CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP 2 planToelichting BP VVP25

Gemeenteraad 12 mei 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 202533.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

76

Er wordt een toename van de vaarbewegingen verwacht bij die varianten waar meer bebouwing op de legakkers mogelijk is en bij de maximale variant voor de zandeilanden. De plassen zijn echter zo groot dat extra vaarverkeer niet meteen tot problemen leidt Vandaar dat dit licht negatief is beoordeeld. Economie Ontwikkelingsmogelijkheden en investeringsklimaat Het toestaan van bebouwing op de legakkers heeft geen invloed op het investeringsklimaat. Maar het bieden van maximale mogelijkheden op de zandeilanden geeft wel een flinke boost voor ondernemers. Aansluiting op behoefte De afgelopen jaren is er veel bebouwing aangebracht op de legakkers die niet past binnen het vigerende bestemmingsplan, maar kennelijk wel voldoet aan de behoefte. Ruimere bouwmogelijkheden (A) of meer bouwmogelijkheden (B en C) zijn vanuit die optiek positief. Verdienmodel Het verdienmodel zit met name op de beheersing van de kosten van onderhoud en beheer van de zandeilanden. Er bestaat bij de maximale variant in deelgebied D een grote kans op extra revenuen voor de overheid (of lagere kosten doordat ondernemers lasten overnemen). Flankerend beleid Samenwerkingsvorm In juli 2017 heeft de gemeenteraad ingestemd met de (voorbereiding van de) toetreding tot het Recreatieschap Stichtse Groenlanden. De uitvoering van het Toekomstplan Vinkeveense Plassen is de basis voor de afspraken rond deze toetreding.

Hiermee is onderhoud en beheer voor de langere termijn geborgd. Handhaving Voor het criterium handhaving is het geldende bestemmingsplan het uitgangspunt voor de referentiesituatie. De referentie gaat uit van een situatie waarin de gemeente de eigenaren met succes de illegale bebouwing heeft laten verwijderen die niet past binnen het vigerende bestemmingsplan. Hier vanuit geredeneerd is het zaak om de handhaving consequent door te voeren met beperkte middelen. Dit geldt met name waar nieuwe bebouwing is toegestaan dan wel uitbreiding van bebouwing ten opzichte van de huidige bouwmaat is toegestaan. Bij de maximale variant in deelgebied D is ongetwijfeld meer handhaving nodig, maar de gemeente kan dit bekostigen uit de legesheffingen voor de vergunningen die nodig zijn voor bijvoorbeeld de bebouwing. Beoordeling effecten planvoornemen De ruimtelijke thema's bodem en water, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, verkeer, gebruiksfuncties, economie en flankerend beleid zijn beoordeeld. Beoordeling van deze thema's vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie, hetgeen de situatie is die geldt volgens het geldende bestemmingsplan. De onderstaande tabel geeft een overzicht

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

77

van de effectbeoordelingen.

Conclusie Behoud van de legakkers is een belangrijk doel vanuit de gemeente. Het beeld van de effectbeoordelingen is vrij diffuus. Kijkend naar de effectbeoordeling zou de gemeente meer bebouwing op de legakkers en meer voorzieningen met bijbehorende activiteiten op de zandeilanden kunnen nastreven. Maar daarnaast valt een aantal negatieve beoordelingen wel op. Richting de discussie en keuze van het voorkeursalternatief, dat in het nieuwe bestemmingsplan Plassengebied gaat 'landen', heeft de gemeente naar aanleiding van de bevindingen uit deel A in het MER met de volgende zaken rekening te houden.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

78

Lozingen op de plassen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Bekend is dat in de huidige situatie recreatiewoningen en stacaravans veelal niet aangesloten zijn op enige vorm van vuilwatervoorziening. Dit betekent dat in praktijk vuilwater veelal direct op het oppervlaktewater wordt geloosd. Dergelijke ongezuiverde lozingen zijn sinds 1995 bij wet verboden (zie voorts paragraaf 5.5. onder ‘waterkwaliteit’. Het voorkomen van nutriënten in het water kan onder meer door aansluiting op de riolering of verwerking van afvalwater. Eisen aan bouwmaterialen voor bebouwing en steigers kan het risico op chemische belasting verminderen. Daarnaast kunnen voorlichting, beschikbaar stellen van biologisch afbreekbare middelen en gecoördineerde afvalinzameling bijdragen aan een betere waterkwaliteit. Hiernaast is het van belang om de eisen van het afvoer van hemelwater zo goed mogelijk uit te voeren. De ecologische toestand vraagt vanwege de Kaderrichtlijn Water en Natuurnetwerk Nederland (NNN) om mitigerende en compenserende maatregelen. Deze zijn gericht op het zo veel mogelijk laten ontstaan of behouden van natuurlijke overgangen tussen water en land, en zo op het creëren van onder meer paaiplaatsen voor vissen.

Aanknopingspunten liggen in natuurvriendelijke oevers en bevordering van submerse vegetatie (planten die onder water groeien) door wegnemen van beschaduwing door bomen, en gericht steigerbeleid. Voor natuur kan, naast het verbeteren van zachte overgangen van water naar land, ook gedacht worden aan het creëren van rustige (broed)gebieden, het maken van stapstenen in de natuurlijke structuur en het behouden van wegzinkende legakkers voor onderwatervegetatie (dus niet weghalen, wat wel eens eerder geopperd is). Op het Natura 2000-gebied Botshol treden geen significante effecten op. Het voorkomen van ongewenst geluid en verlichting van dit gebied, om de meervleermuis te ontzien, is wel een mogelijke mitigatiemaatregel die de gemeente kan toepassen. Daarnaast zal het beperken van het verkeer en werkzaamheden elektrisch uitvoeren de stikstofdepositie terugdringen. Een belangrijke factor bij de beleving van de legakkers bestaat uit de beeldkwaliteit van de bebouwing en beplanting en het tegengaan van verrommeling. Daarmee verbetert ook de beleefbaarheid van het landschap. Daarom was de aanbeveling om bij het beeldkwaliteitsplan (landschap- en stedenbouwkundig plan) dat bij het bestemmingsplan komt de stakeholders te betrekken. Doel is een breed gedragen beeldkwaliteitsplan met ook een breed gedragen verantwoordelijkheid.

Voor de omgeving (woongenot) is zeer belangrijk hoe de gemeente ontwikkelingen als eventuele evenementen op de zandeilanden wil sturen. Voor de gehele plassen dient de gemeente te bepalen hoe zij invulling wil geven aan gebiedsprofielen. Naast levendigheid, zijn ook rustige gebieden nodig. De gemeente ontwikkelt een aanpak gericht op bewustwording en gedragsverandering onder gebruikers op de plassen. Handhaving is het sluitstuk van deze aanpak.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

79

Parkeren kan een probleem zijn. Een parkeerstrategie bestaande uit onder meer extra parkeervoorzieningen, effectief gebruik van bestaande voorzieningen (denk ook aan de carpoolplaats langs de A2 en parkeerplaatsen bij bedrijven in de weekenden) en een parkeerverwijssysteem kunnen hierbij helpen. Op piekdagen kan de gemeente verkeersregelaars en handhavingsmedewerkers inzetten. Hierdoor kan door het nemen van de mitigerende maatregelen het probleem verholpen worden. Wijzigingen tussen ontwerp- en vaststelling Bij de ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan heeft ook het MER ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de reactie op zienswijzen/ambtelijke wijzigingen hebben er wijzigingen plaatsgevonden ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan. Daarnaast vond sinds het vaststellen van het ontwerp-bestemmingsplan de release plaats van een nieuwe AERIUS-versie. Daarom is het stikstofonderzoek en de passende beoordeling geactualiseerd. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de conclusies uit het MER. •

Ten aanzien van water/KRW gaat het definitief bestemmingsplan niet uit van de inzet van een vuilwaterboot. De oplossing om de waterkwaliteit te verbeteren is het verplichten van een chemisch toilet en droogtoilet in combinatie met handhaving als vuilwatervoorziening. In het MER is uitgegaan van positieve effecten op de waterkwaliteit van de vuilwaterboot. De nu voorgestelde voorzieningen zullen resulteren in een vergelijkbaar positief effect op de waterkwaliteit.

•

In de rapporten verkeer en parkeren zijn de verkeerscijfers gewijzigd, maar niet de conclusies

•

De planbijdrage aan stikstofdepositie is in november 2024 doorgerekend met AERIUS versie 2024. De hoogtes van de planbijdragen ten opzichte van de huidige legale situatie zijn niet veranderd, hoogstens/alleen de beïnvloede opp/overbelasting omdat de achtergrondwaarden ook gewijzigd zijn. De conclusies van de ecologische beoordeling van deze nieuwe berekening is dat er met zekerheid geen aantasting is van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Botshol, Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Dat wordt in de actualisatie van de PB onderbouwd. Daarmee wijkt de conclusie niet af van de conclusie in het MER. In het MER is melding gemaakt van een memo ecologische beoordeling stikstofdepositie. De ecologische beoordeling stikstofdepositie is nu opgenomen in de actualisatie van de PB waarin uitgebreider is nagegaan of als gevolg van deze planbijdrage significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebieden optreden.

•

Met betrekking tot de natuurtoets is in mei 2024 een nieuwe check van NDFF gedaan. Deze heeft niet geleid tot een gewijzigd beeld van de voorkomende beschermde soorten. Aanvullend is nader beargumenteerd dat het verkrijgen van een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit in de lijn der verwachting ligt. Dit was ook al aangegeven in het MER.

•

De NNN toetsing is uitgebreid en een Natuurkwaliteitsplan is opgesteld waarin de meerwaardemaatregelen zijn beschreven. In het kader van de effectbeschrijving leidt dit tot een scherpere omschrijving van de te verwachten effecten die vallen binnen de in het MER beschreven effecten. Nu is het uitgangspunt dat de compensatie-opgave 6,8 ha is waarbij 11 ha wordt gecompenseerd terwijl in het MER uitgegaan is van 5 ha compensatie-opgave en 10 ha gecompenseerd. Nog steeds wordt dan voldaan aan de compensatie-opgave conform rekenmethode bijlage 11 Interim

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

80

Omgevingsverordening. De eindconclusie is dan ook dat het MER (versie 17 april 2023) nog steeds dekkend is voor wat betreft de effecten van het bestemmingsplan. Dit PlanMER, de gewijzigde onderzoeken (verkeersonderzoek, parkeeronderzoek, KRW-toets, NNN-toets, Natuurkwaliteitsplan, Stikstofonderzoek en de (geactualiseerde) Passende Beoordeling zullen door het bevoegd gezag (de gemeenteraad van de Ronde Venen) betrokken worden bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Kader Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro is het verplicht om bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting een beschrijving van de behoefte aan deze ontwikkeling op te nemen. Daarbij geldt dat voor zover deze ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, het bestemmingsplan ook een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets geldt (dus) alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In dit kader is de beantwoording van de volgende vragen relevant: (i)

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Onder een stedelijke ontwikkeling wordt ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit de Nota van Toelichting bij het Bro volgt dat met een “andere stedelijke ontwikkeling” (onder meer) wordt bedoeld: “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoorsport en leisure”. Hierbij geldt als uitgangspunt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel dient te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Ook uitbreidingen van stedelijke ontwikkelingen kunnen, mits voldoende substantieel, worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.

(ii)

Is deze stedelijke ontwikkeling ook aan te merken als een “nieuwe” stedelijke ontwikkeling? Voor deze vraag dient in onderlinge samenhang te worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande planologisch regime, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

81

Toetsing Ad (i): Stedelijke ontwikkeling Zoals ook uiteengezet in paragraaf 3.2 van deze toelichting, voorziet het voorliggende bestemmingsplan in de verankering van (een deel van) de binnen het plangebied ontstane illegale bebouwing die de afgelopen jaren is gerealiseerd op de legakkers. Daarnaast maakt het bestemmingsplan ook (beperkte) nieuwe bebouwing mogelijk ter hoogte van de legakkers. In totaal maakt het bestemmingsplan op de legakkers maximaal 6,8ha bebouwing mogelijk. Het bestemmingsplan maakt deze bebouwing mogelijk in het kader van dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie (nachtverblijf). Daarnaast maakt het bestemmingsplan (al dan niet via een afwijkingsbevoegdheid) een aantal recreatieve ontwikkelingen mogelijk ter hoogte van de zandeilanden, waaronder: -

een jachthaven;

-

een multifunctioneel gebouw, inclusief duikwinkel/duikschool, horeca en kantoor op zandeiland 4, dat in totaal niet meer mag bedragen dan 600 m2;

-

horeca, waaronder de uitbreiding van een bestaand horecagebouw op zandeiland 1 met maximaal 700 m2, inclusief terras van maximaal 250 m2;

-

diverse verblijfsrecreatie in de vorm van o.a. camperplaatsen c.q. een caravanpark, tenten, recreatie-appartementen en recreatiewoningen.

Uit de jurisprudentie volgt dat recreatieve ontwikkelingen als deze kunnen worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling wanneer het ruimtebeslag groter is dan 500 m² (onder meer ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:493). Nu dit gelet op het voorgaande het geval is, is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Ad (ii): nieuwe stedelijke ontwikkeling? Zoals aangegeven, dient voor de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden gekeken naar of sprake is van een functiewijziging en welke planologisch beslag op de ruimte wordt gelegd ten opzichte van het voorgaande planologische regime. In paragraaf 3.2 is ingegaan op het programma dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. In totaal is een toename van 6,8 ha bebouwing aan de orde. Ten opzichte van de voorheen geldende beheersverordening voorziet dit bestemmingsplan dus in extra gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het Vinkenveense Plassengebied, waardoor het plan ladderplichtig is. Hierna volgt daarom een onderbouwing van de behoefte en de locatiekeuze.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

82

Onderbouwing van de behoefte Behoefte aan recreatie Het plassengebied is al lange tijd aangewezen als bovenlokaal dagrecreatieterrein. Op grond van de geldende beheersverordening is volop gebruik voor dagrecreatie en het plaatsen van kisten toegestaan. De zandeilanden en het omliggende water zijn eigendom van het recreatieschap. Rond de entrees en op de legakkers zijn er verschillende andere (particuliere) eigenaren. In de loop der jaren is op de legakkers veel (illegale) bebouwing in het gebied opgericht. Deze percelen en bebouwing worden volop gebruikt voor dag- en verblijfsrecreatie. Samen met de Provincie Utrecht heeft de gemeente in 2012 een Toekomstvisie opgesteld ter bescherming van de legakkers. Deze is door de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten vastgesteld. In 2018 heeft de gemeenteraad al een nota van uitganspunten aangenomen op basis van een concept MER. Ook de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Eilandverordening van het recreatieschap (1990) gaven al langere tijd geleden richting aan de recreatieve ontwikkeling van de Vinkeveense Plassen. Vanuit het provinciaal beleid geldt dat recreatieve ontwikkeling van de Vinkeveense Plassen als bovenlokaal recreatieterrein mogelijk is. Een gebiedsgerichte aanpak is hierbij noodzakelijk, waarin partijen uit het gebied gezamenlijk op zoek gaan naar kwaliteitswinst, via bijvoorbeeld uitruil van bestemmingen.

Daardoor kan meer ruimte voor dag- en verblijfsrecreatie ontstaan. In het gebied van de Vinkeveense Plassen speelt de samenhang tussen natuur en recreatie vooral bij het gebruik van legakkers een grote rol. De aantrekkelijkheid van de Vinkeveense Plassen blijkt onder meer uit het ‘Bezoekersonderzoek Recreatiegebieden Utrecht 2019’. De Vinkeveense plassen krijgen een gemiddeld rapportcijfer van 7,9 en krijgen per jaar 664.000 unieke bezoekers. Ook uit de Visie Verblijfsrecreatie gemeente De Ronde Venen en het in dat kader uitgevoerde onderzoek door ZKA leisure consultants, waarin het toeristisch-recreatief aanbod en de vraag zijn geanalyseerd. Van alle bezoeken voor dag- en zakelijk toerisme komt een groot deel van Een groot deel de bezoeken met het motief oeverrecreatie en routegebonden recreatie. Het dagtoeristische aanbod staat in verbinding met de waterrijke gebieden in de gemeente. De meeste bedrijven zijn actief in de watersport en –recreatiesector, met de verhuur van watersportartikelen of clinics/lessen. Vaak is sprake van een combinatie van verblijfs- en dagtoeristisch aanbod. Behoefte aan bebouwing i.k.v behoud legakkerstructuur In totaal is in het plangebied circa 10 hectare bebouwing aanwezig. Hiervan circa 1,6 ha aan bebouwing, gericht op recreatief verblijf, planologisch vastgelegd of later vergund. Zo’n 8,4 ha is illegaal gebouwd.

Daarmee is het evident dat er vanuit de kaveleigenaren een grote behoefte is aan bouwwerken ten behoeve van recreatie.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

83

Vanuit de doelstelling van dit bestemmingsplan, namelijk het behoud en herstel van de aanwezige (cultuurhistorische) legakkerstructuur, is er ook een behoefte aan het legaliseren van bebouwing. De legakkereigenaren zorgen namelijk voor instandhouding en onderhoud van hun percelen, om deze te gebruiken voor recreatief verblijf. Zonder dit onderhoud van en het aanbrengen van beschoeiing en beplanting is het aannemelijk dat (alle) legakkers op termijn verdwijnen vanwege weers- en windinvloeden. De legakkers zullen dan afkalven (m.a.w. het in elkaar zakken of inglijden van oevers van waterlopen) en op termijn zelfs verzinken. Dit zal de legakkerstructuur van het gebied ernstig aantasten, wat een ongunstig effect heeft op de cultuurhistorische en natuurlijke waarden in het gebied. Het bestemmingsplan heeft daarom onder meer tot doelstelling om eigenaren van legakkers tot instandhouding en beschoeiing van de legakkers te stimuleren. Om eigenaren ertoe te bewegen om deze investering te doen, is ervoor gekozen om binnen bepaalde bebouwingscriteria beperkt legalisering van bestaande bebouwing en nieuwbouw op de legakkers toe te staan.

Aan legakkereigenaren wordt in ruil voor beperkte bebouwingsmogelijkheden de verplichting opgelegd om de oevers te beschoeien om afkalving van de legakkers te voorkomen en op de legakker beplanting aan te leggen die uitsluitend bestaat uit inheemse soorten. Op deze manier wordt het NNN op het Vinkeveense Plassengebied versterkt. De gemeente kan volledige beschoeiing van alle legakkers simpelweg niet bekostigen en er zijn geen mogelijkheden tot het verkrijgen van subsidies. Bovendien zijn er geen investeerders te vinden voor de particuliere gronden. Door de kosten te verdelen, waarbij de gemeente een deel investeert in natuurontwikkeling en anderzijds de legakkereigenaren investeren in het beschoeien/beplanten en in stand houden van de legakkers (met bijbehorende onderhoudskosten) is een middenweg gezocht. Onderbouwing mate van bebouwing / legalisatie Er mag er geen onevenredige verhouding ontstaan tussen de bebouwing en de waarden van het NNN op het Vinkeveense Plassengebied. Met dit plan wordt 6,8 ha bebouwing gelegaliseerd. Zo’n 1,6 hectare wordt niet gelegaliseerd omwille van de balans tussen natuur en ontwikkeling. De toegestane maximale bebouwingsmogelijkheden (oppervlaktes, percentages en hoogtes) zijn het resultaat van jarenlang overleg met de stakeholders en afstemming met de coalitiepartijen.

De gehanteerde percentages bewaken dat de openheid op de legakkers in stand blijft, maar bieden toch voldoende mogelijkheden tot bebouwing op de legakkers. Behoefte aan type recreatie en voorzieningen In het Toekomstplan Vinkeveense Plassen (2015), zoals opgesteld door de Provincie Utrecht en de gemeente De Ronde Venen, is de recreatievraag en de recreatiepotentie van het gebied onderzocht. Een deel van de hierin opgenomen opgaven is gerealiseerd, maar andere onderdelen uit dit plan kwamen niet goed van de grond doordat samenhang ontbrak. Ook was er geen specifieke inzet op de ontwikkeling van de zandeilanden. Daarom is in 2019 een Programma Vinkeveense Plassen opgesteld. Hierin is opnieuw gekeken naar de actuele trends, ontwikkelingen en behoefte van de bezoekers in het

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

84

gebied. De Vinkeveense Plassen bieden een unieke (water)recreatieve belevenis en zijn daarmee kansrijk voor ondernemers in horeca en leisure. De recreatieve kernkwaliteiten van het gebied zijn, naast diverse watersporten zoals duiken, zwemmen en vissen, ook routegebonden recreatie op en rond de plassen en dag- en verblijfsrecreatie. Er zijn onder andere twee belangrijke ontwikkelingen op het gebied van recreatie: de groei van het inwonersaantal van de regio en een grotere diversiteit aan soorten inwoners, leefstijlen en recreatiewensen. Daarnaast worden veranderingen in de samenleving voorzien: de opkomst van de participatiesamenleving, de groeiende behoefte aan ‘beleving’ en de wens voor een gevarieerd recreatief aanbod. Voor verschillende groepen recreanten is er een tekort aan recreatief aanbod op en rondom de Vinkeveense Plassen. Er is vraag naar meer actief vermaak en meer exclusief (rustig) aanbod. Daarnaast kan de exploitatie van ondernemers meer jaarrond worden opgezet door een combinatie van de uitbreiding van het recreatief aanbod en de zakelijke markt. De opgave voor de komende jaren richt zich op het verder recreatief ontwikkelen van het gebied, zodanig dat er inkomsten gegenereerd worden om het gebied duurzaam te kunnen onderhouden en te kunnen blijven aansluiten op de wensen van de bezoekers.

Zoals blijkt uit de ‘Visie verblijfsrecreatie gemeente De Ronde Venen’ (16 december 2020) zien inwoners en stakeholders geen massatoerist voor zich. Wel een verblijfsrecreant die komt voor kwaliteit, rust, natuur, inspiratie en ruimte. Ook buiten het vaarseizoen. Lekker en gezond eten speelt een rol voor deze verblijfsrecreant. Het is belangrijk dat accommodaties en horecagelegenheden passen bij zowel het karakter van het Plassengebied als bij het type verblijfsrecreant; de Rustzoeker, Stijlzoeker of Zakentoerist. Dit bestemmingsplan maakt, naast de gedeeltelijke legalisatie van bebouwing op de legakkers, via een afwijking twee ontwikkelingen mogelijk. De ontwikkelingen komen voort uit het programma en ontwikkelscenario van het recreatieschap Stichtse Groenlanden, waarin onder meer is gekeken naar de locatie van deze ontwikkelingen in relatie tot de natuurwaardenzones (zie voorts paragraaf 3.3). Het betreft een multifunctioneel gebouw (inclusief duikwinkel/duikschool, horeca en kantoor) en de uitbreiding van een bestaand horecagebouw op zandeiland 1. Vanwege de recreatieve waarde en bestaande recreatiemogelijkheden van het Vinkeveense Plassengebied en de toename van de hoeveelheid bezoekers is er concrete behoefte aan de uitbreiding van deze voorzieningen.

De ontwikkeling van een bestaande horecavoorziening, inclusief terras, speelt in op de behoefte aan het uitbreiden van het totale aanbod van horecavoorzieningen binnen het plassengebied. Het multifunctionele gebouw heeft als doel om diverse functies die op dit moment verspreid over zandeiland 4 zijn gehuisvest, te clusteren. Hiermee wordt zorgvuldig omgegaan met het ruimtebeslag. Beide locaties zijn afgewogen in het ontwikkelscenario van het recreatieschap Stichtse Groenlanden.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

85

Locatiekeuze Het plangebied bevindt zich buiten het bestaand stedelijk gebied (BSD). Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Het plassengebied heeft een centrale ligging in de Randstad en is van (boven)regionaal belang. De plassen maken deel uit van het landelijke recreatietoervaartnet en van het veel grotere waterrecreatiegebied Hollandse Plassen. Het gebied is een belangrijke (potentiële) bron van bestedingen. Het bezoekerspotentieel is eveneens groot omdat de plassen binnen 15 km van de steden Amsterdam en Utrecht liggen. Mede door de aanwezigheid van legakkers zijn de plassen van Vinkeveen van unieke waarde voor de recreatie. Landelijk gezien zijn watersportgebieden met legakkers schaars en hebben deze dus een extra attractiewaarde. De legakkers hebben een belangrijke decoratieve waarde en dragen bij aan diverse vormen van recreatie. Soortgelijke gebieden zijn binnenstedelijk niet aanwezig. De gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn dan ook niet mogelijk binnen BSD. Daarnaast is het voorliggende bestemmingsplan in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen.

Conclusie De verankering van (een deel van) de illegaal geplaatste bebouwing binnen het Vinkenveense Plassengebied en het bieden van extra planologische ruimte voor horeca en een multifunctioneel gebouw past binnen de provinciale- en gemeentelijke beleidsdoelstellingen. Er is een concrete behoefte aan het verbeteren van het gebied en het creëren van extra recreatief aanbod. Soortgelijke gebieden zijn binnenstedelijk niet aanwezig. De gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn dan ook niet mogelijk binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Daarnaast is het voorliggende bestemmingsplan in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen. Gezien bovenstaande is het plan passend ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking. 5.3

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Als basis voor de archeologisch-inhoudelijke onderbouwing heeft de gemeente De Ronde Venen de beschikking over een archeologische beleidskaart uit 2011 met onderliggende rapporten. De beleidskaart geeft gebiedsdekkend tot op perceelsniveau aan vanaf welke omvang in vierkante meters een plangebied archeologieplichtig is. In 2016 is de beleidskaart geactualiseerd. De huidige herziening van de archeologische beleidskaart vormt in combinatie met de onderliggende kaarten en eerdere rapporten vormen de onderbouwing en de basis voor het vast te stellen en te implementeren geactualiseerde archeologiebeleid. Met als doel te komen tot een transparant archeologiebeleid waarmee archeologie efficiënt en effectief wordt ingezet bij bestemmingsplannen en de omgevingsvergunning waardoor onnodig archeologisch onderzoek wordt voorkomen.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

86

Conform de beleidskaart is aan een deel van het plangebied een archeologische verwachting toegekend. Deze verwachting is geborgd middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied'. De (verwachtings)waarden zijn van uiteenlopende aard en om die reden onderverdeeld in:       

Specifieke vorm van archeologie - landbodem categorie 2a Specifieke vorm van archeologie - landbodem categorie 2b Specifieke vorm van archeologie - landbodem categorie 4 Specifieke vorm van archeologie - landbodem categorie 5 Specifieke vorm van archeologie - landbodem categorie 6 Specifieke vorm van archeologie - waterbodem categorie 2 Specifieke vorm van archeologie - waterbodem categorie 3

Eventuele toekomstige ontwikkelingen binnen deze zones mogen alleen plaatsvinden wanneer er geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden. Indien dit wel het geval is dient aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek aan te tonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Cultuurhistorie Het Groene Hart en daarbinnen de Hollands Utrechtse plassen zijn iconen voor een oerHollands landschap. De Vinkeveense Plassen maken hier onderdeel van uit. De kwaliteit van het (Utrechtse deel van het) Groene Hart wordt bepaald door de openheid van het landschap, het veenweidekarakter, de landschappelijke diversiteit, en de rust en stilte. Het veenweidekarakter van het landschap wordt bepaald door verschillende verkavelingsvormen, hoogteverschillen tussen onverveend land en droogmakerijen en de karakteristieke lijnelementen (dijken, zuwen, linten) die verschillende delen begrenzen. Bijzonder aan het gebied rond Vinkeveen is dat de drie stadia van vervening naast elkaar 'gelezen' kunnen worden.

De middeleeuwse optrekkende verkaveling in de polder Groot Wilnis-Vinkeveen, het turfwinningslandschap van de Vinkeveense Plassen en de doordachte diepe droogmakerij Groot Mijdrecht lopen in elkaar over en laten de geschiedenis van het gebied in een notendop zien. In landelijk opzicht vertegenwoordigt het plassengebied een zeer hoge en specifieke cultuurhistorische waarde die elders in Nederland alleen bij de kleinere Nieuwkoopse Plassen voorkomt.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

87

Afbeelding 5.1 Waardering legakkers volgens Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Utrecht

Legakkers De legakkers in de plassen tonen een historisch energielandschap. De plassen met legakkers zijn ontstaan ten gevolge van de veenontginning. Van oorsprong zorgde dit voor een open en leeg landschap. Het proces van natte vervening resulteerde uiteindelijk in een landschap dat bestaat uit uitgebaggerde 'trekgaten' of 'petgaten' met daartussen de resterende landstroken, 'legakkers' of 'zetwallen' genoemd. De waaiervormige structuur die de legakkers vormen is uniek voor Nederland en van cultuurhistorische waarde. Het waaierpatroon van legakkers en petgaten dat de waaierverkaveling laat zien van de middeleeuwse ontginning van de Vinkeveense polder Veldzijde en de Proosdijpolder is met name herkenbaar tussen Botsholsedijk in het noorden en de N201 in het zuiden. Onderstaande afbeelding geeft het beeld van de huidige legakkers.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

88

Afbeelding 5.2 Huidige situatie legakkerstructuren in het plangebied

Cultuurhistorisch waardevolle elementen Uit de Cultuurhistorische Atlas provincie Utrecht blijkt dat de volgende cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied liggen: 

Waterstaatkundig: aan de oostzijde van het plangebied ligt de Winkel, een (vergraven) natuurlijke waterloop die ook diende voor het transport van goederen en personen.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

89

Aan de rand van de het plangebied liggen meerdere molens, gemalen en sluizen. Defensie: het plangebied maakt onderdeel uit van de inundatiegebieden van zowel de Oude Hollandse Waterlinie (bestaand tussen 1629 en 1815) als de Stelling van Amsterdam (bestaand tussen 1880 en 1960). In een bocht van de rivier de Winkel ligt Fort aan de Winkel, een verdedigingswerk gebouwd in de periode 1893-1895. Bewoning: de bewoningslinten van Achterbos, Vinkeveen, Demmerik en de Groenlandse kade werden vanaf de Middeleeuwen bewoond.

Afbeelding 5.3 Cultuurhistorische Atlas provincie Utrecht

Stelling van Amsterdam (Unesco Werelderfgoed) De Stelling van Amsterdam is een 135 kilometer lange verdedigingslinie rondom Amsterdam, aangelegd tussen 1880 en 1920. Sinds 1996 staat de Stelling van Amsterdam op de lijst van UNESCO Werelderfgoed. De Stelling loopt in dit gebied langs de riviertjes Oude Waver en Winkel. Van de 45 forten op de Unescolijst ligt er één nabij het plangebied; Fort aan de Winkel. Het verdedigingswerk werd aangelegd tussen 1893-1895. Fort aan de Winkel was ter verdediging van het acces gevormd door de Vinkenkade en de kade en waterloop tussen de polder De Winkel en de Proostdijpolder. Dit fort is evenals Fort aan de Botshol aangelegd als verdedigbaar aardwerk, een voorlopige versterking, vooruitlopend op de definitieve bouw. Hier werden de wallen echter weer geëgaliseerd.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

90

Afbeelding 5.4 Stelling van Amsterdam (bron: viewer provincie Noord-Holland)

Rijksmonumenten In het onderzoeksgebied zijn 2 rijksmonumenten gelegen: 

Gemaal 'De Ruiter' uit 1923 (Demmeriksekade 5). Het gemaal bemaalt het gebied van de het vroegere waterschap Polder Groot Wilnis-Vinkeveen en sinds de jaren vijftig van de 20e eeuw ook dat van de Polder Groot en Klein Oud-Aa. Molenromp van een achtkantige bovenkruier uit ca. 1635 die was ingericht als poldermolen voor de bemaling van het Vinkeveense deel van de polder De Ronde Venen (Molenkade 3).

Conclusie Archeologie De archeologische verwachtingswaarde is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied'. Cultuurhistorie De kenmerken van de Stelling van Amsterdam worden beschermd door de 'Waarde schootsveld' en 'Waarde - Stelling van Amsterdam'. Daarnaast is het behoud van de huidige structuur van de legakkers belangrijk voor het plangebied. In dit kader wordt geadviseerd:  de huidige structuur van de legakkers te behouden;  een verbod op het afgraven van de legakkers;  het behoud van de legakkers te stimuleren;  de verdere afkalving en verdwijning van de legakkers te voorkomen;

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

91

   5.4

de toestemming voor uitbreiding bebouwing te beperken; bebouwing met meer dan drie bouwlagen te verbieden; bebouwing die past bij het historisch beeld te stimuleren. Natuur

5.4.1 Soortenbescherming Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd, waarin de eventuele potentiële effecten op beschermde soorten (natuurtoets onderdeel soortenbescherming) in kaart zijn gebracht. Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde soorten. Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit soortgroepen vogels met een jaarrond beschermd nest, algemene broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptielen vissen. In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

92

Afbeelding 5.5 Tabel met overzicht van de conclusies en vervolgstappen soortenbescherming

In de natuurtoets die aan het bestemmingsplan ten grondslag wordt gelegd, wordt dus weliswaar opgemerkt dat "geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend ecologisch onderzoek te verrichten", maar bij behandeling van de betreffende soorten is ook aangegeven dat als uit dat onderzoek blijkt dat er bepaalde soorten aanwezig zijn, hiervoor een ontheffing (per 1-1-2024 omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit) kan worden aangevraagd en er daartoe op voorhand redelijkerwijs een inschatting kan worden gemaakt dat deze ook zal kunnen worden verleend op grond de Wet natuurbescherming en per 1 januari 2024 de Omgevingswet (soortenbescherming). Dit is relevant voor de uitvoerbaarheid van het plan (zie volgende paragraaf).

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

93

Uitvoerbaarheid plan Het plan kan alleen worden vastgesteld indien in redelijkheid kan ingezien worden dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dat betekent dus niet dat er al Wnb-ontheffing/een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend dient te zijn. Wel moet duidelijk zijn of voor de activiteiten die volgen uit de vaststelling van het bestemmingsplan redelijkerwijs de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een Wnb-ontheffing/vergunning voor een flora- en faunaactiviteit. Uit de Natuurtoets (bijlage 4) blijkt dat op basis van literatuurstudie en een veldonderzoek bekend is welke beschermde soorten in het plangebied kunnen voorkomen, en wat de effecten van het plan op die soorten zijn. Voor een aantal soorten geldt dat overtreding van de verbodsbepalingen naar verwachting niet kan worden voorkomen. Voor deze soorten is in een aanvullende memo (bijlage 21) opgesteld die specifiek ingaat op de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot soortbescherming. In de memo is onderzocht of in redelijkheid kan worden verwacht dat een Wnbontheffing/een omgevingsvergunning voor en flora- en fauna-activiteit kan worden verkregen voor de realisatie van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

Kader Om een Wnb-ontheffing/een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verkrijgen, moet er op basis van de genoemde beoordelingsregels aan de volgende criteria worden voldaan: • Alternatievenafweging: er is geen andere bevredigende oplossing; voor de locatie van de ingreep zijn geen alternatieven. De werkzaamheden zijn aan de betreffende specifieke locatie gebonden (eigendom perceel) • Wettelijk belang: het project wordt uitgevoerd in het kader van een in de wet genoemd wettelijk belang; worst case wettelijk belang is voor vogels, 'volksgezondheid of openbare veiligheid', gezonde leefomgeving, waterkwaliteit, recreatieve mogelijkheden – gezondheid. • Gunstige staat van instandhouding: het project doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie; er zullen bewezen effectieve maatregelen te nemen zijn om een effect op de staat van instandhouding te voorkomen. Als bij een project dat mogelijk gemaakt wordt door het bestemmingsplan voldaan kan worden aan deze criteria, dan kan redelijkerwijs verwacht worden dat de Wnbontheffing/vergunning flora- en fauna-activiteit verleend kan worden. Uitgangspunten Bij de beoordeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

94

-

Per soortgroep zijn een of enkele maatgevende soorten onderzocht, waarvan beschermde soorten (kunnen) voorkomen in het gebied. Dit zijn soorten die de waarde van de Vinkeveense Plassen voor de biodiversiteit bepalen en waarvan het uitgangspunt is dat “indien voor deze soorten aangetoond kan worden dat het plan uitvoerbaar is, dit ook geldt voor andere beschermde soorten in het plangebied. De onderzochte soortgroepen zijn broedvogels (beschermd in de broedperiode ofwel jaarrond), grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, reptielen, vissen en ongewervelden.

-

Er is gekeken naar drie maatgevende projecten die het bestemmingsplan mogelijk gemaakt en die gevolgen kunnen hebben voor beschermde soorten:

-

o

aanleg natuurvriendelijke oever (is ook maatgevend voor aanleg beschoeiing)

o

nieuwe bebouwing op de legakker

o

verbouwing gebouwen op de zandeilanden

Er is beargumenteerd dat voldaan kan worden aan de “alternatievenafweging”, het “wettelijk belang” en de “gunstige staat van instandhouding” (zie hiervoor onder ‘kader’).

Onderzoek In de memo is ingegaan op de werkzaamheden die kunnen plaatsvinden per maatgevend project. Vervolgens is een beschrijving gegeven dan de mogelijke effecten op beschermde soorten en zijn bewezen effectieve mitigerende en compenserende maatregelen benoemd die genomen (kunnen) worden om de effecten weg te nemen of te verzachten en/of de verblijfplaats te compenseren. Bij een aantal soorten kan middels het nemen van mitigerende maatregelen voorkomen worden dat verbodsbepalingen overtreden worden. Het gaat daarbij om algemene broedvogels. Voor vleermuizen zal bij bebouwing legakkers of aanleg natuurvriendelijke oevers nooit sprake zijn van schadelijke handelingen/overtreding verbodsbepalingen omdat er geen sprake is van aantasting van(niet essentiële vliegroutes of foerageergebied (er zijn alternatieve voor die functies aanwezig in het plangebied). Hierdoor wordt zorggedragen voor een gunstige staat van instandhouding van de populaties. Daarna is een overzicht gegeven van alle verbodsbepalingen die overtreden worden. Als er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen moet een ontheffing/omgevingsvergunning voor de activiteit aangevraagd worden. Voor deze verbodsbepalingen is vervolgens beoordeeld dat voldaan kan worden aan de “alternatievenafweging”, het “wettelijk belang” en de “gunstige staat van instandhouding”.

De gunstige staat komt niet in het geding omdat er dan bewezen effectieve mitigerende en compenserende maatregelen genomen kunnen worden om de effecten te verzachten en/of de verblijfplaats te compenseren. In het natuurkwaliteitsplan (bijlage 6) is uitvoerig ingegaan op de meerwaardemaatregelen waarbij de meervleermuis en de kwabaal meeliften met de positieve effecten van die maatregelen. Die positieve effecten op het leefgebied van soorten is vervolgens ook in het NNN-rapport beschreven. De aanwezigheid van bijzondere soorten is een van de kenmerken van NNN.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

95

Conclusie Op basis van de memo kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een Wnb-ontheffing/omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De ontheffing kan worden verleend op grond van de belangen ''In het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang. Hieronder vallen ook redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten '. Gezien de ontwikkeling op of aan de legakkers moet plaatsvinden op of het desbetreffende zandeiland, zijn alternatieve oplossingsrichtingen niet aanwezig. Door het nemen van maatregelen wordt zorggedragen voor een gunstige staat van instandhouding van de populaties. In overleg met de provincie wordt de mogelijkheid van een soortenmanagementplan bekeken. Daarom wordt uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de Wnb soortbescherming) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

(onderdeel

Relatie met NKP/NNN-rapporten In het natuurkwaliteitsplan (bijlage 6) is uitvoerig ingegaan op de meerwaardemaatregelen waarbij de meervleermuis en de kwabaal meeliften met de positieve effecten van die maatregelen. Die positieve effecten op het leefgebied van soorten zijn vervolgens ook in het NNN-rapport beschreven. De aanwezigheid van bijzondere soorten is een van de kenmerken van NNN. De aanwezige soorten zullen ook meeliften met de positieve effecten op het gebied door te nemen maatregelen volgend uit de compensatie voor NNN en volgend uit de meerwaardebenadering voor NNN. 5.4.2 Gebiedsbescherming De Vinkeveense Plassen zijn onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de Provincie Utrecht. Tevens grenst het gebied aan Natura 2000-gebied Botshol. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De Vinkeveense Plassen is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en vormt samen met de polders 'groot Mijdrecht' (westzijde) en 'Groot-Wilnis Vinkeveen' (zuidzijde) een kerngebied van het NNN. Het gebied kenmerkt zich als een veenweidegebied, met belangrijke natuurkwaliteiten als weidevogelgrasland. Een groot aantal vogelsoorten heeft hierbinnen een netwerk van broed- en voedselgebieden. Dit kerngebied is onderdeel van de Groene Ruggengraat, een robuuste ecologische verbinding tussen de Biesbosch en de randmeren.

De Vinkeveense Plassen hebben een belangrijke functie voor natuur, met name rondom natte natuur met de bijbehorende flora en fauna. Behorend tot dit NNN-gebied zijn natuurdoeltypen of zogeheten natuurbeheertypen benoemd. Deze natuurbeheertypen worden gebruikt voor het beheer van het gebied.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

96

De natuurbeheertypen die binnen het plangebied liggen zijn voornamelijk zoete plas en kranswierwater. Op de zandeilanden betreft het nat schraalland en zandverstuiving en op enkele legakkers in de uithoeken van de plas; veenbos en droog of vochtig bos met productie.

Afbeelding 5.6 Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Utrecht).

Meerwaardebenadering Een toetsing aan het natuurbeleid is noodzakelijk omdat de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden in het bestemmingsplan ten opzichte van de beheersverordening kunnen door ruimtebeslag, verstoring en verslechtering van de waterkwaliteit een effect hebben op de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, op de robuustheid en aaneen geslotenheid van het gebied, op de aanwezigheid van bijzondere soorten en op de verbindingsfunctie van het gebied. Het beschermingsregime van het NNN is vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening (IOV) van de provincie Utrecht (artikel 6.3). Voor het bestemmingsplan wordt voor uitzondering art. 6.3 lid 1b gegaan (meerwaardebenadering).

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

97

Om tot een goede belangenafweging te komen, heeft de gemeente De Ronde Venen de natuurdoelstelling voor het gebied concreter gemaakt en verkend welke maatregelen nodig zijn om de doelstellingen te bereiken. In dat kader is het natuurplan "Op naar natuurlijk waterplezier!" opgesteld (zie Bijlage 2). Dit natuurplan vormt de basis voor het Natuurkwaliteitsplan (NKP) (Bijlage 6) voor natuur in het plassengebied. Daarin zijn maatregelen beschreven die de kwaliteit en de wezenlijke waarden en kenmerken van de Vinkeveense Plassen zullen gaan versterken. In dat rapport staan ook maatregelen die gunstig zijn voor natuur en ter overweging zijn opgenomen in het NKP. Daarnaast zijn er in het kader van het bestemmingsplan ook KRW-maatregelen voorzien. Deze maatregelen zijn benoemd in paragraaf 3.3 van de KRW-toets. Deze maatregelen zijn niet meer beschreven in het NKP maar hebben een positief effect op de waterkwaliteit. Het bestemmingsplan voorziet ook in realisatie van areaal (compensatie) in deelgebied ’t Meertje. In dat kader is een Inrichting- en beheerplan ’t Meertje opgesteld (bijlage 19). De oppervlakte aantasting is berekend op 8.84 natuurpunten. De natuurpunten berekening geeft een indicatie van wat er minimaal gecompenseerd moet worden ten opzichte van de aantasting.

Die natuurpunten kunnen omgezet worden naar 8.84 hectare (de berekening geeft een toeslagfactor op de oppervlakte). Dan blijkt dat de 11 hectare aan oppervlakte compensatie in ‘t Meertje (ruim) voldoet aan de compensatie-opgave. Ook het aantal natuurpunten voor de compensatie die gerealiseerd gaat worden (23.929), is groter dan het aantal natuurpunten voor de te realiseren compensatie. Dat betekent dat is voldaan aan de beide uitgangspunten genoemd in lid 1, bijlage 11 IOV). De toelichting op de berekening van het aantal natuurpunten is opgenomen in het document “NNN-toetsing” (Bijlage 7). In een separaat rapport – het Natuurkwaliteitsplan (NKP) (bijlage 6) - zijn maatregelen beschreven die inzetten op een kwaliteitsverbetering van de natuur in de Vinkeveense Plassen. In dat rapport staan ook maatregelen die gunstig zijn voor natuur en ter overweging zijn opgenomen in het NKP. Daarnaast zijn er in het kader van het bestemmingsplan ook KRW-maatregelen voorzien. Deze maatregelen zijn benoemd in paragraaf 3.3 van de KRW-toets. Deze maatregelen zijn niet meer beschreven in het natuurkwaliteitsplan maar hebben een positief effect op de waterkwaliteit.

De compensatie in het ’t Meertje en de oppervlakte van de (meerwaarde) maatregelen binnen de Vinkeveense plassen door de aanleg van de vissenbossen en de natuurvriendelijke oevers leiden tot het versterken van de kwaliteit en de samenhang van het NNN, onder andere door de versterking van de verbinding tussen de westelijk en zuidelijk gelegen natuurgebieden Marickenland en Demmerick met de Vinkeveense Plassen en Botshol. De verwachting is dat door het juiste beheer, binnen enkele jaren de beoogde kwaliteit van de potentiële natuur behaald wordt. Daardoor leidt het bestemmingsplan duidelijk tot een aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang. Daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de instructieregels NNN (H6 IOV). Deze uitgangspunten moeten voorkomen dat sprake is van nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken van het natuurnetwerk.

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

98

Natura 2000 Net buiten het plangebied, aan de noordwestelijke zijde van het plassengebied, ligt het Natura 2000-gebied Botshol. Botshol is een oud laagveen-verlandingsgebied met een belangrijk areaal water, dat onderdeel is van het Hollands-Utrechts veenweidegebied. Het gebied bestaat uit twee grote plassen (Grote en Kleine Wije) en een moerasgebied met veenmosrietland, broekbos en watergangen. Dit leefgebied is vanwege de bijzondere leefomstandigheden van groot belang voor het voorkomen van (bedreigde) planten en dieren, waardoor het op Europees niveau is aangewezen om deze soorten te behouden. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grote(re) afstand van het plangebied en ondervinden op voorhand geen mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen.

Afbeelding 5.6 Natura 2000-gebied Botshol (bron: provincie Utrecht)

Door Arcadis is in 2017 een Passende Beoordeling opgesteld, zie Bijlage 14. In Bijlage 15 is deze Passende Beoordeling door Antea Group aangevuld en geactualiseerd. In de passende beoordeling (Arcadis, 2017) is geconcludeerd dat – behoudens het mogelijk stikstofeffect – significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. In de actualisatie is de beperkte wijziging in instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied Botshol ook getoetst. 

Om het stikstofeffect voor de Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met de meest recente AERIUS-versie (versie 2024) (Bijlage 5):

Bestemmingsplan "Vinkeveense Plassen 2025" Vaststelling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14930761/1