CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Politieke commissie 15 januari 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Overige punten: UPLG31.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Ad a) Slechts beperkte relatie tussen bodemdaling en CO2-uitstoot De metingen laten zien dat bodemdaling en CO2-uitstoot slechts een beperkte relatie hebben (geen lineair verband). We dachten ten tijde van het schrijven van de Regionale Veenweidestrategie dat waar de bodemdaling het grootst was, ook de CO2-uitstoot het grootst zou zijn. Dat blijkt niet het geval te zijn. Bodemdaling hangt af van de dikte van veenpakketten (hoe dikker het veenpakket, hoe groter de bodemdaling). Echter, de CO 2uitstoot vindt plaats in de bovenste laag van de bodem die wordt ontwaterd ten behoeve van de landbouw. Deze ontwatering is samen met de veensoort bepalend voor de uitstoot. Dit maakt dat gebieden met een grote drooglegging maar met dunne veenpakketten soms meer CO2 uitstoten dan gebieden met dikke veenpakketten waar de peilen hoger zijn en dus minder wordt ontwaterd. Voor Utrecht betekent dit dat bijvoorbeeld Eemland - een gebied met een kleidek-op-veen bodemsoort - een soortgelijke of zelfs grotere CO2-uitstoot blijkt te hebben als de klassieke veenweidegebieden met dikke veenpakketten in Utrecht-West. Dit betekent ook dat gebieden waar geen of nauwelijks bodemdaling is de uitstoot soms juist hoog kan zijn, omdat hier wel een grote ontwatering is toegepast. Dit is een kentering in ons denken.

Vanuit de redeneerlijn van de stapeling van opgaven zien we daarmee ook dat gebieden die een grote bodemdaling kennen niet altijd de grootste uitstoot hebben en andersom. In de prioritering stelt dit ons voor nieuwe vragen, omdat met de bodemdaling ook een andere urgentie ontstaat vanuit de houdbaarheid van het hydrologisch systeem dat onder druk komt te staan door bodemdaling. Als we enkel naar uitstoot zouden kijken, zijn deze gebieden ineens niet meer het meest prioritair omdat juist in deze gebieden vaak al hoge peilen worden gehanteerd en dus minder reductie te halen is. Omdat we als overheden bodemdaling ook als doelstelling hebben, vraagt dit een zorgvuldige afweging in de priortering tussen gebieden.

59

Ad b) Kleidek op veengebieden hebben vergelijkbare uitstoot als puur veen Het NOBV heeft op verzoek van de Utrechtse waterschappen en de provincie Utrecht onderstaande toelichting gegeven op de uitstoot van kleidek op veengebieden in de provincie Utrecht. Nu de provincie deze gronden ook mee wil nemen in de opgave, ontstonden er vragen over de betrouwbaarheid van SOMERS in deze gebieden, over de uitstoot en over de invloed van het organische stofgehalte in de bodem op deze uitstoot. Het NOBV legt uit dat in vrijwel alle gebieden van Utrecht een vorm van klei in de bodem zit en dat de betrouwbaarheid van de meetgegevens net zo betrouwbaar is als in andere veenweidegebieden. Het organische stofgehalte is meegenomen in de modellen. Nader onderzoek naar organische stoffen maakt geen verschil voor de inzetbaarheid van de meetgegevens. Dit betekent dat er geen belemmering is om beleid te maken op basis van de huidige onderzoekgegevens. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: ▪

Uitstoot uit kleidek op veengebieden is substantieel In de vele meetsites op kleidek op veengebieden is substantiële uitstoot gemeten. Op basis van de bodemkaart, perceelbreedte en andere specifieke parameters is dit gemodelleerd naar uitstoot per hectare in alle klei op veengebieden. Niet alleen in Nederland, maar ook in onze buurlanden. In sommige bodems is het organisch stofgehalte in de kleilagen zo laag (<5-10%) dat de uitstoot dan wel lager is. Dit wordt dan ook meegenomen in de modellen.

▪

Betrouwbaarheid van SOMERS in kleidek op veengebieden De uitstootgegevens voor kleidek op veengebieden vanuit SOMERS zijn net zo gedetailleerd en betrouwbaar als die in andere gebieden. Het NOBV maakt gebruik van de bodemkaart van Nederland en die is net zo goed voor gebieden met kleilagen op veen als gebieden zonder kleilagen. Er zijn verschillende bodemklassen waar kleilagen op veen liggen en die kleilagen verschillen in dikte en organisch stofgehalte per bodemtype. Nederland heeft een van de meest nauwkeurige bodemkaarten van de wereld en regulier wordt deze kaart aangepast. De bodemkaart wordt in de komende decennia niet bijgesteld en hier is ook geen aanleiding toe. Het systeem van SOMERS is gebaseerd op meten en daarna modelleren. Dat is ook zo in de kleidek op veengebieden. Dat maakt dat je nu veel exacter per bodemsoort weet wat de uitstoot is dan tevoren. De uitstoot metingen van de verschillende meetmethodes (de kamers, de masten en de vliegtuigmetingen) komen allemaal overeen en zijn daarmee betrouwbaar gebleken. De metingen van de kamers en masten zijn nu ook internationaal gepubliceerd en gereviewd.

▪

Meetsites met kleidek op veen van NOBV De kleidek op veengebieden zijn net zo meegenomen in de meetsites als gebieden met puur veen. Er zijn zelfs meer meetsites met een vorm van klei in de bodem dan zonder. Het NOBV meet daarmee op allerlei verschillende kleidiktes. Vaak bevat deze klei aardig wat organische stof (10-30%), vaak afkomstig van oude geoxideerde veenlagen. Daardoor is de blootstelling aan zuurstof groot. Het is bekend uit metingen in Nederland en het buitenland dat de uitstoot in veengebieden met een kleilaag even hoog kan zijn als in pure veengebieden.SOMERS maakt gebruik van generieke kennis (mechanistisch begrip) die NOBV uit metingen in het veld en het lab haalt. Dat zetten we in voor procesmodellen. Op deze manier kunnen we uitspraken doen voor plekken waar we geen metingen doen. Het is namelijk niet mogelijk om overal broeikasgasuitstoot te meten. Nu maken we onderscheid op de basis van bodemtype, grondwaterstand, beheer etc.

▪

Organische stof in bodems maakt uit voor de uitstoot Het is technisch mogelijk met bodemmonsters organisch stof te meten, maar vanuit betrouwbaarheid of beleidskeuzes is hier geen aanleiding toe. Je zou wel tot een nog exacter beeld kunnen komen. Dat onderzoek zou je dan overal in kleigronden met veen kunnen doen. Dit onderzoek is heel kostbaar en heeft voor de inzetbaarheid van SOMERS geen meerwaarde.

60

Ad c) Effectiviteit van maatregelen De inzet van WIS en het opzetten van de slootpeilen is vanuit het NOBV een bewezen effectief instrument om de CO2-uitstoot tegen te gaan. We hebben nu inzichtelijk per type maatregel en per perceel wat het reductiepotentieel is. De rekenmethodiek SOMERS laat ons op kaart zien wat het reductiepotentieel is van elk perceel bij een bepaalde maatregel. Dit maakt het mogelijk om op kaart vast te stellen waar de inzet van welke maatregel gewenst is. In het innovatieprogramma VIP-NL worden nieuwe methoden - zoals klei-in-veen onderzocht op effectiviteit. Deze zijn echter vooralsnog niet bewezen effectief. Waterinfiltratiesystemen zijn vooral effectief als de peilen hoog zijn. Dat wil zeggen: minder dan 40 centimeter onder het maaiveld. In de praktijk blijkt ook dat boeren met een hoog peil eerder geneigd zijn om een waterinfiltratiesysteem aan te leggen. Op natte percelen kan een waterinfiltratiesysteem ook helpen om de grondwaterstand in de winter een beetje te verlagen. Wanneer een waterinfiltratiesysteem wordt aangelegd bij een te laag slootpeil werkt het systeem juist ontwaterend en loopt het water uit het perceel in plaats van erin. Het is dus essentieel dat bij de aanleg van een waterinfiltratiesysteem ook een daarbij passend, voldoende hoog peil wordt gehanteerd.

Enkel de inzet van slootpeilverhogingen werkt ook om de uitstoot te verminderen. De werkelijk gemeten uitstoot van veenweidegebieden blijkt lager dan we vanuit het modelleren dachten. De Regionale Veenweidestrategie is ook gebaseerd op basis van het ’oude’ modelleren. Destijds was de SOMERS rekenmethodiek nog niet bekend. Op basis van deze nieuwe inzichten wordt nu bekeken of het doel uit het klimaatakkoord moet worden aangepast van 1,0 Mton naar 0,7 Mton CO2-eq. Hierover wordt onderhandeld tussen het ministerie van LVVN en het ministerie van KGG. Wanneer deze nationale doelstelling wordt bijgesteld, zou dit betekenen dat ook de Utrechtse doelstelling naar beneden kan worden bijgesteld (vermoedelijk naar 0,07 in plaats van 0,09 Mton).

3. Nieuwe kennisinzichten vanuit Impactstudie Peilverhoging Groene Hart In het UPLG is één van de belangrijkste middelen om te komen tot CO 2-reductie naast de waterinfiltratiesystemen ook de peilopzet. Peilopzet heeft impact op het agrarisch bedrijf en op andere opgaven in veenweidegebieden. Recent is in het Groene Hart een verkennende studie Impactstudie verhogen grondwaterstand uitgevoerd om vast te stellen hoe we de doelen uit het Klimaatakkoord voor Veenweide kunnen bereiken. Dit is een technische oefening geweest om te kijken met welke maatregelen we doelen kunnen halen. In dit onderzoek is ook gekeken naar wat peilverhoging betekent voor verschillende andere thema's zoals wateroverlast, de Kaderrichtlijn Water, weidevogels en verdienvermogen. De belangrijkste conclusies van de studies waren: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Om CO2-doelen te halen moeten de peilen naar een (gemiddeld) niveau van 30 centimeter onder het maaiveld en is “overal” een waterinfiltratiesysteem nodig; Vernatting van de veenweiden heeft potentieel (een tijdelijk) negatief effect op de waterkwaliteit; Vernatting van de veenweiden zorgt voor meer wateroverlast bij piekbuien; Hoe waterinfiltratiesystemen optimaal kunnen samengaan met weidevogels moet verder worden uitgezocht; Vernatting van de veenweiden heeft een negatief effect op het verdienvermogen van de boer. Kanttekening hierbij is dat het model van de WUR dat de gewasgroei berekent achterloopt bij de kennis die opgedaan is over grasgroei in het veenweidegebied onder natte(re) omstandigheden. De effecten op de grasgroei lijken namelijk minder groot dan eerder werd aangenomen, zo blijkt uit praktijkproeven bij de hoogwaterboerderij in Zegveld.

4. Onderzoek inzet ruimtelijk instrumentarium voor veenweidelandbouw: toelichting vanuit juridisch kader 4.1 Achtergrond In het UPLG leggen we het principe vast dat we ook het ruimtelijk instrumentarium mogelijk willen inzetten om de bodemdaling tegen te gaan. Dit vraagt een technische uitwerking die nader onderzoek vraagt van de Taskforce Veenweide. We hanteren hierbij het juridisch instrumentarium en ruimtelijk instrumentarium dat de provincie en het waterschap tot haar beschikking heeft, ieder vanuit de eigen rol. De notie dat we als provincie

61

kunnen sturen op de aanpak van bodemdaling vanuit het ruimtelijk instrumentarium ontstond vanuit een studie gedaan door de STOWA. Dit was een studie gericht op de juridische mogelijkheden van waterschappen in het tegengaan van bodemdaling. Uit deze studie bleek dat juist provincies een rol hebben via het aanwijzen van functies in het ruimtelijk beleid, wat in samenhang met de rol van het waterschap als functionele overheid kan leiden tot het verhogen van grondwaterstanden. Dit gaat om deze studie: Juridische mogelijkheden voor waterschappen voor de aanpak van bodemdaling in veenweide (STOWA, oktober 2024). Binnen deze taakstelling heeft het waterschap wel beleidsvrijheid. Voor het nemen van een peilbesluit (art. 2.41 Omgevingswet) is het waterschap het bevoegd gezag en dient daarvoor een gemotiveerde belangenafweging te maken. Op dit moment is het voor waterschappen lastig te kiezen voor een gelijkwaardige belangenafweging omdat de landbouwfunctie primair dient te worden gefaciliteerd. Het waterschap kan een peilwijziging doorvoeren, mits een vorm van landgebruik resteert die past binnen het ruimtelijke spoor dat de provincie en de gemeente hebben bepaald.

Het is aan de provincie als ruimtelijkeordeningspartij en als algemene democratie om de regie te nemen en te sturen op de afgesproken doelen op het gebied van CO2-reductie en het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden (zie hiervoor onder meer artikel 2.3 Omgevingswet). Een functiewijziging maakt het voor waterschappen wel mogelijk om een gelijkwaardige weging van belangen te maken. De Taskforce Veenweide krijgt de opdracht om uitwerking te geven aan de mogelijke inzet van het ruimtelijk instrumentarium voor het behalen van reductie uit broeikasgassen uit veenweide. Onderstaand overzicht geeft het juridisch kader weer vanuit de verschillende eigen rollen van overheden en hoe deze rollen kunnen worden ingezet bij het behalen van reductie uit veenweide. Onderstaande informatie dient als naslagwerk en ter toelichting.

4.2 Verdiepend overzicht juridisch instrumentarium tegengaan bodemdaling Ter verdieping over de mogelijke inzet van juridisch instrumentarium het volgende: Rol van het waterschap Het waterschap is een functionele democratie. Dit houdt in dat het waterschap alleen kan handelen binnen zijn taakstelling: de doelen voor het waterbeheer (waaronder wateroverlast en ook waterschaarste zoveel mogelijk voorkomen/beperken en rekening houden met de diverse maatschappelijke functies, waaronder landbouw) met de beschikbare instrumenten. Binnen deze taakstelling heeft het waterschap wel beleidsvrijheid. Voor het nemen van een peilbesluit (art. 2.41 Omgevingswet) is het waterschap het bevoegd gezag en dient daarvoor een gemotiveerde belangenafweging te maken. Het waterschap kan een peilwijziging doorvoeren mits er een vorm van landgebruik die past binnen het ruimtelijke spoor, dat de provincie en gemeente bepaalt, mogelijk blijft. Bijvoorbeeld: een peilwijziging mag ertoe leiden dat bestaande vormen van landbouw op gronden met een agrarische functie worden beperkt, mits er nog andere vormen van landbouw mogelijk blijven. Maar als er op gronden met een agrarische functie geen landbouw meer mogelijk is, kan de peilwijziging alleen worden doorgevoerd als ook de functie (in het ruimtelijke spoor) wordt aangepast. De provincie en gemeente moeten die functiewijziging juridisch verankeren.

Rol van de provincie Het is aan de provincie als ruimtelijke-ordeningspartij om de regie te nemen en te sturen op de afgesproken doelen op het gebied van CO2-reductie en tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden (zie hiervoor onder meer artikel 2.3 Omgevingswet). Hieronder valt bovengenoemde juridische verankering van de functiewijziging. Daarnaast heeft de provincie andere instrumenten waarmee gestuurd kan worden op CO2-reductie en tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden:

62

Mogelijke inzet van de omgevingsverordening De omgevingsverordening bevat de omgevingswaarden c.q. wateroverlastnormen die de gemiddelde overstromingskans per jaar aangeven van de aangewezen gebieden (art. 2.13 lid 1 sub 1 Ow). Vernatting van veenweiden leidt tot grotere kans op wateroverlast. De bergingscapaciteit in het regionale oppervlaktewater neemt immers af bij een hoger peil. Bij de aanpak van bodemdaling in veenweiden moet het waterschap rekening houden met de provinciale normen inzake wateroverlast. Dit kan leiden tot extra maatregelen (bijvoorbeeld verbreding van watergangen). Als het niet mogelijk is om bij een peilverhoging aan de provinciale normen te blijven voldoen, dan moet het waterschap in gesprek gaan met de provincie over aanpassing van de normen. Een provincie kan in de omgevingsverordening een instructieregel richting de waterschappen opnemen over het peilbesluit in veenweidegebieden of over de regels in de waterschapsverordening over de maximale diepte voor de aanleg van drainages. Voorbeeld instructieregel peilbesluit: Bij het vaststellen van een peilbesluit in een veenweidegebied wordt rekening gehouden met de beperking van bodemdaling en het herstel van veen.

Een ander voorbeeld is een instructieregel ten aanzien van het omgevingsplan van de gemeenten dat er in overstromingsrisico-gevoelige gebieden of in bodemdalingsgebieden niet (zonder meer) gebouwd mag worden. Een instructieregel moet duidelijk onderscheiden worden van een instructie (artikel 2.33 Omgevingswet): een instructie kan pas worden gegeven wanneer het generieke interbestuurlijke toezichtinstrumentarium niet kan worden toegepast en is gericht op een specifieke kwestie. Regionaal waterprogramma (Utrechtse benaming: Bodem- en Waterprogramma) Ook het Regionaal Waterprogramma biedt mogelijkheden voor het verankeren van afspraken voor de aanpak tegengaan bodemdaling. In het regionale waterprogramma legt de provincie (onder meer) uit hoe zij de taak tot coördinatie van de gebiedsgerichte uitoefening van watergerelateerde taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen invult en uitoefent. Voor oppervlaktewaterlichamen deelt de provincie functies toe in het regionaal waterprogramma. Het regionale waterprogramma moet in ieder geval de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking toekennen aan regionale wateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water (artikel 4.4 Bkl).

De toevoeging ‘in ieder geval’ maakt duidelijk dat er ook andere maatschappelijke functies kunnen worden vastgelegd zoals zwemwater, viswater, scheepvaart of recreatie. De vastgelegde maatschappelijke functies spelen een rol bij de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de wateractiviteit (artikel 8.84 Bkl) en bij het vaststellen van peilbesluiten (in de afweging van alle betrokken belangen, die resulteert het peilbesluit tot de geldende waterpeilen). Onder een maatschappelijke functie zou dus ook natuur of veenweidegebied kunnen vallen. Dit instrument biedt dus ook mogelijkheden voor verankering van afspraken voor een maatschappelijke functie veenweidelandbouw. Dit willen we verder onderzoeken. Het spoor van ruimtelijke ordening is het meest effectieve spoor om te komen tot een geborgde aanpak. In samenhang met de andere instrumenten wordt het een geheel en wordt recht gedaan aan de instrumenten en de bedoeling van de Omgevingswet om maatschappelijke doelen te behalen. De Taskforce Veenweide krijgt de opdracht de inzet van het ruimtelijk instrumentarium gezamenlijk verder uit te werken.

Gebruikte publicaties bij deze bijlage: ▪ Rechtsorde 1 december 2024 Het waterschap voor het Natura 2000-karretje van de provincie? ▪ De onteigeningsbevoegdheid van het waterschapsbestuur onder de Omgevingswet 8 oktober 2021 ▪ De juridische (on)mogelijkheden voor het verminderen van broeikasgasemissies uit veen, H2O-online 24 augustus 2022 ▪ Stowa, Juridische mogelijkheden van waterschappen voor de aanpak van bodemdaling in veenweiden, 2024

63

Bijlage X. Landbouw 1. Beschrijving van de landbouw in de provincie Utrecht Utrecht is een provincie met veel blijvend grasland en een klein areaal fruitteelt en akkerbouw in vergelijking met andere provincies. In onze provincie vinden binnen de landbouw uiteraard dezelfde ontwikkelingen plaats als op landelijk niveau. Zo worden bedrijven groter en neemt het aantal bedrijven af. In de veehouderij zien we met name een vermindering in het aantal pluimvee en varkens als gevolg van opkoopregelingen. Om een goed beeld te krijgen van de huidige landbouw binnen onze provincie volgt hier een overzicht van de volgende aspecten: ▪ De aantallen bedrijven en het grondgebruik; ▪ De aantallen dieren en de veedichtheid; ▪ Economie en werkgelegenheid; ▪ De economische omgeving van boeren in de afgelopen 70 jaar.

1.1 Aantal bedrijven en grondgebruik

Figuur 9. Aantal land- en tuinbouwbedrijven in de provincie Utrecht (Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research)

Het grootste deel van het areaal cultuurgrond in Utrecht bestaat uit blijvend grasland (figuur 10). In 2023 ligt in de provincie Utrecht bijna 50.000 hectare blijvend grasland. Daarnaast heeft de provincie ruim 10.000 hectare tijdelijk grasland (grasland dat elke 4 tot 5 jaar wordt omgeploegd) en natuurlijk grasland. Voedergewassen voornamelijk snijmais - vormen qua omvang de derde gewasgroep. Fruitteelt vindt plaats op ongeveer 2.000 hectare. Ditzelfde areaal is in gebruik voor akkerbouw. In Utrecht is deze sector dus zeer gering van omvang. De kleine toename van 205 bedrijven in 2019 ten opzichte van 2018 wordt verklaard omdat toen de gemeente Vijfheerenlanden is ontstaan, met daarin enkele voormalig Zuid-Hollandse gemeenten.

64

Figuur 10. Areaal cultuurgrond naar gewasgroep in de provincie Utrecht (Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research)

1.2 Aantallen dieren en veedichtheid In figuur 11 is voor vier diersoorten het verloop van het aantal dieren tussen 1973 en 2023 weergegeven. Daarbij valt vooral de grote daling na 1993 op van het aantal gehouden vleesvarkens. De toename van het aantal melkkoeien tussen 2013 en 2023 is te verklaren door de uitbreiding van de provincie met de gemeente Vijfheerenlanden in 2019. Het aantal leghennen en vleeskuikens in de provincie is tussen 1973 en 1993 met respectievelijk 90% en 15% toegenomen. Sinds 2010 is het aantal leghennen redelijk stabiel. Het aantal vleeskuikens is nog wel flink toegenomen. Dit blijft echter een kleine sector. In 2023 werden circa 1,5 miljoen leghennen en ruim 400.000 vleeskuikens gehouden.

Figuur 11. Aantal dieren per diercategorie in de veehouderij, exclusief pluimveehouderij (Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research)

65

Zoals vrijwel in heel Nederland neemt ook in Utrecht de schaalvergroting toe. Het aantal bedrijven met minder dan 50 melkkoeien neemt af van ruim 26.000 in het jaar 2000 naar iets meer dan 6.000 in het jaar 2023. In 2023 waren de meeste koeien te vinden op bedrijven met tussen de 50 en 100 melkkoeien. Het aantal bedrijven met 250 melkkoeien of meer stijgt ook. De gemiddelde intensiteit op de melkveebedrijven in Utrecht is 2,19 grootvee eenheid (GVE)/ha. Dat is net iets boven het Nederlandse gemiddelde van 2,13 GVE per hectare. In het oosten van Utrecht is de melkveehouderij intensiever dan in het westen. De landbouwstructuur in het westen en oosten van de provincie verschillen overigens duidelijk van elkaar. Het overgrote deel van de landbouwbedrijven in het westelijk deel van Utrecht (met name het veenweidegebied) bestaat uit melkveebedrijven. De hokdierbedrijven zijn met name geconcentreerd in het oosten van de provincie.

1.3 Economie en werkgelegenheid In de provincie Utrecht is de economische betekenis van de landbouwsector relatief klein ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde. Relatief gezien heeft de Utrechtse (primaire) landbouwsector van alle provincies zelfs de kleinste (financiële) toegevoegde waarde aan het Bruto Regionaal Product (BRP). Dit is niet verrassend, gezien de mate van verstedelijking in Utrecht en een economie die grotendeels is opgebouwd uit dienstensectoren. Op het niveau van de regio’s binnen de provincie Utrecht heeft Utrecht-West - het Veenweidegebied van het Utrechts Groene Hart - relatief de grootste primaire landbouwsector. In de provincie Utrecht werkten in 2022 ongeveer 8.180 mensen in de primaire landbouw. Dit is iets meer dan 1,0% van de totale Utrechtse werkgelegenheid (bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register). De werkgelegenheid in de landbouw ligt hiermee lager dan het gemiddelde in Nederland, dat is namelijk ongeveer 2,1% (CBS, 2021). Van de Utrechtse landbouwbanen zit 60% in de veeteelt, waarvan weer ruim twee derde in de melkveehouderij. Hier volgen nog enkele belangrijke kentallen van de Utrechtse landbouw: ▪ ▪ ▪

▪

▪

Oppervlakte landbouwgrond: De primaire agrarische bedrijven hebben ruim 70.000 hectare grond in gebruik. De totale oppervlakte van de provincie is 150.000 hectare. Beweiding: Bijna 93% van de melkveebedrijven in Utrecht past beweiding toe. Dit is aanzienlijk meer dan het landelijk gemiddelde van ruim 82%. Bedrijfsopvolging: Bijna 40% van de bedrijven heeft een bedrijfshoofd ouder dan 50 jaar zonder opvolger. Dit is vergelijkbaar met de rest van Nederland. Deze potentiële stoppers hebben 29% van het landbouwareaal in gebruik (ruim 20.000 hectare). Biologische landbouw: In 2020 had Utrecht 124 landbouwbedrijven met een biologische bedrijfsvoering. Tussen 2016 en 2020 is het aandeel biologische bedrijven gegroeid van 3,4% naar 5,3%. Dit is beduidend hoger dan het landelijk gemiddelde van 3%. Vooral de hokdierbedrijven springen eruit: één op de vijf hokdierbedrijven is een biologisch bedrijf. Het gaat hierbij met name om leghennenbedrijven. Verbreding: Verbredingsactiviteiten spelen een belangrijke rol op de landbouwbedrijven in Utrecht. In 2023 hadden 1.494 bedrijven één of meer verbredingsactiviteiten, oftewel 66% van het totaal. Landelijk is dit percentage met 43% aanzienlijk lager. In Utrecht was in de periode 2016-2023 sprake van een sterke stijging van het aantal bedrijven met verbreding (meer dan 600 bedrijven).

Bijna 16% van alle bedrijven (373 bedrijven) zet (een deel van hun) producten af via een korte keten (2022). Dit betekent een groei van 45% tussen 2017 en 2023. Het aantal bedrijven met afzet in de korte keten is het hoogst bij de melkveebedrijven, gevolgd door de fruitbedrijven. Ook nam het aantal bedrijven met agrarisch natuurbeheer en stalling van goederen en dieren toe. Natuurbeheer is de meest voorkomende activiteit: 38% van de boeren doet aan natuurbeheer. Bij 9% van de Utrechtse boeren zorgen verbredingsactiviteiten voor meer dan de helft van de totale omzet.

66

1.4 De economische omgeving van boeren is ingrijpend veranderd De landbouw is belangrijk voor voedselproductie, voor werkgelegenheid, voor sociale cohesie op het platteland en voor het beheer van het landschap. Het is in de praktijk voor boeren niet gemakkelijk om behalve voor gezond voedsel ook te zorgen voor een gezonde leefomgeving. Voor het geproduceerde voedsel wordt de boer uiteraard betaald, voor veel van de andere ‘producten’ die van de boer worden gevraagd is dat niet, of slechts in beperkte mate, het geval. In onderstaande grafiek zijn de prijsontwikkelingen van landbouwproducten en productiemiddelen voor de melkveehouderij sinds 1955 weergegeven (let wel: het betreft indexcijfers van reële prijzen waarbij 1955 op 100 is gezet).

Figuur 12. Prijsontwikkelingen van landbouwproducten en productiemiddelen voor de melkveehouderij. (Bron: Foodlog).

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Arbeid werd in de periode 1955 tot 1994 in reële termen ruim 4x zo duur. Dat noopte boeren arbeid te vervangen door machines, (onder meer melkmachines), om over te schakelen naar grotere loopstallen en de productie per hectare en per koe te verhogen door meer kunstmest resp. veevoer (veelal mais en krachtvoer) aan te kopen en over te schakelen op productievere koeien. Grond is sinds 1955 gecorrigeerd voor inflatie maar liefst 6 x zo duur geworden. Ook dat dwong de boeren om hun grond steeds intensiever te gebruiken. Dat konden ze doen door de productie per hectare te verhogen en/of door meer dieren per hectare te houden. Dat bood hun ook extra koopkracht op de grondmarkt, waardoor de prijzen nog verder stegen. Andere oorzaken waren grondaankopen voor woningbouw, infrastructuur, bedrijventerreinen en natuurgebieden. Bij langdurig stijgende grondprijzen hielden veel stoppende boeren hun grond lang vast, wat ook fiscaal aantrekkelijk was. Bovendien stapten dan beleggers in, die de grondprijzen nog verder opdreven. Ook stoppende boeren werden beleggers door hun grond nog lang vast te houden te verhuren. Wat boeren bij de intensivering van pas kwam is dat kunstmest en veevoer juist goedkoper werden. De reële kunstmestprijs daalde in de periode van 1955 tot 2000 met 77%.

In de jaren daarna volgde een lichte stijging tot 2019/21, gevolgd door een knik omhoog tot 72% van de prijs van 1955. De reële prijs van veevoer daalde tussen 1955 en 2001/03 zelfs met 86%. Die daling was mogelijk door de import van goedkope veevoergrondstoffen van overzee, stimuleerde de intensivering van de melkveehouderij en legde de basis voor een stormachtige groei van de intensieve veehouderij. En de productprijzen? Sinds 1965 daalde de reële opbrengstprijs van melk gestaag met 62%. Dat was het gevolg van innovatie en de kostprijsverlaging die mogelijk werd door prijsdaling van kunstmest en veevoer, arbeidsbesparing, ligboxenstallen, etc. Op de grotere Europese markt was de veehouder gedwongen om te innoveren, genoegen te nemen met een lager inkomen of te stoppen. Diesel geeft een meer wisselend beeld, maar werd ruim 3x zo duur. Boeren reageerden op deze veranderde prijsverhoudingen door zich aan te passen, met schaalvergroting en intensivering als onvermijdelijk gevolg.

67

2. Kritische Prestatie Indicatoren van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw De Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw is het belangrijkste instrument dat in Utrecht wordt ingezet om verduurzaming van de landbouw te ondersteunen. Deze monitor is beschikbaar voor de melkveehouderij en de fruitteelt. De UMDL 2025-2028 werkt op basis van vrijwilligheid via doelsturing op basis van zogenaamde ‘Kritische Prestatie Indicatoren’. Voor de UMDL gericht op de melkveehouderij is een integrale set van 15 KPI’s ontwikkeld. Hierbij is samengewerkt met de provincies Drenthe en Noord-Brabant, samen met de provincie Utrecht voorlopers bij de invoering van de KPI-systematiek. Ook is afstemming gezocht met het landelijke KPI-K (KPI-kernset) traject, maar dat is nadrukkelijk nog in ontwikkeling. De KPI’s gaan onder andere over het integraal terugdringen van emissies naar bodem, water en lucht. De indicatoren zijn gericht op emissies per hectare en niet per liter melk. Ook de inspanningen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vertaald naar drie groene KPI's (kruidenrijk grasland, natuur en landschap en groenblauwe dooradering). KPI 15: sociaal-maatschappelijke activiteiten (en lokale betrokkenheid), is uniek voor Utrecht. De streefwaarden zijn de doelen voor 2035. Een melkveehouder kiest zelf aan welke KPI’s hij/zij werkt.

Meer achtergrondinformatie over de UMDL en de KPI’s is opgenomen in de brochure ‘Utrechtse Melkveehouders Boeren Beter’.

68

Bijlage XI. Kaarten Kaart 1: Landschappen

69

Kaart 2: Zoekgebieden waterberging

70

Kaart 3: 10% laagste delen van de polders

71

Kaart 4: Ligging beken

72

Kaart 5: Natura 2000 + overgangsgebieden

73

Kaart 6: Stikstofzonering

74

Kaart 7: Duiding NNN en Groene Contour N.B. De begrenzing op deze kaart is volgens de meest recente wijziging Omgevingsverordening.

75

Kaart 8: Essentiële percelen natuur

76

Kaart 9: Weidevogelgebieden N.B. de ecologisch kansrijke locaties voor weidevogelgrasland betreffen gebieden waar areaaluitbreidingen het meest kansrijk zijn vanuit ecologische potenties. In het proces om tot zoekgebieden te komen, worden andere opgaven meegenomen.

77

Kaart 10: CO2-uitstoot Veenweiden

78

Kaart 11: Bodemdaling Veenweiden

79

Kaart 12: Stapelkaart Veenweiden

80

Kaart 13: Landschappelijke positionering

81

Kaart 14: Landschappenkaart geïllustreerd

82

Kaart 15: Begrenzing van de negen UPLG-deelgebieden in relatie tot de vijf landschappen

83

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16491645/1