CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West -Regels

Politieke commissie 15 februari 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West30.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

119/166

Artikel 26

Wonen ‐ Bebouwingsconcentraties

26.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen ‐ Bebouwingsconcentraties aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning , een woonschip of een stacaravan; alsmede voor: b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, en toegangswegen. 26.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 26.2.1 Woningen Ten aanzien van woningen gelden de volgende regels: Algemeen a. op deze gronden is het niet toegestaan nieuwe hoofdgebouwen ten dienste van wonen te bouwen, dan wel extra woningen te creëren via woningsplitsing, tenzij het vervangende nieuwbouw of reeds vergunde situaties betreft; b. in afwijking van het bepaalde onder a mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen worden vergroot tot ten hoogste het aangegeven aantal; c. gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; Hoofdgebouwen d. de inhoud van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 700 m3, e. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 3,5m; f. hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap waarvan de hellingshoek ten minste 30° en ten hoogste 50° bedraagt; g. de afstand van hoofdgebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m; h.

in afwijking van het bepaalde in sub d tot en met g geldt ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' dat hoofdgebouwen zijn toegestaan met ten hoogste de bestaande maatvoering; Bijgebouwen en overkappingen i. de omvang van het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen als bedoeld onder j, k en l, wordt bepaald door de perceelsoppervlakte vanaf 3 meter achter de voorgevellijn (zone zijtuin en achtertuin), met dien verstande dat bij deze berekening het oppervlak van het (bestaande) hoofdgebouw niet wordt meegerekend; j. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder i minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen op deze gronden, ten hoogste 50% mag bedragen; k. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder i minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen, voor zover het bepaalde percentage onder j dit toelaat, ten hoogste 5 m² mag bedragen voor elke meter dat het bouwperceel gemiddeld breed is tot een absoluut maximum van 50 m²;

120/166

l.

voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals onder i 200 m² of meer bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50 m² mag bedragen, vermeerderd met 5% van het aantal vierkante meters dat deze gronden groter zijn dan 200 m², tot een absoluut maximum van 90 m²; m. het is niet toegestaan bijgebouwen en overkappingen voor de voorgevelrooilijn op te richten; n. bijgebouwen en overkappingen mogen vrijstaand en aangebouwd aan het hoofdgebouw worden gebouwd; o. voor vrijstaande bijgebouwen geldt dat: 1. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw maximaal 3 meter mag bedragen; 2. de bouwhoogte ten hoogste 5 meter mag bedragen; 3. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen; p. voor aangebouwde bijgebouwen geldt dat: 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen; 2. bij de vrijstaande woningen slechts aan één zijgevel bijgebouwen mogen worden aangebouwd; 3. de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen; 4. de bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen; q. voor overkappingen geldt dat: 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 1 meter moet bedragen; 2. de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen; r. op hoeksituaties dient de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse perceelsgrens en/of de weg minimaal 3 meter te bedragen; s.

in afwijking van het bepaalde onder r mogen bijgebouwen en overkappingen tot in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, indien de voorgevelrooilijn van de aangrenzende bebouwing niet wordt overschreden, alsmede in situaties waar ook het hoofdgebouw tot in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd. Overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde t. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, bedraagt: 1. pergola's en speeltoestellen: 3 m; 2. overige bouwwerken, voor zover voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 1 m; 3. overige bouwwerken, voor zover achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 2 m. 26.3

Afwijken van de bouwregels

26.3.1 Vergroten hoofdgebouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1 sub d om de inhoud van woningen te vergroten tot 900 m3 met inachtneming van het volgende: a. er dient ten minste 500 m2 aan bebouwing op het bouwperceel te worden gesloopt; b. uit een beeldkwaliteitsparagraaf en op basis van een adequate landschappelijke inpassing blijkt dat sprake is van een op de betreffende locatie passende ontwikkeling. 26.3.2 Overschrijden toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1 sub o en p om een hogere bouwhoogte voor bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. het bijgebouw moet visueel en voor wat betreft het gebruik ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw; b. een grotere hoogte wordt uitsluitend toegestaan voor bijgebouwen op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens;

121/166

c. belangen van derden (inval van licht en uitzicht) mogen niet in onevenredige mate worden geschaad; d. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen. 26.3.3 Grotere oppervlakte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1 sub j t/m l om een grotere oppervlaktemaat aan bijgebouwen toe te staan bij sloop van bestaande bijgebouwen met inachtneming van het volgende: 1. de oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt ten hoogste de toegestane oppervlakte als bedoeld in lid 26.2.1 sub j t/m l, vermeerderd met: a. bij 26.2.1 sub j: 50% van het meerdere van de oppervlaktemaat als bedoeld in 26.2.1 aan bedrijfsbijgebouwen dat wordt gesloopt; b. bij 26.2.1 sub k: 50% van het meerdere van 50 m2 aan bedrijfsbijgebouwen dat wordt gesloopt. c. bij 26.2.1 sub l: 50% van het meerdere van 90 m2 aan bedrijfsbijgebouwen dat wordt gesloopt. 26.3.4 Toestaan extra woning bij sloop bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1 sub a om extra woningen toe te staan met inachtneming van het volgende: a. een extra woning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de sloop van alle (voormalige) bedrijfsgebouwen, met een verhouding als in onderstaande tabel weergegeven: aantal extra woningen bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde = of > 1.000 m2 en < 2.500 m2

1

2

= of > 2.500 m en < 4.000 m

2

2

3

2

= of > 4.000 m

kassen, uitgezonderd kassen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ glastuinbouwconcentratiegebied' per 5.000 m2

1

b. de extra woning dient milieu‐hygiënisch inpasbaar te zijn; c. de extra woning dient te worden voorzien van adequate landschappelijke inpassing. 26.3.5 Toestaan extra woning bij woningsplitsing Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1 sub a om een extra woning toe te staan in het geval van splitsing van voormalige boerderijen, waaronder wordt verstaan een voormalige agrarische bedrijfswoning met in de hoofdbouwmassa opgenomen bedrijfsruimten, die samen een stedenbouwkundige eenheid vormen, met inachtneming van het volgende: a. de te splitsen (voormalige) boerderij dient een inhoud te hebben van minimaal 900 m³; b. het bestaande grondoppervlak van het hoofdgebouw mag niet worden vergroot; c. de splitsing mag niet leiden tot twee separate – vrijstaande ‐ woningen; d. de splitsing mag geen schade toebrengen aan eventuele architectonische en cultuurhistorische waarden van het pand;

122/166

e. de extra woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; f. na splitsing mag elke woning 50 m² aan bijgebouwen hebben. 26.3.6 Afwijken van de minimale afstand van hoofdgebouwen tot perceelsgrenzen In afwijking van artikel 25.2.1 onder g is het bouwen van gebouwen tot op de perceelsgrens toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de belangen van rechthebbenden van aan deze perceelsgrens liggende gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden mogen niet onevenredig worden beperkt; en c. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige natuur‐ en landschapswaarden.

26.4

Specifieke gebruiksregels

26.4.1 Beroep of bedrijf aan huis a. bij woningen is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende: 1. de gebruiksvloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m2; 2. het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning; 3. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarde:  een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd;  een bed en breakfast is alleen toegestaan in de woning en in aangebouwde bijgebouwen; 5. het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers‐ en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

26.4.2 Voorwaardelijke verplichting ‐ Kromme Mijdrecht 10 Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen ‐ voorwaardelijke verplichting 2' is de ingebruikname van drie afzonderlijke woningen uitsluitend toegestaan voor zover deze gezamenlijk in de bestaande bebouwing worden gesitueerd.

123/166

Artikel 27

Leiding

27.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de volgende leidingen, onderverdeeld in: 1. ter plaatse van Leiding ‐ Brandstof: een brandstofleiding; 2. ter plaatse van Leiding ‐ Gas: een gasleiding; 3. ter plaatse van Leiding ‐ Riool: een rioolleiding; 4. ter plaatse van Leiding ‐ Water: een waterleiding. b. Voor zover de op de verbeelding weergegeven dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk samenvalt met andere bestemmingen, heeft de bestemming Leiding voorrang. 27.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 27.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 27.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 27.2 onder b. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen; b. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad, doordat: 1. de veiligheid van de gasleiding niet wordt geschaad; 2. vooraf door het bevoegd gezag schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder; 3. er geen kwetsbare objecten worden toegelaten. 27.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

27.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen.

124/166

27.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 27.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 27.3 bedoeld; b. normaal onderhoud en beheer betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 27.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 27.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad en daarover vooraf schriftelijk advies ingewonnen is bij de leidingbeheerder.

125/166

Artikel 28

Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied

28.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. De (verwachtings)waarden zijn van uiteenlopende aard en om die reden onderverdeeld in:  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2a  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 3  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6  Waarde ‐ Archeologisch waardevol gebied waterbodem categorie 1  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied waterbodem categorie 2  Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied waterbodem categorie 3 28.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 28.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; 3. aanvragers naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende kunnen aantonen dat er al werkzaamheden tot de betreffende diepte van het bouwplan hebben plaatsgevonden. In dat geval is er geen archeologisch onderzoek meer nodig.

126/166

c. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende situaties: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwplan waarbij geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden ten minste één van de onderstaande diepte‐, oppervlakte‐ en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden: zone

dieptemaat

oppervlaktemaat

lengtemaat

Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2a

30 cm

50 m2

n.v.t.

categorie 2b

30 cm

100 m2

n.v.t.

30 cm

2

categorie 3 categorie 4 categorie 5 categorie 6

500 m

n.v.t.

30 cm

2

2.000 m

n.v.t.

30 cm

2

n.v.t.

2

n.v.t.

30 cm

2.000 m

10.000 m

Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied waterbodem:

28.3

categorie 1

dieper dan de leggerdiepte

n.v.t.

n.v.t.

categorie 2

dieper dan de leggerdiepte

4.000 m2

aaneengesloten lengte van 200 m

categorie 3

dieper dan de leggerdiepte

n.v.t.

aaneengesloten lengte van 1.000 m

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

28.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

127/166

28.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 28.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 28.2 in acht is genomen; b. ten minste één van de onderstaande diepte‐, oppervlakte‐ en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden: zone

dieptemaat

oppervlaktemaat

lengtemaat

Waarde ‐ Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem: categorie 2a

30 cm

50 m2

categorie 2b

30 cm

100 m2

30 cm

2

categorie 3 categorie 4 categorie 5 categorie 6

n.v.t. n.v.t.

500 m

n.v.t. 2

30 cm

2.000 m

30 cm

2

30 cm

n.v.t.

2.000 m

n.v.t. 2

10.000 m

n.v.t.

Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied waterbodem: categorie 1

dieper dan de leggerdiepte

n.v.t.

n.v.t.

categorie 2

dieper dan de leggerdiepte

4.000 m2

aaneengesloten lengte van 200 m

categorie 3

dieper dan de leggerdiepte

n.v.t.

aaneengesloten lengte van 1.000 m

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; e. onderhoudsbaggerwerkzaamheden betreffen die aantoonbaar niet dieper reiken dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes. 28.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 28.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. c.

de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.

128/166

Artikel 29

Waarde ‐ Kreek‐ en stroomruggen

29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Kreek‐ en stroomruggen' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming van de landschapswaarde van kreek‐ en stroomruggen. 29.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mag ten behoeve van de in lid 29.1 genoemde bestemming niet worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport van een landschapsdeskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat met het bouwen de landschapswaarde als bedoeld in lid 29.1 niet onevenredig wordt geschaad; c. het bepaalde onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gehele of gedeeltelijke vervanging of vervanging van bestaande bebouwing waarbij de positionering gelijk blijft en de lengte, de breedte en de hoogte niet toenemen. 29.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

29.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde ‐ Kreek‐ en stroomruggen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het vergraven, afgraven of ophogen van gronden; b. het egaliseren van gronden. 29.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 29.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; 29.3.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 29.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 29.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

129/166

Artikel 30

Waterstaat ‐ Waterkering

30.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat ‐ Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering. 30.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 30.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 30.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 30.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; hiervoor dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap.

130/166

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12333079/1