CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Politieke commissie 15 januari 2026, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Overige punten: UPLG31.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5. Specificering doelen bos Hieronder volgt een verdere specificering van de doelen uit het Strategisch Bosbeleid van de provincie Utrecht en de landelijke bossenstrategie ‘Bos voor de toekomst’. 1. Bosrealisatie conform het Strategisch Bosbeleid Realisatie nieuw bos in 2040 Binnen NNN Buiten NNN Boscompensatie N2000

Aantal ha 948 500 52

39

Totaal

1500

Tabel 16

2. Aantal hectare nieuw bos binnen het NNN in 2040 Realisatie nieuw bos in NNN Aantal ha Nog te realiseren NNN 320 Omvorming 180 Groene contour 448 Totaal 948 Tabel 17

3. Aantal ha nieuw bos buiten het NNN in 2040 In deze ambities zijn de mogelijkheden op gronden van rijkspartijen en de mogelijkheden voor realisatie van bos in de beekdalen meegenomen. Realisatie nieuw bos buiten NNN Groene dooradering Agroforestry Rondom steden en dorpen Totaal

Aantal ha 120 300 80 500

Tabel 18

4. Aantal ha nieuw bos bovenwettelijke compensatie in 2040 Realisatie Boscompensatie Natura-2000 Boscompensatie Natura-2000 Totaal

Aantal ha 52 52

Tabel 19

5. Bijdrage bosuitbreidingen aan VHR in 2030 en 2050 Bostype

Totaal nieuw areaal bos 2030

Totaal nieuw areaal bos 2050

Vochtige bossen (N14)

19

91

Droge bossen (N15) Bossen met productiefunctie (N16) Totaal

5 15

45 57

39

193

Tabel 20

6. Omvorming van bos naar andere natuur in het kader van N2000 maatregelen. Deze hectares worden gecompenseerd. Locatie Legakkers Tienhoven Weidevogelgebied Botshol Zouweboesem Totaal

Aantal ha 4 0,7 0,85 5,55

Tabel 21

40

Bijlage VII. Hoofdstructuren in de provincie Utrecht 1. Inleiding Naast de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen onderscheidt de provincie Utrecht een aantal belangrijke hoofdstructuren. Deze structuren doorkruisen en verbinden de verschillende landschappen binnen de provincie en de aangrenzende regio’s. Ze zorgen voor herkenbaarheid en samenhang, kennen meestal een lange historie en zijn vaak onderdeel van belangrijke routes voor mensen en/of flora en fauna. Deze hoofdstructuren zijn daarom ook vastgelegd in de Omgevingsvisie. Voor het UPLG zijn de volgende hoofdstructuren het meest relevant: 1. Bodem- en watersysteem; 2. Samenhangend groot natuursysteem; 3. Groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur; 4. Cultuurhistorische hoofdstructuur. Deze paragraaf geeft een beschrijving en ontwikkelrichting voor de toekomst van deze structuren. Een uitgebreide toelichting staat in de ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat we inzetten op: ▪ Een blijvend robuust bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) dat veerkrachtiger kan omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte; ▪ Ruimtelijke ontwikkeling en huidige inrichting zijn gebaseerd op het bodem- en watersysteem en zijn voorbereid op het veranderende klimaat, en waarbij de juiste functie en gebruik op de juiste plek ligt.

De ondergrond wordt duurzaam gebruikt en in samenhang met de bovengrondse opgaven bekeken. ▪ Een samenhangend groot natuursysteem; ▪ De ontwikkeling van een groenblauwe en recreatieve structuur; ▪ Het beschermen en benutten van de aanwezige waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur als dragers en aanjagers van de omgevingskwaliteit, waarbij ook de kwaliteiten van de Hollandse Waterlinie en de Limes worden verzilverd.

2. Een blijvend robuust bodem- en watersysteem Het bodem- en watersysteem vormt van nature -letterlijk- de basis voor onze leefomgeving. Het functioneert als één samenhangend systeem. De verschillende landschapstypen in Utrecht zijn ontstaan vanuit verschillen in het bodem- en watersysteem, waaraan het landgebruik zich heeft aangepast. In vogelvlucht zijn in Utrecht drie bodemtypen, onderliggend aan de landschapstypen, met verschillende uitdagingen: ▪ Het veenweidegebied in het westen wordt gekenmerkt door veen en klei/kleidek -op-veengronden. De bodem is hier door eeuwenlange ontwatering voor landbouwkundig gebruik sterk gedaald, waardoor het waterbeheer steeds complexer is geworden. Maar ook een gebruiksfunctie als wonen breidt zich hier steeds meer uit naar plekken waar de ondergrond hiervoor eigenlijk minder geschikt is. ▪ De bodems langs de rivieren - zoals in het Kromme Rijngebied - bestaan voornamelijk uit klei en zijn daarmee vruchtbare landbouwgronden. De rivieren en kanalen zelf zijn van belang vanwege de aanen afvoer van water en voor de scheepvaart. Langs de rivieren wordt continu gewerkt aan dijkversterking om het achterland te beschermen tegen overstromingen. Daarbij wordt steeds vaker ruimte teruggegeven aan riviernatuur.

▪ De zandgronden van de Heuvelrug en de beekdalen in de Gelderse Vallei kennen grote hoogteverschillen en landschappelijke en ecologische gradiënten. De Heuvelrug bevat een belangrijke grondwatervoorraad voor drinkwater, industrie, natuur en landbouw. Hier moeten we steeds zorgvuldiger mee omgaan vanwege de gevolgen van klimaatverandering én een toenemende vraag. Het uittredende kwelwater aan de voet van de Heuvelrug en in de beekdalen bieden in principe goede omstandigheden voor zeldzame en waardevolle natuurdoeltypen. Hier liggen dan ook meerdere Natura2000 gebieden. Echter, de hydrologische condities voldoen op dit moment in de meeste gebieden niet aan de eisen die de voor de regio kenmerkende natuur stelt.

41

In ons laaggelegen land is het oppervlaktewatersysteem van groot belang om water te kunnen aan- en afvoeren. Tegelijk biedt het ook een groot blauw netwerk voor watergebonden natuur als leefgebied én verbindingsroute voor planten en dieren. Ecologisch gezonde wateren en robuuste groenblauwe verbindingen zijn in toenemende mate belangrijk voor de natuur vanwege de klimaatverandering en andere drukfactoren. Als populaties bijvoorbeeld worden bedreigd door droogte of een tijdelijk slechte waterkwaliteit, dan kan herstel vanuit andere gebieden plaatsvinden. De grootste blauwe ader binnen de provincie Utrecht is de Neder-Rijn, die bij Wijk bij Duurstede overgaat in de Lek. Deze loopt in de oost-west richting langs de Utrechtse Heuvelrug, door het rivierenlandschap en het veenweidegebied. De Neder-Rijn wordt aan de noordzijde begrensd door het stuwende karakter en de voeding met kwel van de hoger gelegen Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Hierdoor is de rivierdynamiek van de NederRijn getemperd en zijn de uiterwaarden nat. De Neder-Rijn en de Lek maken samen met het AmsterdamRijnkanaal onderdeel uit van het Nederlandse hoofdwatersysteem dat wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Zij zijn belangrijk voor de zoetwatervoorziening van een groot deel van het Utrechtse grondgebied. In het voorjaar en de zomer wordt water vanuit het hoofdwatersysteem en de boezem ingelaten in de polders.

Het water wordt gebruikt om verdamping te compenseren en gewassen en natuur van voldoende water te voorzien. In de meest noordwestelijk gelegen delen van de provincie wordt ook water aangevoerd om zout grondwater tegen te houden en weg te spoelen. Met name in het westen van de provincie liggen veel (laaggelegen) polders met een fijn netwerk van sloten om water te kunnen aan- en afvoeren. In een afvoersituatie wordt het regenwater via poldergemalen geleid naar de boezem en het hoofdwatersysteem. De boezem bestaat uit de grotere regionale watergangen die worden beheerd door de waterschappen. Voorbeelden zijn de Eem, de Kromme Rijn, de Oude Rijn, de Amstel en de Hollandse IJssel. Het boezemsysteem en hoofdwatersysteem liggen veelal hoger in het landschap dan de omliggende (veenweide)polders. Dit als gevolg van het inklinken van de bodem. In het oosten van de provincie wordt het water afgevoerd via beeksystemen, die veelal hun oorsprong hebben in de provincie Gelderland op de Veluwe. Na de decennialange intensivering van het landgebruik worden nu steeds meer watergangen ecologisch beheerd en wordt het belang van natuurvriendelijke oevers gezien. Door te werken aan een toekomstbestendig robuust watersysteem, bouwen we aan een provincie die op de lange termijn bestand is tegen weersextremen zoals droogte of wateroverlast.

Water is daarbij dan dus het verbindende element dat zowel dienend is aan de landbouw als aan de natuur.

42

Kaart G1. Bodem- en watersysteem

Kaart G2. Doorsnede van het bodem- en watersysteem

43

3. Samenhangend groot natuursysteem Onze provincie heeft een netwerk van een aantal grote en zeer verschillende typen natuursystemen, namelijk: ▪ Het rivierengebied (dynamische natuur van rivier met uiterwaarden); ▪ De veenweidegebieden Groene Hart en Eemland (agrarische natuur met weidevogels en moerassen en plassen); ▪ De Utrechtse Heuvelrug en flanken (bos, heide, landgoederen en kwelafhankelijke natuur). De kern van ons natuurbeleid is het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het behouden en herstellen van de biodiversiteit. Bestaande natuurgebieden (Natura2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden om die reden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden. De ambitie van de provincie Utrecht is om het netwerk van natuurgebieden zo te ontwikkelen dat natuurgebieden en populaties niet meer geïsoleerd zijn. Dit robuuste netwerk draagt niet alleen bij aan het behoud en herstel van het overgrote deel van de van nature in Nederland voorkomende planten- en diersoorten, maar is ook noodzakelijk om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan. Op kaart H robuuste natuurverbindingen staan de robuuste structuren met de beoogde - deels bestaand en deels nog te realiseren - robuuste ecologische verbindingen tussen de grote natuureenheden: de Utrechtse Heuvelrug, het rivierengebied en de moerasgebieden van het Groene Hart.

Een deel van de grote natuurverbindingen - bijvoorbeeld over de Utrechtse Heuvelrug - krijgt door de ontwikkelrichting van dit landschap een directe kwaliteitsimpuls. Andere grote natuurverbindingen vragen extra aandacht. Zo wordt de ecologische verbinding langs de rivieren versterkt door natuurherstel van de Natura 2000-gebieden langs de Neder-Rijn. Dit geldt echter niet voor alle uiterwaarden, zodat geen aaneengesloten verbindingszone ontstaat. Een robuuste natuurverbinding langs de rivier vraagt daarom ook op de andere plekken aandacht.

Kaart H. Robuuste natuurverbindingen

44

4. Groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur De leefomgeving van de provincie Utrecht biedt veel kansen voor een gezond leven. Onze steden en dorpen worden omringd door groene landschappen. Een schone en rustige omgeving is vaak nabij. De provincie heeft een samenhangend groenblauw hoofdroutenetwerk om te wandelen, fietsen en varen (zie kaart I, groenblauwe recreatieve hoofdstructuur). Dit netwerk verbindt onze woon-, werk- en leefgebieden met aantrekkelijke recreatiegebieden, fraaie landschappen en prachtige natuurgebieden in het landelijk gebied. De verwachte bevolkingsgroei en verstedelijking in onze provincie zal echter voor een nog intensiever gebruik van dit netwerk zorgen. Verdere (door)ontwikkeling van de robuuste groenblauwe en recreatieve structuren is daarom belangrijk. Deze structuren lopen in belangrijke mate langs bestaande doorgaande waterlopen in de provincie en omvatten ook de Utrechtse Heuvelrug. Deze groenblauwe en recreatieve verbindingen zijn uitermate geschikt om de UPLG-opgaven zoals groenblauwe dooradering, nieuw bos, biodiversiteit en klimaatadaptatie te combineren met recreatie. Ook voor de productie van regionaal voedsel bieden deze verbindingen kansen, omdat de agrarische bedrijven goed bereikbaar zijn voor consumenten uit de stad. Veel van deze verbindingen lopen langs bestaande waterlopen.

Zo is het natuurherstel langs de Grift ten behoeve van het Natura2000-gebied Binnenveld te combineren met het verder beleefbaar maken van de bijzondere hooilanden die hier liggen. De voorbeeldprojecten Hollandse IJssel, Kromme Rijn Linielandschap en Zuidelijke Eemvallei combineren water-, natuur- en klimaatopgaven met recreatie, onder om deze robuustere groenblauwe verbindingen en gebieden aan te sluiten op de Hollandsche IJssel, de Kromme Rijn en de Eem. Bij de Zuidelijke Eemvallei worden bijvoorbeeld stad en land meer verbonden door versterking en aanleg van groenblauwe verbindingen langs de Eem, de Malewetering en een bestaand landgoed.

Kaart I. Groenblauwe recreatieve hoofdstructuur

5. Cultuurhistorische hoofdstructuur De provincie hecht waarde aan het bewaren en zichtbaar houden van haar rijke historie. De cultuurhistorische waarden van de leefomgeving willen wij beschermen en benutten, door deze beter zichtbaar en beleefbaar te maken en door ze te gebruiken als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. We hebben in de Omgevingsvisie en in de Omgevingsverordening een aantal landschappelijke ensembles en structuren aangewezen waarvoor bijzondere aandacht nodig is. Deze omvatten samen de cultuurhistorische hoofdstructuur (zie kaart J, cultuurhistorische hoofdstructuur).

45

In deze cultuurhistorische hoofdstructuur leggen we de nadruk op gebieden die gemeentegrenzen overstijgen, te weten: ▪ Zones met historische buitenplaatsen; ▪ Militair erfgoed; ▪ Agrarische cultuurlandschappen; ▪ Archeologisch waardevolle zones; ▪ Historische infrastructuur. Daarnaast zijn de UNESCO Werelderfgoederen ‘De Hollandse Waterlinies’ en ‘De Neder-Germaanse Limes’ in deze cultuurhistorische hoofdstructuur opgenomen. We willen dit erfgoed behouden, benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en inzetten voor het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Door het tijdig meenemen van erfgoed bij ruimtelijke ontwikkelingen en door een goede integrale samenwerking kunnen de kansen die erfgoed biedt maximaal worden benut. De historische buitenplaatszones liggen veelal in de kwelrijke gebieden rondom de Utrechtse Heuvelrug. De agrarische cultuurlandschappen liggen vooral in de Veenweidegebieden. Voor de laaggelegen Grebbelinie en Hollandse Waterlinie was de aanwezigheid van water een vereiste vanwege defensiedoeleinden. Al vanuit de historie dragen deze cultuurhistorische gebieden bij aan een robuust bodem- en watersysteem en een samenhangend groot natuursysteem.

De cultuurhistorische hoofdstructuur - inclusief het UNESCO Werelderfgoed ‘De Hollandse Waterlinies’ en ‘De Neder-Germaanse Limes’ - heeft daarmee een overwegend groenblauw karakter en omvat bovendien ook nog eens een groot deel van het Utrechtse grondgebied. De cultuurhistorische hoofdstructuur draagt in belangrijke mate bij aan: ▪ Meerdere natuur-, water- en klimaatdoelen uit het UPLG; ▪ De groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur; ▪ Onze inzet op een robuust bodem- en watersysteem; ▪ Een daarmee samenhangend groot natuursysteem.

Kaart J, cultuurhistorische hoofdstructuur

46

Bijlage VIII. Stikstof 1. Waarom is het van belang om ook als provincie te sturen op stikstofreductie? 1.1 Inleiding Ondanks de inspanningen van veel bedrijven en het reduceren van hun emissies in de laatste jaren is het stikstofprobleem complexer geworden en de opgave niet voldoende kleiner. Dit heeft diverse oorzaken, zoals (innovatieve) maatregelen die minder bleken op te leveren dan verwacht, nieuwe wetenschappelijke onderzoeken over de stikstofgevoeligheid van bepaalde habitattypen, het uitblijven van de noodzakelijke generieke maatregelen vanuit het Rijk, en last but not least gerechtelijke uitspraken (met name de Raad van State uitspraken over intern salderen van 18 december jl, en de uitspraak in de Greenpeace-zaak van 22 januari jl.). Met die laatste uitspraken wordt de al enorme opgave nog verder aangescherpt. Vooral het niet kunnen verlenen van een vergunning voor stikstofreducerende maatregelen door het ontbreken van een totaalbeleid gericht op het bereiken van natuurherstel maakt dat op veel plekken de vooruitgang heel moeilijk is geworden. We kunnen als provincie wel wijzen naar het Rijk, maar we hebben ook een eigen verantwoordelijkheid en de tijd dringt.

Zelf maatregelen nemen om emissies te verminderen draagt bij aan het behalen van Natura 2000 instandhoudings- en de onderbouwing van additionaliteit, en daarmee aan het (op termijn) mogelijk maken van duurzame vergunningverlening. Bovendien zijn stikstofreductie en hydrologisch herstel essentieel voor het voorkomen van (verdere) verslechtering, het mogelijk maken van natuurherstel en het behalen van instandhoudingsdoelen voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het is daarmee ook een randvoorwaarde om ontwikkelingen weer mogelijk te blijven maken. Meer juridisch geborgde stikstofreducerende maatregelen zijn dus nodig. De juridische borging is van groot belang om additionaliteit te kunnen aantonen en weer vergunningen te kunnen verlenen in de toekomst. Hierbij geldt; hoe steviger de geborgde stikstofreductie en maatregelen op andere drukfactoren, hoe sneller we uit de huidige juridische onzekerheid raken. Met borging wordt in dit kader bedoelt dat het behalen van de doelen in wet- en regelgeving onontkoombaar gemaakt wordt, daarnaast zullen ook de eventueel benodigde financiële middelen beschikbaar moeten zijn voor een gedegen borging. In onze aanpak in dit UPLG richten we ons op het bereiken van de additionaliteit of tenminste het doen van onze proportionele bijdrage daaraan.

Voor sommige gebieden met zeer stikstofgevoelige habitattypen zijn we ook afhankelijk van wat andere provincies en/of het Rijk aan maatregelen uitvoert.

1.2 Additionaliteit Het additionaliteitsvereiste is door de Raad van State bevestigd in de uitspraak van 29 mei 2019 die de stikstofcrisis veroorzaakte. Vrijkomende stikstofruimte mag alleen gebruikt worden voor de verlening van vergunningen, als vaststaat dat die niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en perspectief te houden op herstel. Als gevolg van verschillende uitspraken van de Raad van State is steeds duidelijker geworden dat er eerst stikstofreductie plaats moeten vinden ten behoeve van natuurherstel voor er stikstofruimte ingezet kan worden voor vergunningverlening. Dit geldt zowel voor intern- als extern salderen. Feitelijk is er geen stikstofruimte te verdelen tot aannemelijk gemaakt kan worden hoe natuurherstel gaat plaatsvinden. Daarom is er een totaalplan nodig die benoemd welke maatregelen gaan zorgen voor natuurherstel. Pas dan weten we welke ruimte additioneel is aan dit natuurherstel en kan die additionele ruimte gebruikt worden voor vergunningverlening aan andere activiteiten. Zonder dat duidelijk is welke stikstofreducties gaan zorgen voor natuurherstel is in de kern iedere stikstofreductie geschikt om bij te dragen aan natuurherstel en voldoet deze dus niet aan het additionaliteitsvereiste. Er wordt al reductiebeleid gevoerd onder andere in de vorm van opkoopregelingen en andere maatregelen.

Deze regelingen leveren gezamenlijk nog niet de benodigde reductie van stikstofdeposities en daarmee de borging van het natuurherstel. Het niet volledig duidelijk hebben van de maatregelen die leiden tot natuurherstel staat daardoor de vergunningverlening ernstig in de weg op dit moment. De verschillen, ook binnen een provincie als Utrecht zijn groot. Voor sommige stikstofgevoelige habitattypen is nu de additionaliteit al te onderbouwen omdat de KDW al is of wordt bereikt. Voor andere habitattypen geldt dat de stikstofnorm zeer fors wordt overschreden en in een enkel geval 3 maal de KDW bedraagt. Voor

47

dergelijke habitattypen zitten we nog heel ver af van natuurherstel en het kunnen onderbouwen van additionaliteit. De vraag is vervolgens waar de provinciale sturing zich op gaat richten en hoe de sturing, monitoring en borging plaats gaat vinden. In het ontwerp-NPLG waren richtinggevende emissiedoelen per provincie geformuleerd. Deze waren gebaseerd op wat nodig is om de wettelijk vastgestelde omgevingswaarden uit de Omgevingswet te realiseren. Bij de voor 2035 geldende omgevingswaarde (74% van het areaal stikstofgevoelig habitat onder de kritische depositiewaarde (KDW) hoorde een reductie van de ammoniakemissies met 50% op nationaal niveau ten opzichte van 2019. Voor Utrecht was dit door RIVM vertaald in 46% emissiereductie (van NH3 uit de landbouw) in 2035 ten opzichte van 2019, i.e. een reductie van 2,359 kton. Inmiddels is uit onderzoek duidelijk geworden dat de stikstofgevoeligheid van een aantal habitattypen groter is dan eerder gedacht en dat de deposities hoger zijn dan eerder werd aangenomen. Op basis van metingen wordt het model jaarlijks herijkt. Hierdoor weten we dat er meer dan 50% reductie nodig zal zijn om landelijk gemiddeld die 74% onder KDW te halen. Het Rijk heeft intussen het NPLG gestopt en vervangen voor een aanpak “Ruimte voor Landbouw en Natuur” (RLN).

Het in april 2025 gepresenteerde Startpakket Nederland van het slot beoogt 42-46% reductie van ammoniakemissies van de landbouw en 50% reductie van overige sectoren. Een reductieopgave per provincie kent dit startpakket nog niet. Verder is het Rijk voornemens om de omgevingswaarden uit de wet te schrappen. Het schrappen van de omgevingswaarden in de wet heeft geen betekenis voor vergunningverlening of natuurherstel. Zowel het Rijk als provincies zijn als gevolg van artikel 6 van de habitatrichtlijn verplicht maatregelen te treffen die nodig zijn om verslechtering tegen te gaan en voor het behalen van instandhoudingsdoelen Natura 2000. Relevante artikelen uit de Habitatrichtlijn Artikel 6 Lid 1 De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

Lid 2 De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. Lid 3 Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Figuur 3. Relevante artikelen uit de Habitatrichtlijn

Omdat de wettelijke omgevingswaarden op het moment van schrijven nog steeds gelden en we als provincie ook stappen willen zetten richting natuurherstel en toekomstige vergunningverlening houden wij vast aan het reductiedoel uit de handreiking NPLG. Om natuurherstel te bereiken zal naar verwachting meer nodig zijn dat genoemde reductie, maar als Utrecht doen we tot 2035 hiermee onze proportionele bijdrage aan natuurherstel. Daarnaast hebben we de uitdrukkelijke wens om bestaande vergunningen te kunnen beschermen tegen intrekkingsverzoeken en ook handhavingsverzoeken tegen bijvoorbeeld PAS-melders af te kunnen wijzen. Dit doel bereiken we niet zonder te sturen op een forse emissiereductie, bovendien moet de reductie geborgd worden, ze moeten onontkoombaar gehaald worden. Ondertussen weten we uit emissiecijfers sinds 2019 en prognoses van PBL dat er al reducties behaald zijn en de verwachte reducties de komende jaren groot zullen zijn o.a. als gevolg van het stoppen van derogatie en diverse opkoopregelingen. Welke doelen ook nagestreefd worden, het is duidelijk dat de reductie-opgave zeer fors is. Een aanzienlijke generieke reductie door het Rijk is hierbij absoluut noodzakelijk. Als provincie Utrecht kunnen we niet

48

zelfstandig alle in de provincie liggende stikstofgevoelige habitattypen onder KDW brengen en het behalen van instandhoudingsdoelen borgen. Afhankelijk van de ligging van een gebied is de herkomst van depositie ook uit andere provincies. We zijn daarin ook afhankelijk van wat andere provincies en het Rijk doen. Wel doen wij als provincie onze proportionele bijdrage in de emissiereductie die nodig is.

Figuur 4. Overzicht emissiereductiepad i.r.t. behaalde/prognose emissiereductie

In bovenstaande figuur is het doel in emissieplafond voor 2035, de lijn tussen de emissiehoogte in 2019 en dat doel en de al behaalde reductie en prognose, met de daaraan verbonden onzekerheid weergegeven. In werkelijkheid zullen de lijnen niet recht zijn maar een wat grilliger verloop laten zien.

2. Aanpak van emissiereductie via twee sporen, incl. onderbouwing 2.1 Provinciale stikstofreductie Om invulling te geven aan provinciale sturing stellen we een aanpak via twee sporen voor: een generiek spoor en een gebiedsspecifiek spoor. De depositie op stikstofgevoelige habitattypen komt van vele bronnen. Om perspectief te krijgen en houden op natuurherstel zal er in belangrijke mate een reductie van de stikstofdeken plaats moeten vinden. Dat is nodig voor de Natura 2000-gebieden in Utrecht maar ook daarbuiten. Veel Utrechtse ondernemers hebben bijvoorbeeld ook een depositie-effect op de Veluwe. We willen tegelijk met het bereiken van stikstofreducties overgaan van depositiedoelen naar het stellen emissiedoelen. Ondernemers kunnen immers beter sturen op hun emissies dan dat ze kunnen sturen op de geringe depositie die zij als individuele ondernemer veroorzaken. Ook het Rijk denkt na over een vorm van doelsturing en zal ook op een reductie moeten gaan sturen. Als provincie Utrecht wachten we deze rijksgenerieke sturing niet af maar zullen zelf ook sturende doelen op gaan nemen. Op plekken waar het aantoonbaar zinvol en nodig is om naast generiek beleid ook gebiedsspecifiek op emissiereductie te sturen zal er een stikstofzonering worden aangewezen.

Zoals al in het hoofddocument toegelicht blijven we bij het doel uit het Ontwerp-NPLG om zo onze proportionele bijdrage te leveren aan natuurherstel en het kunnen beargumenteren van additionaliteit. Het te

49

behalen emissieplafond van 2,836 Kton moet in 2035 behaald worden. Een deel van de benodigde reductie om dit doel te behalen is al behaald in de jaren sinds 2019. Tussen 2019 (het referentiejaar) en 2025 heeft er naar verwachting al 10-14% reductie plaatsgevonden (4,883 Kton was de emissiehoogte in Utrecht in 2022 volgens KEV aangevuld met de prognose gebaseerd op PBL-inschatting). Het PBL verwacht dat er tussen de jaren 2022 en 2030 19% reductie zal plaatsvinden in de landbouwemissies ammoniak. Het verschil tussen de prognose voor 2035 en het beoogde doel (een restemissie van 2,836 Kton) betekent een restopgave die volgens de huidige inzichten haalbaar is via voer- en managementmaatregelen (zoals minder eiwitrijk voeren en meer weidegang) voor grondgebonden veehouderij. Voor niet grondgebonden veehouderij is een sturing op toepassing van Best Beschikbare Techniek (BBT) meer voor de hand liggend. Onderstaande overzicht uit de PBL-publicatie ‘toelichting op de geraamde ontwikkelingen van de ammoniakemissie uit de landbouw tot 2030/2035’ geeft per bron een inschatting van de reducties. Dit is slechts een prognose, of deze inschatting realistisch is moet de komende jaren blijken en is afhankelijk van vele factoren zoals het gevoerde beleid maar ook de keuzes van ondernemers. Bron

2022

2035 (geraamd bij vastgesteld en voorgenomen beleid) 37,4 19,8 2,7 5,3 6,3 3,3 1,1 25,8 1,6

Verandering 2022 - 2030

54,8 25,4 3,5 11,9 10,7 3,2 1,3 32,7 1,0

2030 (geraamd bij vastgesteld en voorgenomen beleid) 40,3 20,8 2,9 5,9 7,5 3,3 1,1 25,9 1,6

Stal en opslag Melkvee Vleeskalveren Varkens Pluimvee Overig Weiden Toediening dierlijke mest Mest bewerken en verwerken (excl. emissies uit mestvergisters) Toediening kunstmest

8,9

9,5

9,4

+0,6 (+7 %)

Overig: emissies uit zuiveringsslib, compost, gewasresten, afrijping gewassen en uit vuurhaarden in de landbouw. Particulieren: Emissies van mest van hobbydieren en van mesttoediening op nietlandbouwgronden. Door recente wijzigingen van de indeling van emissiebronnen bij de Emissie-registratie vallen deze emissies in de ERL 2025 onder ‘landbouw’, in de ERL 2023 was dit nog niet het geval. Totaal

5,0

4,8

4,8

-0,2 (-3 %)

6,5

6,5

6,5

-

110,2

89,8 [85-96]

86,6 [81-92]

-20,4 (-19 %)

-14,4 (-26 %) -4,6 (-18 %) -0,6 (-18 %) -6,0 (-50 %) -3,2 (-30 %) +0,1 (+2 %) -0,2 (-16 %) -6,8 (-21 %) +0,6 (+ 53 %)

Tabel 22. Geraamde ontwikkelingen van de ammoniakemissie (in kiloton NH3 per jaar) uit de landbouw tot 2030/2035 (PBL).

Om in 2035 het emissieplafond voor Utrecht te behalen zetten we in op een generieke reductie, een reductie die voor de hele landbouwsector geldt. Aanvullend aan die generieke reductie zetten we ook in op een stikstofzone rondom zes van de negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (habitatrichtlijn deel). Hieronder zullen wij nader ingaan op zowel de generieke reductie als de stikstofzone.

50

2.2 Generieke sturing Zoals aangegeven is er een restdoel aan emissiereducties ondanks dat emissies al gereduceerd zijn sinds 2019 en ook de prognose een verdere reductie voorspelt. Deze resterende reductieopgave zal voor de meeste grondgebonden bedrijven bereikt kunnen worden zonder grote investeringen in staltechniek. Meerdere praktijkonderzoeken hebben duidelijk gemaakt dat een reductie van ca 30% van de stalemissies bij deze bedrijven mogelijk is. Dit percentage is haalbaar via voer- en managementmaatregelen. In het kader van de UMDL is dit ook de norm (KPI) waarop wordt gestuurd. Het betreft een norm die gebaseerd is op meerdere praktijkonderzoeken: ▪ Netwerk praktijkbedrijven: praktijkonderzoek op 100 melkveebedrijven gericht op reductie van ammoniak en methaanemissies. Op deze bedrijven is het haalbaar (en betaalbaar) gebleken om via een integrale aanpak ammoniakemissies met 30% te reduceren (in 2025 t.o.v. 2020). Ook voor methaan wordt 30% reductie nagestreefd. De aanpak loopt iets achter in de tijd, en deze opgave is moeilijker. Maatregelen zijn gericht op zowel voer, weidegang, stal, uitrijden van mest, opslag van mest. ▪ Het project ‘Emissiearme bedrijfsvoering op grondgebonden melkveehouderij’: door Netwerk Grondig en Boerenverstand.

Binnen het project wordt onderzocht of stikstofproblemen kunnen worden opgelost door boerenvakmanschap, in plaats van technische stalaanpassingen. Er wordt gewerkt aan een geborgde emissiearme bedrijfsvoering, de belangrijkste maatregelen zijn: eiwitarm voeren (borging via o.a. het ureumgehalte in de melk) en maximale weidegang (borging via weidegangregistratie). Binnen het project is vastgesteld dat een melkveebedrijf emissiearm is wanneer deze onder de 40 kg ammoniak (NH3) per hectare zit. Dit is haalbaar en goed inpasbaar. ▪ Een meer recent advies van Boerenverstand en K&G advies leert dat een emissiereductie van 30% op bedrijfsniveau vaak haalbaar is door voer en managementmaatregelen. In Utrecht vormt de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw een belangrijk instrument om te werken aan het bereiken van deze streefwaarde. Monitoring is voor bedrijven mogelijk via de Kringloopwijzer, en ook via tankmelkureum en uren weidegang. Dit past in de aanpak via doelsturing. Door te sturen op een combinatie van ureumgehalte van de melk (via het eiwitgehalte in het rantsoen) en het aantal uren weidegang kunnen reducties bereikt worden. Op termijn dienen bedrijven binnen de groene delen van de tabel te komen waarbij een maximale emissie per GVE van 7,5-8 kg bereikt moet worden. De kringloopwijzer of de BEX kunnen behulpzaam zijn bij deze vorm van doelsturing.

Figuur 6. Sturingstabel tankmelkureum en weidegang van Boerenverstand

Borging en monitoring De komende tijd kan de kringloopwijzer behulpzaam zijn bij het monitoren van doelbereik. Wij verwachten dat de kringloopwijzer de komende jaren verder doorontwikkeld zal worden en/of dat het Rijk een afrekenbare stoffenbalans in zal stellen als monitoringsinstrument. Als methode van borging onderzoeken wij of de samenhang van excretie van stikstof, het stikstof- en TAN gehalte en de pH van de mest, het ureum gehalte in de melk in combinatie met de N/P methode de stikstofverliezen op bedrijven technisch en juridisch kan borgen en tevens als monitoringsinstrument ingezet kan worden. De N/P methode is een methode om stikstofverliezen uit mest te berekenen, waarbij de verhouding tussen stikstof (N) en fosfaat (P) in verse mest en afgevoerde mest wordt vergeleken, en een deel van de stikstof als verloren wordt beschouwd (Wageningen Livestock Research rapport 1426).

51

Voor een goede borging zal een emissieplafond per hectare per jaar voor grondgebonden veehouderijen in werking treden als het reductiepad voor ammoniakemissies niet gehaald wordt. Dit getal van 40-42 kg/ha/jr komt uit verschillende studies naar generieke beleid en emissiearme bedrijfsvoering (Wageningen Environmental Research Rapport 1566-7197 en Wageningen Environmental Research Rapport 3240). Deze studies geven aan dat een reductie van 25-30% op bedrijfsniveau haalbaar is. Een door de provincie Utrecht zelf uitgevoerde analyse gaf een emissienorm van 42 kg/ha/jr aan als nodig voor het behalen van het emissiedoel. Aanvullend vinden er nog grondontrekkingen plaats voor bijvoorbeeld ontwikkeling NNN en komen er nog extensiverings- en stoppersregelingen. Dit zorgt ook voor emissiedalingen. Welk emissiedoel per hectare gekozen wordt binnen de bandbreedte van 40-42 kg zal worden berekend op het moment dat deze keuze genomen moet worden. Er zijn al bedrijven in Utrecht die nu al aan deze norm voldoen, van deze bedrijven wordt geen verdere reductie verwacht. Een andere studie van de WUR noemt emissiedoelen per hectare per jaar die veel lager liggen (Bedrijfsgerichte doelsturing op verliezen van stikstof en broeikasgassen, Ros et al 2023). Wij achten en emissiedoel van 25 of zelfs 22 kg/ha/jr binnen 10 jaar voor veel bedrijven niet haalbaar.

Uitleg N/P methode (WUR) Omdat de P-excretie gelijk is aan de P-mest kunnen de onderdelen van deze vergelijking gedeeld worden door P-excretie en P-mest, en kan de vergelijking ook geschreven worden als:

Waarbij: %N-verlies = verlies aan totale N als percentage van de N in de excretie, dus ‘onder de staart’ NPexcretie = de verhouding van N en P2O5 in de excretie NPmest = de verhouding van N en P2O5 gemeten in getransporteerde mest. Hieronder wordt dit aan de hand van een schematische weergave extra toegelicht: Schematische weergave van de N-verliezen op basis van de N/P verhouding in mest. De N in de linker mesthoop is groter dan die in de tweede omdat er tussentijds stikstofverliezen zijn opgetreden. P kan niet vervluchtigen, dus die blijft even groot. De veranderende N zal dan verantwoordelijk zijn voor de veranderende N/P verhouding vanaf de excretie tot en met opslag van mest. Op deze manier zijn de stikstofverliezen te berekenen.

Figuur 7. Uitleg N/P methode (WUR)

Voor de niet-grondgebonden veehouderij (de intensieve veehouderij) sturen we met name op geborgde inzet van de beste beschikbare technieken in relatie tot bestaande én toekomstige stalsystemen. Daarbij sluiten we zo veel mogelijk aan bij het Rijksbeleid. Ook hebben we contact met enkele provincies met veel intensieve veehouderij om te bezien welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn en ook voor ons relevant. De regio Food Valley is zelf een plan aan het opstellen om een grote reductie te bereiken van 60%. Dit plan kent echter nog niet een gedetailleerde uitwerking op het niveau van emissies per dierplaats. Deze inzet van best beschikbare techniek borgen wij door een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats op te nemen in de omgevingsverordening. Dit doel dient in 2035 behaald te zijn en is niet afhankelijk van het halen van het reductiepad in 2028 en verder. De op te nemen toelaatbare normen voor emissies van NH3 zijn 90-95% lager dan een basisstal en kunnen doorgaans alleen met een luchtwasser behaald worden. Genoemde normen

52

zijn nu al haalbare emissiehoogten per dierplaats met bewezen techniek (best beschikbare techniek) van chemische luchtwassers en worden daarom binnen nu en 10 jaar realiseerbaar geacht. Wij zetten eropin om onderstaande overzicht van de normen per dierplaats op te nemen in de omgevingsverordening: Diercategorie

Emissiegrenswaarde voor ammoniak in kilogram ammoniak per dierplaats per jaar

Gespeende biggen van minder dan 25 kg

0,0345

Kraamzeugen

0,415

Guste en dragende zeugen

0,21

Vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg 0,15 en meer en jonger dan zeven maanden en opfokzeugen van 25 kg en meer Opfokhennen en hanen van legkippen jonger dan achttien weken: Batterijhuisvesting

0,0045

Niet-batterijhuisvesting

0,017

Legkippen van achttien weken en ouder

0,0315

Ouderdieren van legkippen van achttien weken en ouder

0,0315

Ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan negentien weken

0,025

Ouderdieren van vleeskuikens van negentien weken en 0,058 ouder Vleeskuikens

0,0068

Vleeskalveren jonger dan 1 jaar

0,175

Tabel 23. Overzicht toelaatbare emissiefactoren vanaf 2035

2.3 Gebiedsspecifieke maatregelen Gebiedsspecifieke maatregelen zijn maatregelen die voor specifieke gebieden worden ingevoerd. In het concept-UPLG (juli 2023) is het voornemen aangekondigd om overgangsgebieden rondom de Natura 2000gebieden in te stellen. De motivering hiervoor is dat de oorsprong en oorzaak van de drukfactoren, die de instandhoudingsdoelen van habitats en soorten in de weg staan, zowel binnen als ook (direct) buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied gelegen zijn. Dit betekent dat voor herstel, behoud, verbetering en uitbreiding (binnen de Natura 2000-begrenzing) van habitats en doelsoorten waar mogelijk ook maatregelen in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden genomen dienen te worden. Deze maatregelen richten zich met name op emissiereductie, herstel hydrologie, connectiviteit en in enkele gevallen vergroten natuurareaal. Deze maatregelen kunnen meer of minder invloed hebben op het huidige agrarisch gebruik. Vanuit de wetenschap is bekend dat een relatief hoge depositie dicht bij de bron neerslaat. Onderstaande figuur van RIVM laat dat zien, hierin hebben wij het onderscheid tussen lokaal effect en dekeneffect ingevoegd. Na enkele honderden meters houden de deposities echter niet op, deze kunnen, afhankelijk van de grootte van de bron tot honderden kilometers verder nog voor geringe deposities zorgen.

Als er zich stikstofgevoelige habitattypen dicht bij een grote bron bevinden kan het beperken van die bron een groot effect hebben op die dichtbijgelegen habitattypen. Op wat grotere afstand spreken we dan al snel over een dekeneffect. Voor een dekeneffect is een generieke reductie van vele bronnen effectiever dan een gebiedsspecifieke reductie. Hierbij kan ook gesteld worden dat hoe groter het gebied met stikstofgevoelige habitattypen is, hoe afhankelijker we zijn van een dekenaanpak.

53

lokaal effect dekeneffect

Figuur 8. Modelberekening van depositie van ammoniak en stikstofoxiden op verschillende afstand van een bron (Bron: RIVM)

In relatie tot stikstof hebben we onderzocht wat de ‘optimale’ breedte van een emissiearme zone is en ook wat de meest relevante emissies zijn in deze zone. Voor Natura-2000 gebieden is zeer gedetailleerd naar deze punten gekeken. Hieruit is ten eerste gebleken dat emissies uit mestaanwending grenzend aan de Natura 2000gebieden relatief de grootste bijdrage leveren aan de depositie op de in de nabijheid gelegen stikstofgevoelige habitats. Het RIVM maakte op verzoek van het ministerie van LVVN (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) berekeningen van de effecten van zonering rond Natura 2000-gebieden (RIVM rapportnummer KN-2025-0016). Uit dit onderzoek komt het beeld dat gemiddeld 56 mol/ha/jr depositie afkomstig is van emissiebronnen binnen een 250 meter zone rond die gebieden. Door in de zone van 250 meter tot 500 meter reductiebeleid te voeren kan daar 23 mol aan toegevoegd worden. Met het instellen van een nog grotere zone neemt het effect met de afstand tot de stikstofgevoelige gebieden verder af. Onderstaande tabel illustreert dit: Zone

Agrarische bedrijven: aantal

Agrarische bedrijven: Emissie in ton N per jaar

Industriële bedrijven: Aantal

Industriële bedrijven: Emissie in ton N per jaar

1.550

Agrarische bedrijven: Depositie in mol N / ha / jaar gemiddeld voor alle stikstofgevoelige natuur 29

0

178

Industriële bedrijven: Depositie in mol N per ha / jaar gemiddeld voor alle stikstofgevoelige natuur 0,6

Binnen het gebied zelf Zone 250 m Zone 500 m Zone 1000 m

53 1.853 3.077 5.499

3.457 5.407 9.569

56 79 121

45 66 94

554 1.089 2.221

1,8 3,3 6,4

Tabel 24. Effecten van zonering rond Natura 2000-gebieden

Een voor Nederland gemiddelde herkomst van deposities zoals uit het onderzoek van RIVM zegt nog niet zo veel over de gebieden in Utrecht. Voor de Utrechtse gebieden is het beeld heel divers. Het reductiepotentieel van de 250 meter zone loopt van enkele molen op tot bijna 50 mol gemiddeld voor het gebied waar de zone wordt ingesteld. Het effect van de zonering hangt van vele factoren af. Als bijvoorbeeld in die zone van 250 meter al veel NNN is aangelegd, waar al geen bemesting meer plaatsvindt, dan is het effect van die zone gering. Voor enkele Utrechts gebieden geldt dat er in de zone al maatregelen getroffen zijn sinds 2019. Ook als een deel van de zone bebouwd gebied betreft of andere functies bevat dan landbouw dan zal de zonering voor bemesting daar minder opleveren.

54

Het onderzoek van RIVM maar ook de Utrechtse analyse laat duidelijk het verschil van de bijdrage vanuit de verschillende zones zien. Wij stellen een stikstofzone in van max 250 meter rondom alle Utrechtse Habitatrichtlijn gebieden in. Rond deze gebieden gaan we uit van extensief grondgebruik, waarbij een bemestingsnorm van 100 kg N/ha/jaar uit dierlijke mest zal gelden. Gebruik van kunstmest wordt daar niet toegestaan. Bij dit bemestingsniveau is de ontwikkeling van kruidenrijke en biodiverse weilanden goed mogelijk. Verder is het wenselijk om eisen te stellen aan de kwaliteit van de mest: ruige mest of zgn. ‘top’drijfmest. Bij goede (drijf)mest (ook wel rijpe drijfmest genoemd) is de meeste stikstof organisch gebonden in een natuurlijke structuur, zeg maar gekoppeld aan de humus in de mest. Deze stikstof kan niet direct door de plant worden opgenomen, maar moet eerst worden gemineraliseerd. Het duurt dus langer voordat deze stikstof beschikbaar komt voor de plant. Anorganische stikstof in de mest, zoals ammoniakstikstof, is sneller beschikbaar voor de plant en heeft een werking vergelijkbaar met die van kunstmest. Deze stikstof spoelt sneller en meer uit dan organisch gebonden stikstof. Aangezien koolstof belangrijk is voor organisch gebonden stikstof, is de verhouding tussen koolstof en stikstof een belangrijke maatstaf voor de mestkwaliteit.

Mest met een hogere koolstof-stikstofverhouding (meer dan 10) zorgt voor een hogere stikstofbenutting door gras. Om het effect van de toegepaste mest te vergroten in deze stikstofzone kunnen bedrijven bij voorkeur mest uitrijden bij weersomstandigheden waarbij minder verdamping plaatsvindt. Minder verdamping betekent dat er meer stikstof effectief in de bodem achterblijft en de emissies naar de lucht kleiner zijn. Formeel geldt er al een vergunningplicht voor bemesting van percelen. Als een bestaande of toekomstige regelgeving of jurisprudentie meer beperkend is dan de normen die in de stikstofzones gaan gelden, zijn uiteraard deze meest beperkende plichten leidend. Voor agrarisch gebruik binnen de begrenzing van habitatrichtlijngebieden zal een bemestingsnorm van 0 kg N/ha/jaar gaan gelden, tenzij het nodig is voor het behalen van instandhoudingsdoelen. Dit dient dan te worden afgestemd met de provincie. Zoals aangegeven zetten we de stikstofzone daar in waar deze aantoonbaar bijdraagt aan het bereiken van instandhoudingsdoelen. ▪ Depositie ten opzichte van de KDW: Het instellen van een stikstofzone draagt eraan bij om per habitattype en stikstofgevoelig leefgebied onder de KDW te komen en natuurherstel te borgen.

De KDW is echter gebaseerd op een intact ecosysteem, terwijl met de NDA's en adviezen van de EA is geconstateerd dat er vanwege meerdere drukfactoren (mogelijke) verslechtering is opgetreden. Dat betekent dat gebieden door de aanwezigheid van meerdere drukfactoren momenteel minder stikstof aankunnen. Naast stikstof zal er daarom ook een aanpak op andere drukfactoren geformuleerd moeten worden om stikstof als drukfactor uit te kunnen sluiten als de KDW behaald wordt. Hoe de drukfactoren zich tot elkaar verhouden is wetenschappelijk niet in detail te berekenen, maar vanuit het voorzorgsbeginsel zijn we verplicht hier actie op te ondernemen. In het UPLG nemen we maatregelen zowel om de andere drukfactoren aan te pakken als om in de huidige staat stikstof geen drukfactor meer te laten zijn. ▪ Herstel en uitbreiding habitattypen binnen Natura 2000-gebieden: Dit gaat over het creëren van de juiste (stikstof)condities op locaties bínnen Natura 2000 om habitattypes en leefgebieden te realiseren waar wij een herstel- en uitbreidingsopgave voor hebben. In AERIUS staan met hexagonen de huidige locaties van stikstofgevoelige natuur vermeld. Voor een aantal stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kennen we ook de opgave om het (binnen de Natura 2000-begrenzing) in oppervlakte te laten toenemen.

De depositie op deze locaties met potentie dient voldoende laag te zijn en andere factoren moeten het ook mogelijk maken om realisatie van het leefgebied of habitattype te bereiken. ▪ Nalevering stikstof vanuit de omgeving: Door de hoge nutriëntengehaltes in de bodem en in het oppervlakte – en grondwater in de omgeving van Natura 2000gebieden is er een nalevering van stikstof. Dit draagt bij aan verslechtering van de natuur in de Natura 2000-gebieden. Met het instellen van een stikstofzone zodat bemesting wordt beperkt, draaien we hier ‘de kraan verder dicht’, zodat er vanuit deze zone de uitspoeling van stikstof via het oppervlakte- en/of grondwater wordt verminderd. Met andere woorden: minder nalevering vanuit de omgeving. Hierdoor kan de natuur in het Natura 2000-gebied zich sneller herstellen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de ligging van habitattypen met een minder goed herstellend vermogen conform het onderzoek van Bobbing et al. 2022 Voor Utrecht hebben vooral de stroomdalgraslanden, blauwgraslanden en de veenmosrietlanden in onze Natura 2000-gebieden de laagste KDW’s. Hieronder volgt per Natura 2000 de noodzaak om een stikstofzone in te stellen:

55

▪

▪

▪

▪

▪

Binnenveld; vanwege de hoge deposities in dit gebied en aanwezigheid van blauwgraslanden en trilvenen. Het subtype van trilvenen, veenmosrietlanden, is zelfs helemaal verdwenen. De blauwgraslanden in Binnenveld blijven in de huidige prognose in 2030 voor 100% matig overbelast (zie hiervoor de categorisering in Aerius: lichte overbelast is 0-70 mol boven KDW, matige is 70 mol boven KDW tot 2x KDW). Met het generieke beleid op stikstofreductie uit het UPLG zal een deel van dit habitattype naar verwachting in de buurt van de KDW komen maar een deel ook matig overbelast blijven. Met het instellen van een stikstofzone rond dit gebied wordt een extra inspanning gedaan om dicht bij de KDW te komen en voor natuurherstel te zorgen. Voor het werkelijk behalen van de KDW zullen stalemissies van een aantal bedrijven in de omgeving verder gereduceerd moeten worden en zijn we ook afhankelijk van wat provincie Gelderland of het Rijk aan maatregelen neemt. Provincie Utrecht doet hiermee wel haar proportionele bijdrage aan het behalen van natuurherstel. Botshol; vanwege de hoge deposities in dit gebied en de aanwezigheid van veenmosrietlanden. Het kan in de toekomst nodig zijn verdere reductie te laten plaatsvinden om dit habitattype te laten herstellen. In Botshol bevindt zich relatief veel veenmosrietland. Dit habitattype is zeer stikstofgevoelig en is slecht herstelbaar gebleken.

Stikstof versnelt het verlandingsproces van veenmosrietlanden waardoor uiteindelijk soorten verdwijnen. Op plekken in Botshol is de depositie op dit habitattype 300% van de KDW op dit moment. Hier ligt dus een grote opgave om dit habitattype te herstellen in dit gebied. Ook in de prognose voor 2030 blijft dit habitattype hier sterk overbelast. Met de generieke reducties uit het UPLG zal hier naar verwachting nergens de KDW gehaald worden. Met het instellen van een stikstofzone rond dit gebied wordt een extra inspanning gedaan om dicht bij de KDW te komen en voor natuurherstel te zorgen. Ook hier zal er een sterkere reductie van stalemissies bij een aantal bedrijven nodig zijn en zijn we sterk afhankelijk van wat er landelijk en bij onze buurprovincie Noord-Holland aan reductiebeleid gevoerd gaat worden. Het is duidelijk dat natuur die sterk overbelast is slechter herstelt en moeilijker kan worden beheerd dan natuur die matig overbelast is. Lingegebied en Diefdijk-zuid; vanwege de hoge deposities in dit gebied. In het gebied Lingegebied en Diefdijk-zuid bevinden zich geen zeer stikstofgevoelige habitattypen met een zeer lage KDW en ook geen habitattype die moeilijk herstelbaar zijn.

Toch liggen ook hier habitattypen als Glanshaverhooiland en kalkmoerassen die sterk overbelast zijn met stikstofdepositie (meer dan 2x KDW), In delen van dit gebied zijn deposities van meer dan 3000 mol/ha/jr. Vanwege deze sterke overbelasting is het instellen van een stikstofzone rond dit gebied nodig om de deposities omlaag te brengen. Ook hier zal het al dan niet behalen van de KDW’s afhankelijk zijn van aanvullende reductie van stalemissies bij een aantal bedrijven en van beleid wat andere provincies en het Rijk gaan voeren. Voor deze habitattypen geldt ook; hoe kleiner de afstand tussen de KDW en de depositie hoe beter beheerbaar een habitattype is. Nieuwkoopse Plassen en De Haeck; vanwege de hoge deposities in dit gebied de aanwezigheid van blauwgraslanden, veenmosrietlanden en vochtige heide. De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck liggen voor een groot deel buiten de provincie Utrecht. De gehele zuidwestrand van het gebied behoort echter wel tot onze provincie en een deel van de meest stikstofgevoelige habitattypen liggen in Utrecht. Alle hectaren blauwgrasland liggen in Utrecht en een deel van de veenmosrietlanden en vochtige heiden ook. Alle 3 deze habitattypen zijn zeer stikstofgevoelig en delen daarvan worden op dit moment sterk overbelast met stikstofdepositie (meer dan 2x KDW).

Ook voor dit gebied willen we als provincie onze proportionele bijdrage leveren aan het bereiken van natuurherstel. Om die reden is er naast de generieke reducties uit het UPLG ook een stikstofzonering nodig om de effecten van dichtbijgelegen bronnen te verminderen. Hiermee zal mogelijk nog niet overal de KDW behaald worden maar wordt de herstelbaarheid van deze habitattypen groter. Voor het werkelijk behalen van de KDW is aanvullende reductie van stalemissies bij een aantal bedrijven nodig en zijn we ook afhankelijk van wat provincie ZuidHolland of het Rijk aan maatregelen neemt. Provincie Utrecht doet hiermee wel haar proportionele bijdrage aan het behalen van natuurherstel. Oostelijke Vechtplassen; vanwege de hoge deposities in dit gebied en de aanwezigheid van blauwgraslanden, veenmosrietlanden en vochtige heide. In de Oostelijke Vechtplassen bevinden zich ook enkele zeer stikstofgevoelige habitattypen waarvan voor enkele bekend is dat deze moeilijk herstelbaar zijn. Ook liggen er enkele habitattypen waar de KDW al wel gehaald wordt of dat de komende jaren gaat gebeuren. De depositie op de habitattypen

56

▪

▪

▪

▪

blauwgraslanden, veenmosrietlanden en vochtige heide loopt in sommige delen op tot boven de 300% van de grens waarboven er mogelijk verslechtering optreedt. Zowel de huidige prognose als het generieke deel van het UPLG brengen hier de KDW’s niet overal binnen bereik. Voor de blauwgraslanden geldt dat hier de KDW wel bereikt kan worden, voor de veenmosrietlanden en vochtige heiden is dat niet het geval. Om die reden is er naast de generieke reducties uit het UPLG ook een stikstofzonering nodig om de effecten van dichtbijgelegen bronnen te verminderen. Deze stellen we in rondom het deel dat is aangewezen als Habitatrichtljingebied én in delen van het Vogelrichtlijngebied zoals ‘de taartpunt’, vanwege de afstand en de effectiviteit ervan op de stikstofgevoelige natuur in Habitatrichtlijngebied. Hiermee zal mogelijk nog niet overal de KDW behaald worden maar wordt de herstelbaarheid van deze habitattypen groter. Aanvullend beleid om stalemissies bij een aantal bedrijven in de omgeving verder te reduceren zal samen met het beleid van Noord-Holland en het Rijk hier nodig zijn om de KDW te halen en natuurherstel te borgen. Zouwboezem: vanwege de hoge deposities in dit gebied en de aanwezigheid van blauwgraslanden. Binnen het Natura 2000-gebied Zouwboezem bevindt zich areaal blauwgrasland wat een habitattype is dat zeer stikstofgevoelig is en als slecht herstelbaar is aangemerkt.

Onder het huidige beleid dalen de deposities naar het niveau van de matige overbelasting (tussen 70 mol overbelasting en 2x KDW) maar van zicht op natuurherstel is daar nog onvoldoende sprake. Ook met de generieke reducties onder het UPLG zal natuurherstel niet bereikt worden. Daarom is er naast de generieke reducties uit het UPLG ook een stikstofzonering nodig om de effecten van dichtbijgelegen bronnen te verminderen. Bij de andere habitatypen worden de KDW’s nu al gehaald of komen deze met het generieke beleid in zicht. Voor de Uiterwaarden Lek geldt dat een stikstofzone niet noodzakelijk is. Voor het verder reduceren van lokale uitstoot zetten we hier in op het verminderen van de uitstoot van enkele lokale grote uitstotende bedrijven. In dit gebied bevinden zich habitattypen als stroomdalgraslanden en glanshaverhooiland. Dit zijn geen zeer stikstofgevoelige habitattypen, de KDW’s liggen boven de 1000 mol/ha/jr. Ook in dit gebied willen we perspectief gaan krijgen op natuurherstel en het weer kunnen verlenen van vergunningen. Voor dit gebied geldt dat met het generieke deel van het UPLG de KDW’s niet overal bereikt zullen worden en natuurherstel niet kan worden gegarandeerd. Om herstel van de habitattypen in dit gebied en ook recht te doen aan de uitbreidingsdoelstellingen die voor de hier liggende habitattypen gelden wordt een maatwerkaanpak stallen nodig geacht.

Hierbij gaat het om enkele grote bronnen van stikstofdeposities in de vorm van stallen, deze zullen verder moeten reduceren. Als de emissies van dezer stallen onder het generieke beleid voldoende worden teruggebracht dat de KDW’s bereikt zullen worden, zal er geen verder instrumentarium worden ingezet. Als deze paar grotere stikstofbronnen onder het generieke beleid niet hun emissies voldoende terugbrengen zal met deze bedrijven het gesprek gevoerd worden of het duurzaam voortbestaan van deze bedrijven op die plek wel reëel geacht kan worden. Al het mogelijke instrumentarium om de emissies van deze bedrijven verder om laag te brengen met het oog op natuurherstel kan dan worden ingezet. Zo kan er hulp geboden worden bij verplaatsing, bij omvorming of stoppen. Voor Kolland en Overlangbroek is een aanvullende stikstofreductie vanuit een stikstofzone niet noodzakelijk. Voor dit gebied geldt dat er in recente jaren al een aantal passende maatregelen genomen zijn gericht op het behalen van instandhoudingsdoelen Natura 2000. Met name de al gerealiseerde natuurverbindingen bij Oud-Kolland en Landgoed Kolland hebben tot resultaat geleid. Evengoed hebben we hier te maken met een verslechterende staat van de beekbegeleidende bossen waarvoor ook een uitbreidingsdoel op Overlangbroek geldt.

Als gevolg van de al uitgevoerde en voorgenomen natuurmaatregelen in het kader van het versterken van de connectiviteit en robuustheid van de verschillende habitatdeelgebieden wordt er aanvullend vergaande stikstof depositie gereduceerd. Hiermee is een aanvullende gebiedsspecifieke zonering dan wel maatwerk voor stallen niet meer noodzakelijk, doelmatig of doeltreffend. Alle hectaren van het stikstofgevoelige habitattype zijn of komen onder KDW. Er loopt nog wel een rechtszaak die in het ongunstigste geval aanleiding kan geven om verdergaande stikstofreducerende maatregelen te nemen. Voor de Rijntakken geldt ook dat hier geen stikstofzone toegepast wordt. Dit gebied wordt gevormd door lange lintvormige delen van het stroomgebied van de Rijn. Alleen de Blauwe Kamer en delen van de Amerongse Bovenpolder zijn als habitatrichtlijngebied aangewezen vanwege een aantal habitattypen

57

zoals glanshaverhooiland en stroomdalgrasland. De overige uiterwaarden zijn alleen Vogelrichtlijngebied en kennen in enkele gevallen stikstofgevoelige leefgebieden voor vogels met een relatief hoge KDW. Ook In het habitatrichtlijngebied bevinden zich nu geen zeer stikstofgevoelige habitattypen met een KDW van onder de 1000 mol/ha/jr. Voor veel van die habitattypen geldt nu al dat stikstof geen drukfactor is die van belang is voor het evt niet halen van de natuurdoelen of dat dit bereikt wordt onder het vastgestelde beleid. Enkele habitattypen zoals beuken-eikenbos, glanshaverhooiland en stroomdalgrasland halen in de prognose nog niet overal de KDW. Met name bij beuken-eikenbos is dat het geval. Met het generieke deel van het UPLG zal voor een groot deel wel de KDW behaald worden mits andere nabijgelegen provincies ook reductiebeleid gaan voeren. Deze delen zullen met name effect ervaren onder beleid rondom de Veluwe. Het leggen van een stikstofzone rond gebeid de Rijntakken wordt niet als proportioneel gezien. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat er sprake is van verdwenen habitattypen zoals het stroomdalgrasland in de Amerongse Bovenpolder die wel in het aanwijsbesluit Natura 2000 is opgenomen. Formeel is daar wel een instandhoudingsdoel en een uitbreidingsdoel voor ook al ontbreekt momenteel dit habitattype.

Om dit habitattype terug te laten keren en in oppervlak te laten toenemen zal zowel het beheer (door Rijkswaterstaat) moeten verbeteren als de depositie verlaagd moeten worden. Een stallenaanpak voor bedrijven dichtbij Natura 2000-gebieden met een bovenmatig depositie zal rond die gebieden versneld voor stikstofreductie moeten gaan zorgen. Het betreft bedrijven die meer dan 1 mol depositie veroorzaken per 1000kg NH3 uitstoot. Uit een eigen analyse volgt dat dit ca 30 bedrijven rond 5 van de stikstofgevoelige gebieden kan raken. Voor de laatste drie genoemde gebieden zal in 2028 bezien worden of de huidige aanpak voldoende waarborg voor natuurherstel is. Mocht dit niet zo zijn kan alsnog besloten worden een stikstofzone rond deze gebieden van kracht te laten worden.

58

Bijlage IX. Emissies broeikasgassen uit veenbodems 1. Inleiding Deze bijlage geeft een toelichting op een aantal nieuwe kennisinzichten rondom broeikasgasemissies uit veenbodems en op het juridische kader wat ten grondslag ligt aan het toevoegen van een nieuwe ruimtelijke functie genaamd ‘veenweide-landbouw’.

2. Nieuwe kennisinzichten over Veenweide vanuit het NOBV Vanuit het Nationale Programma Veenweiden is het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden NOBV opgericht. Het NOBV is een kennisconsortium van alle Nederlandse Universiteiten die werken aan de uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden. Het NOBV heeft in heel Nederland meetpunten opgezet in veenweidegebieden en heeft gemeten aan de effectiviteit van maatregelen. Deze onderzoeken hebben nieuwe inzichten opgeleverd: a. Er is nauwelijks verband tussen bodemdaling en CO 2: ontwatering in bovenste laag bepaalt de uitstoot terwijl bodemdaling wordt bepaald door andere factoren zoals de dikte van het veen. b. Kleidek-op-veengebieden laten een vergelijkbare uitstoot zien als puur veen of dikke veenpakketten. c. Effectiviteit van maatregelen: ▪

▪ ▪ ▪ ▪

Waterinfiltratiesystemen (WIS) zijn bewezen effectief om grondwaterstanden te verhogen en uitstoot te verminderen. Dit geldt voor zowel actieve WIS als passieve WIS en enkel bij een voldoende hoog slootpeil De combinatie van WIS met het verkleinen van droogleggingen geeft een optimale reductie Ook enkel het verkleinen van de drooglegging (verhogen slootpeil) leidt tot een aanzienlijke CO 2reductie Het verhogen van de grondwaterstanden hoger dan ca. -20cm onder maaiveld is niet effectief omdat dan de sterkere broeikasgassen lachgas en methaan vrijkomen. Het verhogen van de grondwaterstanden tot -20cm onder maaiveld is daarmee optimaal voor een zo groot mogelijke reductie van broeikasgassen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16491645/1