Bijlage 2. Eindrapport-Inburgering statushouders gemeente De Ronde Venen-Regioplan
Tekst van het document
Volgens de betrokken organisaties spelen naast opleidingsniveau en werkervaring ook leeftijd en persoonlijke omstandigheden een belangrijke rol. Jongeren tussen de 18 en 24 jaar vormen een specifieke groep waarvoor de huidige wetgeving niet altijd goed aansluit. Zij vallen na hun 18e onder de inburgeringsplicht, terwijl sommigen al onderwijs hebben gevolgd in Nederland. Daarnaast zijn er statushouders die hun inburgering combineren met parttime werk, wat invloed kan hebben op hun leerproces. Gezinshereniging vormt volgens de organisaties en de gemeente een ander belangrijk punt waarop de situatie van statushouders kan verschillen. Sommige statushouders komen alleen naar Nederland, terwijl anderen later gezinsleden laten overkomen. Dit heeft directe gevolgen voor hun huisvesting, werk en de zorg voor kinderen. Statushouders met een gezin ervaren vaak extra druk, omdat ze niet alleen hun eigen inburgeringstraject moeten volgen, maar ook de integratie van hun partner en kinderen zorg en aandacht behoeft. De combinatie van taallessen, werk en gezinsverantwoordelijkheden kan de voortgang van het inburgeringstraject complexer en zwaarder maken. De samenwerkingsorganisaties houden bij de uitvoering van het beleid rekening met deze diversiteit.
Kansis richt zich vooral op statushouders uit de Z-route die extra begeleiding nodig hebben en houdt hierbij rekening met psychische problemen of een laag opleidingsniveau. De focus ligt hierbij niet uitsluitend op achtergrondkenmerken, maar vooral op wat iemand wél kan en hoe het traject daarop kan worden afgestemd. TopTaal kijkt bij de groepsindeling niet naar leeftijd of geslacht, maar richt zich op leerprofielen en taalniveaus. Hierbij wordt rekening gehouden met het leertempo van de statushouder en of deze al een basiskennis van het Nederlands heeft. Binnen de lesgroepen vragen ook de groepsdynamiek en sociale interactie bijzondere aandacht. VWN biedt maatschappelijke begeleiding en koppelt iedere statushouder aan een begeleider. Bij deze koppeling wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke situatie en de behoeften van de statushouder, zodat de begeleiding hierop kan aansluiten. Zo wordt gestreefd naar maatwerk en passende ondersteuning naar zelfredzaamheid. Ondersteuning door gemeente en VWN Veel statushouders weten wie hun contactpersoon bij de gemeente is. Hoewel het contact niet frequent is, ervaren ze dit over het algemeen als positief. De ervaringen met VWN zijn gemengd. Eén statushouder zegt alles zelf te regelen zonder ondersteuning van VWN.
Anderen zeggen dat ze in het verleden een contactpersoon hadden, maar dat dit traject inmiddels is afgerond. Zij omschrijven het contact als matig: de omgang was goed, maar zelf contact opnemen bleek lastig omdat medewerkers vaak druk bezet zijn. Taalontwikkeling Alle statushouders volgen lessen bij TopTaal. De statushouders vinden dat de boeken en lesstof van TopTaal goed zijn. De inhoud sluit aan bij de inburgering en biedt voldoende materiaal om mee te werken. Ze ervaren dat het studiemateriaal helpt bij het leren van de taal, maar vinden tegelijkertijd dat de manier van lesgeven en de organisatie van de lessen beter kunnen.
24
Een veelgehoord punt van kritiek is de kwaliteit en de ervaring van de docenten. Voorbeelden van negatieve ervaringen die de statushouders noemden zijn een docent met een buitenlands accent, wat het leren van de uitspraak bemoeilijkte, een docent zonder ervaring in lesgeven en een docent die niet goed was in schrijven en spelling en tijdens de lessen zijn eigen werk nog moest controleren. Bij de statushouders met wie is gesproken bestaat de indruk dat sommige docenten onvoldoende kennis hebben van de stof. Een ander punt dat werd genoemd is de manier van lesgeven en de groepsindeling. Er wordt veel zelfstudie verwacht en er is weinig directe begeleiding. Daarnaast vinden veel statushouders dat de groepsindeling niet goed is: in veel klassen zitten verschillende niveaus door elkaar, met als gevolg dat het niveau van de les niet altijd bij iedere cursist aansluit. Dit zorgt ervoor dat de lessen rommelig verlopen en dat docenten niet voldoende aandacht kunnen besteden aan individuele vragen. Een statushouder uit de B1-groep ervaart dit probleem minder, omdat in haar klas iedereen op hetzelfde niveau zit. Verder is er ook kritiek op de organisatie van de lessen. Veel statushouders vinden dat de lessen slecht georganiseerd zijn en dat er veel verandert tijdens de cursus, bijvoorbeeld door wisseling van docenten.
Eén statushouder vertelt dat hij en zijn klas bezig waren met hoofdstuk 15 toen hun docent ontslag nam. De nieuwe docent begon echter weer bij hoofdstuk 1, waardoor ze alle stof opnieuw moesten doen. Verschillende statushouders zeggen dat ze klachten hebben ingediend over de kwaliteit van de lessen, maar dat er geen terugkoppeling is gekomen. Ze ervaren dat er niet naar hun feedback wordt geluisterd en dat de problemen blijven bestaan. Een ander punt van kritiek zijn de aanwezigheidsregels en communicatie hierover. Veel statushouders vinden de aanwezigheidsplicht (80%) streng en ervaren dat er weinig ruimte is voor uitzonderingen. Bij minder dan 80 procent aanwezigheid is er contact met de klantmanager inburgering en TopTaal over een passende interventie. Daarnaast noemen statushouders dat er geen standaard zomervakantie is, waardoor ze vrij moeten vragen bij de gemeente. Statushouders zeggen dat de communicatie over aanwezigheid en verlof slecht is en dat er weinig rekening wordt gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. Ondanks deze problemen bij de taalschool/taallessen, geven de statushouders die wij spraken aan dat zij gemotiveerd zijn om de taal te leren. Ze oefenen ook buiten de lessen Nederlands en maken daarbij gebruik van een taalmaatje vanuit VluchtelingenWerk of het taalcafé.
Eén statushouder geeft aan als automonteur te werken en zo de taal ook op de werkvloer toe te passen en te oefenen. Andere geïnterviewden – van gemeente en organisaties – bevestigen dat een duale aanpak, waarbij taal en participatie worden gecombineerd, erg effectief is. Alleen in de klas leren is niet genoeg; statushouders moeten het ook in de praktijk kunnen toepassen. Kansis geeft aan dat statushouders op de werkvloer worden gekoppeld aan Nederlandse buddy’s zodat ze op de werkvloer zo veel mogelijk Nederlands spreken en niet bij personen gaan zitten die hun eigen taal spreken. De knelpunten die met betrekking tot het taalonderwijs worden ervaren, zijn bekend bij de gemeente en zijn onderwerp van gesprek tussen de gemeente en de taalschool. Werk en participatie De ervaringen met werk en participatie verschillen per statushouder. Eén statushouder werkt als automonteur en volgt de Z-route. Hij vertelt dat hij via Kansis aan het werk is gegaan en daarna via een meneer die vluchtelingen aan werk helpt een andere mogelijkheid heeft gevonden. Hij heeft een positieve ervaring met Kansis. Een andere statushouder uit de B1-route heeft op dit moment een sollicitatie lopen bij Tesla. De andere statushouders hebben geen betaald werk of vrijwilligerswerk.
Op de vraag of statushouders goed worden geholpen met werk zoeken en participatie, antwoorden ze dat ze via de PVT- en MAP-training snel en goed zijn begeleid. Eén statushouder vertelt dat hij bij SosyTraining een positieve ervaring had, vooral omdat hij daar ook hulp kreeg bij het vinden van een stage. Volgens hem ging dat snel en soepel. De gemeente voegt hieraan toe dat ze sinds vier jaar werken met een jobcoach voor statushouders, wat heeft geleid tot succesvolle plaatsingen. Ze zien dat wanneer werkgevers openstaan voor statushouders, er vaak duurzame matches ontstaan. Statushouders zijn over het algemeen gemotiveerd, maar de combinatie van de verschillende zaken – zoals huisvesting, financiën, kinderopvang en gezinshereniging – kan zorgen voor extra stress en uitdagingen. Wanneer alle stukjes van de puzzel op hun plek vallen, gaat het vaak om goede en duurzame plaatsingen.
25
Zelfredzaamheid Veel statushouders stellen dat ze zichzelf goed kunnen redden in het dagelijks leven. De vrouwen vertellen dat ze hun eigen afspraken bij de dokter maken en hun financiële zaken zelfstandig regelen. Toch ervaart niet iedereen evenveel zelfredzaamheid. Een statushouder die de Z-route volgt, vertelt dat hij vaak hulp krijgt van zijn zoon, die goed Nederlands spreekt, bij het regelen van praktische zaken. Voor een andere statushouder, die nog in de tijdelijke huisvesting verblijft, is dit anders. Hij doet alles zelf, maar heeft nog geen zorgverzekering. Toen hij met een opgezwollen wang en pijn bij de tandarts kwam, kreeg hij geen behandeling, omdat de situatie niet als urgent of levensbedreigend werd beschouwd. Dit maakte hem onzeker over de toegang tot zorg en hoe hij zich goed kan verzekeren. Ook andere statushouders merken dat bepaalde regelingen onduidelijk en ingewikkeld zijn. Een van hen vertelt dat hij niet goed begrijpt hoe het eigen risico werkt en het gevoel heeft dat hij niets vergoed krijgt bij de tandarts. De verschillende zorgpakketten maken het voor hem moeilijk om de juiste keuzes te maken. Naast zorgverzekering en eigen risico zijn ook gemeentelijke heffingen een uitdaging. Een statushouder vertelt dat ze in het begin problemen had met afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting.
Dit was niet goed geregeld via VluchtelingenWerk, waardoor ze het zelf moest oplossen. Uiteindelijk lukte dat, maar het kostte veel tijd en moeite om alles uit te zoeken. Hoewel veel statushouders zich goed weten te redden, ervaren sommigen onzekerheid over zorg en financiën, vooral in de eerste periode na hun aankomst. De organisaties in het veld zeggen dat de mate van zelfredzaamheid sterk verschilt per persoon. Statushouders die eerder onderwijs hebben gevolgd vinden vaak sneller hun weg, terwijl analfabetisme op volwassen leeftijd een grote uitdaging vormt. Deze groep wordt gestimuleerd om hun netwerk in te zetten, zoals familieleden of vrienden die hen kunnen helpen bij bureaucratische zaken. Binnen de taallessen van TopTaal leren statushouders praktische vaardigheden, zoals het maken van doktersafspraken en het omgaan met Nederlandse regelgeving. De statushouders stellen vragen over dagelijkse zaken en nemen brieven mee om hulp te vragen. Ook wordt in de lessen samenwerken gestimuleerd, omdat dit voor sommige statushouders nieuw is. Door groepsopdrachten leren ze zelfstandiger te handelen en elkaar te ondersteunen. Huisvesting Veel statushouders vertellen dat ze hun verblijf in de gemeente De Ronde Venen zijn begonnen in de tijdelijke huisvesting bij hotel Koekenbier (de HAR).
Deze voorziening valt onder de verantwoordelijkheid van het COA, dat de eerste zes maanden de opvang regelt. Na deze periode neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over en moet zij zorgen voor verdere huisvesting. De meeste statushouders zeggen vijf tot zes maanden in hotel Koekenbier te hebben gewoond. Sommige statushouders zitten langer dan zes maanden in het hotel, en sommigen verblijven er zelfs langer dan een jaar voordat ze een eigen woning krijgen. Over het algemeen zijn de statushouders positief over deze tijdelijke huisvesting.
26
5. Hoe doeltreffend en doelmatig is het beleid?
27
5 Hoe doeltreffend en doelmatig is het beleid? Bij het spreken over doeltreffendheid en doelmatigheid is de vraag gesteld, wat resultaat is, hoe je daar naar kijkt? Waar meet je op? De gemeente heeft hier geen harde, SMART-doelstellingen op geformuleerd. Doeltreffendheid23 Desalniettemin monitort de gemeente op een aantal punten de ontwikkeling rondom inburgering en participatie. Dit gebeurt in het kader van de Participatiewet met de Participatieladder: een instrument waarmee ook statushouders, net als andere uitkeringsgerechtigden, worden ingedeeld op hun niveau van participatie en hun ontwikkeling in participatie wordt gevolgd. Daarnaast worden op gemeentelijk niveau de prestaties op het gebied van huisvesting van statushouders gevolgd. Het hoofddoel van het inburgeringsbeleid van de gemeente De Ronde Venen is dat statushouders zo snel mogelijk meedoen in Nederland. En dat ze daarnaast zo snel mogelijk werk vinden. De Beleidsregels inburgering van De Ronde Venen geven invulling aan deze dualiteit door zoveel mogelijk activiteiten te combineren gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij. Vanuit de gesprekken komt hierover het volgende beeld naar voren: Overgang van azc naar gemeente Bij de overgang van azc naar gemeente is het van belang dat statushouders weten bij wie ze terecht kunnen voor ondersteuning en begeleiding.
Veel statushouders weten wie hun contactpersoon bij de gemeente is. Hoewel het contact niet frequent is, ervaren zij dit over het algemeen als positief. De ervaringen met VWN zijn gemengd: de omgang met de contactpersonen wordt als goed ervaren, maar de bereikbaarheid van medewerkers was lastig. Taalontwikkeling Over de taallessen zijn de statushouders over het algemeen kritisch: zij zijn ontevreden over de kwaliteit van de lessen en docenten, de ervaring en wisseling van docenten en de groepsindeling en zij geven aan dat dit de taalontwikkeling belemmert. Ondanks deze problemen bij de taallessen geven veel statushouders aan gemotiveerd zijn om de taal te leren en dat ze ook buiten de lessen Nederlands oefenen. Ze maken gebruik van een taalmaatje vanuit Vluchtelingenwerk of het taalcafé. Ook het toepassen van taal op de werkvloer en het op de werkvloer koppelen van de statushouder aan een Nederlands sprekende buddy wordt als helpend ervaren. Werk en participatie Sommige statushouders hebben (vrijwilligers)werk gevonden, andere nog niet. De ondersteuning die door de gemeente en de externe partijen wordt geboden, is gericht op maatwerk en wordt door de statushouders positief gewaardeerd. Er wordt door de gemeente ingezet op samenwerking met (lokale) werkgevers die open staan voor statushouders als werknemers en er wordt gewerkt met (anderstalige) jobcoaches.
Deze aanpak leidt tot succesvolle plaatsingen, maar tegelijkertijd wordt ook gezien dat het vinden van een passende werkplek vaak een lastige opgave is. Eisen die door werkgevers aan bijvoorbeeld de taalvaardigheid en beschikbaarheid van statushouders worden gesteld, stroken niet altijd met wat voor deze groep haalbaar is. Zelfredzaamheid Hoewel veel statushouders zich goed weten te redden, ervaren sommigen onzekerheid over bijvoorbeeld zorg en financiën, vooral in de eerste periode na hun aankomst. Statushouders worden – voor het vergroten van hun zelfredzaamheid, bijvoorbeeld op het gebied van bureaucratische zaken – begeleid door Vluchtelingenwerk en organisaties op het gebied van participatie (Kansis) en taallessen (TopTaal). Inzet van hun netwerk kan statushouders hier ook bij helpen. De mate van (ontwikkeling van) zelfredzaamheid verschilt per persoon en is mede afhankelijk van diens (onderwijs)achtergrond en leerbaarheid. Huisvesting Niet altijd is er direct zelfstandige, reguliere woonruimte beschikbaar voor statushouders die in de gemeente komen wonen. De meeste statushouders die we spraken gaven aan dat zij eerst vijf tot zes maanden in de tijdelijke huisvesting, hotel Koekenbier in Abcoude, hebben gewoond.
Over het algemeen zijn de statushouders positief over de tijdelijke 23 Omdat de nieuwe Wet Inburgering in 2022 van start is gegaan zullen de eerste statushouders die onder deze wet vallen pas in 2025 hun inburgering
voltooien. Hierdoor is het lastiger om een (eenduidig) beeld te schetsen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet en de voorgeschreven inburgeringsroutes.
28
huisvesting. De gemeente voldoet overigens ruim aan de huisvestingstaakstelling van het Rijk: de taakstelling voor de tweede helft van 2024 was 38 en op 1 december 2024 was 67 gerealiseerd. In 2024 waren in totaal 127 statushouders duurzaam gehuisvest binnen de gemeente. Uitvoering van het beleid Door alle gesprekken heen is de rode draad dat de uitvoering door de gemeente – met het gegeven dat sommige vraagstukken of omstandigheden complex of hardnekkig zijn - goed verloopt, zonder grote incidenten en met een goede vinger aan de pols en afstemming als er in de praktijk knelpunten ontstaan. Ook vanuit de samenwerkingspartners klinkt tevredenheid: er worden geen bijzondere knelpunten in de uitvoering door de gemeente gezien, en opgemerkt wordt dat de gemeente De Ronde Venen goed in het onderwerp en de aanpak zit. Opmerkelijk vindt men dat de gemeente – in vergelijking met sommige andere gemeenten - de statushouders als klanten goed kent. Desondanks zijn er onderdelen van de inburgering die – met het oog op doeltreffendheid – bijzondere aandacht en inzet (blijven) vragen: dit zijn met name de kwaliteit en continuïteit van de taallessen en het vinden van passend werk voor statushouders.
Doelmatigheid24 Voor financiering van de inburgering ontvangen gemeenten van het Rijk diverse middelen. Dit zijn de middelen die ook door de gemeente De Ronde Venen worden ingezet. Het gaat om: • Middelen uit het gemeentefonds: dit zijn niet-geoormerkte middelen, die deels kunnen worden ingezet voor financiering van de uitvoering van de Wet inburgering 2021. Deze kunnen worden ingezet voor bijvoorbeeld de kosten van de brede intake, begeleiding door klantmanagers van de gemeente, handhaving, ontwikkeling van uitvoeringsbeleid, contractbeheer, evaluatie en monitoring. Dit betrof in 2024 in De Ronde Venen de personele kosten van ca. 5 – 6 fte, wat naar schatting neerkomt op ca. € 450.000 • Een Specifieke Uitkering (SPUK) inburgeringsvoorzieningen die de gemeente ontvangt voor bijvoorbeeld de inkoop van een leertraject, maatschappelijke begeleiding, het Participatieverklaringstraject en de Module Arbeidsmarkt en Participatie. De gemeente ontvangt een bedrag per statushouder. In 2024 bedroeg dit voor De Ronde Venen in totaal ca. € 900.000. • En een SPUK onderwijsroute: een aanvullende uitkering voor de inkoop van de onderwijsroute (een van de leerroutes om in te burgeren). De gemeente ontvangt een bedrag per statushouder. In 2024 bedroeg dit voor De Ronde Venen in totaal ca. € 40.000.
In de gesprekken met de gemeente is aangegeven dat hiermee over het algemeen voldoende middelen beschikbaar zijn voor de inburgering. De bedragen van de SPUK’s waren in de afgelopen jaren passend voor de gemaakte kosten. De Ronde Venen kiest ervoor om in aanvulling op het wettelijk voorgeschreven inburgeringsaanbod begeleiding en training in te zetten om de inburgering te bespoedigen. Dit extra aanbod bestaat uit: • collectieve training geldzaken (VWN); • individuele budgetcoaching (VWN); • juridische dienstverlening en begeleiding in de HAR (VWN); • taalcoaching (VWN); • (anderstalige) job coaches voor statushouders; • banenmarkt t.b.v. statushouders; • sollicitatietrainingen (start medio 2025). Ook met inzet van dit extra aanbod zijn er over het algemeen voldoende middelen beschikbaar voor de inburgering.
24 Omdat de nieuwe Wet Inburgering in 2022 van start is gegaan zullen de eerste statushouders die onder deze wet vallen pas in 2025 hun inburgering
voltooien. Hierdoor is het lastiger om een (eenduidig) beeld te schetsen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet en de voorgeschreven inburgeringsroutes.
29
6. Rol van de raad
30
6 Rol van de raad 6.1 Welke sturings- en controle-instrumenten heeft de raad? De gemeentelijke taken op het gebied van inburgering zijn ingekaderd in landelijke wet- en regelgeving. Daarbinnen kunnen gemeenten hun regierol naar eigen inzicht invullen. In de uitvoering van de Wi2021 moeten gemeenten aan een aantal wettelijke eisen voldoen. Zo is het voor gemeenten bijvoorbeeld vereist om bij alle inburgeraars een Brede Intake af te nemen en een PIP vast te stellen en om verschillende leerroutes aan te bieden (dat wil zeggen: de B1-route, Z-route en onderwijsroute). Voor de uitvoering van een aantal specifieke onderdelen van de Wi2021 hebben gemeente enige beleidsvrijheid. Dit geldt onder andere voor de invulling van de participatiecomponent. Binnen de leerroutes kunnen gemeenten participatie laten aansluiten bij de lokale context en op algemene voorzieningen in het sociaal domein. Ook kunnen gemeenten participatietrajecten op maat ontwikkelen die passen bij de specifieke situatie en behoeften van de inburgeraar. Daarnaast zijn er mogelijkheden om (in het kader van maatwerk) eigen invulling te geven aan de leerroutes, bijvoorbeeld in het aanbieden van meer of minder intensieve cursussen en voor aanvullende of geïntegreerde trajecten. Verder hebben gemeenten keuzes in de eisen die ze stellen aan de kwaliteit van het aanbod en de wijze waarop ze hierop controleren.
Bovendien hebben de gemeenten vrijheid om extra middelen in te zetten om de inburgering te bespoedigen. De gemeenteraad kan in haar kaderstellende en controlerende rol op verschillende manieren betrokken zijn bij inburgeringsbeleid. De raad wordt door het college geïnformeerd en kan op basis van deze informatie vragen stellen, het gesprek aangaan met het college en adviseren. Zo kan de raad bijvoorbeeld meedenken over de visie van de gemeente op inburgering: welke maatschappelijke resultaten wil de gemeente bereiken, wanneer is de uitvoering succesvol, en hoe verhoudt het inburgeringsstelsel zich tot het bredere sociaal domein? Ook kan de raad adviseren over keuzes op het gebied van de organisatie van de uitvoering, eventuele regionale samenwerking, de wijze van monitoring van de voortgang, en over welk inburgeringsaanbod wordt ingezet en hoe daarin taal en inburgering met werk, opleiding en participatie worden verbonden. De gemeenteraad kan het college vragen hoe de gemeente de voortgang van de inburgeraars monitort en handhaaft. De raad kan het beleid controleren, bijvoorbeeld door het college te bevragen over hoe de uitvoering verloopt, of doelstellingen worden bereikt, welke problemen zich daarbij mogelijk voordoen, hoe het aandachtspunten gaat oppakken, en hoe de aansluiting op andere beleidsterreinen in het sociaal domein is.
Er kunnen afspraken worden gemaakt over de informatievoorziening door het college aan de raad, bijvoorbeeld jaarlijks een beknopte verantwoordingsrapportage over de uitvoering en resultaten. Ook kan de raad invloed uitoefenen op het budget en dit controleren. De gemeente ontvangt structureel rijksbudget voor de uitvoering van de Wi2021 en kan ervoor kiezen om in de eigen begroting meer middelen vrij te maken, bijvoorbeeld ten behoeve van intensievere begeleiding of van ondersteuning aan specifieke doelgroepen. Met betrekking tot de inzet van het budget kan de raad meedenken en voorstellen doen gericht op bijvoorbeeld gezamenlijke inkoop of de inzet van eigen middelen voor extra instrumenten. Ook kunnen keuzes gemaakt worden of bijvoorbeeld de maatschappelijke begeleiding door vooral professionals of (ook) door vrijwilligers wordt gedaan. Momenteel voert bureau Cebeon in opdracht van het ministerie van SZW een landelijk onderzoek uit naar de kosten van inburgering. Er wordt daarbij naar 14 instrumenten gekeken. Het onderzoeksrapport is naar verwachting eind 2025 beschikbaar en kan een benchmark bieden die behulpzaam kan zijn bij de sturing en controle door de raad. Ook de KIS-monitor biedt de raad handvatten om het gesprek met het college aan te gaan.
6.2 Hoe wordt de gemeenteraad geïnformeerd? De raad ontvangt periodieke nieuwsbrieven van het college (raadsinformatiebrieven) over bijvoorbeeld het aantal statushouders dat is gehuisvest en over participatie. De raad wordt zo ook over integratie geïnformeerd, maar minder frequent (een keer per jaar). Deze informatievoorziening gebeurt niet integraal, maar per onderdeel (verschillende wetten en regelingen). De raadsleden met wie is gesproken vonden dat de informatievoorziening vanuit het college over inburgering en de opvang en de integratie van statushouders beperkt is. De raad heeft hierdoor weinig zicht op de uitvoering van de nieuwe Wet inburgering en wat de gemeente hierin aan verantwoordelijkheid heeft en hoe de ondersteuning is (bijvoorbeeld de
31
verschillende routes). De informatievoorziening is nu vooral beperkt tot de huisvesting en het behalen van wettelijke taakstelling daarop. Over andere aspecten, zoals taalonderwijs, arbeidsdeelname of financiële redzaamheid, vinden de raadsleden dat er weinig terugkoppeling vanuit het college is. De raad ontvangt – buiten de raadsinformatiebrieven – deze informatie niet proactief van het college, maar – zo wordt aangegeven – de raad vraagt het college hier zelf ook niet naar. Als redenen worden genoemd dat de agenda’s al vol zijn, dat er geen signalen zijn dat het niet goed gaat en dat er geen noodzaak wordt gevoeld om informatie op te halen. Door sommige raadsleden is wel informatie opgehaald bij een werkbezoek aan de voorziening voor tijdelijke huisvesting hotel Koekenbier in Abcoude. Inburgering en de effectiviteit daarvan wordt een blinde vlek voor de gemeenteraad genoemd. Bij de raadsleden leven vragen zoals: wat is het doel van de wet? Hoe definieer en meet je succesvolle inburgering? De raadsleden met wie is gesproken zeiden behoefte te hebben aan meer structurele en relevante informatie over de resultaten en de effectiviteit van het inburgeringsbeleid.
Ze willen onder meer inzicht krijgen in de mate van integratie, de factoren die bijdragen aan succes, de financiële zelfredzaamheid en de arbeidsdeelname en hoe het beleid aansluit bij de behoeften van statushouders en door hen wordt ervaren. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat de informatievoorziening overzichtelijk moet blijven om een overvloed aan details te voorkomen.
32
7. Leren en verbeteren
33
7 Leren en verbeteren 7.1 Welke lessen kunnen getrokken worden uit de huidige manier van uitvoeren van het beleid gericht op opvang en integratie van statushouders? Succesfactoren De gemeente en de ketenpartners zien verschillende succesfactoren in de uitvoering van het beleid rondom de opvang en de integratie van statushouders. Zo verloopt de samenwerking tussen de betrokken partijen goed. Deze wordt in veel gevallen gekenmerkt door korte lijnen en snelle communicatie. Met name de warme overdracht tussen azc-managers en gemeentelijke klantmanagers draagt bij aan een soepele overgang voor statushouders naar de gemeente. Ook de laagdrempelige locatie van VWN en de inzet van ervaren vrijwilligers, waaronder statushouders zelf, wordt als een belangrijk pluspunt gezien. De aanwezigheid van tolken bij VWN zorgt ervoor dat communicatieproblemen worden verminderd. Ook op het gebied van huisvesting en inburgering worden positieve punten gezien. Dankzij de HAR (Hotel Accommodatie Regeling) kunnen statushouders al starten met hun inburgeringstraject voordat ze een reguliere woning krijgen. De HAR draagt niet alleen bij aan het behalen van de woningtaakstelling, maar zorgt er ook voor dat statushouders sneller kunnen starten met participatieactiviteiten. Daarbij wordt ook ingezet op begeleiding naar werk.
De klantmanagers van de gemeente zijn meerdere keren per week als contactpersoon in de HAR aanwezig, samen met VWN die de maatschappelijke en juridische begeleiding doet. Er wordt dan onder meer in groepssetting informatie verstrekt, met als voordeel dat iedereen tegelijkertijd dezelfde informatie ontvangt. Als statushouders actief deelnemen aan de maatschappij ontwikkelt hun taalvaardigheid zich sneller: toepassing van taal in de praktijk helpt. Het regionale taalakkoord (regionale financiering waarmee werkgevers taalles aan de werknemers kunnen aanbieden) maakt het mogelijk om taallessen onder werktijd te volgen, al blijft dit voor kleine werkgevers lastig te organiseren. Initiatieven van sommige werkgevers, zoals Homan (taallessen op zaterdag) en Albert Heijn (taalgroepen binnen filialen), laten zien dat werkgevers ook kunnen bijdragen aan de taalontwikkeling van statushouders. Op de arbeidsmarkt zijn er verschillende initiatieven die bijdragen aan een succesvolle integratie. Jobcoaches die de taal spreken worden als waardevol ervaren, omdat ze een brug vormen tussen statushouders en werkgevers.
Ook werkgevers die lokaal gevestigd en gericht zijn, spelen een belangrijke rol: voor de inburgeraar als werknemer kan dit bijdragen aan een snellere lokale integratie en betekent het minder reistijd, waardoor werk makkelijker met andere (inburgerings)activiteiten kan worden gecombineerd. Daarnaast helpt het als bij de werving door werkgevers laagdrempelig wordt gewerkt en er wordt afgezien van ‘officiële’ sollicitatieprocedures met motivatiebrieven en cv’s. De gemeente heeft goede ervaringen met situaties waarin ze een statushouder konden voordragen in een kennismakingsgesprek, in plaats van een officiële sollicitatieprocedure, en de statushouder met een warme overdracht aan de slag kon, al dan niet met een proefplaatsing.
Verbeter- en aandachtspunten Naast de bovengenoemde succesfactoren zijn er ook verbeter- en aandachtspunten naar voren gekomen. Combinatie van de verschillende activiteiten Een belangrijk aandachtspunt, dat veel naar voren komt, is de combinatie van de verschillende activiteiten die statushouders tijdens de inburgering moeten volgen en combineren. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de taallessen (met soms wisselende roosters), de MAP-trainingen, participatieactiviteiten en werk(ervaringstrajecten). Deze zijn qua planning niet altijd goed op elkaar af te stemmen, waardoor statushouders soms onderdelen van hun inburgeringstraject missen. Sommige werkgevers proberen met (flexibele) werkroosters aan te sluiten op de lesroosters, maar dit is niet altijd mogelijk. Daarnaast spelen voor de individuele statushouders ook persoonlijke omstandigheden zoals het organiseren van het dagelijks gezinsleven, psychische trauma, zorgen om achtergebleven familieleden of het realiseren van gezinshereniging waardoor de aandacht niet altijd optimaal op de inburgering gericht is.
34
Gebrek aan kinderopvang is nogal eens een struikelblok. De wachttijd voor kinderopvang kan oplopen tot een of anderhalf jaar en in die periode kan het voor ouders een lastige puzzel zijn om deelname aan inburgeringsactiviteiten en werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. In de KIS-monitor 202425 – die een landelijk inzicht geeft in de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid rondom de begeleiding van inburgeraars naar participatie en werk – komt het combineren van de verschillende verplichtingen en activiteiten naar voren als ’een puzzel’ die in veel gevallen niet eenvoudig te leggen is. Afstemming van de lestijden en het gebrek aan kinderopvangmogelijkheden worden daarbij ook door andere gemeenten expliciet genoemd als belemmerende factoren bij inburgeringsactiviteiten. 26 Een passende werkplek Een passende werkplek vinden is – met het oog op opleiding en taalbeheersing – een uitdaging en er kan een lange aanloop nodig zijn om iemand goed te plaatsen. Men begint soms eerst met vrijwilligerswerk of in een assisterende functie, om dan later alsnog in het eigen oude beroep te belanden. Een goed voorbeeld hiervan is een tandarts die eerst als tandartsassistent ging werken. Als zoiets niet lukt, kan de statushouder te kampen krijgen met rouw, omdat het oude beroep niet beoefend kan worden in Nederland.
Ook is genoemd dat werkgevers soms (te) hoge taaleisen aan werknemers stellen, bijvoorbeeld in de zorgsector, terwijl er bij statushouders juist sprake kan zijn van affiniteit en ervaring in die sector. Ze zijn inzetbaar, eventueel (eerst) in een aanpalende functie zoals huishoudelijke hulp, al dan niet met een buddy. Ook wordt een afwachtende houding bij werkgevers bespeurd die wel statushouders willen inzetten, maar daarbij verwachten dat die dan ook al ‘werkfit’ zijn, terwijl sommige statushouders in eerste instantie een plek nodig hebben om ervaring op te kunnen doen. De KIS-monitor 2024 laat zien dat ook andere gemeenten het lastig vinden om voldoende werkgevers te vinden die bereid zijn om participatieplaatsen en betaald werk aan te bieden aan statushouders. 27 Terwijl statushouders een taalrijke plek nodig hebben om het Nederlands in de praktijk te brengen en te oefenen, zien gemeenten dat werkgevers eisen stellen aan met name het taalniveau van de statushouder. Omdat de inburgering nog in volle gang is, kunnen de statushouders daar veelal niet aan voldoen. Daarbij geven gemeenten ook aan dat het hen veel tijd en inspanning kost om geschikte en bereidwillige werkgevers te vinden.
Huisvesting Op het gebied van huisvesting is de doorstroom vanuit de HAR naar vervolghuisvesting in een reguliere woning een aandachtspunt: in principe is de HAR-voorziening bedoeld voor een verblijf van maximaal zes maanden en om binnen die zes maanden door te stromen naar reguliere huisvesting. Cazas (woningcorporatie) leidt met voorrang toe naar een woning, maar dit lukt met de huidige woningmarkt niet altijd binnen die periode. Het is een heel lastige opgave, waarbij ook meespeelt dat men soms in afwachting is van (een uitspraak over) gezinshereniging, waardoor niet tijdig duidelijk is wanneer welke type woning nodig is. De gemeente kijkt naar mogelijkheden om de succesvolle opvang van Oekraïense vluchtelingen, waarbij particulieren betrokken waren, ook in te zetten voor statushouders. Organisatie en kwaliteit van het taalonderwijs Een tekort aan docenten zorgt ervoor dat taallessen in de avond nauwelijks beschikbaar zijn, terwijl dit voor werkende statushouders een uitkomst zou kunnen zijn. Dit speelt ook in andere gemeenten: volgens de KIS-monitor 2024 vindt twee derde van de gemeenten dat een gebrek aan taalaanbod in de avond een knelpunt is voor werkende statushouders.28 Daarbij wordt door sommige gemeenten overigens ook opgemerkt dat het combineren van betaald werk en taallessen in de avonduren zwaar is en daarom niet voor alle inburgeraars geschikt is.
Taalcursussen hebben ook nogal eens wisselende lesroosters, waardoor het plannen van werk en andere verplichtingen lastig is. Werkgevers en aanbieders van andere cursussen/trainingen proberen soms rekening te houden met lesroosters, maar dit kan niet altijd.
25 KIS-Monitor 2024, pag. 7. 2024 Kenniscentrum inclusief samenleven, Divosa 26 KIS-Monitor 2024, pag. 10. 2024 Kenniscentrum inclusief samenleven, Divosa 27 KIS-Monitor 2024, pag. 8 e.v.. 2024 Kenniscentrum inclusief samenleven, Divosa 28 KIS-Monitor 2024, pag. 10. 2024 Kenniscentrum inclusief samenleven, Divosa
35
Statushouders vinden dat de lesgroepen in het taalonderwijs te divers zijn samengesteld voor effectief onderwijs. Ook de kwaliteit en het verloop van de docenten is een aandachtspunt. De gemeente geeft aan dat de klachten rondom TopTaal en de problemen die statushouders ervaren bekend zijn. In maart 2025 is regionaal besloten dat de overeenkomst met TopTaal niet wordt verlengd na 1 januari 2026 met als reden dat de regiogemeenten ontevreden zijn over het opvolgen van afgesproken verbeteringen in de dienstverlening.
7.2 Aanbevelingen voor het college Combinatie van de inburgeringsactiviteiten en persoonlijke verantwoordelijkheden en verplichtingen 29 Voor statushouders met kinderen vormt een gebrek aan kinderopvangmogelijkheden een belemmering om de verschillende activiteiten in het kader van inburgering (taallessen, trainingen, participatie) en werk te combineren. De gemeente kan overwegen om andere dan reguliere vormen van kinderopvang te faciliteren of organiseren, bijvoorbeeld door op taalscholen opvang te organiseren of opvang te bieden met gastouderopvang of een groep ouders onderling (mits deze voldoen aan de Wet Kinderopvang), of kijken naar informele opvang. Ook kan de gemeente kijken naar de mogelijkheden die voor- en vroegschoolse educatie (VVE) biedt voor inburgeraars. (zie ook informatie van de VNG hierover: inburgeringkinderopvang.pdf) Ook los van de zorg voor kinderen, is voor veel statushouders het combineren van de verschillende inburgeringsactiviteiten een hele puzzel. Overweeg als gemeente om activiteiten deels volgordelijk te organiseren, bijvoorbeeld door de MAP-training pas na zes maanden te starten, zodat de statushouder eerst een periode heeft om te landen in de gemeente, te wennen en op te starten op het gebied van huisvesting, kinderen naar school en taalschool.
Een andere suggestie is om in te zetten op het voorkomen van versnippering: de gemeente kan het aanbod van bijvoorbeeld het PVT en de MAP bij één aanbieder beleggen, waardoor het makkelijker is om volgordelijk aanbod en een doorgaande lijn te realiseren. Werkende statushouders hebben tijd nodig om deel te nemen aan inburgeringsactiviteiten en werkgevers bieden daar niet altijd ruimte voor. Informeer werkgevers over wat inburgeren inhoudt, welke verplichtingen statushouders hebben en wat de gevolgen voor hen zijn als zij daar niet tijdig aan voldoen. Bespreek de mogelijkheid van flexibele werkroosters. Ook werkgevers hebben er belang bij dat statushouders bij hen inzetbaar zijn: het inburgeren komt zowel de statushouder/werknemer als de werkgever ten goede. Werk en participatie Het landelijke Plan van aanpak ‘statushouders aan het werk’ stimuleert werkgevers om werk of participatieplaatsen aan statushouders aan te bieden. Maak daar als gemeente gebruik van en wijs werkgevers op goede voorbeelden die in dat kader worden gedeeld en op de subsidieregeling ‘ondersteuning werkgever inzet statushouders’. Sommige statushouders werken in taalarme omgevingen, waardoor hun taalontwikkeling achterblijft. Bespreek als gemeente met werkgevers hoe zij hier extra ondersteuning in kunnen bieden en statushouders actief kunnen stimuleren om Nederlands te spreken.
Een buddysysteem, waarmee statushouders op de werkvloer passende begeleiding krijgen op het gebied van taal en wegwijs worden op de werkvloer, kan hierbij ook helpen. De gemeente is zelf ook werkgever en kan betaalde werkplekken en/of werkervaringsplekken aan statushouders bieden. De ervaringen daarmee kunnen ook worden benut om meer inzicht te krijgen in eventuele belemmeringen en in goede voorbeelden richting andere werkgevers. Bovengenoemde aanbevelingen zijn deels ook toepasselijk voor maatschappelijke organisaties die vrijwilligerswerk of andere participatie-activiteiten bieden. Organiseer mogelijkheden voor werkgevers en maatschappelijke organisaties om elkaar te ontmoeten en ervaringen en goede voorbeelden uit te wisselen. Taalaanbod en andere cursussen/trainingen Voor werkende inburgeraars is het niet altijd mogelijk om taallessen of andere cursussen overdag te volgen. Zet als gemeente, samen met de aanbieders, ook in op het realiseren van flexibel aanbod, buiten de reguliere tijden of locaties, bijvoorbeeld in de avonduren of (deels) online. 29 Een deel van de aanbevelingen in deze paragraaf is gebaseerd op de KIS-Monitor 2024 van het Kenniscentrum inclusief samenleven en Divosa
36
Jongeren tussen de 18 en 24 jaar vormen een specifieke groep waarvoor het huidige aanbod niet altijd goed aansluit. Zij vallen na hun achttiende onder de inburgeringsplicht, terwijl sommigen al onderwijs hebben gevolgd in Nederland. Voor deze jongeren kan een alternatief programma beter aansluiten, omdat ze vaak andere leerbehoeften en een grotere leerbaarheid hebben dan oudere statushouders zonder scholing. Bespreek als gemeente met aanbieders hoe zij hier een passend aanbod voor kunnen organiseren. Ook andere statushouders ervaren dat het aanbod van taallessen niet altijd goed aansluit op het niveau van de afzonderlijke deelnemers in de groep: ook hier is aandacht voor de samenstelling van de taallesgroepen nodig, zodat de lessen beter aansluiten op het taalniveau en de leervaardigheid van de deelnemers. Bespreek als gemeente deze en andere kwaliteitsaspecten met de aanbieders en maak afspraken over verbetering van het aanbod. Maatwerk en groepswerk In de begeleiding van de statushouders naar werk wordt veel maatwerk geboden. Dat kan inhoudelijk heel passend en nodig zijn, maar voor de efficiëntie, en omdat het mogelijk ook versterkend werkt, is het aan te bevelen om te onderzoeken of er – op onderdelen – meer groepsgewijs gewerkt kan worden.
7.3 Aanbevelingen voor de raad Uit het gesprek met de raadsleden kwam naar voren dat zij behoefte hebben aan meer structurele informatie over de resultaten en de effectiviteit van het inburgeringsbeleid. Aanbeveling is om met het college afspraken te maken over de informatievoorziening door het college aan de raad, bijvoorbeeld in de vorm van een monitor met informatie over aantallen statushouders, gestarte trajecten, afgeronde trajecten, participatie en arbeidsdeelname en huisvesting. Ook een periodieke meer kwalitatieve rapportage, bijvoorbeeld over de ervaringen van de statushouders, kan hier onderdeel van zijn. Uitkomsten van de monitor/verantwoordingsrapportage kunnen aanleiding zijn om op onderdelen een actieve(re) rol te nemen in kaderstelling of controle. Landelijke monitors of benchmarks, zoals de KIS-monitor of het genoemde Cebeononderzoek, kunnen daarbij helpen.
37
Bijlage
38
Bijlage – Geraadpleegde bronnen, literatuur en lijst van geïnterviewden Geraadpleegde bronnen en literatuur • Wet inburgering 2021. • Participatiewet. • Huisvestingswet 2014. • Re-integratieverordening Participatiewet De Ronde Venen 2023. • Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2024, gemeente De Ronde Venen. • Beleidsregels re-integratie Participatiewet De Ronde Venen 2023. • Beleidsregels Inburgering gemeente De Ronde Venen 2024. • Acherrat, F., Dusault, Y., Gehring, A., Gruijter, M. de, Kool, T.A. & Samson, L. (2024) KIS-Monitor 2024. Gemeentelijk beleid arbeidstoeleiding en inburgering statushouders en gezinsmigranten. • Aktas, F., Ansem, N. van, Frissen, R., Lazeri, M.,Velseboer, J. & Witvliet, M. (2024). Onderzoek perspectief inburgeraars Uitkomsten 2023 – 2024 (tweede rapportage).
• Organisatieomschrijving - Gemeente De Ronde Venen • Huisvesting statushouders | Asielbeleid | Rijksoverheid.nl • Overzicht huisvesting vergunninghouders 1 januari 2025 | Publicatie | Rijksoverheid.nl • COA - Hotel- en accommodatieregeling (HAR) | www.coa.nl Geïnterviewden Gemeente De Ronde Venen • Klantmanager inburgering/participatie • Beleidsadviseur sociaal domein • Projectleider opvang/huisvesting statushouders • Accountmanager werk • Financieel adviseur • Wethouder Inclusie en Participatiewet Aanbieders • Vluchtelingenwerk: regiomanager • TopTaal: manager opleiding en advies • SosyTraining: directeur • Kansis: directeur Gemeenteraad • Raadsleden: groepsgesprek met 8 raadsleden Statushouders • Statushouders: groesgesprek met 7 statushouders
39
Regioplan Transformatorweg 38 1014 AK Amsterdam T +31(0)20 531 53 15 www.regioplan.nl
40