CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

PlanMER Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 – 2035

Informerende bijeenkomst 20 januari 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Utrechts Programma Landelijk Gebied38.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Effect

Beoordeling oppervlaktewaterkwaliteit

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Meerdere UPLG-maatregelen hebben een positief effect op de

oppervlaktewaterkwaliteit

waterkwaliteit. De inzet van het UPLG op de verduurzaming van de landbouw (o.a. aanpak stikstof) zal (op termijn) bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. De potentieel negatieve effecten als gevolg van hogere grondwaterstanden in de veenweidegebieden worden conform het beleid in het UPLG gemitigeerd door jaarlijks de drooglegging met maximaal 2 cm te verminderen. Het alternatief scoort niet positief omdat dit het gebruikt van gewasbeschermingsmiddelen onvoldoende aanpakt, en het UPLG zich niet gericht op de reductie van vervuilingen van o.a. zware metalen. Hier is ook inzet van het rijk voor nodig. In het UPLG wordt het Rijk opgeroepen op actie voor gewasbestrijdingsmiddelen en biociden (paragraaf 5.3 UPLG).

Doelbereik

Doelbereik is onzeker: Er zijn dringende doelen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Alle KRW-waterlichamen dienen te voldoen aan de KRW-normen in 2027. Het bereiken van de KRW-doelen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk, de provincie, waterschappen en de regio. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij het Rijk. Het UPLG heeft in potentie een positieve bijdrage aan deze ambities. Er wordt bijgedragen aan de KRW-doelen door onder andere de stikstofaanpak, maatregelen voor herstel Natura 2000-gebieden, de overgangszones, natuurvriendelijke oevers en de integrale aanpak beekdalen. Echter is nog veel afhankelijkheid van andere partijen voor de uitwerking van het beleid. Een aanpak en generieke regelgeving van het Rijk is noodzakelijk.

70/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect

Daarnaast is voor een aantal gebieden vastgesteld dat de doelen niet worden behaald in 2027, waaronder de beken in de Gelderse Vallei en de waterlichamen in de veenweidegebieden als gevolg van de tijdelijke uitspoeling van nutriënten26.

6.3.2 Effectbeoordeling Grondwaterkwaliteit Dit aspect gaat enkel in op de chemische kwaliteit van het grondwater, het gaat hierbij zowel over het ondiepe (freatisch) grondwater als de diepere KRW-grondwaterlichamen. Relevant beleid in het UPLG Het UPLG bevat geen nieuwe maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit, maar wel maatregelen in het landelijk gebied die kunnen bijdragen aan de KRW-doelen. Via het Uitvoeringsprogramma KRW-impuls neemt de provincie Utrecht dertien aanvullende maatregelen in de periode 2025-2027, onder andere op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot grondwaterbeschermingsgebieden. Dit wordt in dit MER gezien als autonoom beleid omdat het al is vastgesteld. Effecten Wat betreft de grondwaterkwaliteit voldoet de kwaliteit op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen (generieke toetsen). Verspreid over de hele provincie worden wel verschillende verontreinigende stoffen in het grondwater gemeten. Het gaat dan om bestrijdingsmiddelen, industriële stoffen zoals PFAS en medicijnresten. Enkel voor de bestrijdingsmiddelen kan het UPLG zorgen voor een verbetering. Grondwater is een traag systeem.

Dit betekent dat de aangetroffen stoffen in het ondiepe grondwater soms pas na vele jaren op een andere plek of diepte worden gemeten, en zo kunnen leiden tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Het stimuleren van natuurinclusieve en biologische landbouw kan een positief effect hebben op het grondwater. Het effect op het grondwater hangt af van de mate van verduurzaming in de landbouw of in hoeverre innovatieve technieken worden toegepast. Door de WUR is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van innovatie en managementmaatregelen binnen de landbouw op emissies.27 Door maximale inzet van maatregelen in de niet-grondgebonden veehouderij, zoals betere bemestingspraktijk, gewasmanagement en bodembeheer kan gemiddeld (landelijk) circa 40 % van de stikstof en 10 % van de fosfor naar het grondwater worden verminderd. Dit is echter alleen wanneer alle bedrijven technische innovaties toepassen. Het effect is onzeker, omdat de toepassing (en onderhoud/uitvoering) afhankelijk is van veel factoren, waaronder de investeringen van de agrariërs.

26

Kansen voor stikstofaanpak voor doelbereik van de KRW voor nutriënten, Wageningen University & Research, 06-10-2021 Verkenning effecten landbouwinnovaties, Potentieel van landbouwinnovaties om emissies van ammoniak en broeikasgassen naar de lucht en verliezen van nutriënten naar het water te verlagen, WUR, Rapport WU 2024.159 27

71/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabellen wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect grondwaterwaterkwaliteit. Tabel 6.3 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Stimuleren verduurzaming landbouw

Het stimuleren van natuurinclusieve en biologische landbouw kan een positief effect hebben op het grondwater, maar het effect is onzeker.

Tabel 6.4 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling grondwaterkwaliteit

Neutraal (0)

Onderbouwing effect UPLG op

Naast de lopende KRW-maatregelen en het Uitvoeringsprogramma

grondwaterkwaliteit

Impuls KRW (autonoom beleid) bevat het UPLG geen nieuw beleid dat effecten heeft op de grondwaterkwaliteit. Hetgeen wat positief kan bijdragen aan de grondwaterkwaliteit is onzeker.

Doelbereik

Doelbereik is enigszins zeker: De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregen voor de grondwaterlichamen. Wat de grondwaterkwaliteit betreft wordt momenteel op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen voldaan. Wel worden verontreinigingen aangetroffen in het grondwater. Omdat het grondwater een traag systeem is, kunnen deze aangetroffen stoffen in het ondiepe grondwater soms pas na vele jaren op een andere plek of diepte worden gemeten. Dit kan ervoor zorgen dat er een achteruitgang ontstaan in de kwaliteit van de grondwaterlichamen. Een achteruitgang is conform de KRW echter niet toegestaan. Het UPLG heeft geen invloed op verontreinigingen uit stedelijk gebied of industrie. Op andere stoffen, zoals gewasbeschermingsmiddelen, hebben de maatregelen in het UPLG wel effect, onder andere middels het UMDL. Verwacht wordt dat door enkel stimuleringsmaatregelen geen significante vermindering zal worden bereikt.

6.3.3 Effectbeoordeling Bodemkwaliteit Een vitale bodem biedt veel ecosysteemdiensten: het zorgt onder andere voor een goede kwaliteit en kwantiteit van de voedselproductie, het heeft een zuiverende werking en het beschermt drinkwater. Het type landgebruik beïnvloedt in grote mate de kwaliteit van de bodem. De meeste kansen voor het verbeteren van de bodemkwaliteit in het landelijk gebied liggen op de agrarische percelen, enerzijds omdat dit veel areaal betreft en anderzijds omdat de huidige landbouwpraktijk in veel gevallen leidt tot een verminderende bodemkwaliteit. Er liggen kansen voor het verminderen van de drukfactoren (bemesting, gewasbeschermingsmiddelen, verdichting door machines). Daarnaast kan extra groen en natuur ook positief bijdragen aan de bodemkwaliteit.

72/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG De provincie Utrecht beschrijft in het UPLG dat zij werkt aan een vitalere Utrechtse Bodem. Met het UPLG voert de provincie Utrecht stimulerend beleid t.a.v. goed beheer landbouwbodems, onder andere via het UMDL en kennisprogramma’s. De provincie brengt de bodemkwaliteit van landbouwbodems in beeld en werkt samen met de waterschappen om bedrijfsbodem- en waterplannen te stimuleren in de landbouw. In en rondom natuurgebieden gaat de provincie samen met de terreinbeheerders en de waterschappen werken aan verbetering van het watersysteem zodat basenrijk grondwater of oppervlaktewater de bodem kan bufferen. In het UPLG wordt beschreven dat natuurinclusieve (kringloop) landbouw of biologische landbouw wordt gestimuleerd. In de eerste plaats zet de provincie Utrecht in op de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen agrariërs, om de duurzaamheidswinst die met ‘vakmanschap’ behaald kan worden te benutten. In aanvulling hierop worden met het Maatregelpakket ook investeringen voorzien op het boerenerf, waaronder innovaties zoals mestrobots of precisiebemesting. In de ‘Fieldlab Foodvalley Waardeert’ en de pilot ‘Utrechtse Waarden’ wordt daarnaast ingezet op (onder andere) duurzaam bodembeheer. Het ‘Fieldlab Groene Hart’ heeft als doel de transitie naar emissiearme, natuurinclusieve kringlooplandbouw in het westelijk (veen)weidegebied te versnellen.

De provincie is aanvullend voornemens het aandeel landschapselementen (GBDA) te vergroten in het agrarische gebied. Effecten De provincie is een aantal pilots gestart die gericht zijn op de ontwikkeling van natuurinclusieve landbouw in overgangsgebieden en prioritaire gebieden. Ook wordt in een aantal pilots gewerkt aan het opdoen van ervaring met afwaardering van grond ten behoeve van extensieve landbouw met maatschappelijke functies. Het vergroten van het areaal natuurinclusieve of extensieve landbouw draagt positief bij aan de bodemkwaliteit in de provincie. Kruidenrijk grasland is bijvoorbeeld een belangrijk onderdeel van natuurinclusieve landbouw. Het draagt bij aan het verbeteren van de biodiversiteit in de bodem. De genoemde maatregelen (kennisdeling, de pilots, investeringen, UMDL) kunnen leiden tot een toename van landbouwvormen waarbij de druk op de bodem afneemt. In hoeverre dit daadwerkelijk wordt gerealiseerd is onzeker. Welke maatregelen of transitie worden doorgevoerd is aan de agrarische ondernemer zelf. De investeringen en ondersteuning met voer- en managementmaatregelen van de provincie zijn ondersteunend hieraan. Enkele concrete investeringen in innovatie, waaronder precisiebemesting, kan positief bijdragen aan de bodemkwaliteit. Met de stikstofaanpak nemen de ammoniakemissies af. Dit zorgt ervoor dat de kans op vermesting en verzuring afneemt.

Gewasbeschermingsmiddelen hebben invloed op de bodemkwaliteit. Het merendeel van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen wordt in de provincie Utrecht in de fruitteeltsector toegepast. Het streven is dat met de UMDL, inzet van agrobiodiversiteit en investeringssubsidies er geen overschrijdingen van de normen plaatsvinden. Het effect hiervan is lastig te voorspellen,

73/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

aangezien deelname op vrijwillige basis is en het effect dus afhankelijk is van het aantal deelnemers. Voor het veenweidegebied (Groene Hart en Eemland) geldt dat bij een kleinere drooglegging en daarmee het verhogen van de grondwaterstand impact kan hebben op de draagkracht van de bodem en de grasproductie. Een lagere draagkracht kan zorgen voor meer rij- en vertrappingsschade. Tenslotte kan de aanleg van groene landschapselementen de structuur en biodiversiteit in de ondergrond verbeteren door de vergrootte afwisseling in vegetatie. Vooral in de overgangsgebieden wordt naar verwachting gewerkt aan meer connectiviteit door het realiseren van groenstructuren. Zeker als dit leidt tot het omvormen van agrarische percelen naar nieuwe natuur, ofwel meer groene landschapselementen, heeft dit een positieve invloed op de bodemkwaliteit. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabellen wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect bodemkwaliteit. Tabel 6.5 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Stimuleringsmaatregelen en

De ondersteuning van de provincie gericht op natuurinclusieve

kennisontwikkeling

kringlooplandbouw kan positief bijdragen aan de bodemkwaliteit, al is het daadwerkelijke effect afhankelijk van de deelname van de agrariërs.

Investeringsmaatregelen door inzet van

Dit kan positief bijdragen aan bodemkwaliteit als dit leidt tot o.a.

technische innovatie

verlaagde bemesting en extensivering.

Groenblauwe dooradering of nieuwe natuur

Lokaal kunnen landschapselementen of de aanleg van nieuwe

(overgangszones)

natuur, door de vergrote bovengrondse biodiversiteit, de structuur van en het leven in de bodem bevorderen.

Tabel 6.6 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling bodemkwaliteit

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Het UPLG benoemt meerdere maatregelen die (lokaal) kunnen

bodemkwaliteit

leiden tot een betere bodemkwaliteit, zoals de verduurzaming van de landbouw en het toevoegen van landschapselementen. Het effect scoort licht positief in plaats van positief, omdat het effect onzeker is en soms marginaal, en omdat er geen (strenge) maatregelen worden voorgesteld voor zaken die veel invloed hebben op de bodemkwaliteit in het landelijk gebied zoals het gebruik van schadelijke stoffen of het voorkomen van verdichting.

74/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect

Doelbereik

Het te behalen doel is enigszins zeker: De provincie Utrecht wil, in lijn met de Europese bodemmonitoringsrichtlijn streven naar een gezonde bodem in 2050, de sponswerking verbeteren en een vitale bodem in bosgebieden tot stand brengen. Het meenemen van bodemvitaliteit in de gebiedsprocessen moet nog verder vormgegeven worden. De bodemkwaliteit hangt samen met de doelen voor landbouw, natuur en water. Met name de transitie naar natuurinclusieve landbouw en de stikstofaanpak draagt bij aan een betere kwaliteit. Ook wordt middels andere (nationale) programma’s gewerkt aan een gezondere bodem, waaronder het Nationaal Programma Landbouwbodems.

6.3.4 Effectbeoordeling Bodemdaling Bodemdaling wordt voor een groot deel veroorzaakt door veenoxidatie. Ongeveer twee derde van de bodemdaling in de veenweidegebieden wordt veroorzaakt door veenafbraak en irreversibele krimp, en ongeveer een derde door consolidatie en kruip.28 Ondanks dat er meer processen van belang zijn wordt in dit MER vooral naar bodemdaling als gevolg van veenoxidatie gekeken.29 Relevant beleid in het UPLG Het UPLG werkt op meerdere manieren aan het tegengaan van bodemdaling. De provincie wil met het UPLG de bodemdaling remmen (en broeikasgasuitstoot verminderen) door de grondwaterstanden te verhogen met de vrijwillige aanleg van waterinfiltratiesystemen en toe te werken naar een drooglegging van 40 cm (zomerhalfjaargemiddelde), onder andere via de inzet van RO-instrumentaria. Dit geldt ook voor de gebieden met een kleidek op veen. Dit is een aanvulling op het eerder opgestelde beleid in de Regionale Veenweiden Strategie (RVS). Het is namelijk bekend dat de gebieden met een dun kleidek ook een significante broeikasgasuitstoot hebben.30 In de prioritaire gebieden (circa 10 %) wordt toegewerkt naar een verdere vernatting. Effecten Bodemdaling vermindert bij hogere grondwaterstanden. Hiervoor is de aanpak die het UPLG voorstelt het meest effectief, namelijk het combineren van generieke slootpeilverhoging met het gebruik van waterinfiltratie.

De bodemdaling (en de potentie voor reductie bodemdaling) hangt daarnaast af van de dikte van veenpakketten. Hoe dikker het veenpakket, hoe groter de bodemdaling. Gebieden die een grote bodemdaling kennen, hebben niet altijd de grootste uitstoot, en andersom. Dit komt omdat voor bodemdaling de dikte van het veenpakket het meest bepalend

28

NOBV-jaarrapportage 2024, integratierapport Bodemdaling, Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden, 2024-06-28 29 De CO2-uitstoot vindt plaats in de bovenste laag van de bodem die wordt ontwaterd ten behoeve van de landbouw. Dit maakt dat gebieden met een grote drooglegging maar met dunne veenpakketten soms meer CO2 uitstoten dan gebieden met dikke veenpakketten waar de peilen hoger zijn en dus minder wordt ontwaterd. Voor Utrecht betekent dit dat bijvoorbeeld Eemland - een gebied met een kleidek-op-veen bodemsoort - een soortgelijke of zelfs grotere CO2-uitstoot blijkt te hebben als de klassieke veenweidegebieden met dikke veenpakketten in Utrecht-West.

75/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

is. Voor broeikasgasuitstoot vindt dit juist in de bovenste laag van de bodem plaats ten gevolge van drooglegging (door peilbeheer in sloten) en verdamping. In hoeverre bodemdaling wordt geremd, zal dus afhangen van op welke locaties de waterinfiltratiesystemen worden toegepast. Op dit moment is het niet mogelijk om het te verwachten effect op bodemdaling te kwantificeren. In het UPLG wordt benoemd dat wordt verkend of het mogelijk is om in het omgevingsbeleid de functie ‘veenweide-landbouw op te nemen. Het toewijzen van een dergelijke functie in de ruimtelijke ordening kan helpend zijn in het doorvoeren van maatregelen. Deze maatregel is echter nog niet voldoende uitgewerkt om de effecten daarvan te kunnen beoordelen. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabellen wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect bodemdaling. Tabel 6.7 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Vernatten veenbodems (drooglegging -

Het verkleinen van de drooglegging leidt tot een reductie in

40, WIS)

veenoxidatie en daarmee bodemdaling. Met name in de gebieden met een dik veenpakket en met een huidige grote drooglegging (bijvoorbeeld ten noorden van gemeente Utrecht). Het is onbekend in hoeverre WIS toegepast gaat worden. Met de grootschalige toepassing van WIS vermindert de veenoxidatie sterker.

Tabel 6.8 Samenvatting effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling bodemdaling

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Het effect van de peilverhoging in het veenweidegebied heeft een

bodemdaling

licht positief effect. Met de aanpak in het veenweidegebied worden flinke stappen gezet voor het tegengaan van bodemdaling. Er wordt dan ook een vermindering van bodemdaling verwacht als gevolg van de generiek slootpeilverhoging en inzet van waterinfiltratiesystemen, echter de daadwerkelijke effecten zijn onzeker. Daarom scoort het accept bodemdaling licht positief in plaats van positief. De effecten hangen af van een aantal zaken, zoals de medewerking van grondeigenaren voor de aanleg van WIS.

Doelbereik

Het te behalen doel is nog erg onzeker: Het doel is om bodemdaling met 50 % te reduceren in 2050. Hiervoor is het nodig dat de grondwaterstanden in het veenweidegebied hoger worden. Hiervoor zijn flinke aanpassingen in het watersysteem nodig, en ook voldoende beschikbaarheid van water voor de vernatting. Dit, samen met de andere belangen in het gebied, maakt doelbereik onzeker. Het is nog onduidelijk in hoeverre WIS wordt ingezet, en waar, omdat dit op vrijwillige basis gebeurt. Wel zijn financiële middelen

76/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect beschikbaar, weliswaar onvoldoende voor het gehele veenweidegebied. Uit recent onderzoek van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) blijkt dat voor van reductie van broeikasgassen andere prioritaire gebieden gelden dan voor bodemdaling. Hiertussen moet dus een balans worden gevonden bij de inzet van WIS.

In het UPLG is aangegeven dat dat de provincie ruimtelijk instrumentarium wil inzetten om de bodemdaling tegen te gaan. Dit wordt nog verder uitgewerkt, maar is een positieve ontwikkeling voor het borgen en kunnen uitvoeren van de maatregelen. Ook het waterschap heeft een rol bij de inzet van ruimtelijke instrumenten. Door de STOWA zijn alle juridische mogelijkheden van waterschappen voor het tegengaan van bodemdaling in beeld gebracht.31 Als het waterschap een wijziging in het peilbeheer wil doorvoeren dan moet voldoende gemotiveerd worden waarom voor een bepaald gebruik geen optimale drooglegging meer geboden kan worden. Op dit moment is het voor waterschappen lastig te kiezen voor een gelijkwaardige belangenafweging omdat de landbouwfunctie primair dient te worden gefaciliteerd.

6.3.5 Effectbeoordeling Aardkundige waarden Aardkundige waarden vertellen het verhaal over het ontstaan van het landschap. De aardkundige waarden zijn soms zeer opvallend en betekenisvol voor het ontstaan van de provincie. Relevant beleid en effecten Het beleid in het UPLG is niet expliciet gericht op het behoud of versterken aardkundige waarden. Aanpassingen in het landschap kunnen aardkundige waarden of monumenten wel zichtbaarder maken, zoals door het verwijderen van begroeiing of het toegankelijk maken van bepaalde gebieden met aardkundige waarden. Of dit gebeurt, is afhankelijk van de verdere uitwerking van het beleid. De voorgenomen peilverhoging in het veenweidegebied heeft naar verwachting een positief effect. Grondwaterstandverhoging draagt bij aan het behouden van veenbodems en bijbehorende aardkundige waarden zoals petgaten. Aardkundig monument Westbroekse Zodden, een gebied bestaande uit petgaten, legakkers, moerasbossen en trilvenen, kan bijvoorbeeld positief worden beïnvloed door de grondwaterstandverhoging. Anderzijds kunnen graafwerkzaamheden de aardkundige waarden en monumenten aantasten. Bij het aanleggen van natuurlijke oevers of waterinfiltratiesystemen zijn graafwerkzaamheden nodig.

31

Juridische mogelijkheden van waterschappen voor de aanpak van bodemdaling in veenweiden, STOWA, 2024-34

77/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Dit zal verstoring van de bovenste bodemlagen tot gevolg hebben. Meer specifiek geldt dit risico ook bij het uitvoeren van de maatregelen in de nabijheid van aardkundig monument Oostbroek en Niënhof. Ook beekherstel, in de Gelderse Vallei, gaat mogelijk gepaard met graafwerkzaamheden. Bij herinrichting beekdalengebied dient er rekening te worden gehouden met oorspronkelijke geomorfologie van de beken, namelijk de dalvormige laagten. Anderzijds kan ook beekherstel de aardkundige waarden versterken. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabellen wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect aardkundige waarden. Tabel 6.9 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Slootpeilverhoging

Grondwaterstandverhoging draagt bij aan het behouden van veenbodems en bijbehorende aardkundige waarden zoals petgaten

Waterinfiltratiesystemen, beekherstel,

Voor deze maatregelen zijn graafwerkzaamheden nodig die mogelijk de

natuurontwikkeling, GBDA

aardkundige monumenten verstoren.

Tabel 6.10 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling aardkundige waarden

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Met de aanpak in het veenweidegebied wordt het laagveen en de

aardkundige waarden

aardkundige waarden in het veenweidegebied beter behouden. Aardkundige waarden zijn beschermd via de verordening. Het daadwerkelijke effect hangt af van de nadere uitwerking, maar de verwachting is dat het effect van het UPLG op de aardkundige waarde licht positief zal zijn.

Doelbereik

Er zijn binnen het UPLG geen doelen geformuleerd voor het aspect aardkundige waarden.

6.3.6

Effectbeoordeling Klimaatmitigatie

Met klimaatmitigatie wordt het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen bedoeld ten behoeve van het tegengaan klimaatverandering. De belangrijkste bron van uitstoot in het landelijk gebied is de oxidatie van het veen in de veenweidegebieden Groene Hart en Eemland. Daarom komt deze beoordeling voor een groot deel overheen met de beoordeling voor het aspect bodemdaling. Daarnaast is de veehouderij een bron van methaan. Het verminderen van de uitstoot van deze broeikasgassen draagt bij aan de klimaatdoelen. Ook het toevoegen van biomassa (bijvoorbeeld door de aanleg van bossen) waarin koolstof wordt opgeslagen, verlaagt de netto broeikasgasuitstoot. Relevant beleid in het UPLG Het UPLG beschrijft een aanpak voor het verminderen van uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems. In het UPLG staan vier beleidslijnen gericht op de veenweidegebieden: verder

78/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

stimuleren van de aanleg van waterinfiltratiesystemen, sturing op kleinere droogleggingen (-40 cm) via de inzet van het RO-instrumentarium, verdere vernatting in klein deel veenweidengebied (circa 10 %) en werken aan toekomstperspectief van de agrarische sector. De aanpak is ook gericht voor de gebieden met kleidek op veen. Dit is een aanvulling op het eerder opgestelde beleid in de Regionale Veenweide Strategie. Op basis van onderzoek van het NOBV is bekend dat de gebieden met een dun kleidek (tussen de 0 en 40 cm) ook een significante broeikasgasuitstoot hebben. De waterinfiltratiesystemen (WIS) worden op vrijwillige basis aangelegd, waarbij de focus ligt op prioritaire gebieden. Dit zijn gebieden met de meeste stapeling van opgaven. Dit alles wordt verder uitgewerkt door de nieuwe Taskforce Veenweiden. Effecten Veenweidegebieden: Het is onbekend welke reductie exact ontstaat in de provincie Utrecht als gevolg van de maatregelen in het veenweidegebied. Het grootste effect wordt behaald wanneer de drooglegging wordt verkleind door de slootpeilen te verhogen, in combinatie met de aanleg van waterinfiltratiesystemen. Het effect van de aanpak voor het verminderen van de broeikasgasemissies zal sterk afhangen van in hoeverre de waterinfiltratiesystemen worden ingezet.

Alhoewel een vermindering van de drooglegging wel een reductie oplevert, is dit substantieel minder dan wanneer ook waterinfiltratiesystemen worden aangelegd. Een kleinere drooglegging (hoger slootpeil) leidt tot hogere grondwaterstanden, maar verhoogt de grondwaterstand niet over het gehele perceel en houdt de grondwaterstand minder stabiel (door verdamping en regenval). De verwachting is dat niet in het gehele veenweidegebied WIS aangelegd kan worden binnen de planperiode van het UPLG. Dit komt doordat de beschikbare financiële middelen hiervoor beperkt zijn en omdat aanleg van WIS op vrijwillige basis is. Dit maakt dat de snelheid van de uitrol naar verwachting niet toereikend is om dit voor 2035 te realiseren. Dat is de reden waarom het UPLG in het gehele veenweidegebied de slootpeilen gaat verhogen. Verwacht wordt dat de uitstoot van broeikasgassen vanuit het veenweidegebied daalt binnen de planperiode van het UPLG. Het daadwerkelijke effect is echter onzeker en op dit moment niet te kwantificeren. In het UPLG wordt benoemd dat wordt overwogen om in het omgevingsbeleid de functie ‘hoogwater-landbouw op te nemen. Het borgen van een dergelijke functie in de ruimtelijke ordening kan helpend zijn in het doorvoeren van maatregelen. Deze maatregel is echter nog niet voldoende uitgewerkt om de effecten daarvan te kunnen beoordelen.

Een ander mogelijk effect is dat bij het opzetten van waterpeilen bij onvoldoende oeverkwaliteit meer baggervorming ontstaat en daarmee een grotere methaanuitstoot uit sloten. Dit kan worden voorkomen door de aanleg van natuurvriendelijke oevers of oeverbeplanting, wat ook onderdeel is van het UPLG. Methaanemissies veehouderij: Het UPLG stelt geen concrete maatregelen of beleid voor gericht op het verminderen van methaanemissies uit de veehouderij. Wel kunnen een aantal maatregelen, zoals de stikstofaanpak (onder andere ammoniaknorm) en de beperkingen voor

79/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

mestaanwending in de overgangsgebieden extensivering van de veehouderij stimuleren. Waar bedrijven stoppen en/of er geëxtensiveerd wordt, zal een krimpende veestapel niet alleen leiden tot minder ammoniakemissies, maar ook methaanemissies reduceren. Ook wordt middels het maatregelpakket landbouw gewerkt aan voer- en managementmaatregelen. Dit leidt naar verwachting tot een reductie van methaanuitstoot, al is lastig in te schatten hoeveel. De verwachting is dat inzet op voer- en managementmaatregelen onvoldoende is voor halen van de doelstelling op gebied van methaanemissies uit de veehouderij. Daarnaast gaat de provincie Utrecht werken aan het vergroten van groenblauwe dooradering. De landschapselementen dragen enigszins bij aan koolstofopslag, weliswaar in mindere mate dan bij bossen.32 Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect klimaatmitigatie. Tabel 6.11 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Maatregelen veenbodems

Het verkleinen van de drooglegging i.c.m. aanleg WIS leidt tot een

(drooglegging -40, WIS)

reductie in veenoxidatie en dus emissies van broeikasgassen. Het is onbekend in hoeverre WIS toegepast gaat worden.

Maatregelen methaan

Er zijn geen expliciete maatregelen geformuleerd gericht op het verminderen van methaanemissies. De invulling van andere opgaven kan echter ook de methaanemissies verlagen.

Tabel 6.12 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling klimaatmitigatie

Licht positief (0/+)

Onderbouwing effect UPLG op

Met de aanleg van WIS ontstaat een grote emissiereductie. Het effect

klimaatmitigatie

van WIS is echter onzeker, omdat dit op vrijwillige basis wordt aangelegd. Hierom wordt dit in het UPLG gecombineerd met een verminderde drooglegging (-40 cm). Dit is een belangrijke toevoeging in het UPLG: de provincie gaat sterker sturen op het verkleinen van droogleggingen via het omgevingsbeleid. Het blijft maatwerk per gebied, de aanpak is niet in elke gebied zinvol of haalbaar. Daarnaast stelt het UPLG geen maatregelen voor gericht op het verminderen van methaanemissies. Tezamen wordt het effect als licht positief beoordeeld.

Doelbereik

Het te behalen doel is nog erg onzeker:

32

De bijdrage aan de koolstofvastlegging via de groene dooradering is, uitgaande van gemiddeld 9.1 ton CO2 per hectare voor groene landschapselementen, tot een maximum van 400 ton CO2 per hectare, wanneer het gaat om volgroeide bomen in bomenrijen, bosjes of houtwallen/houtsingels, circa 50 ha x 400 ton CO2 = 22.500 ton CO2 op langere termijn. De bijdrage aan de koolstofvastlegging via nieuw bos, in dit maatregelpakket vooral bos op rivierafzettingen zijnde, is circa 8 ton CO2 per hectare per jaar. Bossen zijn voor lange tijd bedoeld. Over 100 jaar is dat om 88 ha x 800 ton = 70.400 ton CO2 vastlegging.

80/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect Het verwachte effect is onvoldoende voor het behalen van klimaatdoelen. Met het aanpassen van de slootpeilen naar -40 cm uiterlijk 2035 in het gehele veenweidegebied worden de doelen naar verwachting niet behaald. Door op grote schaal toepassing van technische maatregelen, bijv. in een mix van passieve en vooral actieve waterinfiltratiesystemen zijn de doelen in theorie bereikbaar, maar dan moeten wel álle veenweidenpercelen meedoen die in technische zin hiervoor geschikt zijn en de effecten positief uitpakken. Op basis van de maatregelen in het UPLG is niet de verwachting dat dit gerealiseerd gaat worden in 2030. Het is nog onduidelijk in hoeverre WIS wordt ingezet, omdat dit op vrijwillige basis gebeurt en hoge kosten van WIS (met name AWIS). Ook zijn niet alle gronden geschikt zijn voor WIS vanwege bijvoorbeeld kwel of wegzijging. De extra zoetwatervraag die nodig is vanuit het hoofdwatersysteem is ook randvoorwaardelijk en kan een beperkende factor zijn. Het opnemen van de maatregel gericht op peilopzet draagt positief bij aan doelbereik: dit is niet vrijwillig en hier zitten de overheden aan de knoppen.

Voor methaanuitstoot geldt dat naar verwachting stappen worden gezet in het behalen van het doel, doordat extensivering ontstaat en verduurzaming van de landbouw als gevolg van het UPLG. Dit is echter niet voldoende om doelbereik te behalen.

6.3.7

Effectbeoordeling Klimaatadaptatie

Voor dit aspect wordt gekeken naar de weerbaarheid van het gebied tegen weersextremen beïnvloedt, weersextremen zoals droogte, hitte, natuurbranden en overstromingen. Relevant beleid in het UPLG De provincie Utrecht anticipeert op het veranderende klimaat door meer water vast te houden, te bufferen en te bergen voor perioden van droogte en voor de opvang van piekbuien. Maatregelen worden getroffen op het niveau van het hoofdwatersysteem, het regionale watersysteem en de laagste delen van polders en afvoergebieden. Voor het hoofdwatersysteem wordt gezocht naar noodoverloopgebieden en piekbergingen in de omgeving van het Amsterdam-Rijnkanaal om stedelijke gebieden te ontzien. Deze locaties zijn bedoeld voor extreme neerslagsituaties waarbij het hoofdwatersysteem het water niet meer kan verwerken. Omdat dergelijke situaties naar verwachting slechts incidenteel zullen voorkomen kunnen de betrokken polders hun huidige, veelal agrarische functie behouden. Polders die hydrologisch en technisch geschikt zijn, worden in de Omgevingsvisie worden opgenomen als zoekgebied. Definitieve aanwijzing hangt af van factoren zoals huidig grondgebruik, kosten en de benodigde technische maatregelen in het hoofdwatersysteem. In de tussenliggende periode dient te worden voorkomen dat in deze polders onomkeerbare ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die de waterbergingsfunctie belemmeren.

81/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Voor het regionale watersysteem worden in overleg met de waterschappen zoekgebieden benoemd. Door klimaatverandering is extra bergingsruimte noodzakelijk om het watersysteem klimaatbestendig te maken. Het betreft gebieden die met beperkte aanpassingen in de inrichting geschikt kunnen worden gemaakt voor tijdelijke waterberging bij hevige neerslag, bijvoorbeeld ter bescherming van stedelijke gebieden. De verwachte frequentie van inzet bedraagt circa eens per 10 tot 50 jaar. Vaak kan het reguliere landgebruik in deze gebieden worden voortgezet. Het beleid is erop gericht dat de laagste delen van polders en afvoergebieden (indicatief 10–15 %) geschikt zijn voor water op maaiveld bij hoge neerslag. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het vaker voorkomen van water op maaiveld, zodat het landgebruik hierop kan worden afgestemd. Het mitigeren van veenoxidatie met een kleinere drooglegging en waterinfiltratiesystemen zorgt in veenweidegebieden voor een verandering van de waterbalans Ook de GBDA, specifiek de bredere natuurvriendelijke oevers met flauwer talud, hebben invloed op de waterbergingscapaciteit. Daarnaast wordt met het UPLG gewerkt aan het resterende beekherstel. Middels de Blauwe Agenda wordt in de Utrechtse Heuvelrug gewerkt aan het vasthouden van water. Dit wordt in dit MER gezien als autonoom beleid.

Effecten Vernatten veenweidegebieden: Het mitigeren van veenoxidatie met vernattingsmaatregelen zorgt in veenweidegebieden voor een verandering van de waterbalans. Het vergroot de watervraag en verkleint de waterbergingscapaciteit van de veenweidepolders. Het verhogen van de grondwaterstanden via aanleg WIS veroorzaakt een extra zoetwatervraag waar vooralsnog niet door de gebieden/polders zelf in kan worden voorzien in drogere tijden. Minder berging als gevolg van hogere grondwaterstanden ontstaat ook in de overgangszones rondom Natura 2000gebieden, wanneer daar ten behoeve van hydrologisch herstel hogere peilen nodig zijn. Minder mogelijkheid tot waterberging leidt in de eerste plaats tot wateroverlast (in situaties van piekbuien of langdurige regenval), daarnaast betekent het dat er weinig gebufferd kan worden voor droge perioden. HDSR geeft aan dat dat een eerste verkenning laat zien dat er in het platte veenweidegebied weinig mogelijkheden zijn voor het conserveren van water en dat het circa 30 % van het agrarische gebied zou vragen om te voldoen aan de watervraag. Er zitten hier meerdere risico's aan vast. Eén van de risico's is dat erin bepaalde (extra droge jaren) geen zoetwater beschikbaar zal zijn voor de veenweidegebieden. Hierdoor kan er een tijdelijk lagere grondwaterstand ontstaan, wat leidt tot tijdelijk meer veenafbraak en CO2-emissie.

Vernatting van de veenweiden leidt daarnaast tot een grotere kans op wateroverlast bij piekbuien. Dit geldt niet alleen voor de watervraag op perceelsniveau, maar ook voor de watervraag op regionaal niveau. Een hoger slootpeil en grondwaterstand zorgt ervoor dat er minder waterbergingsruimte is. Hetgeen kan leiden tot wateroverlast en noodzaak tot extra afvoer van water. Daarentegen kan op natte percelen een waterinfiltratiesysteem helpen om de grondwaterstand in de winter te verlagen.

82/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Wateropvang diepe polders: het UPLG zet in op het geschikt maken van de 10-15 % diepste delen polders voor wateropvang bij grote regenbuien. Dit biedt ruimte voor water. Verwacht wordt dat op deze diepe polders vaker water op het maaiveld komt. Door het landgebruik hierop aan te passen, ontstaat er minder overlast. Aangezien hier vaker water op maaiveld zal komen, dient hier in het landgebruik rekening mee gehouden te worden. Beekherstel en zoekgebieden waterberging: Doordat met het UPLG gewerkt wordt aan beekherstel kan het bekensysteem meer water vasthouden en piekafvoeren beter dempen. Hierbij kan de beek als overstromingsvlakte gaan functioneren. Door minder snelle afvoer blijft er meer water beschikbaar in het gebied voor tijden van droogte. Bovendien leidt dit bij piekbuien tot minder wateroverlast in stedelijk gebied. Het UPLG zet in op het aanwijzen van zoekgebieden voor waterberging, grotendeels in het regionale watersysteem in de Gelderse Vallei. Door het aanwijzen van zoekgebieden wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die een mogelijke waterbergingsfunctie kunnen tegenwerken. Binnen de zoekgebieden wordt uiteindelijk een kleiner gebied ingericht voor waterberging voor extreme situaties (buien die eens per 20 of 100 jaar voorkomen).

De provincie Utrecht gaat met het UPLG ook werken aan het realiseren van natuurvriendelijke oevers, dit creëert ruimte voor waterberging. Systeemherstel Utrechtse Heuvelrug: De Utrechtse Heuvelrug kampt regelmatig met droogte en wateroverlast. Voor de Utrechtse Heuvelrug wordt een onderzoek naar de natuurkwaliteit uitgevoerd, waarna op basis van de conclusies en aanbevelingen wordt bepaald welke maatregelen worden uitgevoerd. Mogelijk beïnvloeden deze maatregelen ook de mate van klimaatrobuustheid van het gebied. Daarnaast wordt middels de Blauwe Agenda (autonoom beleid) gewerkt aan natuur- en hydrologisch herstel op de Utrechtse Heuvelrug en de flanken. Veel hydrologische maatregelen (onder andere beperkte versnelde afvoer, afkoppelen en infiltreren) zijn gericht op het langer vasthouden van water en vergroten van de grondwateraanvulling. Meer grondwateraanvulling op de Heuvelrug resulteert doorgaans in meer kwel op de flanken, wat leidt tot nattere condities. Landbouwinnovatie: Ook benoemt het UPLG dat er extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor het maatregelpakket Landbouw gericht op (hightech) innovaties. Waterbesparing en efficiënt gebruik van water, bijvoorbeeld met regenwateropvang of innovaties zoals geoptimaliseerde irrigatiesystemen bevorderen het gebruik van druppelirrigatie en andere efficiënte irrigatietechnieken die waterverlies tot een minimum beperken.

De realisatie hiervan is echter vrijblijvend en daardoor onzeker. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect klimaatmitigatie.

83/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Tabel 6.13 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Vernattingsmaatregelen veenweide (drooglegging -40

Peilopzet en hogere grondwaterstanden verminderen

cm en WIS)

de bergingscapaciteit van de percelen en het regionale systeem. Ook vergroot een hogere grondwaterstand het risico op wateroverlast bij piekbuien.

Waterberging laagste delen polders

Dit biedt ruimte voor water en door het landgebruik aan te passen ontstaat minder snel overlast.

Natuurvriendelijke oevers

Natuurvriendelijke oevers zijn doorgaans breder met een flauw talud en geven daardoor meer waterbergingscapaciteit.

Beekherstel en zoekgebieden waterberging

Met meer natuurlijke en meanderende beken wordt meer water vastgehouden, beekherstel kan ook piekafvoeren dempen. Beekherstel kan gecombineerd worden met waterberging. Door het aanwijzen van zoekgebieden wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die een mogelijke waterbergingsfunctie kan tegenwerken.

Maatregelen op de Utrechtse Heuvelrug

Met de Blauwe Agenda wordt gewerkt aan een robuusts bodem -en watersysteem op de Utrechtse Heuvelrug.

Innovatie binnen de landbouw

Innovatie kan waterverbruik verminderen, al is gebruik hiervan vrijblijvend en het effect dus onzeker.

Tabel 6.14 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling klimaatmitigatie

Licht positief (0+)

Onderbouwing effect UPLG op klimaatmitigatie

Per saldo wordt een licht positieve beoordeling gegeven. In het veenweidegebied ontstaan door het vernatten uitdagingen wat betreft zoetwaterbeschikbaarheid en wateroverlast. Het is nog onduidelijk of de mitigerende maatregelen, zoals NVO, ter plaatse van de potentiële knelpuntlocaties worden gerealiseerd. De provincie werkt er naar toe dat de laagste delen van de polders/afvoergebiedengeschikt zijn voor water op maaiveld bij hoge neerslag en dat daar bij nieuwe ontwikkelingen rekening mee wordt gehouden. Met in de laagste delen van de polders en afvoergebieden (circa 10-15 %) bij hoge neerslag en met de zoekgebieden voor waterberging in het hoofden in het regionale systeem wordt een belangrijke stap gezet richting het meer klimaatrobuust maken van het systeem.

84/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect

Doelbereik

Het te behalen doel is enigszins zeker: Het UPLG draagt positief bij aan de doelen voor klimaatadaptatie. De daadwerkelijke realisatie van veel van de maatregelen, met name de waterberging in de zoekgebieden, is naar verwachting uitdagend. Dit komt omdat veel van de percelen niet in eigendom zijn van het Rijk en er of gebruiksbeperkingen ontstaan of ander landgebruik nodig is. De praktijk laat vaak zien dat andere belangen ook zwaarwegend zijn, zoals woningbouw en voedselproductie, die een klimaatrobuuste inrichting kunnen belemmeren. Het UPLG heeft synergie met het provinciale programma klimaatadaptatie 2025-2028, waarin een aantal concrete acties staan genoemd. Ook wordt het belang van een klimaatadaptieve inrichting steeds evidenter en is de verwachting dat met de verschillende maatregelen in het UPLG belangrijke stappen worden gezet.

6.3.8 Effectbeoordeling Circulariteit Er zijn een aantal zaken waar de provincie kan bijdragen een het verminderen van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, oftewel bijdragen aan een circulaire economie. In het landelijk gebied liggen kansen binnen de landbouwsector en bijbehorend (voedsel)ketens. Relevant beleid in het UPLG Het UPLG stelt geen concrete maatregelen (enkel) gericht op circulariteit. Het UPLG schetst het streven om het perspectief van de landbouw te verbeteren, wat inhoudt dat de agrarische sector meer in balans opereert met de omgeving in combinatie met een goed verdienmodel. Een aantal zaken dragen daaraan bij, zoals het beloningsmechanisme UMDL (autonome ontwikkeling) en passend grondbeleid. Effecten Werken aan een beter landbouwperspectief en natuurinclusieve landbouw kan er ook toe leiden dat dit leidt tot een lager gebruik aan van natuurlijke hulpbronnen. Met extensievere landbouwvormen (biologische landbouw) wordt de noodzaak voor het importeren van kunstmest en veevoer uit andere landen en continenten minder groot. Er worden in het UPLG echter geen concrete maatregelen benoemd die bijdragen aan circulariteit in het landelijk gebied, zoals lokale voedselketens of verbouwen van biobased materialen.

Het streven is wel benoemd: de provincie werkt aan een landbouw die dicht bij de bewoners staat, waarbij de agrariërs regionaal voedsel en circulaire bouwmaterialen produceren en via korte ketens vermarkten. Ook benoemt het UPLG dat er extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor het maatregelpakket Landbouw gericht op managementmaatregelen en (hightech) innovaties. Hogere efficiënte en innovatie gericht op

85/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

efficiënt gebruik van materiaal kunnen positief bijdragen aan de circulaire economie. Subsidies voor machines voor verwerking van organisch materiaal bevordert bijvoorbeeld het hergebruik van voedingsstoffen in de landbouw en vermindert de afhankelijkheid van kunstmest. De realisatie hiervan is echter onzeker. Naast het streven naar een natuurinclusieve kringlooplandbouw heeft het toepassen van waterinfiltratiesystemen in het veenweidegebied een negatief effect op circulariteit. Hier is namelijk het toepassen van veel drainagebuizen voor nodig, gemaakt van kunststof. Het is niet zeker dat bij het einde van de levensduur dit materiaal gerecycled gaat of kan worden. Het is onduidelijk hoeveel WIS wordt toegepast binnen de planperiode van het UPLG, dit wordt nader beschreven bij het aspect klimaatmitigatie. Ook zijn er mogelijkheden om de circulariteit van het gebruik van WIS te vergroten, bijvoorbeeld door het gebruik van buizen met gerecycled materiaal. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect klimaatmitigatie. Tabel 6.15 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Subsidies managementmaatregelen en

Werken aan een beter landbouwperspectief en natuurinclusieve

innovaties

landbouw kan er ook toe leiden dat dit leidt tot een lager gebruik aan van natuurlijke hulpbronnen.

Inzet waterinfiltratiesystemen

Aanleg van waterinfiltratiesystemen kan leiden tot veel gebruik van kunststof, en vraagt dus primaire grondstoffen. In hoeverre vrijkomende systemen gerecycled kunnen worden is onzeker.

Tabel 6.16 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling aspect circulaire economie

Neutraal (0)

Onderbouwing effect UPLG op circulaire

Tezamen wordt het effect als neutraal beoordeeld. Op basis van de

economie

genoemde maatregelen wordt er geen grote impact verwacht op de circulaire economie. Er wordt niet (expliciet) gewerkt aan lokale landbouw of voedelketens, biobased landbouw of meer gebruik van reststromen.

Doelbereik

In het UPLG zijn geen expliciete doelen geformuleerd gericht op de circulaire economie. Wel is het realiseren van een natuurinclusieve kringlooplandbouw een van de 10 ambities uit het ‘Streefbeeld landbouw en voedsel’, wat bijdraagt aan een vitaal landbouwsector en landbouwperspectief. De verwachting is dat met de genoemde maatregelen geen forse versnelling ontstaat richting meer kringlooplandbouw in de provincie Utrecht.

86/147

Kenmerk

6.3.9

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden

Dit aspect is gericht op de invloed van de alternatieven op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden of het bereiken van een gunstige staat van instandhouding. Relevant beleid in het UPLG Het UPLG bevat herstelmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden, generieke- en gebiedsgerichte bronmaatregelen. De maatregelen zijn systeemgerichte maatregelen en maatregelen voor de reductie van de stikstofdepositie. Het gaat om herstel van het hydrologische systeem, reductie van stikstofdepositie, uitbreiden van het natuurareaal en het realiseren van ecologische verbindingen. Ook het realiseren van waterberging en beekherstel kan effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er komt niet meer NNN, maar wel op andere plekken. Vooral voor Natura 2000 maar ook ten behoeve van natuurherstel. 680 moet nog gerealiseerd worden, 500 op andere locaties. 680 wordt gezien als nieuwe natuur, dat wordt versterkt omdat het op een andere plek komt. Het komt er wel bij. Effecten Gebiedsgerichte aanpak stikstof: Per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied wordt een overgangszone ingericht bij 6 van de 9. Hoe die overgangszone wordt ingericht betreft maatwerk per Natura 2000-gebied, omdat elk gebied zijn eigen knelpunten heeft. Voor de stikstofzone, waarin een bemestingsnorm geldt, wordt een standaardmaat gehanteerd van een breedte van 250 m.

De stikstofzone wordt bij 6 van de 9 Natura 2000-gebieden ingesteld. Bij Kolland & Overlangbroek, Uiterwaarden lek en Rijntakken is de wordt de noodzaak voor een stikstofzone minder groot gezien. Het niet instellen van de stikstofzones geeft wel onzekerheden voor robuust systeemherstel in deze gebieden. De maatregelen in de overgangszones worden gebaseerd op de adviezen in de Natuurdoelanalyses en van de Ecologische Autoriteit. Omdat binnen de overgangszone wordt gewerkt aan hydrologische maatregelen, connectiviteit, in enkele gevallen uitbreiden natuurareaal en een (forse) reductie aan stikstofuitstoot, wordt verwacht dat dit leidt tot positieve effecten. De provincie geeft in het UPLG aan dat de overgangszones vanwege de urgentie de hoogste prioriteit hebben. Stikstof is veelal één van de belangrijkste drukfactoren in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Zolang de stikstofdepositie niet voldoende verlaagd wordt, zal de stikstofgevoelige natuur verder achteruitgaan. Door de jarenlange ophoping van stikstof is de bodem en het water sterk verrijkt en zullen deze nog jaren stikstof gaan naleveren. Verzuring van de bodem en het water zijn processen die niet makkelijk te vertragen of om te keren zijn.

De provincie Utrecht heeft uitgerekend welke reductie in depositie verschillende breedtes in stikstofzones oplevert bij alle Natura 2000-gebieden. Daaruit blijkt dat het instellen van een zone van 250 m ongeveer bij ieder Natura 2000-gebied het meeste oplevert qua depositiereductie. De mate verschilt enigszins per gebied, omdat in sommige gebieden er al meer natuur is gerealiseerd

87/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

en er dus al minder veldemissies zijn. Verwacht wordt dat de gebiedsgerichte aanpak in combinatie met de generieke aanpak van stikstof een substantiële reductie oplevert. Mede omdat bij de gebiedsgerichte aanpak extra maatwerk bij de meest relevante bedrijven om de restopgave te verminderen nodig is. Hydrologische maatregelen uit de Natuurdoelanalyses (NDA’s): In veel van de Natura 2000gebieden is de waterkwaliteit nog niet op orde. Er zijn te hoge fosfaat- en stikstofwaardes en de hydrologische condities zijn niet op orde (afname kwel, te grote wegzijging). Het hydrologisch systeem in dit gebied is vanwege omliggend agrarisch gebruik niet goed afgestemd op de instandhoudingsdoelen. De abiotiek van Natura 2000-gebieden stelt daarnaast in veel gevallen hogere eisen dan de KRW (die ook niet in alle Natura 2000-gebieden wordt gehaald). In veel NDA’s staat dan ook aanvullend onderzoek geadviseerd om inzichtelijk te maken hoe dat kan worden verbeterd en vervolgens die maatregelen te nemen. Voor veel gebieden zal moeten worden gewerkt aan systeemherstel om deze condities te optimaliseren. Indien de adviezen uit het NDA worden opgevolgd zal dit leiden zal tot een verbetering leiden van de hydrologische condities. Het UPLG geeft aan dat de NDA’s zwaarwegend zijn.

Generieke aanpak stikstof: Met de generieke aanpak van stikstof, waarbij een emissiedoel per hectaren wordt voorgeschreven, neemt de stikstofdepositie af. Aan de provinciebrede norm moet over 10 jaar (in 2035) door alle grondgebonden bedrijven worden voldaan, door middel van maximale inzet van voer- en managementmaatregelen. In eerste instantie stimuleert de provincie de agrarische ondernemers om de norm te bereiken. Indien dat niet wordt behaald, wordt een meer dwingend instrumentarium ingezet in de vorm van een emissienorm voor grondgebonden veehouderijen. Omdat dit peilmoment in 2028 is, is het nog onzeker welke reductie wordt behaald komende jaren. Door de voorgenomen borging in de omgevingsverordening worden de emissiereducties onontkoombaar gemaakt. De provincie Utrecht verwacht met deze norm, aangevuld met de stikstofzonering en autonome ontwikkeling een reductie van 46 % van de totale ammoniakemissie te bereiken. Vernattingsmaatregelen veenweidegebieden: In het veenweidegebied liggen zes van de negen Utrechtse stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hogere peilen in het veenweidegebied is gunstig voor het hydrologisch herstel van de Natura 2000-gebieden in het Groene Hart. De hydrologische maatregelen die nodig zijn voor de Natura 2000-gebieden zijn mogelijk gecombineerd worden met de vernatting in bepaalde delen van de veenweiden.

Indien bodemdaling rondom de Natura 2000-gebieden wordt verminderd, leidt dat ook tot een minder wegzijging naar de omgeving. Utrechtse Heuvelrug: Het UPLG heeft het doel om in de Utrechtse Heuvelrug meer water te infiltreren en vast te houden. Dit draagt bij aan het versterken van de kwel naar natuurgebieden, zoals Kolland en Overlangbroek. De (potentiële) negatieve effecten van het UPLG op de Natura 2000-gebieden staan uitgebreid beschreven in de passende beoordeling (bijlage 4). Negatieve effecten kunnen ontstaan met

88/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

name in de uitvoeringsfase bij de uitvoering van fysieke ingrepen (stikstofuitstoot bij inzet materieel). Ook kunnen de maatregelen met betrekking tot connectiviteit leiden tot de verdere verspreiding van exoten. In dit MER wordt in paragraaf 6.5 een samenvatting gegeven van de passende beoordeling. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect Natura 2000-gebieden. Tabel 6.17 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Overgangszones

In de overgangszones wordt gewerkt aan het verminderen van verschillende knelpunten, wat de abiotische condities in de Natura 2000-gebieden verbetert.

Ammoniaknorm

Er ontstaat een positief effect door de reductie van stikstofemissies.

Hydrologisch herstel

Met het uitvoeren van de maatregelen uit de NDA’s zal verbeteren ontstaan van de hydrologische condities.

Vernattingsmaatregelen veenweidegebied

Hogere peilen in het veenweidegebied zijn gunstig zijn voor het hydrologisch herstel van de Natura 2000-gebieden in het Groene Hart.

Tabel 6.18 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling aspect Natura 2000-gebieden

Positief (+)

Onderbouwing effect UPLG op Natura 2000-

De invloed van het UPLG wordt beoordeeld als positief. Er wordt

gebieden

op verschillende manieren gewerkt aan het reduceren van stikstof (gebiedsgericht, generiek en maatwerk) en middels de overgangszones wordt gewerkt aan het verminderen van de andere knelpunten (hydrologie, connectiviteit).

Doelbereik

Doelbereik is enigszins zeker: Aan het behalen van de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ligt een verplichting vanuit Europese wetgeving ten grondslag. Het UPLG heeft een positieve invloed op de condities in de Natura 2000gebieden, zeker omdat het UPLG de nadruk legt op robuust systeemherstel en maatregelen buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden. Voor de provincie Utrecht heeft natuurherstel binnen de Natura 2000-gebieden prioriteit. Daarbij wordt, indien nodig, ingezet op ingrijpende maatregelen zoals de aanleg van nieuwe natuur, strenge bemestingsnormen, verplaatsing van veehouderijen, en als laatste middel kan de provincie ook onteigening inzetten. Hiermee doet de provincie nagenoeg alles wat binnen de invloedsfeer ligt en levert de provincie de

89/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

Relevant beleid in het UPLG

Effect proportionele bijdrage voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. Tegelijkertijd zijn er op systeemniveau onzekerheden, bijvoorbeeld over de effectiviteit van hydrologische maatregelen. Het behalen van de instandhoudingsdoelen is mede afhankelijk van beleid van de omliggende provincies en het Rijk. Ook kennen sommige maatregelen onzekerheden in de uitvoering, zoals de zoetwaterbeschikbaarheid bij hydrologische maatregelen (hogere peilen).

6.3.10 Effectbeoordeling Areaal en samenhang leef- en natuurgebied Dit aspect is gericht op de verandering in het areaal en de samenhang van natuurgebieden en leefgebieden van (beschermde) soorten. Het gaat hier om het Natuur Netwerk Nederland (NNN), bossen en VHR-gebieden. Relevant beleid in het UPLG en effecten De provincie Utrecht werkt via meerdere programma’s aan het vergroten en versterken van het natuurareaal. Ze geeft invulling aan de opgave in het kader van het Natuurnetwerk Nederland, de VHR-opgave, de Bossenstrategie en de Groene Contour. Om de realisatie van NNN en Groene Contour te versnellen is in 2022 de Realisatiestrategie natuuropgave provincie Utrecht vastgesteld. In het UPLG is een kaart opgenomen met essentiële percelen natuur. Dit zijn percelen waarvan op basis van ecologische inzichten is bepaald dat deze essentieel zijn voor de realisatie van het NNN en de Natura 2000 doelstellingen, waar aan de orde in combinatie met KRW-doelen. Het beleid van het UPLG stelt dat er vooralsnog aanvullend hierop geen VHR-arealen33 worden gerealiseerd, totdat het Rijk met meer financiering komt via Natuurherstelplan 2026.

De natuuropgaven wordt ingepast in de NNN-opgave, waarbij er dus niet meer natuurareaal wordt gerealiseerd, maar mogelijk wel andere natuurtypen zodat het NNN ook (deels) invulling geeft aan de VHR-doelen en ten gunste komt aan de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden. Ook wordt in het proces van de wijziging van de Omgevingsvisie de begrenzing van het NNN en de Groene Contour geoptimaliseerd voor onder andere natuurherstel van Natura 2000-gebieden. Aanvullend op deze lopende programma’s wordt vanuit het UPLG in de overgangszones rondom de Natura 2000-gebieden gewerkt aan hydrologie en connectiviteit, naast stikstofreductie. In deze overgangszones wordt het oppervlakte natuur beperkt uitgebreid om de natuurdoelen te realiseren, vaak in combinatie met de andere opgaven. Daarnaast worden ecologische verbindingen versterkt via groenblauwe dooradering, agroforestry en ANLb. 33

De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR) zijn opgesteld om de biodiversiteit in Europa in stand te houden en te beschermen. Op basis van de VHR heeft Nederland de ‘Natura 2000-gebieden’ aangewezen. Echter, alleen bescherming door aanwijzing van bestaande Natura 2000-gebieden blijkt niet voldoende om te voldoen aan de doelen. Om de doelen te behalen is daarom ook areaaluitbreiding en kwaliteitsverbetering van natuur buiten de Natura2000-gebieden nodig. Naar verwachting zullen deze indicatieve getallen (of in iets aangepaste vorm) nu in 2026 in het Nationaal Natuurherstelplan worden opgenomen.

90/147

Kenmerk

R001-1294991EMG-V04-sss-NL

De realisatie van GBDA kan de samenhang tussen natuurgebieden verbeteren. Dit effect is echter onzeker omdat dit deels afhangt van de medewerking van de agrariërs en beschikbare gronden in het agrarisch gebied. Ten slotte biedt beekherstel kansen voor natuur. Ook voor deze natuur geldt dat dit valt onder het NNN, Bossenstrategie of Groene Contour, en er dus vanuit het UPLG geen extra natuurareaal wordt gerealiseerd aanvullend op hetgeen wat al is vastgesteld. In de beekdalen kan dit door variatie terug te brengen, de gradiënten te benutten en groenstructuren toe te voegen. Effectbeoordeling en doelbereik In onderstaande tabel wordt de beoordeling van de maatregelen in het UPLG kort samengevat en vertaald naar een algemene effectbeoordeling op het aspect areaal en samenhang natuurgebieden. Tabel 6.19 Samenvatting effectbeoordeling per onderdeel Relevant beleid in het UPLG

Effect

Overgangszones

In de overgangszones wordt indien nodig (beperkt) extra natuur gerealiseerd (zonder dat dat Natura 2000gebied wordt).

Groenblauwe dooradering

Aanleg van GBDA vergroot de natuurwaarden in het landelijk gebied en de connectiviteit/samenhang tussen natuurgebieden

Tabel 6.20 Conclusie effectbeoordeling en doelbereik Relevant beleid in het UPLG

Effect

Beoordeling aspect areaal en samenhang

Licht positief (0/+)

natuurgebieden Onderbouwing effect UPLG op areaal en samenhang

Met het UPLG wordt gewerkt aan zowel extra

natuurgebieden

natuurareaal voor VHR als aan herstel van bestaand natuurareaal voor VHR. Wat de extra VHR-natuur betreft, landt de opgave zo veel mogelijk in de NNNgebieden (en Groene Contour). Omdat niet alles, met name het weidevogelgrasland, past in of aansluit bij het NNN, wordt gewerkt aan extra natuurareaal. Voor 2050 zijn die opgaven veel groter. In dit MER wordt de natuurrealisatie vanuit het NNN, de Groene Contour en de Bossenstrategie beschouwd als een autonome ontwikkeling, waardoor deze niet in de effectbeoordeling wordt meegenomen. Het beleid van het UPLG zal leiden tot meer natuurareaal, met name in de overgangszones en als weidevogelgebieden, en samenhang tussen de gebieden. Ook met de aanleg van GBDA worden de natuurwaarden in het landelijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16484209/1