CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

PlanMER Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 – 2035

Informerende bijeenkomst 20 januari 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Utrechts Programma Landelijk Gebied38.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

91/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect gebied en de connectiviteit en samenhang tussen natuurgebieden vergroot.

Doelbereik

Het te behalen doel is enigszins zeker: Het UPLG beschrijft meerdere doelen gericht op natuurareaal, waaronder VHR-natuur (848 ha) en agrarische natuur (10.600 ha), en nieuwe natuur vanuit de Bossenstrategie, NNN en Groene Contour. De laatste drie doelen zijn vastgelegd in bestaande programma’s (en wordt dus gezien als autonoom in dit MER, waarvan met name voor de NNN een groot dele van het areaal al gerealiseerd is ofwel geprogrammeerd. Ook voor de groenblauwe dooradering zijn doelen gesteld (7 % van het areaal in landelijk gebied 2050). Daarnaast wordt via Groen Groeit Mee gewerkt aan natuur(recreatie) nabij stedelijke gebieden. Alles samen vraagt dit om veel ruimte in het landelijk gebied, en de ruimte is schaars.34 In hoeverre extra natuur wordt gerealiseerd zal in veel gevallen afhangen of opkoop van de gronden of functieverandering mogelijk is. De beperkte hoeveelheid grond die vrijkomt en de hoge vraag naar grond, maakt doelbereik onzeker. Wel bestaat de verwachting dat vanwege de verschillende doelen en belangen het natuurareaal significant toeneemt tussen nu en 2030.

Een groot deel van de maatregelen gaan over groenblauwe dooradering. Hiervoor kan grond in eigendom van agrariërs blijven. Dit maakt realisatie haalbaarder, al geldt ook hiervoor dat realisatie deels afhangt van de medewerking van de agrariërs in het gebied.

6.3.11 Effectbeoordeling Natuurkwaliteit in landelijk gebied De provincie Utrecht kent 10 Natura 2000-gebieden. Dit aspect is gericht op de invloed van de alternatieven op de kwaliteit van de natuur in het landelijk gebied (onder andere NNN), buiten de Natura 2000-gebieden. Het gaat hierbij met name om het vergroten van de biodiversiteit.

34 Voor 2030 liggen de grootste VHR-opgaven voor natuur bij extra arealen voor moerassen (55 hectare), bossen (bijna 40 hectare)

en vogelgraslanden (bijna 530 hectare). Het totaal benodigde extra natuurareaal - conform de VHR voor 2030 - is 650 hectare. Voor 2050 is de opgave totaal ruim 2.450 hectare, waarvan bijna 240 hectare moerassen, bijna 200 hectare bossen en ruim 1.900 hectare vogelgrasland. De VHR-opgaven voor agrarische natuur betreffen weidevogelgraslanden en groenblauwe dooradering. Voor 2030 is nog ruim 8.200 hectare extra agrarisch weidevogelgrasland nodig en nog ruim 2.300 hectare extra groenblauwe dooradering (GBDA). Voor 2050 gaat het om ruim 33.400 hectare weidevogelgrasland en ruim 10.000 hectare GBDA. Dit zou een aanzienlijk deel van het veenweidegebied en van het huidige totaal areaal aan landbouwgrond beslaan. Met het Strategisch Bosbeleid is het doel om 1500 hectare bos aan te leggen binnen onze provincie, waarvan 1000 hectare in het NNN-zoekgebied en 500 daarbuiten.

92/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG Het UPLG zet zich in op kwaliteitsverbetering van de natuur in het Natuurnetwerk Nederland. Dit richt zich met name op de kwaliteitsverbetering voor de soorten en habitats van de Vogel- en Habitatrichtlijn en op de revitalisering van bos, met name op de Utrechtse Heuvelrug. Het UPLG beschrijft meerdere zaken die invloed hebben op de natuurkwaliteit en biodiversiteit in het landelijk gebied, waaronder beekherstel, GBDA, overgangsgebieden, slootpeilverhoging in het veenweidegebied, en verlagen van ammoniakemissies. Effecten Vernatten veenweidegebied: Het UPLG kent het doel om het veenweidegebied te vernatten en daarmee uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems en bodemdaling tegen te gaan. Vernatting draagt ook bij aan het verbeteren van de natuurkwaliteit in bestaande natuur en kan condities creëren waarbij kansen ontstaat voor natuurrealisatie, zoals moerasbos. Hogere grondwaterstanden bieden ook kansen voor het creëren van leefgebieden voor weidevogels. Wormen komen door vernatting meer aan het oppervlak en zijn zo beter beschikbaar voor weidevogels. Dat heeft dus een positief effect op de voedselbeschikbaarheid voor deze vogels. Hogere grondwaterstanden zijn echter niet voldoende voor weidevogels. Meerdere factoren bepalen of weidevogels goed gedijen in het agrarisch gebied, zoals agrarisch beheer.

Groenblauwe dooradering: Groenblauwe dooradering (GBDA) voegt leefgebieden en voedselbronnen toe in het landschap en vergroot de connectiviteit. Dit zorgt voor een sterke uitbreiding van de fijnmazige groenblauwe dooradering van het hele landelijk gebied, ten behoeve van biodiversiteit en ecologische waterkwaliteit. Beekherstel: Doordat de provincie Utrecht samen met de provincie Gelderland en waterschap Vallei & Veluwe gaat werken aan beekherstel en waterberging ontstaat ruimte voor rivier- en beekbegeleidend bos. Daarbij zijn er kansen voor connectiviteit voor beekdalsoorten en kan de samenhang tussen bestaande natuurelementen sterk verbeterd worden. Hier is ook een kans voor zeldzame natuur. Wanneer de beken meer hun natuurlijke weg volgen (hermeanderend profiel, stuwen eruit) ontstaat weer dynamiek in de beken door erosie en sedimentatie. Hierdoor ontstaan extra niches waar verschillende planten- en diersoorten van kunnen profiteren. De beken kunnen dienstdoen als verbindingsstroken tussen habitats voor diersoorten als vlinders, vissen, amfibieën, reptielen. Beekherstel vindt met name plaats in de Gelderse Vallei. Maatregelen Utrechtse Heuvelrug: Veel kansen voor natuurherstel liggen op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Voor de Utrechtse Heuvelrug wordt gestart met een onderzoek naar de natuurkwaliteit van de gehele Utrechtse Heuvelrug inclusief de flanken.

Hiermee wordt in kaart gebracht welke maatregelen nodig zijn vanuit onder meer de Europese Natuurherstelverordening en de opgave voor revitalisering van de bossen. Vervolgens wordt op basis van de uitkomsten bepaald welke maatregelen worden uitgevoerd. Het is dus nog niet bekend welke maatregelen dit gaan zijn en hoe die de natuurkwaliteit beïnvloeden. Het doel van de maatregelen is in het algemeen om de natuurkwaliteit te verbeteren, verwacht wordt dat dat met deze aanpak gaat gebeuren.

93/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Overgangsgebieden: De overgangsgebieden hebben het hoofddoel de condities in de Natura 2000-gebied te verbeteren. Het aanwijzen van overgangsgebieden kan er ook toe leiden dat de natuurkwaliteit van een groter gebied, rondom het Natura 2000-gebied, verbetert, omdat hier wordt gewerkt aan hydrologische herstel, reductie stikstofuitstoot en connectiviteit. Stikstofaanpak: Te hoge stikstofdepositie leidt tot eutrofiëring en verzuring van de bodem, waarbij sommige plantensoorten de overhand krijgen ten koste van andere, wat de biodiversiteit vermindert. Door ammoniakemissies te verlagen, neemt de stikstofdepositie af, waardoor de instandhoudingsdoelen Natura 2000 beter binnen bereik komen. Het UPLG werkt op verschillende manieren aan het verminderen van de stikstofdepositie, namelijk via het generieke spoor en gebiedsspecifieke spoor. Het halen van dit doel van 40-42 kg/ha/jr wordt voor de meeste bedrijven haalbaar geacht met alleen de inzet van voer- en managementmaatregelen. Voor alle grondgebonden veehouderijen geldt een emissieplafond, waarbij de reductie behaald kan worden middels voer- en managementmaatregelen. Voor niet-grondgebonden veehouderij wordt ingezet op stalinnovaties en managementmaatregelen, tevens geborgd via een emissieplafond in de (nieuwe) Omgevingsverordering.

Daarnaast wordt met de gebiedspecifieke aanpak een stikstofzone ingesteld rondom de Natura 2000-gebieden, en waar nodig maatwerk verricht bij de relevante stallen en bedrijven. De provincie Utrecht verwacht met deze aanpak een reductie van circa 46 %35 van de totale ammoniakemissie te bereiken. Er zijn ook een aantal negatieve effecten te benoemen als gevolg van het beleid in het UPLG. Meer connectiviteit kan onbedoeld de verspreiding van invasieve exoten versterken. Daarnaast bevat het UPLG-beleid dat positief bijdraagt aan recreatie, waaronder nieuwe natuur en groenstructuren en maatregelen die bijdragen aan een vitaler en aantrekkelijker landschap. Dit kan mogelijk leiden tot meer verstoring. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect natuurkwaliteit in het landelijk gebied. Tabel 6.21 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Vernatten veenweidegebied

Nattere veenweidegebieden bieden meer ruimte voor de kenmerkende soorten van vochtige en natte graslanden en moerasvegetaties. Ze bieden daarmee ook leefgebied voor een rijkere insectenwereld en betere condities voor weidevogels.

Groenblauwe dooradering

Groenblauwe dooradering bevordert de biodiversiteit door het creëren van diverse leefgebieden en ecologische verbindingen. Dit geldt echter ook voor invasieve exoten.

35

Conform stikstofberekeningen van het RIVM: RIVM-AERIUS_21-083_Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen.pdf

94/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beekherstel

Beekherstel bevordert biodiversiteit door het creëren van diverse habitatstructuren, het verbeteren van waterkwaliteit, en het bieden van migratieroutes voor aquatische en terrestrische soorten.

Overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebied

Het aanwijzen van overgangsgebieden waarin wordt gewerkt aan hydrologisch herstel, connectiviteit en stikstofreductie verbetert ook de natuurkwaliteit buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied.

Norm ammoniakemissies

De generieke normering leidt, in aanvulling op autonome ontwikkeling en aangevuld met een stikstofzonering tot een provinciebrede reductie van ammoniak van 46 %. Dit vermindert de stikstofdepostie in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waardoor de natuur zich hier kan herstellen.

Maatregelen Utrechtse Heuvelrug

Op basis van dit onderzoek worden maatregelen genomen, die naar verwachting leiden tot een betere natuurkwaliteit, ofwel het verminderen van knelpunten (zoals droogte).

Tabel 6.22 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling aspect natuurkwaliteit in het landelijk

Positief (+)

gebied Onderbouwing effect UPLG op aspect natuurkwaliteit

De invloed van het UPLG op de natuurkwaliteit

in het landelijk gebied.

(biodiversiteit) in de provincie is positief. Ondanks een aantal mogelijke negatieve effecten (verstoring door recreatie, verspreiding exoten) wordt een netto positief effect verwacht omdat op meerdere vlakken wordt gewerkt aan het vergroten van de biodiversiteit als het verbeteren van de abiotische condities (ook) buiten de Natura 2000-gebieden.

Doelbereik

Het te behalen doel is enigszins zeker: De biodiversiteitsdoelen buiten de Natura 2000-gebieden zijn in het UPLG uitgedrukt in oppervlakten. Zoals beschreven bij het aspect ‘areaal en samenhang leefen natuurgebieden’ is het behalen van het gewenste natuurareaal een uitdaging vanwege de grote ruimtevraag en botsende belangen. Ook zijn er diverse ongunstige trends, zoals klimaatverandering en toename van gebruiksdruk door groei van het aantal inwoners. Ondanks de uitdagingen zijn er wordt op meerdere manieren aan biodiversiteit in het landelijk

95/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect gebied gewerkt, waaronder het Strategisch Bosbeleid en het aankomend Natuurherstelplan. Er is veel mogelijkheid voor synergie. Ook geeft de provincie aan dat er onder boeren veel draagvlak lijkt voor het realiseren van de blauwe dooradering via ecologisch beheer: het is een relatief eenvoudige ingreep met een groot effect.

6.3.12

Effectbeoordeling Verduurzaming landbouw

De landbouwsector heeft een belangrijke rol in meerder vraagstukken in het landelijk gebied. De belangrijkste milieu- en klimaatthema’s voor de Utrechtse landbouw zijn:  Uitspoeling van stikstof en fosfaat uit mest: dit speelt in de grondgebonden en in de intensieve   

veehouderij Stikstof (ammoniak) emissies naar de lucht; dit speelt in de grondgebonden en (iets minder) in de intensieve veehouderij Uitstoot van broeikasgassen: dit speelt in de grondgebonden veehouderij, met name bij herkauwers (methaanemissies) en in de veenweidegebieden (CO2-emissies uit veenbodems) Gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewater: dit speelt vooral bij de fruitteelt

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de mogelijkheden van de sector om te verduurzamen en stimulansen die de landbouw helpen te verduurzamen. Relevant beleid in het UPLG Het UPLG schets meerdere manieren waarop wordt bijgedragen aan de verduurzaming van de landbouw. De provincie werkt met doelsturing voor het verminderen van ammoniakemissies. Daarnaast ondersteunt de provincie de agrariërs door een passende grondstrategie en wordt het ‘Ondernemerspgrogramma landbouw’ opgezet, gericht op individuele ondersteuning van ondernemers middels plattelandscoaches of ondersteuning bij het opstellen van duurzame bedrijfsplannen. Subsidies worden beschikbaar gesteld voor efficiëntie en verduurzaming (innovatie) en extra middelen worden ingezet onder andere voor agrarisch natuurbeheer. Daarnaast werkt de provincie aan kennisontwikkeling- en deling en ondersteunt meerdere pilots, fieldlabs en projecten. Effecten Ondersteuning bij verduurzaming: De provincie Utrecht wil verduurzaming van de bedrijfsvoering ondersteunen. Onderdeel daarvan is het ondersteuning van bedrijfsontwikkeling met subsidies voor voer- en managementmaatregelen en technische maatregelen. Het Ondernemersprogramma moet hieraan bijdragen, waaronder individuele ondersteuning van ondernemers middels bedrijfsplannen en inzet van plattelandscoaches.

Ook de beoogde kennisontwikkeling en innovatie, via onderzoek en praktijkgerichte pilot, is van groot belang voor boeren die willen verduurzamen. Kennis en inzicht in bedrijfsprestaties zal ertoe leiden dat meer ondernemers stappen zetten richting verduurzaming.

96/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Stikstofaanpak: Voer- en managementmaatregelen hebben de potentie om de ammoniakuitstoot fors te verminderen. Rondom de Natura 2000-gebieden zijn gerichte maatregelen nodig, maar verder daarvan af is het bij veel boeren mogelijk om met voer- en managementmaatregelen onder de norm van 40 kg stikstof/ha te komen. Belangrijke maatregelen hierbij zijn beweiding, verlagen van het aandeel ruw eiwit in het voer en verdunnen van de mest in stal of bij aanwending of mestaanwending bij gunstige weersomstandigheden. De effecten van de maatregelen zijn minder goed te kwantificeren, maar zijn over het algemeen positief. Het is aan de agrariërs zelf welke maatregelen worden doorgevoerd, maar de stikstofdoelen (ammoniaknorm) staan vast. Grondbeleid en grondbeschikbaarheid: De recente studie van Wageningen Environmental Research maakt (opnieuw) inzichtelijk dat extensivering bedrijfseconomisch alleen mogelijk is als er veel extra grond op bedrijfsniveau beschikbaar is, tegen een redelijke prijs.36 De ruimtevraag van andere opgaven kan ten koste gaan van de ruimte voor de landbouw, die de landbouw juist nodig heeft om te extensiveren. Daarentegen wil de provincie Utrecht zich middels het UPLG inzetten voor een passend grondbeleid ten behoeve van de verduurzaming van de landbouw.

De natuurdoelen (evenals de klimaat- en waterdoelen) vragen om op een andere manier te extensiveren, namelijk door het houden van minder vee per ha. Door de behoefte aan extra grond voor de landbouwtransitie en door de ontwikkeling van andere functies in het landelijk gebied neemt de druk op de landbouwgrond toe. Dit kan zorgen voor een verschuiving naar een meer extensieve landbouw. In de overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden worden de bemestingsnormen verlaagd, waardoor boeren minder mest kunnen opbrengen en moeten extensiveren. Mestafzet is kostbaar, waardoor bedrijven naar verwachting vaker gaan kiezen voor extensivering (minder dieren per ha). Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect verduurzaming landbouw. Tabel 6.23 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Ondersteuning bij verduurzaming

Ondersteuning via kennisdeling, pilot en o.a. plattelandscoaches krijgt de ondernemer die wil meer handvatten om te verduurzamen

Stikstofaanpak

Het is aan de agrariërs zelf welke maatregelen worden doorgevoerd, maar de stikstofdoelen (ammoniaknorm) staan vast. De stikstofaanpak gaat een significante bijdrage leveren aan het verminderen van stikstofdepositie in natuurgebieden, evenals andere positieve neveneffecten (water- en bodemkwaliteit).

Grondbeleid en grondbeschikbaarheid

Meerdere opgaven die voortkomen uit het UPLG hebben een grote ruimtevraag, dit kan ten koste gaan van de ruimte die nodig is om te extensiveren (lagere veedichtheid per hectare)

36

Extensiveren melkveehouderij en akkerbouw, Wageningen University & Research, juni 2024

97/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Tabel 6.24 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling verduurzaming landbouw

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Er worden met UPLG stappen gezet in de verduurzaming van de

verduurzaming landbouw

landbouw, waarbij de boeren (financieel) ondersteund worden en handvatten krijgen. De aanpak stikstof en het inrichten van de overgangsgebieden zijn geborgde maatregelen die veel verduurzaming teweeg moeten gaan brengen in de landbouwsector. Omdat een aantal maatregelen een vrijwillig karakter heeft, wordt het effect als licht positief beoordeeld in plaats van positief. De deelname aan het UMDL en werken aan doelen gericht op bodem- en waterkwaliteit of het omvormen naar inclusieve landbouw is vrijwillig. Hierbij is nog onzeker welke maatregelen en op welke termijn worden doorgevoerd. Ook wordt door de andere opgaven de druk op de (vrijkomende) grond naar verwachting hoger. Per saldo is de beoordeling daarom licht positief.

Doelbereik

Het te behalen doel is onzeker: De provincie heeft gekozen voor een generiek stikstofbeleid op basis van doelsturing. Met deze aanpak blijven de ondernemers aan het roer. Voor het UPLG is via maatregelenpakket middelen beschikbaar gekomen worden voor begeleiding van ondernemers en ondersteuning van het proces in de transitie naar meer natuurinclusieve kringlooplandbouw. Het UMDL wordt in dit MER gezien als autonoom beleid en is daarom niet meegenomen in de effectbeoordeling, maar het UMDL draagt wel bij aan het doelbereik voor de verduurzaming van de landbouw. Met het UMDL wordt verduurzaming gestimuleerd doordat het behalen van KPI37’s (financieel) wordt gewaardeerd. De ondernemers die willen verduurzamen worden hiermee geholpen en (financieel) ondersteund. De ondernemers die dat niet willen of kunnen, zullen met de maatregelen in het UPLG naar verwachting geen grote stappen zetten in de verduurzaming, omdat het vrijblijvend is. Dit geldt echter niet voor de ammoniaknorm, hier moet elke veehouderij aan voldoen in 2035. De aantrekkingskracht van verduurzaming zal in veel gevallen afhangen van de kosten langjarig gedekt kunnen worden of de investering kan worden terugverdiend. De agrarische grondmarkt in Nederland staat onder druk, met name door stijgende grondprijzen en de toenemende schaarste aan beschikbare grond. Ook dit maakt doelbereik onzeker.

37

KPI = kernprestatie-indicator

98/147

Kenmerk

6.3.13

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Effectbeoordeling Landbouwareaal

De UPLG-opgaven geven een aanzienlijke ruimtevraag in het landelijk gebied van de provincie Utrecht. In dit MER wordt gekeken in hoeverre het alternatief leidt tot een vermindering in landbouwareaal. Het behoud van landbouwareaal is in het belang van de landbouwsector, maar is ook voor andere doelen van belang. De landbouw doet bijvoorbeeld aan een vorm van landschapsbeheer. Relevant beleid in het UPLG De provincie Utrecht geeft aan in het UPLG zorgvuldig om te gaan met landbouwgronden. Via de Omgevingsvisie wordt extra gewicht meegeven aan het landbouwbelang op gronden die geschikt zijn voor voedselproductie waarbij het gewas direct geschikt is voor menselijke consumptie (zoals bij fruitteelt en akkerbouw). De opgaven, waaronder de realisatie van het NNN, het vernatten van het veenweide en beekherstel, zullen in grote mate landen in het huidige landbouwgebied. Bij functieverandering wordt landbouw als belang zorgvuldig meegewogen en de gronden die te beschouwen zijn als potentieel zeer geschikt voor voedselproductie (direct geschikt voor menselijke consumptie) zoveel mogelijk sparen. In het UPLG wordt niet gesproken over het realiseren extra nieuwe natuur, afgezien van een beperkt aanvullend areaal in de overgangszones ten behoeve van connectiviteit. In het UPLG is ervoor gekozen (vooralsnog) geen aanvullend areaal aan te wijzen voor VHR-natuur.

De VHRnatuur wordt veel mogelijk binnen de huidige NNN-opgave ingevuld. Effecten In de Gelderse Vallei worden zoekgebieden voor waterberging aangewezen, waarna daarbinnen een kleiner gebied wordt gerealiseerd voor waterberging en beekherstel. De exacte invulling daarvan is nog niet bekend. Zowel waterberging als beekherstel kost ruimte. Overige maatregelen die worden voorzien op landbouwareaal zijn het toevoegen van groenblauwe dooradering (landschapselementen en natuurvriendelijke oevers). De kans bestaat dat dit ten koste gaat van landbouwareaal (mits het kan worden opgekocht of in eigendom is van de provincie, het waterschap of de terreinbeherende organisaties). In het UPLG wordt daarnaast toegewerkt naar zoekgebieden voor waterberging. Dit zijn gebieden die vaak met enkele aanpassingen in de inrichting van het watersysteem geschikt gemaakt kunnen worden om bij hevige neerslagsituaties water vast te houden om bijvoorbeeld stedelijke gebieden te ontzien. Hier zal vaak voortzetting van het reguliere landgebruik mogelijk zijn, met afspraken over nadeelcompensatie. Dit heeft dus geen invloed op het aspect landbouwareaal. Voor de veenweidegebieden geldt dat met een drooglegging van -40 cm het land gebruikt kan blijven worden voor de veehouderij, afgezien van de lagere delen. De hogere (grond)waterstand leidt op de laaggelegen percelen tot gebruiksbeperking.

Het verhogen van de grondwaterstand kan impact hebben op de draagkracht van de bodem en de grasproductie. Een lagere draagkracht kan zorgen voor meer rij- en vertrappingsschade en een minder optimale timing van beweiding, oogst en bemesting.

99/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Hoe wordt omgegaan met de grond van stoppende boeren zal in grote mate bepalen wat er gebeurt met het landbouwareaal. Het UPLG beschrijft dat de potentiële stoppers 29 % van het landbouwareaal in bezit hebben. Hoe omgegaan wordt met de vrijkomende grond is onderhevig aan de vrije markt; hier heeft de provincie nagenoeg geen invloed op. De provincie probeert het benutten van vrijkomende gronden voor de verschillende opgaven zo goed mogelijk te faciliteren, met name via actief grondbeleid en inzet van het juiste instrumentarium en stimuleringsregelingen. De provincie heeft de mogelijkheid om gronden op te kopen. Wanneer deze grond wordt ingezet voor extensievere vormen van landbouw, blijft het areaal gelijk. Echter, wordt naar verwachting ook vrijkomende grond (op termijn) benut voor andere doeleinden, zoals natuurontwikkeling. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect landbouwareaal. Tabel 6.25 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Extra natuurareaal in overgangsgebieden

Dit kan mogelijk ten koste gaan van landbouwareaal, of beperkingen geven voor agrarisch grondgebruik

Zoekgebieden waterberging, beekherstel

Dit kan mogelijk ten koste gaan van landbouwareaal, of

en overstromingsgebieden

beperkingen geven voor agrarisch grondgebruik

Opzetten drooglegging veenweidegebied

Dit kan, zeker op de lage delen, beperkingen geven voor agrarisch

(-40 cm)

grondgebruik

Tabel 6.26 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling

Negatief (-)

Onderbouwing effect UPLG op landbouwareaal

Vanwege de vele opgaven in het landelijk gebied die veel ruimte vragen, vermindert het landbouwareaal naar verwachting significant. De omvang is echter afhankelijk van de beschikbaarheid van grond, de grondmarkt en hoe de vrijkomende grond wordt benut.

Doelbereik

Het UPLG heeft geen doelen gericht op het landbouwareaal, maar wel op het landbouwperspectief. Zoals beschreven in paragraaf 6.3.14. heeft de beschikbare grond invloed op het landbouwperspectief. De provincie heeft middelen en instrumenten tot haar beschikking voor actief grondbeleid, echter is de provincie ook afhankelijk van andere partijen en ontwikkelingen en de grondmarkt. Door de behoefte aan extra grond voor de landbouwtransitie en door de ontwikkeling van andere functies en wettelijke opgaven

100/147

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16484209/1