Bijlage 3 bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied-West -Regels
Tekst van het document
1E HERZIENING BUITENGEBIED-WEST De Ronde Venen
1/2
1e herziening Buitengebied‐West
De Ronde Venen
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.0736.BP023BgbWestherz‐va01
13‐04‐2022 09‐05‐2022 10‐09‐2022 23‐02‐2023
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
076300.20211671 opdrachtleider:
drs. M.P. Kegler
Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
REGELS
Inhoudsopgave Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
39
Artikel 1
Begrippen
39
Artikel 2
Wijze van meten
52
Bestemmingsregels
53
Artikel 3
Agrarisch
53
Artikel 4
Agrarisch met waarden ‐ Natuurwaarden
66
Artikel 5
Bedrijf
77
Artikel 6
Bedrijf ‐ Nutsvoorziening
83
Artikel 7
Bos
84
Artikel 8
Detailhandel
85
Artikel 9
Groen
87
Artikel 10
Horeca
88
Artikel 11
Maatschappelijk
90
Artikel 12
Natuur
92
Artikel 13
Recreatie ‐ Dagrecreatie dagrecreatieve voorziening
94
Artikel 14
Recreatie ‐ Dagrecreatie volkstuin
95
Artikel 15
Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie appartement
96
Artikel 16
Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie caravanpark
98
Artikel 17
Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie kampeerterrein
101
Artikel 18
Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie recreatiewoning
103
Artikel 19
Sport ‐ Golfbaan
106
Artikel 20
Sport ‐ Manege
107
Artikel 21
Sport ‐ Sportterrein
109
Artikel 22
Tuin ‐ Landschappelijk
110
Artikel 23
Verkeer
111
Artikel 24
Water
112
Artikel 25
Wonen
114
Artikel 26
Wonen ‐ Bebouwingsconcentraties
120
Artikel 27
Leiding
124
Artikel 28
Waarde ‐ Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied
126
Artikel 29
Waarde ‐ Kreek‐ en stroomruggen
129
Artikel 30
Waterstaat ‐ Waterkering
130
Hoofdstuk 2
37/166
Hoofdstuk 3
Algemene regels
131
Artikel 31
Antidubbeltelregel
131
Artikel 32
Algemene bouwregels
132
Artikel 33
Algemene aanduidingsregels
134
Artikel 34
Algemene afwijkingsregels
137
Artikel 35
Algemene wijzigingsregels
138
Artikel 36
Overige regels
140
Overgangs‐ en slotregels
141
Artikel 37
Overgangsrecht
141
Artikel 38
Slotregel
142
Hoofdstuk 4
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Bestaande grondgebonden veehouderijbedrijven
Bijlage 2
Bestaande niet‐grondgebonden veehouderijbedrijven
Bijlage 3
Standaard SvB
Bijlage 4
Staat van Horeca‐activiteiten
Bijlage 5
PGB Permanente bewoning
Bijlage 6
Landschappelijke inpassing De Hoef Oostzijde 27
Bijlage 7
Landschappelijke inpassing Hoofdweg 74
Bijlage 8
Landschappelijke inpassing Provincialeweg 17
Bijlage 9
Landschappelijke inpassing Molenland 10
Bijlage 10
Landschappelijke inpassing Mennonietenbuurt 116A
Bijlage 11
Locaties kamperen bij de boer
38/166
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel A: Toepassingsbereik Het bestemmingsplan 'Buitengebied‐West' met IMRO‐code NL.IMRO.0736.BP018BgbWest‐va02 (vastgesteld op 21 februari 2019) is onverkort van toepassing op het plangebied van dit plan met IMRO‐code NL.IMRO.0736.BP023BgbWestherz‐, met uitzondering van:
verwijderingen in de regels in dit plan, deze zijn aangegeven door middel van doorhaling met groene arcering (voorbeeld); toevoegingen in de regels in dit plan, deze zijn aangegeven door middel van een gele arcering (voorbeeld); die delen van de verbeelding waarvoor in dit plan (wel) een enkelbestemming op de verbeelding is opgenomen.
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 1e herziening Buitengebied‐West als NL.IMRO.0736.BP023BgbWestherz‐va01 van de gemeente De Ronde Venen. 1.2
vervat
in
het
GML‐bestand
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aanlegplaats
een plaats gelegen in een watergang, bedoeld voor het ligplaats nemen met schepen c.q. recreatievaartuigen, niet zijnde woonschepen, voor een bepaalde periode; 1.6
agrarisch bedrijf
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege; 1.7
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
39/166
1.8
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten; 1.9
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10
bed en breakfast
een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, zonder verdere aanwezigheid van een eigen keuken ter bereiding van verdere maaltijden. 1.11
bedrijf
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen. 1.12
bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een (agrarisch) bedrijf; 1.13
bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.14
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts bestemd is voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is; 1.15 beperkt kwetsbaar object een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.16
beroep en bedrijf aan huis
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten en het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, voor zover voorkomend in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is dat deze in een woning en bijbehorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend; 1.17
bestaand (in geval van een bouwwerk)
bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. a. bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
40/166
1.18
bestaande aantal dierplaatsen
het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan. 1.19 bestaande afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen en aantallen afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.20 bestaande diersoorten de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd. 1.21
bestaand stalsysteem
het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) alsmede de nageschakelde initiatieven. 1.22
bestaand stedelijk gebied
bestaand stedelijk gebied zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening. 1.23 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.24
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.25
bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.26 bij een grondgebonden agrarisch bedrijf behorende gronden c. gronden die in eigendom zijn of voor een periode van ten minste 5 jaar gepacht of gehuurd worden en die gelegen zijn binnen de gemeente De Ronde Venen of binnen het grondgebied van de naburige gemeenten. Dit mogen tussentijds wisselende gronden zijn, bepalend is de gezamenlijke oppervlakte die zij gezamenlijk gedurende ten minste 5 jaar omvatten. Bij deze periode van 5 jaar geldt zowel het verleden als de toekomst mee, zolang er sprake is van een aaneengesloten periode van 5 jaar waar ook het moment van toetsing onderdeel van uit maakt. d. Hiertoe worden niet gerekend: gronden, waarvoor voer‐ en stro en mestovereenkomsten zijn afgesloten. 1.27
bijgebouw
een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, hetzij met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning niet is toegestaan. 1.28
bodem
het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;
41/166
1.29
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.30 bouwgrens een grens van een bouwvlak; 1.31
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten. 1.32 bouwperceel (of kavel) een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.33
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel. 1.34 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. 1.35
chalet
een gebouw dat op basis van de bestemming voor het wonen of voor verblijfsrecreatie gebruikt kan worden, en wat is uitgevoerd in andere materiaalsoorten dan steen of vergelijkbaar materiaal en dat in zijn geheel of gedeeltelijk verplaatsbaar is. 1.36
consumentenvuurwerk
vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.37 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.38
dagrecreatie
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan; 1.39
deskundige
een onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een nader in de regels te benoemen onderwerp. 1.40 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps‐ of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse;
42/166
1.41
detailhandel in volumineuze goederen
vormen van detailhandel die een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto‐, boten‐, en caravan‐bedrijven mede worden begrepen; 1.42
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis‐ en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.43
drijvende woning
een drijvend object dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen, bedoeld om ter plaatse te functioneren en niet bestemd voor de vaart, gelet op één of meer van de volgende factoren: a. de vorm van het casco en het materiaalgebruik, b. de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt, c. de afwezigheid van voortstuwing of aandrijving (al dan niet indirect), d. de afwezigheid van een stuurinrichting, e. de zichtlijn vanuit de stuurinrichting f. verbod ten aanzien van het varen op grond van de Binnenvaartwet. 1.44
eigenaar
degene die bij het kadaster bekend staat als eigenaar of als opstalhouder, erfpachter of vruchtgebruiker van een perceel; 1.45 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en waarvan de bestemming die inrichting niet verbiedt. 1.46 extensief recreatief medegebruik vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur‐ en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen op gronden die bestemd zijn voor een andere hoofdactiviteit en waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, maar waarvoor kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes. 1.47
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, met twee of meer wanden omsloten ruimte vormt; 1.48 glastuinbouwbedrijf een tuinbouwbedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in kassen, permanente tunnels en plastic kassen daaronder begrepen;
43/166
1.49
groen(voorziening)
binnen een gebied of perceel, dan wel op een gedeelte ervan, gelegen grasvelden, beplantingen, begroeiingen en paden, al dan niet gecombineerd voorkomend; 1.50
Grootvee‐eenheid (GVE)
de optelsom van het aantal landbouwdieren op het bedrijf omgerekend naar de fosfaatproductie van één melkkoe. 1.51
geluidzone ‐ industrie
de met de gebiedsaanduiding 'geluidzone ‐ industrie' aangegeven zone, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. 1.52
grondgebonden agrarisch bedrijf
agrarische bedrijven waarvan de bedrijfsvoering grotendeels afhankelijk is (weidegang, voedervoorziening, mestafzet e.d.) van het voortbrengend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort. 1.53 grondgebonden veehouderij een grondgebonden agrarisch bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege. 1.54 historisch schip een (gewezen) vaartuig dat als varend monument hetzij als historisch casco is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland van de Federatie Varend Erfgoed Nederland; 1.55
historisch schip ‐ De Hoef
een (gewezen) vaartuig dat als varend monument hetzij als historisch casco is ingeschreven in het Register Varend Erfgoed Nederland van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en een directe relatie heeft met het agrarisch verleden van De Hoef of de gemeente De Ronde Venen; 1.56
hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.57
hoofdverblijf
een gebouw of ander onderkomen welke voor een persoon functioneert als de plaats waar het centrum van zijn sociale en maatschappelijke activiteiten ligt. 1.58
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;
44/166
1.59
hovenier
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend. 1.60
huishouden
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt hier niet onder verstaan. 1.61 internetwinkel een specifieke vorm van detailhandel, waarbij het aanbieden en verkopen van goederen uitsluitend via het internet gebeurt en er geen sprake is van een voor publiek toegankelijke winkelruimte, showroom of afhaalpunt. 1.62
internetverkoop
een specifieke vorm van detailhandel, waarbij het aanbieden en verkopen van goederen via internet als onderdeel van de hoofdfunctie wordt uitgeoefend en waarbij de producten per post worden toegestuurd. 1.63
kamerverhuur
het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning. Hieronder wordt niet verstaan de verhuur door particulieren van maximaal twee kamers in de door hen zelf bewoonde woning; 1.64 kampeermiddel tenten, tentwagens, kampeerauto's of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst; 1.65
kampeerterrein
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; 1.66 kantoor voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.67 kantoorvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van een kantoor, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.68
kas
een gebouw, niet zijnde een tunnelkas of een naar aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van groenten, vruchten, bloemen of planten alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.
45/166
1.69
kuilvoerplaat
Een agrarische voorziening in de vorm van een gesloten (doorgaans betonnen) vloer ten behoeve van de opslag van veevoeder (hooi, stro, gras, e.d.). Daar waar in de regels kuilvoerplaten zijn toegestaan, worden tevens vergelijkbare voorzieningen bestaande uit een gesloten (doorgaans) betonnen vloer, al dan niet met opstaande (keer)wanden, ten behoeve van de opslag van voer of mest onder begrepen. 1.70 kwetsbaar object een kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.71
landschapswaarde
de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet‐levende en levende natuur (met inbegrip van de mens); 1.72 loonbedrijf een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van civieltechnische diensten en/of cultuurtechnische diensten (waaronder grondverzet) of het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van werktuigen; 1.73 manege een bedrijf met een publieksgericht karakter, dat is gericht op het bieden van gelegenheid tot het beoefenen van de paardensport, waaronder begrepen lesgeven, verhuur en het houden van wedstrijden en/of andere hippische evenementen; 1.74 milieuhygiënisch inpasbaar een ontwikkeling is milieuhygiënisch inpasbaar indien (voor de relevante aspecten) is aangetoond dat: a. omliggende functies niet onevenredig in hun gebruiksmogelijkheden worden beperkt; b. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie; c. bij het toestaan van nieuwe geurgevoelige functies voldaan wordt aan de wettelijke geurnormen of vastgestelde hogere geurnorm; d. bij het toestaan van nieuwe geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of, indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden er wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarde; e.
er geen belemmeringen zijn op het gebied van externe veiligheid; f. de luchtkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie; g. er geen onevenredige lichthinder ontstaat van lichtveroorzakende functies op lichtgevoelige functies; h. er geen sprake is van significant negatief effecten op Natura 2000‐gebied(en); i. nieuwe functies binnen de ecologische hoofdstructuur niet schadelijk zijn voor het natuurbeheertype ter plaatse; j. soorten die op basis van de Wet Natuurbescherming beschermd zijn niet worden aangetast; k. de waterhuishouding en waterkwaliteit niet onevenredig verslechteren; l. de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is voor veilige afwikkeling van de verkeerstoename; m. er op eigen terrein voorzien wordt in de parkeerbehoefte.
46/166
1.75
molenbiotoop
aangewezen grond waarbinnen het zicht op de molen en de vrije windtoetreding worden beschermd. 1.76 monument een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed, te onderscheiden in: 1. een rijksmonument: een monument dat ingeschreven staat in het rijksmonumentenregister; 2. een gemeentelijk monument: een monument op basis van de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2013, of de rechtsopvolger daarvan, en is opgenomen op de gemeentelijke monumentenlijst. 1.77
natuurwaarden
de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met de aanwezige flora en fauna. 1.78
nevenfunctie
naast de hoofdfunctie van een agrarisch bedrijf functionerende tak, welke dient bij te dragen aan het inkomen van het agrarische bedrijf, die ruimtelijk ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het bedrijf en die verbonden dient te zijn aan de grond en/of het bouwvlak van het betreffende agrarisch bedrijf. 1.79
niet‐grondgebonden agrarisch bedrijf
agrarische bedrijven waarvan de agrarische bedrijfsvoering geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen, met uitzondering van glastuinbouw. 1.80
niet‐grondgebonden veehouderij
een niet‐grondgebonden agrarisch bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege. 1.81
oever
het droge gedeelte gelegen langs de grens tussen water en land bij het ter plaatse geldende streefpeil. In ieder geval reikend tot de bovenzijde van het schuine talud plus een strook van minimaal 50 centimeter; 1.82 oeverlijn de snijlijn tussen de oever en het water bij het ter plaatse geldende streefpijl. 1.83
omschakeling
de algehele of gedeeltelijke overstap binnen een bestaand agrarisch bedrijf naar een andere agrarische bedrijfsvorm; 1.84
ondergronds bouwwerk
een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder maaiveld op ten minste 1,50 m beneden peil; 1.85 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan 1 wand. 1.86
paardenfokkerij
een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij;
47/166
1.87
paardenhouderij
een agrarisch bedrijf dat uitsluitend gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden; 1.88
plattelandswoning
een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf. 1.89
peil
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 1.90
permanente bewoning
indien een of meerdere personen de woning al dan niet tijdelijk gebruiken als hoofdverblijf in de zin van artikel 1:10 BW – zoals dat geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan ‐ dan wel anderszins gebruiken voor niet‐recreatieve doeleinden; het gebruiken van een verblijf als hoofdverblijf. 1.91 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.92
prostitutiebedrijf
prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé‐huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen. 1.93 recreatie‐appartement het geheel van bijeenbehorende ruimten die gezamenlijk bedoeld zijn voor recreatief nachtverblijf door één of meer personen die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben, binnen een groter gebouwd dat naar aard en inrichting bedoeld is voor verblijfsrecreatie. 1.94 recreatie‐ark een drijvend bouwwerk, in het algemeen niet bestemd of ingericht om te varen, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting of in hoofdzaak bestemd is tot recreatief dag‐ of nachtverblijf van één of meer personen die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben; 1.95 recreatief nachtverblijf recreatie in ruimten die bestemd zijn voor verblijfsrecreatie, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.96
recreatiewoning
een gebouw, geen woonkeet en geen caravan/chalet of een ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor recreatief verblijf, uitsluitend door één of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben;
48/166
1.97
risicovolle inrichting
bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.98 ruimtelijke ondergeschiktheid De ruimtelijke ondergeschiktheid dient te blijken uit een combinatie van de volgende aspecten: a. het ruimtebeslag van de nevenfunctie ten opzichte van dat van de hoofdfunctie; b. de fysieke positionering van de nevenfunctie ten opzichte van de hoofdfunctie; c. de uitstraling c.q. het aanzicht van de nevenfunctie ten opzichte van dat van de hoofdfunctie. 1.99
rustende boer
het voormalig agrarisch bedrijfshoofd, die nog enige tijd in de bedrijfswoning blijft wonen nadat hij/zij zijn werkzaamheden voor het agrarisch bedrijf heeft gestaakt of nadat het agrarisch bedrijf is opgehouden te bestaan. 1.100 slopen het geheel of gedeeltelijk permanent afbreken van een bouwwerk. 1.101 stacaravan een onderkomen, onder welke benaming dan ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon‐, dag of nachtverblijf van één of meer personen en dat door de aanwezigheid van wielen wel over korte afstanden naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of veranderingen niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als een stacaravan en daarmee vergelijkbare onderkomens. 1.102 steiger een bouwwerk, geheel of grotendeels boven het water en meestal langs een oever, dat dient voor het afmeren van schepen, woonschepen of andere vaartuigen en/of andere doeleinden zoals terras.
1.103 teeltondersteunende voorzieningen ondersteunende voorzieningen bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een kas, die een onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering en die worden gebruikt om de bedrijfsvoering te optimaliseren door de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats te laten vinden, zodat gezorgd kan worden voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of ‐verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: uitsluitend aanwezig zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden per jaar; b. permanente teeltondersteunende voorzieningen: voor een periode van meer dan 6 maanden per jaar aanwezig, waaronder ook begrepen permanent aanwezige onderdelen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. 1.104 tent een in hoofdzaak uit textiel of daarmee vergelijkbare materialen vervaardigd onderkomen voor dag‐ en/of nacht verblijf;
49/166
1.105 tunnelkas elke constructie van hout, metaal of ander materiaal, welke met plastic of in gebruik daarmee overeenstemmend materiaal is afgedekt en dient als teeltondersteunende voorziening. 1.106 tuincentrum een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond. 1.107 varend schip een schip dat bestemd is voor de vaart, gelet op de volgende factoren: a. de vorm van het casco en het materiaalgebruik, b. de bedoeling waarmee het schip oorspronkelijk is of wordt gemaakt, c. de aanwezigheid van voortstuwing of aandrijving (al dan niet indirect), d. de aanwezigheid van een stuurinrichting, e. de zichtlijn vanuit de stuurinrichting f. of het gebruikt mag worden om mee te varen op grond van de Binnenvaartwet. 1.108 verblijfsrecreatie recreatie in ruimten die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.109 verkoopvloeroppervlakte de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.
1.110 volkstuin een afgeperkt of omheind gedeelte, buiten een bouwvlak gelegen, ten behoeve van de niet‐beroepsmatige teelt van voedings‐ en siergewassen, alsmede voor onder meer grasvelden, paden en terrassen; 1.111 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt; de omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit de verwachten redelijk inkomen. 1.112 voorgevel een naar de openbare weg en/of fiets‐ en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw. In geval een hoofdgebouw meerdere gevels heeft die aan deze voorwaarden voldoen, betreft de voorgevel de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.113 voorgevelrooilijn de snijlijn, en het denkbeeldige verlengde daarvan, van het voorgevelvlak van een hoofdgebouw en het grondvlak waarop het hoofdgebouw zich bevindt;
50/166
1.114 waterlijn de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het waterpeil met de aangrenzende gronden; 1.115 waterkering alle dijken, kaden, natuurlijke hoogten en ophogingen, bestemd om in het openbaar belang water te keren, met inbegrip van het gehele lichaam van de dijk en kaden, die als zodanig op de plankaart zijn aangegeven; 1.116 Wgh‐inrichting bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken. 1.117 wonen het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.118 woning een complex van ruimten dat blijkens de indeling en de inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.119 woonschip een varend schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het wonen. 1.120 zorgboerderij een instelling voor de opvang van zorgbehoevenden, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie.
51/166
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
breedte, lengte en diepte van een gebouw
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen of vergelijkbare dakconstructies bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte van de betreffende gevel, wordt de goothoogte, druiplijnhoogte of boeiboordhoogte van de dakkapel of de daarmee vergelijkbare constructie als goothoogte aangemerkt. 2.6 hoogte van een drijvende woning/recreatie‐ark vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van de drijvende woning of recreatie‐ark, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne‐installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen. 2.7 inhoud van een bouwwerk tussen de bovenkant van de afgewerkte begane grond – mits niet hoger dan 10 cm boven aansluitend maaiveld, dan geldt de onderzijde van de begane grondvloer ‐ de buitenzijde van de gevels (en/of hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij (bedrijfs)woningen wordt de kelder niet gerekend tot de inhoud. 2.8 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
oppervlakte van een drijvende woning
tussen de buitenzijde van de zijwanden van de drijvende woning, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het waterpeil. 2.10
vloeroppervlakte
de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
52/166
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Agrarisch
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. niet‐grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden'; c. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw'; d. het wonen in een bedrijfswoning, voor zover een bedrijfswoning op grond van de bouwregels is toegestaan; alsmede voor: e. extensief recreatief medegebruik; f. de volgende vormen van nevengebruik: 1. bestaande, legale nevenfuncties; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ nevenfunctie niet‐grondgebonden veehouderij': niet‐grondgebonden veehouderij; 3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal nachtverblijven': het genoemde aantal eenheden voor recreatief nachtverblijf; 4. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf': een kinderdagverblijf; 5. een kampeerterrein van ten hoogste 15 kampeermiddelen voor de locaties zoals opgenomen in Bijlage 11 van de regels. g. behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van: 1. openheid; 2. verkavelingspatronen; h. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied': tevens behoudt, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied; i.
bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad‐ en losvoorzieningen en toegangswegen. 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Binnen bouwvlak Binnen het bouwvlak gelden de volgende bouwregels: a. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met het voorbehoud dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'kas' uitsluitend kassen zijn toegestaan en waterbassins voor zover ter plaatse ook de aanduiding 'overige zone ‐ glastuinbouwconcentratiegebied' geldt; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ kuilvoerplaat' uitsluitend kuilvoerplaten zijn toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ veldschuur' uitsluitend de bestaande gebouwen met de bestaande maatvoering zijn toegestaan;
53/166
b. de afstand van gebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m, met uitzondering van de afstand van kassen tot zijdelingse perceelsgrenzen, deze bedraagt ten minste 1 m; c. voorts geldt het volgende: type bouwwerk
maximaal aantal per maximale bouwvlak goothoogte
maximale bouwhoogte
maximale inhoud / oppervlakte per bouwvlak
hoofdgebouw bedrijfswoning
1 3,5 m tenzij anders aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'
*
700 m3
bijgebouwen bij de bedrijfswoning
‐
3m
5m
50 m2
overkappingen bij de bedrijfswoning
‐
‐
3m
30 m2
5,5 m
ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ 12 m': 12 m
volledig aanduidingsvlak 'glastuinbouw'
bedrijfswoning
bedrijfsgebouwen kassen ter plaatse van ‐ de aanduiding 'glastuinbouw'
elders: 8 m (ondersteunende) kassen elders
‐
5,5 m
8m
500 m2
overige bedrijfsgebouwen en ‐overkappingen
‐
5,5 m
8m
volledig bouwvlak
*een bedrijfswoning is afgedekt met een kap waarvan de hellingshoek ten minste 30° en ten hoogste 50° bedraagt; d. voor de eenheden voor recreatief nachtverblijf ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal nachtverblijven' geldt de bestaande maatvoering als ten hoogste toelaatbaar; e. paardenbakken zijn toegestaan; f. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste: 1. 1 m voor zover voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; 2. 2 m voor zover achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; g. de bouwhoogte van keerwanden bedraagt ten hoogste 4 m; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste 12 m.
54/166
3.2.2 Buiten bouwvlak Buiten het bouwvlak is uitsluitend de volgende bebouwing toegestaan: a. veekerende afrasteringen met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 m; b. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief medegebruik met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; c. bruggen met een breedte van ten hoogste 4 m en een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; d. paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ paardenbak', waarbij de hoogte van de omheining ten hoogste 1,5 m mag bedragen en lichtmasten uitsluitend zijn toegestaan met de bestaande maatvoering. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Paardenbakken buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 om paardenbakken buiten het bouwvlak toe te staan, met dien verstande dat deze afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is op hobbymatige paardenbakken en met inachtneming van het volgende: a. de afstand tussen de paardenbak en (bedrijfs)woningen van derden bedraagt ten minste 25 m; b. de paardenbak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; c. de hoogte van de omheining bedraagt ten hoogste 1,5 m; d. de hoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m; e. de in lid 3.1 genoemde landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; f. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast; g. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied' mag het weidevogelkerngebied niet onevenredig worden aangetast; h. de paardenbak dient op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast. 3.3.2 Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak toe te staan, met inachtneming van het volgende: a.
de bouwhoogte van tijdelijke, teeltondersteunende voorzieningen bedraagt ten hoogste 7 m; b. de teeltondersteunende voorziening milieuhygiënisch inpasbaar is; c. de in lid 3.1 genoemde landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast; e. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied' mag het weidevogelkerngebied niet onevenredig worden aangetast.
55/166
3.3.3 Permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 om bij bestaande fruitteeltbedrijven de permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak uit te breiden, met inachtneming van het volgende: a. de permanente teeltondersteunende voorzieningen worden uitgebreid vanuit en in aansluiting op een aanduidingsvlak met de aanduiding 'fruitteelt'; b. de bouwhoogte van permanente teeltondersteunende voorzieningen bedraagt ten hoogte 6 m; c. de teeltondersteunende voorziening milieuhygiënisch inpasbaar is; d. de in lid 3.1 genoemde landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast; f. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied' mag het weidevogelkerngebied niet onevenredig worden aangetast; g. de permanente teeltondersteunende voorzieningen dienen op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast.
3.3.4 Overschrijding toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 sub c om een hogere bouwhoogte voor bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. het bijgebouw moet visueel en voor wat betreft het gebruik ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw; b. een grotere hoogte wordt uitsluitend toegestaan voor bijgebouwen op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens; c. belangen van derden (inval van licht en uitzicht) mogen niet in onevenredige mate worden geschaad; d. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen. 3.3.5 Overschrijding toegestane goot‐ en bouwhoogte voor kassen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder c, om de maximale goot‐ en/of bouwhoogte voor kassen ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' te overschrijden, met inachtneming van het volgende: a. het gebouw mag niet meer dan één bouwlaag hebben; b. de goothoogte van kassen mag ten hoogste 7 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte van kassen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone ‐ 12m' ten hoogste 10 m mag bedragen; c. de bouwhoogte van kassen mag ten hoogste 10 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van kassen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone ‐ 12m' ten hoogste 12 m mag bedragen; d.
de kassen dienen op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast, met uitzondering van de kassen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'glastuinbouwconcentratiegebied'; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast.
56/166
3.3.6 Overschrijding toegestane goot‐ en bouwhoogte voor overige bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder c om de voor overige bedrijfsgebouwen bepaalde maximale goot‐ en/of bouwhoogte te overschrijden, met inachtneming van het volgende: a. de goothoogte van overige bedrijfsgebouwen mag ten hoogste 8 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige bedrijfsgebouwen mag ten hoogste 12 m bedragen; c. de overschrijding is noodzakelijk uit het oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; d. de in lid 3.1 genoemde natuur‐ en landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast. 3.3.7 Tijdelijke woongelegenheid rustende boer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 om toe te staan dat de bestaande bedrijfswoning bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt verbouwd of uitgebreid voor het toevoegen van een extra wooneenheid, met dien verstande dat: a. dit noodzakelijk is om tijdelijke woongelegenheid te scheppen voor een rustende boer; b.
de woongelegenheid inpandig wordt gerealiseerd of door middel van een uitbreiding die beperkt blijft tot 10% van de bestaande vloeroppervlakte van de bedrijfswoning; c. in afwijking van het bepaalde onder b, de uitbreiding maximaal 200 m3 mag bedragen, indien kan worden aangetoond dat een uitbreiding met 10% niet voldoende is; d. de afwijking voor de extra wooneenheid strikt persoonsgebonden is: de extra wooneenheid mag, na het beëindigen van de bewoning door de rustende boer, geen zelfstandige wooneenheid gaan vormen; e. de tijdelijke woonvoorziening milieuhygiënisch inpasbaar is; f. de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien op het perceel reeds twee of meer woningen aanwezig zijn. 3.3.8 Kleinschalige windenergievoorzieningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalige windenergievoorzieningen, met dien verstande dat: a. de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen niet meer dan 20 m mag bedragen; b. de hoogte van kleinschalige windenergievoorzieningen op gebouwen niet meer dan 7,5 m mag bedragen; c. kleinschalige windenergievoorzieningen waarvoor een milieuvergunning noodzakelijk is niet zijn toegestaan; d. de windenergievoorziening wordt gebruikt ten dienste van de hoofdbestemming; e.
de windenergievoorziening wordt geplaatst binnen het geldende bouwvlak van de hoofdbestemming; f. de windenergievoorziening geen onevenredige geluidhinder veroorzaakt op nabijgelegen geluidgevoelige functies; g. de aanwezige natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; h. de landschappelijke waarden, zoals benoemd in 3.1, niet onevenredig mogen worden aangetast. i. indien de windenergievoorziening wordt geplaatst op of bij een monument, er een positief advies dient te zijn van de gemeentelijke monumentencommissie.
57/166
3.3.9 Schuilstallen en agrarische hulpgebouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 ten behoeve van het toestaan van schuilgelegenheden en andere agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²; b. de hoogte maximaal 2,5 m bedraagt; c. bedoelde bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van een binnen een bouwvlak gevestigd, volwaardig agrarisch bedrijf en deze bebouwing noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; d. de rijafstand van het gebouwtje tot het bouwvlak minimaal 500 m bedraagt; e. de aanwezige natuur‐ en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast; f. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied' mag het weidevogelkerngebied niet onevenredig worden aangetast; g. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast. 3.4
Specifieke gebruiksregels
Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende specifieke gebruiksregels: Bedrijfsvoering a. per bouwvlak is ten hoogste 1 agrarisch bedrijf toegestaan, met dien verstande dat bouwvlakken die middels een koppelteken op de verbeelding aan elkaar gekoppeld zijn gezamenlijk als één bouwvlak worden aangemerkt; b. omschakeling naar een grondgebonden veehouderij is uitsluitend toegestaan voor niet‐grondgebonden veehouderijen. Ter verduidelijking zijn de bestaande grondgebonden veehouderijen opgenomen in Bijlage 1 en de bestaande niet‐grondgebonden veehouderijen in Bijlage 2; c. omschakeling naar een niet‐grondgebonden veehouderij is niet toegestaan. Ter verduidelijking zijn de bestaande niet‐ grondgebonden veehouderijen opgenomen in Bijlage 2; d. wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen is uitsluitend toegestaan indien aan één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: 1. de wijziging is op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan reeds vergund door middel van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (of diens voorganger: de Natuurbeschermingswet 1998); 2. de wijziging leidt niet tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000; 3.
de wijziging leidt wel tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000, maar de depositietoename, in cumulatie met andere projecten of handeling binnen dezelfde inrichting in de periode waarvoor het PAS‐programma geldt, overschrijdt de PAS‐grenswaarde niet; e. dierenverblijven zijn uitsluitend toegestaan op één en dezelfde bouwlaag; f. opslag van goederen is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.
58/166
Nevenfuncties g. een niet‐grondgebonden veehouderij bij wijze van nevenfunctie als bedoeld in lid 3.1 onder f is uitsluitend toegestaan met inachtneming van het volgende: 1. de oppervlakte van (delen van) gebouwen in gebruik voor niet‐grondgebonden veehouderij als nevenfunctie bedraagt per bedrijf ten hoogste de oppervlaktemaat als in onderstaande tabel weergegeven; type niet‐grondgebonden veehouderij als nevenfunctie
maximum oppervlakte
vleesvarkens
2.240 m2
zeugen
1.050 m2
leghennen (legbatterij)
700 m2
leghennen (volièrestal)
600 m2
leghennen (scharrelstal)
1.625 m2
vleeskuikens (grondstal)
2.240 m2
2. per bedrijf is slechts een nevenfunctie in één van de genoemde diersoorten als genoemd onder 1. toegestaan met de daarbij behorende oppervlaktemaat; h. nevenfuncties anders dan genoemd in lid 3.1 zijn niet toegestaan. Beroep of bedrijf aan huis i. bij bedrijfswoningen is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende: 1. de gebruiksvloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m2; 2. het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning; 3. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten; 4. in afwijking van het bepaalde onder 1 en 3 is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden: de gebruiksvloeroppervlakte bedraagt ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bijgebouwen, met een maximum van 100 m2; een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd. 5.
het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers‐ en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen. Voorwaardelijke verplichting ‐ Molenland 10 Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ voorwaardelijke verplichting 1' is de bouw van een nieuwe bedrijfswoning uitsluitend toegestaan indien ten hoogste 1 jaar na de ingebruikname van de nieuwe bedrijfswoning uitvoering is gegeven aan de landschapsmaatregelen conform de in Bijlage 9 opgenomen inrichtingsschets, en deze nadien als zodanig in stand worden gehouden.
59/166
3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Plattelandswoning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 om het gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning toe te staan met inachtneming van het volgende: a. het bedrijf waartoe de bedrijfswoning behoort heeft de bedrijfsactiviteiten niet beëindigd; b. de plattelandswoning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; c. op het agrarisch bouwvlak komt de mogelijkheid voor een (extra) bedrijfswoning te vervallen; d. de bouwregels voor een bedrijfswoning zoals opgenomen in lid 3.2.1 blijven van toepassing. 3.5.2 Nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 onder h om overige nevenfuncties bij het agrarisch bedrijf toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. de nevenfunctie dient ruimtelijk ondergeschikt te zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten; b. er dient sprake te zijn van een toekomstbestendig agrarisch bedrijf; c. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; d. de in lid 3.1 genoemde natuur‐ en landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; e. voor zover sprake is van nieuwe bebouwing ten behoeve van de nevenfunctie of van gebruik van onbebouwde gronden, dient dit op landschappelijk adequate wijze te worden ingepast; f. voor intensieve veehouderij als nevenfunctie blijft het bepaalde in lid 3.4 onverkort van toepassing.
3.5.3 Tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 om de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders in (al dan niet tijdelijke) gebouwen toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. de tijdelijke huisvesting kan voor een periode van ten hoogste 5 jaar worden toegestaan; b. de tijdelijke huisvesting mag per jaar voor een periode van ten hoogste 6 maanden plaatsvinden; c. de huisvesting is uitsluitend toegestaan voor seizoensarbeiders van het eigen bedrijf; d. de tijdelijke huisvesting dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. 3.5.4 Uitbreiding van en omschakeling naar glastuinbouw in glastuinbouwconcentratiegebied Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 om binnen het aangeduide glastuinbouwconcentratiegebied uitbreiding van en omschakeling naar glastuinbouw toe te staan en van lid 3.2 om buiten bouwvlakken en buiten aanduidingsvlakken nieuwe bebouwing ten behoeve van deze glastuinbouwbedrijven toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. de omschakeling of uitbreiding dient ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf; b. het glastuinbouwbedrijf dient na omschakeling of uitbreiding milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
60/166
c. de omschakeling of uitbreiding kan uitsluitend worden toegestaan indien aan één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: 1. de omschakeling of uitbreiding is op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan reeds vergund door middel van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (of diens voorganger: de Natuurbeschermingswet 1998); 2. de omschakeling of uitbreiding leidt niet tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000; 3. de omschakeling of uitbreiding leidt wel tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000, maar de depositietoename, in cumulatie met andere projecten of handeling binnen dezelfde inrichting in de periode waarvoor het PAS‐programma geldt, overschrijdt de PAS‐grenswaarde niet; d. op gronden waar op grond van sub a, b en c glastuinbouw kan worden toegestaan, kan in afwijking van het bepaalde in lid 3.2 bebouwing buiten bouw‐ of aanduidingsvlakken worden toegestaan voor zover de maatvoering voor het overige voldoet aan het bepaalde in lid 3.2; e. de inrichting en positionering van bebouwing dient stedenbouwkundig aanvaardbaar te zijn en verdere ontwikkeling van het glastuinbouwconcentratiegebied niet te belemmeren.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het omvormen van grasland naar bouwgrond, uitgezonderd ten behoeve van de teelt van ruwvoeder als onderdeel van een veehouderijbedrijf tot een oppervlakte van ten hoogste 20 % van de gronden van het betreffende bedrijf; b. het omvormen van grasland naar boom‐, fruit‐ of sierteelt; c. het aanbrengen van een ondergrond ten behoeve van containerteelt; d. het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden; e. het aanleggen, veranderen of dempen van wateren en waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties; f. de aanleg van harde oeverbeschoeiingen, dammen of, stuwen; g. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere houtgewassen die ten tijde van het in werking treden van het plan aanwezig zijn; h. het planten van bomen of andere houtige gewassen, ter plaatse waar gronden hiermee niet beplant waren ten tijde van het in werking treden van het plan; i. het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 200 m2, kavelpaden uitgezonderd.
3.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 3.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; d. worden uitgevoerd binnen een bouwvlak.
61/166
3.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 en het weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone ‐ weidevogelkerngebied' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 3.7 Wijzigingsbevoegdheden 3.7.1 Vormverandering bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bouwvlak wijzigen met inachtneming van het volgende: a. de oppervlakte van het bouwvlak mag niet toenemen; b. de vormverandering is noodzakelijk uit het oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; c. de vormverandering van het bouwvlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; d. de in lid 3.1 genoemde landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast. 3.7.2 Vergroten bouwvlak grondgebonden agrarische bedrijven tot 1 ha met gelijkblijvend aantal dieren Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen om binnen de aanduidingen 'overige zone ‐ landbouwgebied' en 'overige zone ‐ landbouwkerngebied' de uitbreiding van het bouwvlak van volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven toe te staan met inachtneming van het volgende: a.
de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt na uitbreiding ten hoogste 1 ha; b. het huidige bestemmingsvlak biedt, ook in geval van vormverandering, geen ruimte voor de beoogde uitbreiding; c. de uitbreiding is noodzakelijk uit het oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; d. het bestaande aantal dierplaatsen blijft ook na uitbreiding van het bouwvlak ten hoogste het bestaande aantal; e. het aantal GVE/ha mag niet groter worden dan in de bestaande situatie; f. de uitbreiding van het bouwvlak is niet toegestaan ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen; g. het agrarisch bedrijf dient ook na uitbreiding milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; h. er dient te worden voorzien in een adequate landschappelijke inpassing van het bouwvlak; i. de in lid 3.1 genoemde landschapswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; j. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast.