Raadsvoorstel 37, Bijlage 1 Toelichting Demmerik 122-124
Tekst van het document
In de huidige situatie wordt op het perceel Demmerik 122 over een pad van maximaal 1,25 meter breedte een recht van overpad verleend aan de buurman op het achterliggende perceel. Het recht van overpad bestaat eruit om met niet-gemotoriseerd verkeer (lees: lopend of de fiets) het achterliggende perceel te bereiken. Het bestaande recht van overpad wordt gehandhaafd. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt de loopbrug ter plaatse van Demmerik 122 verwijderd en de dam wordt verplaatst. De dam wordt gebruikt als gezamenlijke ontsluiting voor beide woningen. Op het perceel Demmerik 124 wordt de huidige dam gehandhaafd. Een en ander is weergegeven in figuur 4.1.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 30
figuur 4.1 ontsluitingswegen via dammen. Demmerik 122 boven, Demmerik 124 beneden (bron: Van Weelden De Wilde) Parkeren Conform het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren De Ronde Venen, analoog' dient getoetst te worden aan de parkeernormen uit het beleidsplan 'Verkeer 2017 - 2021'. De parkeernormen zijn in bijlage 1 van het beleidsplan opgenomen. Uitgaande van de ligging in 'buitengebied' geldt voor de realisatie van een vrijstaande koopwoning een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. De onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van vijf woningen. Dit betekent dat in totaal 12 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden (2,4 x 5 = 12). Van de 12 parkeerplaatsen dienen vijf parkeerplaatsen op het perceel Demmerik 122 gerealiseerd te worden en zeven parkeerplaatsen op het perceel Demmerik 124. Dit is eveneens weergegeven op figuur 4.1. Conclusie In de toekomstige situatie neemt de verkeersgeneratie af, is de locatie passend ontsloten en wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat de verkeer- en parkeeraspecten geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Archeologie
Algemeen De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 31
archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Relatie tot ontwikkeling Een deel van het plangebied kent, op basis van het vigerende bestemmingsplan, archeologische waarden. Derhalve is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door Bureau voor Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (29 juni 2018). De conclusie en het advies van dit onderzoek wordt hieronder integraal overgenomen. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage 2 van deze toelichting. Conclusie archeologisch bureauonderzoek De onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord: 1. Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? De beoogde ingreep bestaat uit de bouw van een vijf woningen in het oostelijk deel van het plangebied. Voor alle woningen zijn kelders met een aangrenzende ondergrondse patio voor lichttoetreding in de kelderruimtes voorzien. Exacte verstoringsdieptes en nadere details zijn nog niet beschikbaar. De woningen worden gebouwd op de plek waar zich nu kassen en woningen bevinden, aan de oostzijde van het plangebied. 2. Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? Het plangebied ligt in de ArcheoRegio “het Hollands veengebied”. In de ondergrond is Hollandveen aanwezig, mogelijk ingeschakeld met zeeafzettingen.
In de top van het veen heeft zich op basis van de bodemkaart koopveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen met een toemaakdek gevormd. 3. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Door de huidige bebouwing en grondbewerkingen is de bodem deels verstoord. Ter plaatse van toekomstige woningen 3, 4 is geen bebouwing aanwezig en ter plaatse van toekomstige woning 5 is deels een kas aanwezig. Mogelijk is hier de bodem intact. Ter plaatse van toekomstige woningen 1 en 2 is de bodem naar verwachting deels verstoord door de huidige bebouwing. 4. Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan. Het oostelijk deel van het plangebied ligt binnen een AMK-terrein. Op 16e- en 18e-eeuwse kaarten is globaal ter plaatse van het plangebied bebouwing afgebeeld. Waarschijnlijk heeft deze bebouwing een oorsprong in de Late Middeleeuwen. Het is niet zeker of de bebouwing in het plangebied was gelegen. 5.
Indien er (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? De nieuwe woningen komen in het oostelijk deel van het plangebied waar van oorsprong laatmiddeleeuwse bebouwing aanwezig kan zijn. Door de graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw kunnen de mogelijke resten worden verstoord. b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Geadviseerd wordt om ter plaatse van het oostelijk deel van het plangebied en de nieuwbouwlocaties een verkennend booronderzoek uit te voeren, aangevuld met enkele controle boringen in het westelijk deel van het plangebied. Deze boringen hebben als doel de bodemopbouw te verkennen. Met de verkenning wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 32
alsmede het verwerven van informatie over de aanwezige verstoringen. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd. Advies archeologisch bureauonderzoek Bureau voor Archeologie adviseert om ter plaatse van het oostelijk deel van het plangebied en ter plaatse van de nieuwbouwlocaties een verkennend booronderzoek uit te voeren, aangevuld met enkele controle boringen in het westelijk deel van het plangebied. Conclusie Het advies van Bureau voor Archeologie wordt opgevolgd. Een verkennend booronderzoek zal worden uitgevoerd. Vooralsnog zal de aanduiding 'terrein van archeologische waarde' overgenomen worden op de verbeelding van dit bestemmingsplan om de eventueel voorkomende archeologische waarden in het plangebied te beschermen. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient het aanvullend archeologisch onderzoek te worden overlegd, waaruit blijkt dat de eventueel voorkomende archeologische waarden in het gebied niet worden verstoord. Daarnaast heeft de initiatiefnemer met de kosten voor aanvullend archeologisch onderzoek rekening gehouden in de exploitatie.
Gelet op de bescherming van de archeologische waarden en het gegeven dat in de exploitatie door initiatiefnemer rekening is gehouden met het uitvoeren van aanvullend onderzoek, staat het aspect archeologie de (financiële) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.3
Water
Algemeen De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Waterbeheersplan 2016 - 2020 'Waterbewust en waterrobuust' Met het waterbeheerplan ‘Waterbewust en waterrobuust’ wil het waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek in de periode 2016 – 2020 inzetten op een hoger waterbewustzijn. Daarnaast staat het woord waterrobuust centraal in het waterbeheerplan. Het waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem: optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Belangrijke kernwoorden daarbij zijn ‘duurzaam’ en ‘kosteneffectief’. Het waterschap vindt de intrinsieke waarde van water als beeldbepalend element in de leefomgeving heel belangrijk: water is ook om van te genieten! Het waterschap wil bijdragen aan de belevingswaarde door aandacht voor recreatie, landschap en cultuurhistorie.
Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en ‘robuust’ (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 33
andere overheden en marktpartijen; vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; afstemming over alle watertaken per stroomgebied; behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Keur AGV en legger In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren; sterke dijken tegen overstromingen; gezonde waterplanten en vissen. De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken en welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. In de legger staat wie op welke plek verantwoordelijk is voor onderhoud. Dat kan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn. Maar ook een ander waterschap, de provincie of een boer met akkers langs het water. De legger is voor het waterschap een belangrijk document. Het waterschap gebruikt de legger ook bij het geven van een vergunning. De legger maken we onder andere op basis van de Keur. In de Keur staan de regels van het waterschap voor dijken en het water. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Deze waterparagraaf is op 2 april 2020 voorgelegd aan het AGV. De resultaten van de watertoets zijn verwerkt in onderhavige paragraaf. Relatie tot ontwikkeling Waterkwantiteit De projectlocatie is in de huidige situatie grotendeels verhard. Op basis van artikel 2.3 van de Keur geldt een vergunningplicht bij het toevoegen van verhard oppervlak. Onder de 1.000 m2 verharding wordt een vrijstelling afgegeven. Door de sloop van de bedrijfsgebouwen en de realisatie van de woningen zal het verharde oppervlak juist afnemen in plaats van toenemen. Daarnaast wordt aan de oostzijde van het plangebied de huidige watergang (tussen de Demmerik en het plangebied) voorzien van een inham van circa 10 meter breed. Tevens wordt de watergang tussen de percelen Demmerik 122 en 124 verbreed met circa 1,4 meter. In totaal wordt 350 m2 aan water toegevoegd.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 34
Figuur 4.2 Gedeeltelijke verbreding huidige watergang (bron: Van Weelden De Wilde) Waterkwaliteit, waterafvoer en riolering Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. De hemelwaterafvoer zal worden afgekoppeld van de afvalwaterafvoer. Daarnaast wordt onderzocht of het afvalwater aangesloten kan worden op het gemeentelijk rioleringsstelsel. De nadere uitwerking hiervan zal afgestemd worden met het Hoogheemraadschap.
Waterveiligheid Op de legger is weergegeven dat de achterzijde van het perceel Demmerik 124 voor een klein gedeelte in de buitenbeschermingszone van een secundaire waterkering ligt. De uit te geven woonpercelen zijn echter buiten deze zone gelegen. De werkzaamheden vinden derhalve plaats buiten de zones van de secundaire waterkering.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 35
figuur 4.3 uitsnede legger. Rood omlijnd is de gehele projectlocatie, geel omlijnd zijn de uit te geven woonpercelen (bron: legger AGV) Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Bodem
Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling Door Van Dijk Geo- en milieutechniek B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. De conclusie en aanbevelingen van het onderzoek luiden als volgt: "Ter plaatse van het oostelijk deel van het perceel Demmerik 122 is in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met koper, lood en zink in de grond. Daarnaast voldoet de toplaag van de bodem ter plaatse van beide percelen (Demmerik 122 - 124) getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit niet aan de toekomstige functieklasse 'Wonen'. Derhalve is millieuhygiënisch gezien vooralsnog bezwaar tegen de voorziene herontwikkeling naar woningbouw. Voorafgaand aan de herontwikkeling dient de locatie eerst geschikt gemaakt te worden voor de toekomstige functie 'Wonen' (bijvoorbeeld door het afgraven van de toplaag). Gezien ter plaatse van het perceel Demmerik 122 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zal de herontwikkeling gezien worden als saneringshandeling. Voor aanvang van de nieuwbouw dient een BUS-melding (saneringsplan) bij het bevoegd gezag te worden ingediend, waarin de gekozen saneringshandeling wordt verwoord.
Na goedkeuring van de BUS-melding door het bevoegd gezag kan onder milieukundige begeleiding met de werkzaamheden (door een gecertificeerde aannemer) worden aangevangen. Op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurde BUS-melding is er doorgaans geen bezwaar tegen afgifte van de omgevingsvergunning (bouwvergunning)."
Conclusie De aanbevelingen uit het verkennend bodemonderzoek worden opgevolgd. Voorafgaand aan de aanvraag om de omgevingsvergunning bouwen zal een BUS-melding worden gedaan. Op grond van artikel 6.2c van de Wabo treedt een omgevingsvergunning in dit geval 'vertraagd' in werking. De omgevingsvergunning zal pas in werking treden als een BUS-melding is gedaan en de zogeheten vijfwekentermijn is verstreken. Kortom, de bouw mag pas worden gestart als de BUS-melding is gedaan en het bevoegd gezag daarmee heeft ingestemd. De initiatiefnemer heeft met kosten voor verwijdering en sanering rekening gehouden in de exploitatie. Het doen van een BUS-melding staat daarmee de (financiële) uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 36
4.5
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu.
Relatie tot ontwikkeling In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven, waarop de projectlocatie indicatief is aangeduid met een groene cirkel.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 37
figuur 4.4 uitsnede risicokaart, projectlocatie globaal uitgesneden in het groen (bron: www.nederland.risicokaart.nl) Op de risicokaart is te zien dat: Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het plangebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute. Het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is op circa 580 meter afstand gelegen van een buisleiding van de Gasunie. Deze afstand is ruim voldoende. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Geluid
Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Relatie tot ontwikkeling
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 38
De voorgenomen ontwikkeling realiseert geluidsgevoelige objecten. Woningen zijn immers aangemerkt als geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wgh. Echter, conform de Wgh dienen enkel geluidsgevoelige objecten die liggen binnen de zone van gezoneerde wegen onderzocht te worden. De projectlocatie is gelegen aan de Demmerik, waar een 30 km/u regime geldt. Derhalve is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Over de 30 km/u weg (Demmerik) rijdt zelden zwaar vrachtverkeer dat een hoge geluidbelasting kan veroorzaken. Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling derhalve niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het aspect geluid geen belemmering vormt. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
Figuur 4.5 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het omgevingstype gemengd gebied. De projectlocatie is Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 39
gelegen in het Lint Demmerik waar overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is gevestigd. Direct aan de zuidzijde van de projectlocatie is glastuinbouw gelegen. Glastuinbouw valt onder milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 wordt een richtafstand van 10 meter gehanteerd bij het omgevingstype 'gemengd gebied'. De te realiseren woningen op de Demmerik 124 liggen op ruim 20 meter afstand. Er wordt dus ruim voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Daarnaast is rondom het plangebied (agrarische) bedrijvigheid gelegen in ten hoogste milieucategorie 2. Aan de richtafstand van 10 meter (omgevingstype gemengd gebied) wordt voldaan. Tot slot zijn er diverse woningen rondom de projectlocatie gelegen. Woningen leveren geen milieuhinder op ten opzichte van andere woningen. Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen beperking geeft voor bestaande (bestemde) bedrijvigheid in de directe omgeving. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
Algemeen In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling NIBM In onderhavig geval is sprake van de realisatie van vijf woningen, waardoor de grenswaarde van 3% niet overschreden zal worden. Het project draagt daarmee niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat Op www.nsl-monitoring.nl (geraadpleegd op 19 maart 2020, rekenpunt 169886) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van fijnstof PM10 17,6 µg/m3, van fijnstof PM2,5 10,5 µg/m3 en van stikstofdioxide NO2 14,0 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. Conclusie
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 40
Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied.
4.9
Ecologie
Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuur Netwerk Nederland Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.
Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Relatie tot ontwikkeling Ecologische quickscan en nader onderzoek t.b.v. soortbescherming Door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek worden hieronder integraal overgenomen. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage 4 van deze toelichting. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
Een ontheffing is dan niet nodig. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van de huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van deze
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 41
vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. de vogels kunnen derhalve gemakkelijke uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Omdat uit de ecologische quickscan volgt dat nader onderzoek naar de huismus en vleermuis noodzakelijk is, is in 2018 een nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Uit het nader onderzoek volgt dat geen huismussen zijn waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. In de omgeving zijn wel huismussen aangetroffen. Het plangebied maakt geen (essentieel) deel uit van het leefgebied van de huismussen. Veranderingen in het plangebied zullen geen negatief effect hebben op de aanwezige huismussen in de omgeving. Tijdens de inventarisatie in het plangebied zijn wel vleermuizen aangetroffen. Het betreffen verblijvende gewone dwergvleermuizen. Derhalve dient een ontheffingsaanvraag ingediend te worden, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Deze ontheffingsaanvraag is op 29 juni 2020 ingediend. Er is geen aanleiding om de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet te verkrijgen. Dit onderdeel staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de ecologische quickscan het volgende opgenomen: "Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hierboven is beschreven." De quickscan dateert echter uit 2018 waardoor deze ten aanzien van gebiedsbescherming niet meer actueel is. Op basis van de huidige wet- en regelgeving dient voor ieder project met een mogelijke depositie van stikstof een Aerius-berekening uitgevoerd te worden. Op 14 april 2020 is door Van der Goes & Groot een Aerius-berekening uitgevoerd. De Aerius-berekening is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Uit de Aerius-berekening volgt dat: De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 42
mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10
Milieueffectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van vijf woningen.
Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Op 3 november 2020 is een aanmeldnotitie ingediend ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Het bevoegd gezag heeft op XXX bepaald dat, een milieueffectrapportage gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, niet nodig is en dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De hiertoe opgestelde aanmeldnotitie van 5 november 2020 is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 43
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Inleiding
De regels en de plankaart vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een uitleg van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken die hebben geleid tot de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart met het Plan identificatie nummer NL.IMRO.0736.BPP041dem122124- va01 zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Tuin - Landschappelijke waarden', 'Natuur', Water', 'Wonen' en 'Verkeer Verblijfsgebied' opgenomen. De bestemming wordt op de verbeelding zichtbaar gemaakt door middel van een kleur. Deze op de verbeelding ingetekende bestemming is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden.
5.2
Planopzet
Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en uit de regels. Deze elementen zijn direct bindend en vormen onder andere de toetsingsgrond voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van de onderhavige toelichting, die niet bindend is. Bij het opstellen van de regels is rekening gehouden met de Wet ruimtelijke ordening. Om te voorkomen dat de planregels niet mogelijk maken wat achteraf gezien toch eigenlijk wel aanvaardbaar is bevat het bestemmingsplan de nodige flexibiliteit. Denk hierbij aan de mogelijkheid voor het college van burgemeester en wethouders om 10% af te wijken van genoemde hoogtematen. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012. Leeswijzer bestemmingsregels De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de definities van de verschillende in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). De wijze van meten geeft aan hoe de oppervlakte, inhoud, goothoogte, nokhoogte e.d. van een bouwwerk moet worden bepaald. Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.
Het tweede hoofdstuk bevat de bestemmingsregels voor de bestemmingen 'Tuin Landschappelijk', 'Waarde - Archeologie 2', 'Natuur', 'Water', 'Wonen' en 'Verkeer Verblijfsgebied'. In deze regels zijn het toelaatbare gebruik van gronden en bouwwerken aangegeven (doeleindenomschrijving) en zijn diverse bepalingen inzake het bouwen opgenomen. Hieronder worden de bestemmingen van een nadere toelichting voorzien. 'Tuin - Landschappelijk' De gronden behorende bij de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' zijn bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, water en behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en doorzichten. Daarnaast dienen de gronden ingericht en in stand gehouden worden conform de ruimtelijke randvoorwaarden uit het beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting en bijlage 1 van de planregels. Om de landschapswaarden in stand te houden en te beschermen is op de gronden met de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' een specifieke tuinbestemming opgenomen, waarmee wel het gebruik als zodanig wordt toegestaan, maar waarmee bebouwing wordt uitgesloten. In de bouwregels is bepaald dat geen bouwwerken, waaronder ook erfafscheidingen begrepen, zijn toegestaan. Gezien deze landschappelijke afweging is in de betreffende Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 44
bestemming ook vastgelegd dat deze gronden niet als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht aangemerkt kunnen worden. Vergunningvrij bouwen is daarmee niet toegestaan. 'Waarde - Archeologie 2' De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en instandhouding van de in het plangebied voorkomende archeologische waarden. 'Natuur' De gronden behorende bij de bestemming 'Natuur' zijn bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van natuur op het achterland van de Demmerik 124. 'Water' De huidige watergangen in het plangebied en de gronden waar verbreding van de huidige watergangen wordt beoogd, zijn in het plangebied bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van 1,50 m toegestaan. Voor bruggen, steigers, vlonders en andere afmeervoorzieningen zijn aanvullende voorwaarden opgenomen. 'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de realisatie van vijf woningen. In de bouwregels is de realisatie van aan- en uitbouwen en bijgebouwen uitgesloten, daar deze reeds zijn geïntegreerd in de hoofdgebouwen. Dit maakt ook dat in de regels is opgenomen dat voor de hoofdgebouwen een maximale inhoudsmaat van 900 m3 is toegestaan.
Binnen de bestemming 'Wonen' is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting' opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat het gebruik van de woningen ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend is toegestaan indien: a. de voor 'Tuin-Landschappelijk' aangewezen gronden binnen een jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan ingericht zijn en in stand gehouden worden; en b. de voor 'Natuur' aangewezen gronden binnen een jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan ingericht zijn en in stand gehouden worden. Daarnaast is in de bouwregels behorende bij deze bestemming een koppeling gemaakt met de ruimtelijke randvoorwaarden uit het beeldkwaliteitsplan dat is opgenomen in bijlage 1 van de regels. 'Verkeer - Verblijfsgebied' De toegangswegen van het plangebied krijgt de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Dit betreft het verblijfsgebied dat toegang geeft voor auto's aan de (woon)percelen en is bedoeld voor langzaam verkeer. Overige regels Het derde hoofdstuk bevat algemene regels die gelden voor alle in het plangebied voorkomende bestemmingen. De antidubbeltelregel (artikel 8) is opgenomen conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. In artikel 9 en 10 zijn de voor het plan geldende algemene bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Deze bepalingen gelden voor alle in het plan opgenomen bestemmingen.
De artikelen 11 en 12 bevatten algemene afwijkingsrespectievelijk algemene wijzigingsregels. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In dit hoofdstuk is onder andere bepaald hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor thans nog aanwezige functies die niet in overeenstemming zijn met het plan. Deze regels volgen uit de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In de slotbepaling is aangegeven onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald: het bestemmingsplan 'Demmerik 122-124 te Vinkeveen'. Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 45
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuw ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. In voorliggend plan is een anterieure overeenkomst gesloten met de ontwikkelaar van de gronden, waardoor de grondexploitatiekosten anderszins verzekerd zijn.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie De voorgenomen ontwikkeling is aan de direct omwonenden van het plangebied gepresenteerd middels een (informele) informatieavond. Op deze avond kwamen geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling naar voren. Het volledige participatieverslag is opgenomen in bijlage 8 van de toelichting. Daarnaast is het beeldkwaliteitsplan dat ten grondslag ligt aan de voorgenomen ontwikkeling in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen. Tot slot heeft op 25 september 2019 een raadsexcursie plaatsgevonden, waarbij de gemeenteraad van De Ronde Venen onder andere een bezoek heeft gebracht aan de Demmerik 122 - 124. Op deze raadsexcursie zijn de plannen toegelicht. Destijds waren de woningen in het plan van een groter formaat. Mede naar aanleiding van de resultaten die naar voren waren gekomen uit de raadsexcursie, is ervoor gekozen het volume van de woningen fors naar beneden bij te stellen. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in voorliggend plan. Wettelijk vooroverleg artikel 3.1.1. Bro Het conceptbestemmingsplan is toegezonden aan diverse bestuurlijke partners, te weten de provincie Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht en Mooisticht. Hieronder is een korte samenvatting van de vooroverlegreacties opgenomen. De provincie Utrecht heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben over het voorliggende bestemmingsplan.
Daarnaast heeft de Veiligheidsregio Utrecht vastgesteld dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegneomen in de toelichting van het bestemmingsplan en derhalve in het kader van externe veiligheid geen belemmeringen te zien. Tevens is de bereikbaarheid van het plangebied voldoende. Wel wordt geadviseerd om tot een verbetering van de bluswatervoorziening te komen met de afdeling Team Ondersteuning Repressie van de Veiligheidsregio Utrecht. Dit overleg zal tijdens de nadere planuitwerking plaatsvinden. Tot slot heeft Mooisticht aangegeven in principe akkoord te zijn met het plan. Mooisticht heeft aangegeven dat er op deze locatie veel winst ten opzichte van de bestaande bebouwing ontstaat. Daarnaast wordt qua opzet, vormgeving en materialen goed aangesloten op de landschappelijke karakteristieken.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 46
Zienswijzen Met ingang van 13 februari 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.
Mees Ruimte & Milieu | Demmerik 122-124 te Vinkeveen
Pagina | 47