CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Natuurkwaliteitsplan, Antea Group, 8 november 2024

Gemeenteraad 12 mei 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 202528.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 7: Ligging van het NNN. Kaart uit Natuurbeheerplan 2022.

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland in de provincie Utrecht is geregeld in de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Hierin is over de meerwaardebenadering het volgende opgenomen (Provincie Utrecht, 2021a): “Toelichting op artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland(NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk voor: […] b. situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van meerwaarde (meerwaardebenadering). Deze uitzondering is mogelijk als er op gebiedsniveau binnen tien jaar een meerwaarde voor het NNN kan worden gecreëerd. Het gaat hierbij om een verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang waarbij aantasting ruim wordt gecompenseerd. Dit betekent voor compensatie van natuurtypen dat er sprake is van een plus bovenop de in bijlage 11 Berekenen compensatieopgave ontwikkeling van groot openbaar belang genoemde toeslagen. Deze plus kan een versterking van samenhang en kwaliteit zijn. Onder compensatie verstaan we zowel nieuwe natuur als overige natuurmaatregelen. Om op gebiedsniveau een meerwaarde te kunnen 19

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

bepalen, wordt een visie op het NNN/natuur opgesteld. Beslaat deze visie een groter gebied dan het bestemmingsplan? Dan maakt deze onderdeel uit van een op te stellen gebiedsvisie. Deze gebiedsvisie omvat in het algemeen meer thema’s en ontwikkelingen dan alleen NNN/natuur. Het gebied waar de gebiedsvisie over gaat, wordt vanuit de locatie van de aantasting bepaald aan de hand van de ecologische samenhang van het gebied en de te borgen maatregelen. Bij de samenhang worden in ieder geval de volgende criteria betrokken: • de aanwezigheid van zones met bijzondere ecologische kwaliteit (bijzondere samenhang abiotische en biotische kenmerken, goed ontwikkelde systemen, zoals waardevolle oude boskernen); • gebieden die bepalend zijn voor de aaneengeslotenheid en robuustheid van het NNN; • de aanwezigheid van bijzondere soorten; • de aanwezigheid van essentiële verbindingen (bijvoorbeeld foerageer- en migratieroutes).” Provinciaal Natuurbeheerplan In het Natuurbeheerplan 2022 (Provincie Utrecht, 2021b) is de provincie ingedeeld in deelgebieden waarvoor beschrijvingen zijn gemaakt. De Vinkeveense Plassen zijn in het deelgebied “De Venen” gelegen en grenzen aan de oostkant aan het deelgebied “Vechtvallei”. In het Natuurbeheerplan zijn de volgende relevante zaken opgenomen ten aanzien van de Vinkeveense plassen.

“Bij de omvorming van landbouwgrond naar natuur wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke oppervlakte van de natuurbeheertypen met de hoogste prioriteit voor dat deelgebied. Dit is de natuur met grote internationale en nationale waarde. Het is vaak zeer soortenrijke natuur, zoals trilveen en nat schraalland en/of zeer specifieke en daardoor zeldzame natuur, zoals vochtige heide. Het is ook de natuur die het meest kenmerkend is voor het systeem en het meest cruciaal voor het functioneren van het natuurnetwerk. Vaak zijn er meerdere natuurdoelen met dezelfde prioriteit. […] Initiatiefnemers zoeken in de eerste plaats naar mogelijkheden om de typen met de hoogste prioriteit te realiseren.” Voor De Venen betekent dat gestreefd wordt naar het volgende: • Natuurbeheertypen met prioriteit 1: – N05.01 moeras (type bestaat per 31-12-2020 niet meer, hier wordt uitgegaan van N05.03 veenmoeras) o N06.01 veenmosrietland en moerasheide o N06.02 trilveen o N10.01 nat schraalland o N13.01 vochtig weidevogelgrasland, maar alleen in weidevogelkerngebieden – Natuurbeheertypen met prioriteit 2: o N04.01 kranswierwater o N10.02 vochtig hooiland – Natuurbeheertypen met prioriteit 3 o N12.02 kruiden- en faunarijk grasland o N14.02 hoog- en laagveenbos In de gebiedsbeschrijving van De Venen is over de Vinkeveense plassen onder meer het volgende opgenomen: Gebiedskarakteristiek – Systeembenadering

“Deelgebied De Venen, genoemd naar het grote veengebied dat van de Heuvelrug doorliep tot aan de duinen, bevat nog maar plaatselijk een veenpakket. Op de plaats van het enorme hoogveenkussen ligt nu een waterrijk veenontginningslandschap met diepe droogmakerijen. Vanuit het regenwater gevoede hoogveen stroomde het overtollige water radiaal alle kanten op naar de lagergelegen delen. Het water kwam terecht in de veenriviertjes de Kromme Mijdrecht, Amstel, Waver, Winkel, Angstel en Aa die nu met hun oeverwallen ver boven het veenontginningslandschap uitsteken. Het radiale patroon werd in de veenontginningsfase nog versterkt doordat vanaf de 11e eeuw loodrecht vanaf de kleiige oevers van de rondlopende veenriviertjes sloten naar het centrum van het gebied gegraven werden, om zo het gebied geschikt te maken voor landbouw. In de 17e eeuw kwamen daar de vaarten om turf af te voeren bij, toen de vraag naar brandstof aanzienlijk toenam. Rondom het ‘ronde’ hoogveenkussen was in de lagergelegen delen laagveen gevormd, gevoed door schoon grondwater. Ook dit veen was heel geschikt om op te stoken en werd afgegraven.[…] In grote delen van het gebied werd het bruikbare veen zover afgegraven dat grote plassen ontstonden waarvan nu o.a. de Vinkeveense Plassen resteren. Een deel daarvan is in de 19e eeuw drooggelegd, wat nu de droogmakerijen rond Mijdrecht zijn.

Hier is de oude zeebodem van voor de tijd van het veen weer tevoorschijn gekomen met kreken en kreekruggen. Een ander overblijfsel uit de zeeperiode is de brakke kwel in dit gebied. […] In de Vinkeveense plassen, waar de turfwinning pas aan het einde van de 19e eeuw plaatsvond, is nog een deel van het landschap van de turfwinning zichtbaar, met name in de Zuidplas. Hier zijn de 20

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

legakkers nog aanwezig waarop het veen dat met de baggerbeugel uit de petgaten opgehaald werd te drogen gelegd werd. Door het steeds breder maken van de petgaten verdwenen er geleidelijk steeds meer legakkers en ontstond een plas. Tegenwoordig speelt veen nog steeds een belangrijke rol, niet in het minst vanwege de bodemdaling die er door ontwatering veroorzaakt wordt. Afremmen van de bodemdaling en de realisatie van een duurzaam watersysteem zijn belangrijke opgaven voor het gebied.[…]” Gebiedskarakteristiek – Ecologische kernkwaliteiten “De ecologische kernkwaliteiten worden sterk bepaald door de aanwezigheid van het veen. Waar nog onvergraven veen resteert is dat laagveenmoerasnatuur. In de diep uitgegraven veenplassen is dat water- en moerasnatuur en in de polders met natuurlijk polderpeil zijn weidevogels de kernkwaliteit. […] De waterkwaliteit van de aangrenzende door vervening ontstane Vinkeveense Plassen is sterk vooruitgegaan sinds de dorpen Vinkeveen en Wilnis vanaf 1979 niet meer hun afvalwater ongezuiverd lozen op de plassen. Met name in de Noordplas is dat te merken aan de sterke toename van kranswieren, fonteinkruiden en twee zeldzame licht brakwatersoorten: gesteelde zannichellia en snavelruppia. Ook de macrofauna neemt toe in soortenrijkdom.” Ambitie natuur “In De Venen komt de natuur van de Nederlandse delta in vele vormen voor.

Deels gaat het om natuurwaarden die internationaal bijzonder zijn. Het doel is deze natuur in al zijn diversiteit kwalitatief en kwantitatief te verbeteren en het hele palet van kenmerkende typen natuur en bijbehorende planten- en diersoorten van het laagland een plek te geven. Daarnaast is de natuur in De Venen een schakel in de zone van natte natuurgebieden tussen de Nieuwkoopse Plassen in Zuid-Holland en het Vechtplassengebied in Noord-Holland en Utrecht. Er zijn inmiddels voor de meeste gebieden in De Venen inrichtingsplannen gemaakt die invulling geven aan de natuurdoelen. Een goed doordacht plan is noodzakelijk vanwege de vele randvoorwaarden die aan het functioneren van het systeem zijn verbonden, zoals de vereiste afmetingen van natuurgebieden (bijvoorbeeld grote rustige en waterrijke moerassen voor grondbroedende moerasvogels), de vereiste voedselrijkdom van de bodem (bijvoorbeeld zeer lage fosfaatgehaltes voor natte schraallanden) en de vereiste vochtigheid van de bodem (hoge grondwaterstanden voor weidevogels). Ook het draagvlak in de streek speelt hierbij uiteraard een rol. […] In de Vinkeveense Plassen moet verbetering van de waterkwaliteit leiden tot kranswierwater. […]”

Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die in Nederland is vertaald in de Waterwet. De Vinkeveense plassen behoren tot één KRW-oppervlaktewaterlichaam, in beheer bij het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vechtstreken, met als uitvoeringsorganisatie Waternet. Het beheer en de ontwikkeling van het KRW-waterlichaam (oppervlaktewater) is gericht op een streefbeeld voor een watertype. De Vinkeveense plassen behoren tot het type ‘M20_Matig grote diepe gebufferde meren’ (zie onderstaande tekstkader voor een kenschets). Dit KRW-streefbeeld is vastgesteld met de ecologische potentie in samenhang met chemische en fysisch-chemische waterkwaliteit. Deze potentie is vertaald naar ecologische en chemische maatlatten die behoren bij het type M20. De KRW streeft daarmee naar een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater. Waterbeheerders sturen in hun beleid, via inrichtingsmaatregelen en via beheer op de KRW-doelen.

Kenschets KRW-type M20 Plassen en meren die groter zijn dan 0,5 km2 en een waterdiepte van meer dan 3 meter kennen. Deze plassen worden gevoed door regen- en grondwater; soms is er sprake van kwel (lokaal, regionaal of vanuit een rivier) De bodem bestaat overwegend uit zand, grind of klei, maar ook met veen- en sliblagen.

De waterkwaliteit van de Vinkeveense plassen is over het geheel genomen goed. De kwaliteit wordt beïnvloed door inlaat van gebiedsvreemd water (water afkomstig vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal), lozingen op de plas en belasting vanuit omliggende (landbouw)gebieden. De plassen liggen ca. 4 meter hoger dan de naastliggende polder Groot Mijdrecht. Als gevolg van de sterke wegzijging naar de polder Groot Mijdrecht zouden in een droge periode de plassen verdrogen indien er geen water van extern wordt aangevoerd. Deze extra aanvoer zorgt echter ook voor een extra fosfaatbelasting van de plassen. Defosfatering van dit inlaatwater is een effectieve maatregel om de extra fosfaatbelasting als gevolg van de wegzijging naar de Polder Groot Mijdrecht te compenseren. Medio 2008 is daarom een defosfateringsinstallatie gerealiseerd achter de Demmerik om de fosfaatbelasting van de plassen terug te dringen.

21

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

De fosfaatbelasting gaat de goede kant op, maar extra belasting kan dit evenwicht eenvoudig verstoren (Waternet, 2022). De belasting met nutriënten fosfaat en stikstof lag in 2021 nog net te hoog om te voldoen aan de geldende KRWdoelstellingen voor de Vinkeveense plassen. Desondanks is het doorzicht goed en werd de ecologische waterkwaliteit werd in 2021 voor wat betreft de aanwezige algen en visstand als ‘goed’ beoordeeld volgens de KRW-maatlatten voor het watertype M20. De beoordeling van waterflora (water- en oeverplanten) blijft met de beoordeling ‘matig’ iets achter, evenals de beoordeling van macrofauna (kleine waterdiertjes). De ontwikkeling van de ecologische waterkwaliteit vertoont over de periode 2006-2019 een positieve trend, met uitzondering van de waterflora (geen trend waarneembaar; Waternet, 2022). De ecologische waterkwaliteit van de Vinkeveense plassen wordt uiteindelijk vooral bepaald door twee factoren: de mate van nutriëntenbelasting en de inrichting van het watersysteem. Het helemaal in de vingers krijgen van de nutriëntenbelasting is voor de Vinkeveense Plassen bijna, maar nog niet helemaal gelukt. De inrichting van het watersysteem, met vooral voldoende ondiep groei- en leefgebied voor flora en fauna, is een aandachtspunt voor de Vinkeveense Plassen die relatief diep zijn en weinig flauwe land-waterovergangen kennen.

De door Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht voorgenomen KRW-maatregelen voor de periode 2022-2027 zijn gericht op het verder verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het optimaliseren van waterstromen en de defosfateringsinstallatie. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op verbeteren van de habitatomstandigheden en maatregelen gericht op het verminderen van de impact van recreatie. Concreet betreft het de maatregelen (Waternet, 2022): • Gemeente, plassenschap en waterschap stellen een gezamenlijk plan op voor ecologisch herstel. Een gezamenlijk plan is nodig om de waterkwaliteits- en natuurdoelen te kunnen halen. • Ontvangstvoorziening vuilwatertanks Vinkeveense Plassen. Dit heeft een relatie met het voornemen van de gemeente om opvang en afvoer van afvalwater van (ongerioleerde) legakkers verplicht te stellen voor legakkers die gebruikt worden voor verblijfsrecreatie. • Optimaliseren defosfateren, gericht op het waar mogelijk verder verwijderen van fosfaat uit water dat op de Vinkeveense plassen wordt ingelaten; • Verwijderen van boom- en struikopslag langs de oevers van de Vinkeveense Plassen, bedoeld om oevervegetatie te stimuleren. • Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen – gemaal De Ruiter • Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren.

Het is nog niet bekend of, in welke mate en in welke delen van het plassengebied dit precies speelt. • Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater. Dit heeft geen directe relatie met de beoogde natuurontwikkeling; • Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken. Dit is een generieke maatregel, gericht op reductie van fosfaat- en stikstofbelasting. • Het volgen van en sturen op de ontwikkeling van de waterkwaliteit. Dit richt zich op het bijhouden of alle bronnen voldoende gereduceerd worden door maatregelen. Dit vraagt om een uitgebreid monitoringprogramma en periodiek terugkerende analyse. Gezien de relatie tussen ecologische waterkwaliteit (en met name waterflora en macrofauna) en (het ontbreken van) ondiepe zones en geleidelijke, natuurlijke land-waterovergangen is het opmerkelijk te noemen dat het KRWmaatregelenpakket voor de periode 2022-2027 geen maatregelen bevat die gericht zijn op ontwikkeling en uitbreiding van dergelijke ondiepe zones en land-waterovergangen. Ook voor de ontwikkeling van natuurwaarden in het plassengebied zijn dergelijke zones en overgangen gewenst, zoals eerder beschreven en ook verwoord in de provinciale ambities voor natuur.

22

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Bijlage B : Huidige situatie Inleiding In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie aan de hand van de vier aspecten waar de provincie Utrecht in haar beleid de nadruk op legt (zie Bijlage A). • Bestaande waarden van het ecosysteem; • Robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN; • Aanwezigheid van soorten; • Verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Bestaande waarden van het ecosysteem De Vinkeveense Plassen hebben een belangrijke functie voor natuur, met name rondom natte natuur met de bijbehorende flora en fauna. Behorend tot dit NNN-gebied kunnen dan ook natuurdoeltypen of zogeheten natuurbeheertypen aangewezen worden. Deze natuurbeheertypen worden gebruikt voor het beheer van het gebied. Figuur 2 geeft weer welke natuurbeheertypen binnen het plangebied liggen volgens het Natuurbeheerplan 2022, deze wijken echter af van daadwerkelijke situatie. Zo zijn verschillende delen van de legakkers in het natuurbeheerplan als ‘water’ (natuurbeheertype N04.01 of N04.02) opgenomen. De Vinkeveense plassen zijn het resultaat van vervening en zandwinning. Het is een door de mens gemaakt landschap, waar de veenresten langzamerhand verdwijnen door golfslag en veenafbraak. De grote wateroppervlakte en relatief grote waterdiepte (>3 meter) zorgt dat dit in nog grotere mate optreedt dan in andere, ondiepere veenplassen.

Er is sprake van een vrij hoge recreatiedruk, grote delen van het landoppervlak van legakkers zijn feitelijk in gebruik voor dag- en verblijfsrecreatie. Op de zandeilanden vindt alleen dagrecreatie plaats. Legakkers en een groot deel van de zandeilanden hebben beschoeide oevers. Waar deze oevers beschadigd raken, verdwijnen de legakkers gaandeweg onder water. In het gebied komen weinig natuurlijke oevers en landwaterovergangen voor, en ook weinig natuurlijke begroeiingen op legakkers en zandeilanden; de floristische waarde is momenteel beperkt. De aanwezige natuurlijke vegetaties bestaan vooral uit bos, beperkt wat riet, natuurlijk grasland of inheems struweel. Op de legakkers vormen bomen een risico voor het voorbestaan, omdat bomen delen van de legakkers meetrekken als deze omvallen. Verlandingsvegetaties ontbreken nagenoeg, alleen aan de noordwestkant van de Noordplas (nabij de Botshol) komen bijzondere moerasvegetaties voor met galigaan, waterdrieblad, wateraardbei en pluimzegge (Van Helsdingen & Buizer, 2018). De natuurbeheertypen die binnen het plangebied liggen zijn voornamelijk natuurbeheertypes N04.02 Zoete plas en N04.01 Kranswierwater. De kranswierwateren zijn gebonden aan helder en voedselarm water. Deze watervegetaties komen voor rond de zandeilanden in de Noordplas en aan de noord- en zuidrand van de Zuidplas.

De omstandigheden hier zijn geschikt omdat door de hellende oevers van de zandeilanden slib de diepte in zakt en niet neerslaat in de minder diepe delen, die de potentiële groeiplaatsen van kranswieren vormen. Dit is ook de reden dat tussen de legakkers geen kranswieren voorkomen: waarschijnlijk door slechtere waterkwaliteit en het neerslaan van slib. Daarnaast komen plaatselijk ook andere onderwatervegetaties voor, zoals van fonteinkruiden en bronmos (Van Helsdingen & Buizer, 2018). Op de zandeilanden betreft het met name kruiden- en faunarijk grasland en op enkele legakkers aan de randen van de plassen hoog- en laagveenbos en droog of vochtig bos met productie. De huidige kwaliteit van de aangewezen natuurbeheertypen op het land (op de legakkers) is matig tot slecht. De oorzaak hiervan is vooral de kunstmatige inrichting (bebouwing, verharding, tuinen etc.) van het gebied, uniformiteit van de vegetaties en de versnipperde ligging. De twee voornaamste natuurbeheertypen in het water, N04.01 kranswierwateren en N04.02 zoete plas (zie Figuur 8), kennen in de huidige situatie een goede tot slechte kwaliteit.

Hoewel de ruimtelijke conditie van het kranswierwater ‘goed’ beoordeeld is, onder andere omdat dit bedekking van meer dan 5% van het totale oppervlaktewater binnen het natuurgebied betreft (vooral in de Noordplas) en het minimumaantal kwalificerende soorten voorkomt, is de kwaliteit voor ‘structuur’ slecht. De kwaliteit van het natuurbeheertype N04.02 Zoete plas is vooral slecht door het ontbreken van natuurlijke oevers en overgangen van land naar water. Voor beiden is de hydrologische kwaliteit slecht als gevolg van de wegzijging, de volledig gereguleerde aan- en afvoer en onnatuurlijk waterpeilbeheer (relatief hoog water in de zomer en relatief laag water in de winter) (Van Helsdingen & Buizer, 2018; Arcadis, 2017).

23

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Voor het aanwezige bos op de legakkers geldt dat met name de versnipperde ligging en het kleine oppervlak (veel randeffecten) bepalend is voor een lage kwaliteit. In de delen van het plassengebied met een hogere bebouwings- en gebruiksdichtheid (recreatie) zijn de natuurwaarden lager dan in de delen met een lagere gebruiksintensiteit. De natuurwaarden worden naast de aanwezigheid van beschikbaar leefgebied, grotendeels ook gestuurd door de mate van verstoring door recreanten. In die delen met veel (recreatieve) bebouwing of inrichting en een hogere gebruiksintensiteit zijn minder natuurwaarden aanwezig (Arcadis, 2017).

Figuur 8: Uitsnede van de kaart met ligging van de natuurbeheertypen volgens het Natuurbeheerplan 2022 in en rond de Vinkeveense Plassen.

24

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN Met robuustheid en aaneengeslotenheid wordt bedoeld dat de gebieden die aangewezen zijn als NNN, ecologisch kunnen functioneren. Het effect van een ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect hangt af van de aard daarvan in relatie tot de specifieke locatie in het NNN. Grote eenheden in het NNN moeten groot blijven. Maar het is ook belangrijk dat natuur die al versnipperd is, niet verder versnippert en daar waar mogelijk ook weer op elkaar aan gaat sluiten. Voor de natuur op en langs de Vinkeveense Plassen zelf is de samenhang met omliggende (natuur)terreinen van belang. Hierbij gaat het om Botshol (dit is een Natura 2000-gebied), het legakkergebied bij Achterbos (“Het Meertje”), de natuurontwikkeling in Groot Mijdrecht Noord, Marickenland, Polder Groot Wilnis-Vinkeveen, de natuurontwikkeling De Bovenlanden, de veenriviertjes, de Geuzensloot en het agrarische gebied met natuurwaarden, zie Figuur 9.

Botshol

Groot Mijdrecht Noord Vinkeveense Plassen Legakkergebied bij Achterbos / Het Meertje Geuzensloot Marickenland Agrarisch gebied met natuurwaarden

Bovenlanden

Polder Groot Wilnis - Vinkeveen

Figuur 9: Vinkeveense Plassen en omliggende natuurgebieden. Kaart uit Natuurbeheerplan 2022.

De Vinkeveense Plassen is als onderdeel binnen het NNN in de provincie Utrecht een robuust en aaneengesloten geheel. Het merendeel van het gebied zelf bestaat uit open water, dat wordt afgewisseld met de legakkers en zandeilanden. De Baambrugse Zuwe scheidt de Noordplas van de Zuidplas en de provinciale weg N201 scheidt de Zuidplas van de Kleine plas. De drie plassen vormen echter wel één oppervlaktewatersysteem en zijn goed verbonden via meerdere waterverbindingen binnen de netwerkstructuur van petgaten als ook aangelegde waterverbindingen aan zowel de west- en oostzijde van de Baambrugse Zuwe en de N201. Aanwezigheid van soorten In deze paragraaf wordt beschreven welke beschermde soorten en aandachtsoorten voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten In onderstaande tabel is per soortgroep beschreven of beschermde soorten voorkomen binnen het plangebied en waar mogelijk wordt nog aandacht gegeven aan overige soorten. Beschermde soorten zijn beschermd in het kader 25

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

van de soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Zie tenzij anders aangegeven de quickscan ecologie (Arcadis, 2018) voor een uitgebreide toelichting op de habitatgeschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten. Tabel 1: Aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Soortgroep Beschrijving van aanwezigheid Planten Beschermde planten komen niet voor. Als beschreven in § 2.2 is de floristische waarde van het gebied laag. Alleen aan de noordwestkant zijn floristisch enigszins interessante vegetaties aanwezig. Broedvogels (nestplaats Algemene en schaarse broedvogels zijn in alle zones aanwezig. In Van Helsdingen & Buizer gedurende broedperiode (2018) is over vogels het volgende opgenomen: beschermd) • Opvallend is de populatie krooneenden in de Vinkeveense Plassen, zie ook de tekst over aandachtsoorten. • In noordwestelijke deel van de Noordplas is op legakkers die met bomen zijn begroeid een kleine kolonie blauwe reigers aanwezig. • De Vinkeveense plassen vormen een foerageergebied voor vogels uit de omgeving en tevens rustgebied voor vogels als kokmeeuw, visdief en zwarte stern. Watervogels overwinteren ook in de Vinkeveense plassen. Het gaat om soorten die op de plassen foerageren, maar om soorten die op de plassen rusten en in de omgeving rusten, zoals de smient. • Op kale legakkers aan de noordwestkant van de Zuidplas broeden visdief en kokmeeuw.

• De grote karekiet komt niet (meer) voor in het gebied. Broedvogels (nestplaats jaarrond beschermd)

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

Amfibieën

Reptielen Vissen Ongewervelden

De aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermd nest kan op de legakkers niet worden uitgesloten, het gaat om mogelijke nesten van gierzwaluw en huismus in gebouwen en roofvogelnesten aan de westkant van de plas in zone II en de zuidwestzijde van zone III. Op de zandeilanden kwamen in 2018 geen jaarrond beschermde nesten voor. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren als muizensoorten en bruine rat worden verwacht binnen alle zones. De potentie voor otter en bever is aanwezig, maar beide soorten zijn nog niet in het gebied waargenomen. De aanwezige bebouwing op de legakkers in zone I en II bieden potentieel verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Het gehele plangebied biedt potentieel foerageergebied voor vleermuizen en omdat de legakkers lijnvormig zijn en vaak met bomen en struweel zijn begroeid worden deze mogelijk als vliegroute gebruikt. Aanwezigheid van verblijfplaatsen op de zandeilanden is uitgesloten. Mogelijk maken in delen van de nacht de oeverzones van de zandeilanden en de zandeilanden wel onderdeel uit van foerageergebied van aanwezige vleermuissoorten. Algemeen voorkomende amfibieën zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander komen naar verwachting voor. Op de zandeilanden zijn geen geschikte voortplantingswateren voor beschermde amfibieën aanwezig.

Ringslang komt in heel het plassengebied voor (Van Helsdingen & Buizer, 2018). Aanwezigheid van ringslang op de zandeilanden is uitgesloten. De aanwezigheid van kwabaal (beschermde vissoort) is bekend. De aanwezigheid van overige beschermde vissoorten is uitgesloten. De aanwezigheid van platte schijfhoorn is bekend. De aanwezigheid van andere beschermde ongewervelden is uitgesloten. Het is wel bekend dat in het plangebied bijzondere waterinsecten voorkomen, waaronder rodelijstsoorten als Lype phaeopa, vroege glazenmaker en glassnijder (Van Helsdingen & Buizer, 2018).

Aandachtsoorten De bedreigde soorten binnen de provincie Utrecht worden ‘aandachtsoorten’ genoemd. Het zijn soorten waar de provincie zich inzet voor het behoud hiervan. Er is een lijst opgesteld met ruim 500 soorten planten en dieren. Uit de lijst van aandachtsoorten zijn 41 icoonsoorten geselecteerd: planten en dieren waarvoor de provincie Utrecht een bijzondere betekenis heeft omdat een belangrijk deel van de Nederlandse populatie in Utrecht voorkomt. Ze staan symbool voor de vele andere aandachtsoorten. Binnen de provincie zijn gebieden aangewezen waarvan verwacht wordt dat hier relatief veel van deze icoon- en aandachtsoorten aanwezig zijn: de Natuurparels. De Vinkeveense Plassen zijn een Natuurparel voor vogels en vissen. 2 De icoonsoorten zijn soorten waarvoor de provincie Utrecht een bijzondere verantwoordelijkheid heeft omdat het zwaartepunt van het verspreidingsgebied in deze provincie ligt. Het

2 https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2020-03/natuurvisie_-_supplement_biodiversiteit.pdf, geraadpleegd op 16-09-2022.

26

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Supplement Biodiversiteit3 gaat in op de Utrechtse aandachtsoorten, waarbij in meer detail is uitgewerkt welke soorten specifieke aandacht krijgen. In het Supplement zijn maatregelen opgenomen die met name de icoonsoorten ten goede komen. De krooneend en kwabaal gelden als icoonsoorten voor de Vinkeveense Plassen. De krooneend broedt in Nederland sinds ongeveer 1940. De Vinkeveense Plassen en Botshol waren jarenlang bolwerken voor deze broedvogel en zijn dat nog steeds (zie Heemskerk & Dirksen, 2019). De soort wordt hier nog steeds waargenomen (NDFF). De krooneend is een broedvogel van vrij ondiepe meren en plassen met een riet- of kruidenrijke oever. Een rijke onderwatervegetatie is een vereiste. In de Vinkeveense Plassen is de soort afhankelijk van kranswierwateren. De krooneend broedt op rustige, niet in recreatief gebruik zijnde legakkers, tussen of onder begroeiing, niet ver van het water. In de ruiperiode schuilen de eenden onder overhangende begroeiing langs legakkers, met name in net noodwestelijke deel van de Noordplas, ten westen en zuidwesten van de zandeilanden. De soort vindt steeds moeilijker een geschikte broedplek, door hoge beschoeiingen en het ontbreken van beschutting.

Daarnaast is een knelpunt voor de pasgeboren jongen aanwezig, deze kunnen moeilijk op de oever komen om op te warmen doordat de legakkers door hoge beschoeiingen langs de oevers moeilijk toegankelijk zijn (Arcadis, 2017; Bureau Waardenburg, 2019). De kwabaal is nachtactief en verschuilt zich overdag in oeverholten of tussen stenen. De soort kwam vroeger in grote delen van Nederland voor, maar als gevolg van de slechte waterkwaliteit en de degradatie van leefgebieden is deze in heel Nederland sterk afgenomen in de tweede helft van de 20e eeuw. De soort wordt nog vrij regelmatig aangetroffen in de Vinkeveense plassen (NDFF). De soort lijkt vrij algemeen verspreid in het plangebied en is in alle plassen waargenomen; ook in de diepe delen van de Kleine Plas, ten zuiden van de N201. De diepte van de plassen en de daarmee gepaard gaande, relatief koele omstandigheden, speelt hierbij waarschijnlijk een grote rol. Er lijkt sprake van een stabiele populatie. De grootste dichtheden zijn bij duikers en beroepsvissers bekend aan de oostzijde van de Zuidplas (Arcadis, 2017). De Hydroptila tineoides (kokerjuffer) geldt eveneens als icoonsoort voor de grote wateren, maar komt enkel voor in de Maarsseveense Plas. Dit is een van de weinige vindplaatsen van deze soort in de provincie (Provincie Utrecht, 2016c). In de Vinkeveense Plassen zijn geen waarnemingen van deze soort bekend.

Verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen Verbindingen zijn nodig binnen en tussen natuurgebieden, maar ook tussen natuurgebieden en hun omgeving. Verbindingen worden door dieren gebruikt voor de geregelde (al dan niet dagelijkse) verplaatsingen tussen rust- en foerageergebieden en daarnaast om zich te verplaatsen tussen verschillende leefgebieden voor dispersie of migratie, bijvoorbeeld tussen zomer- en winterleefgebieden of om leefgebieden uit te breiden. De vormgeving en inrichting van een verbinding is afhankelijk van de mobiliteit van een soort. Voor soorten die te allen tijde gebonden zijn aan primair leefgebied (zoals vissen en veel insecten) bestaat een verbinding uit aaneengesloten leefgebied. Meer mobiele soorten (vogels of grotere zoogdieren) kunnen gebieden overbruggen die niet bestaan uit leefgebied. Afhankelijk van de mobiliteit kunnen barrières ontstaan door ruimtelijke ontwikkelingen in of nabij leefgebied. De waarde als verbinding van de Vinkeveense plassen zit in de aanwezigheid van het grote watergebied met eilanden. Het watergebied vormt leefgebied voor aquatische soorten en de eilanden vormen stapstenen voor meer landgebonden soorten. De Vinkeveense plassen staan in verbinding met plassen en slotensystemen in de directe omgeving.

De waarde zit dan ook in het open water dat leefgebied vormt voor soorten die ook voor kunnen komen in het watersysteem van de omgeving. Verbindingen voor strikter landgebonden soorten gaan om de Vinkeveense plassen heen. Meer lokaal vormen de Vinkeveense Plassen ook leefgebieden voor soorten uit het Botsbol, het Achterbos en de polders ten zuiden. Hierbij gaat het voornamelijk om vogels, waarvoor de Vinkeveense plassen foerageergebied vormen. In Figuur 9 is de ligging van het NNN in en rondom het plangebied weergegeven. Ten zuiden van de Vinkeveense Plassen is sprake van veenweidegebied, met belangrijke natuurkwaliteiten als weidevogelgrasland. Samen met de Vinkeveense Plassen vormen deze drie natuurgebieden een kerngebied van het NNN. Een groot aantal vogelsoorten heeft hierbinnen een netwerk van broed- en voedselgebieden. Verbindingen met de omgeving bestaan uit kleine

3 https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2021-01/natuurvisie_provincie_utrecht_supplement_biodiversiteit.pdf, geraadpleegd op 24-06-

2022.

27

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

verbindingszones langs watergangen. Er is geen directe verbinding met de Nieuwkoopse Plassen of de Oostelijke Vechtplassen. Het kerngebied waar de Vinkeveense Plassen onderdeel van uitmaakt, was onderdeel van een robuuste ecologische verbinding tussen de Biesbosch en de randmeren: De Groene Ruggengraat. Hoewel deze robuuste verbinding formeel/planologisch niet meer bestaat, is ter hoogte van de Geuzensloot, nabij Vinkeveen, voor deze verbinding onder de rijksweg A2 een circa 150 m brede onderdoorgang gemaakt. Deze moet onder meer gebruikt kunnen worden door amfibieën en zoogdieren, waaronder de otter. Ook onder de N201 zijn reeds twee faunapassages aanwezig om migratie van diersoorten mogelijk te maken, zie Figuur 10. Ook hierbij is de otter een doelsoort. De legakkers nabij de N201 gelden daarbij als oriëntatie voor otters naar de faunatunnels onder de N201 en de watergebonden onderdoorgangen van de N201. De verwachting is namelijk dat de otter zich op termijn in de Vinkeveense Plassen zal vestigen, aangezien de soort al is waargenomen in het Naardermeer en de Nieuwkoopse Plassen en ook gewerkt wordt aan ecologische verbindingen tussen gebieden. Nabij het gebied zijn al wel dode otters gevonden als verkeersslachtoffer. De Vinkeveense Plassen maken onderdeel uit van een groter moerassysteem tussen de Vechtplassen in het oosten en de meer westelijk gelegen Nieuwkoopse plassen.

De provincie heeft dat als volgt verwoord in haar natuurbeleid Natuur 2.0: “In het Utrechtse netwerk van natuur leggen wij de nadruk op het behoud en versterken van biodiversiteit in drie grote systemen: • de bossen, heide, droge schraalgraslanden van de Utrechtse Heuvelrug met de bron- en kwelmilieus van de Gelderse Vallei en het Langbroekerweteringgebied; • de moerassen, soortenrijke vochtige graslanden en plassen in de veenweidegebieden; • het lint van uiterwaarden van de Neder-Rijn en Lek. • Voor de natuur op en langs de Vinkeveense Plassen zelf is de samenhang met omliggende (natuur) terreinen van belang, Botshol, legakkergebied bij Achterbos, natuurontwikkeling in Groot Mijdrecht Noord, Marickenland, Groot Wilnis Vinkeveen, natuurontwikkeling De Bovenlanden, de veenriviertjes, de Geuzensloot en het agrarische gebied met natuurwaarden.”

28

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Figuur 10: Uitsnede van webkaart provincie Utrecht met gerealiseerde faunapassages binnen en in de omgeving van het Plassengebied (bron: Provincie Utrecht).

29

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

Bijlage C : Beschrijving natuurbeheertypen N04.01 Kranswierwater De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n04-stilstaande-wateren/n04-01-kranswierwater/ , geraadpleegd op 08-07-2022. Algemene beschrijving Kranswieren zijn grote vertakte algen met fijne bladeren, ze groeien meestal dicht bij de bodem en kunnen grote aaneengesloten velden vormen. Ze komen voor in meren van het laagveen- en IJsselmeergebied. Het water moet zeer helder, voedselarm en niet vervuild zijn. Doorgaans is het water zeer mineraalrijk, omdat het onder invloed van toestromend grondwater staat of omdat het een beetje brak is. Kranswierwater komt nu vooral voor in het IJsselmeergebied en in meren waar toestroom is van grondwater uit de Veluwe of de Utrechtse heuvelrug plaats vindt. De klassieke vindplaatsen zijn de laagveenplassen, kleinere watertjes in het duingebied en de binnenduinrand en kwelgebieden op de overgang van de zandgronden naar het laagveengebied. De begroeiingen bestaan uit vrij eenvormige vegetatiematten, vaak een beetje aangedrukt op de bodem liggend. Kranswieren sterven soms in de winter af en moeten dan vanuit sporen opnieuw uitlopen. Voor duurzaam behoud van kranswierwater moet het water zeer voedselarm en zeer helder zijn. Worden kranswieren met slib bedekt, dan sterven ze meestal snel af.

Niet alle kranswiervegetaties worden tot kranswierwater gerekend. Het gaat om grote aaneengesloten vegetaties van kranswieren, niet om kranswieren die verspreid tussen andere waterplanten of in kleine poeltjes tussen moerasplanten groeien. Belangrijke soorten zijn sterkranswier, stekelharig kransblad, ruw kransblad, kraaltjes glanswier, kleinhoofdig glanswier, klein en groot boomglanswier, brakwaterkransblad, kustkransblad en gebogen kransblad. De krooneend is in belangrijke mate afhankelijk van kranswieren. De grote plassen en meren met kranswieren in ons land behoren tot de grootste vindplaatsen hiervan in Europa. Ook is de soortenrijkdom in ons land hoog: van de ruim veertig kranswiersoorten in Europa komt de helft in ons land voor. Nederland is daarom van zeer groot belang voor dit type. Door vervuiling van het water zijn veel vindplaatsen verdwenen. De toekomst van kranswierwater in het IJsselmeergebied is onzeker. Experimenten met defosfateren van het water zijn hoopvol. In het Naardermeer bijvoorbeeld hebben de kranswieren zich weten te herstellen na het in gebruik nemen van een defosfateringsinstallatie. De kranswieren die van min of meer brak water afhankelijk zijn, blijven echter sterk bedreigd. Voorbeeldgebieden De Wieden, Botshol, Naardermeer, Gouwzee, IJmeer, Veluwe randmeren, Vechtplassen en Nieuwkoopse plassen.

Afbakening • Het beheertype Kranswierwater omvat waterlichamen, zowel groot als klein, met een vegetatie die gedomineerd wordt door kranswieren. In de vegetatie komt tenminste één van de volgende kranswieren voor: sterkranswier, stekelharig kransblad, brokkelig kransblad, fijnstekelig kransblad, harig kransblad, ruw kransblad, teer kransblad, kraaltjesglanswier, kleinhoofdig glanswier, puntdragend glanswier, klein of groot boomglanswier, vertakt boomglanswier, brakwaterkransblad, kustkransblad en gebogen kransblad. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook in één seizoen. Omringend helder water zonder kranswieren kan daarom ook tot het beheertype gerekend worden. • Enkele kranswieren komen in de beheertypen Zwak gebufferd ven of in Vochtige duinvallei voor en worden dan tot dat type gerekend. • Sommige algemene kranswieren (gewoon kransblad, breekbaar kransblad en buigzaam glanswier) komen ook voor in vegetaties die gedomineerd worden door waterplanten van voedselrijk water, zoals fonteinkruiden. Dergelijke vegetaties behoren niet tot het beheertype Kranswierwater. • Soms is het onderscheid met brak water niet groot, alleen als de kranswieren domineren worden deze wateren tot dit beheertype gerekend.

30

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

N04.02 Zoete plas De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n04-stilstaande-wateren/n04-02-zoete-plas, geraadpleegd op 08-07-2022. Algemene beschrijving Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. Het kan gaan om meren, plassen, wielen, kolken en dobben, maar ook om relatief smalle, trek- of petgaten, vaarten, kanalen en afgekoppelde rivierarmen. (zoals Kromme Rijn, Hollandse IJssel en Amstel) . Sommige meren, zoals de Leijen, Zuidlaardermeer en Naardermeer, hebben (gedeeltelijk) een natuurlijke oorsprong. De meeste laagveenplassen zijn ontstaan door vergraving, vervening of erosie. Bij grote plassen in het laagveengebied heeft de wind veel grip op het water waardoor hoge golven ontstaan en de kans op erosie toeneemt. De zeer grote meren in het Delta- en IJsselmeergebied zijn ontstaan na afsluiting van de zee. Het Markermeer en de meeste randmeren (zie afbakening) zijn door compartimentering zodanig veranderd dat ze nu het beste opgevat kunnen worden als zoete plas. Ook de gegraven wateren van de zandgronden, kunnen gerekend worden tot zoete plas.

De meeste van deze plassen hebben echter zulke steile oevers en zijn zo diep dat ze nauwelijks van ecologische betekenis zijn. De variatie in een plas hangt af van verschillende factoren; wind, stroming van het water, diepte, grondsoort, helderheid van het water, aanwezigheid van slib, sloef of bagger en aanbod van voedingstoffen en mineralen. Planten en dieren hebben ook een grote invloed, watervlooien kunnen zoveel algen eten dat het water helder blijft, bodemwoelende vissen vertroebelen het water, waterplanten verminderen de golfslag en versnellen verlanding. De stroming in het water is meestal niet groot, maar wind en peilverschillen tussen verschillende waterlichamen kunnen wel stroming veroorzaken. De wind stuwt het water een beetje op aan de loefzijde zodat er over de bodem een stroming ontstaat naar de lijzijde. Het water stroomt min of meer een cirkelvormig; aan de oppervlakte met de wind mee en over de bodem tegen de wind in. De lage stroom, over de bodem, neemt licht bodemmateriaal mee. Omdat de overheersende windrichting zuidwest is, zal de bodem juist aan deze kant bestaan uit week en slap sediment. Helderheid en doorzicht worden mede bepaald door het aanbod van voedingstoffen. Algen groeien snel bij veel voedsel en vertroebelen het water. De variatie in de plassen hangt samen met deze verschillende omstandigheden.

In de diepste delen komen ondergedoken grote fonteinkruiden voor, wat ondieper staan waterplanten met grote drijvende bladen zoals witte waterlelie en gele plomp. De ondergedoken watervegetaties kunnen in mozaïek voorkomen met kranswierwater. Dit is bijvoorbeeld in sommige delen van de randmeren het geval. In de luwte achter de drijvende waterplanten komen, in ondiep water, andere waterplanten zoals krabbenscheer en groot blaasjeskruid voor. De oevers bestaat uit drijftillen met grote zeggen of riet- en biezenkragen. Op windstille plaatsen kunnen deze zoneringen heel breed zijn, aan de windzijde zijn ze heel smal of ontbreken. Grote laagveenplassen zijn in Europa zeer zeldzaam. Ze zijn internationaal van belang voor visetende en grazende watervogels, rivierdonderpad, gestreepte waterroofkever, meervleermuis en krabbenscheer. Zoete plas is nationaal van grote betekenis als leefgebied voor otter, vissen zoals paling, kwabaal en snoek, libellen en kokerjuffers, zoals groene glazenmaker, plasrombout, en waterplanten zoals langstengelig fonteinkruid en watergentiaan. Troebel water en een zeer hoog aanbod van voedingstoffen komen veel voor. Vermesting, uit landbouwgebieden of bij lozingspunten veroorzaken deze problemen. Ook het inlaten van gebiedsvreemd water waardoor uiteindelijk veel fosfaat vrijkomt in het water is een belangrijke oorzaak.

Andere grote problemen zijn de vast ingestelde waterstanden; de waterpeilen zijn in de zomer lager dan in de winter, het gebrek aan mogelijkheden om te trekken en een tekort aan geleidelijke overgangen en ondiepe paaiplaatsen voor vissen en amfibieën. Voorbeeldgebieden Kortenhoefse plassen, Vuntus, Naardermeer, Zuidlaardermeer, diverse Veluwe randmeren, Markermeer, petgaten in Weerribben, Wieden en Apeldoorns kanaal (NB: de meeste meren zijn niet optimaal). Afbakening • Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m. en dieper dan 20 cm. (gemiddelde waterdiepte), van stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren, met fonteinkruiden, zannichellia, waterlelies, gele plomp, watergentiaan, krabbenscheer, kikkerbeet, groot blaasjeskruid, waterpesten, hoornbladen, vederkruiden, waterviolier, waterranonkels en soms ook sterrenkrozen. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook in één 31

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

• • • • • •

seizoen. Omringend water zonder de genoemde soorten en de drijftillen worden daarom ook tot het beheertype gerekend. Stromende wateren (meer dan 10 cm/sec) behoren tot de beheertypen Rivier of Beek en bron. De wielen, strangen en oude rivierlopen in het buitendijkse deel van het rivierengebied worden tot Rivier gerekend. Watervegetaties (binnendijks) met indicatoren voor brak water zoals ruppia, zeegras of zilte waterranonkel behoren tot het beheertype Brak water. Zie ook afbakening bij Afgesloten zeearm. De daar genoemde wateren worden niet tot Zoete plas gerekend. In het beheertype Zwakgebufferd ven of in Vochtige duinvallei kunnen ook enkele waterranonkels, fonteinkruiden en sterrenkrozen voorkomen en worden tot het beheertype Zwakgebufferd ven of Vochtige duinvallei gerekend. Grote diepe duinplassen kunnen wel tot het beheertype Zoete plas behoren. Water met dominantie van kranswieren wordt gerekend tot Kranswierwater. Kleine wateren die tot poel of klein historisch water kunnen worden gerekend vallen onder dat beheertype.

N05.03 Veenmoeras De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n05-moerassen/n05-03-veenmoeras/, geraadpleegd op 24-06-2022. Algemene beschrijving Veenmoerassen komen voor op de overgang van water naar land. Ze zijn gelegen in historisch laag- en eventueel hoogveengebieden. Kenmerken voor deze moerassen is dat ze in de huidige situatie zeer nat zijn, maar een geringe waterdynamiek kennen. Soms is er zelfs sprake van een omgekeerd peil. Hierdoor neemt de snelheid van verbossing en verzuring toe. Om het moeras in stand te houden is er daarom intensief beheer nodig. Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Veenmoeras is van groot belang voor vogels, libellen, vissen, amfibieën en enkele zoogdieren als otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Goed ontwikkelde moerassen behoren tot de soortenrijkste levensgemeenschappen in Nederland, en zijn daarom van groot belang voor de Nederlandse natuur. Veenmoeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Hierin weerspiegelt zich de overgang van water naar land. Aan de waterkant vormen losgeslagen planten drijftillen met waterscheerling, zeggen, galigaan en slangenwortel.

Het rietland kan vrij open zijn met poeltjes waarin waterplanten groeien, kruidenrijk met diverse orchideeën en blauwe knoop of mosrijk met blad- en levermossen of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een grasrijke vegetatie. De kruidenrijke of mosrijke fase met vrij open riet kan duiden op een wat lagere voedselrijkdom in combinatie met matig zure omstandigheden. In dit milieu kunnen veenmossen zich vestigen. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet). De Nederlandse moerassen zijn vrijwel volledig ontgonnen of verveend geweest; de grote menselijke invloed is in de laagveenmoerassen te herkennen aan het verveningspatroon. Een groot deel wordt bedreigd door vermesting, verdroging en verbossing. Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een fluctuerend waterpeil en een goede waterkwaliteit essentieel. Doordat deze factoren vaak ontbreken er veelal sprake van gebrek aan nieuwvorming en successie waardoor extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te behouden. Veenmoeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide en uiteindelijk overgaan in Hoogveen.

Ruigte en bosvorming (afhankelijk van peilregime en aanwezigheid van grote herbivoren en beheer) kunnen na verloop van tijd de overhand nemen. Afbakening • Het beheertype Veenmoeras omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties. • Veenmoeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De zomersituatie geldt hier als referentiepunt. • De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. • Droge rietruigten vallen niet onder dit beheertype maar onder het beheertype Ruigteveld. • In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 cm.

32

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

• •

Gebieden waar de waterstanddymaniek groot is (meer dan 20 cm verschil tussen zomer en winter) en/of waar regelmatig (gemid. minimaal 1 keer jaar) overstroming met oppervlaktewater plaatsvindt, vallen onder het type N05.04 Dynamisch Moeras. Gebieden die onderdeel uitmaken van het natuurtype Grootschalige dynamische natuur: N01.03 Rivier- en Moeraslandschap, vallen niet onder het type Veenmoeras.

Voorbeeldgebieden Onderdelen van Wieden, onderdelen van Weerribben, Rottige Meenthe, Naardermeer, Oostelijke vechtplassen, Botshol en delen van de Nieuwkoopse Plassen. N06.01 Veenmosrietland en moerasheide De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n06-voedselarme-venen-en-vochtige-heiden/n06-01-veenmosrietland-en-moerasheide/, geraadpleegd op 08-07-2022. Algemene beschrijving Veenmosrietland en moerasheide zijn vrij voedselarme moerastypen en komen alleen voor in laagveenmoerassen en veenweidegebieden. In veenweidegebieden vormt het veenmosrietland vaak linten langs sloten. Moerasheide is zowel binnen Nederland als Europa zeer zeldzaam en kan beschouwd worden als een overgang naar hoogveen. Veenmosrietland en moerasheide waren niet zeldzaam in de oorspronkelijke moerassen, maar zijn door de ontginning en vervening van het laagveengebied vrijwel verdwenen. De laatste voorbeelden zijn in omvang en kwaliteit afgenomen door verdroging, vermesting, verzuring en verbossing. Veenmosrietland bestaat uit een vrij ijle rietlaag en vaak een moslaag, rijk aan veenmossen, ronde zonnedauw, orchideeën en varens. Moerasheide bestaat vooral uit veenmossen, gedeeltelijk gaat het om soorten die verder alleen in hoogveen voorkomen.

Gewone dophei, verschillende soorten bosbessen en zeggensoorten komen tussen de veenmossen voor. De vegetatie is laag en zeer open, riet en andere hoge moerasplanten zijn slechts hier en daar aanwezig. Veenmosrietland en moerasheide zijn oude verlandingsstadia in de reeks van open water naar moerasbos. Vanuit jong rietland kan bij een toenemende dikte meer invloed ontstaan van regenwater, waardoor veenmosrietland en in een later stadium moerasheide tot ontwikkeling kan komen. Bij moerasheide is de invloed van regenwater het grootst. Bij verlanding vanuit brak water kan deze successie bijzonder snel verlopen. Veenmosrietland en moerasheide vormen een natuurlijk, laat stadium in de successiereeks. Door de veranderde waterhuishouding verruigen en verbossen deze oude verlandingsstadia veel sneller dan onder natuurlijke omstandigheden. Door te maaien wordt dit proces vertraagd. Afbakening • Het beheertype Veenmosrietland en moerasheide omvat late stadia in verlandingsvegetaties waarin veenmossen, heidesoorten en gagel gezamenlijk tenminste 30% van de bedekking vormen. • Tot 10% van het beheertype kan bestaan uit ander struweel. • De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. • In de nattere delen liggen de grondwaterstanden tussen 0 en 20 cm.

• Het beheertype komt niet voor in het Heuvellandschap. Voorbeeldgebieden Alde Feanen, Wieden, Weerribben, Nieuwkoopse Plassen, Vechtplassen, Botshol en Wormerveld, Jisperveld, Oostzanerveld, Westeinderplassen en Ilperveld. N06.02 Trilveen De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n06-voedselarme-venen-en-vochtige-heiden/n06-02-trilveen/, geraadpleegd op 24-06-2022. Algemene beschrijving Trilveen heeft zijn naam te danken aan de slappe bodems die op en neer bewegen als er overheen gelopen wordt. Het zijn 20 tot 70 cm. dikke drijvende kraggen van plantenresten en veen. Het omvat vegetaties van de klasse der 33

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

kleine zeggen of van de klasse der hoogveenslenken. Trilveen stelt hoge eisen aan de waterkwaliteit en –kwantiteit en komt voor bij matig voedselrijke omstandigheden en stabiele hoge waterstanden. Trilveen kwam oorspronkelijk voor in beekdalen, onder invloed van een sterke toestroom van grondwater en in laagvenen op de overgang van de hoogveenkernen naar moeras. Nu komen de meeste trilvenen voor in het laagveengebied als verlandingsgemeenschap in beschutte wateren zoals petgaten. Trilveen komt plaatselijk voor in beekdalen op kwelrijke plekken. Trilveen wordt gekarakteriseerd door de combinatie van laag blijvende zeggen, mossen en kruiden. Trilveen vormt het leefgebied van planten zoals groenknolorchis, waterdrieblad, moeraskartelblad, ronde zegge, draadzegge, verschillende soorten schorpioenmos, insecten zoals de zilveren maan en vogels als watersnip. In jong Trilveen komen poeltjes voor met waterplanten als plat blaasjeskruid en kranswieren. Bij het dikker worden van de kragge door strooiselophoping neemt de invloed van regenwater toe en kunnen veenmossen zich vestigen. De structuurvariatie; van poeltjes met waterplanten tot de wat hogere veenmosbultjes, zorgt voor veel gradiëntrijke overgangen en verklaart de hoge biodiversiteit van gebieden met trilvenen. Bijzonder soortenrijk zijn ook overgangen van Trilveen naar schrale graslanden op vaste(re) bodem.

Het trilveen in de petgaten zal uiteindelijk overgaan in veenmosrietland. Trilveen is zowel binnen Nederland als binnen Europa zeer zeldzaam en is door ontginning en vervening vrijwel verdwenen. De laatste restanten trilveen verliezen nog steeds soorten door verslechtering van de waterkwaliteit en verzuring. Afbakening • Het beheertype trilveen omvat vegetaties, drijvend op water of op een slappe bodem, gedomineerd door lage cypergrassen, slaapmossen, kruiden en ijl, laagblijvend riet. • De gemiddelde grondwaterstanden liggen tussen 0 en -10 cm onder maaiveld. • Er komen tenminste enkele van de volgende karakteristieke plantensoorten voor: ronde zegge, draadzegge, waterdrieblad, moeraskartelblad, kleine valeriaan, snavelzegge, holpijp, vleeskleurige orchis, rietorchis, slank wollegras, veenmosorchis, plat blaasjeskruid, klein blaasjeskruid, rood schorpioenmos, groen schorpioenmos, groot veenvedermos, trilveenveenmos. Voorbeeldgebieden Wieden, Weerribben, Drentse Aa, Naardermeer, Vechtplassen en Langstraat. N10.01 Nat schraalland De volgende informatie is afkomstig van https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n10-vochtige-schraalgraslanden/n10-01-nat-schraalland/, geraadpleegd op 08-07-2022. Algemene beschrijving Nat schraalland is, net als Vochtig hooiland, zeer oud boerengrasland.

Nat schraalland is echter minder productief en de bodem is heel slap. De graslanden zijn daardoor slecht toegankelijk, ze kunnen ’s winters onder water staan maar zullen ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden. De variatie in de graslanden is groot. Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. Hiermee in mozaiek voorkomende dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden worden ook tot nat schraalland gerekend. Nat schaalland kwam in het verleden algemeen voor in de grote veengebieden van Friesland, Holland en Utrecht. Uit oude beschrijvingen blijkt dat het ging om een combinatie van blauwgrasland met zeggenvegetaties. Deze blauw getinte graslanden kwamen voor met door pijpenstrootje, moerasstruisgras of echte witbol gedomineerde graslanden. Daarnaast komt nat schraalland voor in beekdalen en op de veengronden tussen binnenduinrand en oude strandwallen. In Oost Nederland komen bijzondere vormen komen voor in lage slenken van heidevelden die geleidelijk uitlopen in bovenlopen en in droogdalen van de stuwwallen. Ook in de beekdalen van Heuvelland en van Noord Brabant komen, onder invloed van zeer baserijk grondwater, afwijkende en bijzondere vormen voor van nat schraalland.

In beekdalen staan nat schraaland vaak onder invloed van toestromend grondwater, in de laagveengebieden gaat het echter om de combinatie van hoge grondwaterstanden, tijdelijke inundaties met gebufferd schoon oppervlaktewater of wat beter gebufferde bodems. Vaak zijn de bodems matig zuur, maar omdat nat schraaland zeer gevoelig is voor verdere verzuring is de aanwezigheid van bufferstoffen, die verdere verzuring voorkomen, van essentieel belang. De vegetatie is kruiden- en zeggenrijk en vormt overgangen naar rietland, heide of struweel. In de graslanden zijn vaak kleine verschillen in hoogte, in laagten blijft water langer blijft staan op overgangen naar iets drogere gronden 34

Onze referentie: 6CX2FSQJ6AFT-1411357842-20:1 - Datum: 8 juli 2022

INSPIRATIEDOCUMENT NATUUR VINKEVEENSE PLASSEN

kunnen heischrale graslanden en heiden voorkomen. Juist deze gradiënten maken het type zeer soortenrijk. Nat schraalland kan rijk zijn aan zegge (blonde zegge, blauwe zegge, geelgroene zegge, vlozegge, tweehuizige zegge), en orchideeën (brede orchis, rietorchis, gevlekte orchis, vleeskleurige orchis, moeraswespenorchis). Karakteristieke dagvlinders zijn zilveren maan en pimpernelblauwtje. Een aantal van nat schraalland afhankelijke vlinders is in ons land helaas verdwenen. In overgangen naar kalkmoeras kunnen groenknolorchis, vetblad of parnassia voorkomen. Nat schraalland is door de rijkdom aan zeldzame soorten van groot Europees en nationaal belang. Blauwgraslanden zijn beperkt tot een klein gebied aan de Atlantische kust van Europa. Nat schraalland komt vaak in oude, maar vaak kleine reservaten voor en zijn daarom zeer gevoelig voor ingrepen in de omgeving. Het nat schaalland van de oude strandwallen en het laagveen is vrijwel verdwenen. In een aantal beekdalen is de situatie iets beter door het toestromen van grondwater. Verdroging, verzuring en vermesting zijn de belangrijke bedreigingen voor nat schraalland. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Afbakening • Nat schraalland omvat blauwgrasland, kleine zeggen- en kalkmoeras.

Dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden in beekdalen en boezemlanden kunnen ook tot dit type gerekend worden als ze in combinatie met de eerste drie vegetatietypen voorkomen. • Komen dotterbloemhooiland en veldrusschraalland zonder blauwgrasland, kleine zeggen- of kalkmoeras voor, dan is de draagkracht van de bodem wat minder slecht en worden ze tot Vochtig hooiland gerekend. • De graslanden komen voor op voedselarme, matig zure tot basische bodems die gedurende de winter het waterpeil tenminste op of rond het maaiveld hebben (0-20 cm. beneden maaiveld) en ’s zomers slechts oppervlakkig uitdrogen. De bodems zijn vanwege het natte karakter weinig draagkrachtig. • In Nat schraalland komen tenminste enkele karakteristieke soorten voor: blonde zegge, vlozegge, sterzegge, tweehuizige zegge, knotszegge, blauwe zegge, waterdrieblad, draadrus, melkviooltje, Spaanse ruiter, gevlekte orchis, moeraswespenorchis, klokjesgentiaan, welriekende nachtorchis, klein glidkruid, brede en rietorchis, vleeskleurige orchis, blauwe knoop, moerasstreepzaad, addertong, harlekijn, adderwortel, kleine valeriaan, moeraskartelblad, welriekende nachtorchis, parnassia, vetblad. • Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14930823/1