Raadsvoorstel 35, Toelichting Van Geijnweg 2 Mijdrecht
Tekst van het document
bestemmingsplan
Van Geijnweg 2 Mijdrecht Gemeente De Ronde Venen
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0736.BPP047VanGeijnweg2-va01
Datum:
10 mei 2021
Contactpersoon Buro SRO:
S. Koop | H.J.M. van Arendonk
Kenmerk Buro SRO:
SR190394
Opdrachtgever:
Architectenbureau H.W. van der Laan / Roeleveld en Bos
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging projectgebied .......................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
hoofdstuk 2 Beschrijving plan ................................................................................................................... 9 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 9 2.2 Nieuwe situatie ................................................................................................................................................. 10
hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader ...................................................................................................... 14 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................... 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 24 4.3 Bodem ............................................................................................................................................................... 26 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 26 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 27 4.6 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 29 4.7 Weg- en spoorweglawaai ..................................................................................................................................
31 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 31 4.9 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 32 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33
hoofdstuk 5 Juridische beschrijving ........................................................................................................ 35 hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 37 hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................... 38 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 38 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 38 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 40
3
4
hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Van Geijnweg 2 in Mijdrecht is een bedrijf gevestigd, gericht op handel, keuring en reparatie van landbouwvoertuigen. Het voornemen is om bedrijfsbebouwing deels te vernieuwen en uit te breiden en om in samenhang daarmee het terrein te herstructureren. Een van de bedrijfshallen voldoet namelijk niet meer aan de wensen en eisen van deze tijd. In de huidige situatie is er aan de noordzijde van de te slopen loods te weinig beweegruimte voor de (landbouw)voertuigen. Het voornemen is nu om een nieuwe, ruimere energiezuinige hal te plaatsen met voldoende ruimte voor de grote landbouwvoertuigen, showroom en kantoor. Dit past niet geheel binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'BuitengebiedWest'. In 2017 is een principeverzoek ingediend door H.W. van der Laan B.V. en er is een conceptbestemmingsplan ingediend op 12 juli 2019. Naar aanleiding van de opmerkingen en gesprekken bij de gemeente De Ronde Venen en Provincie Utrecht zijn de plannen bijgesteld. Een belangrijke voorwaarde voor de gemeente om mee te werken aan de ontwikkeling is een adequate landschappelijke inpassing. Het is van belang om meer landschappelijke eenheid op het perceel te realiseren en om het gehele silhouet als een totaal ensemble op een passende manier in het landschap in te passen.
Hiertoe is de notitie 'Landschappelijke inpassing Van Geijnweg 2 Mijdrecht' (Buro SRO, 8 september 2020, zie bijlagen bij de regels, bijlage 2) vervaardigd. Dit bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat realisatie van onderhavig initiatief mogelijk maakt.
1.2 Ligging projectgebied Het plangebied ligt aan de Van Geijnweg 2 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van de Amstel, met Uithoorn aan de overzijde. Het plangebied omvat de kadastrale percelen nrs. 5261, 7120 en deels 5260 met een totale oppervlakte van ca. 13.480 m². Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied in en ruimere context aangegeven. Op de luchtfoto betreft het terrein ten oosten van de Van Geijnweg.
Globale ligging plangebied (bron: Google Maps)
5
Luchtfoto bestaande situatie; rode lijn is globaal de plangrens
1.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt het op 21 februari 2019 door de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. In dit bestemmingsplan is de bestaande situatie als planologisch kader vastgelegd, zie onderstaande afbeelding. Geregeld is dat ter plaatse een handel in en reparatie van landbouwmachines is toegestaan, zonder bedrijfswoning. Op de verbeelding is een bouwvlak aangeven, waarbij bepaald is dat het bebouwde oppervlak maximaal 2611 m² mag bedragen. Binnen de planregels bestaat een mogelijkheid om af te wijken van de bouwregels voor een uitbreiding binnen het bouwvlak tot maximaal 20% van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. De maximum goot- en bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen is gesteld op resp. 4,5 en 8 m. Tevens maken percelen met de bestemming 'Agrarisch' deel uit van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Onder andere groen en water passen binnen deze bestemming. Er is ter plaatse geen bouwvlak aanwezig. Aan de zuidzijde is tevens sprake van een strook met de bestemming 'Verkeer'. Die bestemming is destijds bij de omlegging van de N201 ruim opgenomen. Het betreffende deel binnen het onderhavige plangebied heeft nu echter geen verkeersfunctie meer en kan komen te vervallen.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan, met de plangrens in rood (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Eveneens gelden in het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterkering', 'Waarde archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', 'Waarde - archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4' en 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5'. Een deel van het perceel is aangewezen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - stelling van amsterdam'. Het perceel kent ook een gebiedsaanduiding 'overige zone -landbouwkerngebied'. De bij deze aanduidingen behorende regelingen komen voor in de agrarische bestemmingen en in de bestemming 'Natuur' en niet in de bestemming 'Bedrijf'. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de voorgenomen uitbreiding van bedrijfsbebouwing niet mogelijk. De uitbreiding is gesitueerd buiten het toegekende bouwvlak en de herinrichting gaat gepaard met een geringe noordelijke en zuidelijke uitbreiding van het bestemmingsvlak. Ook wordt afgeweken van de toegestane goot- en bouwhoogten. Om de voorgestane ontwikkeling mogelijk te maken is, in overleg met de gemeente, besloten een afzonderlijk bestemmingsplan op te stellen. Dit bestemmingsplan wordt opgesteld conform de wettelijke verplichtingen en standaarden.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 komt de ontwikkeling en de planbeschrijving aan de orde. Ook wordt in dit hoofdstuk de landschappelijke inpassing beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het projectgebied. In hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten en overige
7
onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische beschrijving van het plan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid is opgenomen in hoofdstuk 6 en 7.
8
hoofdstuk 2 Beschrijving plan 2.1 Bestaande situatie Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op een bedrijf dat gespecialiseerd is in de verkoop, het onderhoud, de reparatie en de keuring van landbouwtrekkers en landbouwmachines voor loonbedrijven en melkveehouders. Daarnaast levert het bedrijf diverse tractoren en machines voor groenbedrijven, hoveniers, maneges, gemeentes en andere overheden, de aannemerij, de bouw- en sloopsector, de tuinbouw en het grondverzet. De bedrijfsvoering is van oudsher gericht op mechanisering van en bij agrarische bedrijven. In de loop van de tijd is de dienstverlening van het bedrijf aan de agrarische sector verbreed. Het bedrijf is gevestigd aan de oostelijke zijde van de Van Geijnweg die toegang biedt naar de N201. Aan de zuidzijde, grenzend aan de N201 is een restant van een oude kwekerij aanwezig met een wat rommelige uitstraling. Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een royale watergang. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een bestaande burgerwoning (Ringdijk 1e bedijking 5) die niet bij het bedrijf hoort. De gronden ten westen van het plangebied, aan de overkant van de Van Geijnweg, worden gebruikt ten behoeve van grootschalige opslag.
Ligging projectgebied (bron: Google maps)
In de huidige situatie bestaat het terrein uit twee bedrijfsruimtes. In de noordelijke bedrijfsruimte, met een oppervlak van 1.297 m², zijn een wasplaats, entree, kantoorruimte, reparatie werkplaats, winkel/showroom en magazijn ondergebracht. De andere bedrijfsruimte, met een oppervlak van 1266 m², omvat de opslag / stalling van diverse landbouwvoertuigen. De goot- en bouwhoogte is resp. 4,5 en 8 m. De bedrijfshal aan de noordzijde van het terrein voldoet niet meer aan de wensen en eisen van deze tijd. Met name de reparatie werkplaats is te klein om efficiënt de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Verder wordt ook het buitenterrein gebruikt voor de stalling van landbouwvoertuigen en buitenopslag van onderdelen. Aan de noordkant van het terrein, deels buiten de bedrijfsbestemming, vindt het parkeren plaats.
9
2.2 Nieuwe situatie Ten behoeve van deze ontwikkeling is de notitie 'Landschappelijke inpassing Van Geijnweg 2 Mijdrecht' (Buro SRO, 15 januari 2021, zie bijlagen bij de regels, bijlage 2) vervaardigd. Na een beschrijving van de historische situatie en een ruimtelijke analyse, wordt een aantal uitgangspunten geformuleerd voor de bebouwing en de erfbeplanting. De gemeentelijke landschapsnota diende hiervoor mede als basis. De plannen zijn ingegeven vanuit efficiencyoverwegingen en verbetering van de bedrijfsprocessen. Dit is noodzakelijk om de continuïteit van het bedrijf te kunnen waarborgen. De intentie is om een bestaande bedrijfsruimte, waarin o.a. de reparatiewerkplaats is gevestigd te verwijderen en om een nieuwe ruimere, meer duurzame bedrijfsruimte te realiseren. Dat is ingegeven door de volgende motieven:
•
De steeds grotere landbouwmachines vragen om meer (opstel- en manoeuvreer-)ruimte vóór en in het gebouw. Bij het noordelijke bedrijfsgebouw is die ruimte niet aanwezig. Daarom wordt voorgesteld om dat gebouw te slopen en om nieuwbouw te realiseren op een plek waar de benodigde ruimte wel aanwezig is.
•
De grotere en hogere machines vragen ook een grotere vrije hoogte in het gebouw en daarmee een hogere verdiepingshoogte. Om op de verdiepingen bruikbare ruimte te kunnen realiseren voor nevenfuncties (kantoren/kantine/magazijn) is een grotere goot- en nokhoogte noodzakelijk.
•
Met de omlegging van de N201 heeft het perceel min of meer een zichtlocatie gekregen. Met de voorgenomen herstructurering zal de enigszins rommelige zichtzijde vanaf de N201 op het perceel verdwijnen. Voorgesteld wordt om de opslag die zich nu aan de zuidzijde bevindt, aan de noordzijde te realiseren, waar het zorgvuldig wordt ingepast. Dat komt de uitstraling van het bedrijf en de impact op de omgeving ten goede. Daarnaast zijn de investeringen nodig om te kunnen voldoen aan de milieu-eisen en de maatregelen ten aanzien van energiebesparing.
•
Op basis van een analyse van het plangebied en de ruimere context, is naar voren gekomen dat de meest gunstige plek voor nieuwbouw aan de zuidzijde van het perceel is. Voorgesteld wordt om de nieuwe bedrijfsruimte aan de zijde van de van Geijnweg te situeren in de lijn van de bestaande loods, waarmee deze een eenheid gaat vormen met de bestaande bebouwing. Aan de achterzijde wordt de nieuwe bedrijfsloods iets minder diep, om ruimte te maken voor een landschappelijke inpassing. Uitgegaan wordt van een zone van 5 meter met ruimte voor opgaand groen in de vorm van (knot)elzen. Daarmee ontstaat een transparante groenrand die past bij de overige beplanting langs het water. De nieuwe bedrijfsbebouwing krijgt een omvang van 1.800 m², wat neerkomt op een uitbreiding van de totale bedrijfsbebouwing met 20%. De nieuwe bedrijfsbebouwing krijgt een goot- en bouwhoogte van resp. 6,5 en 10 m, passend bij de huidige bedrijfsvoering met grote landbouwmachines. Dat is iets hoger dan het bestaande pand die een goot- en bouwhoogte heeft van resp. 4,5 en 8 m, maar de hoogtes passen nog wel bij de schaal van dit perceel en bij de agrarische sfeer. De bebouwing vormt samen met het opgaande groen een samenhangend agrarisch cluster met een herkenbaar erfsilhouet.
De bestaande en nieuwe bebouwing zal aangepast worden met een gedekte kleurstelling waarmee het contrast tussen de bebouwing en het landschap verkleind wordt. Het plangebied wordt voorzien van in totaal 34 parkeerplaatsen. Een deel van deze parkeerplaatsen bevinden zich aan de Van Geijnweg. Daarnaast wordt aan de zuidzijde een zone voor parkeren ingericht. Hiertoe wordt het bestemmingsvlak enigszins in zuidelijke richting uitgebreid. De kleine uitbreiding van de strook met de bedrijfstemming aan de zuidzijde, is nodig om de winkelfunctie los te kunnen trekken van de bedrijvigheid. In de strook wordt een parkeervoorziening gerealiseerd voor bezoekers van de winkel. Hierdoor passeren bezoekers het deel van het terrein waarop de bedrijvigheid plaatsvindt straks niet meer. Dit maakt de nieuwe indeling een stuk veiliger. Ook maakt het verplaatsen van de parkeerplaatsen de inrichting van het perceel veel efficiënter. Er ontstaat namelijk elders op het terrein manoeuvreruimte voor de landbouwmachines. Deze machines zijn met de jaren steeds groter geworden en daarom is meer ruimte gewenst.
10
De groenstrook aan de zuidzijde langs de N201 wordt deels opnieuw ingericht. De opgaande beplanting aan de kant van de watergang blijft behouden. De restanten van de kwekerij worden opgeruimd en vervangen door streekeigen beplanting bestaande uit heesters en bomen. Dit vormt een compact bosje met waarde voor de fauna door de keuze van vruchtdragende soorten die in voedsel en schuilplekken kunnen voorzien. Tussen de Van Geijnweg en de bestaande sloot wordt een grasstrook ingezaaid met een streekeigen bloemenmengsel dat de biodiversiteit van dit gebiedje ten goede komt en tevens een vriendelijk, natuurlijk beeld geeft vanaf de Provincialeweg.
Beoogde nieuwe situatie (bron: Buro SRO, 15 januari 2021)
Aan de noordzijde is het huidige gebruik als opslagterrein niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Dit opslagterrein, dat zich grotendeels ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' bevindt, wordt verwijderd. Hier wordt de bestaande watergang verlengd wat een natuurlijke grens vormt tussen het bedrijf en het talud van de dijk. Het bestaande bosje blijft behouden, de overige ruimte wordt met gras ingezaaid en blijft open. Hierbij wordt het bestemmingsvlak van de bestemming 'Bedrijf' enigszins uitgebreid tot de nieuwe watergang, om een verantwoorde bedrijfsopzet en een passende landschappelijke inpassing mogelijk te maken. Verder vormt
11
een brede groenrand van inheemse beplanting voor afscherming van het bedrijf. In onderling overleg is besloten om een 3 meter hoge schutting te realiseren richting de bestaande burgerwoning Ringdijk 1e bedijking 5. Het benodigde parkeren (voor werknemers en voor bezoekers) heeft op eigen terrein plaats, aan de zuid- en aan de westzijde van het terrein. Het parkeren krijgt een groene inpassing en wordt aan het oog onttrokken door een haag en aan de zuidzijde ook door bestaande bomen en bosschages. Samenvattend biedt het verwijderen van de noordelijke bedrijfsbebouwing en de herinrichting van het perceel de kans om de inrichting en het gebruik van gehele terrein te verbeteren. Per saldo ontstaat er minder bedrijventerrein en meer landschappelijke ruimte.
Impressie vanaf de noordwestzijde (bron: Architektenbureau HW van der Laan bv., 19 juni 2020)
Voor een zorgvuldige aansluiting op de bouwmassa en het landschap in de directe omgeving gelden de volgende richtlijnen: Bouwmassa
• • •
De bouwmassa is eenvoudig en bestaat uit één duidelijk herkenbaar volume passend bij de bestaande bebouwing; De nieuwe bebouwing is voorzien van een goothoogte van maximaal 6,5 m en een bouwhoogte van 10 meter met flauwe kap. De bebouwing wordt gebouwd in dezelfde vormentaal als de bestaande bebouwing met een agrarische uitstraling.
Situering
• • • •
De nieuwe bedrijfsbebouwing staat in lijn met de te behouden loods. Dit vormt samen een compact cluster van de bedrijfsbebouwing. De nokrichting van beide gebouwen is in lijn met de verkavelingsrichting; De nieuwe bedrijfsbebouwing staat vijf meter vanaf de waterkant zodat er voldoende groei- en beheerruimte is voor (knot)elzen. Aan de zuid- en westzijdezijde van de loods wordt voldoende plek voorzien voor parkeerplaatsen;
12
• • • • • •
Het noordelijke gedeelte wordt met gras ingezaaid, de oorspronkelijke teensloot wordt teruggebracht tot aan de Van Geijnweg; Het bestaande opgaande groen langs de sloot blijft aan de noordzijde blijft behouden; Het opslagterrein wordt met een brede groenrand ingepast, hier wordt gebruik gemaakt van inheemse heesters, deels wintergroen; De erfgrens tussen het plangebied en de woning aan de Ringdijk 1e bedijking 5 wordt met een schutting met groen ingepast; De bestaande bomen aan de zijde van de watergang blijven behouden; De groenopslag van de oude kwekerij wordt verwijderd, hiervoor in de plaats komen inheems groen, heesters en bomen;
•
Het strookje tussen de Van Geijnweg en de bestaande sloot wordt ingezaaid met een inheems en streekeigen bloemenmengsel;
•
Dit zuidelijke gedeelte wordt natuurlijk en ecologisch beheerd, de grasstrook wordt 1 a 2x per jaar gefaseerd gemaaid.
Kleur- en materiaalgebruik
•
De hoeveelheid verharding blijft beperkt tot hetgeen nodig is voor de opslag, manoeuvreren en het parkeren, bij voorkeur wordt er voor de nieuwe bestrating waterdoorlatende of waterpasserende verharding toegepast;
•
De nieuwe bedrijfsbebouwing krijgt een gedekte kleurstelling, de huidige te behouden bedrijfsbebouwing wordt aangepast in deze kleurstelling;
•
Er is sprake van een hoogwaardige afwerking door toepassing van duurzame materialen.
Om er zeker van te zijn dat de beoogde landschappelijke inpassing en de sloop van de noordelijke loods worden gerealiseerd, is in de planregels hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
13
hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Op rijksniveau wordt veel waarde aan de hiervoor genoemde prioriteiten. Dit bestemmingsplan is er, naast de aandacht voor de economische ontwikkeling, mede op gericht de bestaande waarden te beschermen en te versterken. Het is daardoor in overeenstemming met het Rijksbeleid. De nationale belangen zijn verder in diverse beleidsstukken van lagere overheden vertaald, waaronder de provinciale verordening. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan heeft de wetgever in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied van onderhavig plan is gelegen binnen 'De Stelling van Amsterdam'. In het provinciale beleid (toelichting paragraaf 3.2.1 en toelichting paragraaf 3.2.2) worden de kernkwaliteiten van 'De Stelling van Amsterdam' nader uitgewerkt. Verder zijn er geen specifieke randvoorwaarden vanuit het Barro. 3.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro, 2017) Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder.
14
De ladder moet worden toegepast als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het gaat hier om de herstructurering en uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied van de gemeente De Ronde Venen. Een toetsing aan de Ladder is vanwege het karakter van het bestemmingsplan niet aan de orde.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) gaat over het ruimtelijk beleid van de provincie Utrecht. Met het ruimtelijk beleid zorgt de provincie ervoor dat het aantrekkelijk blijft om hier te wonen, te werken en te recreëren. De PRS is alleen bindend voor de provincie zelf. De juridische vertaling van het beleid is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke verordening (PRV). De met vele regiopartijen opgestelde Kadernota Ruimte en Strategie Utrecht 2040 heeft als basis gediend voor de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS). De filosofie 'lokaal wat kan, regionaal wat moet' staat in de PRS centraal. Het accent is verlegd van een toetsende rol van de provincie naar een rol waarin de provincie stuurt op kwaliteit (ontwikkelingsplanologie). De PRS is in essentie opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via het provinciale ruimtelijk beleid wordt bijgedragen aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De doelen uit de Strategie Utrecht 2040 vragen om een integrale aanpak die voor het provinciale ruimtelijk beleid resulteert in vier pijlers: 1. 2. 3. 4.
een duurzame leefomgeving; beschermen kwaliteiten; vitale dorpen en steden; dynamisch landelijk gebied.
De volgende punten worden als provinciaal belang aangewezen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Uitnodigende zones die stad en land verbinden en bijdragen aan de kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu. Behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap en behoud van aardkundige waarden. Behouden en ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden. Een economisch vitale en duurzame landbouwsector. Behouden en ontwikkelen van de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding (recreatie en toerisme). Behouden van gebieden waar rust en stilte kan worden ervaren.
De provincie wil de kwaliteit en de dynamiek van het landelijk gebied behouden. Functies die bijdragen aan behoud van de openheid, kwaliteit en/of beleefbaarheid van het platteland, zoals landbouw en natuur, worden gekoesterd. Een verdere uitwaaiering van stedelijke functies over het landelijk gebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. In het landelijk gebied komen verspreid ook individuele niet-agrarische functies voor. Voorkomen moet worden dat deze ruimtelijk zodanig beperkt worden in hun ontwikkeling, dat geen sprake meer kan zijn van voortzetting van de bestaande bedrijfsvoering. De provincie vindt daarom 20% uitbreiding van de bebouwing aanvaardbaar. In bijzondere gevallen kan dit niet genoeg zijn voor het voortzetten van de bedrijfsvoering. Mits de noodzaak goed wordt onderbouwd, kan een ruimere uitbreiding dan aanvaardbaar zijn. Hetzelfde geldt voor uitbreiding van het bestemmingsvlak. Ontwikkeling binnen het bestaande bestemmingsvlak heeft de voorkeur, maar bij een economische noodzaak kan ook uitbreiding worden overwogen. Naarmate de impact op de omgeving groter is, ligt het meer voor de hand om een tegenprestatie te vragen. In alle gevallen moet een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd zijn.
15
Planspecifiek In het voorliggende geval is sprake van het uitbreiden van de bebouwing met 20%. Daarnaast is ruim aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing. Dit is ook als zodanig afgestemd met de provincie Utrecht. Bovendien is de landschappelijke inpassing ook juridisch geborgd. Cultuurhistorie Voor het thema cultuurhistorie is het plangebied aangeduid met 'Militair erfgoed' en 'Agrarisch cultuurlandschap'. Het plangebied bevindt zich in de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam heeft een uitzonderlijke universele waarde waarbij een aantal kernkwaliteiten horen. De provincie wil de volgende kernkwaliteiten behouden en ontwikkelen: 1. 2. 3.
samenhangend stelsel van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; groen en overwegend rustig karakter c.q. relatief ‘stille’ ring rond Amsterdam; openheid.
Met het beoogde plan worden de forten, dijken, kanalen en inundatiekommen niet aangetast. Er wordt ingespeeld op het groene en rustige karakter en het plan is zo ingepast dat de bestaande landschappelijke structuren gerespecteerd en versterkt worden. Tevens ligt het plangebied in het cultuurhistorische landschap het Groene Hart. De cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart moet behouden blijven. De kernkwaliteiten zijn als volgt: 1. 2. 3. 4.
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Het diverse landschap, de rust en openheid blijven met onderhavig plan zoveel mogelijk behouden. Het landschappelijke inrichtingsplan is hierbij leidend. Hierbij heeft een uitbreiding van het bouwvlak plaats met 20%, overeenkomstig het provinciale beleid. Een uitbreiding binnen het bestaande bestemmingsvlak heeft hierbij de voorkeur. In het voorliggende geval heeft een geringe noordelijke en zuidelijke uitbreiding van het bestemmingsvlak plaats, om de bedrijvigheid op een ruimtelijk en dus economisch verantwoorde wijze in te kunnen passen. Derhalve kan gesteld worden dat het onderhavige plan in overeenstemming is met de PRS. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht (herijking 2016) Doel van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. In de verordening zijn daartoe bepalingen over de inhoud van bestemmingsplannen opgenomen. Voor de inhoud van de PRV wordt verwezen naar de verordening zelf. De volgende provinciale belangen uit de PRV zijn van belang zijn voor dit bestemmingsplan. Algemeen: de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten dienen te worden beschermd en/of versterkt.
Een uitgebreide beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten is opgenomen in de 'Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen': openheid, (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc., landschappelijke diversiteit en rust en stilte. Gemeenten en initiatiefnemers wordt gevraagd bij ontwikkelingen hiervan gebruik te maken. Bestaande stedelijke functies: Stedelijke functies kunnen worden uitgebreid met 20% van de bestaande bebouwing. Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. In 3.8 van de PRV is aangegeven, dat stedelijke functies mogen worden uitgebreid met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden onder het vigerende planologisch regime. Van deze maximale uitbreiding kan
16
afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het bestemmingsvlak kan worden uitgebreid indien er sprake is van een economische noodzaak. Planspecifiek De Provinciale Ruimtelijke Verordening heeft een directe doorwerking op plannen van mede overheden. Met bovenstaande bepalingen dient daarom in zijn algemeenheid rekening te worden gehouden in de ruimte die het bestemmingsplan biedt voor bouw- en gebruiksmogelijkheden. Met onderhavig plan wordt het bestaande bestemmings- en bouwvlak uitgebreid binnen de geldende mogelijkheden (20% uitbreiding van de bestaande bebouwing). Vanwege de grootte van de landbouwvoertuigen is het huidige terrein niet meer geschikt voor de bedrijfsvoering van het bedrijf. De nieuwe loods zorgt ervoor dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse voortgezet kunnen worden. Op basis van de hierboven genoemde motieven is sprake van een economische noodzaak om het bestemmingsvlak voor bedrijven enigszins uit te breiden. Dat biedt overigens ook de ruimte voor de beoogde ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Zo is er aan de noordzijde thans meer ruimte in gebruik dan het huidige bestemmingsplan toestaat. Daar wordt gesaneerd, waarbij het dijkprofiel in ere wordt hersteld en een watergang wordt doorgetrokken. Daarnaast worden in het stramien van de polderstructuur een elzensingel en hagen aangebracht.
Ook wordt de rommelige situatie aan de zuidkant van het terrein opgelost, wat in combinatie met de vervanging van een verouderde werkplaats, de uitstraling van het bedrijf en de impact op de omgeving ten goede komt, mede in relatie tot de kernkwaliteiten uit de 'Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen'. In toelichting hoofdstuk 2 werd deze opgave verder uitgewerkt. Daarmee worden de omschreven provinciale belangen gewaarborgd. 3.2.3 Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen In de kwaliteitsgids wordt de ruimtelijke kwaliteit van de Utrechtse landschappen beschreven aan de hand van de kernkwaliteiten. Op basis hiervan geeft de provincie aan wat de ambities zijn voor het landschap. Daartoe worden de kernkwaliteiten van alle Utrechtse landschappen nader uitgewerkt. De kwaliteitsgids bestaat uit een analyse van de 'verhalen' van het landschap en van het 'feitelijke' landschap en een weergave van de gebiedsopgaven. Vervolgens worden de ambities weergegeven om de kernkwaliteiten van de landschappen te versterken of te herstellen. Ten slotte worden ontwikkelingsprincipes geschetst, waarmee wordt aangeven hoe moet worden omgegaan met dynamiek in de gebieden. De kwaliteitsgids bestaat uit zes gebiedskaternen, waaronder het gebiedskatern voor het Groene Hart en de Linies (Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam), welke relevant zijn voor het plangebied.
Voor het Groene Hart staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. Daarbij worden de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden en versterken. De focus ligt op het behouden, benutten en versterken van de contrasten tussen:
• • •
openheid en intimiteit; rust en reuring; oude en nieuwe overgangen.
De ambitie van de provincie voor de Waterlinies richt zich op het waarborgen en versterken tussen elementen uit de linies, met name op de specifieke kenmerken van onderscheiden deelgebieden. De ambitie voor de Linies is toegespitst op:
• •
accessen als uitgangspunt voor samenhang; bijzondere aandacht voor deelgebieden.
Planspecifiek In het opgestelde notitie 'Landschappelijke inpassing' is rekening gehouden met de genoemde punten. Het initiatief doet recht aan de kwaliteiten van het onderhavige gebied.
17
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 In de Structuurvisie Ronde Venen 2030 worden de hoofdzaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en de voorgenomen ontwikkeling daarvan beschreven tot aan het jaar 2030. In die periode wordt de Structuurvisie tweemaal geëvalueerd. In de Structuurvisie wordt ingezet op de ligging van de gemeente: enerzijds in het Groene Hart en anderzijds in de Noordvleugel van de Randstad. In de Structuurvisie wordt ingezet op het uitbouwen en versterken van deze relaties en op het optimaliseren van de Ronde Venen als een aantrekkelijke woon-, werk- en recreatiegemeente. Deze visie is beeldend tot uiting gebracht in de visiekaart, zoals aangegeven op onderstaande kaart.
Structuurvisie Ronde Venen 2030: Visiekaart
Voor voorliggend bestemmingsplan is in het bijzonder hoofdstuk 3 Landschap uit de Structuurvisie relevant. In dit hoofdstuk wordt het landelijk karakter van de gemeente benadrukt en wordt gesteld dat het
18
landschap het uitgangspunt is voor de ontwikkelingen tot 2030. Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt de landschappelijke en cultuurhistorische context een nadrukkelijke rol en wordt er gezocht naar mogelijkheden om de verschillende functies elkaar op samenhangende wijze te laten versterken. In dit hoofdstuk worden een zestal onderwerpen nader besproken:
•
Landschappelijke kwaliteit: het beleid is er hierbij op gericht op de openheid en het schaalniveau te bewaren en karakteristieke elementen in het landschap - de randen en de bebouwingslinten zichtbaar te houden. Ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de landschappelijke kwaliteit, waarvoor in de Landschapsnota nadere handvatten worden aangerecht.
•
Natuur: de bestaande natuur wordt beschermd en de biodiversiteit en ecologische waarden worden behouden en waar mogelijk versterkt. Economische ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van natuur zijn onder voorwaarden mogelijk, waarbij er wordt gezocht naar maatwerkoplossingen die recht doen aan de belangen van zowel de ondernemer als de natuur.
•
Landbouw: landbouw is de belangrijkste drager van het landschap. De landbouwsector krijgt binnen vastgestelde grenzen zoveel mogelijk ruimte voor agrarische bedrijfsontwikkeling. Innovatie, verduurzaming en een verbrede, multifunctionele landbouw worden toegejuicht. Cultuurhistorie: de in de Ronde Venen aanwezige cultuurhistorische waarden worden behouden en waar mogelijk versterkt. De gemeente zet in op het stimuleren van de beleefbaarheid van cultuurhistorische waarden. Het uitgangspunt bij ontwikkelingen is dat het aspect cultuurhistorie zorgvuldig wordt afgewogen en er wordt gezocht naar wederzijdse versterking.
•
•
Recreatie: het recreatieve potentieel van routes, plassen, verblijfsaccommodaties, de Stelling van Amsterdam en de weidse landschappen is ingrediënt voor 'branding' van de gemeente in de Metropool en de regio. Het recreatieve beleid richt zich op deze onderwerpen.
•
Kernrandzones: de ruimtelijke kwaliteit rond de kernen wordt verbeterd en de recreatieve mogelijkheden versterkt. Door realisatie van natuur, groen, aanleg en beheer van recreatieve voorzieningen, wordt verrommeling tegengegaan en de recreatieve belevingswaarde bij de kernen versterkt. Incidenteel zijn gepaste 'rode ontwikkelingen' mogelijk.
In hoofdstuk 4 van de visie over Vitale dorpen en kernen wordt breed ingezet op de leefbaarheid van zowel het landelijk gebied als de kernen. Bedrijvigheid kan bijdragen aan deze leefbaarheid, maar in verband met de ligging in het Groene Hart is intensief en duurzaam ruimtegebruik en een goede landschappelijke inpassing van belang. In hoofdstuk 5 van de visie over Trends en toekomstige ontwikkelingen wordt verduidelijkt hoe de gemeente omgaat met bovenlokale ontwikkelingen en de thema's duurzaamheid en milieu. De gemeente kiest voor duurzame ontwikkeling vanuit de brede definitie 'People, Planet, Profit'. Het milieubeleid is erop gericht om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken op een gezonde en veilige manier voor mensen en natuur. Hinder, gevaar en schade voor de gezondheid van omwonenden of 'gevoelige' bestemmingen worden zoveel mogelijk voorkomen en/of beperkt. Planspecifiek In de structuurvisie wordt specifiek vermeld dat bestaande niet-agrarische bedrijvigheid in het landelijk gebied mag worden voortgezet en passende en bescheiden uitbreidingsmogelijkheden mogelijk zijn, zolang de activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeersaantrekkende werking in het landelijke gebied passen. Tevens zet de gemeente in op ontwikkeling en innovatie van bestaande bedrijven.
Er ligt aan de voorliggende ontwikkeling een landschappelijke inpassing ten grondslag, terwijl ook de mogelijke relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht. Met dit bestemmingsplan wordt dan ook voldaan aan het gemeentelijk beleid van de Structuurvisie Ronde Venen 2030. 3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 (juni 2014) In de Structuurvisie van De Ronde Venen is aangegeven dat nadere uitwerking in de Landschapsnota nodig is om het beleid op het gebied van landschap, cultuurhistorie, landbouw, natuur en recreatie te implementeren. Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact die afwijken van het bestemmingsplan. Het streven is dat het aspect landschap dusdanig zorgvuldig wordt afgewogen bij
19
ontwikkelingen en initiatieven dat dit tot wederzijdse versterking leidt. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen - de Landschapstoets - waarbij er gebruik wordt gemaakt van een Landschapsbeleidskaart, een Deelgebiedenkaart en Deelgebied- beschrijvingen.
Landschapsbeleidskaart
Planspecifiek Juridisch gezien is de Landschapsnota een zogeheten 'beleidsregel', waarin de gemeente vastlegt hoe ze met bepaalde bevoegdheden omgaat. In het geval van de Landschapsnota wordt vastgelegd hoe de gemeente met de bevoegdheden uit het bestemmingsplan omgaat. Het ruimtelijk kader uit de Landschapsnota zal derhalve worden vastgelegd in nieuwe bestemmingsplannen. Dit kader is zowel leidend voor initiatieven die een beperkte omgevingsvergunning vragen (binnenplanse afwijkingsmogelijkheid), als voor initiatieven die afwijken van het bestemmingsplan, maar passen binnen ander of hoger ruimtelijk beleid. Het te volgen stappenplan van de landschapstoets geeft een onderbouwing, van de landschappelijke inpasbaarheid van de ontwikkeling.
20
Landschapstoets Het plangebied ligt binnen de grenzen van deelgebied 7, 'droogmakerij; landbouw'. In toelichting paragraaf 2.2 staat de landschappelijke inpassing van het plan beschreven. Het saneren van het opslagterrein maakt het mogelijk om het dijkprofiel aan de dijkzijde met groen in te richten en de bestaande sloot te verleggen. Dit zorgt voor een groene en open uitstraling wat passend is bij het dijkprofiel en het deelgebied. De herinrichting aan de zuidzijde langs de provinciale weg, N201, met streekeigen beplanting zorgt voor een groene uitstraling vanaf de N201. Er kan gesteld wordt dat de positionering van de nieuwe bedrijfsbebouwing en de herinrichting van het terrein positieve effecten heeft binnen het deelgebied en de landschappelijke kwaliteiten versterkt. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen de Landschapsnota De Ronde Venen 2030. 3.3.3 Ontwikkelen vanuit het hart: economische visie 2025 – naar een duurzaam vitaal ondernemersklimaat In deze visie wordt de economie van het buitengebied, waar in een rijke groene omgeving tussen meerdere stedelijke gebieden wordt gewerkt, als één van de kernkrachten van De Ronde Venen gezien. De ambitie die de visie uitspreekt is om deze positie te behouden en duurzaam te versterken. Economische ontwikkeling moet gepaard gaan met ruimtelijke kwaliteit.
Er wordt ruimte geboden aan verdere ontwikkeling van de agrarische sector. Daarbij wordt gezocht naar een goede balans tussen de doorontwikkeling van de agrarische sector en het behoud van de ruimtelijke en natuurlijke kwaliteit van het buitengebied. Voor het gehele agrarische gebied wordt ruimte geboden om te innoveren en te investeren en om de concurrentiepositie te kunnen verstevigen. Het benutten en uitbouwen van de kennis die in de agrarische sector aanwezig is van belang om de innovatie en vernieuwing te blijven stimuleren. Er worden ook veel kansen gezien voor vernieuwing van de sector. Eerlijke en lokale producten zijn in trek bij consumenten. De verkoop bij het bedrijf of in het centrum sluit hier goed op aan. Op een professionelere schaal is een duurzame agrarische sector de toekomst. De sector wordt gestimuleerd om in te zetten op de kansen die duurzaamheid kunnen bieden. Door in te zetten op de bio-economie, intensief ruimtegebruik, eigen producten te verkopen en door nieuwe (verbrede) activiteiten toe te voegen aan de bestaande activiteiten. Voor de toekomst is de ambitie de agrarische sectoren verder in de breedte te laten groeien, zodat een nog rijker palet aan toeristische producten ontstaat.
Met een accent op kleinere en middelgrote bedrijven, goed ingepast in de omgeving en tegemoetkomend aan de wensen van de toerist, die rust en ruimte wenst te combineren met milieuvriendelijke activiteiten, zoals fietsen en wandelen en verblijf en overnachting in een van de kernen. Naast de recreatieve bedrijven, biedt het buitengebied ruimte aan bredere nieuwe initiatieven zoals kinderopvang, de verkoop van streekproducten en zorgboerderijen. Het accent ligt op hergebruik van achtergebleven kavels en panden. Ten slotte is er blijvende aandacht voor de basisvoorzieningen zoals de infrastructuur en bereikbaarheid van het buitengebied en verbindingen tussen de kernen. Vermarkting van De Ronde Venen staat momenteel nog niet op zichzelf. Ze sluit aan bij een regionaal netwerk dat het Groene Hart vermarkt én ze werkt samen met omliggende gemeenten in de Metropoolregio. Het recreatief potentieel van routes, plassen, verblijfsaccommodaties, de Stelling van Amsterdam en de weidse landschappen is ingrediënt voor 'eigen branding' van de gemeente in de Metropool en de regio. Binnen de Metropoolregio ziet de gemeente kansen om de toeristisch-recreatieve sector in De Ronde Venen te versterken. Hierbij legt de gemeente de nadruk op de landschappelijke meerwaarde voor land- en waterrecreatie voor alle doelgroepen.
21
Planspecifiek De nota gaat voor de verbreding van de agrarische activiteiten om zo de economische potentie van het gebied te versterken. Dit geldt ook voor nieuwe functies na bedrijfsbeëindiging. Dit betreft niet alleen recreatieve functies maar ook aan zorg gerelateerde functies en niet-agrarische bedrijvigheid. Daarbij staat wel voorop dat de landschaps-, cultuurhistorische en natuurwaarden een belangrijke bijdrage leveren aan de economische potentie van het gebied en behoud en/of versterking van die waarden uitgangspunt en/of leidend moeten zijn. In dit geval gaat de uitbreiding van het bedrijf gepaard met een adequate landschappelijke inpassing. Tevens wordt vanuit de opgave 'ontwikkelen vanuit het economisch hart' ingezet op het behoudt en het doorontwikkelen van bestaande bedrijven welke de economische basis vormen voor de gemeente. 3.3.4 Spoorboekje naar een Klimaatneutrale gemeente in 2040 Naar aanleiding van een unaniem besluit van de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen is in juni 2016 de motie klimaatneutraal 2040 aangenomen. Hierbij werd de gemeente opgedragen om met een programma te komen met als doel om in 2040 een klimaatneutraal De Ronde Venen te zijn. De gemeente definieert klimaatneutraal als volgt: 'dat alle activiteiten en processen op het gemeentelijk grondgebied geen bijdrage meer leveren aan klimaatverandering in de vorm van CO2-uitstoot'.
Het spoorboekje wil een actieve werkwijze met bijbehorende heldere en haalbare werksporen schetsen die leidt tot klimaatneutraliteit van De Ronde Venen in 2040. Planspecifiek Met de bouw van de nieuwe bedrijfsbebouwing worden de kansen benut om duurzaam te bouwen, waarmee het voldoet aan de eisen van deze tijd. Er wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen op het dakvlak, extra isolatie, led-verlichting, etc. Dit zal nader uitgewerkt worden in het kader van de omgevingsvergunning bouwen.
22
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bouwmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande planologische situatie met slechts 20% toe, wat overeenkomt met een toename van het bebouwd oppervlak van ten hoogste 522 m². Aangezien het in de kern gaat om een herstructurering van een bestaand bedrijventerrein, nieuwbouw en wijziging van de terreinindeling, is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit
23
m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Dit is nader weeggeven in de Aanmeldnotitie: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Wet archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Planlocatie
24
Archeologie Voor de ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd en is voor de gemeente een Plan van Aanpak opgesteld. Vervolgens heeft er met de gemeente nader overleg over de ontwikkeling plaatsgevonden. De gemeente De Ronde Venen hanteert bij de beoordeling de geactualiseerde archeologische verwachtingskaart. Er hoeft pas archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij ingrepen die groter zijn dan 2000 m² en dieper reiken dan 30 cm. De voorgenomen nieuwe loods heeft een omvang van 1.800 m², waardoor nader archeologisch (veld)onderzoek niet noodzakelijk is. Ondanks het voorstaande is er een Quickscan Archeologie voor de locatie uitgevoerd (IDDS, maart 2018). Het onderzoeksrapport is te vinden in bijlagen bij toelichting, bijlage 2. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied grotendeels op een getij-inversierug uit het Midden Neolithicum gelegen is. De restgeul is opgevuld met veen en was daardoor waarschijnlijk niet bijzonder gunstig voor bewoning. De zandige, relatief hoog gelegen, oeverafzettingen waren dat echter wel. Deze kunnen bewoonbaar zijn geweest vanaf het ontstaan van de kreek in het Midden Neolithicum tot aan de afdekking met veen ergens in de Bronstijd. Er kunnen sporen van bewoning voorkomen zoals paalkuilen, greppels, huisplattegronden, en vondsten zoals keramiek en vuursteen.
Deze resten kunnen worden verwacht op of in de oeverafzettingen, onder een eventuele laag restveen. Buiten de kreekafzettingen worden geen archeologische resten verwacht. Hier bevindt zich een landschap van getijde-afzettingen onder een laagje restveen. De getijde-afzettingen waren vergelijkbaar met de huidige Waddenzee en daardoor ongeschikt voor bewoning. Het veenpakket dat vanaf de Bronstijd hierop is ontstaan was eveneens ongeschikt voor bewoning en is bovendien grotendeels afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Vanaf de 17e eeuw is het plangebied waarschijnlijk onder water komen te staan en ook daarvoor was het mogelijk al zeer nat. In 1852 is het gebied drooggemalen, maar uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf het droogmalen tot op heden nooit bebouwd is geweest. Voorts wordt gewezen op het volgende: indien archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient dit zo spoedig mogelijk conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gemeld te worden. Dit kan door het invullen van het vondstmeldingsformulier op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl) of door contact op te nemen met de InfoDesk (info@cultureelerfgoed.nl). Verder dient bij het verlenen van de omgevingsvergunning de zogenaamde toevalsvondsten-clausule opgenomen te worden.
Hiermee kunnen bij onverwachte vondsten de bouwactiviteiten stilgelegd worden. De bouwactiviteiten mogen dan weer opgestart worden nadat er een nader onderzoek naar de archeologische waarde is uitgevoerd. In het voorliggende bestemmingsplan wordt, ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' opgenomen. Hierbij is een onderverdeling van toepassing naar 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4 en' 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5'. Cultuurhistorie De locatie aan de Van Geijnweg ligt deels in het aandachtsgebied voor behoud en versterking van de Stelling van Amsterdam: het betreft het deel waar de bestaande loods wordt gesloopt. De ontwikkeling van de nieuwe loods is echter gepositioneerd op het gedeelte van het perceel dat niet als zodanig is aangeduid. De sloop van de loods zorgt in het deel van het plangebied wat ligt in het aandachtsgebied voor het behoud en versteking van de Stelling van Amsterdam zorgt hier voor meer openheid. Verder bevinden zich hier geen militaire werken. In toelichting paragraaf 3.2.1 staan de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam beschreven.
Met de beoogde ontwikkeling worden de kernkwaliteiten en de cultuurhistorische waarden van de Stelling van Amsterdam niet aangetast. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het voorliggende plan.
25
4.3 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Derhalve is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.