Bijlage A Toelichting bestemmingsplan Proostdijerdwarsweg 12 Waverveen
Tekst van het document
Bestemmingsplan recreatieterrein De Wilgenborgh te Waverveen Toelichting
Gemeente De Ronde Venen
December 2023
Titel: Subtitel: Versie: Document nr.: Datum uitgave: Status: IDN:
Bestemmingsplan recreatieterrein De Wilgenborgh Toelichting 1.1 107-20_BWZ 12 december 2023 Ontwerp NL.IMRO.0736.BPP052Wilgenborgh-va01
Naam en adres opdrachtgever:
Provincie Utrecht Contactpersoon: dhr. M. Pouwel Archimedeslaan 6, postbus 80300 3508 TH Utrecht
Samensteller:
ing. J.J. (José) ten Ham
Projectleider:
Ing. H. (Harry) Zwart MSc
Kantoorboerderij Rustenburg Lekdijk 15 | 4121 KG Everdingen www.bwz-ingenieurs.nl
Ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Tiel onder nr. 30232690
3
Inhoud 1
2
3
Inleiding ............................................................................................................... 7 1.1
Aanleiding en doel bestemmingsplan .................................................................. 7
1.2
Ligging plangebied ................................................................................................ 9
1.3
Vigerend planologisch regime .............................................................................. 9
Beschrijving van het plangebied .......................................................................... 10 2.1
Landschappelijke context ................................................................................... 10
2.2
Huidig gebruik ..................................................................................................... 10
Beschrijving toekomstige situatie ........................................................................ 12 3.1
Planologische wijziging ....................................................................................... 12
Wijzigingsbevoegdheid ................................................................................................ 12
4
3.2
Gebruik van het plangebied ............................................................................... 12
3.3
Inrichting van het recreatieterrein ..................................................................... 13
Ruimtelijke beleidstoets ..................................................................................... 15 4.1
Rijksbeleid ........................................................................................................... 15 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie ......................................................................... 15 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ............................... 15 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................... 15
4.2
Provinciaal beleid................................................................................................ 17 4.2.1 Omgevingsvisie 2021 en Omgevingsverordening provincie Utrecht ........ 17
4.3
Gemeentelijk beleid............................................................................................ 18 4.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 ....................................................... 18 4.3.2 Landschapsnota de Ronde Venen 2030..................................................... 18 4.3.3 Visie verblijfsrecreatie De Ronde Venen 2030 .......................................... 19 4.3.4 Spoorboekje naar een klimaatneutrale gemeente in 2040 ....................... 20
5
Sectorale aspecten.............................................................................................. 22 5.1
Water .................................................................................................................. 22
5.2
Bodem................................................................................................................. 23
5.3
Ecologie............................................................................................................... 23 5.3.1 Bescherming van gebieden ....................................................................... 23 5.3.2 Beschermde soorten ................................................................................. 24 5.3.3 Bescherming van houtopstanden ............................................................. 25
5.4
Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 25
5.5
Verkeer en parkeren ........................................................................................... 28
5.6
Lucht en geluid ................................................................................................... 28 4
5.6.1 Lucht ......................................................................................................... 28 5.6.2 Geluid ........................................................................................................ 29
6
5.7
Externe veiligheid ............................................................................................... 29
5.8
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................... 30
5.9
Besluit milieueffectrapportage (MER-beoordeling) ........................................... 32
Juridische planopzet ........................................................................................... 33 6.1
Toelichting op het juridisch systeem .................................................................. 33
6.2
Inleidende regels ................................................................................................ 33 6.2.1 Begrippen................................................................................................... 33 6.2.2 Wijze van meten ........................................................................................ 33
6.3
Bestemmingsregels............................................................................................. 34 6.3.1 Opbouw bestemmingen ............................................................................ 34 6.3.2 De bestemmingen...................................................................................... 34
6.4
Algemene regels ................................................................................................. 35 6.4.1 Anti-dubbeltelregel .................................................................................... 35 6.4.2 Overige algemene regels ........................................................................... 35
6.5
Overgangs- en slotregels .................................................................................... 35 6.5.1 Overgangsregel .......................................................................................... 35 6.5.2 Slotregel ..................................................................................................... 35
7
8
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................. 36 7.1
Exploitatie ........................................................................................................... 36
7.2
Normstelling en beleid ....................................................................................... 36
(Maatschappelijke) uitvoerbaarheid.................................................................... 37 8.1
Procedure en inspraak ........................................................................................ 37
8.2
Omgevingsmanagement..................................................................................... 37
Bijlagen Bijlage 1 -
Herinrichting Recreatieterrein de Wilgenborgh DO (BWZ Ingenieurs, 15-112023)
Bijlage 2 -
Vooronderzoek bodem Recreatieterrein De Wilgenborgh (Grondslag, 2021)
Bijlage 3 -
Verkennend bodemonderzoek (Grondslag, 2021)
Bijlage 4 –
Aanvullend verkennend en nader bodemonderzoek Recreatieterrein De Wilgenborgh (Grondslag, april 2022)
Recreatieterrein
De
Wilgenborgh
5
Bijlage 5 -
Quickscan Recreatieterrein De Wilgenborgh (Ecoresult, 2021)
Bijlage 6 –
AERIUS berekening in het kader van de Wet natuurbescherming (Ecoresult, 2023)
Bijlage 6a -
Toelichting AERIUS berekening in het kader van de Wet natuurbescherming (SPA WNP, 2023)
Bijlage 7 -
Archeologisch bureauonderzoek Recreatieterrein De Wilgenborgh (Bureau voor Archeologie, 2021)
Bijlage 8 -
Inventariserend veldonderzoek Recreatieterrein De Wilgenborgh (Bureau voor Archeologie, 2021)
Bijlage 9 -
MER aanmeldingsnotitie Ingenieurs, 2023)
Bijlage 10 -
Participatietraject De Wilgenborgh (Provincie Utrecht, 2021 en 2022)
Recreatieterrein
De
Wilgenborgh
(BWZ
6
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doel bestemmingsplan
In 2012 is door middel van het plan ‘Versoberde Veenribbenvariant’ en het ‘Pact van Poldertrots Groot Mijdrecht Noord’ besloten drie moerasblokken in te richten in de polder Groot-Mijdrecht Noord-Oost. Het plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de gemeente De Ronde Venen en een bewonersdelegatie. Het ontwerp bestaat uit de aanleg van drie moerasblokken omgeven door een kade en omzoomd door bloemrijk grasland. De moerasblokken moeten ervoor zorgen dat de brakke kweldruk in het gebied afneemt en daarmee ruimte bieden voor natte natuurontwikkeling en waterberging. Met de aanleg van moerasblok 1 wil de provincie een aaneengesloten leefgebied voor moerasvogels realiseren, dit in aansluiting op de eerder gerealiseerde moerasblokken en het bestaande natuurgebied Waverhoek. Daarnaast zal de ontwikkeling van dit gebied meerwaarde geven voor de diversiteit aan overige flora en fauna in de polder. Moerasblok 2 en 3, direct ten zuiden van Recreatieterrein De Wilgenborgh, zijn reeds ingericht. De planvorming voor Moerasblok 1 is momenteel in volle gang (Figuur 1-1). De moerasblokken zijn niet onderling met elkaar verbonden, maar bieden elk de mogelijkheid voor moerasvogels om er te rusten en te foerageren. De afzonderlijke moerasblokken zijn optimaal ingericht als rustplaats en voedselbron.
Doordat de moerasblokken relatief dicht bij elkaar liggen zorgen deze vlakdekkend voor een optimalisatie van het leefgebied voor moerasvogels, die nu al in nabijgelegen grotere moerasgebieden voorkomen. Deze moerasvogels vliegen straks van gebied naar gebied, waarmee de moerasblokken “stepping stones” vormen tussen de grotere moerasnatuurgebieden in de omgeving, zoals het nabijgelegen Botshol en de Nieuwkoopse Plassen. Geïsoleerde populaties van bijvoorbeeld roerdomp en purperreiger raken hierdoor minder afgezonderd en kunnen uitbreiden en met elkaar in contact komen. De moerasvlakken zijn in de toekomst omgeven door bloemrijke graslanden (zoals ook opgenomen in de Versoberde Veenribbenvariant). Dit betekent dat de hier gelegen agrarische percelen en hun slootkanten door minder extensief gebruik een hogere natuurwaarde krijgen. Ook verbeteren de omstandigheden voor de natuur, maar de grootste meerwaarde voor moerasnatuur wordt bereikt in de moerasblokken. Het bloemrijke grasland vormt wel een schakel in de overgang tussen de onderlinge moerasblokken, voor overgang van verschillende soorten. Niet alleen voor de moerasvogels, maar ook voor diverse plant- en diersoorten (amfibieën, libellen, vlinders, etc.). Extensief beheerde slootkanten bieden ruimte om langs te verplaatsen.
7
Moerasblok 3
Figuur 1-1 Moerasblokken in polder Groot Mijdrecht Noord-Oost
Het noordelijke deel van De Wilgenborgh (circa 2,5 hectare) ligt binnen de contouren van het beoogde projectgebied van Moerasblok 1. Er is een herinrichtingsplan uitgewerkt, waarbij de noordelijke helft van het recreatieterrein wordt ‘omgeklapt’ naar een tweetal percelen (twee maal 1,25 hectare) aan weerszijden van het recreatieterrein en ten zuiden van het projectgebied Moerasblok 1. In Figuur 1-2 is de beoogde indeling weergegeven. De herinrichting maakt het mogelijk om één aaneengesloten natuurgebied te creëren. Natuurmonumenten zorgt in de toekomst door een natuurlijker beheer van de percelen aan weerszijden van de Wilgenborgh voor meer onderlinge samenhang tussen het moerasblok ten noorden en ten zuiden van de Wilgenborgh. Op deze percelen wordt de agrarische activiteit geëxtensiveerd. De ontwikkeling is strijdig met het vigerende bestemmingsplan Buitengebied-West van de gemeente De Ronde Venen. De percelen aan de oostelijke en westelijke zijde hebben in dit bestemmingsplan de bestemming ‘natuur’. Een recreatieterrein is hier niet toegestaan, reden waarom er een nieuw bestemmingsplan is opgesteld.
Figuur 1-2 Omklappen noordelijke helft De Wilgenborgh
8
1.2
Ligging plangebied
Recreatieterrein De Wilgenborgh is een vijf hectare groot terrein dat ligt in de polder Groot-Mijdrecht in de provincie Utrecht, gemeente De Ronde Venen. Het terrein wordt aan zowel de oostelijke als aan de westelijke zijde begrensd door weidegebied. Aan de noordzijde wordt het terrein begrensd door de Proostdijer Dwarstocht, een primaire watergang. Aan de zuidzijde begrenst de Proostdijerdwarsweg het terrein (Figuur 1-3).
Figuur 1-3 Ligging recreatieterrein De Wilgenborgh
1.3
Vigerend planologisch regime
De gronden zijn planologisch geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied-West (vastgesteld 2019-02-21). De bestemmingen zijn weergegeven in Figuur 1-4. Het recreatieterrein heeft hierin de bestemming ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie kampeerterrein’. De gronden aan weerszijden van het terrein hebben de bestemming ‘Natuur’. De gewenste ontwikkeling van deze percelen naar recreatieterrein past niet binnen de bestemmingen van het vigerende bestemmingsplan. Omwille van een actuele en eenduidige planologische regeling is besloten een nieuw (postzegel)bestemmingsplan op te stellen waarin de nieuwe bestemmingen van het recreatieterrein en de belendende percelen is vastgelegd.
Figuur 1-4 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied-West, gemeente De Ronde Venen
9
2 2.1
2.2
Beschrijving van het plangebied Landschappelijke context
Recreatieterrein De Wilgenborgh ligt in de polder Groot-Mijdrecht Noord, een typische droogmakerij. Droogmakerijen zijn polders, ontstaan door het droogmaken van een plas of een meer. Deze droogmakerij is ontstaan in de negentiende eeuw en bezitten nog alle kenmerken van de cultuurhistorie uit die tijd. In deze periode vindt het huidige terrein zijn oorsprong. In de huidige situatie zijn er nog veel sporen uit het verleden te zien. Het terrein rond de boerderij heeft nog enkele kenmerkende gebouwen en schuren die inmiddels een andere functie hebben gekregen. De structuur van de oorspronkelijke watergangen is nog intact. Ook de oorspronkelijke verkaveling is nog steeds zichtbaar binnen het terrein van De Wilgenborgh. De kavels liggen er in de basis onveranderd bij.
Huidig gebruik
De Stichting Fonds Wilgenborgh is een kleine naturistenvereniging. Op het terrein van 5 hectare zijn 75 standplaatsen voor tent of caravan ingericht. De Wilgenborgh heeft, naast het hoofdgebouw, diverse faciliteiten die veelal in het zuidelijke deel van het terrein zijn geconcentreerd. Faciliteiten zijn, naast de sanitaire voorzieningen, onder andere een zwembad, sauna, terras, jeugdhonk en een kinderspeeltuin. Het noordelijke deel van het terrein is als laagveenbos ingericht en heeft een wilde uitstraling met prachtige vergezichten over de omliggende polders. De Wilgenborgh is via een geasfalteerde inrit bereikbaar vanaf de Proostdijerdwarsweg. In Figuur 2-1 is de huidige indeling van het terrein weergegeven.
Figuur 2-1 Huidige situatie De Wilgenborgh
10
Aangrenzende percelen De percelen die oostelijk en westelijk grenzen aan het recreatieterrein maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. In het Natuurbeheerplan 2021 zijn de percelen aangemerkt als nieuwe natte natuur. De percelen worden op dit moment verpacht aan veehouders en zijn in gebruik als weidegebied. Beide percelen hebben een aansluiting op de Proostdijerdwarsweg via een dam met duiker. Het perceel aan de oostkant van De Wilgenborgh is in bezit van Natuurmonumenten (NM), het perceel aan de westkant is van de Provincie Utrecht. Als onderdeel van de Kavelruil Utrecht West is er een schriftelijke principe overeenkomst gesloten tussen de provincie Utrecht en Natuurmonumenten over ruiling van de grond van Natuurmonumenten. Daardoor komt het perceel aan de oostkant van de Wilgenborgh in bezit van de provincie Utrecht en wordt de herinrichting van het terrein mogelijk.
11
3 3.1
Beschrijving toekomstige situatie Planologische wijziging
In voorliggend bestemmingsplan Recreatieterrein De Wilgenborgh krijgt het noordelijke deel van het recreatieterrein de bestemming ‘Natuur’, de twee belendende percelen ‘Recreatie’. In Figuur 3-1 zijn de nieuwe bestemmingen weergegeven.
Figuur 3-1 Bestemmingen bestemmingsplan Recreatieterrein De Wilgenborgh
3.2
Gebruik van het plangebied
Hoewel met dit bestemmingsplan de bestemmingen planologisch reeds wijzigen, blijft het huidige gebruik gedurende circa vijf jaar ongewijzigd. De herinrichting wordt gefaseerd uitgevoerd. De twee belendende percelen (huidige bestemming ‘Natuur’, nieuwe bestemming ‘Recreatie’) worden in deze periode opnieuw ingericht ten behoeve van het recreatieterrein. Omwille van de privacy wordt dit terrein echter pas in gebruik genomen nadat de houtwallen het zicht op het recreatieterrein voldoende ontnemen. Het noordelijke perceel (huidige bestemming ‘Recreatie’, nieuwe bestemming ‘Natuur’) wordt omgevormd naar natuur ten behoeve van Moerasblok 1 als de twee hierboven beschreven belendende percelen in gebruik genomen worden voor recreatie. Tot die tijd blijft, ondanks de bestemming ‘Natuur’, het huidige recreatieve gebruik in stand. Met de 12
gemeente De Ronde Venen is afgestemd dat het tijdelijk voortgezette recreatieve gebruik wordt geregeld door middel van een Omgevingsvergunning buitenplanse afwijking.
3.3
Inrichting van het recreatieterrein
In de huidige situatie is het terrein noord-zuid georiënteerd (100 x 500 m). Met het omklappen van het terrein, de ‘klapvariant’, wordt de oriëntatie van oost naar west (200 x 250 m). Uitbreiding naar oost en west vindt plaats op de naastliggende percelen. Het noordelijke deel van het recreatieterrein komt te vervallen aan Moerasblok 1, als onderdeel van het grotere geheel. Samenhang en kwaliteit van het gehele omliggende gebied worden hierdoor vergroot. In de nieuwe situatie worden 76 kampeerplaatsen en 8 camperplekken gerealiseerd. Vanuit de doelstelling van het recreatieterrein, naturistisch recreëren, worden buitenwallen aangelegd die zichtdicht en geluiddempend zijn en passen in het landelijke karakter. De beplanting bestaat uit inheemse soorten bomen en struiken. Op het meest westelijke perceel wordt een parkeerterrein aangelegd dat ruimte biedt aan 81 auto’s. Het parkeerterrein worden omzoomd door beplanting die bestaat uit inheemse soorten bomen en struiken en krijgt een groene uitstraling. Indien nodig, bijvoorbeeld bij topdrukte, kunnen één of twee camperplaatsen tijdelijk worden ingericht als parkeerterrein. Per camperplaats kunnen circa acht extra (tijdelijke) parkeerplaatsen gecreëerd worden. Hiermee is gegarandeerd dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is en kan worden voldaan aan de gemeentelijke norm van 90 parkeerplaatsen.
Door het parkeerterrein westelijk te situeren wordt de afstand tot het dichtstbij liggende woonhuis, Proostdijerdwarsweg 10, vergroot ten opzichte van de huidige ligging van het parkeerterrein. Omwonenden hebben hierdoor geen last van in- en uitrijdend autoverkeer of geluidsoverlast door parkerende auto’s. De bestaande faciliteiten zoals het zwembad en de speeltuin blijven op de huidige locatie gehandhaafd. Het volleybalveld wordt verplaatst naar de westelijke zijde van het terrein zodat eventuele geluidsoverlast voor de bewoners van Proostdijerdwarsweg 10 zoveel mogelijk wordt gereduceerd. In Figuur 3-2 is het ontwerp weergegeven van de nieuwe indeling van het recreatieterrein. In bijlage 1 is het volledige ontwerp met legenda opgenomen.
13
Figuur 3-2 Ontwerp Recreatieterrein De Wilgenborgh
14
4
Ruimtelijke beleidstoets
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (vastgesteld 2020-09-11) Ter voorbereiding op de nieuwe Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2024) heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uitgewerkt. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De herinrichting van het recreatieterrein draagt bij aan de 4e prioriteit: een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Door de herinrichting is het mogelijk het noordelijke deel van het perceel in te richten voor moerasnatuur ten behoeve van het project Moerasblok 1. Conclusie Herinrichting van het recreatieterrein maakt het mogelijk Moerasblok 1 te realiseren. Met de ontwikkelingen binnen Moerasblok 1 worden leefgebieden voor flora- en faunasoorten uitgebreid en verbonden, waardoor de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden voor flora- en faunasoorten worden vergroot. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Conclusie Het gehele plangebied ligt binnen het NNN, waaraan op rijksniveau veel waarde wordt gehecht. De herinrichting van het recreatieterrein maakt het mogelijk om Moerasblok 1 binnen het NNN als één geheel te laten functioneren en is daarmee in overeenstemming met het Rijksbeleid.
4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Het Bro regelt dat de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel 15
genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d.
Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling van meer dan 500 m². De ontwikkeling is daarom als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het bestemmingsplan betreft de ‘omklap’ van percelen. De percelen hebben deels een natuur- en deels een recreatiebestemming. De percelen ten oosten en westen van het recreatieterrein met thans een natuurbestemming krijgen met onderhavig plan de bestemming recreatie.
Het noordelijke deel van het recreatieterrein met thans een recreatiebestemming krijgt met onderhavig plan de bestemming natuur. Het totale ruimtebeslag van beide bestemmingen blijft hierbij gelijk aan het huidige ruimtebeslag. Er wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De ladder hoeft niet verder doorlopen te worden. Conclusie Met het bestemmingsplan wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het gaat om een herinrichting en niet om een uitbreiding van percelen: van bestemming natuur 16
naar bestemming recreatie en van bestemming recreatie naar bestemming natuur. Het totale oppervlak van beide bestemmingen blijft ongewijzigd.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie 2021 en Omgevingsverordening provincie Utrecht (vastgesteld 2022-3003) Op 1 april 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht in werking getreden. In de Omgevingsvisie zijn de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Deze ambities en doelen zijn gebiedsgericht samengebracht in drie regio’s: U16, Amersfoort en Foodvalley. Het projectgebied valt binnen de regio U16. Bij ontwikkeling in het landelijk gebied zet de provincie Utrecht binnen deze regio onder andere in op het behouden en versterken van de kwaliteiten en potenties van landschap en cultuurhistorie. Daarnaast wil de provincie 641 hectare natuur realiseren in het Natuurnetwerk Nederland. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt volledig binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe, wat inhoudt dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN is voor het projectgebied lid 1b van artikel 6.3 (Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland) uit de Ontwerp Omgevingsverordening van toepassing: “Nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang”. Landelijk gebied Binnen de Omgevingsverordening valt het plangebied binnen het Landelijk gebied. Verstedelijking is niet toegestaan. De omklap van het recreatieterrein heeft als doel bij te dragen aan de ontwikkeling van een aaneengesloten leefgebied voor moerasvogels, in aansluiting op eerder gerealiseerde moerasblokken. Met de omklap van het worden bestaande recreatieve functies deels verplaatst en niet gewijzigd. Conclusie De ontwikkelingen binnen het plangebied zijn onderdeel van een groter geheel waarbij de samenhang en kwaliteit van het gehele omliggende gebied wordt vergroot. De herinrichting is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
17
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie De Ronde Venen 2030 (2013-10-17) In de Structuurvisie Ronde Venen 2030 worden de hoofdzaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en de voorgenomen ontwikkeling daarvan beschreven tot aan het jaar 2030. Voor voorliggend bestemmingsplan is in het bijzonder hoofdstuk 3 Landschap uit de Structuurvisie relevant. In dit hoofdstuk wordt het landelijk karakter van de gemeente benadrukt en wordt gesteld dat het landschap het uitgangspunt is voor de ontwikkelingen tot 2030. Voor ontwikkelingen binnen het plangebied is met name het onderwerp Natuur van belang: “De bestaande natuur wordt beschermd en de biodiversiteit en ecologische waarden worden behouden en waar mogelijk versterkt. Economische ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van natuur zijn onder voorwaarden mogelijk, waarbij er wordt gezocht naar maatwerkoplossingen die recht doen aan de belangen van zowel de ondernemer als de natuur.” Conclusie Met de ontwikkeling van Moerasblok 1 worden de biodiversiteit en ecologische waarden van het gebied versterkt. Herinrichting van het recreatieterrein maakt deze ontwikkeling mogelijk.
4.3.2
Landschapsnota de Ronde Venen 2030 In de Structuurvisie van De Ronde Venen is aangegeven dat nadere uitwerking van de Landschapsnota nodig is om het beleid op het gebied van landschap, cultuurhistorie, landbouw, natuur en recreatie te implementeren. Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact die afwijken van het bestemmingsplan. Het streven is dat het aspect landschap dusdanig zorgvuldig wordt afgewogen bij ontwikkelingen en initiatieven dat dit tot wederzijdse versterking leidt. Het plangebied ligt op de Landschapsbeleidskaart binnen de grenzen van deelgebied 8 (Figuur 4-1): Droogmakerij: natuur. In paragraaf 1.1 staat de landschappelijke inpassing van het recreatieterrein beschreven. Het ‘omklappen’ van de percelen maakt het mogelijk een aaneengesloten natuurgebied te creëren waardoor de landschappelijke kwaliteiten worden versterkt. Conclusie De herinrichting van het recreatieterrein komt voort uit de ontwikkelingen rondom Moerasblok 1 en draagt hiermee bij aan het versterken van de biodiversiteit en ecologische en landschappelijke waarden. Hiermee past het plan binnen de Landschapsnota De Ronde Venen 2030.
18
Figuur 4-1 Deelgebiedenkaart De Ronde Venen
4.3.3
Visie verblijfsrecreatie De Ronde Venen 2030 Voor de gemeente De Ronde Venen is recreatie een belangrijke sector. Het toeristisch recreatief aanbod in de gemeente draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving waarin het prettig wonen, werken en recreëren is. De gemeente heeft de ambitie om verblijfsrecreatie gematigd te laten groeien (gemiddeld 3% per jaar tot 2030). De gemeente heeft hierbij de wens om het authentieke karakter van de deelgebieden Plassengebied, Buitengebied en Abcoude en omgeving te behouden, maar daarnaast mogelijkheden te bieden voor ontwikkeling en innovatie van verblijfsrecreatie. Bij ontwikkelingen en (aan)vragen op het gebied van toeristische accommodatie toetst de gemeente of deze aansluiten bij: • • • •
de gewenste kwaliteitsdoelgroepen; het karakter van het betreffende deelgebied; onze duurzaamheidsambitie; werkt de initiatiefnemer op basis van duurzaamheidsprincipes?; risico op permanente bewoning (in samenhang met het gekozen bedrijfsconcept).
19
Het plangebied is binnen de Visie ingedeeld in deelgebied ‘Buitengebied’ (Figuur 4-2). Het buitengebied kenmerkt zich onder andere door een kleinschalig karakter, water en dijkjes. Het type verblijfsrecreant dat bij het Buitengebied hoort is onder andere de Rustzoeker. Kamperen of verblijven op een authentieke plek in het landelijk gebied spreekt de Rustzoeker aan. Recreatieterrein De Wilgenborgh voldoet hiermee aan de gewenste kwaliteitsdoelgroep met behoud van het karakter van het betreffende gebied. In paragraaf 4.3.4 is beschreven hoe met het voorliggende plan wordt voldaan aan de duurzaamheidsambitie van de gemeente. Het risico op permanente bewoning verandert niet ten opzichte van de huidige situatie, het gebruik van het recreatieterrein blijft gelijk.
Figuur 4-2 Toeristisch recreatieve deelgebieden gemeente De Ronde Venen (bron: Visie verblijfsrecreatie gemeente De Ronde Venen)
Conclusie De herinrichting van het recreatieterrein sluit aan bij de in de Visie benoemde kenmerken en doelgroepen. 4.3.4
Spoorboekje naar een klimaatneutrale gemeente in 2040 Naar aanleiding van een unaniem besluit van de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen is in juni 2016 de motie klimaatneutraal 2040 aangenomen. Hierbij werd de 20
gemeente opgedragen om met een programma te komen met als doel om in 2040 een klimaatneutraal De Ronde Venen te zijn. De gemeente definieert klimaatneutraal als volgt: 'dat alle activiteiten en processen op het gemeentelijk grondgebied geen bijdrage meer leveren aan klimaatverandering in de vorm van CO2-uitstoot'. De provincie is opdrachtgever voor de aanbesteding van het werk. Hierbij hanteert de provincie haar eigen MVOI-eisen (Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en Inkopen) die zijn vastgelegd in de nota ‘Inkoop- en aanbestedingsbeleid provincie Utrecht’ (2022). Bij alle meervoudig onderhandse, nationale en Europese aanbestedingen, van alle Werken, Leveringen of Diensten neemt de provincie, waar mogelijk, in de aanbestedingsdocumenten (bijvoorbeeld in de minimumeisen, uitvoeringsvoorwaarden, gunningscriteria en/of het Programma van Eisen) standaard duurzaamheidsaspecten zoals CO2-reductie en energiezuinigheid op. De Wilgenborgh neemt zelf ook diverse maatregelen, zoals warmwatervoorziening met behulp van elektrische (doorstroom)boilers, zodat het recreatieterrein met haar eigen zonnepanelen zoveel mogelijk in de eigen energiebehoefte kan voorzien. Conclusie Zowel in de uitvoering als in de gebruiksfase worden zoveel mogelijk maatregelen genomen om de CO2-uitstoot te beperken. Dit sluit aan bij de doelstellingen uit het spoorboekje naar een klimaatneutrale gemeente.
21
5 5.1
Sectorale aspecten Water
Ten behoeve van de planvorming voor natuurinrichting Moerasblok 1 in de polder Groot Mijdrecht Noord Oost is in 2019 en 2020 veelvuldig afgestemd en nauw samengewerkt met Waterschap AGV/Waternet in de vorm van een ambtelijke Projectgroep en Stuurgroep Groot Mijdrecht Noord Oost. De herinrichting van recreatieterrein De Wilgenborgh hangt samen met de planvorming voor natuurinrichting van Moerasblok 1. Watersysteem Doordat aan weerszijden van het huidige recreatieterrein de percelen bij het terrein worden betrokken, wordt het interne watersysteem van De Wilgenborgh uitgebreid. De oorspronkelijke perceelsloten blijven qua vormgeving ongewijzigd en ook het hydrologisch profiel wordt niet aangepast. De percelen van het recreattieterrein zijn niet voorzien van drainagebuizen. Ontwatering vindt plaats door middel van infiltratie, afvloeiing en afvoer via het slotensysteem. In de nieuwe situatie worden er geen extra voorzieningen getroffen die van (significante) invloed zijn op het huidige grondwatersysteem. Ook op de twee graslandpercelen die bij het recreatieterrein worden getrokken vindt ontwatering plaats door middel van infiltratie, afvloeiing en afvoer via het slotensysteem. Hemelwater dat op de paden valt, kan ter plekke in de halfverharding infiltreren of vloeit af op het naastgelegen onverharde gedeelte en infiltreert in de bodem.
Hemelwater dat op daken van gebouwen en sanitaire voorzieningen valt wordt afgevoerd naar de nabije omgeving en infiltreert in de bodem. Het recreatieterrein voert geen water af middels een hemelwaterafvoer. Sanitaire voorzieningen op het recreatieterrein voeren grijswater af van douche- en toiletvoorzieningen op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Door het plaatsen van twee kleine (extra) douche- en toiletunits, neemt de belasting op het grijswaterriool slechts beperkt toe. Eis Voorzorgsmaatregel Vanuit Waternet geldt er een Eis Voorzorgsmaatregel voor werkzaamheden in de nabijheid van een waterkering. Waternet werkt namens Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en is verantwoordelijk voor de waterkeringen. De herinrichting van het terrein bevindt zich op voldoende afstand van een waterkering, een watervergunning voor werkzaamheden in de nabijheid van een waterkering is niet nodig. Conclusie Er vinden geen significante wijzigingen plaats in het waterhuishoudkundige systeem binnen het projectgebied. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
22
5.2
Bodem
Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. In dit kader is door bodemkwaliteitsbureau Grondslag een vooronderzoek uitgevoerd van het recreatieterrein De Wilgenborgh en de twee hieraan grenzende percelen (april 2021, bijlage 2). Op basis van de resultaten uit dit onderzoek is op een aantal locaties verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (juli 2021, bijlage 3 en april 2022, bijlage 4). Deze onderzoeken tonen aan dat de bodem ter plaatse van twee te verwijderen dammen verontreinigd is. Voor het verwijderen van de dammen wordt in overleg met het bevoegd gezag een saneringsplan opgesteld dan wel een BUSmelding gedaan. Op het oostelijke perceel is een puinpad aanwezig, waarbij sprake is van een Asbestweg zoals bedoeld in de regeling Asbestwegen Wm. Voor het saneren van deze locatie wordt een BRL 7000 gecertificeerde aannemer ingeschakeld. De sanering wordt begeleid door een BRL 6000 gecertificeerde milieukundige. Daarnaast staat op het oostelijke perceel een schuur met asbest dak. Deze zone wordt voordat met uitvoering wordt gestart nog nader onderzocht. Indien nodig wordt ook hiervoor een saneringsplan opgesteld. De onderzoeksresultaten van de overige deellocaties vormen geen belemmeringen.
Conclusie bodemonderzoek De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de ontwikkeling. De verontreinigde locaties worden conform de geldende wet- en regelgeving gesaneerd.
5.3
Ecologie
De voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Door Ecoresult is in april 2021 een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Het volledige onderzoek is bij deze toelichting gevoegd als bijlage 5. De conclusie uit de quickscan is hieronder samengevat. Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en de soortbescherming. De bescherming van de Wnb is grofweg op te delen in 3 categorieën: bescherming van gebieden, bescherming van soorten en bescherming van houtopstanden.
5.3.1
Bescherming van gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Botshol, dit gebied heeft diverse stikstofgevoelige habitats. Aan de hand van een Aerius-berekening (Ecoresult, 2023, bijlage 6 en 6a) is aangetoond dat een negatief effect door emissies (stikstof) als gevolg van de werkzaamheden en de korte afstand tot stikstofgevoelige habitats is uitgesloten.
23
5.3.2
Beschermde soorten Soorten Vogelrichtlijn Jaarrond beschermde nesten: Het plangebied is geschikt voor huismus en ransuil Negatieve effecten zijn op voorhand uitgesloten. De bebouwing en omringende beplantingen blijven behouden en de voor ransuil geschikte bomen worden niet aangetast. Nader onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten: Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Gedurende de uitvoering van het werk dient rekening gehouden te worden met mogelijke vestiging van oeverzwaluw. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen: Op het recreatieterrein is een oude schuur aanwezig waar de ruige dwergvleermuis is aangetroffen.
In het kader van de Wet natuurbescherming is hierover reeds contact geweest met de provincie Utrecht (registratienummer Z-WNB-RI-REG2021-1348). Provincie Utrecht heeft aangegeven dat een ontheffing Wnb niet noodzakelijk is. De redenen die hieraan ten grondslag liggen zijn onder andere de extreem vervallen staat van de deur waarachter de vleermuis is aangetroffen en de datum waarop de vleermuis is gevonden (hoogstwaarschijnlijk doortocht). Daarnaast zijn reeds mitigerende maatregelen genomen door het plaatsen van vier vleermuiskasten in de directe nabijheid van de schuur. Hiermee is voor vleermuizen op doortocht een gunstigere situatie gerealiseerd dan voorheen, omdat de huidige plaats hoe dan ook was komen te vervallen. Omdat niet uitgesloten kan worden dat er tijdens de uitvoering vleermuizen worden aangetroffen, wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin beschreven wordt welke acties genomen moeten worden indien er tijdens de werkzaamheden een vleermuis wordt aangetroffen. Rugstreeppad: Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van rugstreeppad is binnen het plangebied, in de huidige situatie, uitgesloten.
Vestiging tijdens de werkzaamheden kan worden uitgesloten door de werkzaamheden uit te voeren in de periode 1 november- 1 april of door het treffen van maatregelen betreffende het uitrasteren van het plangebied om migratie naar het werkgebied onmogelijk te maken. Nationaal beschermde soorten Ringslang: Het plangebied is geschikt als voortplantingsplaats, overwinteringsplaats en functioneel leefgebied van ringslang. Negatieve effecten zijn echter uitgesloten. Het habitat van ringslang binnen het plangebied blijft behouden. Nader onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig. Overig 24
Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Utrecht. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Invasieve exoten Binnen het terrein van de Wilgenborgh zijn skeletten aangetroffen van Japanse duizendknoop, op een composthoop in het oostelijk deel van het terrein. Andere invasieve exoten zijn binnen het plan niet aangetroffen. De percelen behorende tot het huidig terrein van de Wilgenborgh blijven behouden, op enkele kleinschalige aanpassingen na. De percelen die toegevoegd worden bestaan enkel uit een grasvegetatie. Nader onderzoek naar de exacte aanwezigheid van invasieve exoten wordt binnen het plangebied om deze reden niet noodzakelijk geacht. 5.3.3
Bescherming van houtopstanden De houtopstanden binnen het plangebied vallen onder “houtopstanden op erven of in tuinen”. Dergelijke houtopstanden zijn vrijgesteld van melding en compensatieplicht. In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden. Conclusie Uit bovenstaande analyse blijkt dat ten aanzien van beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde houtopstanden de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Voor de aanwezige ruige dwergvleermuis zijn reeds mitigerende maatregelen genomen. Een ontheffing Wnb is niet nodig. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht waarbij mogelijk schadelijk effect op soorten zoveel mogelijk voorkomen dient te worden.
5.4
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
25
Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Het plangebied is in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een archeologisch verwachtingsgebied landbodem categorie 5 (Figuur 5-1).
Figuur 5-1 Archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen (Van Heeringen e.a. 2017)
In deze bestemming wordt bepaald dat er geen onderzoek nodig is als de verstoring kleiner is dat 2000 m2 en niet dieper gaat dan 30 cm. Omdat de oppervlakte waar ingrepen plaatsvinden groter is dan 2000 m2 is in maart 2021 door Bureau voor Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 7), in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Op basis van de resultaten uit voornoemd onderzoek is in juli 2021 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd (bijlage 8). In Figuur 5-2 is het onderzoeksgebied van het archeologisch booronderzoek weergegeven.
26
Figuur 5-2 Onderzoeksgebied archeologisch booronderzoek (BvA, 2021)
In het plangebied zijn 22 boringen gezet met einddieptes die tussen 200 en 400 cm -mv liggen. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied voornamelijk bestaat uit slappe zwak tot matig siltige grijze klei die als kwelderafzettingen zijn geïnterpreteerd. In één van de 22 boringen (boring 4) is sterk siltige klei met schelpmateriaal aanwezig dat als kreekafzettingen geïnterpreteerd kan worden. Het patroon van een langgerekte laagte (kreekgeul) en naastliggende oevers dat op luchtfoto’s en AHN herkenbaar is, blijkt in het veld op basis van textuur niet te onderscheiden van de omringende kwelderafzettingen. Het betreft waarschijnlijk een smalle kreek aan het uiteinde van een krekenstelsel dat relatief snel ‘verdronken’ is in het veenmoeras dat daarna is ontstaan. De kans dat in het plangebied een kreekoever aanwezig is die gebruikt kan zijn voor menselijke bewoning wordt als klein ingeschat. Het Pleistocene niveau ligt tussen 330 en 380 cm -mv (-985 en -956 cm NAP). Er is geen sprake van bodemvorming in de Pleistocene afzettingen wat erop wijst dat de top van het pakket niet of relatief kort aan de oppervlakte heeft gelegen. Er is daarom waarschijnlijk geen sprake van een stabiel loopvlak dat door jagersverzamelaars kan zijn gebruikt als verblijfplaats. De kans op archeologische resten uit het Paleolithicum en Vroeg Mesolithicum wordt daarom als klein ingeschat.
Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Als bij 27
uitvoering van werkzaamheden anders dan het doen van opgravingen vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, is het op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om deze te melden bij de bevoegde overheid. Om praktische redenen kan deze melding worden gedaan bij de gemeente. De melding moet worden vergezeld van een foto van de vondst en gegevens over de exacte locatie van de vondst. Cultuurhistorie Door de ingreep kan de regelmatige strokenperceling die kenmerkend is voor het landschap (plaatselijk) verloren gaan. Rondom het plangebied in de polder Mijdrecht blijft echter een groot vlak van dit landschapstype aanwezig. Maatregelen om dit element te behouden zijn daarom niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied in een inundatiezone van de stelling van Amsterdam en de Oude Hollandse Waterlinie. Het inundatiegebied blijft na de ingreep als zodanig herkenbaar en daarop is geen nadelig effect. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het realiseren van de herinrichting van het plangebied.
5.5
Verkeer en parkeren
Het totale aantal kampeerplekken is 76 en er zijn 8 camperplekken voorzien. De parkeernorm van de gemeente De Ronde Venen is 1,2 parkeerplek per kampeerplek, waardoor er 91 parkeerplaatsen nodig zijn. Op het recreatieterrein is een parkeerterrein voorzien voor 81 auto’s. Indien nodig, bijvoorbeeld bij topdrukte, kunnen één of twee camperplaatsen tijdelijk worden ingericht als parkeerterrein. Per camperplaats kunnen circa 8 extra (tijdelijke) parkeerplaatsen gecreëerd worden. Conclusie Met de aanleg van een parkeerterrein voor 81 auto’s en de mogelijkheid de parkeergelegenheid (tijdelijk) uit te breiden met 8 tot 16 parkeerplaatsen is gegarandeerd dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is en dat wordt voldaan aan de gemeentelijke norm van 91 parkeerplaatsen. Een significante toename van verkeershinder als gevolg van een toename in bestemmingsverkeer is niet te verwachten, aangezien de ingreep het verplaatsen van een deel van het recreatieterrein naar de belendende percelen betreft en niet een uitbreiding hiervan.
5.6
Lucht en geluid
5.6.1
Lucht Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkelingen, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een 28
gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Indien het project valt binnen de categorieën van gevallen die omschreven zijn in de ‘Regeling Niet in betekenende mate (NIBM)’, dan is toetsing aan de grenswaarden niet nodig. In de bijlagen bij de NIBM is gespecificeerd welke projecten zijn vrijgesteld van toetsing. Dit zijn onder andere: Bijlage 3A.1 – Kantoorlocaties indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat; Bijlage 3A.2 – Woningbouwlocaties indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat. Conclusie Aangenomen kan worden dat de herinrichting van het recreatieterrein geen (dreigende) overschrijding van de grenswaarden veroorzaakt en ruim onder de grenswaarden voor toetsing valt op basis van de NIBM. Conform artikel 5.16, lid 1a van de Wm kan het project doorgang vinden en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.6.2
Geluid Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een geluidzone wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. De verblijfsrecreatieve functie wordt in de zin van de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig aangemerkt. Conclusie Gesteld kan worden dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze functie vanuit oogpunt van geluid aanvaardbaar is; dit gelet op de zeer bescheiden verkeersintensiteit op de Proostdijerdwarsweg en de relatief beperkte omvang van het initiatief.
5.7
Externe veiligheid
Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)’, de ‘Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen’ en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Externe veiligheid inrichtingen 29
Kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden zijn binnen het Bevi aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Volgens de risicokaart (Risicokaart.nl) is er in de directe omgeving van het plangebied geen inrichting die een bedreiging kan vormen voor de planontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Voor gevaarlijk wegtansport binnen gemeentelijke en provinciale wegen is de gemeente c.q. de provincie bevoegd een routering vast te leggen. Om een extern risico van enige omvang aan te kunnen tonen is een relevante vervoersstroom van bulktransport nodig. In de onmiddellijke omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Echter zijn incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Externe veiligheid buisleidingen/KLIC-melding Het Bevb stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In maart 2021 is een KLIC-melding uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen hoogspanningsleiding en buisleidingen die vallen onder het Bevb aanwezig zijn binnen het projectgebied. Wel geldt er voor de uitvoering van de werkzaamheden een Eis Voorzorgsmaatregel (E.V.) in verband met de aanwezigheid van datatransportkabels van grote waarde (Verizon). Voor aanvang van de werkzaamheden is overleg met de netbeheerder noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen aspecten rondom externe veiligheid zijn die vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staan.
5.8
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het algemeen wordt voor de afstemming gebruik gemaakt van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor een van beide optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. De afstanden worden 30
gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De volgende afstanden worden per milieucategorie gehanteerd. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype
Richtafstand tot
rustige woonwijk en rustig
omgevingstype gemengd
buitengebied
gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Een kampeerterrein wordt geschaard onder milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30, 0, 50 en 30 meter voor geur, stof, geluid en gevaar. Alle gevoelige bestemmingen in de directe omgeving liggen op meer dan 50 meter afstand van het recreatieterrein. De dichtstbijzijnde gevoelige functie, een woning, bevindt zich ten oosten van het recreatieterrein (Proosdijerdwarsweg 10). De afstand tussen de perceelsgrenzen van de woning en het recreatieterrein bedraagt in de nieuwe situatie 50 meter. Daarnaast bestaat de perceelafscheiding van het nieuw in te richten perceel van het recreatieterrein, aan de zijde van de Proosdijerdwarsweg 10, uit een brede strook beplanting en wordt in de zuidoosthoek van het recreatieterrein een opslaglocatie voor beheer en onderhoud gecreëerd. Hierdoor zal de beoogde uitbreiding geen toegenomen hinder veroorzaken voor de nabijgelegen woning. Mogelijk kan hinder ondervonden worden van het parkeerterrein van het recreatieterrein als gevolg van dichtslaande deuren of startende motoren. Het parkeerterrein is daarom gesitueerd aan de westelijke zijde van het perceel. De afstand van de perceelsgrens van de woning tot het parkeerterrein bedraagt in de nieuwe situatie ruim 200 meter, waardoor eventuele hinder tot het minimum beperkt blijft.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
31
5.9
Besluit milieueffectrapportage (MER-beoordeling) Vormvrije MER-beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • • •
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten
In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D10 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een jachthaven en permanente kampeer- en caravanterreinen opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op: • • • •
250.000 bezoekers of meer per jaar; een oppervlakte van 25 hectare of meer; 100 ligplaatsen of meer of; een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.