Raadsvoorstel 10, bijlage 2 toelichting VFL
Tekst van het document
Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving
1
Inhoudsopgave toelichting 1.
Algemeen a. Het waarom van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) en de relatie met de Omgevingswet b. Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie c.
Enkele belangrijke aandachtspunten
d. VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college) 2.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2
Procedures
Hoofdstuk 3
Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk 4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk 5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk 6
Erfgoed
Hoofdstuk 7
Afvalstoffen en inzameling oud papier
Hoofdstuk 8
Voormalige Bouwverordening
Hoofdstuk 9
Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen bij de verordening Bijlagen bij de toelichting
2
1.
Algemeen a.
Het waarom van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) en de relatie met de Omgevingswet
Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet (Ow) in werking. Deze wet vervangt een groot aantal wetten van het Nederlandse omgevingsrecht. Daarnaast wordt een groot aantal uitvoeringsregelingen (AMvB’s en Ministeriële regelingen) vervangen. De Omgevingswet reguleert de fysieke leefomgeving zo veel mogelijk integraal in het omgevingsplan Nu -zonder Omgevingswet- zijn er sectorale regels voor openbare ruimte, ruimtelijke ordening, milieu, natuur en andere onderwerpen. Deze bestaan in eigen kokers naast elkaar. Dit zorgt voor onoverzichtelijkheid en moeizame afstemming. Met de Omgevingswet moet dit anders worden. Het omgevingsplan speelt hierbij een speciale rol. Een omgevingsplan is een soort bestemmingsplan, maar dan niet alleen voor ruimtelijke ordening, maar voor álle regels voor de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur en erfgoed. Het omgevingsplan wordt de komende jaren opgesteld. Op den duur landen alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan. Het gaat om regels uit bestemmingsplannen, de APV met bepalingen over openbare ruimte, erfgoedregels, regels over afval, over riolering, over ondergrondse infrastructuur, enzovoort. Sommige regels kunnen misschien ook worden geschrapt.
De VFL is een tussenstap richting het omgevingsplan Het beoordelen, integreren en ombouwen van al de gemeentelijke regels in het fysieke domein is een enorme klus. In veel gemeenten worden daarom tussenstappen gemaakt. Deze tussenstappen zijn bedoeld om regelingen te inventariseren, op te schonen en tegenstrijdigheden eruit te halen. Eén van de mogelijke tussenstappen is een Verordening Fysieke Leefomgeving, waarin alvast zo veel mogelijk gemeentelijke regels voor het fysieke domein worden samengebracht in één verordening. Een deel van het werk richting de volledige integratie in het omgevingsplan wordt daarmee al gedaan. Net als andere gemeenten kiest de gemeenteraad van De Ronde Venen voor de tussenstap van een Verordening Fysieke Leefomgeving. De VFL ondersteunt de ontwikkeling naar meer integraal beleid Naar verwachting zien het bestuur, de ambtelijke organisatie en inwoners steeds meer samenhang zien tussen de verschillende regels voor de fysieke leefomgeving, wanneer de VFL wordt gebruikt. Door de onderwerpen meer integraal te benaderen, is de verwachting daarnaast dat de volgende stap van de Omgevingswet -te komen tot een integraal omgevingsplanmakkelijker en efficiënter zal gaan. Dit leidt uiteindelijk tot een overzichtelijker en toepasbaarder geheel van gemeentelijke regels in het omgevingsplan.
In de overgangsperiode is de Verordening Fysieke Leefomgeving een toetsingskader naast de gemeentelijke bestemmingsplannen.
3
Samenvattend betekent de vaststelling van de VFL het volgende: 1. Een aantal verordeningen rondom fysiek domein worden bijeengebracht in de Verordening Fysieke Leefomgeving (deels of geheel). Deze geïntegreerde verordeningen (of onderdelen daarvan) bestaan juridisch dan niet meer. Omdat beleidsneutraal wordt omgezet, gelden dezelfde inhoudelijke regels. 2. Niet alle gemeentelijke regelingen met betrekking fysiek domein gaan mee. Zo blijven bijvoorbeeld de Verordening Vinkeveense Plassen en de Leidingenverordening er naast bestaan. Dit heeft juridische en praktische redenen. In het omgevingsplan moeten deze regelingen wel worden geïntegreerd. 3. Alle samenhangende besluitvorming (nadere regels, aanwijzingen, beleid) gaat mee als dat nodig is en verwijzingen worden aangepast. Ook dit is beleidsneutraal. 4. Voorlopig blijven ook alle bestemmingsplannen naast de Verordening Fysieke Leefomgeving (en de overige verordeningen) bestaan. 5. Vanaf 2022 tot 2029 is er een overgangsperiode om alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving samen te brengen naar en te integreren in één omgevingsplan. Daarmee worden stapsgewijs de bestemmingsplannen en de VFL vervangen. In de voorliggende VFL is de integratie van regels voor De Ronde Venen vormgegeven.
Hierbij is gebruik gemaakt van informatie uit het programma “Aan de slag met de Omgevingswet” en voorbeelden van een aantal andere gemeenten. Het vervolg van deze toelichting gaat dieper in op: (b)
Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie
(c)
Enkele belangrijke aandachtspunten
(d)
VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college
(H2) De Verordening zelf, aan de hand van de hoofdstukken en de artikelen. b.
Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie
De VFL is geen heroverweging van de regels voor het fysieke domein. Het is een tussenstap richting de volledige integratie in het omgevingsplan. Het moet daarom duidelijk zijn wat wél en wat niet is meegenomen in de VFL. Niet alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn meegenomen; de belangrijkste en duidelijkste wel Het is niet meteen duidelijk welke verordeningen in aanmerking komen voor de VFL. De wetgever heeft het begrip “fysieke leefomgeving” (nog) niet vast omlijnd. Een voorbeeld van een twijfelgeval is de evenementenvergunning in de APV. Deze heeft elementen van regulering van fysieke leefomgeving, maar ook van openbare orde. Daarom zijn in de VFL nu alleen die bepalingen meegenomen die op grond van de Omgevingswet meegenomen moeten worden of waarvan heel duidelijk is dat deze bepalingen effect hebben op de fysieke leefomgeving. Verder kunnen praktische omstandigheden een rol spelen. Zo bleek er op het moment van aanpakken van de VFL een traject te lopen tot het onderling integreren van de Telecomverordening en de Leidingenverordening. Reden om deze vooralsnog niet mee te nemen. 4
Na het uitwerken en toepassen van juridische en praktische criteria, is gekomen tot de volgende lijst van mee te nemen verordeningen. •
APV (deels)
•
Erfgoedverordening
•
Afvalstoffenverordening
•
Verordening inzameling oud papier
•
Bouwverordening.
In een latere fase kunnen hier verordeningen aan worden toegevoegd, maar voor dit moment is dit een praktisch werkbare verzameling gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving. De VFL integreert de regels uit verschillende verordeningen Er is geen inhoudelijk ander beleid opgenomen en geen lastenverzwaringen. De VFL maakt de regels wel (iets) eenvoudiger door: •
Integratie van begripsbepalingen en procedures
•
Minder regels door het schrappen van doublures
•
Uniformering van regels
Hierbij is zo veel mogelijk het boek 100 tips voor de gemeentelijke regelgever gevolgd. Dit is een gids om regels beknopt, goed werkend, goed leesbaar en goed toepasbaar te maken. In verband met de toepasbaarheid door de organisatie (beoordelaars, BOA’s), is ook kritisch aandacht besteed aan de ambtelijke toepasbaarheid. Om deze reden is in sommige gevallen vastgehouden aan de bestaande volgorde en plaats van regels. c.
Enkele belangrijke aandachtspunten
Bij het opstellen van de VFL is op een aantal punten een keuze of afweging gemaakt. Deze worden hieronder toegelicht. De nu voorgestelde VFL is bedoeld tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet Op deze manier kunnen we ervaring opdoen met de VFL onder de huidige wetgeving, zoals de WABO. Dit heeft wel tot gevolg dat de VFL nog een keer moet worden aangepast, wanneer de Omgevingswet in werking treedt. Zo zal de Omgevingswet het huidige begrip van de “milieuinrichting” afschaffen (uitgangspunt wordt de milieu(relevante)activiteit). Tot deze landelijke wetswijziging moet nog met het begrip inrichting worden gewerkt, daarna kan het niet meer. De regelingen uit de verordening zijn op twee uitzonderingen na beleidsneutraal overgenomen in de VFL Het bestaande systeem van regels en verplichtingen inhoudelijk zo veel mogelijk in takt gelaten. Wat wel is veranderd, is dat begripsbepalingen en procedures zijn geïntegreerd, doublures zijn geschrapt en regels op dezelfde manier zijn geformuleerd. Er zijn hierdoor een paar (kleine) wijzigingen in de procedures. Dit geldt sowieso niet voor vergunningen die onder de Wabo vallen, omdat deze procedureel voor een groot deel geregeld zijn in de Wabo zelf (artikel 3.7 Wabo).
5
In twee artikelen heeft er een inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Het betreft artikel 3.1.3 (Het maken of veranderen van een uitweg) en artikel 4.1.2 (Melding incidentele festiviteiten). Verderop in deze toelichting wordt ingegaan op de inhoudelijke wijzigingen van deze artikelen. De toelichtingen bij de geïntegreerde verordeningen blijven van toepassing Aanpassing van deze toelichtingen is niet nodig, omdat de inhoud van de regels niet wijzigt. Met behulp van transponeringstabellen is op te zoeken welke bepaling waar is “geland” in de Verordening Fysieke Leefomgeving. En ook omgekeerd: waar een bepaling van de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn oorsprong heeft. De toelichtingen op de geïntegreerde verordeningen moeten worden gelezen in samenhang met de voorliggende toelichting op de Verordening Fysieke Leefomgeving. Mochten de losse (oude) toelichtingen en de voorliggende (nieuwe) toelichting onderling verschillen, dan gaat de voorliggende toelichting op de Verordening Fysieke Leefomgeving voor. Dit kan zich voordoen bij toelichting op procedures. Er zijn geen nieuwe zorgplichten geformuleerd Enkele bestaande zorgplichten zijn overgenomen: 1.
Voor ondernemers die eet- en drinkwaren verkopen, om de omgeving netjes te houden (artikel 7.3.3, afkomstig uit de Afvalstoffenverordening, Zwerfafval rondom inrichtingen).
2.
Voor degene die op de openbare weg lost, om het wegdek nadien schoon te maken (artikel 7.3.4, afkomstig uit de Afvalstoffenverordening Afval en verontreiniging op de weg)
3.
Enkele specifieke zorgplichten voor de inzamelaar van oud papier (doorgeven wijzigen gegevens, uitbetaling garantievergoeding, tegengaan zwerfafval en goede verkeersafwikkeling rond papiercontainer, art 7.4.1 afkomstig uit de Verordening inzameling oud papier)
Verder is er uit de Afvalstoffenverordening nog een zorgplicht voor het college overgekomen, voor het beschikbaar zijn van een inzamelplaats voor onder andere grof afval (milieustraat of afvalscheidingsstation, artikel 7.1.3). Dit geldt echter niet als “zorgplicht” voor de inwoner. Het systeem van algemenere en meer bijzondere zorgplichten zal onder de Omgevingswet een belangrijkere rol krijgen. Interne en externe verwijzing zijn eenduidig opgenomen Waar in de Verordening Fysieke Leefomgeving een verwijzing naar alleen een bepaald artikel staat genoemd, wordt daar bedoeld dit artikel van de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf. Als er wordt verwezen naar een andere verordening of wet, staat dat er bij. Een voorbeeld ter illustratie. In de onderstaande bepaling wordt in lid 1 onder c verwezen naar de Wet milieubeheer en in lid 2 naar artikel 7.1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf. Artikel 7.1.2 Regulering van andere inzamelaars 1.
Het is anderen dan de inzameldienst(en) verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a.
daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders;
b.
bij nadere regels van burgemeester en wethouders van het verbod is vrijgesteld; of
c.
verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer.
2.
Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 7.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
6
d.
VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college)
De VFL onttrekt een aantal regels aan andere verordeningen in één nieuwe verordening. Dit heeft gevolgen voor andere regelgeving. Om deze actueel en juridisch kloppend te houden, zijn naast de vaststelling van de VFL de volgende besluiten genomen: 1. Intrekking van verordeningen die geheel opgaan in de VFL 2. Aanpassing van Verordeningen die gedeeltelijk worden ingetrokken, en waarvan de interne verwijzingen moeten worden aangepast. 3. Aanpassing van bepalingen in verordeningen die verwezen naar bijvoorbeeld delen van de APV die opgaan in de VFL 4. Aanpassing van uitvoeringsbesluiten, zoals bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen en beleidsregels, die eerst hingen onder de APV, maar die komen te hangen onder de VFL. De eerste drie besluiten zijn raadsbevoegdheden. Het aanpassen van uitvoeringsbesluiten (onder 4) is aan het college van burgemeester en wethouders. De intrekking van verordeningen die geheel vervallen, is opgenomen in artikel 9.3 van de VFL (ingetrokken worden de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017, de Afvalstoffenverordening, de Verordening Inzameling oud papier en de Bouwverordening). Het aanpassen van verordeningen (onder 2 en 3) is opgenomen in de wijzigingsverordening VFL. Uitvoeringsbesluiten worden aangepast met een omhangbesluit (de besluiten worden onder een andere verordening “gehangen”, de formele grondslag wijzigt).
7
2.
Artikelgewijze toelichting Vooraf: In de intulé zijn de grondslagen van de bestaande te integreren verordeningen overgenomen. Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bestaat uit algemene doelstellingen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en uit begripsbepalingen. i. doelstellingen In artikel 1.1.1. zijn de doelstellingen van de VFL geformuleerd. Deze zijn gebaseerd op verschillende voorbeelden van Verordeningen Fysieke Leefomgeving en sluiten aan op de toekomstige brede reikwijdte van de Omgevingswet (fysieke leefomgeving). Hieraan is een specifieke bestaande doelstelling uit artikel 2 van de Afvalstoffenverordening toegevoegd (doelmatige verwijdering afvalstoffen). ii. Begripsbepalingen Alle begripsbepalingen afkomstig uit de verschillende verordeningen zijn alfabetisch achter elkaar geplaatst. Eventuele overlap of tegenstrijdigheden zijn gecorrigeerd. Een enkele specifieke begripsbepaling is op de plaats gehouden die deze in de voormalige verordeningen had (tussen andersoortige bepalingen). Dit vanwege de inbedding, de herkenbaarheid en de overzichtelijkheid. Het gaat om artikel 4.2.3 (Oplaten van ballonnen) en artikel 5.1.1 (Voertuigen van autobedrijf en dergelijke). De begripsbepalingen zijn inhoudelijk niet gewijzigd.
Wel is bijvoorbeeld het bepalen van wie bevoegd gezag is (in het algemeen college van burgemeester en wethouders) opgenomen in artikel 2.2 van hoofdstuk 2 (procedures), waar het ook logischer thuishoort dan in definitiebepalingen. Tenslotte is het begrip <milieu-inrichting> consequent doorgevoerd. Hoofdstuk 2
Procedures
Dit hoofdstuk geeft de regels over de te volgen procedures. Belangrijk daarbij zijn de procedures van beschikkingen. In de VFL zijn zowel vergunningen als ontheffingen opgenomen. Gelet op het uitgangspunt van beleidsneutraliteit, is gekozen om dit nog niet te integreren (ontheffingen blijven ontheffingen, vergunningen blijven vergunningen). De algemene bepalingen over procedures zijn hier op aangepast. Zo gaat het bijvoorbeeld over voorschriften te verbinden aan vergunningen of ontheffingen. In het geheel van te integreren verordeningen is dertien keer sprake van een ontheffing. Vergunningplichten komen vaker voor. Vergunningplichten sluiten over het algemeen beter aan op het beeld van het begrip overheidstoestemming bij inwoners en ondernemers. In het algemeen wordt een ontheffing toegepast als het verschijnsel (de activiteit, de gedraging of de toestand) niet wenselijk is, maar bij uitzondering wel zou moeten kunnen. Een vergunning is de juiste figuur als het in principe wel wenselijk is, maar de overheid het wel wil reguleren (ontheffing: nee, tenzij, vergunning: ja, mits). De VNG gaat hier ook zo mee om in modelverordeningen.
8
Artikel 2.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De artikelen 2.2 tot en met 2.5 en 2.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op een wijze die uitputtend is, of afwijkend van de Verordening Fysieke Leefomgeving.
De Verordening Fysieke Leefomgeving reguleert verschillende vergunningen die procedureel voor een deel al geregeld zijn in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betreft: -
vergunningen of ontheffingen nodig voor iets doen wat monument kan aantasten
-
slopen in beschermd stads- dorpsgezicht
-
het aanleggen van een weg
-
het maken van een uitweg
-
het hebben van een alarminstallatie
-
het kappen van een houtopstand
-
reclame maken of toestaan
-
goederen opslaan of dat toestaan.
Deze gevallen worden procedureel op de volgende punten al geregeld door de Wabo: o
Wijze van aanvraag (elektronisch en op papier, artikelen. 4.1 en 4.2 Besluit omgevingsrecht (Bor))
o
Aanvraagvereisten (zie de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor)), § 7.1. Gegevens en bescheiden over activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, artikelen 7.1 – 7.7 Mor.
o
Bevoegd gezag (artikel 2.4 Wabo)
o
Voor wie de vergunning geldt (zaaksgebondenheid, 2.25 Wabo)
o
Procedure, inclusief beslistermijn (artikel 3.1 en verder Wabo)
Andere procedurele kwesties voor deze gevallen worden door de Wabo wel overgelaten aan de betreffende gemeentelijke verordeningen. Het gaat om de volgende punten: o
Beoordeling en weigering aanvraag (artikel 2.18 Wabo)
o
Verbinden van voorschriften aan de vergunning (artikel 2.22 lid 4 Wabo)
o
Wijziging vergunning (artikel 2.31 lid 2, aanhef en onder d Wabo)
o
Intrekking vergunning (artikel 2.33 lid 2, aanhef en onder g Wabo)
De landelijke procedureregels van de Wabo (dus wijze van aanvraag, aanvraagvereisten, bevoegd gezag, voor wie de vergunning geldt, procedure en beslistermijn) moeten worden gezien als exclusief en dwingend. Het is niet mogelijk om hiervoor regels te hebben in een gemeentelijke verordening. Artikel 2.1 VFL bakent dit af en bepaalt dat in die gevallen de procedureregels van de Verordening Fysieke Leefomgeving niet gelden. Het gaat om de procedureregels van de artikelen 2.2 tot en met 2.5 en 2.8. Bij de zinsnede “op een wijze die uitputtend is, of afwijkend van de Verordening Fysieke Leefomgeving” is gedacht aan de mogelijkheid dat de Wabo eventueel wel toestaat dat op gemeentelijk niveau iets afwijkends of aanvullends wordt geregeld. Voor zover dit aan de orde 9
was in de betrokken verordeningen, is dit nu in de Verordening Fysieke Leefomgeving meegenomen. Artikel 2.2 indienen aanvraag Artikel 2.2 Indienen aanvraag 1.
Een aanvraag om vergunning, ontheffing of een melding kan altijd schriftelijk worden ingediend.
2.
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een aanvraag of melding in plaats daarvan ook elektronisch kan worden ingediend (via website of email).
3.
Burgemeester en wethouders kunnen per soort activiteit nadere regels stellen omtrent de inhoud, de inrichting, de uitvoering, de vorm, het aantal en de wijze van indiening van een aanvraag om vergunning of ontheffing of het doen van een melding.
4.
Een aanvraag kan alleen worden ingediend door een privaatrechtelijk bevoegde partij (eigenaar, huurder met toestemming, enz.) ten aanzien van de zaak waar het om gaat (perceel, bouwwerk, voertuig, enz.). In het geval van het vellen van een houtopstand kan de aanvraag bovendien worden ingediend door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
5.
Aan de aanvrager wordt zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging verzonden.
6.
Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend..
Met de aanvraagregeling van artikel 2.2 is zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande gemeentelijke praktijk. Verder wordt op een praktische manier voorzien in zo veel mogelijk denkbare varianten van digitalisering. De aanvraagregeling van artikel 2.2 Verordening Fysieke Leefomgeving geldt alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving, die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Een schriftelijke aanvraag is altijd mogelijk, omdat niet iedereen even digitaal vaardig is en het relatief vaak om inwoners (niet-bedrijven) gaat. Dit sluit aan op de huidige keuzemogelijkheid voor de inwoner onder de Wabo. De digitalisering gaat wel verder. Bij het opstellen van de VFL bleken er binnen de gemeente De Ronde Venen verschillende werkwijzen te bestaan voor elektronisch aanvragen, formulieren en overige indieningsvereisten. De VFL is zo ingericht dat het college en de organisatie maatwerk kunnen leveren en werkwijzen kunnen aanpassen zonder dat de verordening hiervoor hoeft te worden gewijzigd. In lid 5 wordt geregeld dat het college verplicht bij iedere aanvraag altijd een bericht van ontvangst te zenden. Met lid 6 wordt voorkomen dat een termijn na indiening van een melding gaat lopen naar aanleiding van een (volstrekt) ontoereikende melding.
Het is onwenselijk dat na het indienen van de spreekwoordelijke achterkant van een bierviltje, een toestemming zou ontstaan. Artikel 2.3 Bevoegd gezag Artikel 2.3 Bevoegd gezag
10
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gezag op grond van deze verordening, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke bepaling een ander bestuursorgaan wordt genoemd.
De regeling van artikel 2.3 Verordening Fysieke Leefomgeving geldt gelet op artikel 2.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. De Wabo bepaalt voor deze Wabo-gevallen ook dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is, zoals artikel 2.3 VFL dat voor niet-Wabo gevallen doet. Het systeem van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, geldt ook op gemeentelijk niveau. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders in het algemeen (juridisch exclusief) bevoegd zijn tot het verlenen van individuele toestemmingen (vergunning, ontheffing, melding). Hier zijn binnen het domein van de Verordening Fysieke Leefomgeving enkele uitzonderingen op. Zo is de gemeenteraad in sommige gevallen bevoegd als het gaat om erfgoed (zie de artikelen 6.6.1 en 6.6.2). De burgemeester als zelfstandig bestuursorgaan (dus niet als onderdeel van het college van burgemeester en wethouders) wordt alleen genoemd als bevoegd gezag voor een noodkap bij gevaarlijke bomen (artikel 4.3.1 en 4.3.2). De gekozen redactie (tenzij een ander bestuursorgaan word genoemd) laat ruimte voor deze uitzonderingen. Het is logisch dat de burgemeester nauwelijks als bevoegd gezag voorkomt, want het gaat bij de fysieke leefomgeving juist niet om openbare orde.
Dat de gemeenteraad er nauwelijks als bevoegd gezag aan te pas komt, volgt uit het feit dat het vooral om uitvoerende bevoegdheden gaat. Artikel 2.4 Procedure Artikel 2.4 Procedures 1.
Op procedures ingevolge de Verordening Fysieke Leefomgeving, is de gewone procedure van hoofdstuk 4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, en niet de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (de zienswijzenprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Dit tenzij door een andere wet, of bij besluit van burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.
2.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (vergunning van rechtswege) is niet van toepassing op procedures van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Op de ontheffingen van de artikelen 5.1.4 , 5.1.5 en 5.1.6 van de Verordening Fysieke Leefomgeving is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing.
Ook de regeling in artikel 2.4 VFL geldt alleen voor vergunningplichten die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. In lid 1 is de hoofdregel bepaald: de gewone procedure1, tenzij anders is bepaald. In de te integreren verordeningen komt de Uitgebreide Openbare Voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4
1 Het gangbare begrip “gewone procedure” komt in de Algemene wet bestuursrecht niet voor. Het gaat om de
hoofdprocedure van hoofdstuk 4 Awb, die van toepassing is tenzij de UOV van toepassing is (artikel 3:10 Awb).
11
Awb, oftewel zienswijzenprocedure) niet voor. In de VFL is deze dus ook niet opgenomen. Dit is in lijn met de Omgevingswet, waar ook terughoudend met de uitgebreide procedure wordt omgegaan. Het blijft mogelijk om op basis van de wet (artikel 3:10 Awb) in individueel geval deze procedure toch toe te passen. De redactie van lid 1 laat hier ook ruimte voor. Er is geen wijziging aangebracht in de bestaande regelingen voor vergunningen van rechtswege. Voor de toestemmingen die vallen onder de Wabo is dit geen keus, omdat de formele wetgever dat zo heeft bepaald. Hiernaast hebben de voormalige regelingen van De Ronde Venen alleen voor de volgende gevallen een vergunning voor rechtswege: o
Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen (ontheffing recreatievoertuigen langer dan 3 dagen op openbare weg, was artikel 5:6 APV, wordt artikel 5.1.4 VFL)
o
Reclamevoertuigen (ontheffing reclamevoertuigen) (was artikel 5:7 APV, wordt 5.1.5 VFL)
o
Grote voertuigen (ontheffing parkeren grote voertuigen, was artikel 5:8 APV, wordt 5.1.6 VFL)
Mede gelet op het uitgangspunt van beleidsneutraliteit, is niet gekozen voor afschaffing van de vergunning van rechtswege voor deze gevallen. In de Omgevingswet zal de vergunning van rechtswege overigens geheel worden afgeschaft. Dit betekent dat als deze toestemmingen in het omgevingsplan zijn opgenomen, geen sprake meer zal zijn van een vergunning van rechtswege. Artikel 2.5 Beslistermijn Artikel 2.5 Beslistermijn 1.
Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Burgemeester en wethouders kunnen de termijn voor ten hoogste zes weken verlengen.
3.
Als de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure wordt toegepast en het een besluit op aanvraag betreft, gelden de maximale beslistermijnen van artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht.
4.
Van de leden 1 - 3 kan worden afgeweken als dat in deze verordening wordt bepaald, of als dat volgt uit een andere wettelijke bepaling.
Ook de regeling in artikel 2.5 VFL geldt alleen voor vergunningplichten die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Uitgangspunt is dat binnen 8 weken een besluit genomen wordt op een aanvraag. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met hoogstens 6 weken verlengen. Bij verlenging van de termijn wordt de aanvrager per brief hiervan op de hoogte gebracht. Dit artikel gaat uitsluitend over besluiten op aanvraag. Ambtshalve besluiten, zoals het ambtshalve aanwijzen van monumenten, vallen hier niet onder. Het gaat om waarborgen voor de aanvrager en deels ook om rechtszekerheid voor derde belanghebbenden. Met de basisregeling voor de maximale beslistermijn (8 weken + éénmalige verlenging van 6 weken) wordt aangesloten bij de regeling in de Wabo en bij de toekomstige regeling in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt nog sterker dan onder de Wabo het uitgangspunt de korte (reguliere) procedure, dus die van 8 + 6 weken. Dit is reden te meer om hiervoor ook te kiezen in de Verordening Fysieke Leefomgeving.
12
Indien wordt gekozen voor de uitgebreide procedure, horen daar uiteraard de betreffende maximale beslistermijnen bij (lid 3). In lid 4 zijn wettelijke uitzonderingen mogelijk gemaakt op de reguliere termijn. Dit is vanuit de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf alleen van toepassing op de benodigde beslistermijn bij het aanwijzen van gemeentelijke monumenten (artikel 6.2.5; Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit). Bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving is intern nagegaan of deze termijn korter of langer zou moeten of kunnen. Dit bleek praktisch niet het geval, zodat de termijn uit de Erfgoedverordening is gehandhaafd. Artikel 2.6 Voorschriften en beperkingen Artikel 2.6 Voorwaarden, voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning, ontheffing of toestemming na melding kunnen voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden verbonden.
2.
De voorwaarden, voorschriften en beperkingen strekken alleen tot bescherming van het belang of de belangen
3.
-
die verbonden zijn aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.1.1, dan wel
-
die in verband waarmee de vergunning, ontheffing of toestemming is vereist, dan wel
-
de belangen zoals bedoeld in de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 2.7
Degene aan wie een vergunning, ontheffing of toestemming is verleend en degene voor wie deze geldt, is verplicht de daaraan verbonden voorwaarden, voorschriften en beperkingen na te komen.
Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling geldt zodoende zowel voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Het specialiteitsbeginsel brengt met zich mee dat voorwaarden, voorschriften en beperkingen alleen kunnen worden gesteld in verband met de door de overheid in het kader van de betrokken regeling in het bijzonder te bewaken belangen. Een voorbeeld: De wettelijke mogelijkheid om in het kader van milieuzorg een geluidsbeperking op te leggen, is dus niet bedoeld om de openbare orde te behartigen of om zedelijk bederf te bestrijden. Zodoende is in artikel 2.6 een koppeling gelegd tussen de algemene en bijzondere doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en de mogelijkheid van het stellen van voorschriften en beperkingen. De belangen omtrent de zorg voor de fysieke leefomgeving zijn breed geformuleerd. Hierdoor is in beginsel een breed scala van voorschriften en beperkingen mogelijk. Voorschriften en beperkingen moeten in het concrete geval altijd ook de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Een voorschrift dat onredelijk beperkend is, wordt door de rechter niet geaccepteerd.
Hiervoor moet het concreet te bereiken doel en betrokken belangen in redelijke verhouding staan tot de gemoeide lasten voor de vergunninghouder. Deze redelijkheidstoets geldt voor het gehele bestuursrecht, en is dan ook geen onderwerp specifiek in het kader van de Verordening Fysieke Leefomgeving.
13
Naast artikel 2.6 bevat de Verordening Fysieke Leefomgeving nog de volgende bijzondere grondslagen om voorschriften en beperkingen aan een vergunning, ontheffing of melding te verbinden. o
Artikel 4.1.4 Overige geluidhinder => burgemeester en wethouders kunnen bijzondere geluidsvoorschriften stellen bij activiteiten geluidhinder.
o
Artikel 4.1.6 Gebruik knalapparaten=> burgemeester en wethouders kunnen bijzondere geluidsvoorschriften stellen
o
Artikel 5.2.1 Ligplaats vaartuigen => burgemeester en wethouders kunnen beperkingen stellen aan soort en aantal vaartuigen.
o
Artikel 7.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst => burgemeester en wethouders kunnen voorschriften en beperkingen stellen aan inzameldienst.
Artikel 2.7 Weigering Artikel 2.7 Weigering 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang of de belangen: a.
zoals genoemd in of blijkt uit andere delen van de Verordening Fysieke Leefomgeving:
b.
in verband met de doelen genoemd in artikel 1.1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving.
2.
c.
van de openbare veiligheid;
d.
van de openbare orde;
e.
van de volksgezondheid;
f.
van de bescherming van het milieu:
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor zo kort voor de beoogde datum van de start van de activiteit is ingediend dat een behoorlijke behandeling daardoor onmogelijk wordt of in het gedrang komt / kan komen. In principe geldt hiervoor een periode van 3 weken voor de start van de activiteit. Een en ander ter beoordeling van burgemeester en wethouders.
Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling artikel 2.7 van de Verordening Fysieke Leefomgeving geldt zodoende zowel voor vergunningplichten die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Bij het artikel over weigeringsgronden is aangesloten op de algemene doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en de bijzondere doelen van de betreffende bepalingen. Op enkele plaatsen in de verordening zijn specifieke weigeringsregelingen opgenomen: o
In artikel 4.3.2; Omgevingsvergunning voor het vellen van publieke houtopstanden. In lid 3 van dit artikel zijn 6 weigeringsgronden opgenomen. Deze zijn heel specifiek voor deze vergunning (kapvergunning), en hebben directe relaties met de rest van artikel 4.3.2. Zodoende is er voor gekozen om deze weigeringsgronden in dit artikel 4.3.2 te houden.
o
Hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond bij een kerkelijk monument, artikel 6.3.2 lid 5.
o
Grotendeels hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond van artikel 5.4.1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken). In lid 4 van 14
dit artikel is bepaald dat dat onverminderd artikel 2.7 (dus de algemene regeling over weigeringsgronden) de ontheffing geweigerd kan worden in verband met de bescherming van de flora en fauna. Dit is een zo specifieke bepaling dat deze thuishoort in de bijzondere regeling, dus artikel 5.4.1. o
Hetzelfde geldt tenslotte voor de weigering van een aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- en dorpsgezicht, als niet aannemelijk is dat er ter plaatse een ander gebouw zal worden teruggebouwd. Zie artikel 6.6.3 lid 2.
In lid 2 is een specifieke praktische bepaling opgenomen. Deze bepaling zal juridisch niet vaak aan de orde zijn. De beslistermijn is immers bepaald op 8 (+6) weken (zie artikel 2.5). Het college is niet gehouden om eerder te besluiten op de vergunning. Vervolgens zal na deze 8 weken de vraag op komen of de aanvrager nog wel belang heeft bij een besluit. Hij had immers ruim daarvoor al willen beginnen met de activiteit. Ook is de vraag of de activiteit dan nog door zou gaan. Evengoed is het nuttig om deze bepaling op te nemen (een aanvraag mag niet te kort voor de activiteit worden gedaan), omdat er een signaalfunctie vanuit gaat naar behandelaars en aanvragers. Als het in de verordening zelf staat, wordt het concreter en voor de hand liggender om het in acht te nemen en om er (van te voren) op te wijzen. Het bespaart in voorkomend geval nodeloos werk: als duidelijk is dat de aanvraag niet meer goed is te behandelen vanwege een te korte termijn, of na de normale behandeltermijn feitelijk loos zal zijn (het uitvoeren gaat er niet meer van komen), hoeft deze aanvraag ook niet meer inhoudelijk te worden beoordeeld. Artikel 2.8 Voor wie en hoe lang gelden vergunningen en ontheffingen Artikel 2.8 Voor wie en hoe langen gelden vergunningen, ontheffingen en toestemmingen na meldingen 1.
De vergunning, ontheffing of toestemming na een melding geldt voor -
degene aan wie deze is verleend,
-
de gerechtigde ter zake van het object of de activiteit,
-
degene onder wiens verantwoordelijkheid het object valt of de activiteit wordt uitgevoerd, en voor
-
degene die de betreffende activiteit uitvoert.
Een en ander tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een vergunning, ontheffing of toestemming persoonlijk is, dan wel op naam van een rechtspersoon of samenwerkingsverband is. 2.
De vergunning, ontheffing of toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij daarin anders is bepaald of de aard van de vergunning, ontheffing of toestemming zich daartegen verzet.
3.
De aard van de vergunning, ontheffing of toestemming verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen, ontheffingen of toestemmingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen, ontheffingen of toestemmingen overtreft.
Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever al regelt voor de gemeentelijke Wabo-vergunningen van artikel 2.2. Wabo. Artikel 2.8 geldt zodoende alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving, die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. 15
De opsomming van voor wie de vergunning, ontheffing en toestemming na melding geldt, is met opzet breed gemaakt. Het is gericht op een ieder die hier mee te maken heeft. Dus ook uitvoerder en eventuele andere betrokkenen. In aansluiting op (de rest van) het omgevingsrecht, is gekozen voor zaaksgebonden toestemmingen. Dit is duidelijk en inwonervriendelijk. Voor voorkomende gevallen is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. In lid 3 is een regeling opgenomen voor de geldigheidsduur van vergunningen. Hierbij is rekening gehouden met het Europeesrechtelijke mededingsrecht, dat met zich kan meebrengen dat vergunningen die een schaars recht inhouden, niet meer voor onbepaalde tijd mogen gelden omdat dat de eerlijke mededinging kan verstoren. Verder kan het zijn dat vergunningen om andere redenen voor bepaalde in plaats van voor onbepaalde tijd moeten gelden. Artikel 2.9 Intrekken en wijzigen Artikel 2.9 Intrekken en wijzigen De vergunning of ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken of gewijzigd: a.
als ter verkrijging van de vergunning of de ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, één en ander ter beoordeling van het burgemeester en wethouders;
e.
als de houder dit verzoekt. Het verzoek wordt ingediend overeenkomstig artikel 2.2.
Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: bij artikel 2.9 gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling 2.9 van de Verordening Fysieke Leefomgeving geldt zodoende zowel voor vergunningplichten die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Deze bepaling is geënt op artikel 1:6 van de APV. In zoverre wordt ook verwezen naar de toelichting op artikel 1:6 van de APV. Grond b. ziet op nadien gewijzigde omstandigheden of bestuurlijke inzichten. Hiermee is in theorie elke onvoorziene situatie aan te pakken. Toch is dit juridisch ook niet onbegrensd. In voorkomend geval zal de rechter ook de redelijkheid van een intrekking meewegen. In de toelichting op de APV wordt in dit verband opgemerkt dat vooral het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking beperken. De grond onder d. is bedoeld om geen “slapende vergunningen” te laten voorbestaan. Vergelijk de intrekkingsmogelijkheden voor omgevingsvergunningen als er een half jaar niets mee is 16
gedaan (niet is begonnen of heeft stilgelegen). Slapende vergunningen zijn onwenselijk omdat met deze “onzichtbare rechten” zicht op aanspraken en mogelijke ontwikkelingen verloren wordt, en omdat nieuwe ontwikkelingen onverwachts in de wielen kunnen worden gereden. Het is zaak dat er zo min mogelijk “onzichtbare” aanspraken zijn. De grond onder e. is gebruikelijk (zie ook de Wabo) en sluit aan bij het fundamentele inwonerrecht om afstand van een aanspraak te kunnen doen. Indien de vergunningverplichtingen moeten blijven gelden, bijvoorbeeld in verband met juridisch verplichte naleving of aansprakelijkheid, zal het verzoek allicht kunnen worden geweigerd. Het gaat om een “kan bepaling”. Hoofdstuk 3
Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Dit hoofdstuk gaat over Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu. Meer in het bijzonder is het onderwerp “Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen”. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave van de VFL. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Voor het overige zijn de betreffende bepalingen uit dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de APV. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de transponeringstabel en de toelichting op dit deel van de APV. Artikel 3.1.2 heeft specifieke toelichting nodig Artikel 3.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt door burgemeester en wethouders verleend als omgevingsvergunning, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover het gaat om een opdracht van een overheid.
4.
Het verbod is tevens niet van toepassing op geveltuinen en boomspiegels als bedoeld in artikel 3.1.1, zesde lid onder c.
5.
Het verbod is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening en de Leidingenverordening.
Hier heeft de Wabo een ingewikkelde afstemmingsregeling gemaakt. In artikel 2.2. lid 1, aanhef en onder d Wabo geldt dat een gemeentelijke vergunning voor het aanleggen (enz) van een weg, geldt als Wabo – omgevingsvergunning “een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b”. In artikel 2.1, eerste lid, onder b Wabo is het aanlegvergunningstelsel geregeld.
17
Bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten kunnen een aanlegvergunningstelsel in het leven roepen voor onder andere het aanleggen van een weg. Als er niet zo een stelsel geldt, kan het aanleggen (etc.) van een weg nog steeds in strijd met het bestemmingsplan zijn, omdat het bij het aanleggen van een weg kan gaan om verboden grondgebruik. Voorbeeld: het aanleggen van een weg is in strijd met de bestemming natuur, dus valt het onder strijdig gebruik. Voor het aanleggen (etc.) van een weg kunnen dus drie regimes gelden: 1. In strijd met het aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan of ander ruimtelijk besluit (artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder b Wabo). 2. Planologisch strijdig gebruik omdat het in strijd met de bestemming van het bestemmingsplan (etc.) is (artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo) 3. Verboden ingevolge artikel 3.1.2 Verordening Fysieke Leefomgeving (voormalig artikel 2:11 APV) Uit de Wabo volgt dat er omgevingsvergunning nodig is in geval van 1 en 2. Uit 2.2 Wabo volgt dat als er een combinatie is van 1 en 3, geldt dat 3 ook als omgevingsvergunning geldt. Als voor het aanleggen (etc.) van een weg geen aanlegverbod geldt, wordt de vergunning voor het aanleggen (etc.) van een weg (dus 2:11 APV, wordt 3.1.2 VFL) geen omgevingsvergunning, maar een “gewone” APV/VFL vergunning.
In voorkomend geval is daarnaast wel een omgevingsvergunning nodig voor grondgebruik in strijd met de bestemming (artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo). Artikel 3.1.2 lid 2 bepaalt voor die gevallen, dat dan ook de APV / VFL wordt verleend als omgevingsvergunning. De conclusie lijkt te moeten zijn dat het verbod van de APV / VFL om een weg aan te leggen (etc.), geldt als omgevingsvergunningplicht, als er samenloop is met een verbod uit een bestemmingsplan. In dat geval kunnen de benodigde toestemmingen worden geïntegreerd in 1 omgevingsvergunning. De motieven (oogmerk van regulering) van artikel 3.1.2 VFL (was 2:11 APV) zijn ook anders dan de planologische motieven van het bestemmingsplan (etc.) In de artikelsgewijze toelichting op artikel 2:11 APV staat dat deze bepaling ziet op regulering met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Als een meervoudige omgevingsvergunning moet worden verleend (dus strijd met het verbod van artikel 3.1.2 VFL én strijd met het bestemmingsplan (etc), (dus grondgebruik of aanlegvergunningstelsel), dan moet worden getoetst aan al die motieven / belangen naast elkaar. Ook artikel 3.1.3 (uitweg) heeft specifieke toelichting nodig Artikel 3.1.3 Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.7 wordt de vergunning geweigerd: a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
18
3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Provinciale Wegenverordening
In de APV was dit een meldingenstelsel. Een aantal jaren terug is hiervoor gekozen vanuit overwegingen rond lastenverlichting voor de inwoner. In de praktijk blijkt de lastenverlichting niet zo uit te pakken en blijken de uiteindelijke lasten zelfs groter dan met een vergunningstelsel. Het meldingenstelsel zorgde voor problemen, omdat voor aanvrager en behandelaar vaak onduidelijk wat de juridische status en werking van melding en acceptatie was. Zodoende wisten vergunninghouders/melders en derden niet waar zij aan toe waren. Wat als een melding werd aangevraagd, bleek in de praktijk als een vergunningaanvraag te worden behandeld met een schriftelijke reactie. Dit is niet consequent en niet duidelijk. Dit mondde geregeld uit in juridische procedures en onzekerheid bij alle partijen. Daarbij is het van belang om te vermelden, dat een positieve reactie op een melding een besluit is waartegen belanghebbenden bezwaar en beroep kunnen instellen. Deze onduidelijkheid kan worden verholpen door er een vergunningstelsel van te maken. Zodoende is voor de Verordening Fysieke Leefomgeving gekozen voor een vergunningstelsel, dit overeenkomstig het VNG model van de APV. Wel is in afwijking van het VNG model gekozen voor het mede hanteren van de algemene weigeringsronden, naast de specifieke.
Er lijken namelijk geen goede redenen om de algemene weigeringsgronden niet te hanteren specifiek voor de uitweg. Hoofdstuk 4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
uiterlijk aanzien van de gemeente Dit hoofdstuk gaat over de bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Meer in het bijzonder zijn de onderwerpen: het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting, bodem-, weg- en milieuverontreiniging, het bewaren van houtopstanden en maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave van de VFL. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Voor het overige is dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de APV. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de transponeringstabel en de toelichting op de modelverordening van de VNG. Artikel 4.12 (melding incidentele festiviteiten) heeft specifieke toelichting nodig
19
Artikel 4.1.2 1.
Melding incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden, zowel binnen als buiten de inirchting, waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, op voorwaarde dat de houder van de inrichting ten minste twee weken voor het beginnen van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.
2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, op voorwaarde dat de houder van de inrichting ten minste twee weken voor het beginnen van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.
3.
Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding.
4.
De melding wordt aangenomen te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
5.
De melding wordt aangenomen te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, ogenblikkelijk toestaan.
6.
Met uitzondering van een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien is, is een incidentele festiviteit zoals aangeven in lid 1 en lid 2, slechts toegestaan indien er tenminste 14 dagen zijn verstreken vanaf het moment dat de vorige incidentele festiviteit heeft plaatsgevonden.
7.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting vanuit het bebouwde gedeelte van de inrichting, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of in in- en aanpandige woningen, bedraagt niet meer dan de waarden zoals opgenomen in de tabel hieronder (onder e), waarbij er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. e. tabel 07.00 19.00 uur
19.00 23.00 uur
23.00 07.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
80 dB(A)
75 dB(A)
70 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
20
8.
Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra (inclusief onversterkte) muziek - hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer – op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 00:00 uur en in de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag om uiterlijk 01:00 uur beëindigd. De muziek mag na de genoemde tijden tot de officiële sluitingstijd binnen de geldende geluidsnormen worden voortgezet. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwen gelaten.
9.
Burgemeester en wethouders kunnen, na een gemotiveerd verzoek daartoe, besluiten om geluidsnormen te stellen die afwijken van de in lid 7 genoemde waarden.
10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
In het verleden heeft onze gemeente ontheffingen geluidshinder verleend aan horecabedrijven op grond van artikel 4:6 van de op dat moment geldende Algemene Plaatselijke Verordening De Ronde Venen (APV). Met het verlenen van de ontheffing werd het mogelijk gemaakt om enkele keren per jaar muziek, boven de normale geluidsnorm zoals genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer, op het terras van een horecabedrijf toe te laten. Gebleken is dat artikel 4:6 van de voormalige APV formeel niet bedoeld is voor horecabedrijven. De oorspronkelijke APV bood geen andere mogelijkheid. Bij de horeca is er wel een behoefte om, incidenteel, van de geluidsnormen op het terras af te kunnen wijken. Het overhevelen van de betreffende bepaling vanuit de APV naar de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) biedt de kans om de gewenste mogelijkheid voor de horeca om af te wijken van de geluidsnormen op te nemen. Voorheen mocht een horecabedrijf al maximaal 12x per jaar een melding incidentele festiviteit doen waarvoor van de geluidsnormen binnen in de inrichting mocht worden afgeweken. De wijziging houdt in dat het mogen afwijken van de geluidsnormen nu voor maximaal 12x per jaar kan plaatsvinden voor zowel binnen als buiten het horecabedrijf. Voorheen was er geen begrenzing aan het aantal ontheffingen wat kon worden afgegeven. Dat is nu wel geregeld. Hoofdstuk 5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Dit hoofdstuk gaat over
andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente.
Meer in het bijzonder gaat het om de onderwerpen Parkeerexcessen en stopverbod, Openbaar water en waterstaatswerken, Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden en Vuurverbod. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Voor het overige is dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de APV. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de transponeringstabel en de toelichting van de modelverordening van de VNG.
Hoofdstuk 6
Erfgoed
Dit hoofdstuk gaat over erfgoed. Meer in het bijzonder zijn de onderwerpen gemeentelijk erfgoedregister, aanwijzing gemeentelijk monument, bescherming gemeentelijk monument, beeldbepalend pand, rijksmonumenten en archeologie en beschermde dorpsgezichten. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Voor 21
het overige is dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de Erfgoedverordening. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de transponeringstabel en de toelichting op de Erfgoedverordening. Hoofdstuk 7
Afvalstoffen en inzameling oud papier
Dit hoofdstuk gaat over afvalstoffen en inzameling oud papier. Meer in het bijzonder zijn de onderwerpen huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen, zwerfafval en overige, en Inzameling oud papier. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Vanwege het verband tussen deze twee onderwerpen van deze twee verordeningen (afvalregulering), is gekozen om de inhoud te integreren in één hoofdstuk. Door het samenvoegen van de Afvalstoffenverordening en de Verordening inzameling oud papier ontstond er een afstemmingsvraagstuk rond het begrip “inzamelaar”, dat in beide verordeningen voorkwam. De (aangewezen / erkende) inzamelaar oud papier is veelal een school of andere maatschappelijke instelling, die hiermee wat geld voor het goede doel ophaalt. Het is niet de bedoeling dat deze wordt aangemerkt als een professionele inzamelaar van huishoudelijke- of bedrijfsafvalstoffen. Omgekeerd is het ook niet de bedoeling dat de professionele inzamelaar zich met het inzamelen van oud papier gaat bezighouden. Zodoende is er voor gekozen om de inzamelaar van oud papier, ook zo te noemen. Dit is een aanpassing van de definitiebepalingen in artikel 1.2.1, en in de paragraaf over het inzamelen van oud papier: § 7.4 Inzameling oud papier.
Voor het overige is dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de Afvalstoffenverordening en de Verordening inzameling oud papier. Hoofdstuk 8
Voormalige Bouwverordening
Dit hoofdstuk gaat over de resterende onderwerpen van de gemeentelijke Bouwverordening. Meer in het bijzonder zijn de onderwerpen de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen (bouwen op verontreinigede grond) en het welstandsadvies. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. In artikel 8.1.3 is bepaald dat de artikelen uit hoofdstuk 8 zijn aan te merken als bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Dit om discussie te voorkomen of op grond van artikel 8 van de Woningwet deze bepalingen wel opgenomen mogen worden in de Verordening Fysieke Leefomgeving of hiervoor een aparte bouwverordening in stand moet worden gehouden. Voor het overige is dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de Bouwverordening.. Hoofdstuk 9
Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Dit hoofdstuk betreft sanctie-, overgangs- en slotbepalingen van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Meer in het bijzonder zijn de onderwerpen sanctiebepalingen, toezichthouders, Intrekking oude verordeningen, overgangsbepalingen, inwerkingtreding en Citeertitel. Hieronder wordt ingegaan op deze onderwerpen.
22
Artikel 9.1 Sanctiebepalingen Artikel 9.1 Sanctiebepaling 1.
Overtreding van het bij of krachtens de regels in hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze verordening bepaalde en de op grond van de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.2, tweede lid, 4.3.1, eerste lid en 4.3.2, eerste lid.
3.
In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
4.
Degene, die handelt in strijd met het tweede lid van artikel 6.3.1 of artikel 6.3.2, tweede lid of artikel 6.7.1, eerste lid van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
5.
Overtreding van -
artikel 7.1.2,
-
artikel 7.1.4,
-
artikel 7.1.6 tot en met artikel 7.1.8,
-
artikel 7.2.2 tot en met artikel 7.3.6,
is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.
Het gaat hier over strafbaarstellingen van overtreding van bepalingen uit de APV (leden 1 – 3), de Erfgoedverordening (lid 4) en de Afvalstoffenverordening (lid 5). Met het uitgangspunt van beleidsneutrale omzetting van de betrokken verordeningen naar de Verordening Fysieke Leefomgeving, zou niet goed zijn te rijmen een algehele of zelfs verbrede strafbaarstelling. Zodoende zijn de bestaande strafbepalingen ongewijzigd omgezet naar de opvolgers van betrokken bepalingen in de Verordening Fysieke Leefomgeving. De Verordening Fysieke leefomgeving bevat ook een aantal afbakeningen met het gewone (“commune”) strafrecht. Deze bepalingen zijn uiteraard ongewijzigd gelaten. Artikel 9.2 Toezichthouders Artikel 9.2 Toezichthouders 1.