Bijlage 6 Reactienota zienswijzen Omgevingsvisie De Ronde Venen
Tekst van het document
Reactienota zienswijzen ontwerp Omgevingsvisie gemeente De Ronde Venen 2040 Oktober 2025 Dit document geeft een samenvatting van de zienswijzen die zijn ingebracht ten aanzien van de ontwerp Omgevingsvisie gemeente De Ronde Venen 2040. Daarnaast is de reactie van de gemeente opgenomen op de ingebrachte punten en de wijze van verwerking in de omgevingsvisie.
Ziens wijze
1
Samenvatting zienswijze
Beantwoording zienswijze
Indiener 1 A. De indiener is positief over de concept omgevingsvisie, met name over de aanzienlijke woningbouwambitie, de voorgenomen fietsroute en de wens tot het doortrekken van de tram en verbeteringen in het openbaar vervoer. B. De indiener maakt zich zorgen over de verkeerskundige gevolgen van de voorgenomen woningbouw en verzoekt aanvullende maatregelen te treffen in de uitwerking van de omgevingsvisie. Hierbij benoemt de indiener concreet een heroverweging van de verkeersstructuur rond de Irenebrug en N201. C. De indiener ondersteunt het streven voor de realisatie van zorgwoningen, omdat het ook een positieve bijdrage kan leveren aan de beschikbaarheid van passende huisvesting. Wel vraagt de indiener om voldoende aandacht voor de uitbreiding van zorgvoorzieningen, zoals
A. De gemeente is verheugd te horen dat de indiener positief is over de omgevingsvisie en de genoemde ambities. B. In de omgevingsvisie zijn woningbouwlocaties aangewezen die de bestaande knelpunten in de infrastructuur zo min mogelijk belasten. De verkeerskundige impact van woningbouwontwikkelingen zal bij nadere uitwerking worden geanalyseerd. Waar nodig en mogelijk zullen dan maatregelen worden getroffen om de verkeersdruk, onder andere in relatie tot de gemeente Uithoorn, acceptabel te houden. C. In de omgevingsvisie wordt bij de gebiedsspecifieke keuzes voor de kleine dorpen het volgende beschreven: “Specifiek voor Amstelhoek geldt dat we inzetten op enigszins grootschaligere uitbreiding, vanwege de strategische ligging aan de gestrekte ov-as met de
1 van 32
huisartsenpraktijken, gezondheidscentra en woonzorg, zodat de uitbreiding de zorginfrastructuur in de gemeente Uithoorn niet onder druk zet. D. Ook voor onderwijs- en kinderdagopvangvoorzieningen ontbreekt volgens de indiener een concrete uitwerking in de concept omgevingsvisie. E. De indiener constateert dat de concept omgevingsvisie er van uitgaat dat bewoners van het dorp Amstelhoek gebruikmaken van voorzieningen in de gemeente Uithoorn. De indiener vraagt daarom om nadere toelichting en voldoende aandacht hiervoor in de planvorming, om te voorkomen dat de druk op de Uithoornse faciliteiten verder toeneemt. F. De indiener vraagt de gemeente de samenwerking zoals beschreven in de omgevingsvisie nader uit te werken, en bijvoorbeeld het periodieke ‘Amsteloeveroverleg’ met de gemeente Uithoorn hierin te noemen.
nabijheid van de tramhalte Uithoorn. Hiervoor zullen we als gemeente nauwe afstemming zoeken met de gemeente Uithoorn. Omdat Amstelhoek zelf over relatief weinig voorzieningen beschikt, ligt hier de focus hoofdzakelijk op doelgroepen die goed in staat zijn om gebruik te maken van voorzieningen elders, zoals in Uithoorn.” Hieraan voegen we toe: “[...]. Ook wat betreft een (toenemende) druk op (zorg)voorzieningen in Uithoorn ten gevolge van een uitbreiding bij Amstelhoek en de eventuele noodzaak om bepaalde voorzieningen in de uitbreidingsplannen te integreren, wordt in overleg getreden met de gemeente Uithoorn.” D. In de begrippenlijst wordt uitgelegd dat wanneer in de omgevingsvisie wordt gesproken over ‘voorzieningen’ dit onder andere “onderwijs, medische zorg, winkels, sport of ontspanning” omvat. Ook kinderopvang valt onder deze voorzieningen. E. In de gebiedsspecifieke keuzes voor kleine dorpen staat het volgende opgenomen: “Voor Amstelhoek, Baambrugge, De Hoef en Waverveen zetten we in op het verbeteren van de bereikbaarheid en nabijheid van voorzieningen in de 4 grote dorpen.” Dit doen wij onder andere om ervoor te zorgen dat inwoners van Amstelhoek de voorzieningen in grote dorpen in de toekomst (nog) beter zullen gebruiken en daarmee de impact op de Uithoornse faciliteiten te beperken.
Daarnaast hebben wij in deze gebiedsspecifieke keuzes opgenomen dat de samenwerking voor de woningbouwuitbreiding in Amstelhoek nadrukkelijk de samenwerking zal zoeken met de gemeente Uithoorn. F. Omwille van het detailniveau en de omvang van de omgevingsvisie, worden specifieke samenwerkingsverbanden in het uitvoeringshoofdstuk niet beschreven, maar het Amsteloeveroverleg is zeker een goed voorbeeld van een samenwerkingsverband waar de gemeente op wil (blijven) inzetten.
2 van 32
2
Indiener 2 A. De indiener pleit voor het instellen van een maximumsnelheid van 30 km/u in alle dorpskernen van de gemeente ten behoeve van het vergroten van fietsveiligheid. B. De indiener stelt voor om eenrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer te implementeren in drukke straten. C. De indiener verzoekt om fietspaden die dorpskernen met elkaar verbinden zoals de Industrieweg in Mijdrecht te verbreden, en bestaande wegen te herinrichten waar fietsstroken of -paden ontbreken. D. De indiener vraagt om investeringen in meer ruimte voor fietsparkeerplaatsen, zowel bij woningen als voorzieningen. Deze fietsvoorzieningen moeten volgens de indiener geschikt zijn voor alle soorten fietsen en geschikt zijn voor alle leeftijden. E. De indiener pleit voor het instellen van voorrangsregels voor fietsers ten behoeve van een consistent verkeersbeleid.
A. Dit punt overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie. Dit soort zaken krijgt mogelijk uitwerking in het ‘uitvoeringsplan mobiliteit’: één van de beleidskaders die als nadere uitwerking van de omgevingsvisie dient te worden opgesteld en wordt benoemd in het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’. B. Dit punt overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie. Dit soort zaken krijgt mogelijk uitwerking in het ‘uitvoeringsplan mobiliteit’: één van de beleidskaders die als nadere uitwerking van de omgevingsvisie dient te worden opgesteld en wordt benoemd in het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’. C. In de omgevingsvisie wordt reeds de ambitie uitgesproken om de fietsverbindingen tussen de (kleine en grote) dorpen te verbeteren en veilig(er) te maken,, bijvoorbeeld door deze waar mogelijk vrijliggend te maken. In sommige gevallen kan ook verbreden van wenselijk zijn. Dit wordt aan de omgevingsvisie toegevoegd D. De ambitie om in de dorpen mobiliteitshubs te realiseren, omvat onder andere voorzieningen voor fietsparkeren. Het toevoegen van fietsvoorzieningen bij individuele woningen overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie. E. Dit punt overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie.
Dit soort zaken krijgt mogelijk uitwerking in het ‘uitvoeringsplan mobiliteit’: één van de beleidskaders die als nadere uitwerking van de omgevingsvisie dient te worden opgesteld en wordt benoemd in het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’.
3 van 32
3
Indiener 3 De indiener geeft aan zich als organisatie (namens onze leden) reeds in grote mate te herkennen in de voorliggende visie. Wel zijn diverse thema's c.q. aspecten, die volgens de indiener bijzondere aandacht behoeven en redelijkerwijs erkend dan wel betrokken dienen te worden in de visie (en bij de verdere uitwerking van instrumenten in het kadervan de Omgevingswet). A. De indiener vraagt om mogelijkheden te creëren om bestaande bedrijfslocaties te kunnen ontwikkelen alsook te kunnen uitbreiden, alsmede nieuwvestiging in het buitengebied mogelijk te maken om uitvoering te kunnen geven aan de in de omgevingsvisie vermelde ambities. B. De indiener vraagt om expliciete erkenning van het bestaansrecht en de maatschappelijke waarde van cumelabedrijven in het buitengebied. Deze bedrijven zijn volgens de indiener onmisbaar voor het functioneren van het landelijk gebied. C. De indiener verzoekt om bij de aanleg, verandering of onderhoud van alle ontsluitingswegen rekening te houden met het materieel van cumelabedrijven. D. De indiener vraagt aandacht om bij de bedrijfslocaties van cumelabedrijven voldoende (buiten)opslagmogelijkheden toe te staan en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie.
E. De indiener pleit bij de bedrijfslocatie van cumelabedrijven voldoende mogelijkheden te creëren om energie op te wekken en op te slaan en dit expliciet de benoemen in de omgevingsvisie.
A. De indiener maakt in haar zienswijze niet duidelijk welke ‘in de omgevingsvisie vermelde ambities’ zij op doelt. De mogelijkheden voor uitbreiding en nieuwvestiging van (agrarische) bedrijven in het buitengebied worden in de omgevingsvisie gebiedsspecifiek uitgewerkt. Op basis van het cultuurhistorische landschap en de water- en bodemcondities verschillen de mogelijkheden hiervoor per deelgebied. Dit is juist nadrukkelijk een resultaat van de in de omgevingsvisie vermelde ambities. B. Wij onderschrijven het belang van het bestaansrecht en de maatschappelijke waarde van cumelabedrijven in het buitengebied van de gemeente. Wij nemen kennis van deze opmerking, maar zullen het niet expliciet in de omgevingsvisie opnemen. Wij benoemen immers voor andere branches ook niet hun bestaansrecht en maatschappelijke waarde, en willen hierin één lijn trekken. C,D,E De omgevingsvisie is een langetermijnvisie voor 2040 voor de gehele leefomgeving. We beschrijven welke doelen en ambities we nastreven. Bij een visie voor 2040 hoort een bepaald abstractieniveau. De concrete uitwerking volgt in andere plannen. Uw verzoek om rekening te houden met materiaal van cumelabedrijven bij ontsluitingswegen, om rekening te houden met voldoende (buiten)opslagmogelijkheden cq. -uitbreiding en om voldoende mogelijkheden om energie op te wekken en op te
4 van 32
F.
4
In de visie komt de uitnodiging om het met elkaar te doen nadrukkelijk tot uiting. Indiener geeft aan als organisatie graag op deze uitnodiging in te willen gaan en te willen participeren bij de verdere uitwerking van de ambities.
F.
slaan nemen we mee in de uitwerking van de omgevingsvisie. Voor de uitvoering van de omgevingsvisie en de bijbehorende programma’s onderstrepen wij het belang van samenwerking met u en andere partners. Daarom nemen wij kennis van uw aanbod om samen te (blijven) werken aan de opgaven en ambities vanuit de omgevingsvisie en nemen we dit ter harte.
Indiener 4 1. Thematisch De indiener complimenteert de gemeente voor de totstandkoming van de ontwerp omgevingsvisie, met name de tijd en energie die gestoken is in de paprticipatie, wat een goede basis heeft gelegd voor de ontwerp omgevingsvisie. A. De indiener vindt dat de ontwerp omgevingsvisie nog vrij abstract is. B. De indiener pleit voor het expliciet opnemen van het waarborgen van de Basiskwaliteit Natuur - niet alleen binnen natuurgebieden, maar juist ook in het landelijke en stedelijke gebied waar natuur niet de primaire functie is. C. Leidende principes zoals toekomstbestendig, natuurinclusief, klimaatadaptatie, circulair en functiecombinaties, landschapstype en groenblauwe dooradering komen volgens de indiener onvoldoende aan bod. Specifiek missen op p. 10 en 19 de natuuropgave. D. De koppeling met UPLG wordt niet benoemd en moet worden doorvertaald in alle ambities van de omgevingsvisie volgens de indiener.
1. Thematisch
A. De omgevingsvisie kent inderdaad een bepaald abstractieniveau. Concretere uitwerking vindt in de omgevingsprogramma’s plaats. B. In strategische kernambitie 3 wordt nu beschreven dat we kiezen voor “Het realiseren van de noodzakelijke natuurontwikkeling, in lijn met landelijke en provinciale doelstellingen.” Hieraan voegen we toe “en de Basiskwaliteit Natuur als belangrijk streven.” C. Hoewel deze onderwerpen niet expliciet als leidende principes zijn benoemd in de omgevingsvisie, zijn al deze aspecten wel degelijk integraal onderdeel van de visie. Bijvoorbeeld als het gaat om landschapstypen: de indeling voor het buitengebied voor de gebiedsgerichte uitwerking is hierop gebaseerd en hier worden gebiedsspecifieke keuzes verbonden. D. Het UPLG vormde belangrijke input voor de omgevingsvisie. We voegen het UPLG toe aan het overzichtsschema (figuur 2) met de beleidsprocessen onder het kopje ‘regionaal’.
5 van 32
E. De indiener merkt op dat veel belangrijke keuzes worden doorgeschoven naar de programma’s (en zodoende naar het college) en dat de omgevingsvisie nu te weinig sturend is. De indiener roept de gemeenteraad op om óf een lijst vast te stellen over beslissingen die zij zelf willen nemen óf veel specifiekere keuzes te maken in de omgevingsvisie.
E. Het huidige abstractieniveau van de omgevingsvisie en de keuze om bepaalde zaken in de omgevingsprogramma’s nader uit te werken, is een resultaat van het doorlopen (participatie)proces met bewoners, stakeholders, college en gemeenteraad. In principe gaan we met omgevingsprogramma’s waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die op de lijst van bindend advies staan, altijd naar de gemeenteraad. Zo houdt de raad altijd een sturende rol. We zullen dit nader benoemen in het uitvoeringshoofdstuk van de omgevingsvisie.
Kernambitie 1:
Kernambitie 1:
Wonen en voorzieningen
Wonen en voorzieningen
A. De indiener wil dat de ontwerp omgevingsvisie specificeert welke kaders bedoeld worden bij dat de kwaliteit van de leefomgeving meegroeit bij de ontwikkeling van de gemeente (Groen Groeit Mee). De indiener vermoedt dat hiermee recreatief groen en natuur gelijktijdig met de groei van de gemeente worden versterkt. B. De gemeente heeft zich gecommitteerd aan het Convenant Toekomstbestendig Bouwen met ambitieniveau brons, m.u.v. de ambities rondom de parkeernorm. De indiener is benieuwd naar de beweegredenen achter deze keuze en roept op om de aanbeveling uit het planMER te volgen en de parkeernorm te verlagen. C. De indiener pleit voor een volwaardige plek in de uitvoering van de omgevingsvisie voor bewonerscollectieven en -initiatieven. D. De indiener roept op om een concrete definitie van natuurinclusieve woningen op te nemen in de ontwerp omgevingsvisie, met bijvoorbeeld een puntensysteem.
A. We doelen inderdaad op de ambitie zoals door de provincie Utrecht beschreven in Groen Groeit Mee: “de ambitie om recreatief groen, natuur, water en landschap mee te laten groeien met het stijgende aantal woningen in de provincie Utrecht.” B. De gemeenteraad heeft besloten de uitzondering van de parkeernorm op te nemen. In de omgevingsvisie is dit besluit overgenomen. C. In het hoofdstuk ‘samenwerking’ beschrijven we hoe we samen met ketenpartners en inwoners uitvoering willen geven aan (de verdere uitwerking van) de omgevingsvisie. Bewonerscollectieven- en initiatieven vormen hier een belangrijk onderdeel van. D. Dit overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie. We nemen kennis van deze suggestie voor verdere uitwerking.
6 van 32
E. De indiener verzoekt om de 3-30-300 regel omtrent groen in (bestaande) stedelijke gebieden op te nemen. F. De indiener pleit voor het benoemen van het benutten van daken van zowel bestaande als nieuwbouwwoningen voor multifunctioneel gebruik (energieopwekking, warmtewinning uit regenwater, biodiversiteit etc). Hierbij adviseert de indiener om te benoemen dat de daken even stevig moeten zijn als de vloer van een nieuwe verdieping.
Gezondheid A. De indiener verzoekt de gemeente om in de omgevingsvisie concrete maatregelen op te nemen ter verbetering van de luchtkwaliteit en om te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2021. Ook vraagt de indiener aandacht voor het ontmoedigen van houtstook. B. De indiener roept de gemeente op om te beschrijven op welke wijze wordt voldaan aan de wettelijke normen van licht, geur en geluid.
E. De 3-30-300 regel is opgenomen in het convenant toekomstbesteding bouwen. Hierbij streven wij bij nieuwbouwontwikkelingen naar niveau brons, wat voorschrijft dat 33% van een plangebied dient te voldoen aan de 3-30-300 regel. Voor de bestaande stedelijke omgeving zetten we in op een klimaatrobuuste inrichting van de openbare ruimte, waarbij de nadruk ligt op waterberging en het vergroenen van de dorpen, ter voorkoming van hittestress en wateroverlast. Hiertoe zullen we, ook bij verdichtingsprojecten, zuinig zijn op de bestaande groenstructuren in de dorpen, inzetten op het verwijderen van onnodige verharding en toezien op het creëren van voldoende schaduwrijke plekken. F. Het benutten van daken voor deze ambities wordt beschreven in de gebiedsgerichte uitwerkingen voor grote dorpen en kleine dorpen, onder andere als volgt: “Er ligt een stevige opgave in kwaliteitsverbetering, verduurzaming en energiebesparing. Daarom zetten we in op het toekomstbestendig maken van de huidige woningvoorraad.” De vereisten voor dakconstructies overstijgen het detailniveau van de omgevingsvisie. Gezondheid A. In strategische kernambitie 1 staat het volgende: “We kiezen voor een goed woon- en leefklimaat waarin we zorg dragen voor het milieu.
Dit betekent onder andere voldoende aandacht voor (externe) veiligheid en een aanvaardbaar niveau van geluid-, lichten geurhinder.” Hieraan voegen we toe: “...dat voldoet aan de wettelijke kaders.” De gemeenteraad heeft eerder besloten niet aan te sluiten bij het Schone Lucht Akkoord en daarmee ook niet te streven naar de WHO-advieswaarden uit 2021. B. De omgevingsvisie heeft een bepaald abstractieniveau. De ambitie om hieraan te voldoen is n.a.v. punt A aangescherpt, de
7 van 32
C. De indiener pleit voor het opnemen van het weren van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op haar grondgebied, in het bijzonder rond kwetsbare locaties zoals woningen, scholen en ziekenhuizen. D. De indiener roept op tot het opnemen van het toepassen van ecologisch bermbeheer.
uitvoering hiervan is onderdeel van verdere uitwerking. C. Hoewel dit specifieke punt het detailniveau van de omgevingsvisie overstijgt, kan dit worden gezien als onderdeel van wat wordt beschreven onder strategische kernambitie 1: “We kiezen voor een goed woon- en leefklimaat waarin we zorg dragen voor het milieu”. D. Wij zien dit als mogelijk kansrijke utvoeringsmaatregel van het ‘vergroenen’ van dorpen en bedrijventerreinen en het versterken van ecologische verbindingen in het buitengebied, ambities die beide reeds zijn beschreven in de omgevingsvisie.
Water A. De indiener stelt dat de ontwerp omgevingsvisie onvoldoende aandacht besteed aan drinkwaterverbruik en verzoekt concrete maatregelen op te nemen met betrekking tot waterkwantiteit voor zowel persoonlijk gebruik als voor agrarische activiteiten.
Water A. In de omgevingsvisie zijn een aantal (ruimtelijke) keuzes gemaakt die erop gericht zijn om droogte te bestrijden en op die manier bij te dragen aan het verminderen van het drinkwatergebruik. Het nemen van directe maatregelen t.b.v. een gedragsverandering m.b.t. waterverbruik bij particulieren en ondernemers overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie.
Kernambitie 2:
Kernambitie 2:
Mobiliteit
Mobiliteit
A. De indiener verzoekt de gemeente om deze inzet te verankeren in aanvullende maatregelen in de omgevingsvisie, zodat duurzame mobiliteitskeuzes daadwerkelijk worden gestimuleerd. Denk hierbij aan het verlagen van de parkeernormering, realisatie van autoluwe centra, voorrang duurzame vervoerswijzen bij (her)inrichting openbare ruimte, parkeerregulering en snelheidsverlaging op 50 km/u-wegen en waar mogelijk terugbrengen naar 30 km/u.
A. In de omgevingsvisie staan diverse ambities m.b.t. duurzame mobiliteit geformuleerd. De genoemde mogelijke maatregelen overstijgen het detailniveau van de omgevingsvisie. Dit soort zaken krijgt mogelijk uitwerking in het ‘uitvoeringsplan mobiliteit’: één van de beleidskaders die als nadere uitwerking van de omgevingsvisie dient te worden opgesteld en wordt benoemd in het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’.
8 van 32
Energie en Klimaat A. De indiener verzoekt de volgende zin aan te passen: ‘We stimuleren duurzame energieopwekking via lokale initiatieven, zoals via energiecoöperaties.’ (p. 46). Indiener geeft aan dat een energiecoöperatie de enige realistische manier is voor zeggenschap in een dergelijk project. B. De indiener verzoekt het toevoegen van de volgende zin: ‘“We streven daarbij naar 100% lokale zeggenschap, met een minimum van 50%. Duurzame energieprojecten kennen aan het begin van het project de ingrijpendste besluiten voor de omgeving, en daarom moet de energiecoöperatie en de inwoners vanaf het begin zeggenschap respectievelijk inspraak hebben. Tot slot moet de coöperatie voor iedereen openstaan en democratisch gecontroleerd worden, zodat iedereen kan deelnemen aan de zeggenschap.” C. De indiener stelt voor om de inzet op multifunctioneel ruimtegebruik bij energieopwek projecten te benoemen in de concept omgevingsvisie. D. De indiener vraagt of expliciet benoemd kan worden dat bij het clusteren van duurzame energieopwek op grote daken en in het buitengebied verwezen wordt naar zonnedaken en -velden. E. De indiener uit zorgen over de keuze voor de Waardassackerpolder als potentiële locatie voor een grootschalige zonneveld wegens de status als veenweidegebied.
Twee andere locaties (onderzoeksgebieden 33 en 38 uit planMER Windenergie Utrecht) lijken hier geschiktere locaties te zijn. Hierbij pleit de indiener ook voor de goede inpassing en natuurinclusiviteit van het ontwerp. In deze gebieden zouden volgens de indiener ook een combinatie van zonne- en windenergie mogelijk zijn voor een evenwichtiger energiesysteem. Derhalve trekt de indiener de volgende bewering in twijfel: ‘10. Wij maken ons energiesysteem qua netcapaciteit gereed voor de toekomst. We zorgen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen inspelen op het optimaliseren van het energiesysteem, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk energie lokaal op te wekken en te gebruiken’. De indiener verzoekt de onderzoeksgebieden met de gecombineerde inzet te
Energie en klimaat A. We voeren de gevraagde aanpassing door in het stuk. B. Dergelijke uitspraken overstijgen het detailniveau van de omgevingsvisie, maar vormen wel reeds onderdeel van het Beleidsplan grootschalige zonnevelden, waarin het 50% eigenaarschap al wordt benoemd. In het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’ benoemen we dat we dit beleidsplan de komende tijd willen gaan herijken. We nemen kennis van uw suggesties richting deze herijking. C. Ook hiervoor geldt dat richtlijnen m.b.t. meervoudig ruimtegebruik staan opgenomen in het Beleidsplan grootschalige zonnevelden. D. Onder strategische kernambitie 2 staat het volgende: “Het clusteren van duurzame energieopwek op grote daken en in het buitengebied alsook voor het faciliteren van bottom-up initiatieven vanuit de dorpen.” We vullen dit aan naar “duurzame energieopwek in de vorm van zonnepanelen”. E. De gebieden op de visiekaart waar grootschalige zonnevelden onderzocht kunnen worden, zijn de ‘ja, mits’-gebieden uit het Beleidsplan grootschalige zonnevelden, zoals ook in de legenda beschreven. In het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’ benoemen we dat we dit beleidsplan de komende tijd willen gaan herijken. We nemen kennis van uw zorgen en suggesties richting deze herijking.
9 van 32
onderzoeken en de keuze voor uitsluitend zonne-energie te onderbouwen. De indiener wijst op het opnemen van het benadrukken van het zorgvuldig inpassen van erfwindmolens, passend bij de natuurwaarden. G. De indiener verzoekt om (naast Natura2000-gebieden) ook NNN, weidevogelkerngebieden en ganzenrustgebieden uit te sluiten van energieopwekking, en dit ook op te nemen in de visiekaart op p. 22. H. De indiener mist onderbouwing waarom de gemeente van mening is dat de energieopgave goed samengaat met recreatie, cultuurhistorie en erfgoed. I. De indiener raadt aan om 1) de bewonersinitiatieven expliciet te benoemen en te betrekken in de warmtetransitie, 2) een plan in co-creatie op te stellen voor een bottom-up aanpak. F.
F.
Over erfmolens staat in de gebiedsspecifieke keuzes voor het buitengebied nu het volgende opgenomen: “[...] deze zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de regels zoals beschreven in Bestemmingsplan Buitengebied West en zorgvuldig worden ingepast met oog voor de landschappelijke waarden en natuurwaarden.” G. De gebieden op de visiekaart waar grootschalige zonnevelden onderzocht kunnen worden, zijn de ‘ja, mits’-gebieden uit het Beleidsplan grootschalige zonnevelden, zoals ook in de legenda beschreven. In het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’ benoemen we dat we dit beleidsplan de komende tijd willen gaan herijken. We nemen kennis van uw zorgen en suggesties richting deze herijking. H. Het is de gemeente niet duidelijk naar welke uitspraak in de omgevingsvisie hier exact wordt verwezen. Hoewel de energieopgave in het buitengebied met de juiste inpassing goed kan bestaan naast recreatie en erfgoed, wordt in de omgevingsvisie geen direct verband gelegd. I. De suggesties overstijgen het detailniveau van de omgevingsvisie, maar worden meegenomen richting het warmteprogramma.
Kernambitie 3:
Kernambitie 3:
Landschap en cultuurhistorie buitengebied
Landschap en cultuurhistorie buitengebied
De indiener onderschrijft de ambitie omtrent het koesteren en versterken van de natuur en landschappen van harte. A. De indiener pleit voor het expliciet opnemen dat er in NNN-gebieden geen ruimtelijke ontwikkelingen moeten plaatsvinden. Tevens moet het NNN worden afgemaakt, door bijvoorbeeld het toevoegen van de Groene
A. In de omgevingsvisie wordt beschreven dat de gemeente haar NNN-gebieden en weidevogelkerngebieden zorgvuldig wil beschermen. De gemeente wil per initiatief (en in samenspraak met bijvoorbeeld provincie) beoordelen of deze ruimtelijke
10 van 32
B. C.
D.
E.
Contour-percelen. Derhalve verzoekt de indiener een toelichting van hoe het NNN versterkt gaat worden. De indiener mist de Groene Contour-percelen op de visiekaart. De indiener roept de gemeente op om kennis te nemen van de Natuurvisie Utrecht 2050 en de aanbevelingen op te nemen in de omgevingsvisie: a. Het areaal laagveenmoerassen uit te breiden door gebieden samen te voegen en nieuwe laagveenmoerassen te ontwikkelen. b. De vermesting en verzuring van laagveenmoerassen te verminderen. c. Schoon kwelwater en neerslagwater te benutten d. Grondwater benedenstrooms van de wetlands te winnen e. De bodemdaling en peilverlaging rond de laagveenmoerassen te stoppen f. Te zorgen voor natuurlijke overgangen naar de flanken van de heuvelrug g. Recreatiezones aan te wijzen in het laagveenmoeras h. (Nieuwe)moerasbossen te ontwikkelen i. De waterlinie beter ‘leesbaar’ te maken in de landschap De indiener onderstreept het belang van een goede zonering van recreatie en natuur, ook in de toekomst. Deze moet hand in hand gaan met de ontwikkeling van nieuwe groene gebieden en recreatiemogelijkheden. Nu wordt het Plassengebied benoemd in het kader van zonering, maar de indiener pleit voor een bredere uitleg in de omgevingsvisie. De indiener ziet natuurontwikkeling als een kans, terwijl het nu als verplichting klinkt.
Derhalve ziet de indiener potentie in het benoemen van de omgeving van Botshol, waar boeren actief met agrarisch natuurbeheer zijn, wat bijdraagt aan een rijk weidevogelleven, als kwaliteit die de gemeente wil koesteren en versterken.
B.
C.
D.
E.
ontwikkeling strijdig is met het beschermen van de natuurwaarden in deze gebieden. Voor de manier waarop wij de NNN willen versterken, werken wij nauw samen met de provincie. In de gebiedsgerichte uitwerkingen worden actuele ontwikkelingen in dit kader benoemd. We voegen de Groene Contour-percelen toe aan de visiekaart. Binnen De Ronde Venen liggen deze percelen allen in het deelgebied ‘veenweidelandschap’. In de gebiedsgerichte uitwerkingen voor het veenweidelandschap staat nu “Gezamenlijk vormen [natuur en landbouw] de drager van het landschap, waarbij we op strategische plekken kiezen voor iets meer nadruk op natuur om robuuste natuurlijke verbindingen te realiseren.“ Dit scherpen we aan naar: “Gezamenlijk vormen [natuur en landbouw] de drager van het landschap, waarbij we op strategische plekken, zoals de zogeheten Groene Contour-percelen van de provincie Utrecht, kiezen voor iets meer nadruk op natuur om robuuste natuurlijke verbindingen te realiseren.“ Deze aanbevelingen overstijgen het detailniveau van de omgevingsvisie, maar sluiten mogelijk goed aan bij de diverse ambities in de omgevingsvisie m.b.t. natuurontwikkeling en vernatting. De zonering is zeer uitgebreid beschreven en omschreven in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen. Vanwege het abstractieniveau van de omgevingsvisie kiezen we er hier voor om een beknopte beschrijving op te nemen.
Onder ‘strategische kernambitie 3’ staat enerzijds beschreven dat we de noodzakelijke natuurontwikkeling realiseren in lijn met landelijke en provinciale doelstellingen. Dit doen wij om helder te zijn over dat wij ook een verplichting hebben vanuit hogere overheden. Daarnaast beschrijven wij juist ook koppelkansen te zien voor natuurontwikkeling met onder andere vernatting en recreatie en die ook te willen aangrijpen.
11 van 32
F.
De indiener vraagt voor het opnemen van natuurinclusieve (kringloop)landbouw, landschapselementen en groenblauwe dooradering. G. De indiener onderstreept het belang dat niet alle VAB-locaties worden herontwikkeld tot wonen, maar ook voor duurzame landbouw of natuur.
F.
Dit zien wij als mogelijke kansrijke maatregelen om te werken aan de ambitie voor een ‘toekomstbestendig, robuust buitengebied waarin zowel water en bodem als het (agrarisch) cultuurhistorisch landschap leidend zijn’. G. We nemen uw aandachtspunt mee in de uitwerking van de Visie Vrijkomende Agrarische Bebouwing zoals benoemd in het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s.
2. Gebiedsgerichte uitwerkingen
2. Gebiedsgerichte uitwerkingen
Dorpen A. De indiener vraagt duidelijkheid over: a. Waar 4.800 woningen concreet zullen worden gerealiseerd; b. Hoeveel inbreiding per kern wordt voorzien; c. En hoeveel woningen gepland zijn binnen de uitbreidingslocaties in Mijdrecht en Abcoude? B. Tevens verneemt de indiener graag hoe de geplande uitbreidingslocatie aan de westzijde van Hofland zich verhoudt tot het weidevogelkerngebied.
Dorpen A. a. Voor nog niet alle 4.800 woningen is bekend waar deze concreet zullen worden gerealiseerd. Op de visiekaart staan de woningbouwlocaties tot 2030 en de onderzoekslocaties voor inbreiding en uitbreiding (na 2030) geduid. b. De hoeveelheid inbreiding per kern dient nader te worden uitgewerkt. c. Voor de uitbreiding tot 2030 gaat het in Mijdrecht (Oosterland) om circa 800 woningen. In Abcoude (BON-gronden) wordt tot 2030 momenteel uitgegaan van 285 tot 300 woningen. Voor de uitbreidingen na 2030 geldt zowel in Mijdrecht (Holfand West) als Abcoude (Abcoude Zuidoost) dat het gaat om onderzoekslocaties waarvan nu nog niet bekend is hoeveel woningen hier komen. Dit wordt nader onderzocht. B. De ligging van deze onderzoekslocatie bij weidevogelkerngebied zal een belangrijk onderdeel vormen van het nog uit te voeren onderzoek. Hieruit zal moeten blijken hoe dit zich tot elkaar verhoudt.
12 van 32
C. De indiener vraagt aandacht voor waar mogelijk hoger wordt gebouwd dan vier lagen, zodat er veel ruimte voor groen behouden blijft.
C. Het borgen van voldoende groen vormt (o.b.v. het principe ‘Groen Groeit Mee’) altijd een belangrijk aandachtspunt. Ook bij woningbouw hoger dan vier lagen. Per locatie zal worden onderzocht hoe hoog gebouwd kan worden met efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte als uitgangspunt.
Werklocaties A. De indiener benoemt dat bij energieopwekking op bedrijventerreinen niet enkel wordt ingezet op zoveel mogelijk opwek, maar op het stimuleren van energiedeling tussen ondernemers en buurten. B. De indiener pleit om de ambitie om bedrijventerrein Mijdrecht toekomstbestendig te maken door toevoegen van een 150KV-station en een energiehub breder te trekken door ook in te zetten op direct gebruik van lokaal opgewekte energie. Ook vraagt indiener om bij de realisatie van het station natuurinclusief bouwen als uitgangspunt te nemen.
Werklocaties A. Dit is in de gebiedsgerichte uitwerkingen voor Bedrijventerrein Mijdrecht en lokale bedrijventerreinen reeds belegd met de ambitie voor ‘energiehubs’. B. De gemeente neemt kennis van deze suggesties en neemt ze mee als aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de energiehub op Bedrijventerrein Mijdrecht.
Buitengebied A. De indiener ziet graag de aanbevelingen omtrent de KRW-doelen vanuit het planMER uitgewerkt in gebiedsspecifieke maatregelen in de concept omgevingsvisie.
Buitengebied A. In de gebiedsspecifieke keuzes voor het gehele buitengebied staat het volgende: “We werken samen met Waterschap Amstel, Gooi en Vecht in het kader van de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) aan het verbeteren van de waterkwaliteit in de aangewezen KRW-oppervlaktewaterlichamen. Hiervoor zijn de afgelopen jaren al stappen gezet, onder andere in de Vinkeveense Plassen. Om schoon en gezond water voor mens, dier en natuur te (blijven) waarborgen, zetten we samen met het waterschap deze positieve ontwikkeling graag voort.“ In de verschillende deelgebieden kunnen andere maatregelen wenselijk zijn (en verschillende overheden het bevoegd gezag zijn). We kiezen er daarom voor om dit niet zelf voor de verschillende gebieden uit te werken, maar juist de samenwerking op te blijven zoeken en per geval in overleg
13 van 32
B. De indiener pleit ervoor om vezelteelt te benoemen in de concept omgevingsvisie. C. De indiener stelt voor om de omvorming van puur Engels raaigas naar meer kruidenrijke graslanden te benoemen.
Plassengebied A. De indiener mist op p. 78 in de passage ‘Het gebied… bijzondere plant- en dierensoorten’ de ecologische verbindingsrol van de Vinkeveense Plassen. B. De indiener mist de volgende drukfactoren op natuurwaarden in de tekst: ‘illegale bebouwing op de legakkers, pleziervaart, dagrecreatie, verblijfsrecreatie, verkeer, lozingen in het oppervlaktewater, stikstofdepositie en de cumulatie effecten daarvan.’ C. De indiener vraagt de gemeente aan te geven welke maatregelen worden genomen om bovenstaande drukfactoren te beperken en de biodiversiteit te beschermen. D. De indiener vraagt om aan te geven hoe de gemeente de waterkwaliteit structureel zal verbeteren. E. De indiener vraagt de gemeente expliciet te benoemen hoe zij actief zal optreden tegen illegale bebouwing. F. De indiener vraagt te verhelderen wat bedoeld wordt met ‘ontwikkeling’ in de volgende passage: ‘De voornaamste opgave in het Plassengebied is het creëren van een goede balans tussen de recreatieve aantrekkingskracht van de plassen en het beschermen van de cultuurhistorische en natuurlijke waarden van het gebied. Dit betekent dat gezocht dient te worden in een balans tussen rust en reuring, behoud en ontwikkeling en (jaarrond) aanbod voor zowel eigen inwoner als recreant van buitenaf.‘
te treden wat nodig is. B. Dit is een van de mogelijk kansrijke alternatieve verdienmodellen voor de agrarische sector, waarvan het belang op meerdere plekken in de omgevingsvisie wordt beschreven. C. Wij zien dit als mogelijk kansrijke utvoeringsmaatregel van het ‘vergroenen’ van dorpen en bedrijventerreinen en het versterken van ecologische verbindingen in het buitengebied, ambities die beide reeds staan beschreven in de omgevingsvisie. Plassengebied A. Er staat nu beschreven “De Vinkeveense Plassen zijn een KRW-oppervlaktewaterlichaam en maken vrijwel geheel deel uit van Natuur Netwerk Nederland.” We voegen hieraan toe “...en hebben een belangrijke ecologische verbindingsrol.” B. We vullen de drukfactoren in de tekst aan. C. Hierover is meer informatie te vinden in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen. D. Hierover is meer informatie te vinden in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen. E. Hierover is meer informatie te vinden in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen. F. Hierover is meer informatie te vinden in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen. Wat (ruimtelijke) ‘ontwikkeling’ kan en mag inhouden is onder andere afhankelijk van de betreffende zone.
14 van 32
G. De indiener vraagt te verhelderen wat bedoeld wordt met ‘het verminderen van de hoeveelheid bomen’ op de legakkers en waar dit is opgenomen in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen.
G. Bomen op legakkers kunnen door hun wortels de kwetsbare legakkers beschadigen en instabiel maken. Het is daarom wenselijk om de hoeveelheid bomen op de legakkers op termijn te verminderen. Dit krijgt in het Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen uiting doordat op meerdere plekken staat beschreven dat het planten van bomen zonder omgevingsvergunning niet is toegestaan.
3. Uitvoering A. De indiener vraagt in deze omgevingsvisie uitspraken te doen over hoe de gemeente de bestuurlijke afwegingsruimte m.b.t. milieuaspecten als geur, geluid, trillingen en licht wil benutten voordat de omgevingsvisie definitief wordt vastgesteld. B. De indiener vraagt de gemeente omgevingswaarden op te stellen voor de volgende aspecten van de leefomgeving: duisternis, stilte, gezonde lucht, bodemkwaliteit en schoon water. C. De indiener vraagt de gemeente om in de omgevingsvisie aandacht te besteden aan de Wet Versterking Participatie en het uitdaagrecht expliciet op te nemen in de omgevingsvisie. D. De indiener vraagt de gemeente om in de omgevingsvisie aandacht te besteden aan de wijze waarop participatie plaatsvindt bij ruimtelijke projecten die worden geïnitieerd door derden. E. De indiener vraagt de gemeente in de omgevingsvisie te verduidelijken wat zij met de uitkomsten van de PlanMER heeft gedaan of gaat doen.
3. Uitvoering A. N.a.v. uw eerdere suggestie in deze zienswijze voegden wij in strategische kernambitie 1 toe aandacht voor (externe) veiligheid en een aanvaardbaar niveau van geluid-, licht- en geurhinder dient te voldoen aan de wettelijke kaders. Hiermee is uw vraag reeds in de omgevingsvisie belegd en nemen wij dit hier niet nogmaals op. B. Dit overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie. We nemen uw aanbeveling mee in de verdere uitwerking van de omgevingsvisie. C. De participatie met inwoners wordt in het hoofdstuk ‘samenwerking’ reeds beschreven. Dat hierbij de vastgestelde Wet Versterking Participatie van kracht is en inwoners gebruik kunnen maken van hun uitdaagrecht, staat daarbij buiten discussie. D. Het participatiebeleid van de gemeente (onder andere voor ruimtelijke projecten geïnitieerd door derden) staat reeds op de website beschreven. E. Deze informatie is terug te vinden in bijlage 11 van de plan-MER (pagina 381)
15 van 32
5
Indiener 5 A. De indiener spreekt waardering uit de inzet op het STOMP-principe en het zoeken van de verbinding met de tramlijn in Uithoorn. B. De indiener geeft aan dat de gemeente voor veel van de (OV)-maatregelen afhankelijk is van andere overheden en vraagt de gemeente hiermee rekening te houden in de verdere uitwerking van de omgevingsvisie in programma’s. C. De indiener geeft aan dat met de invoering van de vrachtwagenheffing in 2026 een deel van het verkeersprobleem mogelijk al zal worden opgelost. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling van bedrijventerrein De Bocht bij Mijdrecht (een deel van) deze capaciteit weer gaan invullen. D. De indiener geeft aan dat flankerend parkeerbeleid als beleidsinstrument in de omgevingsvisie volledig lijkt te ontbreken en verzoekt de gemeente daar in de uitwerking van de omgevingsvisie aandacht aan te besteden.
A. De gemeente is blij te horen dat deze keuze door indiener wordt onderschreven. B. De gemeente is zich hiervan bewust en spreekt in de omgevingsvisie haar ambitie uit. Dit is gedaan in samenspraak met andere overheden, maar wij zijn ons er zeker van bewust dat ook richting programma’s en uitvoering deze afhankelijkheid er is. C. Als gemeente denken wij dat de vrachtwagenheffing juist een negatief effect gaat hebben op de verkeersdruk op de N201. In tegenstelling tot het rijkswegennet, is de heffing slechts op een beperkt deel van de N201 van toepassing. Hierdoor verwachten wij dat de N201 met name voor vrachtverkeer vanuit Schiphol en Aalsmeer aantrekkelijker gaat worden. Deze zorg hebben wij 4 juni 2024 schriftelijk met u gedeeld. Naar aanleiding hiervan zijn geen wijzigingen meer doorgevoerd in het plan voor de invoering van vrachtwagenheffing. D. Op dit moment is er geen draagvlak om het parkeerbeleid aan te passen. Wel wordt momenteel al per nieuwbouwproject gekeken wat de mogelijkheden zijn om de parkeernorm aan te passen. Mocht het parkeerbeleid in de toekomst veranderen, kan dit worden meegenomen in een periodieke herijking van de omgevingsvisie.
16 van 32
6
Indiener 6 A. De indiener vraagt de gemeente gezondheid expliciet te benoemen als doelstelling bij ruimtelijke keuzes en hierbij concrete gezondheidsdoelen te formuleren. B. De indiener adviseert de gemeente ambities op te nemen en ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit en geluid, naast de wettelijke normen. C. De indiener vraagt de gemeente ambities te formuleren met betrekking tot houtstookvrij worden. D. De indiener vraagt de gemeente in de omgevingsvisie expliciet aandacht te besteden aan het rookvrij maken van bijvoorbeeld schoolpleinen en maatschappelijke voorzieningen. E. De indiener vraagt gezondheid te verankeren in de uitvoering in omgevingsprogramma’s en/of hiervoor een apart programma gezonde leefomgeving te maken.
A. Gezondheid is een expliciet doel in de omgevingsvisie, daarom is integrale strategische kernambitie 1 ook ‘groen en gezond wonen in levendige en betrokken dorpen’. Het is de gemeente niet helemaal duidelijk wat indiener bedoelt met ‘concrete gezondheidsdoelen’. De strategische kernambitie wordt uitgewerkt in concretere keuzes, die onder andere de gezondheid van inwoners ten goede komen. B. In strategische kernambitie 1 staat het volgende: “We kiezen voor een goed woon- en leefklimaat waarin we zorg dragen voor het milieu. Dit betekent onder andere voldoende aandacht voor (externe) veiligheid en een aanvaardbaar niveau van geluid-, lichten geurhinder.” Hieraan voegen we toe: “...dat voldoet aan de wettelijke kaders.” De gemeenteraad heeft eerder besloten niet aan te sluiten bij het Schone Lucht Akkoord en daarmee ook niet te streven naar de WHO-advieswaarden uit 2021. C. Houtstook overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie, maar vormt een aandachtspunt in verdere uitwerking. Het is in de omgevingsvisie onder andere geborgd door de keuze voor de ‘versterking van de gezonde leefomgeving’: het terugdringen van houtstook is hier een mogelijke uitwerking van. D. Het rookvrij maken van schoolpleinen en maatschappelijke voorzieningen overstijgt het detailniveau van de omgevingsvisie, maar vormt een aandachtspunt in verdere uitwerking.
Het is in de omgevingsvisie onder andere geborgd door de keuze voor de ‘versterking van de gezonde leefomgeving’: het rookvrij maken van deze plekken is hier een mogelijke uitwerking van. E. Gezondheid zal een belangrijk onderdeel vormen van de nog uit te werken omgevingsprogramma's. Op dit moment staat een dergelijk apart programma (nog) niet op de planning.
17 van 32
7
Indiener 7 Algemeen A. De indiener complimenteert de gemeente met het rijke voortraject en een compact en helder gestructureerde omgevingsvisie. B. De indiener geeft aan dat de planhorizon van de omgevingsvisie op 2040 ligt, terwijl dit in de provinciale omgevingsvisie 2050 is. Vooral opgaven rond natuur en water vragen om een lange(re) adem. C. De indiener stelt voor om, gezien de ligging van de gemeente, ook om reactie op de omgevingsvisie te vragen bij de provincie Noord-Holland. D. De indiener vraagt om een overzichtstabel waarin de schuurpunten, te maken keuzes en mogelijke koppelingen van ontwikkelingen worden weergegeven. E. De indiener vraagt alle teksten voor het landelijk gebied te toetsen aan de ‘bijna 100%-versie’ van het UPLG en het Impulsprogramma Kaderrichtlijn Water.
Inleiding A. De indiener vraagt om in het hoofdstuk ‘milieu- en omgevingseffecten in beeld ‘(significante) effecten’ te vervangen door ‘(significante) nadelige effecten’
Algemeen A. De gemeente bedankt indiener voor dit compliment. B. in de omgevingsvisie is bewust vroeg in het proces gekozen voor een tijdshorizon tot 2040, onder andere vanwege de woningbouwambities die ook deze tijdshorizon hebben. Gezien het karakter als ‘levend document’ zal bij een eerstvolgende herijking gekeken worden of de planhorizon kan worden opgeschoven naar 2050. C. De ontwerp omgevingsvisie heeft gedurende 8 weken ter inzage gelegen. In die periode heeft de provincie Noord-Holland niet van haar reactiemogelijkheid gebruik gemaakt. D. In het proces van de totstandkoming van de omgevingsvisie is het “Raamwerk De Ronde Venen 2040” opgesteld. De gevraagde informatie is hier terug te vinden. E. In de analysefase is het UPLG meegenomen als opgave en vertrekpunt bij het opstellen van deze omgevingsvisie. Zover ons bekend is wat in deze omgevingsvisie wordt beschreven niet in strijd met wat wordt beschreven in het UPLG (of het Impulsprogramma Kaderrichtlijn Water). We blijven hierover bij verdere uitwerking graag in gesprek om dit verder te concretiseren. Inleiding A. We voeren deze aanpassing door in de tekst.
18 van 32
Toekomstverhaal A. De indiener vraagt om een sterkere benadrukking van de wisselwerking tussen stad en land en het verbeteren van de bereikbaarheid d.m.v. nieuwe fiets- en wandelverbindingen. B. De indiener vraagt om concrete duiding van ‘klimaatrobuuste en toekomstbestendige landbouw’ en ‘innovatieve agrariërs’. C. De indiener vraagt om in de omgevingsvisie te benoemen dat de betekenis en ruimte voor natuur in het buitengebied toeneemt. D. De indiener acht het terugbrengen van een directe busverbinding richting Utrecht Centraal niet reëel, mogelijk wel naar een ander deel van Utrecht. E. De indiener vraagt aan de opsomming complexe opgaven ook natuur en water toe te voegen. F. De indiener vraagt om aan het toekomstverhaal teksten toe te voegen als “Dat de agrarische sector hun stikstofemissies sterk heeft gereduceerd”, “Dat de basiskwaliteit natuur op agrarische percelen is toegenomen”, “Waterkwaliteit is verbeterd” en “Dat de natuur in Natura 2000 en NNN zich heeft weten te herstellen als gevolg van het ‘meebewegen met de opgaven”.
Uitdagingen en kansen A. De indiener vraagt aan te geven dat “de landbouwtransitie en het herstel van het ecohydrologische systeem kunnen bijdragen om de cultuurhistorische waarde te verhogen”.
Toekomstverhaal A. Deze keuzes komen aan bod in een ander deel van de omgevingsvisie. In de gebiedsspecifieke keuzes voor alle dorpen, de grote dorpen en de kleine dorpen wordt dit beschreven. Ook op de 3D tegels wordt dit weergegeven. B. We voegen de begrippen toe aan de begrippenlijst van de omgevingsvisie. C. Dit wordt in de omgevingsvisie momenteel op diverse plekken reeds beschreven, onder andere in de kenschets van het deelgebied buitengebied: “Daarbij ligt er een opgave om met het werken aan een toekomstbestendige, duurzame landbouw tegelijkertijd meerdere doelen te dienen, zoals het bijdragen aan de natuurversterkingsopgave, het beter vasthouden van water, het versterken van de biodiversiteit.” D. In het toekomstverhaal van de omgevingsvisie wordt het volgende beschreven: “We hebben ons ingezet om de directe busverbinding richting Utrecht terug te brengen.“ De gemeente beoogt dus niet per se een verbinding naar Utrecht Centraal, een ander deel van Utrecht is mogelijk. E. We voeren deze aanpassing door in de tekst. F. De teksten van het toekomstverhaal zijn eerder door de gemeenteraad vastgesteld als onderdeel van “Koers De Ronde Venen 2040”. Omdat dit relatief grote toevoegingen betreft, voeren we deze niet door in de omgevingsvisie. Uitdagingen en kansen A. De gemeente herkent zich in deze kans.
In de omgevingsvisie is dit onder andere belegd in de gebiedsspecifieke keuzes voor het gehele buitengebied, waar staat beschreven dat in de toekomst “zowel water en bodem als het (agrarisch) cultuurhistorisch
19 van 32
B. De indiener geeft aan dat de zin “Ook de koppeling tussen woningbouw en mobiliteit vraagt om keuzes: laten we de groei van de gemeente sterk verbinden aan de ov-bereikbaarheid of grijpen we nieuwbouwontwikkelingen aan om meer actieve en duurzame mobiliteitsopties te stimuleren, zoals de fiets of de elektrische auto?” Lijkt te suggereren dat het OV geen duurzame mobiliteitsoptie is. Visiekaart A. De indiener vindt dat de al in ontwikkeling zijnde groene ontwikkelingen (Marickenland, Blauwe Krans, Botshol en andere NNN) onvoldoende uit de kaart naar voren komen. B. De indiener vindt dat het watersysteem met boezemwateren, plassen,het Amsterdam-Rijnkanaal en het slotenpatroon onvoldoende tot uiting komen. C. De indiener vraagt aandacht voor het versterken van groenblauwe structuren d.m.v. het benutten van boezemwateren. D. De indiener ziet bij verdere uitwerking kansen om dorpsgroenvoorzieningen te benutten voor ecologische verbindingen naar het buitengebied. E. De indiener geeft aan bij een aantal kleine kernen en bedrijventerreinen de aandacht voor aanvullend groen (verwijzend naar de dorpsgroenvoorzieningen) te missen.
landschap leidend zijn bij ruimtelijke keuzes.” B. We passen de betreffende zin aan: “Ook de koppeling tussen woningbouw en mobiliteit vraagt om keuzes: laten we de groei van de gemeente sterk verbinden aan de ov-bereikbaarheid of grijpen we nieuwbouwontwikkelingen aan om mobiliteitsopties als de fiets en de elektrische auto te stimuleren?” Visiekaart A. Op de kaart worden de ontwikkelingen rond Marickenland, Botshol en overige NNN d.m.v. de groene pijlen (doorontwikkelen ecologische verbindingszone en natuurgebieden [...]) weergegeven. De Blauwe Krans is als volledige zone op de kaart weergegeven omdat deze ontwikkeling breder is dan natuurontwikkeling alleen. B. Op de visiekaart keuzes zijn gemaakt welke aspecten worden weergegeven t.b.v. de leesbaarheid. Hierbij is ervoor gekozen het watersysteem op de achtergrond weer te geven. C. In de omgevingsvisie wordt op meerdere plekken de ambitie uitgesproken om robuuste natuurlijke verbindingen te realiseren, te werken aan KRW-doelen en de landschappelijke kwaliteit te verbeteren. Het benutten van de boezemwateren is een mogelijke uitwerking van al deze ambities. D. De gemeente neemt kennis van deze kans en zal dit als aandachtspunt meenemen bij verdere uitwerking.
E. Ook in de kleinere kernen waar geen dorpsgroenvoorzieningen op worden weergegeven wordt ingezet op vergroening (zie daarvoor de labels bovenaan de kaart, met het symbool voor ‘vergroenen bebouwd gebied t.b.v. gezondheid en biodiversiteit). Op bedrijventerrein Mijdrecht wordt dit icoon nog extra toegevoegd aan de kaart.
20 van 32
F.
De indiener vraagt waarom het fietspad langs de Geuzensloot niet op de kaart staat, terwijl de gemeente zich daar momenteel voor inzet. G. De indiener geeft aan de N291 met de twee aansluitingen te missen op de kaart. H. De indiener geeft aan dat de kaart een laag bevat met ‘groenblauwe bolletjes’ die in de legenda niet wordt verklaard. I. De indiener vraagt of het een bewuste keuze is om de buitenplaatsenzone niet op te nemen op de visiekaart i.v.m. een te volle kaart. J. De indiener geeft aan dat een aanzienlijk deel van het agrarisch cultuurlandschap is aangemerkt als zoekgebied voor zonne-energie en dit een belangrijk aandachtspunt vormt.
F.
Het fietsroutenetwerk op de visiekaart is indicatief, zo staat dit ook in de legenda vermeld. In het geval van dit fietspad geldt dat het gaat om het versterken van de oost-westverbinding. Deze verbinding zou langs de N201, de Geuzensloot of via de Baambrugse Zuwe kunnen lopen. De verbinding is op kaart indicatief weergegeven langs de N201, maar is dus indicatief. De gemeente heeft aangegeven dat zij de verbinding langs de Geuzensloot kansrijk vindt. G. De gemeente gaat er vanuit dat indiener de N201 bedoelt. Het klopt dat de N201 niet expliciet op de visiekaart wordt aangegeven: er is gekozen hier het fietsnetwerk en de OV-as uit te lichten als verbindingen over en langs de N201. H. Het is de gemeente niet duidelijk naar welke kaartlaag wordt verwezen. Na een extra controle blijken alle arceringen in de kaart ook in de legenda te zijn opgenomen. I. Het klopt dat op de visiekaart keuzes zijn gemaakt welke aspecten worden weergegeven t.b.v. de leesbaarheid. Er is in het geval van de buitenplaatsenzone gekozen dit verder uit te werken in de gebiedsspecifieke keuzes voor het Angstel- en Geinlandschap (en verbeelding op bijbehorende ‘tegel’). J. De gebieden op de visiekaart waar grootschalige zonnevelden onderzocht kunnen worden, zijn de ‘ja, mits’-gebieden uit het Beleidsplan grootschalige zonnevelden, zoals ook in de legenda beschreven.
In het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’ benoemen we dat we dit beleidsplan de komende tijd willen gaan herijken. We nemen kennis van uw zorgen en suggesties richting deze herijking.
21 van 32
Strategische kernambities A. De indiener geeft aan dat een OV-knooppunt bij Amstelhoek niet aannemelijk is en eerder de vorm van een multimodale lokale hub zal hebben. B. De indiener raadt de gemeente aan om voor de OV-as ook een vrijliggende busbaan over het oude spoortracé tot Vinkeveen te onderzoeken, al dan niet in combinatie met een fietspad. C. De indiener spreekt twijfels uit of de maatregelen op de N201 voor de OV-as voldoende zijn om toekomstige doorstroming te waarborgen. D. De indiener geeft aan dat weidevogelkerngebieden niet expliciet in de omgevingsvisie worden benoemd. E. De indiener geeft aan dat woningbouwambities alleen kunnen worden gerealiseerd als stikstofreductie is bewerkstelligd. F. De indiener geeft aan dat agrariërs ook een belangrijke rol hebben in landschapsbeheer en natuurkwaliteit. G. De indiener geeft aan dat naast het werken aan de noodzakelijke natuurontwikkeling, ook gewerkt dient te worden aan het behoud en herstel van de natuurkwaliteit.
Strategische kernambities A. In de omgevingsvisie staat nu “het opwaarderen van Amstelhoek tot ov-knooppunt”. We passen dit aan naar “het opwaarderen van Amstelhoek tot multimodale hub”. B. De gemeente gaat onderzoeken waar vrijliggende infrastructuur voor het openbaar vervoer en de fiets mogelijk is. Een busbaan over het Spoortracé tussen Mijdrecht en Vinkeveen wordt vooralsnog niet als kansrijk gezien. C. De gemeente gaat hierover graag met de indiener in gesprek. D. De weidevogelkerngebieden zijn opgenomen in de visiekaart en onder de gebiedsspecifieke keuzes voor het gehele buitengebied wordt de volgende keuze beschreven: “We dragen zorg voor de zorgvuldige bescherming van onze NNN-gebieden en weidevogelkerngebieden.” E. Hoewel de gemeente dit erkent, is dit beredeneerd vanuit de huidige situatie: de omgevingsvisie heeft een horizon op 2040. Om niet teveel ‘tijdelijkheid’ in de omgevingsvisie te hebben, worden dergelijke randvoorwaarden niet opgenomen in de omgevingsvisie. F. Dit is onder strategische kernambitie 3 reeds belegd in het de volgende uitspraak: “Een toekomstbestendig buitengebied, met de landbouw als drager en hoeder van de kwaliteit van het buitengebied”. Landschap en natuur zijn onderdeel van deze kwaliteit van het buitengebied. G. Momenteel staat opgenomen in de omgevingsvisie: “Het realiseren van de noodzakelijke natuurontwikkeling, [...]”.
We passen dit aan naar “Het realiseren van de noodzakelijke natuurontwikkeling en behoud en herstel van natuurkwaliteit, [...]”.
22 van 32
H. De indiener geeft aan dat naast het koesteren van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde, deze (waar van toepassing) ook hersteld zou moeten worden. I. De indiener vindt de woningbouwambitie van 4800 woningen tot en met 2040 fors: de meest recente cijfers wijjzen op een behoefte van 3000-3500 woningen. De extra woningen zouden vooral voor de regio Amsterdam worden gebouwd. J. De indiener geeft aan dat vanuit mobiliteit de woningbouwuitbreidingen aan de westzijde van de gemeente geen optie zijn omdat de N201 met de aanleg van ‘De Bocht’ al vol zit. K. De indiener vraagt zich af of het ‘verbreden van het economisch profiel door meer in te zetten op recreatie en toerisme’ past in de regionale visie.
Gebiedsgerichte uitwerkingen A. De indiener mist bij de wensen en voornemens voor de deelgebieden een overzicht van de schuurpunten, te maken keuzes en mogelijke koppelingen van ontwikkelingen.
H. In de omgevingsvisie staat momenteel: “Het koesteren van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde”. We passen dit aan naar: “Het koesteren en herstellen van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden”. I. De gemeenteraad heeft de woningbouwambitie van 4800 woningen in 2020 al vastgesteld. Dit getal staat tevens in de dit jaar vastgestelde woonvisie en is ook opgenomen in de Woondeal U10 (2023). J. De gemeente is zich bewust van de beperkte capaciteit van de N201. Met de aangewezen woningbouwlocaties wordt zo goed mogelijk gebruikgemaakt van de beschikbare capaciteit en worden bestaande knelpunten zo veel mogelijk ontzien. Met een integrale aanpak zien wij kansen om nieuwe ontwikkelingen bij te laten dragen aan het vergroten van het fiets en ov gebruik in nieuwe ontwikkelingen en het bestaand stedelijk gebied. De gemeente gaat hierover graag met de indiener in overleg. K. In het Integraal Ruimtelijk Programma van de U10. Doelstelling van het IRP is onder andere de ambitie beschreven om het landschap toegankelijker te maken en ruimte te bieden aan recreatie voor de groeiende bevolking. Voorbeeld daarvan is het ontwikkelen van de Blauwe Krans van de Stelling van Amsterdam en ook extra vaarroutes voor recreatie en verbrede landbouw met mogelijkheden voor recreatie en toerisme.
Het verbreden van het economisch profiel door meer inzet op recreatie en toerisme, zoals beschreven in de omgevingsvisie, sluit hierbij aan. Gebiedsgerichte uitwerkingen A. In het proces van de totstandkoming van de omgevingsvisie is het “Raamwerk De Ronde Venen 2040” opgesteld. De gevraagde informatie is hier terug te vinden.
23 van 32
B. De indiener vraagt of de tekstuele duidingen bij de tegels een sluitend overzicht geven van alle randvoorwaardelijke aspecten. C. De indiener mist in de tegels de weergave van de ondergrond en kwelwaterstromen. D. De indiener vindt dat de OV-bereikbaarheid van Oosterland richting Uithoorn, Amsterdam en Breukelen onderbelicht blijft. E. De indiener geeft aan dat veel vrachtverkeer op de N201 binnen de eigen gemeente wordt gegenereerd en het ‘verkennen van de mogelijkheden om doorgaand vrachtverkeer via A2 en A9 te leiden’ mogelijk niet zal leiden tot een grote afname in de hoeveelheid vrachtverkeer. F. De indiener geeft aan dat het ‘minimaliseren van de barrierewerking van de N201 voor fauna’ mogelijk gekoppeld kan worden aan het project Demmerikse Brug. G. Indiener geeft aan dat onder gebiedsgerichte keuzes voor het gehele buitengebied de volgende uitspraak “Op deze plekken zoeken we koppelkansen met natuurontwikkeling, het tegengaan van verzilting en recreatie” ten onrechte geïnterpreteerd kan worden als dat de gemeente recreatie wilt tegengaan. Ook geeft indiener aan dat hier een koppeling met duurzame energie-opwek mogelijk kansrijk is. H. De indiener geeft aan dat in de omgevingsvisie (als verlengde van het Beleidsplan grootschalige zonnevelden) op sommige plekken mogelijkheden voor energie-opwek worden geboden in NNN-gebieden.
Indiener acht dit als onrealistisch en onwenselijk. I. Indiener geeft aan in de gebiedsspecifieke keuzes voor veenweidelandschap en droogmakerijen de keuzes m.b.t. weidevogels te missen. J. De indiener geeft aan dat ‘water en bodem sturend’ in de gebiedsspecifieke keuzes voor alle dorpen meer uitleg behoeft.
B. De tekstuele ‘aanpijlingen’ bij de tegels geven geen sluitend overzicht en moeten worden gezien als een niet uitputtende samenvatting van de teksten bij de betreffende gebiedsgerichte uitwerking. C. De tegels dienen als samenvattende verbeelding om een globaal beeld te geven van hoe de beschreven keuzes per gebiedsgerichte uitwerking zich ruimtelijk kunnen vertalen, zonder hierbij een exacte locaties te verbeelden. Het is dus geen compleet of exact beeld waarin (bijvoorbeeld) kwelstromen worden weergegeven. D. In de OV-bereikbaarheid van Oosterland naar de regio zal de nabijgelegen OV-as in de toekomst een belangrijke rol vervullen. E. Vanuit de provincie Noord-Holand wordt actief gestuurd op meer vrachtverkeer via de A9/A2 in plaats van via de N201. We verwachten daarmee wel een afname van de hoeveelheid vrachtverkeer over de N201. F. De gemeente is blij te vernemen dat dit tot de mogelijkheden behoort en wordt hier indien nodig graag nader bij betrokken. G. We passen om deze verwarring te voorkomen de zinsvolgorde aan. Duurzame energie-opwek als koppelkans voegen we toe aan de opsomming. H. In het hoofdstuk ‘uitvoeringsprogramma’s’ benoemen we dat we dit beleidsplan de komende tijd willen gaan herijken. We nemen kennis van uw zorgen en suggesties richting deze herijking.