Bijlage 2 Bestemmingsplan Het Oosterland
Tekst van het document
41/88
maten van percelen, wegen en watergangen, ook te vinden in onder andere de Noord-Hollandse droogmakerijen als de Haarlemmermeer. Daarmee vergeleken is de maatvoering in De Ronde Venen verfijnder, met name door de kleinere schaal van de droogmakerijen. Zoals ook in de structuurvisie is aangegeven, dient behoud en versterking van de rationele structuur van de polders nagestreefd te worden. Polder Derde Bedijking, en daarmee ook Het Oosterland, kent door haar diversiteit in landgebruik (onder andere kassen) weinig openheid, in tegenstelling tot de andere polders. In alle droogmakerijen zijn meer of minder goed zichtbare kreekruggen te vinden van het voormalige waddensysteem. Alleen voor de grootste en meest zichtbare kreekruggen is naast archeologisch beleid ook landschapsbeleid geldend. Dat zijn kreekruggen in de Eerste-, Tweedeen Derde Bedijking, aangeduid op de Landschapsbeleidskaart. Voor alle andere, kleinere kreekruggen geldt alleen archeologisch beleid en geen specifiek landschapsbeleid. Voor het noordelijk deel van Het Oosterland is in het huidige bestemmingsplan een zonering opgenomen van een landschappelijk waardevolle kreekrug. Dit betreft het meest zuidelijke deel van een grotere structuur, dat tenminste loopt tot het Fort Bij Uithoorn.
Het deel dat in het plangebied van Het Oosterland ligt, wordt door de Kerkvaart afgesneden van de grote structuur in de Eerste Bedijking. Een onderlinge relatie wordt daardoor niet ervaren. In Het Oosterland is er sprake van minimale hoogteverschillen, deze zijn beperkt waarneembaar (zie de hoogtekaart in afbeelding 18). Dit komt mede omdat de kreekrug gedeeltelijk is geëgaliseerd voor kassen, bijgebouwen en woningen in deze zone. Binnen het plangebied heeft de kreekrug daarom landschappelijk weinig herkenbare waarde. Daarom is er voor gekozen om ook geen beschermingsregime meer op te nemen in het bestemmingsplan voor de kreekrug. Het Oosterland reageert ruimtelijk niet op de restanten van de kreek. De invloed van de ontwikkeling op de resterende kreekrug in de ondergrond wordt zoveel mogelijk beperkt door het behoud van de bestaande sloten en minimale ophoging van de bodem. Gelet op de realisatie van Het Oosterland is er geen reden om hier nog een dubbelbestemming voor op te nemen.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
42/88
afbeelding 18: Contour van de zone van de kreekrug (zwarte stippellijn) op de Algemene Hoogtekaart Nederland. De minimale hoogteverschillen zijn beperkt waarneembaar, mede door de aanwezigheid van kassen en woningen in deze zone (bron: Algemene Hoogtekaart Nederland)
4.4.4 Economische visie tot 2025 In de visie ‘Ontwikkelen vanuit het hart: economische visie 2025 – naar een duurzaam vitaal ondernemersklimaat’ (door de gemeenteraad vastgesteld op 6 maart 2014) is aangegeven dat de gemeente een vitale gemeente wil blijven waar het goed wonen, werken en verblijven is. De Ronde Venen onderscheidt zich door een goede combinatie van wonen, werken en recreëren, in combinatie met een gunstige ligging op het snijvlak van de Metropoolregio Amsterdam en het Groene Hart. Door de digitalisering en flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt kwaliteit van de plek waar we werken steeds belangrijker. Het bijeenbrengen van plaats, product en gevoel is voor bedrijven en professionals steeds meer van belang. De gemeente zet zich dan ook in om de bestaande bedrijven te behouden door ze daar waar we kunnen te helpen in hun doorontwikkeling. Een gunstig vestigingsklimaat is daarbij van belang. In de kernen wordt gezorgd voor een goed voorzieningenapparaat en wordt de ruimte geboden aan ZZP’ers en nieuwe initiatieven die passen bij deze tijd. De afzonderlijke ligging van de kernen in de Gemeente De Ronde Venen zorgt ervoor dat veel inwoners op de eigen of meest dichtbijgelegen kern zijn gericht. Dit zorgt ook voor een bepaalde zelfstandigheid van kernen, waarin ze zorgen voor onderscheid en saamhorigheid op het niveau van de eigen kern.
Tegelijk is er sprake van uitwisselbaarheid in bezoek naar andere kernen en een zekere hiërarchie in de detailhandelsstructuur in omvang en volledigheid van het aanbod. De centra van Mijdrecht, Abcoude en Vinkeveen hebben daarbij het grootste aanbod en een bovenlokale tot beperkt regionale aantrekkingskracht. Elke afzonderlijke kern in de gemeente De Ronde Venen heeft dus een eigen accent en is op zichzelf bijzonder, maar inwoners bezoeken ook de andere kernen. En dat onderscheid binnen de eenheid maakt De Ronde Venen in zijn totaliteit zo bijzonder. Betekenis voor het plan De nieuwe woningbouw in het Oosterland zal leiden tot meer vraag in de detailhandels- en voorzieningenstructuur in Mijdrecht. Er is geen werkprogramma in het plan opgenomen, behoudens een kleinschalige horecavoorziening (zoals een broodjeszaak of ijssalon) Dit ondersteunt tevens de recreatieverbindingen. Wel wordt ruimte geboden aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten, zoals overal in de woongebieden. Dit biedt ruimte voor bewoners om kleinschalige activiteiten aan huis te ontplooien, mits passend in de woonomgeving. 4.4.5 Visie recreatie en toerisme 2020 De gemeenteraad heeft op 9 januari 2014 de ‘Visie recreatie en toerisme De Ronde Venen 2020 - Binnen en buiten verbonden’.
De ambitie is om de economische betekenis van recreatie en toerisme te vergroten met aandacht voor leefbaarheid, vitaliteit en samenhang van en tussen de kernen en het buitengebied. Om de missie concreet te maken wordt het beleid, rekening houdend met de sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen geformuleerd in strategieën. Deze zijn onderverdeeld in fysieke strategieën die plaatsgebonden zijn en instrumentele strategieën die een bijdrage aan het gehele recreatieve beleid moeten geven. Fysieke strategieën • Het verbeteren van de routegebonden recreatie op het vaste land; • Het verbeteren van de watergebonden recreatie; • Verbinding water en land versterken; • Verbeteren bereikbaarheid Vinkeveen en Vinkeveense Plassen; • Militaire linies zichtbaar maken. Instrumentele strategieën • Ontwikkeling, beheer en onderhoud publieke recreatieterreinen
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
43/88
• •
Het ondersteunen van ondernemerschap Promotie en marketing.
Betekenis voor het plan Het plangebied is gunstig gelegen op de overgang van het bebouwd gebied naar het open weidegebied. Het nieuwe fiets- en voetpadennetwerk in het Oosterland legt verbindingen met Mijdrecht via de Kerkvaart en het Wickelhofpark. Dit biedt extra mogelijkheden voor routegebonden recreatie. en watergebonden recreatie wil verbeteren en stimuleren; o.a. rondom Mijdrecht en agrarisch cultuurlandschap (wat Oosterland is) recreatief wil ontsluiten. In het nieuwe woongebied komen ruime waterpartijen met een variërende breedte en ruime oevers. Deze parkstructuur vormt zowel landschappelijk als recreatief een sterk raamwerk voor de te ontwikkelen woningen. Deze groenblauwe structuren verbinden Het Oosterland met de polder De Derde Bedijking en Mijdrecht, via het Wickelhofpark. Zo wordt ook ruimte geboden aan kleinschalige watergebonden recreatie. Er is ruimte in het plan opgenomen voor een kleinschalige horecavoorziening (zoals een broodjeszaak of ijssalon) ter ondersteuning van de recreatieve verbindingen. Nieuwe grootschalige recreatieve activiteiten worden hier niet mogelijk gemaakt. 4.4.6 Groenbeleidsplan 2017-2040 In het groenbeleidsplan is aangegeven hoe de gemeente De Ronde Venen de komende 20 jaar om wil gaan met het openbaar groen.
Het groenbeleidsplan heeft tot doel kaders te stellen voor het duurzaam ontwikkelen, vernieuwen en in stand houden van het groen in De Ronde Venen, ter verbetering van het gebruik, de inrichting en de leefbaarheid. Betekenis voor het plan Naast het plangebied ligt het Wickelhofpark. Dit park is onderdeel van de hoofdgroenstructuur van Mijdrecht. In Het Oosterland zelf zijn alleen de lijnbeplanting langs de Schattekerkerweg, Tuinderslaan en een deel langs de Oosterlandweg aangeduid in het Groenbeleidsplan als waardevolle groenstructuur (zie onderstaande afbeelding 19). Beplantingen in het buitengebied markeren bepaalde dijken, veel wegen en linten. Ze structureren het landschap, laten zichtlijnen zien en zorgen voor perspectief. Daarmee dragen ze bij aan het ervaren van de openheid, een belangrijke waarde in het polderlandschap.
afbeelding 19: plangebied aangeduid op visiekaart beplanting buitengebied (bron: Groenbeleidsplan De Ronde Venen 2030) (de groene lijnen zijn aanwezige beplanting)
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
44/88
4.4.7 Waardevolle bomenlijst Binnen het plangebied van Het Oosterland zijn geen bomen aanwezig die staan op de Lijst Waardevolle bomen 2014. 4.4.8 Coalitieakkoord - naar een klimaatneutrale gemeente in 2050 Het college heeft in haar coalitieakkoord opgenomen om in 2050 een klimaatneutrale gemeente te zijn. Onder klimaatneutraal verstaat de gemeente: “dat alle activiteiten en processen op het gemeentelijk grondgebied geen bijdrage meer leveren aan klimaatverandering in de vorm van CO2-uitstoot. Om De Ronde Venen in 2050 klimaatneutraal te hebben zet de gemeente gelijktijdig in op twee belangrijke zaken. Aan de ene kant zal op het energieverbruik bespaard moeten worden, aan de andere kant moet de energievraag die dan nog resteert duurzaam opgewerkt worden. Betekenis voor het plan Zoals ook in paragraaf 3.4 is beschreven, is sprake van een integrale benadering van duurzaamheid. Het ontwerp geeft invulling aan de vijf klimaatdoelen die de provincie Utrecht heeft benoemd voor de bebouwde omgeving in de document ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen’ (juni 2021) en het ‘Convenant Duurzame woningbouw’ (maart 2022): Behalve een klimaatbestendige inrichting bestand tegen het veranderende klimaat, wordt voor het Oosterland ook ingezet op een energieneutrale wijk.
De ambitie van het plan ten aanzien van energiegebruik richt zich op het optimaliseren en energieneutraal maken van de energiestromen. De basis voor energiezuinig bouwen is een goede balans tussen een lage energievraag vanuit een goed ontworpen bouwkundige schil en efficiënte installaties voor een laag energieverbruik. Het streven voor Het Oosterland is om energieneutrale woningen te realiseren. Naadloze integratie van techniek en architectuur is hierbij het vertrekpunt.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
45/88
5 Omgevingsaspecten
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.
5.2
Archeologie
5.2.1 Wettelijk kader en beleidskader 5.2.1.1 Erfgoedwet Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 5.2.1.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente De Ronde Venen beschikt over een archeologische beleidskaart. Op deze kaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Volgens deze kaart geldt voor het plangebied een archeologische verwachting (Laagpakket van Wormer) vanaf maaiveld. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied-West’ is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde landbodems categorie 5’ opgenomen. Dit betekent dat voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld en met een oppervlakte groter dan 2.000 m2 voorafgaand een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Op basis van het onderzoek kan worden beoordeeld of archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn en of deze door de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden geschaad. 5.2.2 Betekenis voor het project Voor het bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (De Steekproef, juni 2022, bijlage 1 bij de toelichting). Hieronder is ingegaan op de bevindingen. Voor het plangebied geldt een verwachting voor archeologische waarden op twee niveaus. Het diepste niveau is de top van het pleistocene oppervlak op -12 tot -8 meter NAP (3 tot 7 meter onder maaiveld). In de top van het dekzand kunnen resten uit het mesolithicum bewaard zijn gebleven bestaande uit onder andere bewerkt vuursteen en grondsporen zoals haardkuilen. Het tweede niveau begint al vanaf het maaiveld. Hier kunnen kreekafzettingen aanwezig zijn, waarbij met name de getij-inversieruggen aantrekkelijke vestigingsplaatsen waren in het neolithicum. Het kan gaan om resten van nederzettingen. Indicatoren hiervan kunnen bestaan uit scherven aardewerk, bot en bewerkt vuursteen. Ook kunnen grondsporen (zoals paalgaten) worden aangetroffen of bewoningslagen. Omdat resten op dit niveau al vanaf het maaiveld kunnen voorkomen, kunnen deze zijn verstoord door de bouw van huizen en kassen en de perceelsloten en eventuele grondbewerking in het gebied.
Uit het bureauonderzoek volgt dat er mogelijke waarden kunnen worden aangetroffen in het plangebied. Er zal veldonderzoek middels boringen nodig zijn om de intactheid van de bodem
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
46/88
te bepalen en het verwachtingsmodel verder te specificeren. In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde landbodems categorie 5’opgenomen ter bescherming van mogelijke waarden. Daarmee is vervolgonderzoek verplicht gesteld voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg en realisatie. 5.2.3 Conclusie De bestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde landbodems categorie 5’ is overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan voor Het Oosterland. Dit betekent dat voor de realisatie van het plan nog archeologisch veldonderzoek nodig is met boringen om in beeld te brengen of er op de beoogde plekken daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn, of deze waarden behoudenswaardig zijn en zo ja, hoe hiermee in het kader van de uitvoering van het project mee moet worden omgegaan.
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de (financiële) haalbaarheid van het plan. In het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de nieuwbouw zal moeten blijken of bodemonderzoek vereist is. 5.3.2 Betekenis voor het project Voor het plangebied zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. te weten: • Verkennend bodemonderzoek incl. asbest plangebied Het Oosterland, gebied Tuinderslaan te Mijdrecht (Grondslag, 4 februari 2022) • Verkennend waterbodemonderzoek plangebied Oosterland (gebied rond Tuinderslaan te Mijdrecht (Grondslag, 21 januari 2022) • Aanvullend verkennend en nader bodemonderzoek Oosterlandweg 16a te Mijdrecht(Grondslag, 5 mei 2022) • Verkennend bodem- en asbestonderzoek plangebied Het Oosterland te Mijdrecht kavels tussen de Tuinderslaan en het Wickelhofpark (Grondslag, 6 mei 2022) • Verkennend waterbodemonderzoek plangebied Het Oosterland te Mijdrecht watergangen tussen de Tuinderslaan en het Wickelhofpark (Grondslag, 6 mei 2022) • Nader grondwateronderzoek Het Oosterland te Mijdrecht (Grondslag, 20 juli 2022) Hierna is per onderzoek ingegaan op de bevindingen. 5.3.2.1
Verkennend bodemonderzoek incl. asbest plangebied Het Oosterland, gebied Tuinderslaan te Mijdrecht Dit onderzoek is uitgevoerd voor het westelijk deel van het plangebied, zie afbeelding 20. Het rapport is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
47/88
afbeelding 20: onderzoeksgebied met deelgebieden van het verkennend bodemonderzoek (bron: Grondslag,)
Conclusie Met het verkennend bodemonderzoek is het onderzoeksgebied voor het grootste deel in voldoende mate onderzocht. De onderzoeksresultaten van het grondwater waarbij heel plaatselijk een sterke verhoging is aangetroffen vormen geen risico voor wonen met tuin. Echter vormen zij wel een belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning. Ten behoeve hiervan zal een saneringsplan of monitoringsplan opgesteld moeten worden. Een passieve sanering in de vorm van een monitoring kan daarbij voldoende zijn. De in de bovengrond vastgestelde lichte verhogingen worden niet gezien als een belemmering voor de beoogde woonbestemming of afgifte omgevingsvergunning. Omdat in de bovengrond stoffen voorkomen in gehaltes boven de maximale waarde wonen heeft de grond niet de kwaliteit die gewenst zou zijn. De bovengrond voldoet in het algemeen aan de kwaliteitsklasse Industrie en niet aan de kwaliteitsklasse Wonen die (beleidsmatig) hoort bij de functie Wonen. Er zijn echter geen humane risico’s aan verbonden om de locatie te gebruiken voor wonen met tuin.
Aanbevelingen Om een uitspraak te kunnen doen over de omvang van de sterke verontreinigingen dient een aanvullend en/of nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden ter plaatse van de sterke verhogingen aan OCB in het grond en grondwater in deellocatie E (Dit aanvullende onderzoek is uitgevoerd en beschreven in paragraaf 5.3.2.3) en ter plaatse van de koper verhoging in de grond. Bij deellocatie E dient eveneens na sloop de bodem ter plaatse van het westelijke deel van de kas verder te worden onderzocht op OCB’s. 5.3.2.2
Verkennend waterbodemonderzoek plangebied Oosterland (gebied rond Tuinderslaan te Mijdrecht Dit onderzoek is uitgevoerd voor de waterbodems binnen het westelijk deel van het plangebied, zoals is afgebakend in afbeelding 20. Het rapport is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting. De kwaliteit van de sliblaag in de watergangen binnen het onderzoeksgebied is vastgelegd. De watergangen hebben een totale lengte van circa 3.400 m en zijn ingedeeld in 7 vakken. Vak 1 is
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
48/88
wederom ingedeeld in de deelvakken 1.1, 1.2 en 1.3. De resultaten van het slib uit alle watergangen geven, behalve die uit het deelvak 1.3, geen aanleiding tot aanvullend onderzoek (zie voor de ligging van deelvak 1.3 afbeelding 21). De sliblaag in het deelvak 1.3 is beoordeeld als niet toepasbaar op landbodems. Bij een toekomstig baggerwerkzaamheden in dit deelvak dient een verwerkingslocatie of stortlocatie te worden gezocht.
afbeelding 21: ligging deelvak 1.3 binnen het onderzoeksgebied (:bron: Grondslag)
5.3.2.3 Aanvullend verkennend en nader bodemonderzoek Oosterlandweg 16a te Mijdrecht Voor de locatie Oosterlandweg 26A te Mijdrecht (deellocatie E uit het verkennend bodemonderzoek van 4 februari 2022, zie afbeelding 20) is aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Het onderzoeksgebied staat kadastraal bekend als Mijdrecht, sectie C, nummers 8778 (ged.) en 8678. De locatie heeft een oppervlak van circa 31.575 m². Het doel van het nader onderzoek is het bepalen van de omvang in horizontale en verticale richting van de aanwezige verontreiniging met bestrijdingsmiddelen in grond en grondwater; Met het veldwerk zijn geen aanwijzingen gevonden voor met afval of vodden gedempte sloten. Uit het aanvullend onderzoek en het nader onderzoek blijkt dat in de bovengrond en in mindere mate ook de ondergrond lichte verhogingen aan zware metalen voorkomen. Plaatselijk is PAK licht verhoogd of enkele bestrijdingsmiddelen verhoogd. De aangetoonde verhogingen komen overeen met de resultaten van het voorgaande onderzoek. De lichte verhogingen in grond kunnen worden toegeschreven aan verhoogde achtergrondconcentraties (bijvoorbeeld als gevolg van het (langdurig) menselijk gebruik van de locatie) en vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek.
De eerder aangetoonde sterke verontreiniging met DDE en DDT is niet aangetroffen in monsters van de bovengrond uit de omliggende boringen. Er is enkel een lichte verhoging voor DDE/DDT aangetroffen in de bovengrond op het buitenterrein (boring E27). Ook in het grondwater zijn geen sterke verhogingen voor DDE/DDT gemeten. Geconcludeerd kan worden dat de eerder aangetroffen sterke verontreiniging een spot betreft. De omvang van de sterke verontreiniging is derhalve kleiner dan 25m3 (voor grond) of 100 m3 (voor grondwater). Hierdoor is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals omschreven in de Wet Bodembescherming.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
49/88
Hoewel de verhoogde gehaltes de maximale waarden wonen overschrijden (klasse Industrie) vormen de onderzoeksresultaten geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging naar wonen. De licht verhoogde gehaltes vormen namelijk geen risico voor de gezondheid bij een gebruik als wonen met tuin. Ook het gemiddelde loodgehalte blijft onder de 100 mg/kg. Aanbevolen wordt om grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van het onderzoeksrapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. 5.3.2.4
Verkennend bodem- en asbestonderzoek plangebied Het Oosterland te Mijdrecht kavels tussen de Tuinderslaan en het Wickelhofpark Dit onderzoek is uitgevoerd voor het oostelijk deel van het plangebied, zie afbeelding 22. Het rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. De onderzoekslocatie is gelegen op de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Mijdrecht, sectie C 8905 en 9108. De kavels zijn in gebruik als grasland. Parallel aan de Oosterlandweg is in het weiland een betonpad met vier dammen aanwezig. Daarnaast zijn nog vijf onverharde dammen op het terrein aanwezig. Ter plaatse van de dammen, het betonpad en de demping zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen en PAK aangetoond. In de bovengrond zijn geen verhogingen met bestrijdingsmiddelen aangetoond. In het grondwater afkomstig van meerdere peilbuizen zijn lichte verhogingen met zware metalen aangetoond. Er is bij één peilbuis een sterke verhoging met nikkel aangetoond (peilbuis F45, zie rapport bodemonderzoek). In verband met de sterke verhoging met nikkel dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om een globale omvang vast te kunnen stellen. Gezien op het naastgelegen perceel eveneens een sterke verontreiniging met nikkel voorkomt kan worden verwacht dat de omvang van de verontreiniging meer dan 100 m3 bodemvolume is en daarmee een geval van ernstige bodemverontreiniging vormt.
Met het onderzoek zijn twee mengmonsters onderzocht op PFAS. In het mengmonster van de bovengrond is PFAS aangetoond. Getoetst aan het Handelingskader wordt de bovengrond beoordeeld als Klasse Wonen/Industrie. In het mengmonster van de ondergrond is geen PFAS aangetoond. De onderzoeksresultaten van het grondwater waarbij op een deel van de locatie plaatselijk een sterke verhoging met nikkel is aangetoond vormt geen risico voor wonen met tuin. Echter vormen zij wel een belemmering voor de bestemmingswijziging en afgifte van een omgevingsvergunning. Ten behoeve hiervan zal een saneringsplan of monitoringsplan opgesteld moeten worden. Een passieve sanering in de vorm van een monitoring kan daarbij voldoende zijn. Voorafgaand aan het saneringsplan dient de omvang van de verontreiniging in het grondwater in kaart gebracht te worden. Hiervoor dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen het plangebied. Indien hergebruik niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is in de regel eerst een keuring nodig (incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
50/88
afbeelding 22: onderzoeksgebied verkennend bodemonderzoek kavels tussen de Tuinderslaan en Wickelhofpark (bron: Grondslag)
afbeelding 23: locatie peilbuis F45 (bron: Grondslag)
5.3.2.5
Verkennend waterbodemonderzoek plangebied Het Oosterland te Mijdrecht watergangen tussen de Tuinderslaan en het Wickelhofpark Dit onderzoek is uitgevoerd voor de waterbodems in het oostelijk deel van het plangebied, zoals aangegeven in afbeelding 22. Het rapport is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. De onderzoekslocatie heeft een totale lengte van 3.035 meter en is ingedeeld in 2 vakken. Een diffuse belast vak (vak 8) en een onbelast vak (vak 9). Vak 8 is in verband met een tweetal
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
51/88
calamiteiten, de lengte, en de aanwezigheid van een dam opgedeeld in 2 aparte monstervakken. Het onderzoek heeft voldoende inzicht gegeven in de kwaliteit van de sliblaag. De resultaten geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. 5.3.2.6 Nader grondwateronderzoek Het Oosterland te Mijdrecht (nikkelverontreinigingen) Er is een nader grondwateronderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de plaatselijk sterke verhogingen met nikkel in het grondwater. Uit het onderzoek volgt dat de nikkelverontreiniging in het weilandgebied (het oostelijk deel van het plangebied van Het Oosterland) uit twee aparte vlekken bestaat. De verontreiniging is mogelijk het gevolg van een verzuring door bemestingen en heeft daarmee een natuurlijke oorsprong. In dat geval betreft het geen bodemverontreiniging volgens de Wet Bodembescherming. De verontreinigingen bij de kassen zijn met het nader onderzoek globaal in kaart gebracht. Voor het bestemmingsplan is dit voldoende onderzocht. Gezien het feit dat deze kwekerijen tot recent in bedrijf waren dienen de verontreinigingen gezien te worden als een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij een nieuw geval geldt er geen omvangscriterium. Volgens de Wet Bodembescherming dient een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging op korte termijn ongedaan gemaakt te worden.
Echter in het specifieke geval van een verhoging met nikkel in het grondwater in een (voormalige) kas wordt is het ook mogelijk om geen actieve saneringsverplichting op te leggen omdat bekend is dat verontreinigingen met nikkel in het grondwater veroorzaakt door meststoffen, na beëindiging van de activiteiten in de loop van de tijd afnemen. De verwachting is dat de onderhavige sterke verhogingen in de loop van de tijd verder zullen afnemen en het natuurlijk evenwicht zich zal herstellen. Wel kan een passieve sanering (met monitoring) aan de orde zijn. Dit dient in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader te worden bepaald. Enige vorm van sanering kan evenwel noodzakelijk zijn bij een aanvraag omgevingsvergunning. Indien bij de herontwikkeling van de locatie graafwerkzaamheden worden uitgevoerd in een van de verontreinigingen kunnen aanvullende sanerende maatregelen nodig zijn. Daarnaast kan het nodig zijn om de verontreiniging ten behoeve van de werkzaamheden verder in kaart te brengen middels extra onderzoek (fijnmazigere benadering). 5.3.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat voor een groot deel het plangebied geschikt is voor het toekomstig gebruik als woongebied. Wel zijn er enkele locaties die vragen om vervolgacties zoals nader onderzoek of beperkingen in het hergebruik en een enkele watergang vraagt om sanering.
Voorafgaand aan de omgevingsvergunning bouwen zijn de volgende acties nodig: - Op diverse plaatsen is een sterke verhoging met nikkel aangetroffen, in de bodem en in de waterbodems. Dit vormt geen risico voor wonen met tuin. Echter kan dit een belemmering vormen voor de afgifte van een omgevingsvergunning. Bekend is dat wanneer de verontreinigende activiteiten zijn gestopt, de verhogingen in de loop van de tijd zullen afnemen en het natuurlijk evenwicht zich zal herstellen. Ten behoeve hiervan zal voor de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een saneringsplan of monitoringsplan opgesteld moeten worden. Een passieve sanering in de vorm van een monitoring kan daarbij voldoende zijn. - Om een uitspraak te kunnen doen over de omvang van de sterke verontreinigingen dient een aanvullend en/of nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden ter plaatse van de koper verhoging in de grond. Geconcludeerd kan worden dat, met inachtneming van de aanbevelingen uit de bodemonderzoeken, vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
52/88
5.4
Water
5.4.1 Beleid en regelgeving Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Voor de ontwikkeling van het Oosterland is een watertoetsnotitie opgesteld (Sweco, 21 augustus 2023). Deze notitie is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting. In deze notitie is ingegaan op het van toepassing zijnde beleid van rijk, provincie, waterschap en gemeente. Zodoende is dat niet meer in deze paragraaf herhaald. De uitgangspunten uit het beleid zijn toegepast in de notitie en aan de hand hiervan zijn de waterhuishoudkundige aspecten beschreven die relevant zijn voor het bestemmingsplan. In de hierna volgende paragraaf is beknopt ingegaan op de conclusies uit paragraaf 5 van de notitie. Voor de volledigheid en de achtergronden wordt verwezen naar de notitie in bijlage 10 bij de toelichting.
5.4.2 Waterhuishoudkundige situatie 5.4.2.1 Consequenties huidige waterhuishouding De huidige maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen de NAP -5,50 en -4,30 m, als gemiddelde waarde is NAP -5,15 m aangehouden. De ontwikkeling ligt in een peilgebied waar Waterschap Amstel, Gooi en Vecht een oppervlaktewaterpeil van NAP -5,80 m hanteert. Echter, uit afstemming met het waterschap blijkt dat de stuw die het waterpeil reguleert, met 0,10 m is opgezet. Daarmee is het waterpeil in de praktijk dus NAP -5,70 m. In het plangebied zijn eind mei 2022 drie peilbuizen geplaatst. De metingen laten zien dat de hoge grondwaterstanden tot NAP -5,00 m reiken in het midden en zuiden van het plangebied. Voor de zuidelijke peilbuis betekent dit dat het grondwater tot aan maaiveld reikt. De noordelijke peilbuis reageert minder sterk op neerslag in de wintermaanden en toont een relatief constante hoogte. Mogelijk zorgt drainage ervoor dat de grondwaterstand rond NAP -5,50 m schommelt. De RHG is ingeschat op NAP - 5,20 m. Het plan wordt in de toekomstige situatie opgehoogd. Het wegpeil komt naar verwachting op NAP -4,50 m te liggen en de vloerpeilen tussen NAP -4,30 en -4,20 m. Bij een RHG van NAP -5,20 m voldoet de ontwikkeling aan de bovengenoemde criteria. In overleg met de gemeente en het waterschap is besloten een DIT-riool in het plan aan te leggen.
Het DIT-riool zorgt ervoor dat het plan voldoet aan de droogleggingsen ontwateringscriteria. 5.4.2.2 Afvalwaterverwerking In afbeelding 24 is een overzicht van de bestaande riolering weergeven. Aan de oost- en westzijde van het plangebied lopen persleidingen. De persleiding in de Oosterlandweg sluit aan op het gemengde stelsel in de woonwijk ten oosten van het plangebied en heeft een diameter van 75 millimeter. De persleiding in de Schattekerkerweg voert af naar het gemaal in de wijk Hofland en heeft een diameter van 160 millimeter. Deze persleiding kruist de Kerkvaart. Het gemaal in de wijk Hofland verpompt het water vervolgens naar de RWZI. Gezien de waterrijke opzet en de verschillende ‘eilanden’ in het plangebied zijn in de toekomstige situatie meerdere rioolgemalen nodig. Afvalwater voert onder vrijverval af naar een gemaal. De gemalen voeren het afvalwater af naar de persleiding in de Schattekerkerweg. Hierover is afstemming geweest met de rioolbeheerder van gemeente De Ronde Venen. De verwachte afvalwaterproductie bedraagt in totaal 30 m³/uur. Het eind(riool)gemaal Ducaton van het waterschap heeft voldoende capaciteit om afvalwater van Het Oosterland te verwerken. Dit geldt ook voor de RWZI De Ronde Venen in Mijdrecht. Het is onbekend of tussenliggende rioolgemalen en persleidingen voldoende capaciteit hebben.
Ten behoeve van de stedenbouwkundige uitwerking wordt een rioleringsplan opgesteld. In het rioleringsplan zal met een berekening onderzocht worden of aansluiting op het bestaande persleidingsysteem mogelijk is en wat de beste locatie is om het nieuwe vuilwaterstelsel op aan te
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
53/88
sluiten. Aangezien het bestemmingsplan de riolering niet regelt, is dit voor nu voldoende in beeld gebracht.
afbeelding 24: overzicht bestaande riolering omgeving plangebied (bron: Notitie watertoets, Sweco, mei 2023)
5.4.2.3 Hemelwaterverwerking en waterberging Volgens de Keur 2019 van het waterschap AGV moet een toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem gecompenseerd worden door het graven van open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Sloten die worden gedempt moeten voor 100% binnen hetzelfde peilvak worden gecompenseerd. In tabel 3 is een overzicht van de huidige en toekomstige verharding gegeven.
tabel 3: overzicht verharding huidige en toekomstige situatie (bron: Notitie watertoets, Sweco, mei 2023)
De toekomstige openbare verharding bestaat uit wegen, parkeervakken, fietsen voetpaden. Voor de oppervlaktebepaling is halfverharding als 100% verhard beschouwd (worst-case). Als de doorlatendheid van deze vakken aantoonbaar groter is dan 90 l/s/ha, merkt het waterschap deze oppervlakken niet aan als verhard. Voor tuinen is uitgegaan van een verhardingsgraad van 50%. In de huidige situatie is 111.500 m² verharding aanwezig De ontwikkeling van het Oosterland leidt op basis van de meest recente stedenbouwkundige concept verkaveling tot een toename van het verhard oppervlak van 26.223 m² (2,62 hectare). De compensatieopgave hiervoor bedraagt 10%, wat neerkomt op 0,26 hectare nieuw benodigd oppervlakte water. De hoeveelheid oppervlaktewater in het gebied neemt ook toe. Er worden brede doorvaarbare sloten aangelegd met een overstroombare plasdraszone. Het wateroppervlak neemt in de
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
54/88
toekomstige situatie toe van 1,54 hectare naar 3,47 hectare (toename van 1,93 hectare). Er is een overcapaciteit van ongeveer 1,67 hectare (1,93-0,26). Hiermee wordt op dit onderdeel invulling gegeven aan de eisen van het waterschap voor compensatie voor versnelde afvoer van verharde oppervlakken. Het gaat om primair water dat na overleg met en goedkeuring van het waterschap bij het waterschap in beheer komt. Verder volgt de gemeente het ‘Convenant Duurzame woningbouw’ en de ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen’. Dit betekent onder andere dat 40 – 70 mm van de neerslag op particulier terrein verwerkt moet worden of in een daarvoor bestemde voorziening. In overleg met de gemeente is besloten 50 mm aan te houden. Voor de invulling van de richtlijnen uit het convenant over particuliere waterberging wordt gebruik gemaakt van de overcapaciteit aan waterberging in het oppervlaktewatersysteem. De berging mag namelijk ook aan voorzieningen in openbaar terrein toegekend worden. Waar mogelijk, voert water eerst af naar verlaagde groenvoorzieningen. Dit om water langer vast te houden. In totaal is 77.291 m² particuliere verharding in het plan voorzien. Bij een bergingsnorm van 50 mm is 3.865 m³ particuliere waterberging nodig. De beschikbare berging in verlaagde groenvoorzieningen wordt bepaald tijdens de verdere uitwerking van het hemelwatersysteem / in het waterhuishoudkundig plan.
Om de opgave uit te drukken in m², is gerekend met een compensatienorm van 10% (gebaseerd op het beleid van het waterschap). Dit betekent dat 0,77 hectare water nodig is voor de opgave voor particuliere terreinen. Dit is een worst-case benadering, omdat een deel van de berging gerealiseerd wordt in verlaagd groen en het waterschap voor de omrekening van m² naar m³ uitgaat van 70 mm (in plaats van de overeengekomen 50 mm). Er is voldoende overcapaciteit in het oppervlaktewatersysteem om dit op te vangen. 5.4.2.4 Waterveiligheid en overstromingsrisico’s Aan de noordzijde ligt langs de Kerkvaart de Ringdijk. Deze dijk heeft een veiligheidszone, welke op de Legger van het waterschap AGV is weergegeven, zie afbeelding 25. Het plangebied ligt buiten de kernzone of de beschermingszone. Er ontbreekt een buitenbeschermingszone voor dit deel. Er is zodoende geen strijdigheid met de regels ten aanzien van de veiligheidszones uit de Keur.
afbeelding 25: uitsnede Legger AGV (de blauwe lijnen geven de primaire watergangen aan, de blauwe en bruine arceringen zijn veiligheidszones van de waterkeringen langs de Kerkvaart) (bron: Notitie watertoets, Sweco, mei 2023)
Het plangebied ligt in overstroombaar gebied. Er is een beperkt risico bij overstromingen. De dijken in de regio hebben een kleine faalkans van 1/300 tot 1/3.000 jaar. Bij een dijkbreuk stroomt het naastgelegen peilgebied leeg. Er liggen geen rivier of grote wateren naast de polder.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
55/88
De overstromingsdiepte bij een kleine kans (eens in de 1.000 jaar) varieert tussen 1,0 – 1,5 meter (zie afbeelding 26). Bij een gemiddelde maaiveldhoogte van NAP -5,10 m leidt dit tot een maximale waterstand van NAP -3,60 m. De maximale overstromingsdiepte bij een T=100 gebeurtenis is 0,50 meter. Dit komt overeen met NAP -4,60 m bij de gemiddelde maaiveldhoogte. Ophoging in de toekomstige situatie zorgt ervoor dat de overstromingsdiepte ter plaatse van het plangebied afneemt. Bij een wegpeil van NAP -4,60 m is geen sprake meer van overstroming bij een gebeurtenis die 1/100 jaar voorkomt. De overstromingsrisico’s voor Het Oosterland zijn bepaald met het adviesrapport ‘Ambitie voor gevolgbeperking voor vitale en kwetsbare infrastructuur’. Op basis van dit rapport is de ontwikkeling ingedeeld is de klasse ‘objecten met lokale impact’. Voor deze klasse gelden onderstaande richtlijnen voor het stedenbouwkundig ontwerp en de bebouwing. • Standaard het vloerpeil 20 cm boven maaiveld, ongeacht de kans op een waterdiepte op deze locatie. • De objecten niet ontwikkelen in gebieden die vaker dan eens in de 100 jaar met > 0,5 m overstromen. • Is de waterdiepte < 0,5 m, dan mag men ontwikkelen maar wel zo dat er geen schade optreedt.
• Voor objecten die minder vaak dan 1/100 jaar overstromen met > 20 cm maar vaker dan 1/10.000 jaar, geldt dat door de ontwikkelaar en vergunningverlenende partij een expliciete afweging gemaakt moet worden over de locatiekeuze en gevolgbeperkende maatregelen. Als de waterdiepte < 50 cm is en de maatregelen hebben een positieve KBA, dan is het verplicht deze uit te voeren. • Voor objecten die minder vaak dan 1/10.000 jaar overstromen met > 20 cm wordt het risico geaccepteerd en zijn geen extra maatregelen nodig.
afbeelding 26: uitsnede overstromingsdiepte bij overstroming met kleine kans 1:1.000 (bron: Notitie watertoets, Sweco, mei 2023)
5.4.2.5 Onderhoud Het Handboek Onderhoud Oppervlaktewater beschrijft de taakverdeling en afspraken tussen gemeenten en het waterschap over bestaand oppervlaktewater en over ontwerp en overdracht van nieuw water. Het uitgangspunt is dat bij uitbreidingswijken het waterschap al het oppervlaktewater in haar beheer neemt.. Het waterschap heeft de voorkeur voor varend onderhoud
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
56/88
uitgesproken vanwege de breedte van de watergangen. Hiervoor dienen de watergangen een minimale diepte van 1,25 m over een bodembreedte van 3 m te hebben, een waterbreedte van minimaal 6 m en varend bereikbaar te zijn met de boot. Daar wordt met de uitwerking van het plan rekening mee gehouden. Waar dit niet kan, dient de watergang vanaf de oever bereikbaar te zijn en zal een toegang met onderhoudspad beschikbaar moeten zijn. De doorvaarhoogte voor obstakels is minimaal 1 m. Daarnaast dienen er plekken te zijn waar de boot te water kan worden gelaten en waar het maaisel neergelegd kan worden. Die zullen in het stedenbouwkundig plan worden opgenomen. Het bestemmingsplan is voldoende flexibel om in de nadere stedenbouwkundige uitwerking aan de uitgangspunten voor onderhoud te voldoen. 5.4.3 Watertoets Bij het opstellen van de Notitie Watertoets door Sweco en het waterhuishoudkundig plan waar aan wordt gewerkt, heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap en zijn reacties verwerkt. Ten behoeve van de watertoets wordt het bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap. De reactie op het plan wordt te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen. 5.4.4 Conclusie De ontwikkeling leidt tot een toename aan verharding in het gebied en een toename aan wateroppervlak.
In totaliteit is sprake van een overcapaciteit aan nieuw water en er wordt voldaan aan de compensatieopgave en de eisen uit het ‘Convenant Duurzame woningbouw’ en de ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen’. In het plan is rekening gehouden met de beperkte overstromingsrisico’s. Na de ophoging van het gebied blijft het plangebied droog bij een overstroming met een middelgrote kans en is sprake van een zeer beperkte waterdiepte bij een overstroming met een kleine kans. In het kader van de verdere planuitwerking wordt de afvalwaterverwerking verder uitgewerkt in een rioleringsplan. Ook wordt uitwerking gegeven aan de eisen voor het onderhoud van het water en de oevers. Het bestemmingsplan heeft een globaal karakter, waarbinnen de exacte verkaveling nog niet vastligt. Daarmee biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit om in het uiteindelijke stedenbouwkundige plan rekening te houden met de uitgangspunten en eisen aan het watersysteem.
5.5
Ecologie
5.5.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden, houtopstanden en planten- en dierensoorten. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de PRV (provincie Utrecht). Soortenbescherming Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten).
Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11)
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
57/88
Houtopstanden De bescherming van het houtareaal in Nederland werd tot de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het belangrijkste deel geregeld in de Boswet (1963) en bijbehorende besluiten. Met de Wet natuurbescherming is een deel van de bevoegdheden op dit beleidsterrein overgedragen aan Provinciale Staten. Met de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten op dit beleidsterrein meer regelgevende bevoegdheden gekregen, waarbij de wetgever een aantal kaders heeft gesteld. Voor de provinciale Verordening natuur en landschap heeft de Boswet als basis gediend, maar is tegelijk gekozen voor een insteek waarbij hedendaagse principes in het natuurbeheer zoals ruimte voor dynamiek, kwaliteit en openheid ook een belangrijke rol spelen. Zonder melding vooraf is het conform artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb niet toegestaan een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen / kappen (met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout). In artikel 4.1 van de Wnb zijn de uitzonderingen beschreven waarbij het wel is toegestaan om zonder deze melding over te gaan tot het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand. Het gaat onder andere om de volgende uitzonderingssituaties: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c.
fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: wegbeplantingen; beplantingen langs waterwegen, en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Daarnaast geldt op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de wet een herbeplantingsplicht bij het tenietgaan van houtopstanden. Dit dient in beginsel plaats te vinden binnen 3 jaar op dezelfde grond waar de bomen hebben gestaan. In de regeling van de Wnb zijn vrijstellingen opgenomen ten aanzien van de herbeplantingsplicht en van de meldplicht (artikel 4.5, vierde lid, van de Wnb). Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van deze verplichtingen (artikel 4.5, eerste en derde lid, van de wet). Tot slot biedt artikel 4.2, derde lid, van de Wnb Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om een verbod tot velling op te nemen ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. 5.5.2 Onderzoeken Voor het bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde planten- en diersoorten (Van der Goes en Groot, 7 mei 2022). De quickscan is opgenomen als bijlage 11 bij de toelichting.
Op basis van de uitkomsten van de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (huismussen) en amfibieën (rugstreeppad) (Van der Goes en Groot, 10 oktober 2022). Dit nader onderzoek is opgenomen als bijlage 12 bij de toelichting. Ook is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (Van der Goes en Groot, 29 november 2023). Het stikstofonderzoek is opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting. Hieronder is eerst ingegaan op de gebiedsbescherming en daarna op de soortenbescherming. 5.5.2.1 Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied ligt niet in een Natura-2000 gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn Nieuwkoopse Plassen op ca. 4 km (stikstofgevoelig), Botshol op ca. 6 km (stikstofgevoelig) en de Oostelijke Vechtplassen op ca. 12,5 km (stikstofgevoelig) (zie afbeelding 27).
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
58/88
afbeelding 27: Natura-2000 gebieden in omgeving van het plangebied (met rood aangeduid)
Omdat het plangebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe effecten als gevolg van aantasting van habitattypen of leefgebieden niet aan de orde. Wel kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeelden hiervan zijn geluidverstoring of verstoring door licht, maar ook de gevolgen van stikstofemissies. Voor de meeste effecten geldt dat door de afstanden tot aan de Natura 2000gebeiden ook de externe werking op voorhand uitgesloten kan worden, licht- en geluidbelasting reikt niet dusdanig ver. Enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, zijn effecten van stikstofdepositie. Stikstofemissie kan Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden. Om de stikstofdepositie te bepalen is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 13). Er is onderzoek gedaan naar de emissies en depositie tijdens de aanlegfase en in de gebruiksfase, als het hele gebied in gebruik is genomen. Deze emissies en deposities zijn vergeleken met de emissies en deposities in de bestaande situatie kassen, de zogenoemde referentiesituatie. Omdat het gebied gedurende een langere tijd wordt ontwikkeld, zullen er bouwwerkzaamheden plaatsvinden terwijl er al een deel van het woongebied in gebruik is.
Zodoende is voor de aanlegfase het meest maatgevend het laatste jaar waarin er nog gebouwd wordt en bijna de hele woonwijk al is gerealiseerd. De maximale projectbijdrage van de aanlegjaren (na interne saldering met de referentiesituatie) voor alle 11 bouwjaren is 0,00 mol/N/ha/jaar. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. De maximale projectbijdrage van het eerste gebruiksjaar (12e jaar) is 0,00 mol/ha/jaar. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Dit betekent dat er voor het project geen vergunning nodig is vanwege stikstof. 5.5.2.1.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Groene Contour of weidevogelgebied. Het gebied aan de zuidwestzijde van de Oosterlandweg is wel een weidevogelkerngebied, hierbinnen gelden restricties voor plannen die betrekking hebben op realisatie van windturbines en zonne-energie. Aangezien het plangebied er buiten ligt, gelden er geen regels vanuit de Interim OV op dit onderwerp voor het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
59/88
Ook gaat het om een woningbouwplan en niet om windturbines of zonneparken. Er is geen onderzoek nodig. 5.5.2.2 Soortenbescherming Zoals beschreven is voor het bestemmingsplan een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd en een Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (huismussen) en amfibieën (rugstreeppad). Hieronder is ingegaan op de resultaten. Door de gebiedsontwikkeling kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. Hieronder is ingegaan op de uitkomsten van de quickscan en het nader onderzoek naar de huismussen en rugstreeppadden. Amfibieën: In het plangebied is potentieel geschikt landbiotoop voor Rugstreeppad aanwezig. Vanwege het vergraven van terreindelen, oevers is het mogelijk dat vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad worden beschadigd, of vernield. Bij het nader onderzoek zijn geen Rugstreeppadden waargenomen in het plangebied. Echter werd de Rugstreeppad wel buiten het plangebied waargenomen. In het plangebied is vooralsnog geen voortplantingswater en/of geschikt landbiotoop aanwezig.
Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten: Gelet op de aanwezige biotopen kunnen mogelijk soorten voorkomen in het plangebied zoals de ekster, boerenzwaluw, spreeuw, zwarte kraai, kool- of pimpelmees. Activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden dienen buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Dit geldt vanuit de zorgplicht van de Wet natuurbescherming en er zal in het kader van de realisatie rekening mee worden gehouden. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten: Bij de sloop of de renovatie van de open kapschuur zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van de Huismus beschadigd of vernield kunnen worden. De nesten van deze soort zijn jaarrond beschermd. Bij het nader onderzoek dat is uitgevoerd zijn geen Huismussen waargenomen bij de bebouwing in het plangebied. Er waren geen nestplaatsen aanwezig. In de omgeving zijn wel broedende Huismussen vastgesteld. De waargenomen Huismussen toonden geen binding met de bebouwing in het plangebied. Er zijn geen ‘kwetterstruiken’ of andere voor Huismussen belangrijke elementen aanwezig in het plangebied. De vogelsoort is weinig verstoringsgevoelig en zullen niet in belangrijke mate worden beïnvloed door werkzaamheden op afstand.
Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus, Sperwer, Kerkuil, Ransuil, Havik of Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Vleermuizen In de bebouwing direct naast het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
60/88
veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt worden voor foeragerende vleermuizen. Vliegroute Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Er zijn diverse beschutte landschapslijnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die in dezelfde richting lopen en als (alternatieve) vliegroute kunnen worden gebruikt. Overige beschermde fauna Voor incidenteel aanwezige Ringslangen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege het ontbreken van de juiste Habitats in het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt onder andere vanwege deze redenen geen essentieel leefgebied voor Ringslangen en de dieren kunnen gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Maatregelen in het kader van de zorgplicht bij de uitvoering In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor.
In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. Teneinde de vestiging van overwinterende en mogelijk voortplantende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen terreindelen die afgegraven worden (en waar terreindelen met vergraafbaar zand of verdiepingen met stagnerend water kunnen ontstaan) te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. Tevens dienen opgeslagen materialen voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad verwijderd te worden. Als onverhoopt de Rugstreeppad vestigt is ontheffing noodzakelijk om de dieren weg te vangen en werkzaamheden (verder) uit te voeren. 5.5.2.3 Houtopstanden In het plangebied zijn nauwelijks bomen aanwezig, enkel langs de Tuinderslaan (grotendeels buiten plangebied), langs de Schattekerkerweg (laanbeplanting) en her en der op een enkel perceel. Dit betreffen zodoende hoofdzakelijk houtopstanden op erven of in tuinen en vallen daarmee niet onder de regels van de Wet natuurbescherming maar onder de gemeentelijke regels.
Er is een kapvergunning nodig als een boom staat op de Lijst waardevolle bomen 2014 van de gemeente. Geen van de op deze lijst staande bomen staan in het plangebied. De meest nabij gelegen waardevolle bomen zijn de esdoorns op het perceel aan de Schattekerkerweg 1. Het bestemmingsplan heeft een globaal karakter, waarbinnen de exacte verkaveling nog niet vastligt. Er is daarom nu niet concreet aan te geven of er bomen gekapt moeten worden en hoeveel. Mogelijk dat ten behoeve van de aansluitingen op de Schattekerkerweg en de Oosterlandweg enkele bomen moeten wijken. Er wordt te zijner tijd op basis van het uitgewerkte verkavelingsplan een beoordeling gemaakt van de te kappen houtopstanden.
5.6
Mobiliteit
5.6.1 Verkeersafwikkeling 5.6.1.1 Inleiding De effecten van de planontwikkeling zijn beoordeeld in het rapport ‘Mobiliteitsonderzoek gebiedsontwikkelingen Mijdrecht’ (Goudappel, 2 december 2022). Dit rapport is opgenomen als bijlage 14 bij de toelichting.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
61/88
De verkeerseffecten zijn inzichtelijk gemaakt met behulp van het meest recente verkeersmodel: Noord-Holland Zuid versie 3.1 (hierna: NHZ3.1). De studie gaat in op drie modelvarianten, te weten basisjaar 2018, referentievariant 2040 (de toekomstige situatie zonder realisatie plan) en planvariant 2040 (de toekomstige situatie met realisatie van het plan Het Oosterland). In de referentievariant 2040 zijnde autonome ontwikkelingen van verkeersbewegingen op het wegennetwerk van Mijdrecht en omgeving opgenomen. De autonome ontwikkelingen zijn prognoses van onder andere economische groei en huishoudgrootte, maar zijn bijvoorbeeld ook de ontwikkelingen van andere vervoermiddelen zoals de e-bike meegenomen. De referentievariant 2040 bevat de harde woningbouwontwikkelingen in Mijdrecht. In het onderzoek zijn deze beschreven. Voor de planvariant is uitgegaan van een maximum van 830 woningen, met een mix van sociaal (30%), middelduur (20% en vrije sector (50%). Een deel van Het Oosterland ontsluit op de Schattekerkerweg (ca. 15%) en het overige deel ontsluit via de nieuwe ontsluiting in Het Oosterland (ca. 85%). In het verkeersmodel wordt uitgegaan van een voorrangskruispunt bij de nieuwe weg vanuit Het Oosterland en de Oosterlandweg. In de kruispuntanalyse wordt daar nader op ingegaan.
Een deel van de tuinbouw (huidige situatie) wordt vervangen door woningen, waarmee het (logistieke) verkeer dat daarmee gepaard gaat komt te vervallen. Dit is verrekend in de verkeersintensiteiten. Voor het bepalen van het studiegebied voor verkeer zijn alle relevante wegen meegenomen, waarbij significante effecten aanwezig zijn voor verkeer als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. 5.6.1.2 Effecten planontwikkeling Het nieuwe woonprogramma in Het Oosterland genereert bij elkaar circa 3.900 motorvoertuigen per werkdag. Dit komt neer op een ritgeneratie van 4,7 ritten/woning/etmaal. In het onderzoek is beschreven hoe het verkeer zich vervolgens verdeeld over de verschillende wegen (zie ook afbeelding 28). Het verkeer ontsluit via beide kanten van de Oosterlandweg. Enerzijds via de Ringdijk Tweede Bedijking naar de N201 en anderzijds via de Doctor J. van der Haarlaan, Dukaton en Hofland naar de N201. Uit het verkeersmodel blijkt dat het verkeer van Het Oosterland zich 50/50 verspreidt bij de Oosterlandweg over de twee ontsluitingsroutes. Het verkeer wordt binnenstedelijk snel opgenomen in het overige verkeer.
Bestemmingsplan Het Oosterland, Vastgesteld
62/88
afbeelding 28: routes verkeersafwikkeling Het Oosterland (bron: Goudappel)
Analyse wegvakken Vervolgens is een analyse gemaakt van de wegvakken. Er is een vergelijking gemaakt tussen de intensiteit en de capaciteit van de wegen. Op 11 van de 12 onderzochte wegvakken wordt de grens van de capaciteit niet overschreden. Op één wegvak is dit wel het geval, namelijk de Hofland. De capaciteit wordt echter al in de modelvariant basisjaar 2018 overschreden. De relatieve bijdrage van het plan is 2% en daarmee niet significant te noemen. Wegen rondom Het Oosterland Een zestal wegvakken heeft een relatieve toename van verkeer hoger dan 10% door de ontwikkeling Het Oosterland. Dit betreft de wegen Schattekerkerweg, drie delen op de Oosterlandweg, Ringdijk Tweede Bedijking en de Doctor J. van der Haarlaan. Voor al deze wegvakken geldt dat met de toename van het verkeer, de intensiteiten binnen de grenswaarden van de wegen vallen. De toetsing hierbij is gedaan met de huidige wegcategorie: erftoegangsweg 60 km/u. Bij ontwikkeling van Het Oosterland wordt een deel van de Oosterlandweg en Schattekerkerweg binnen de bebouwde kom gelegd en de weginrichting wordt hier op aangepast. Ook zal de snelheid verlaagd worden naar 50 km/uur. Dit komt de veiligheid ten goede. Kruispunten De kruispunten rondom Het Oosterland kunnen het verkeer goed en veilig afwikkelen bij realisatie van Het Oosterland. De kruispunten die overbelast zijn liggen aan de provinciale weg N201.