CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 35, Toelichting Van Geijnweg 2 Mijdrecht

Commissie Ruimtelijke Zaken 16 juni 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: 4d. Bestemmingsplan Van Geijnweg 2 Mijdrecht, raadsvoorstel 35/21 (21.15 uur)14.134 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn zowel woningen als bedrijven aanwezig. Er is sprake van een matige tot sterke functiemenging, waardoor de omgeving van het plangebied aangemerkt kan worden als 'gemengd gebied'. Daarnaast bevindt het plangebied zich in de directe nabijheid van de N201. Volgens de VNGpublicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' behoren gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen eveneens tot een gemengd gebied.

26

Het landbouwmechanisatiebedrijf kan vergeleken worden met een groothandel in machines (SBI 2008 466.1). Volgens de VNG-publicatie beschikt een dergelijk bedrijf over de milieucategorie 3.2 en geldt een richtafstand van 50 m tot een milieugevoelige functie, zoals een woning, in een gemengd gebied. Het gaat hier om een historisch gegroeide situatie waarbij het bouwvlak van de woning (ten noorden van de planlocatie) direct tegen de bestemming van het huidige bedrijf grenst. In de huidige wordt er ook niet voldaan aan de richtafstand tot de woning. Door verplaatsing van het bouwvlak wordt de situatie voor de betreffende woning gunstiger. De uitbreiding vindt plaats naar de meer zuidelijke zijde van het perceel, verder van de bestaande woning vandaan. De inrichting valt onder het Activiteitenbesluit. In het kader van het Activiteitenbesluit dient te worden voldaan aan de gestelde geluidsnormen. Ingevolge het Activiteitenbesluit, mag het maximale geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting vanwege het in werking zijn van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

De (her)ontwikkeling van het bedrijf zorgt voor een kwaliteitsverbetering en niet direct voor extra werkzaamheden op en rond het terrein. De bedrijfsactiviteiten zullen nauwelijks verschillen met de huidige situatie. Gezien de bestaande situatie en de voorwaarden die worden gesteld bij het Activiteitenbesluit, wordt geen geluidhinder verwacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Ecologie In het ecologisch onderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Huidige situatie Het plangebied bestaat voornamelijk uit verharding, aan de zuidwestzijde is een bosschage aanwezig. Beoogde ontwikkelingen Het plan voorziet in de herinrichting van het bedrijfsperceel. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

• • •

sloop van de bestaande loods; bouwrijp maken; bouwwerkzaamheden.

Normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

27

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden:

• •

Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, Natura 2000-gebieden.

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Utrecht uitgewerkt in het Natuurnetwerk Utrecht. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.

In de provincie Utrecht geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Planspecifiek ten behoeve van ontwikkelingen op het onderhavige perceel is een Quickscan beschermde planten- en diersoorten (Adviesbureau Mertens B.V., mei 2018) uitgevoerd: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een natuurgebied. Natura 2000 ligt op grote afstand (circa 4 kilometer) en het natuurnetwerk op 90 meter. Vanwege de afstand en de kleinschalige aard van de ontwikkeling, herinrichting van het terrein, kunnen negatieve effecten op Natura 2000 en het NNN worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon en www.waarneming.nl). Het plan voorziet in de herinrichting van het terrein en verplaatsing van het bouwvlak.

Het terrein is in de huidige situatie grotendeels verhard, er vinden geen werkzaamheden plaats aan de zuidoostzijde van het gebied ter hoogte van de bosschage. De bestaande opstallen worden gesloopt. Dit betreffen loodsen die ongeschikt zij voor gebouwbewonende soorten als vleermuizen of broedvogels. Op het terrein kunnen verder algemene soorten aanwezig zijn als gewone pad, bruine kikker, veldmuis of egel, voor deze soorten geldt een vrijstelling. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Tijdens werkzaamheden dient verder rekening te worden gehouden met het broedseizoen van algemene broedvogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen

28

broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming). Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe Aerius Calculator van januari 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, d.d.

19 januari 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Conclusie De activiteiten van de beoogde herontwikkeling gaan mogelijk samen met effecten op beschermde plantenen diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten. Uit het verkennend veldonderzoek is de volgende conclusie naar voren gekomen. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Utrecht. Door binnen het plangebied geen waterplassen te laten ontstaan in de aanlegfase, kan vestiging van de rugstreeppad volledig worden uitgesloten.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt.

29

In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen.

De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Watertoets De watertoets is een standaard overleg met het waterschap dat gevoerd moet worden wanneer de planologische situatie op een locatie wijzigt. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

30

Planspecifiek Het plan is gericht op herinrichting van het terrein. Het terrein is in de huidige situatie reeds nagenoeg geheel verhard; er is dan ook geen watercompensatie vereist. Anderzijds worden bestaande sloten gehandhaafd en wordt een (teen-)sloot aan de noordzijde hersteld. Het meest noordwestelijke gedeelte van het terrein is voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. De bestaande teensloot wordt hier doorgetrokken tot de Van Geijnweg, waarbij natuurvriendelijke oevers worden toegepast. Hierop is de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht van toepassing. Waternet heeft in een brief van 28 oktober 2019, namens het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht aangegeven dat zij liever geen bomen zien aan de dijkkant van de teensloot, maar het gaat hier om een bestaand bomengroepje. Nieuwe bomen dienen bij voorkeur aan de andere kant van de teensloot te worden gesitueerd zodat de grondwaterstand in de dijk minder wordt beïnvloed. Dat is ook het geval in de landschappelijke inpassing. Het uitgangspunt is verder dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak, hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Daarnaast is het van belang om diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Bij de verdere uitwerkingen wordt hiermee rekening gehouden. Dat geldt ook voor de mogelijkheden om het terrein klimaat adaptief in te richten. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

4.7 Weg- en spoorweglawaai De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De herontwikkeling valt niet onder een geluidgevoelig object zoals beschreven in de Wet geluidhinder. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar weg- en spoorweglawaai niet noodzakelijk.

4.8 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

• •

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

31

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Planspecifiek Zoals op navolgende afbeelding te zien is, ligt het bedrijf binnen de de PR 10-6 contour van het bedrijf Amstel Dijk Beheer b.v. Ter plaatse van deze inrichting vindt opslag van toxische stoffen plaats. De herinrichting van het terrein zorgt met name voor een kwaliteitsverbetering van het bedrijf en niet voor een toename van het aantal personen die aanwezig zijn op het terrein. Hiermee kan gesteld worden dat het groepsrisico t.o.v. de huidige situatie niet hoger wordt met de herinrichting van het terrein.

Tevens wordt de bestaande loods, welke binnen de risicocontour ligt, gesloopt en herbouwd buiten de risicocontour. Daarnaast vindt vervoer van gevaarlijke stoffen over de N201 plaats. De bijbehorende risicoafstanden voor de N201 bedragen 0 m.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

4.9 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

32

De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

•

een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);

•

een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Planspecifiek De ontwikkeling leidt tot een beperkte verkeersgeneratie. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM 10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de dichtstbijzijnde wegen ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het inzichtelijk maken van effect van het beoogde nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Om de toename van de verkeersgeneratie die de ontwikkeling met zich meebrengt te bepalen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij is uitgegaan van de categorie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)' met als stedelijkheidsgraad, 'niet stedelijk' en 'buitengebied'. De gemiddelde verkeersgeneratie hierbij horend bedraagt 4,8 per 100 m² bvo. Met de ontwikkeling neemt de bebouwing met ca. 500 m² toe wat een toename van de verkeersgeneratie van 24 voertuigbewegingen per etmaal met zich meebrengt.

33

Het plangebied is in de huidige situatie goed ontsloten en goed bereikbaar vanaf de N201. De Van Geijnweg sluit direct aan op de N201 middels een met verkeerslichteninstallatie geregelde kruising. De herstructurering van het terrein heeft geen noemenswaardige effecten op de manier van ontsluiting en verkeersafwikkeling. Door de herinrichting van het terrein wordt de toegankelijkheid verbeterd. De bezoeker van het terrein weet hierdoor beter waar hij moet zijn waardoor de toegankelijkheid en de verkeersveiligheid wordt verbeterd. Geconcludeerd kan worden dat de toeleidende wegen en de kruising met de N201 de extra verkeersgeneratie op kunnen vangen. 4.10.2 Parkeren In het Beleidsplan Verkeer 2017-2021 (vastgesteld op 24 november 2016) zijn de parkeernormen voor de gemeente De Ronde Venen vastgelegd. Voor een 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)' in het 'buitengebied' geldt een parkeernorm van 1,05 per 100 m². De ontwikkeling zorgt voor een toevoeging van ca. 500 m² aan bebouwing. Dat komt overeen met (1,05 x 500/100 =) 5,25 parkeerplaatsen. Voor het gehele terrein zijn (1,05 x 3.133/100=) 33 parkeerplaatsen nodig. In totaal worden er 34 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Het terrein beschikt over voldoende ruimte om de extra parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren: aan de zuidzijde wordt een zone ingericht voor parkeren en tevens heeft parkeren plaats aan de zijde van de Van Geijnweg. Het parkeren krijgt een groene inpassing en wordt aan het oog onttrokken door een haag en aan de zuidzijde ook door bestaande bomen en bosschages. Parkeren vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

34

hoofdstuk 5 Juridische beschrijving Aangezien dit bestemmingsplan slechts op een beperkt aantal onderdelen op maat is gemaakt van de ontwikkeling en voor het overige aansluit bij de vigerende planologische regeling, wordt voor achtergronden van het plan buitengebied en visie op het gebied verwezen naar de 'Beheersverordening Buitengebied en het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Bestemming 'Bedrijf' De regels behorende bij het voorliggende bestemmingsplan zijn grotendeels overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Er wordt opnieuw uitgegaan van bedrijven van categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in en reparatie van landbouwmachines'. Verder zijn veelal de geldende mogelijkheden overgenomen. Wel zijn de maximum goot- en bouwhoogten van de nieuw te realiseren loods aangepast, afgestemd op het onderhavige initiatief. Bij het maximum bebouwd oppervlak (3.133 m²) is rekening gehouden met 20% uitbreiding ten opzichte van de huidige planologische situatie (2.611 m²). Tevens is op de grens met de woning aan de Ringdijk 1e bedijking 5 een 3 meter hoge schutting beoogd. Dit wordt mogelijk gemaakt middels de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - schutting'.

Binnen deze bedrijfsbestemming (of binnen de geldende agrarische bestemming) kan de aan de noordzijde beoogde teensloot gerealiseerd worden. Het is binnen de gemeentelijke plansystematiek niet nodig om deze te bestemmen voor 'Water'. Verder is via een voorwaardelijke verplichting de uitvoering van het landschapsplan, inclusief de sloop van de noordelijke loods, geborgd. Hiervoor is op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf voorwaardelijke verplichting' opgenomen. Tevens is in de Overige regels een bepaling opgenomen om zeker te stellen dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Bestemming 'Groen - Landschappelijk' De groen (her) in te richten gronden ten noorden en ten zuiden van het bedrijfsperceel zijn voorzien van de bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Deze gronden zijn bestemd voor groen, water en behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen. Ook is extensief recreatief medegebruik toegelaten. Er zijn uitsluitend erfafscheidingen van ten hoogste 1 m toegestaan. Verder is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' Met het oog op het beschermen van de archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' opgenomen.

Hierbij is een onderverdeling van toepassing naar: 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4' en 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5'. Ter plaatse van de bouwmogelijkheden (het bouwvlak) is de laatstgenoemde categorie van toepassing, waarbij een oppervlaktemaat geldt van 2.000 m² en een dieptemaat van 30 cm. In de Algemene wijzigingsregels is een mogelijkheid voor burgemeester en wethouders opgenomen om de archeologische dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk te verwijderen. Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering. Er mogen ten behoeve van deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m. Er zijn tevens regels gesteld aan bouwen ten dienste van de andere (enkel-)bestemmingen. Daarbij wordt een afwijkingsmogelijkheid geboden. In dat kader dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap.

35

Gebiedsaanduidingen De in het geldende bestemmingsplan voorkomende gebiedsaanduidingen 'overige zone landbouwkerngebied' en aanduiding 'vrijwaringszone - stelling van amsterdam' zijn niet overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan omdat de bepalingen daarvan slechts betrekking hebben op de agrarische en natuurbestemmingen en dus ook niet gekoppeld kunnen worden aan de onderhavige bestemmingen.

36

hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering en de kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd. Voor het bestemmingsplan zullen de kosten via een anterieure overeenkomst verhaald worden. Ook wordt een planschadeovereenkomst gesloten.

37

hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen In overleg met de gemeente wordt voorgesteld het bestemmingsplan meteen als een ontwerp ter visie te leggen. Daarmee wordt een start gemaakt met de wettelijke procedure voor de totstandkoming van een bestemmingsplan als genoemd in de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijzen kenbaar te maken. Ingediende zienswijzen worden van een antwoord voorzien waarna dit bestemmingsplan ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.

7.2 Participatie Aan de hand van een brief van de initiatiefnemer en een brochure van Architektenbureau H.W. van der Laan bv. (d.d. 19 juni 2020) waarin initiatief nader wordt toegelicht, zijn omwonenden in de zomer van 2020 geïnformeerd over het onderhavige initiatief. Het gaat hierbij om iedereen aan de Tienboerenweg Mijdrecht en aan de Ringdijk Amstelhoek en enkele adressen aan de Amstelkade Amstelhoek. Er zijn daarbij geen negatieve reacties ontvangen. Er is nog een extra gesprek gevoerd met een direct betrokkene over de precieze inrichting als de oude loods gesloopt is. Naar aanleiding daarvan is een schutting met een hoogte van 3 meter overeengekomen. Dit is ook als zodanig in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen.

7.3 Vooroverleg Per e-mail van 30 september 2020 of 1 oktober 2020 is het voorontwerpbestemmingsplan 'Van Geijnweg 2, Mijdrecht' verzonden naar de vooroverlegpartners. Van provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en waternet zijn inhoudelijke reacties ontvangen. De vooroverlegreacties zijn hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie in cursief voorzien. 1. Provincie Utrecht (brief d.d. 25 november 2020) De provincie Utrecht heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben in het kader van provinciaal belang. De landschappelijke inpassing in het plan is passend en vanuit mobiliteit zijn er geen opmerkingen op het plan. Reactie gemeente: deze opmerkingen geven geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Hoewel er geen opmerkingen zijn in het kader van provinciaal belang, geeft de provincie de volgende opmerking mee. De strook met 18 parkeerplaatsen ligt op de voormalige kwekerij met agrarische bestemming. Vanuit landschap is dit niet wenselijk aangezien de bedrijvigheid daardoor nog verder van de weg af komt te liggen. Gevraagd wordt of het mogelijk is om de parkeerplaatsen naar de noorden van het perceel te verplaatsen. Reactie gemeente: Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is gekeken of het parkeren meer naar de noordzijde verplaatst kan worden. In de huidige situatie ligt het parkeren aan de noordzijde, in het dijktalud.

De wijziging van het bestemmingsplan houdt in dat een aanzienlijk deel van de buitenopslag verdwijnt. Het dijktalud wordt hierdoor vrij gespeeld, hersteld en groen ingericht. Het landschap is hier weer duidelijker afleesbaar. De buitenopslag vindt na de herinrichting nog maar plaats aan één zijde van het terrein, aan de noordzijde van het bedrijfsperceel. Het parkeren en de buitenopslag worden van elkaar losgetrokken. Het parkeren vindt in de nieuwe situatie deels plaats aan de zuidzijde en deels aan de zone evenwijdig aan de Van Geijnweg. Het bestemmingsvlak van de bedrijfsbestemming wordt hierdoor aan de zuidzijde iets uitgebreid. De parkeerplaats aan de zuidzijde is bedoeld voor bezoekers van het bedrijf. Door het bestemmingsvlak hier iets op te schuiven kunnen voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden en kan

38

tegelijkertijd de bedrijvigheid en het parkeren los van elkaar getrokken worden. Hierdoor hoeven bezoekers het stuk waarop de bedrijvigheid plaats vindt, niet te passeren. De werknemers van het bedrijf zullen parkeren bij de zone evenwijdig aan de Van Geijnweg. De parkeerplaatsen krijgen een groene inpassing en worden aan het oog onttrokken door een haag en aan de zuidzijde ook door bestaande bomen en bosschages. Het terrein tussen parkeren en provinciale weg wordt passender bij het landschap heringericht. De beeldkwaliteit is met de nieuwe inrichting aantrekkelijker dan met het huidige opslagterrein.

Impressie van de nieuwe situatie (bron: H.W. van der Laan b.v.)

2. Veiligheidsregio Utrecht (brief d.d. 5 november 2020) In de vooroverlegreactie geeft de Veiligheidregio Utrecht (VRU) aan dat de huidige bluswatervoorziening op meer dan 590 meter van de nieuwbouw van het bedrijfspand ligt. Er wordt daarom geadviseerd om contact op te nemen met de VRU zodat gekeken kan worden of er mogelijkheden zijn om de bluswatervoorziening te verbeteren. Reactie gemeente: de gemeente heeft hierover contact opgenomen met de VRU. Het leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. VRU geeft aan dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een route ligt waarover/-door transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het bevindt zich wel gedeeltelijk binnen de veiligheidszone van de BEVI-inrichting. In de toelichting van het bestemmingsplan zijn de planologische gevolgen van de veiligheidszone voldoende meegenomen. De nieuwbouw wordt bovendien buiten de contour gepland. Wel geeft de VRU een advies ter bevordering van de zelfredzaamheid. Het advies is om in de omgevingsvergunning voorschriften op te laten nemen voor het aanwijzen van een ruimte om te schuilen in het geval van een incident met een toxische wolk en voor het laten opstellen van een calamiteitenplan voor alle ongevalsscenario’s die het plangebied bedreigen. Reactie gemeente: dit is meegeven aan de initiatiefnemer en komt nader aan bod in het kader van de omgevingsvergunning.

Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 3. Waternet, namens hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (brief d.d. 28 oktober 2019) Waternet is eerder om advies gevraagd omdat een deel van het plangebied in de dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering ligt. Waternet gaf bij brief d.d. 28 oktober 2019 de volgende reactie. Er werd gevraagd om in de toelichting bij de beschrijving van de huidige bestemming de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' op te nemen. Reactie gemeente: het bestemmingsplan is hierop aangepast.

39

Waternet gaf tevens aan dat bomen langs de kering niet gewenst zijn in verband met het onttrekken van grondwater en het verzakken van de dijk. Reactie gemeente: er worden geen nieuwe bomen langs de kering geplaatst. Wel wordt het bestaande bosje behouden. Waternet heeft in een aanvullende reactie aangegeven dat het akkoord is dat het bestaande bosje gehandhaafd wordt. Waternet gaf aan graag te zien dat de teensloot in de bestemmingsplankaart wordt opgenomen. Reactie gemeente; het wordt niet noodzakelijk geacht om de teensloot als zodanig te bestemmen. De teensloot maakt deel uit van de later toegevoegde bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Dit is een passende bestemming. Waternet kan zich hier in vinden. Waternet bepleit het afkoppelen van het dakoppervlak en wijst er op dat er vanuit het Rijk milieuregels zijn waaraan de kwaliteit van het te lozen water moet voldoen. Omdat het terrein industrieel gebruikt wordt, is het mogelijk noodzakelijk dat een melding Activiteitenbesluit moet worden ingediend voor het afkoppelen van het verharde terrein. Reactie gemeente: hiermee wordt rekening gehouden. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Waternet constateert dat niet zoveel verharding wordt toegevoegd, waardoor geen compensatie noodzakelijk is. Wel wijst Waternet op de mogelijkheden die er zijn voor het klimaatadaptief inrichten van het terrein.

Hierdoor kan wateroverlast in geval van heftige neerslag verminderd worden en hittestress worden tegen gegaan. Inspiratie hiervoor is te vinden op www.rainproof.nl. Reactie gemeente: dit wordt ter kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor een periode van 6 weken, vanaf 20 maart 2021 t/m 30 april 2021, ter inzage gelegen. In deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10184548/1