Bijlage 14 Passende beoordeling, Arcadis, 9 oktober 2017
Tekst van het document
25
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
Licht Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring (effectenindicator LNV). Met name bij verblijfplaatsen (zwermen bij het invliegen) en op vlieg- en migratieroutes zijn meervleermuizen zeer gevoelig, bij het foerageergebieden gevoelig (bron: Zoogdiervereniging Nijmegen). In het Natura 2000-gebied Botshol is alleen sprake van een foerageerfunctie (geen verblijfplaatsen, geen vliegroutes) op de open wateren. Veranderingen in verlichting in de deelgebieden A, B en D hebben geen effect op de foerageerfunctie in Botshol, mede omdat de meervleermuizen laag boven water foerageren en er een kade/dijk tussen Botshol en de Vinkeveense Plassen ligt. In de maximale variant in deelgebied C is sprake van toename van bebouwing en gebruik van legakkers. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit door verlichting tot verstoring leidt van de meervleermuis tijdens foerageren in Botshol. In deelgebied C zijn geen parkeerplaatsen gepland. Ook hier geldt dat door de tussenliggende kade/dijk de laag boven het water foeragerende meervleermuizen naar verwachting een minimaal effect ondervinden van toename van verlichting in deelgebied C.
Foeragerende meervleermuizen uit de verblijfplaatsen in de dorpen langs de Amstel die in Botshol foerageren zijn niet afhankelijk van deze zone aan de oostrand van Botshol; zij kunnen ook in het westelijke en centrale deel foerageren zonder een negatief effect van deze verlichting. Ook hier geldt dat op de Vinkeveense Plassen foeragerende meervleermuizen mogelijk een tijdelijk en plaatselijk effect ondervinden van lichtbelasting. Het is immers niet zo, dat het gehele wateroppervlak ’s nachts wanneer de vleermuizen foerageren, verlicht is. De verlichting zal met name beperkt zijn tot de legakkers en zandeilanden; daartussen is het donker en is er geen effect. Er is derhalve hooguit sprake van een tijdelijk en lokaal effect op de foerageerfunctie van Botshol voor de meervleermuis in het aan de Vinkeveense Plassen grenzende deel, dit is niet significant. In het centrale en westelijke deel is er geen effect.
6.3
Verzuring en vermesting
6.3.1
Inleiding
Het bestemmingsplan Plassengebied maakt diverse ontwikkelingen mogelijk. Naast bouwmogelijkheden op particuliere legakkers gaat het ook om verdere ontwikkeling van recreatie-activiteiten. Als gevolg van deze ontwikkelingen kan het aantal bewoners en bezoekers in het gebied toenemen. Dit kan leiden tot: • Toename van verkeer. • Toename van recreatieve activiteiten, waaronder varen. De belangrijkste effecten die als gevolg daarvan kunnen optreden in het Natura 2000-gebied Botshol zijn toename van de depositie van stikstof. Alle aanwezige habitattypen in Botshol zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting. Uitsluitend hoogveenbossen zijn niet gevoelig voor verzuring. Ook de kleine modderkruiper kan effecten van verzuring en vermesting in zijn leefgebied ondervinden. De habitattypen in Botshol zijn gevoelig voor de toename van stikstof. De achtergronddepositie van stikstof in het gebied is hoger dan de zogenaamde kritische depositiewaarde van een aantal van deze habitattypen. Wanneer het bestemmingsplan Plassengebied leidt tot verdere toename van de depositie, kunnen significant negatieve gevolgen op voorhand niet worden uitgesloten, ook wanneer deze toename zeer gering is. De verandering in depositie is bepaald met het rekenmodel AERIUS. Als input gebruikt dit model gegevens van een verkeersmodel.
Met dit verkeersmodel dient de verkeersgeneratie bepaald te worden van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De individuele activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt kunnen worden vergund onder de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), voor zover het gaat om de effecten van stikstof. Aan deze activiteiten kan zogenaamde ontwikkelingsruimte worden toegekend. Voor het bestemmingsplan moet met een passende beoordeling worden vastgesteld dat het plan niet zal leiden tot significante negatieve gevolgen, en dat daarmee het plan uitvoerbaar is. Voor projecten met een depositie van minder dan 0,05 mol/(ha×jr) hoeft geen melding te worden gedaan noch is een vergunning vereist.
6.3.2
Geplande ontwikkelingen
Bij de verdere doorontwikkeling van de Vinkeveense Plassen zal waarschijnlijk sprake zijn van een ontwikkeling in het hoge segment van de recreatie en horeca. Kenmerk van dit segment is dat het gericht is 26
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
op exclusiviteit en daarmee niet op grote groepen recreanten. Wel is vaak sprake van een jaarrond bezetting en minder van seizoensinvloeden. Een inschatting van de toename van verkeer bij dit type ontwikkelingen ligt rond de 100 – 200 motorvoertuigen (mvt) per etmaal (Arcadis, 2015. Verkeerseffecten Vinkeveense Plassen. Intern memo). Daarnaast is sprake van een groei van de mogelijkheid om bebouwing op de private eilandjes toe te staan. Hierdoor nemen de gebruiksmogelijkheden op de eilandjes toe (verblijf en overnachtingen). Gevolg hiervan is een verwacht intensiever gebruik van de eilandjes en dat betekent meer vaarbewegingen en daardoor ook een toename van het aantal verkeersverplaatsingen. Langer verblijf betekent echter niet direct ook meer verkeersverplaatsingen. Recreanten die nu zowel op zaterdag als zondag komen, kunnen straks overnachten, waardoor ze zaterdag komen en pas op zondag weer teruggaan. Het totale effect van de toename van het gebruik van de eilandjes is voor het verkeer dus beperkt. Ingeschat is dat met de groei van het gebruik van de eilandjes met 10%, de groei van het wegverkeer beperkt is tot maximaal 50 mvt/etmaal. Veel eigenaren van recreatieverblijven op de legakkers wonen in Vinkeveen en gaan hier niet heen met de auto, maar met een eigen bootje.
Daarnaast zal nog sprake zijn van autonome groei van het verkeer en de autonome groei van een aantal al in het gebied aanwezige voorzieningen. Daarnaast profiteren ook andere voorzieningen van de groei van et aantal mensen dat naar het gebied komt (door een impuls in de aantrekkelijkheid van het gebied). Bezoekers zullen meerdere plaatsen in het gebied bezoeken, wat ook leidt tot meer verplaatsingen. Hiervoor is ingeschat dat dit leidt tot 10% extra ritten. Als gevolg van de beschreven ontwikkelingen is de verwachting dat er maximaal 400 mvt/etmaal bij komen in het studiegebied. Dit is een worst case situatie die is gebaseerd op: •
de maximale variant voor deelgebieden A, B en C: met name bij B en C zal er toename van bezoek zijn waarvan een deel met de auto, daarna per boot; de maximale variant in deelgebied D: de bezoekersaantallen van de maximale variant in deelgebied D tellen op tot jaarlijks bijna 300.000. Uitgaande van 100.000-200.000 bezoekers in het plangebied nu, is de maximale toename 200.000. Dit geeft 100.000 motorvoertuigen per jaar.
•
Dit verkeer verdeelt zich over het gebied. Vanuit de eerdere studie van Goudappel Coffeng blijkt dat 50% van het verkeer van de A2 zijde komt en 50% van het verkeer vanuit de richting van Mijdrecht. Het verkeer komend vanaf de A2 verdeelt zich over de aansluiting Abcoude en de aansluiting Vinkeveen (ook weer 50/50). Van het totale verkeer dat is gericht op het gebied is de aanname gedaan dat hier 50% gericht is op de parkeerplaatsen aan de Braambrugse Zuwe. De rest van het verkeer zal een parkeerplaats zoeken op het Achterbos, de Vinkenkade of de Groenlandsekade. Specifiek is even naar het Achterbos gekeken, aangezien vooral vanuit deze weg er een entree is richting de eilandjes. Er is van uit gegaan dat de helft van de autobewegingen vanuit het westen via deze weg komen. Tabel 4 geeft de huidige intensiteit en de toename (aantallen en procenten). Tabel 4. Verkeersintensiteit Vinkeveense Plassen (Nr. = nummer bronlocatie in AERIUS-berekening).
Huidige intensiteit
Situatie na ontwikkeling
Toename %
Braambrugse Zuwe
3000
3200
6,7%
2
Groenlandsekade
1500
1600
6,7%
3
Vinkenkade
5300
5400
1,9%
4
Achterbos
2000
2200
10%
Nr.
Weg
1
6.3.3
Uitgangspunten berekening stikstofdepositie
Als gevolg van de ontwikkeling van de Vinkeveense Plassen wordt een toename in de verkeersintensiteit van motorvoertuigen verwacht. Dit verkeer emitteert NOx en kan daarom effecten hebben op de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Deze paragraaf beschrijft de uitgangspunten zoals gehanteerd voor de stikstofdepositie berekeningen. De intensiteit op de wegen voor de huidige situatie en de toename ervan na de ontwikkeling zijn bepaald in het memo ‘Verkeerseffecten Vinkeveense Plassen, ARCADIS, 5 oktober 2015’. Deze intensiteiten zijn in tabel 4 weergegeven. Omdat de ontwikkelingen recreatie en horecavoorzieningen betreffen, worden de berekeningen voor de lichte motorvoertuigen 27
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
uitgevoerd. Zowel voor de huidige situatie als de situatie na de ontwikkeling, is de stikstofdepositie voor het jaar 2017 berekend. Voor de depositieberekeningen is van de totale emissies uitgegaan zoals weergegeven in tabel 5. Tabel 5. Gehanteerde emissies.
Situatie
Totale emissie NOx
Totale emissie NH3
Huidige intensiteit
2.701 kg/j
219 kg/j
Toename
2.839 kg/j
230 kg/j
Figuur 8 laat de locatie van het ontwikkelingsgebied en de emissiebronnen zien. De huidige intensiteit en de toename verdeeld over de vier bronnen, zoals weergegeven in tabel 4 zijn in AERIUS, versie september 2017 ingevoerd.
Figuur 8. Het ontwikkelingsgebied en bronlocaties (nummering bronlocaties zie tabel 4).
6.3.4
Resultaten berekening stikstofdepositie
De resultaten van de AERIUS-berekening zijn opgenomen in bijlage A. De hoogste totale stikstofdepositie in het plangebied ten gevolge van verkeer op de vier wegen in de huidige situatie is 0,15 mol/ha/j. Deze locatie ligt op de grens tussen het plangebied en Botshol. In bijlage A is de locatie met het hoogste verschil op kaart aangegeven. De hoogste totale stikstofdepositie op basis van de planontwisseling als gevolg van de toename van het wegverkeer is 0,16 mol/ha/j. Het verschil dat dus is toe te rekenen aan de planontwikkeling als gevolg van de toename van het wegverkeer bij de maximale varianten (A B, C, D) en worst case geredeneerd is derhalve 0,01 mol/ha/j. De depositietoename op de afzonderlijke habitattypen in Natura 2000-gebied Botshol is ook weergegeven in bijlage A. Deze is nihil. De drempelwaarde voor melding van 0,05 mol/ha/jaar wordt derhalve niet overschreden.
28
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
6.4
Conclusie effectbeschrijving
Tabel 6 geeft een overzicht van de maximale effecten gegeven als gevolg van de ontwikkelingen in het bestemmingsplan. Tabel 6. Overzicht van de effecten als gevolg van de ontwikkelingen in het bestemmingsplan.
Effect Verstoring door licht Verstoring door geluid
Kwalificerende waarde Meervleermuis Meervleermuis
Verzuring en vermesting
Habitattypen
6.5
Maximale effect Er is hooguit sprake van een tijdelijk en lokaal effect op de foerageerfunctie van Botshol voor de meervleermuis in het aan de Vinkeveense Plassen grenzende deel, dit is niet significant. In het centrale en westelijke deel is er geen effect. Geen effect: toename depositie op de habitattypen in het gebied is nihil en blijft derhalve onder de drempelwaarde voor melding.
Mitigerende maatregelen
Er is geen sprake van mogelijke significante effecten. Toch kan het oostelijke deel van Botshol tijdelijk en lokaal door instraling van licht uit zone C minder geschikt zijn om te foerageren. Dit kan als volgt worden gemitigeerd: • •
•
Door verlichting in zone C te richten en/of af te schermen, kan een toename van verlichting op de foerageerroutes in het oostelijke deel van Botshol worden voorkomen. Door geen nieuwe verlichting aan te brengen aan de rand van het Natura 2000-gebied, maar enkel op locaties waar in de huidige situatie al een vorm van verlichting aanwezig is, wordt toename van verstoring van foeragerende meervleermuizen voorkomen. Gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting op locaties waar nieuwe verlichting wordt toegepast.
Door toepassing van deze maatregelen is er ook in het oostelijk deel van Botshol geen sprake meer van een effect en kunnen meervleermuizen ook hier blijven foerageren zonder lichtverstoring. Deze maatregelen worden bij voorkeur geborgd in het bestemmingsplan. Uiteindelijk wordt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen met zekerheid niet beperkt. Ten aanzien van geluid bij grootschalige evenementen in zone D kan overeenkomstig worden aangegeven, dat geluid niet richting het Natura 2000-gebied Botshol moet worden gericht; hiermee kan bij de opbouw van podia zonodig rekening worden gehouden.
6.6
Voorwaarden voor bestemmingsplan
Om het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen te waarborgen en negatieve effecten te voorkomen zijn hieronder enkele voorwaarden opgenomen. Aanbevolen wordt deze in de regels van het bestemmingsplan op te nemen (voor zover juridisch mogelijk). Verstoring licht en geluid Om te waarborgen dat de verlichting rondom verblijfsrecreatie geen negatieve effecten heeft op het foerageren van meervleermuizen, moeten de volgende maatregelen worden genomen: • • •
Richt of scherm verlichting van bebouwing en gebruik in deelgebied C dusdanig af dat de verlichting op het open water van Botshol niet toeneemt. Gezien de afstand en inrichting, is dit een maatregel die binnen het bestemmingsplan goed uitvoerbaar is. Leg geen verlichting aan in en aan de rand van het Natura 2000-gebied. Licht aan de rand van het Natura 2000 gebied mag enkel op locaties waar in de huidige situatie al een vorm van verlichting aanwezig is. Voor deze verlichting gelden verder de regels als aangegeven in de vorige punten. Pas vleermuisvriendelijke verlichting toe. Gezien de afstand en inrichting, is dit een maatregel die binnen het bestemmingsplan goed uitvoerbaar is.
29
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
7
EFFECTBEOORDELING
7.1
Inleiding
Aan het einde van hoofdstuk 6 zijn de maximale effecten als gevolg van de toegestane ontwikkelingen in het bestemmingsplan beschreven. In dit hoofdstuk vindt de feitelijke toetsing plaats. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van het wettelijk kader: brengt de herinrichting het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar?
7.2
Toetsing
7.2.1
Verstoring door licht en geluid
Zoals aangegeven in paragraaf 6.2.2 kan de toename van bebouwing en gebruik in de Vinkeveense Plassen leiden tot effecten op de kwalificerende meervleermuis. Het gaat om tijdelijke en lokale effecten van licht en geluid met een gering effect op de foerageerfunctie in Botshol en op de Vinkeveense Plassen. Tabel 7: Overzicht effecten, problematiek en conclusie Habitatrichtlijnsoorten als gevolg van verstoring.
Instandhoudings -doelstelling4
Staat van instandhouding5
Problematiek5
Conclusie
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied en populatie
Botshol levert een geringe bijdrage aan de SvI van de meervleermuis (<2%). Gezien de positieve trend is de staat van instandhouding goed te noemen. Hieruit volgt dat de kwaliteit van het leefgebied goed is.
De soort is gebaat bij het behoud van foerageergebied en vliegroutes tussen de foerageergebieden zonder lichten geluidhinder.
Er is hooguit sprake van een tijdelijk en lokaal effect op de foerageerfunctie van Botshol voor de meervleermuis in het aan de Vinkeveense Plassen grenzende deel, dit is niet significant en leidt zeker niet tot een belemmering m.b.t. het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In het centrale en westelijke deel is er geen effect.
Meervleermuis
Soort
Uit tabel 7 blijkt dat geluid en verlichting het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de meervleermuis in Botshol niet belemmert. Waar verlichting uitstraalt naar foerageergebied van de meervleermuis wordt dit gebied tijdelijk en lokaal gemeden. Het gaat hierbij uitsluitend om de aan de Vinkeveense Plassen grenzende oostelijke zone van Botshol.
7.2.2
Vermesting
In een eerder stadium is reeds een Voortoets uitgevoerd in het kader van de (voormalige) Natuurbeschermingswet 1998 (onderdeel van: Arcadis, 5 november 2015: M.e.r.-advies bestemmingsplan Plassengebied). Hierbij is geconstateerd dat de doelstellingen voor aangewezen habitats in Botshol en andere Natura 2000-gebieden in de omgeving niet worden beïnvloed door ontwikkelingen op de plassen, legakkers en zandeilanden. Uit de berekening met AERIUS volgt een toename van de stikstofdepositie in Botshol van 0,01 mol/ha/jaar. Dit ligt onder de drempel van 0,05 ha/jaar, die geldt voor aanmelding en/of vergunningverlening onder de PAS. Dat betekent dat er geen belemmeringen liggen voor vaststelling van het bestemmingsplan vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft stikstofdepositie. Voor projecten met een depositie van minder dan 0,05 mol/(ha×jr) hoeft geen melding te worden gedaan noch is een vergunning vereist.
4
http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=12&id=n2k159&topic= doelstelling 5 Provincie Utrecht. 2016. Concept-beheerplan Botshol. 30
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
De doelstellingen voor habitattypen zijn in de genoemde Voortoets getoetst aan maximaal te verwachten toename van stikstofdepositie als gevolg van verkeer. Uit deze analyse is gebleken dat de maximale toename van stikstofdepositie als gevolg van ontwikkelingen op en rond de plassen binnen de regelgeving van de PAS valt. Op het niveau van deelgebieden A t/m D is de relatieve toename van stikstofdepositie niet aan de orde of hooguit zeer gering tot verwaarloosbaar (0). De toename is maximaal 0,01 mol, dat is beneden de drempelwaarde die in de PAS wordt gehanteerd. De depositie als gevolg van individuele projecten die het bestemmingsplan mogelijk maakt is daarmee ook minder dan 0,01 mol en beneden de drempelwaarde. Dergelijke projecten zijn in het PAS uitgesloten voor melding en vergunningsplicht. Daarmee zijn significante effecten uitgesloten.
7.2.3
Cumulatieve effecten
Er is uitsluitend sprake van geringe negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de meervleermuis in Botshol. Deze effecten zijn echter niet significant negatief. In de omgeving van Botshol geen vergunningen en/of ontheffingen Wet natuurbescherming (of onder de Natuurbeschermingswet 1998) verleend (door provincie en/of RVO, gecontroleerd op de betreffende websites) die effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de meervleermuis in het gebied. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is in de omgeving uitsluitend sprake van een bestemmingsplan voor café, restaurant, motel de Plashoeve (aan de Baambrugse Zuwe). Dit plan heeft geen effecten op de meervleermuis in Botshol. Er is derhalve geen sprake van cumulatieve effecten.
7.3
Conclusies
1. De uitvoering van het bestemmingsplan Plassengebied heeft een gering en niet significant effect op het foerageergebied van de meervleermuis in Botshol, als gevolg van licht- en geluidsverstoring van bebouwing (recreatieverblijven) en gebruik (evenementen). De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Botshol zijn niet in het geding. De effecten zijn tijdelijk en lokaal gedurende de nacht en betreffen uitsluitend de oostelijke zone van het Natura 2000-gebied, grenzend aan de Vinkeveense Plassen. Door het toepassen van mitigerende maatregelen kan ook dit tijdelijke en lokale effect teniet worden gedaan. Binnen de regels van het bestemmingsplan is het mogelijk om deze maatregelen te nemen: deze worden als voorwaarden bijgevoegd. 2. Uit de berekening met AERIUS komt een toename van de stikstofdepositie in Botshol van 0,01 mol/ha/j. Dit ligt onder de drempel van 0,05 mol/ha/j, die geldt voor aanmelding en/of vergunningverlening onder de PAS. Dat betekent dat er geen belemmeringen liggen voor vaststelling van het bestemmingsplan vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft stikstofdepositie.
31
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
REFERENTIES • • • • • • • •
Arcadis, 2015. MER-advies bestemmingsplan Plassengebied. Gemeente De Ronde Venen. Inclusief Voortoets Natuurbeschermingswet 1998. Arcadis, 2015. Stikstofdepositie bestemmingsplan Plassengebied. Intern memo. Arcadis, 2015. Verkeerseffecten Vinkeveense Plassen. Intern memo. Arcadis, 2017. Milieueffectrapportage Plassengebied. Gemeente De Ronde Venen. Bureau Ruimte en Vrije Tijd, 2015. Kleur bekennen in het Plassengebied. Presentatie inzake recreatieve ontwikkelingspotentie. Ministerie van EZ, 2013. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Botshol. Mulder, J. & J. Oosterbaan, 2016. Quick scan flora en fauna t.b.v. achterstallig beheer eilanden en legakkers Vinkeveense Plassen. Groenteam, Moordrecht. Provincie Utrecht, 2016. Ontwerpbeheerplan 2016-2022 N2000-gebied Botshol.
32
PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Projectnummer: C03031.000623 Onze referentie: 079569639 A
33