Er kan, inclusief deze aanvullende bepaling, gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. De Jachthaven zal niet in zijn bedrijfsvoering worden belemmerd.

Derhalve zal in het plangebied sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor de omliggende functies van de projectlocatie. Middels onderzoek is aangetoond dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstand die geldt voor de jachthaven. De jachthaven zal niet beperkt worden in zijn bedrijfsvoering en eveneens is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 33

4.9

Luchtkwaliteit

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van één woning, waardoor de grenswaarde van 3% niet overschreden zal worden.

Het project draagt daarmee niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat Op www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (geraadpleegd op 9 december 2019) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2017 van fijnstof PM10 17,3 µg/m3, van fijnstof PM2,5 10,3µg/m3 en van stikstofdioxide NO2 16,8 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

4.10

Natuur

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 34

beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een ecologische quickscan, een nader onderzoek naar de ringslang en een Aerius-berekening uitgevoerd naar de effecten van het plan op beschermde soorten en gebieden. De rapportages van Van der Goes & Groot is bijgevoegd in de bijlagen van deze toelichting (bijlage 4, 5 en 6. De resultaten worden hieronder per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, reptielen, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn.

Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor de Ringslang. Omdat voorkomen en negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Wordt de soort tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.

Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat negatieve gevolgen worden verwacht. Gebiedsbescherming o.b.v. ecologische quickscan Het plangebied ligt op ongeveer twee kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 35

2000-gebied "Botshol". Het Natura 2000-gebied de "Oostelijke Vechtplassen" liggen op meer dan drie kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling kan wel (extra) uitstoot van stikstof veroorzaken. Derhalve is door Van der Goes & Groot een Aerius-berekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruikfase van het plan. Nader onderzoek ringslang Door Van der Goes & Groot is een nader onderzoek naar de ringslang uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de door RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland) aanbevolen onderzoeksopzet. Het accent van het onderzoek heeft gelegen op het waarnemen van Ringslangen en het onderzoeken van aanwezigheid van potentieel zomerbiotoop, winterbiotoop en potentiele eiafzetplaatsen van de Ringslang. In de periode mei - juli zijn drie bezoeken uitgevoerd in het zomerbiotoop, namelijk op 26 mei, 24 juni en 13 juli 2020. Dit onderzoek is met name uitgevoerd op warme dagen na een koudere periode. Bij dit onderzoek gaat het om het waarnemen van Ringslangen die zich opwarmen in de zon.

De dagen waarop het onderzoek is uitgevoerd waren dan ook zonnige dagen zonder dat de temperatuur al te snel opliep. Omdat de slangen tijdens dergelijke weersomstandigheden dan wat meer tijd nodig hebben om het lichaam op temperatuur te krijgen, zijn ze relatief lang waarneembaar. Later in het jaar als de omgevingstemperatuur snel oploopt verdwijnen Ringslangen al snel in de vegetatie. De methode om Ringslangen te zoeken bestaat uit het voorzichtig naderen van open plaatsen tussen ruigtekruidenvegetatie, open plekken op of nabij riethopen of opgeslagen materialen, laag gemaaide wegbermen en/of tussen de basaltblokken langs een dijk. Op deze manier is de trefkans van Ringslangen tijdens hun opwarmperiode hoog en kan men ze karteren. Tijdens de drie afzonderlijke veldbezoeken werden in het plangebied geen Ringslangen aangetroffen. Ook zijn geen geschikte broeihopen aangetroffen die kunnen dienen als eiafzetplaatsen. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van Ringslangen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig om voor deze soort ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Aeriusberekening Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (Aerius_2019) gebruikt.

In de berekening wordt de projectbijdrage op concrete rekenpunten exact berekend waarbij ook vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fasen te onderscheiden, de aanlegfase (bouw) en de gebruik fase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de bouwfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). De situatie met de grootste stikstofemissie/depositie is uiteindelijk bepalend voor de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze berekening zullen beide fases berekend worden. De situatie met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in Botshol.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 36

Uit de Aeriusberekening blijkt dat de maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van het gebouw 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen bedraagt. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen zijn door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. Conclusie Het aspect natuur staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.11

Milieueffectrapportage

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieube-heer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Relatie tot ontwikkeling Het beoogde plan behelst de realisatie van één woning.

Omdat de realisatie van een woning aangemerkt kan worden als een activiteit als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject), maar ruim onder de daarvoor gestelde drempelwaarden valt, is volledigheidshalve een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in een aanmeldnotitie. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Op 19 november 2020 is deze aanmeldnotitie ingediend bij het bevoegd gezag ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft op XXX bepaald dat, een milieueffectrapportage gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, niet nodig is en dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De hiertoe opgestelde aanmeldnotitie van 19 november 2020 is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 37

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

De regels en de plankaart vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een uitleg van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken die hebben geleid tot de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart met het Plan identificatie nummer: NL.IMRO.0736.BPP049bzuwe127a-va01 zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Tuin - Landschappelijk', 'Water' en 'Wonen' opgenomen. De bestemming wordt op de verbeelding zichtbaar gemaakt door middel van een kleur. Deze op de verbeelding ingetekende bestemming is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden.

5.2

Planopzet

Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en uit de regels. Deze elementen zijn direct bindend en vormen o.a. de toetsingsgrond voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van de onderhavige toelichting, die niet bindend is. Bij het opstellen van de regels is rekening gehouden met de Wet ruimtelijke ordening. Om te voorkomen dat de planregels niet mogelijk maken wat achteraf gezien toch eigenlijk wel aanvaardbaar is bevat het bestemmingsplan de nodige flexibiliteit. Denk hierbij aan de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om 10% af te wijken van genoemde hoogtematen. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012. Leeswijzer bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.In de inleidende regels zijn in Artikel 1 de definities van de verschillende in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen en in Artikel 2 de wijze van meten. De wijze van meten geeft aan hoe de oppervlakte, inhoud, goothoogte, nokhoogte e.d. van een bouwwerk moet worden bepaald. Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Het tweede hoofdstuk bevat de bestemmingsregels voor de bestemmingen 'Tuin Landschappelijk', 'Water' en 'Wonen'.

In deze regels zijn het toelaatbare gebruik van gronden en bouwwerken aangegeven en zijn diverse bepalingen inzake het bouwen opgenomen. Hieronder worden de bestemmingen van een nadere toelichting voorzien. 'Tuin - Landschappelijk' Om de openheid en de doorzichten richting de Vinkeveense Plassen mede te beschermen is op de gronden met de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' een specifieke tuinbestemming opgenomen, waarmee wel het gebruik als zodanig wordt toegestaan, maar waarmee bebouwing tegelijkertijd slechts zeer beperkt mogelijk wordt gemaakt. In de bouwregels is bepaald dat, met uitzondering van erfafscheidingen, geen bouwwerken zijn toegestaan. Omdat bebouwing slechts in beperkte mate is toegestaan, is in de betreffende bestemming ook vastgelegd dat deze gronden niet als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht aangemerkt kunnen worden. Vergunningvrij bouwen is daarmee niet toegestaan. 'Water' De gronden waar de aan te leggen watergang is beoogd, de bestaande watergang aan de Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 38

zijde van de Baambrugse Zuwe is gelegen en het deel van de Vinkeveense Plassen dat gelegen is in het plangebied zijn bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van 1,50 m toegestaan. Voor bruggen zijn aanvullende voorwaarden opgenomen. 'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de realisatie van één nieuwe woning, inclusief tuin, bijgebouw(en), botenhuis en verharding. Het hoofdgebouw mag enkel worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak en mag niet over een oppervlakte groter dan 200 m2 worden gebouwd. De maximum goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. In de bouwregels zijn ook nog enkele regelingen opgenomen ten aanzien van dakkapellen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. Voor de twee laatstgenoemden geldt, dat deze zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Tot slot is in de bestemming 'Wonen' een voorwaardelijke verplichting opgenomen, welke tot doel heeft dat het gebruik van de woning uitsluitend is toegestaan indien de voor 'Water' aangewezen gronden binnen een jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan ingericht zijn en in stand gehouden worden. Overige regels Het derde hoofdstuk bevat algemene regels die gelden voor alle in het plangebied voorkomende bestemmingen.

De antidubbeltelregel (Artikel 6) is opgenomen conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. In Artikel 7 en Artikel 8 zijn de voor het plan geldende algemene bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Deze bepalingen gelden voor alle in het plan opgenomen bestemmingen. Artikel 9 bevat de algemene afwijkingsregels. Daarnaast zijn in Artikel 10 de overige regels opgenomen en in Artikel 11 de algemene procedureregels. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In dit hoofdstuk is onder andere bepaald hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor thans nog aanwezige functies die niet in overeenstemming zijn met het plan. Deze regels volgen uit de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In de slotbepaling is aangegeven onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald: het bestemmingsplan 'Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen'.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 39

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. In voorliggend plan is op 12 maart 2020 een anterieure overeenkomst gesloten met de ontwikkelaar van de gronden, waardoor de grondexploitatiekosten anderszins verzekerd is.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Informeren omgeving De voorgenomen ontwikkeling is aan de direct omwonenden van het plangebied gepresenteerd door de initiatiefnemer. Dit betreft de naastgelegen Jachthaven Oldenburger, de bewoners aan de Baambrugse Zuwe 127 A-WS en de bewoners aan de Baambrugse Zuwe 148 te Vinkeveen. Uit de diverse overleggen met de Jachthaven Oldenburger en de gegeven presentatie aan de bewoners van de adressen aan de Baambrugse Zuwe 127 A-WS en 148 blijkt dat er geen bezwaren zijn tegen de voorgenomen ontwikkeling. Naar aanleiding van de overleggen met Jachthaven Oldenburger zijn diverse wijzigingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. Daarnaast worden aanvullende privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Voor het volledige participatieverslag wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. Bestuurlijk vooroverleg artikel 3.1.1. Bro Het conceptbestemmingsplan is toegezonden aan diverse bestuurlijke partners, zoals het waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek (AGV), de Veiligheidsregio Utrecht, de provincie Utrecht en Mooisticht. Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 40

De Veiligheidsregio en de provincie Utrecht hebben aangegeven geen aanleiding te hebben om opmerkingen te plaatsen op het conceptbestemmingsplan. Het waterschap heeft in haar vooroverlegreactie aangegeven in nauw overleg te willen treden met de initiatiefnemer over de aansluiting van de nieuw aan te leggen watergang op het KRW-lichaam de Vinkeveense Plassen. Dit overleg heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. De resultaten hiervan zijn verwerkt in paragraaf 4.5 van deze toelichting. Mooisticht heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt een vooroverlegreactie te geven. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Ambtshalve wijzigingen In het bestemmingsplan zijn ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan een drietal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De ambtshalve wijzigingen zijn terug te vinden in bijlage 9 van deze toelichting.

Mees Ruimte & Milieu | Baambrugse Zuwe 127A te Vinkeveen

Pagina | 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10575720/1