CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Was-wordt lijst 1e wijzigingsverordening VFL

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling 1e Wijzigingsverordening Fysieke Leefomgeving (VFL) De Ronde Venen (Akkoordstuk)15.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een actuele foto en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

2. Voordat een onroerende zaak wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 6.2.4 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 6.3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6.2.3 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Zie leeswijzer

6.2.5 Beslistermijn Op een aanvraag om aanwijzing moet worden besloten binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

Zie leeswijzer

Artikel 6.2.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 6.2.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.4 wordt in dat geval aan de Monumentencommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 16 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6.2.1. 3. Paragraaf 6.3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6.2.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 6.2.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 6.3 van overeenkomstige

Zie leeswijzer

Artikel 6.2.6 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.3 wordt in dat geval aan de adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 16 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6.2.1. 3. Paragraaf 6.3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6.2.5 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 6.2.7 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op (een verzoek om) het schrappen uit het register is paragraaf 2

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

toepassing 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt ogenblikkelijk bijgewerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. Als burgemeester en wethouders de aanwijzing intrekken, zijn artikel 6.2.4 en artikel 6.2.5 eerste lid van overeenkomstige toepassing. 5. Het verzoek tot intrekking van de aanwijzing moet een bouwkundig rapport bevatten waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond wat de bouwkundige staat van het monument is. 6. Burgemeester en wethouders trekken de aanwijzing niet in, voordat een rapport is overgelegd waarin de bouwhistorische en cultuurhistorische waarden van het gemeentelijke monument naar oordeel van het college voldoende zijn gedocumenteerd.

§ 6.3 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6.3.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan geen onderhoud te plegen dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 6.3.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt

van overeenkomstige toepassing tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. Een verzoek tot intrekking van de aanwijzing moet een bouwkundig rapport bevatten waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond wat de bouwkundige staat van het monument is. 5. Burgemeester en wethouders trekken de aanwijzing niet in, voordat een rapport is overgelegd waarin de bouwhistorische en cultuurhistorische waarden van het gemeentelijke monument naar oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zijn gedocumenteerd. § 6.3 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6.3.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan geen onderhoud te plegen dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 6.3.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 3. Burgemeester en wethouders kunnen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning in het belang van monumentenzorg verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek. 4. Op een aanvraag om een Omgevingsvergunning zijn artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid van toepassing. 5. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. 6. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer sprake is van: a. regulier onderhoud, onderhoudswerkzaamheden die erop gericht zijn om te behouden wat er is, waarbij materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft, tenzij bij de werkzaamheden een monumentaal onderdeel wordt of dreigt te worden aangetast. c. Onder de volgende voorwaarden: i. er is sprake van een technische noodzaak voor het vervangen of herstellen van materiaal op beperkte schaal; ii. aangetaste delen mogen worden vervangen of hersteld; iii.

de werkzaamheden dienen zonder hak- en breekwerk in het historisch casco te worden uitgevoerd. Voor zover er geen sprake is van de onder a. en b. bedoelde werkzaamheden en/of er wordt niet voldaan aan de onder I t/m III gestelde voorwaarden dan is een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument vereist. Artikel 6.3.3 Weigeringsgronden

ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 3. Burgemeester en wethouders kunnen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning in het belang van monumentenzorg verzoeken om een bouwhistorisch of cultuurhistorisch onderzoek. 4. Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de adviescommissie, voordat zij beslissen op de aanvraag. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. uitvoering van regulier onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Artikel 6.3.3 Weigeringsgronden

1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder toestemming van de eigenaar. § 6.4 Beeldbepalend pand Artikel 6.4.1 Advies omgevingsvergunning beeldbepalend pand Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen of wijzigen van een beeldbepalend pand voor advies aan de Monumentencommissie, als bedoeld in artikel 6.2.4 eerste lid, voordat zij beslissen op de aanvraag. Artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid en artikel 2.9 en 2.7 zijn van overeenkomstige toepassing. § 6.5 Rijksmonumenten Artikel 6.5.1 Omgevingsvergunning Rijksmonument 1. Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de Monumentencommissie, bedoeld in artikel 6.2.4, eerste lid. Artikel 6.2.4, tweede lid en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning in het belang van monumentenzorg verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek.

§ 6.6 Beschermde dorpsgezichten Artikel 6.6.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

§ 6.4 Beeldbepalend pand Artikel 6.4.1 Advies omgevingsvergunning beeldbepalend pand Burgemeester en wethouders zenden zo snel mogelijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen of wijzigen van een beeldbepalend pand voor advies aan de adviescommissie, voordat zij beslissen op de aanvraag.

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

§ 6.5 Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 6.5.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk

Zie leeswijzer

dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.4, eerste lid. Artikel 6.2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk dorpsgezicht wordt zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8.

Dit artikel is niet van toepassing op beschermde dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 6.6.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot

beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt zo snel mogelijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.5.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot

Zie leeswijzer

aanwijzing als bedoeld in artikel 6.6.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6.6.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat zo snel mogelijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 6.6.3 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een beschermd dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.

De artikelen 2.7, 2.9 en 6.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. § 6.7 Archeologie

aanwijzing als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6.5.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stadsof dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. De wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing wordt direct verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6.5.3 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 6.3.3 is overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Zie leeswijzer

Deze is geheel vervallen. Artikel 7.1.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.1.5 Afvalscheiding 2. - groente-, fruit- en tuinafval; Artikel 7.2.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.2.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 7.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing 2016 verschuldigde heffing is voldaan. Artikel 7.2.3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.2.3 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen ook worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Artikel 7.3.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.3.1 Dumpingsverbod 1. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een

Nieuwe tekst Artikel 7.1.5 Afvalscheiding 2. - groente-, fruit- en tuinafval en etensresten;

Waarom

Nieuwe tekst Artikel 7.2.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 7.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing is voldaan.

Waarom

Nieuwe tekst Artikel 7.2.3 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen ook worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.

Waarom

Nieuwe tekst Artikel 7.3.1 Dumpingsverbod 1. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een

Waarom

Tekstuele verheldering

Zie leeswijzer

Tekstuele verheldering

Zie leeswijzer

milieu-inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 7.3.3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.3.3 Zwerfafval rondom milieuinrichtingen 1. Degene die een milieu-inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de milieuinrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de milieu-inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de milieu-inrichting afkomstig zijn of voor de milieu-inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de milieu-inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 7.3.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.3.5 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht

inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- en tuinafval en etensresten op het perceel waar dit is ontstaan; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit.

Zie leeswijzer

Nieuwe tekst Artikel 7.3.3 Zwerfafval rondom inrichtingen

Waarom

Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de milieu-inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

Zie leeswijzer

Nieuwe tekst Artikel 7.3.5 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht

Waarom

Zie leeswijzer

en buiten een milieu-inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 7.1 van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 7.3.6 wordt al volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.3.6 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een milieuinrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Artikel 7.3.7 wordt toegevoegd: Bestaande tekst

op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 7.1 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven.

Nieuwe tekst Artikel 7.3.6 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

Waarom

Nieuwe tekst Artikel 7.3.7 Kadavers van gezelschapsdieren 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier. 2. Burgemeester en wethouders wijzen een of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. 3. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V.. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde of bij krachtens artikel 3.1 van de wet dieren. 4. Uiterlijk kop de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats.

Waarom

Tekstuele verheldering

Zie leeswijzer

5. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 6. Het vierde lis is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdagen na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemen die is erkend op grond van artikelen 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG. Artikel 7.4.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7.4.2 Garantievergoeding 4. De garantievergoeding bedraagt € 50,- per 1.000 kilogram.

§ 8.1 komt te vervallen: Bestaande tekst § 8.1 Omgevingsvergunning bouwen en bodemverontreiniging Artikel 8.1.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder ook begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van

Nieuwe tekst Artikel 7.4.2 Garantievergoeding 4. De garantievergoeding bedraagt € 80,- per 1.000 kilogram.

Waarom

Nieuwe tekst § 8.1 Omgevingsvergunning bouwen en bodemverontreiniging Artikel 8.1.1 Bodemonderzoek (Vervallen)

Waarom

Verwerken collegebesluit 4 april 2023 (Verhogen vergoeding aan verenigingen, scholen en kerken inzamelen van oud papier en karton). Verhoging verwerkt in bestuursrapportage aan de raad.

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen en zijn de bruidsschatregels in plaats gekomen van de regels over bouwen op verontreinigde bodem uit de voormalige bouwverordening.

de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3. Burgemeester en wethouders staan een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 8.1.2 bij burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5.

Als het bouwen pas kan starten nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 8.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

Artikel 8.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Vervallen)

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen en zijn de bruidsschatregels in plaats gekomen van de regels over bouwen op verontreinigde bodem uit de voormalige bouwverordening.

b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 8.1.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen. In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.2 van deze verordening, en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevings-recht, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

§ 8.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst § 8.2 Welstand Artikel 8.2.1 De advisering door de welstandscommissie 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan MooiSticht. hierna te noemen: de welstandscommissie. 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. 4. In de bijlage 2 bij de voorliggende verordening is het reglement van orde van de

Artikel 8.1.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen. (Vervallen)

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen en zijn de bruidsschatregels in plaats gekomen van de regels over bouwen op verontreinigde bodem uit de voormalige bouwverordening.

Nieuwe tekst § 8.2 Welstand Artikel 8.2.1 Advisering adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit De Ronde Venen 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit De Ronde Venen (hierna: de adviescommissie) zoals ingesteld via het Instellingsbesluit gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit De Ronde Venen 2. In de bijlage 2 bij de voorliggende verordening is het reglement van orde van de adviescommissie beschreven evenals de benoeming en de samenstelling ervan.

Waarom Zie leeswijzer

welstandscommissie beschreven.

Artikel 8.2.2 Samenstelling van de welstandscommissie 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie stemgerechtigde leden, waaronder de secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2. Voor leden worden plaatsvervangers aangewezen. 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen als ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 8.2.3 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de wel-standsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 8.2.4 Termijn van advisering 1.

De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is

Tevens zijn opgenomen de mandatering van het advies, de openbaarheid van de vergaderingen en bepalingen over het jaarverslag. Artikel 8.2.2 Termijn van advisering De adviescommissie brengt het advies uit binnen 2 weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

verzocht. 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, als deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven als de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 8.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huisaan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Als burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot nietopenbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders aan hun besluit tot tegemoet komen daaraan, klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. Als de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de

Zie leeswijzer

welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Artikel 8.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 8.2.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 8.2.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Artikel 8.2.8 Herziening en vervanging van aangewezennormen en andere voorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

gepubliceerd. § 8.3 komt te vervallen: Bestaande tekst § 8.3 Algemene bepaling Artikel 8.3.1 Algemene bepaling, Bouwverordening De artikelen 8.1.1. tot en met 8.2.8 gelden als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel 9.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 9.1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de regels in hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze verordening bepaalde en de op grond van de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 4. Degene, die handelt in strijd met het tweede lid van artikel 6.3.1 of artikel 6.3.2, tweede lid of artikel 6.7.1, eerste lid van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. 5. - artikel 7.2.2 tot en met artikel 7.3.6, Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 9.2 Toezichthouders 2. Met het toezicht op de naleving van het

Nieuwe tekst § 8.3 Algemene bepaling Artikel 8.3.1 Algemene bepaling, Bouwverordening (Vervallen)

Waarom

Nieuwe tekst Artikel 9.1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de regels in hoofdstuk 3, 4 en 5, artikel 6.3.1 en 6.3.2 van deze verordening bepaalde en de op grond van de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of een geldboete van de tweede categorie. 3. (Vervallen)

Waarom

4. (Vervallen)

Zie leeswijzer

5. - artikel 7.2.2 tot en met artikel 7.3.7,

Zie leeswijzer

Nieuwe tekst Artikel 9.2 Toezichthouders 2. Met het toezicht op de naleving van het

Waarom

Bepaling vervallen in verband met inwerkingtreding Omgevingswet

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

Zie leeswijzer

bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn eveneens belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen. Deze aanwijzing kan (tevens) krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn.

bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn eveneens belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen. Deze aanwijzing kan (tevens) krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 18.6 van de Omgevingswet zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15067616/2