Raadsvoorstel 33, Bijlage 2 Concept IRP DEF LR
Tekst van het document
•
Groen Blauwe verbindingen zijn groen ingerichte langzaamverkeer-verbindingen langs de hoofdstromen en structuren van de regio zoals de Vecht, de Hollandse waterlinie en de Utrechtse Heuvelrug (zie kaart) Deze zijn nodig om grote landschappen voor recreanten te ontsluiten (over land en water) en om ecologische verbindingen te maken. Daarbij heeft het fietsnetwerk ook een belangrijke rol in de regionale verplaatsingen voor wonen, werken en onderwijs. Door fiets- en wandelroutes te voorzien van groene bermen, natuurvriendelijke oevers en beplantingen en om de paar km groene rustpunten te creëren, ontstaat in de U16 een robuust netwerk langs de U16 stromen en cultuurhistorische structuren. Een deel van het netwerk is reeds aanwezig. Om het netwerk te completeren zijn 38 natuurschakels en 13 recreatieve verbindingen benoemd. Om barrières op te heffen zijn 19 fietsducten, 3 ecoducten en 16 kleinere faunapassages benoemd.
•
Regionale natuurkerngebieden hebben een oppervlakte van minimaal 30 ha en worden gerealiseerd in gebieden waar Natuur Netwerk Nederland ontbreekt. Er zijn 7 natuurkernen benoemd om het Natuur Netwerk Nederland te completeren (realiseren van de NNN is een zelfstandige opgave die door de provincie in de regio wordt uitgevoerd).
•
Groene contour gebieden, natuurgebieden die nog niet gerealiseerd zijn op aangewezen landbouwgronden in de U16. Gedeeltelijk vallen deze samen met de scheggen maar het grootste deel ligt in het landelijk gebied.
•
Herstel van erfbeplanting en kleine landschapselementen in landelijk gebied.
In totaal gaat het om het toevoegen van 4.110 ha natuur en recreatiegebied. Dat is inclusief 394 kilometer aan nieuwe recreatieve en ecologische verbindingen. Daar komt het beheer van natuuringerichte slootkanten nog bij, waarvoor 10.000 km oever in aanmerking komt. Ook worden snelfietsroutes en 9 buitenpoorten. bestaande stations die zich ontwikkelen tot recreatief transferia, die een gezond alternatief vormen voor de autobereikbaarheid van landschappen en recreatiegebieden buiten de stad, benoemd die onder mobiliteit in dit IRP worden gekwantificeerd. De wateropgave is nog niet gekwantificeerd in dit overzicht maar kan veelal meegekoppeld worden in het oppervlak van andere opgaven.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
41
Groene Scheggen Landbouw Bosgebied / Utrechtse Heuvelrug Groenblauwe verbindingen
Versterken van de groen-blauwe netwerken
42
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Vertaling van de ambitie in regionale opgaven De opgave is ruimtelijk vertaald in een zeven gebiedsgerichte (intergemeentelijke) opgaven en vier algemene opgaven. De gebiedsgerichte benadering geeft aanleiding om samenwerkingen aan te gaan en te werken aan ontwikkeling van concrete landschappelijke programma’s die voorwaardelijk zijn voor de verdere groei van de regio. De vier algemene opgaven om de schaalsprong te maken zijn: • Financiën regelen voor beheer/onderhoud en inrichting van bestaande en nieuwe natuuren recreatiegebieden waaronder ook kleine landschapselementen. • U16 Netwerk groenblauwe verbindingen versterken en toevoegen van nieuwe verbindingen ten behoeve van recreatie en natuur en een aantrekkelijke en klimaatrobuuste leefomgeving. • Stimuleren van de transitie van reguliere landbouw naar economisch rendabele kringlooplandbouw. • Water en groen behouden en toevoegen in de steden en dorpen. Voor het bestaande stedelijke gebied is niet een aparte gebiedsopgave omschreven. Hier liggen echter ook nadrukkelijk opgaven voor landschap, groen en klimaatadaptatie Deze gebiedsgerichte opgaven om de schaalsprong te maken zijn: 1. Blauwe krans Stelling van Amsterdam 2. Polderscheg Lange Linschoten - Woerden – Breukelen 3. Hollandsche IJsselscheg - Rijnenburg - A12zone 4. Waterliniescheg 5. Groene zoom Vijfheerenlanden 6. Groen raamwerk Heuvelrug-Lek 7.
Agrarisch groenblauw netwerk Naast deze ruimtelijke keuzes geven een aantal meer programmatische keuzes sturing aan het uitvoeren van de ontwikkeling van groen en landschap: • Voor het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug wordt ingezet op het vergroten van het nationaal park en het robuuster maken van de Heuvelrug voor natuur en recreatie. • Voor het Groene Hart wordt aangesloten bij de agenda van het NOVI-gebied en de daarbij horende overleggen en afspraken voor het Groene Hart. De openbare ruimte in de regio wordt ingericht met gezond leven als uitgangspunt. Het groen begint zoveel mogelijk bij de voordeur en staat in verbinding met grotere groenstructuren. Nieuwe verstedelijking wordt natuurinclusief ontworpen. • De openbare ruimte draagt bij aan het verminderen van hittestress en nieuwe verstedelijking wordt klimaatadaptief ontworpen. Waterretentie en infiltratie
Groen van landschap tot voordeur: Ook voor de RSU is het landschap de onderlegger (beeld: RSU)
•
•
zorgen ervoor dat er geen aanvullende druk op het watersysteem komt. De financiering van de groen-blauwe agenda is nog niet geborgd. De financieringsopgave is een gezamenlijke opgave van 16 gemeenten en andere overheden en stakeholders, waarvoor onderzocht wordt hoe hiervoor financiële dekking georganiseerd kan worden. Het uitgangspunt hierin is gezamenlijkheid. De financiering van deze opgave wordt in samenhang bezien met de verstedelijking, met name in de stedelijke openbare ruimte en de groene scheggen. Grotere groenopgaven zijn net als infrastructuur voorwaardelijk voor de groei van de regio. De regio zal voor de benodigde investeringen samenwerken met Provincie, Gemeenten, het Rijk, Waterschappen, Natuurbeheerders, eigenaren en andere belanghebbenden. Het programma ‘groen groeit mee’ speelt hierin een belangrijke rol.
De ruimtelijke keuzes voor groen, landschap en water staan niet op zichzelf. De keuze om groen voorop te zetten betekent ook iets voor de ontwikkeling van steden en dorpen. Het is ook een keuze om zo weinig mogelijk (grootschalige) uitleglocaties te ontwikkelen en waar deze toch nodig zijn in te zetten voor de verbetering van het omliggende landschap.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
43
USP
Zeist
Lunetten-Koningsweg
Bunnik Nieuwegein
Odijk
Houten
Schetsverbeelding bestaand
USP
Zeist
Lunetten-Koningsweg
Bunnik Nieuwegein
Odijk
Houten
Conceptuele verbeelding van het wiel met spaken als een van de dragers van de verstedelijkingsopgave 44
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 2: KEUZES VOOR DUURZAME MOBILITEIT Nabijheid en netwerk zorgen voor duurzaam mobiliteitsgedrag
verbeteren en aanleggen van fietsroutes en toeleidende OV-lijnen. Zo wordt ook de regio verbonden met het wiel met spaken en ontstaat een regionaal netwerk van hoogwaardige (snel)fietsroutes.
De regio Utrecht ligt als een spin in het web van het Nederlandse auto- en spoorwegennet. Een groot deel van het verkeer in de regio is nationaal georiënteerd. Deze goede verbondenheid is een kracht van de regio, maar de opgaven die samenhangen met groeiende mobiliteitsstromen kunnen slechts deels door de regio beïnvloed worden.
Beperken groei autoverkeer In de regio is op de meeste corridors van het hoofdwegennet niet of nauwelijks ruimte voor groei van de automobiliteit. Iedere vergroting van de regionale wegcapaciteit leidt uiteindelijk tot grotere knelpunten op deze corridors, waarbij de Ring Utrecht de bottleneck is. Het ervoor zorgen dat de groei van automobiliteit in de spits afgeremd wordt is daarmee een belangrijk doel voor de regio. Als we de groei van de automobiliteit faciliteren staat dat haaks op onze uitgangspunten van gezond stedelijk leven en heeft dat negatieve impact op de leefomgeving: meer autoverkeer in de stad/ naar bestemmingen én extra druk op het hoofdwegennet, meer (geluids)overlast op omgeving en meer sluipverkeer.
We zorgen ervoor dat in 2040 het kiezen voor duurzame mobiliteit voor de hand ligt. Door het concentreren en mengen van stedelijke functies op locaties dicht bij de stedelijke kern en rond knooppunten, die goed zijn ontsloten met fiets en OV, wordt het voor zoveel mogelijk mensen zo gemakkelijk mogelijk gemaakt om op een duurzame manier te bewegen door de regio. Organiseren van nabijheid Allereerst door het hiermee organiseren van nabijheid. Dit betekent dat functies als wonen, werken en voorzieningen steeds meer gemengd worden en ook toegang tot groen in de directe leefomgeving aanwezig is. Hierbij horen hogere dichtheden naarmate de OV bereikbaarheid beter is. Door nabijheid te organiseren zijn alle benodigde dagelijkse functies binnen wandel- en fietsafstand aanwezig. Het versterken van de wandel- en fietsinfrastructuur draagt bij aan deze nabijheid en brengt wonen, werken, voorzieningen en recreatie dichter bij elkaar. Dit principe van nabijheid geldt voor de gehele regio. Het betekent dat in alle kernen invulling wordt gegeven aan nabijheid en het bij elkaar brengen van functie. Nabijheid kan ook relatief zijn door goede verbindingen met de fiets of het OV. Schaalsprong OV en fiets: Wiel met spaken Ten tweede door de toegang tot het OV op verstedelijkingslocaties voor zoveel mogelijk mensen zo makkelijk mogelijk te maken.
Hiervoor wordt op regionaal niveau ingezet op het systeem “wiel met spaken” wat gefaseerd wordt gerealiseerd. Hierdoor wordt het bewegen van plek tot plek in de regio verbeterd met hoogwaardige en frequente verbindingen die minder alleen gericht zij op Utrecht Centraal, maar juist ook op een aantal andere knopen in het netwerk, zoals het Utrecht Science Park en Leidsche Rijn. Op een aantal knooppunten wordt het mogelijk over te stappen tussen dit regionale systeem en het nationale OV-netwerk of van auto op OV op zogenaamde multimodale hubs. Dit systeem van het wiel met spaken steekt diep de regio in en wordt bij alle knooppunten gevoed door het
Het is van belang om hierin samen met de Rijksoverheid op te trekken; als het Rijk de kosten van automobiliteit verder laat dalen en in het hele land meer snelwegcapaciteit toevoegt, roeien gemeenten met hun beperkende maatregelen tegen de stroom in. Uitgangspunt voor de gemeenten is dat de landelijke autonome groei van (auto) mobiliteit er niet toe mag leiden dat we rond regiopoorten of in kernen niet kunnen verstedelijken. Daar hoort bij dat we met het Rijk tot afspraken komen waarbij we verstedelijking én de inzet van generiek mobiliteitsbeleid koppelen aan Rijksinvesteringen in alternatieven én het reduceren van (auto)mobiliteit op nationale corridors. Daarvoor zullen we per corridor of deelgebied (mobiliteitsscheg) in het vervolgonderzoek van U Ned scherp in beeld brengen welke stromen een regionale oorsprong hebben of afkomstig zijn van nieuwe verstedelijking en welk stromen het gevolg zijn van landelijke autonome groei van het autoverkeer. Tevens gaan we samen met andere overheden aan de slag om de alternatieven beter te maken, maar ook gedragsverandering te stimuleren door bijvoorbeeld afspraken te maken over parkeerbeleid, beprijzen en het maken van afspraken met werkgevers en onderwijsinstellingen.
Deze inzet geldt voor de hele regio en is in het stedelijk gebied en de grote verstedelijkingslocaties direct om de stad, waar we door middel van het principe van nabijheid verstedelijking in hoge dichtheden kunnen combineren met OV en fietsoplossingen van zeer hoge kwaliteit, zeer kansrijk.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
45
Foto: Uithoflijn, SpoorPro 46
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Veelal op grotere afstand van de stad liggen verstedelijkingslocaties rond regiopoorten. Dit zijn goed multimodaal ontsloten locaties waarvan we een grote bijdrage aan de verstedelijkingsopgave verwachten. Het is op deze locaties niet realistisch om hetzelfde effect te verwachten van de inzet op ander mobiliteitsbeleid omdat voor veel reizen OV en fiets minder en auto meer vanzelfsprekend zijn dan in het stedelijk gebied. Hoe verder van het kern OV-netwerk, hoe belangrijker het is om ook andere oplossingen te vinden voor het beperken van de spitsdruk van het autoverkeer. Ook in meer landelijk gelegen gebieden is het belang van investeren in OV en fiets groot en liggen kansen voor alternatieve maatregelen, waaronder mobility as a service, spitsmijden en het op de juiste plekken bieden van overstapmogelijkheden tussen de auto en andere modaliteiten. Adaptieve aanpak Op deze plekken gaan we aan de slag met een pragmatische en adaptieve aanpak waarbij we vooropstellen dat we de gewenste verstedelijking mogelijk gaan maken en waarbij we ervoor waken dat de discussie over nationale netwerken, bijvoorbeeld de capaciteit van de Ring Utrecht, verhindert dat we bij verstedelijkingslocaties aan de slag kunnen.
Dat betekent dat we op kwetsbare plekken als aansluitingen of kruisingen bekijken of beperkte investeringen lokale problematiek kunnen verlichten en/of verstedelijkingslocaties aantrekkelijker kunnen maken. En het betekent een gerichte inzet op ketenmobiliteit waarbij sterke OV-corridors gekoppeld worden aan fiets, P+R en deelmobiliteit op regiopoorten en multimodale hubs. Als verstedelijking in combinatie met regionale en landelijke ontwikkelingen in mobiliteitsgedrag er toch toe leidt dat automobiliteit rond deze locaties groeit en daarmee tot verdere belasting van het hoofd- én onderliggend wegennet leidt, dan zijn extra bovenplanse maatregelen noodzakelijk om de groei van de automobiliteit door deze ontwikkeling te compenseren, waarbij we voor wat betreft de financiering van deze maatregelen deels ook naar opbrengsten van verstedelijking zullen moeten kijken om ze mogelijk te maken. De uitwerking van deze adaptieve ontwikkelingsstrategieën zullen we ter hand nemen op het niveau van deelgebieden in nauwe samenwerkingen met de provincie, waarbij we op zoek gaan naar ruimte in het mobiliteitssysteem om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.
Concreet worden hiermee de volgende keuzes gemaakt: 1. Het verminderen van de mobiliteitsbehoefte door het principe van nabijheid toe te passen in de ontwikkeling van de regio. Het daily urban system (wonen, werken, voorzieningen) van bewoners ligt zoveel mogelijk in de buurt van elkaar en in de buurt van OV-knooppunten, waardoor het zo vanzelfsprekend mogelijk wordt om te voet, met de fiets of met het OV te reizen. 2. Het opbouwen van een integraal pakket aan mobiliteitsingrepen dat tot doel heeft om autoverkeer met bestemming Utrecht in de spits zoveel mogelijk te beperken. Dit wordt gedaan door: • Verbeteren van het regionale OV- en fietsnetwerk: ◦ Een systeemsprong fiets bestaat uit het creëren van een regionaal non-stop fietnetwerk dat alle woonkernen in de regio op een zo snel mogelijke manier verbindt met centra, OV-knooppunten en alle belangrijke bestemmingen in het stedelijk gebied. Hiervoor zijn nodig: і realisatie snelfietsroutes і realisatie regionale fietsroutes en missing links і combineren nieuwe OV-assen (Wiel met Spaken) met nieuwe fietsroutes і goede stallingen en deelfietsen bij OV-knopen ◦ De aanleg van een regionaal OV systeem ‘wiel met spaken’ met hoogwaardige en frequente OV verbindingen die Utrecht en de regio directer met elkaar verbinden.
Het wiel met spaken bestaat uit bestaande en nieuwe OV verbindingen, zoals de bestaande spoorlijnen en tramlijnen, maar ook nieuwe lijnen die niet op het centrum van Utrecht gericht zijn. Het wiel met spaken maakt het bebouwen en verdichten van een aantal locaties binnen en aan de rand van de stad Utrecht mogelijk, zoals de A12-zone, Papendorp, USP/Rijnsweerd en Lunetten-Koningsweg Hiervoor is nodig: і Wiel: De aanleg van het OV-wiel, dat bestaat uit hoogwaardige OV-verbindingen in een ring rond Utrecht, waar regionale OV lijnen op kunnen aanhaken. Het gaat om de verbinding van Leidsche Rijn – Westraven, Westraven – Lunetten – USP, USP – Overvecht en Overvecht – Leidsche Rijn. і Spaak: Het versnellen van de Merwedelijn van Utrecht Centraal naar Nieuwegein en IJsselstein via de Merwedekanaalzone і Spaak: De aanleg van een HOV-verbinding van het USP naar Zeist-Noord (en verder naar Amserfoort) waar een multimodale hub ontstaat en waardoor een tramverbinding Zeist-Nieuwegein mogelijk wordt, via USP en Lunetten.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
47
Nieuwe bedrijventerreinen Woningbouwontwikkeling Nieuw hoogstedelijk gebied Historische kern Huidige bedrijventerreinen Huidige steden Vitale kernen Weg Fietsroute
Mobiliteitsnetwerk 2040
48
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
і Spaak: Het uitbreiden van de spoorcapaciteit om frequentieverhoging van treinen mogelijk te maken. Op de corridor Breukelen – Utrecht – Maarn zijn maatregelen nodig die in UNED worden onderzocht. Deze zijn nodig om onder meer de stations Breukelen, Bunnik en Driebergen-Zeist te bedienen en het dubbelstation Lunetten-Koningsweg mogelijk te maken і Op de corridor Woerden – Utrecht – Houten is de infrastructuur al op orde en voeren we met Rijksoverheid en spoorsector het gesprek over de meest wenselijke bedieningsmodellen. ◦ Ook buiten het wiel met spaken moet het toeleidende OV op orde zijn. Op een aantal multimodale knopen worden het wiel en de spaken gevoed door OV-lijnen vanuit de regio. Voorbeelden zijn versterkte OV-lijnen vanuit Uithoorn/De Ronde Venen naar Breukelen en Amsterdam-Bijlmer, vanuit Wijk bij Duurstede naar Bunnik en Lunetten/Koningsweg, vanuit de Lopikerwaard naar IJsselstein en/of Woerden en vanuit Vijfheerenlanden naar Utrecht. • Beïnvloeden van mobiliteitsgedrag: ◦ Het regionaal afstemmen van prijsmechanismen door parkeerbeleid, waarbij betaald parkeren op de belangrijkste bestemmingen (m.n. binnen de ring Utrecht en op de nieuwe verstedelijkingslocaties) een belangrijk instrument is in combinatie met goede fietsen OV-verbindingen. ◦ Het maken van afspraken met werkgevers en onderwijsinstellingen om de spitsdruk op het mobiliteitssysteem te verminderen.
◦ Het verkennen van mogelijkheden van wegbeprijzing (al dan niet naar tijd en plaats) of cordonheffing, in afstemming met landelijke ontwikkelingen op dit gebied. • ◦
◦ ◦ ◦
Verbeteren van de weginfrastructuur waar dit knelpunten wegneemt, zoals: Het toevoegen van multimodale hubs aan alle snelwegcorridors om automobilisten de mogelijkheid te geven om naar fiets of OV over te stappen als zij hun eindbestemming in het stedelijk gebied hebben. Het afmaken van de verbreding van de A27 tussen Houten en Everdingen Het compleet maken van knooppunt Everdingen Onderzoek naar het wegnemen van een aantal regionale knelpunten die samen hangen met regionale verstedelijkingslocaties, zoals de N210 bij IJsselstein, de Oostelijke rondweg van Woerden, een extra aansluiting bij Breukelen Noord, het volledig maken van de aansluiting van de Limesbaan (N421) en de N229 die door Odijk gaat.
Wiel, spaken en LV netwerk, zoals geïllustreerd in de RSU
Indien de groei van de regio op termijn alsnog leidt tot sterke groei van autogebruik in de spits ligt er een keuze voor tussen: 1. Sterker in te zetten op de maatregelen onder punt 2 hierboven: het verder versterken van fiets en OV en zwaarder inzetten op gedragsverandering. OF 2. Het alsnog uitbreiden van de regionale weginfrastructuur bij de grootste knelpunten, specifiek in de vorm van een te onderzoeken regionale bypass van de A12 ten zuiden van Utrecht in combinatie met toeleidende infrastructuur vanuit Nieuwegein, Utrecht en de Kromme Rijn streek. Dit staat echter op gespannen voet met de kwaliteit van leven in de te verstedelijken A12-zone en het vervolgonderzoek in U Ned is er op gericht om verstedelijking (in de hele regio en specifiek in de A12 zone, Utrecht Zuidwest en de Kromme Rijn streek) mogelijk te maken zonder deze bypass. Als uiterste optie zal de bypass wel in het IRP-kaartbeeld met de verste doorkijk figureren als een mogelijkheid.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
49
Foto: Mijdrecht, Ruijgrok Makelaars
REDENEERLIJN 3: EEN GEZONDE REGIO BEGINT MET VITALE KERNEN Kleine en middelgrote kernen groeien voor eigen behoefte en zijn complementair aan elkaar en de regio In het Utrechtse landschap ligt een rijk netwerk van vitale kernen. Deze kernen blijven zich ontwikkelen waar dat mogelijk is in samenhang met de doelstellingen voor groen, landschap en mobiliteit. De vitale kernen voegen ieder een eigen karakter toe aan de regio en zijn daarmee een complementair onderdeel van de stedelijke regio. De vitale kernen zijn de kernen die niet direct aangesloten zijn op het wiel met spaken en die vanuit het oogpunt van nabijheid en mobiliteit niet de locaties zijn waar de grote groeiopgave van de regio zijn plek vindt. De ontwikkeling van deze kernen is veel meer gericht op het behoud en de verbetering van de leefbaarheid in de kernen, die door demografische ontwikkelingen onder druk staan. Vitale kernen hebben ruimte nodig om invulling te geven aan dynamiek, veelal door woningbouw. Soms is er genoeg ruimte binnen de kernen zelf, maar soms is er ook uitleg nodig. De dynamiek die nodig is in de vitale kernen wordt aangegrepen om de kwaliteit van de kernen en het landschap waarin ze liggen een impuls te geven.
Belangrijke thema’s zijn het creëren van ruimte voor doorstroming in de lokale woningmarkt (met name voor senioren en jongeren) en het ondersteunen van bestaande voorzieningen en werkgelegenheid. Het lokale MKB speelt een belangrijke rol in de maatschappelijke structuur. De ontwikkeling van deze kernen wordt gekoppeld aan andere opgaven zoals het verbeteren van groen, landschap, water, energie of werken. Ook binnen deze kernen is nabijheid een leidend principe. Dit betekent niet dat alle functies in iedere kern aanwezig kunnen zijn of dat alle voorzieningen behouden kunnen blijven. Het gaat erom dat voorzieningen in de dagelijkse leefomgeving toegankelijk zijn, soms ook in nabijgelegen kernen (verbonden vitaliteit), waarbij de kwaliteit van de verbindingen op orde moet zijn. Bouwen voor de eigen woningbehoefte en vitaliteit is voor iedere gemeente mogelijk. De opgave voor vitaliteit is van belang voor de kwaliteit van de regio als geheel en is dus een gedeeld belang van alle 16 gemeenten. De vraag is dus vooral hoe lokaal invulling gegeven kan worden aan dat gedeelde belang. Het is daarbij belangrijk dat die behoefte in balans wordt gebracht met overige opgaven, met name rond groen en landschap en mobiliteit, waarbij afstemming met het provinciale beleid belangrijk is. De opgave wordt dus met elkaar gedeeld, vervolgens wordt deze lokaal op de best passende wijze ingevuld.
De opgave voor vitaliteit is geen grote groeiopgave. De verwachting is daarom dat ruimte geven aan vitale kernen de bevolking op peil houdt en daarmee geen grote groei van mobiliteitsvraag veroorzaakt. Het dient juist om krimp tegen te gaan en draagvlak te houden voor bijvoorbeeld OV-verbindingen. Het uitgangspunt is daarmee dat ontwikkeling niet zou moeten leiden tot een belasting van het bestaande wegennet die de doorstroming in de spits extra belemmert. De ontwikkeling van vitale kernen gaat niet over een groeiopgave en is geen argument om weginfrastructuur in de regio structureel uit te breiden, temeer omdat deze uitbreiding weer noopt tot capaciteitsuitbreiding ‘down the stream’ van op- en afritten en snelwegen. Dat wil niet zeggen dat lokaal geen aanpassingen mogelijk zijn aan de infrastructuur om verstedelijking en mobiliteit beter op elkaar af te stemmen, bijvoorbeeld door wegen om nieuwe verstedelijkingslocaties te leggen en infrastructuur slimmer te gebruiken. Deze lijn willen we ook met de provincie per deelgebied verder uitwerken ter vervanging van de huidige mobiliteitstoets, waarbij we het belang van het ontwikkelen van goede alternatieven (verbeteren van ov- en fietsverbindingen + multimodale overstappunten) bovenaan zetten.
Het uitgangspunt blijft evenwel dat in de spits niet of nauwelijks meer auto’s het wegennet op rijden en dat we ook in de vitale kernen volop in zetten op spitsmijden en duurzame vormen van mobiliteit, waarbij de fiets volop ruimte krijgt en de verbindingen tussen kernen en Regioknopen met uitstekende OV-verbindingen wordt verbeterd, zowel met directe en snelle OV-lijnen als door de overstap tussen modaliteiten makkelijker te maken met multimodale hubs. Bouwen voor eigen behoefte moet uiteindelijk bijdragen aan een kwalitatieve verbetering van de kern en het landschap waar de kern in ligt. De precieze opgave voor vitaliteit verschilt per gemeente en per kern. Dit betekent dat de invulling ook begint met de lokale behoefte voor vitaliteit in beeld te hebben en daar lokaal specifieke oplossingen bij te ontwikkelen. Nieuwe woningen zullen bijvoorbeeld in het segment en woonmilieu gebouwd moeten worden waar de lokale behoefte ligt en in een tempo dat de lokale markt kan absorberen. Als er teveel woningen tegelijk worden gebouwd zal dat een extra aanzuigende werking hebben op de regionale markt.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
51
Odijk
Houten
Cothen Leersum Amerongen
Wijk bij Duurstede
Maurik
Elst
Eck en Wiel
Ingen
Schetsverbeelding Perspectief: Wijk bij Duurstede
Maarssen Breukelen
Harmelen Woerden
Abcoude
Vinkeveen
Mijdrecht
Schetsverbeelding Perspectief: de Ronde Venen 52
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Een aantal middelgrote kernen heeft groeiambities die de lokale woningbehoefte overstijgen. De definitie van vitaliteit is er hierbij ook op gericht om het voorzieningenniveau en economisch profiel van de kernen te versterken. Hiermee verbinden deze kernen zich aan de regionale opgave en zullen zij hierin ook een specifieke rol moeten nemen. Ook hier wordt gezocht naar manieren om dat binnen de kaders van het landschappelijke en mobiliteitssysteem in te passen. Uitbreiding bovenop de eigen behoefte wordt getoetst aan de verstedelijkingsladder zoals opgesteld in de Ruimtelijk Economische Koers en de Contour. Concreet ligt hierbij de uitdaging om te onderzoeken hoe de ambities voor een aantal middelgrote kernen passen binnen de doelstellingen voor landschap, groen, water en verkeer: •
•
Wijk bij Duurstede: Woningbouw voor de eigen woningbehoefte is mogelijk indien dit het autoverkeerssysteem niet of nauwelijks meer belast dan de huidige situatie. Dit betekent dat er gezamenlijk ingezet moet worden op beter gebruik van OV, fiets en spitsmijden, zoals meer thuiswerken. Daarbij is een nauwe afstemming met de andere gemeenten aan de N229 en N227 noodzakelijk; ook deze kernen kunnen de bestaande wegen niet zwaarder belasten in de spits, aangezien de auto’s uit Wijk dan achteraan de file aansluiten.
•
De Ronde Venen/Mijdrecht: woningbouw is aanleiding om te onderzoeken hoe een bijdrage geleverd kan worden aan een klimaatrobuuste regio door als regio een voorbeeld te zijn van innovatieve manieren van natuurinclusief bouwen en nieuwe ruimte voor waterberging in combinatie met natte natuurontwikkeling. Woningbouw mag slechts beperkt leiden tot meer autoverkeer op de N201, die daartoe volgens de bestaande plannen verbouwd dient te worden. De fiets en OV-netwerken kunnen vanuit Mijdrecht richting met name knooppunt Breukelen en Uithoorn flink verbeterd worden door snelfietsroutes en een systeem van directe en snelle buslijnen ondersteund door lokale lijnen, conform het OV-plan van de gemeente Ronde Venen. Binnen die kaders lijkt het mogelijk om ook in De Ronde Venen groeipotentie te benutten, de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren, gebruik makend van de bestaande (verbeterde) weginfrastructuur.
In totaal gaat de opgave voor vitaliteit om ca. 15% van de totale woonbehoefte of ca. 15.000 – 22.000 woningen
IJsselstein: woningbouw en de omlegging N210 gaan hand in hand en mogen niet of nauwelijks leiden tot meer autopendel in de spits op bestaande provinciale en snelwegen. Het creëren van aantrekkelijke sluipverkeer routes door Nieuwegein en de Lopikerwaard dienen we tegen te gaan en bestaande en nieuwe bewoners moeten bestaande voorzieningen en OV in IJsselstein zo veel mogelijk versterken. IJsselstein kan bijdrage aan de behoefte aan een groenstedelijk woonmilieu en aan de landschapsontwikkeling en groene scheg Kromme IJsselpark. Door de aanwezigheid en mogelijke versnelling van openbaar vervoer zijn er in IJsselstein kansen om ook een bijdrage te leveren aan de regionale woningbouwopgave die past bij de verstedelijkingsladder.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
53
Foto: Vianen, Vrijstad Vianen
Vitale kernen: zelfstandig en verbonden
Handreiking vitaliteit met kwaliteit
In vitaliteit voor kleine en middelgrote kernen spelen bevolkingsopbouw, woningvoorraad, economie, voorzieningenaanbod, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit een rol. Kleine en middelgrote kernen zijn allemaal verschillend en deze aspecten zullen dus in iedere kern in een andere mate spelen. De grootte van een kern speelt daarbij een belangrijke rol. Niet iedere kern kan een volledig voorzieningenprogramma ondersteunen en daarom is het belangrijk om onderscheid te maken in twee soorten vitaliteit:
Bij vitale kernen is inbreiding en uitbreiding met ruimtelijke kwaliteit een belangrijke opgave die ondanks een kleinere kwantitatieve opgave serieus genomen moet worden. Voorkomen moet worden dat bij (kleine) uitbreidingen alleen naar de kwantiteit wordt gekeken. Bij elke uitbreiding is het van belang dat deze bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de kern en het landschap. De provincie en ook verschillende gemeentes ontwikkelden hiervoor reeds richtinggevende documenten voor ruimtelijke kwaliteit.
• •
Zelfstandige vitaliteit: de mate waarin een kern zelf vitaal is en de aspecten als wonen, werken en voorzieningen in balans zijn. Verbonden vitaliteit: Voorzieningen en werk zijn niet in dezelfde omvang in elke kern aanwezig, maar een kern kan toch vitaal zijn als deze zaken in de omgeving goed toegankelijk zijn met openbaar of eigen vervoer.
Dit alles betekent dat er geen eenduidig antwoord is op het vitaliteitsvraagstuk, maar dat er per kern gekeken moet worden naar zelfstandige en verbonden vitaliteit.
De regio stelt een handreiking voor ‘vitaliteit met kwaliteit’ op. Een beeldend inspiratiedocument dat ook ‘de Utrechtse werkwijze’ beschrijft om tot ruimtelijk meerwaarde te komen. Samen met initiatiefnemers wordt onderzocht hoe de uitbreiding van de kern bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Onderwerpen die hierbij van belang zijn: • cultuurhistorie (o.a. ontstaansbasis van de kern) • stedenbouwkundige en architectonische eigenheid van de kern • landschap (o.a. verkavelingspatroon, groenstructuur etc) • water & klimaatadaptatie (o.a. belang van voldoende groen en water oppervlak) Aan de handreiking kunnen goede voorbeelden ter inspiratie worden toegevoegd.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
55
Van een stad in het landschap met één centrum naar een landschap in de stad met meerdere hoogstedelijke centra (beeld: RSU)
Schetsverbeelding Perspectief de Centrale As 56
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 4: NIEUWE METROPOOLPOORTEN MAKEN VAN UTRECHT HET POLYCENTRISCHE HART VAN DE REGIO De stad Utrecht maakt een schaalsprong binnen de stadsgrenzen Groen, landschap en mobiliteit zijn voorwaardelijk voor de groei van de regio - ook binnen de stad Utrecht. De stad vindt ruimte om te groeien en te vergroenen tegelijkertijd door de verstedelijking te concentreren in een aantal hoogstedelijke centra die goed worden verbonden met het OV. De stad Utrecht als vliegwiel van de groei van de regio De stad Utrecht groeit en ontwikkelt zich snel en de regio groeit met haar mee. Het onbetwiste hart van de regio is het centrum van Utrecht, waarbij het centraal station de best bereikbare plek van het land en daarmee ook van de regio is. Rond deze centrale plek ontwikkelt de stad zich snel. Om de verdere groei van de stad en de regio ruimte te geven kiest Utrecht ervoor om naast de kwaliteiten die het centrum biedt, een aantal aanvullende hoogstedelijke centra toe te voegen, waarin wonen, werken, voorzieningen, groen en mobiliteit in samenhang worden ontwikkeld. Binnen tien minuten van de voordeur kan iedere Utrechter straks alle functies vinden die zij in haar dagelijks leven nodig heeft. Utrecht wordt een 10-minutenstad. Metropoolpoorten: nieuwe hoogstedelijke centra Deze nieuwe plekken zijn uitstekend verbonden met het OV.
Ze zijn verbonden met het centrum van de stad en met de regio, maar ook met elkaar. Deze hoogstedelijke centra zijn volop gemengd en zijn aan elkaar gekoppeld door het wiel met spaken, en hebben ook allemaal een verbinding met het landschappelijke netwerk van de regio. Deze hoogstedelijke centra hebben ook voor de regio betekenis. Het zijn plekken waar functies in hoge dichtheid en menging aanwezig zijn, waar veel mensen werken, wonen, naar school gaan en gebruik maken van stedelijke voorzieningen. Op een aantal plekken zijn het ook locaties waar je kunt overstappen van het regionale OV netwerk naar het nationale treinennetwerk, zoals in Lunetten/ Koningsweg en Leidsche Rijn Centrum. Door de introductie van deze hoogstedelijke centra in Utrecht verandert dus ook de relatie tussen regio en stad. Het regionale OV netwerk wordt minder gericht op alleen Utrecht centraal en het wordt makkelijker door de regio
en door de stad te bewegen. Door het wiel met spaken is straks niet alleen het centrum, maar de hele stad goed bereikbaar vanuit de regio. Utrecht Centraal blijft het hart van het regionale en nationale netwerk, maar krijgt voor het opvangen van de grote groeiopgaven hulp van de metropoolknopen. Groene scheggen dringen het stedelijk weefsel in Als contramal van de spaken die als assen van verstedelijking radiaal vanuit Utrecht de regio in steken, steken groene scheggen vanuit de regio de stad in. Tussen de verstedelijkingslocaties door dringt het groen van de regio de stad in, en vanuit iedere metropoolknoop wordt de relatie gelegd met een groene scheg en daarmee het Utrechtse landschap. Mobiliteit, verstedelijking en groen worden zo in relatie met elkaar gebracht. De ontwikkeling van Utrecht concentreert zich op verschillende plekken: Groot Merwede Groot Merwede is het gebied waar de komende jaren grote groei zal plaatsvinden. Utrecht Centraal, het Jaarbeurskwartier, de Merwedekanaalzone, Nieuwegein City en Rijnhuizen bieden ruimte aan duizenden woningen die in bestaande plannen zitten en volop in de voorbereiding zijn. De A12 zone ligt als grootste regionale ontwikkellocatie in het midden van dit gebied. Daarbij zal het stationsgebied verder doorgroeien als één van de belangrijkste werklocaties van Nederland.
Tot 2040 is er ruimte om nog eens 20.000 arbeidsplaatsen toe te voegen in het gebied. Gezond leven is het uitgangspunt in deze gebieden, waarbij het groen een essentiële rol speelt in de ontwikkeling. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken zal de Merwedelijn (één van de spaken – de tram van Utrecht Centraal naar Nieuwegein en IJsselstein) worden versneld door het aanleggen van een nieuw tracé langs de Europalaan en door optimalisaties in Nieuwegein en IJsselstein. Doel is om binnen 15 minuten te kunnen reizen van Nieuwegein Centrum naar Utrecht Centraal. De bestaande tramlijn over de Beneluxlaan zal via de Bevrijdingslaan worden geleid naar een nieuw eindpunt in Papendorp. Het resultaat is een duurzaam en groen binnenstedelijk woon-werkgebied dat door verbeteringen in de mobiliteitsstructuur tegelijkertijd ervoor zorgt dat de verbinding tussen Nieuwegein/IJsselstein en Utrecht verbetert.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
57
Foto: Houten Castellum, Jacx Vastgoedpresentatie 58
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
A12-zone De A12-zone is een belangrijke schakel in de verstedelijkingsstrategie van de regio. Een gebied dat nu niet optimaal gebruikt wordt en ervoor zorgt dat Nieuwegein en Utrecht verder van elkaar verwijderd voelen dan fysiek het geval is. Door het herschikken van functies en infrastructuur is hier ruimte voor verschillende stedelijke milieus. Vanuit de A12 zone ben je dus snel op Utrecht CS en in Nieuwegein Centrum, maar ook op het USP en in Leidsche Rijn Centrum, doordat de Merwedelijn en de Waterlinielijn elkaar hier kruisen. Hoewel er geen treinstation is en er dus geen goede nationale OVbereikbaarheid is, is het voor het regionale OV een optimaal bereikbare locatie. De ruimtelijke kwaliteit in de A12-zone wordt gedragen door de kanalen die door het gebied lopen en de groene verbindingen die er vanuit dit gebied zijn met de groene scheggen van de Hollandsche IJssel aan de Westkant en de Nieuwe Hollandsche Waterlinie aan de Oostkant. In deze zone wordt een ruimtelijke reservering gemaakt voor een mogelijke toekomstige infrastructuurverbinding, de regionale bypass van de A12. Bij het ontwerp van de A12 zone is het een voorwaarde dat deze mogelijke toekomstige weg de leefkwaliteit in het gebied niet mag verslechteren. In Westraven kruisen wiel en spaak elkaar, waardoor hier ook de grootste stedelijke dichtheid mogelijk is.
In De Liesbosch wordt de werkfunctie verder verdicht en wordt menging met woningbouw alleen mogelijk langs de Vaartsche Rijn, aansluitend op Westraven, onder de voorwaarde dat een systeemsprong op de vervoersknoop wordt gerealiseerd. De tramremise en de Galecopperzoom worden nieuwe stedelijke woongebieden die een nieuw type woonmilieu toevoegen aan Nieuwegein dat met name bijdraagt aan de doorstroming. Papendorp transformeert van een kantoorlocatie naar een gemengd stedelijk woon-werkgebied. In totaal gaat het om het toevoegen van 16.000 – 24.000 woningen en ten minste 7.500 arbeidsplaatsen. Lunetten/Koningsweg Aan de oostkant van de stad wordt een nieuw hoogstedelijk centrum gerealiseerd rond het station Lunetten/Koningsweg. Reizigers kunnen overstappen op OV naar het USP en naar de A12-zone en Nieuwegein (de Waterlinielijn). Dit deels nieuwe station wordt een plek waar wonen en werken in hoge dichtheid mogelijk is aan de voet van de aantrekkelijke landschappen van Amelisweerd, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Landgoed Oostbroek en Nieuw Wulven. De Kromme Rijn kronkelt hier als belangrijke landschapsdrager de stad in. Het is een belangrijke opgave om verstedelijking in te zetten om deze
landschappen beter aan elkaar te verbinden door barrières te overbruggen. Op deze manier is verstedelijking de toegang tot het groen aan de zuidoostkant van de stad, dat voor alle Utrechters wordt verbeterd. USP/Rijnsweerd Ook op het USP en in Rijnsweerd is ruimte voor nieuwe verstedelijking, waar het wetenschapsprofiel verder wordt versterkt en daarmee volop ruimte is voor werkgelegenheid, gemengd met nieuwe woningen. Leidsche Rijn Centrum, Lage Weide Aan de westzijde van de stad Utrecht is de stad de afegelopen jaren sterk gegroeid. Het centrum van Leidsche Rijn ontwikkelt zich in hoog tempo tot een nieuwe hoogstedelijke hub. In de omgeving van Leidsche Rijn Centrum liggen locaties waarmee Leidsche Rijn Centrum zich verder kan ontwikkelen tot hoogstedelijk centrum. In de directe omgeving van het station Leidsche Rijn wordt al hard gewerkt aan woon- en werkmilieus in hoge dichtheid, onder andere met het toevoegen van de hoogste woongebouwen van de stad bij station Leidsche Rijn. Maar ook in het vierder kwadrant van Lage Weide, vlakbij station Leidsche Rijn liggen volop locaties waar ruimte is voor verdichting. Dit hoogstedelijk centrum zal sterker dan de andere centra in het teken staan van werken. Deelgebieden als Lage Weide vierde kwadrant en Werkspoor worden aangewezen voor verdichting, maar wonen zal hier geen grote rol spelen.
Voor Lage Weide en Werkspoor wordt expliciet gekozen om het werkmilieu te beschermen, deels om ruimte te maken en houden voor bedrijven in zwaardere milieucategorieën (Lage Weide) en deels om ontwikkelruimte te geven aan de creatieve industrie (Werkspoor). Wel is er ruimte om deze gebieden intensiever te gebruiken, met name nabij de stations Leidsche Rijn en Zuilen. Overvecht Aan de noordkant van de stad wordt Overvecht doorontwikkeld tot een met de stad verbonden wijk voor iedereen. Met behoud van de identiteit en kwaliteit van het groene karakter, een ruim aanbod van diverse woningtypologieën, en een centrum met een eigen profiel dat ruimte biedt voor stedelijke voorzieningen. Er worden betere verbindingen gemaakt met de stad, maar ook met het landschap van het Noorderpark. In totaal is in Utrecht en het Nieuwegeinse deel van de A12 zone ruimte om in de hoogstedelijke centra ten minste 74.000 woningen toe te voegen - wanneer de hoge bandbreedte voor de A12-zone wordt aangehouden loopt dit op tot 82.000 woningen
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
59
A2
Nieuwegein
Lunetten-Koningsweg
Utrecht Science Park
A12
Bunnik
A27
Houten
Schetsverbeelding van regioknopen Houten en Bunnik
REDENEERLIJN 5: INTENSIVEREN REGIOPOORTEN Nieuwe stedelijke woon- en werkmilieus bij OV-hubs met stad, regio en landschap binnen handbereik Op korte afstand van de stad Utrecht liggen in alle windrichtingen steden en dorpen die uitstekend met de stad verbonden zijn en die bij hun OV knooppunten ruimte hebben voor verstedelijking. Deze locaties spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van de regio door het verbinden van de lokale en regionale opgaven. Ruimte voor verdichten en mengen De regiopoorten hebben allemaal ruimte voor verstedelijking in de vorm van transformatie en verdichting nabij stations. In veel gevallen is transformatie en menging met werken een belangrijke opgave voor de regiopoorten. In Woerden, Breukelen, Bunnik, Houten en Zeist-Noord zijn de locaties die in beeld zijn voor verstedelijking nu deels werklocaties. De verstedelijking kenmerkt zich in ieder geval door dichtheden die hoger zijn dan gebruikelijk in deze kernen. Dit sluit aan bij een kwalitatieve behoefte die er in deze kernen leeft om met name te bouwen voor doorstroming en voor starters op de woningmarkt. Het sluit ook aan bij de visie op mobiliteit door het organiseren van nabijheid, belangrijk om meer fietsgebruik te stimuleren, functiemenging en intensief gebruik van OV knooppunten.
Investeringen nodig in infra Voor het goed functioneren van de regiopoorten is het nodig dat de stations van goede kwaliteit zijn en frequent bediend worden. Voor Woerden en Houten is de infrastructuur al op orde en zullen de sprinterfrequenties voor 2030 verhoogd worden. Voor Houten geldt dat de wijze van verstedelijking onderdeel is van het debat over de Ruimtelijke Koers, waarbij de juiste balans wordt gezocht tussen binnenstedelijke verdichting en uitleg. Voor de regiopoort Zeist-Noord is het nodig dat de tramlijn van het USP doorgetrokken wordt naar ZeistNoord en eventueel verder naar Amersfoort. Voor het extra intensiveren in Nieuwegein-Centrum is het nodig dat de Merwedelijn naar Utrecht versneld wordt. Voor de regiopoorten Bunnik en Breukelen is het nodig dat de sprinterfrequentie verhoogd wordt. Hiervoor is het uitbreiden van de spoorinfrastructuur tussen Utrecht en Maarn noodzakelijk. Het gebruik van de fiets wordt bij deze regiopoorten gestimuleerd door ze te voorzien van hoogwaardige voorzieningen voor voor- en natransport (ruime bewaakte stallingen, deelfietsen, onderhoud, etc.)
De precieze uitwerking van de woon-werkmilieus zal lokaal gebeuren, maar het uitgangspunt is dat het een stapje stedelijker wordt dan tot nu toe gebruikelijk. In de visie op kwalitatieve woonmilieus in de regio is daarom voor de regiopoorten de term Regionaal Transformatiemilieu als categorie toegevoegd.
De belangrijkste regiopoorten zijn: • Woerden (binnenstedelijk en transformatie) • Nieuwegein (binnenstedelijk en transformatie) • Houten (binnenstedelijk, transformatie en mogelijke uitleg) • Bunnik (binnenstedelijk, transformatie en uitleg in hoge dichtheid georienteerd op OV en fiets) • Zeist-Noord (binnenstedelijk en transformatie) • Breukelen (binnenstedelijk en transformatie)
Verbonden met het landschap De regiopoorten hebben veelal een sterke ruimtelijke relatie met het groene landschap dat dichtbij ligt. Er liggen koppelkansen om regiopoorten te ontwikkelen in samenhang met de groen- en landschapsopgave. Dit draagt niet alleen bij aan het gezonde leefmilieu in deze regiopoorten, maar kan deze plekken ook een dubbelrol geven als buitenpoort, waar de toegang tot het landschap vanuit het OV mogelijk is.
De opgave voor regioknopen is adaptief. Er zijn aanvullende knopen in de regio die mogelijk versterkt kunnen worden als regioknoop in combinatie met aanvullende verstedelijking. Bijvoorbeeld, Bilthoven, Vianen Lekbrug en Driebergen-Zeist. Daarbij worden OVbediening en verstedelijking in balans met elkaar gezien. Deze regiopoorten zijn stedelijke en goed verbonden plekken. De woonmilieus die hier gebouwd worden moeten aansluiten bij het mobiliteitsprofiel van de plek.
Regiopoorten als multimodale hub De regiopoorten zijn ook plekken die als bronpunten gebruikt worden voor het regionale OV-systeem. Reizigers uit de regio stappen op deze plekken over van de fiets of de bus op het wiel met spaken. Daarbij hebben sommige regiopoorten ook een functie als multimodale hub, wat de inpassing van parkeervoorzieningen noodzakelijk maakt.
In totaal kunnen in de gemeenten met regiopoorten ca. 35.000 – 40.000 woningen worden gebouwd
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
61
Foto: Maarssen, Kondor Wessels 62
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 6: NIEUWE UITLEGLOCATIES (BEPERKT) NODIG Uitleg alleen een optie als OV aanwezig is en het landschap wordt versterkt Landschap en mobiliteit zijn voorwaardelijk voor de ontwikkeling van de regio. In de prioritering van locaties voor wonen en werken staan uitleglocaties dan ook onderaan de lijst. De mate waarin uitleglocaties voor woningbouw nodig zijn hangt af van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte die er overblijft onderaan de streep. De mate waarin potentiële uitleglocaties in beeld blijven hangt af in hoeverre ze bijdragen aan de doelstellingen voor landschap en mobiliteit. In de Contour REP is een aantal grotere uitleglocaties benoemd, die in de verstedelijkingsstrategie zijn afgewogen. Vanuit kwantitatief oogpunt is het niet nodig om grootschalige uitleglocaties te ontwikkelen, indien de verwachting van de metropoolpoorten en regiopoorten waargemaakt kunnen worden. Toch is er ook in dit geval nog wel iets nodig. Bunnik-Zuid Vanuit het oogpunt van nabijheid van werkgelegenheid en OV en de bijdrage aan het versterken van bestaande voorzieningen en structuren is Bunnik-Zuid benoemd als locatie waar uitleg mogelijk zou moeten zijn, maar uitsluitend op een manier waarop de ontwikkeling als regiopoort gezien kan worden en niet als traditionele uitleglocatie. Dit betekent dat in hoge dichtheid gericht op de OV-knoop gebouwd zou moeten worden.
Een relatief stedelijk woonmilieu, dat mensen stimuleert om op de fiets te stappen naar het USP of de trein te pakken naar andere plekken in de regio. Voor deze plek geldt, net als voor de eerder genoemde groeiambities van middelgrote kernen, dat het niet logisch is om het wegennet uit te breiden voor deze ontwikkeling en dat we, in afstemming met de andere gemeenten in de Kromme Rijn streek, komen tot een visie op de mobiliteitsontwikkeling die de autostromen in de spits beperkt. De opgave kan eveneens gecombineerd worden met het versterken van de landschapsopgave rond de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een katalysator van de vele landschappelijke opgaven in dit gebied.
Rijnenburg De gemeente wil het gebied Rijnenburg in eerste instantie ontwikkelen als energielandschap met ruimte voor bijvoorbeeld sport en recreatie. Gestart wordt allereerst met een ontwerpstudie. Als op termijn woningen worden gebouwd komt er een duurzame wijk met minimaal de voorzieningen zoals die ook rondom de andere knooppunten worden gerealiseerd (oftewel volgens dezelfde kwaliteitsstandaarden). Een mogelijke bouw start niet voor 2035, maar onderzoek en eventueel tijdelijk ontwikkeling vindt al eerder plaats. Een besluit tot bouw vindt plaats wanneer nodig (kan al voor 2035 zijn). Tijdelijk is het mogelijk om ‘overloop’ van de ruimtebehoefte uit de stad op te vangen (recreatie, sport, werk, cultuur, enz.). Daarbij vallen geen besluiten die toekomstige ontwikkelingen in de weg staan. Voor de regionale woningbouwopgave blijft Rijnenburg dus in beeld als strategische ontwikkellocatie. Indien de woningbehoefte toch groter blijkt of de productie op andere locaties tegenvalt kan Rijnenburg zorgen voor robuustheid in de vraag naar stedelijke ontwikkeling. Realisatie van Rijnenburg kan alleen onder voorwaarde dat het OV en fiets op deze locatie goed georganiseerd is en het geen extra druk op de snelwegen veroorzaakt. Breukelen-West en Loenersloot Tot 2040 zijn Loenersloot en Breukelen-West geen locatie voor woningbouw.
Voor Loenersloot geldt dat hier geen OV-knoop aanwezig is en voor beide locaties geldt dat ze het landschap te zeer zou aantasten. Gemengde woon-werkmilieus In dit IRP voegen we aan de woonmilieus een categorie toe: het regionale transformatiemilieu. Het betreft OV knooppunten die in de toekomst verkleuren van werklocaties naar gemengde woon-werklocaties. Deze regionale transformatiemilieus bieden enerzijds plek aan stedelijke woonmilieus met nieuwe woonvormen, maar ook aan een deel van de werkopgave. Het gaat om de opgave voor bedrijventerreinen en informele bedrijfsruimten die zich laat mengen met wonen. Dit zijn dus bedrijfsfuncties in lage milieucategorieën. Kwalitatief woononderzoek laat zien dat er behoefte is aan meer gemengde milieus in hogere dichtheden, ook buiten de stad Utrecht. Per locatie zal de juiste vorm en mate van menging gezocht moeten worden die het beste past bij de plek. Voorbeelden zijn Houten Noordwest en het Stationsgebied van Breukelen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
63
Lage Weide, Eneco 64
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 7: VERDICHTEN EN (NIET) MENGEN WERKLOCATIES De metropoolpoorten en regiopoorten zijn gemengde woon-werklocaties. De werkopgave (80.000 banen) komt voor een groot deel terecht in deze stedelijke knopen en gemengde transformatiemilieus. Dit sluit aan bij de ontwikkelingen in de markt en de vraag naar specifieke werkruimte in kantoormilieus, wetenschapsmilieus en gemengde milieus. In de ontwikkeling van de werklocatie van de toekomst is net zoals bij woonlocaties steeds meer van belang de omgeving van hoge kwaliteit is. Bereikbaarheid per OV en fiets, toegankelijkheid van groen, ontmoeting en toegang tot voorzieningen zijn belangrijk. Daarnaast bieden werklocaties ook kansen voor een koppeling met andere opgaven, zoals klimaatadaptatie en energie en moet de inrichting van werklocaties net als woonlocaties ingezet worden vanuit het thema gezond leven. De keuzes voor wonen en werken lijken daardoor steeds meer op elkaar, en locaties kunnen daarom ook steeds mee beide functies bedienen. Voor de ontwikkeling van werklocaties zijn naast deze koppelkansen keuzes nodig die een ruimtelijke uitwerking hebben. Keuzes per type werklocatie Tot 2040 worden in de regio naar verwachting ca. 80.000 arbeidsplaatsen gecreëerd, waarvan 70.000 banen in de stad Utrecht en zo’n 10.000 banen in de overige gemeenten.
Per type werklocatie wordt een specifieke ruimtelijke keuze gemaakt: • Kantoren: tot 2040 behoefte aan maximaal 853.000 m2 BVO kantoorruimte in de stad Utrecht op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV (m.n. Utrecht Centraal, Leidsche Rijn Centrum en LunettenKoningsweg). Buiten de stad Utrecht is (kwantitatief) voldoende aanbod aan kantoormeters en is het mogelijk om kantoormeters te transformeren naar woningen. • Wetenschap/campus: De life science, health en duurzaamheidssectoren groeien snel. Hiervoor is aanvullende ruimte nodig op of direct rond het Utrecht Science Park en USP Bilthoven of mogelijke satellietlocaties.
•
•
•
•
Informele bedrijfsruimte: Ca. 30% van de werkgelegenheid bevindt zich in gemengde gebieden (informele bedrijfsruimten, werken vanuit huis, overige). De groei in dit segment levert een vraag op van maximaal ca. 68.000 m2 aan ruimte voor (kleinschalige) bedrijfsruimte in de wijk of op solitaire locaties. Werken vanuit thuis: Het aantal banen dat geregistreerd staat op een woning neemt tot 2040 naar verwachting met ca. 12.000 toe. Het is belangrijk om hierin te benadrukken dat het niet gaat om het aantal mensen dat parttime thuis werkt, maar het gaat om banen die geregistreerd staan op een woning en waarvoor dus geen ander kantoor of werkplek beschikbaar is. Het aantal mensen dat (parttime) thuis werkt ligt hoger. Detailhandel: Door de groei van online bestedingen neemt naar verwachting de vraag naar detailhandelsruimte af. In totaal zal er in 2040 70.000m2 tot 190.000m2 WVO minder nodig zijn. Dit betekent inzet op het compact maken van winkelcentra en het verkleinen van het winkeloppervlak, met name in de regio. In de stad Utrecht is door de sterke bevolkingsgroei nog vraag naar enige uitbreiding. Bedrijventerreinen: Er is tot 2040 nog ca. 216 ha aan bedrijventerreinen te programmeren. Een deel van deze opgave kan terechtkomen in gemengde stedelijke gebieden, maar een aanzienlijk deel laat juist niet mengen of heeft bescherming nodig.
Zo wordt bijvoorbeeld voor Lage Weide en Werkspoor in Utrecht specifiek gekozen om de werklocaties niet te mengen met woningbouw, deels omdat dit niet wenselijk is vanuit milieucontouren en hinder, deels om innovatieve werkmilieus te beschermen tegen verdringende effecten die menging met woningbouw met zich meebrengen. Bereikbaarheid voor OV en fiets zijn van belang voor deze bedrijventerreinen.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
65
Foto: Utrecht, De Architect 66
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
Bedrijventerreinen We hanteren daarbij de volgende uitgangspunten. Centraal staat de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen. Dit betekent het volgende: • Toekomstbestendig betekent dat regionaal ruimte wordt gemaakt voor de groei van bedrijventerreinen op de juiste plek. We creëren een sterkere profilering van terreinen die een betere onderlinge samenhang hebben. • Toekomstbestendig betekent het bieden van een aantrekkelijke werkomgeving voor werknemers. Dit is voor bedrijven steeds meer van belang om talent te trekken en te behouden. Om als regio aantrekkelijk te blijven met een onderscheidend economisch profiel is het creëren van een aantrekkelijke en uitdagende werkomgeving essentieel. • Toekomstbestendig betekent klimatadaptief door vergroening van daken en parkeerplaatsen. Hierdoor ontstaan prettige werkomgevingen, wordt hittestress tegengegaan, wordt bijgedragen aan de wateropgave en aan de biodiversiteit. • Toekomstbestendig betekent het maken van duurzame gezonde gebouwen en werkomgevingen. Op een duurzame, circulaire werklocatie wordt per activiteit zo min mogelijk energie verbruikt, omdat processen zijn geoptimaliseerd en omdat het vastgoed goed is geïsoleerd.
Daarnaast wordt zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op daken of windmolens, maar ook bijvoorbeeld door ‘restenergie’ van andere bedrijven in het gebied te hergebruiken. Met grote dakoppervlakken kunnen bedrijventerreinen energieopwekkers zijn. • Toekomstbestendig betekent optimaal en multimodaal ontsloten. De mate van bereikbaarheid per modaliteit (auto, ov, fiets of te voet) verschilt per terrein. Hoe dichter een terrein gelegen is in stedelijk gebied, hoe minder automobiliteit er nodig is en hoe beter ov- en fietsvriendelijk een terrein is. Keuzes De U16 kiest ervoor om het grootste deel van de berekende vraag naar bedrijventerreinen te accommoderen door een combinatie van intensiveren en uitbreiden. We maken hiervoor een programmatische regiobrede aanpak. De schaarse ruimte benutten we hetzij voor bedrijvigheid met een duidelijke regionale binding danwel een duidelijke regionale bijdrage aan duurzaamheidsambities. Hiermee willen we het
economisch concurrerend profiel van de regio versterken en tegelijk voldoende werkgelegenheid scheppen. We streven naar 15.000 extra banen op bedrijventerreinen, waarvan een fors deel gerelateerd is aan de gemeente Utrecht. Om het concurrerend profiel van de regio te borgen kiezen we voor een scherpere onderlinge profilering van bedrijventerreinen dan tot nu toe gebruikelijk. We gaan daarom programmeren in stedelijke en functionele terreinen, waarbij functionele terreinen onderscheiden worden in klein, middel- en grote kavels. Per segment maken we hierin de volgende keuzes: •
De vraag naar nieuwe XXL logistiek vinden we nu niet passend in ons stedelijk landschap. Het legt een te grote druk op ons mobiliteitssyteem. De beschikbare ruimte voor bedrijvigheid wenden we liever aan voor lokale en regionale spelers die van specifieke regionale toegevoegde waarde zijn.
•
De vraag naar functioneel grootschalige terreinen (circa 60ha) accommoderen we door nieuwe regionale terreinen te realiseren op de best mogelijke plekken voor functioneel grootschalige bedrijvigheid (kavelomvang vanaf ca 2 ha – indicatief en voor verdere uitwerking).
•
De vraag naar functioneel kleinschalige terreinen (circa 60ha) accommoderen we door kleinschalige uitbreidingen van lokale terreinen. Deels wordt in die uitbreidingen voor de periode tot 2030 door al door de provincie Utrecht geborgde terreinen voorzien.
•
De vraag naar stedelijke werkmilieus (circa 60 ha) accommoderen we via een mix van mengen en intensiveren op terreinen in of dicht tegen stad Utrecht aan.
Voor de opgave voor functioneel grootschalige terreinen zijn zoeklocaties benoemd langs de belangrijkste vervoersassen van de regio (A2 en A12) in zones die tevens goed met het OV ontsloten zijn en waar ruimtelijke opgaven te combineren zijn. Daarnaast liggen deze terreinen zoveel mogelijk nabij de stad Utrecht omdat het merendeel van de vraag daar vandaan komt. We zoeken regionale terreinen functioneel grootschalige bedrijvigheid langs de vier windrichtingen, omdat ze voor personeel en toeleverende bedrijven op korte afstand van de woongebieden moeten liggen en zo reisafstanden beperkt blijven. Op deze terreinen is vooral ruimte voor grote bedrijven met een sterke regionale binding.
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
67
Foto: Rijnvliet Utrecht, Triple Solar 68
HOOFDSTUK 2 - GEZOND LEVEN IN EEN STEDELIJKE REGIO VOOR IEDEREEN
REDENEERLIJN 8: DUURZAME ENERGIE IS EEN GEZAMENLIJKE OPGAVE In het Nationaal Klimaatakkoord (2019) is afgesproken de CO2-uitstoot in 2050 met 95% gereduceerd te hebben ten opzichte van 1990. Voor 2030 is 49% als tussendoel gesteld. Belangrijke doelstellingen zijn: •
• •
• •
•
In 2030 komt 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. 35 TWh duurzame elektriciteitsopwek in 2030 op land, 49TWh op zee. In 2050 zijn 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af. Als tussenstap zijn in 2030 de 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. In 2050 is de landbouw en het landgebruik klimaatneutraal. De personenauto zonder uitstoot wordt al voor 2030 normaal. Vanaf 2030 zijn alleen nog elektrische personenauto’s nieuw te koop. Naast batterijelektrische personenauto’s rijden er dan ook voertuigen op waterstof of zonnecellen. De laadinfrastructuur groeit mee. In 2030 zijn er 1,8 miljoen laadpalen beschikbaar in heel Nederland.
De uitwerking van het Nationale klimaatakkoord voor duurzame elektriciteitsopwek vindt regionaal plaats met gemeenten, waterschappen en provincie. Hiertoe zijn in 2018 30 regio’s geformeerd die ieder zelf een doelstelling in duurzame opwek opstellen met draagvlak, passend in de netinfrastructuur en ingebed in zoekgebieden met oog voor ruimtelijke inpassing, koppelkansen en kwaliteit. Als U16 gemeenten werken we met de provincie Utrecht en de waterschappen in de Regionale Energiestrategie U16 (RES) samen aan de energietransitie. De RES richt zich hoofdzakelijk op het realiseren van duurzame elektriciteitsopwek en het verduurzamen van de gebouwde omgeving.