CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 Passende beoordeling, Arcadis, 9 oktober 2017

Gemeenteraad 12 mei 2025, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Vinkeveense Plassen 202511.859 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PASSENDE BEOORDELING PLASSENGEBIED BESTEMMINGSPLAN Gemeente De Ronde Venen PLASSENGEBIED Gemeente De Ronde Venen 9 OKTOBER 2017 9 OKTOBER 2017

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Contactpersonen IR. HANS HOLLANDER

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland

2

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel van het document

6

1.3

Leeswijzer

7

WETTELIJK KADER

8

2.1

Wet natuurbescherming

8

2.2

Programmatische Aanpak Stikstof

10

BESTEMMINGSPLAN

11

3.1

Inleiding

11

3.2

Uitgangspunten bestemmingsplan

11

3.3

Varianten

12

3.4

De te beoordelen maximale variant

12

3.4.1

Deelgebied A

13

3.4.2

Deelgebied B

13

3.4.3

Deelgebied C

13

3.4.4

Deelgebied D

14

AFBAKENING EN STUDIEGEBIED

16

4.1

Inleiding

16

4.2

Te beoordelen effecten

16

4.3

Reikwijdte effecten

18

4.3.1

Verstoring

18

4.3.2

Verzuring en vermesting

18

HUIDIGE SITUATIE BOTSHOL

19

5.1

Algemeen

19

5.2

Kwalificerende habitats en soorten

20

5.3

Knelpunten t.a.v. bereiken instandhoudingsdoelstellingen

20

5.4

Aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden

21

5.4.1

Habitattypen

21 3

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

6

7

5.4.2

Kleine modderkruiper

23

5.4.3

Meervleermuis

23

EFFECTBESCHRIJVING

25

6.1

Inleiding

25

6.2

Verstoring

25

6.2.1

Kleine modderkruiper

25

6.2.2

Meervleermuis

25

6.3

Verzuring en vermesting

26

6.3.1

Inleiding

26

6.3.2

Geplande ontwikkelingen

26

6.3.3

Uitgangspunten berekening stikstofdepositie

27

6.3.4

Resultaten berekening stikstofdepositie

28

6.4

Conclusie effectbeschrijving

29

6.5

Mitigerende maatregelen

29

6.6

Voorwaarden voor bestemmingsplan

29

EFFECTBEOORDELING

30

7.1

Inleiding

30

7.2

Toetsing

30

7.2.1

Verstoring door licht en geluid

30

7.2.2

Vermesting

30

7.2.3

Cumulatieve effecten

31

7.3

Conclusies

31

REFERENTIES

32

4

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Turfwinning gaf de Vinkeveense Plassen haar karakteristieke waaiervormige indeling met vele sloten en legakkers die overlopen in plassen. Op en rondom de Vinkeveense Plassen bevinden zich diverse natuurtypen. Het veenweidelandschap dat overloopt in de recreatie-eilanden aan de zandwinningsplas, maken het gebied verrassend afwisselend. De Vinkeveense Plassen vormen een uniek gebied en bieden voor ieder wat wils op het gebied van recreatie en natuur. De plassen worden gekenmerkt door de legakkers en de ring van twaalf zandeilanden. Voor waterrecreatie zijn hier unieke mogelijkheden. In de loop der jaren zijn diverse vormen van bebouwing ontstaan op de legakkers in de Vinkeveense Plassen, en dan met name in de Noordplas. Dit zorgt ervoor dat legakker-eigenaren de legakkers onderhouden, maar betekent ook een illegale situatie. In het huidige bestemmingsplan zijn bebouwing en verblijf namelijk niet toegestaan. Verder spelen op verschillende schaalniveaus in en rond het plassengebied diverse ontwikkelingen. De gemeente is onder andere bezig met het herzien van haar bestemmingsplannen. In 2011 luidde Recreatie Midden Nederland (RMN) de noodklok over de legakkers in de Vinkeveense Plassen. Door hoge kosten aan onderhoud en door terugvallende subsidies is het recreatieschap Vinkeveense Plassen niet meer in staat de kwetsbare legakkers goed te onderhouden.

De provincie Utrecht werd gevraagd mee te denken over een oplossing voor dit probleem. Hiertoe is de Toekomstvisie Legakkers Vinkeveense Plassen opgesteld. Het doel van de visie is in de eerste plaats het behoud (van de waarden) van de legakkers. Uit de uitgevoerde studie in het kader van deze visie blijkt dat het effectiever is wanneer het eigendom van de legakkers bij particulieren wordt neergelegd. De gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen heeft in 2012 verzocht om samen met het recreatieschap de verkoop van legakkers aan particulieren te bevorderen, met de verplichting tot onderhoud en met de toezegging gereguleerde bebouwing toe te staan. De BelangenVereniging Vinkeveense Legakkers (BVVL) juicht dit toe en wil graag dat verruiming van de planologische mogelijkheden in een nieuw bestemmingsplan hand in hand gaat met het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Ook voor de Vinkeveense Plassen moet het bestemmingsplan worden herzien, los van de hierboven beschreven praktijken van bebouwing en bewoning. Gelet op de bijzonderheid en de specifieke problematiek in dit gebied bereidt de gemeente De Ronde Venen een afzonderlijk bestemmingsplan voor de Vinkeveense Plassen voor, het Bestemmingsplan Plassengebied.

Het plassengebied beslaat een belangrijk deel van de gemeente De Ronde Venen en het nieuwe bestemmingsplan en de ontwikkeling van de plassen is een belangrijk project voor de gemeente. Vragen die daarbij spelen zijn onder andere: hoe ver gaat de gemeente met de recreatieve ontwikkelingen op en rond de plassen, hoe moet worden omgegaan met het behoud en onderhoud van de legakkers en wat zijn de consequenties van de keuzes hierin? Daarnaast zoekt de gemeente vanuit het proces rond het opheffen van het recreatieschap Vinkeveense Plassen naar mogelijkheden om zaken anders te organiseren en extra inkomsten te genereren. En met ondernemers rond de Vinkeveense Plassen wordt gezocht naar de juiste positionering en profilering van het plassengebied, om zo een goede basis te hebben voor de promotie van het plassengebied. Keuzes in deze vraagstukken hangen met elkaar samen en kunnen elkaar versterken, of tegenwerken. Het is aan de gemeenteraad om de koers voor dit gebied te bepalen. Het plangebied voor dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1. Anders dan voor het MER, is in deze Passende Beoordeling de huidige feitelijke situatie als referentiesituatie gehanteerd, en niet de situatie die zou zijn ontstaan op basis van het vigerende bestemmingsplan.

Er is dus niet getoetst aan een fictieve aanwezigheid van flora en fauna, maar aan de actuele aanwezigheid van flora en fauna op basis van bestaande en beschikbare gegevens.

5

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Figuur 1. Plangebied bestemmingsplan Vinkeveense Plassen.

1.2

Doel van het document

In het kader van de vaststelling van bestemmingsplan door de gemeenteraad De Ronde Venen is een Plan MER opgesteld. In een eerder stadium is een Voortoets uitgevoerd in het kader van de (voormalige) Natuurbeschermingswet 1998 (opgenomen in M.e.r.-advies bestemmingsplan Plassengebied (Arcadis, 2015). Voor de vaststelling van het bestemmingsplan is gezien de mogelijke effecten op in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) tevens een Passende Beoordeling vereist. Dit document voorziet hierin. Deze Passende Beoordeling vormt de toetsing ter voldoening aan artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 1 Het doel van de Passende Beoordeling is om het bestemmingsplan te toetsen aan de Wet natuurbescherming (Wnb). De maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, vormen de grondslag voor de beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor bestemmingsplannen geldt dat in het bestemmingsplan voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden opgelegd waaronder Wnb-vergunningen voor de bijbehorende projecten2 kunnen worden verleend. Voorwaarde hiervoor is dat voor het plan een Passende Beoordeling is opgesteld waarin zekerheid is verkregen dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden.

Wanneer dit is aangetoond geldt 3 dat voor alle projecten binnen het bestemmingsplan een Wnb-vergunning is te verkrijgen als: a. het project voldoet aan de voorwaarden; b. de beoordeling op het moment van vergunningverlening nog actueel is en; c. het Bevoegd Gezag instemt met de Wnb-vergunning of bij het bestemmingsplan al heeft ingestemd met de voorwaarden. Zie voor een meer uitgebreide toelichting van het doel van de Passende Beoordeling ook hoofdstuk 2, hierin is uitgebreid beschreven wat het doel van de Passende Beoordeling is voor het bestemmingsplan.

1

Voorheen 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998

2 Artikel 5.6, lid 1 Wet natuurbescherming 3 Artikel

5.6, lid 3 Wet natuurbescherming, voorheen 19db, derde lid Natuurbeschermingswet 1998 6

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

1.3

Leeswijzer

Deze Passende Beoordeling is gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit is het kader wat centraal staat in de toetsing. Vervolgens zijn de volgende zaken beschreven om invulling te geven aan de gangbare toetsingspraktijk: • • • • •

•

•

Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader. Hoofdstuk 3 beschrijft het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 beschrijft de te beoordelen effecten en de reikwijdte van deze effecten. Hoofdstuk 5 beschrijft de huidige situatie. Hoofdstuk 6 beschrijft de effecten: hierbij gaat het om de effecten op kwalificerende en gevoelige natuurwaarden die zich binnen de reikwijdte van het effect bevinden. Deze effecten worden beschreven op basis van dosis-effectrelaties en waar mogelijk gekwantificeerd. Anders worden kwalitatieve beoordelingen uitgevoerd. Hoofdstuk 7 beschrijft de beoordeling van de effecten. Dit is de eigenlijke toetsing waarin wordt nagegaan wat het effect is op de instandhoudingsdoelstellingen: komt als gevolg van de bijdrage van het bestemmingsplan Vinkeveense Plassen het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in gevaar? En welke maatregelen zijn kader stellend voor het bestemmingsplan om het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden te waarborgen? Hoofdstuk 8 beschrijft de conclusies en aanbevelingen.

7

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

2

WETTELIJK KADER

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van deze Passende Beoordeling.

2.1

Wet natuurbescherming

Inhoud van de wet De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3) en houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4) en verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet gegeven.

Algemene bepalingen De Wnb schrijft een nationale en provinciale natuurvisie voor. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid op het gebied van natuur en natuurbescherming (art 1.5). De provinciale natuurvisies beschrijven het provinciale beleid op dit gebied (art 1.7). De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en soorten, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3). In het eerste hoofdstuk van de wet wordt ook ingegaan op de beschermingsmaatregelen waarvoor Gedeputeerde Staten van de provincies zorg moeten dragen (art 1.12, lid 1). Het gaat daarbij om: • de biotopen en leefgebieden van alle in Nederland voorkomende soorten vogels; • behoud en herstel van soorten, habitats en habitats van soorten van bijlage I, II, IV en V van de Habitatrichtlijn; • behoud en herstel van soorten die opgenomen zijn op de bij de natuurvisie horende rode lijst.

Beschermde gebieden De Wnb maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden. De Wnb noemt daarbij verschillende soorten gebieden. • • • •

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN): het samenhangende ecologische netwerk waarvoor de provincies (Gedeputeerde Staten) zorgdragen voor de totstandkoming en instandhouding (art 1.12, lid 2). “Bijzondere provinciale natuurgebieden” en “Bijzondere provinciale landschappen” zijn gebieden buiten het NNN aangewezen door Gedeputeerde Staten vanwege bijzondere natuurwaarden of landschappelijke en cultuurhistorische waarden (art 1.12, lid 3). Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die de Minister van Economische Zaken heeft aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 2.1, lid 1). “Bijzondere nationale natuurgebieden” zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen buiten bestaande Natura 2000-gebieden (art. 2.11, lid 1).

De Wnb kent alleen voor de Natura 2000-gebieden een toetsingskader. De bescherming van het NNN verloopt via het planologische spoor. Ten aanzien van de bescherming van bijzondere nationale en provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is in de Wnb geen regeling opgenomen. Provincies kunnen -wanneer zij een dergelijk gebied aan zouden wijzen- daarvoor zelf een regeling opstellen.

8

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Regels ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Op de aanwijzing of wijziging van de aanwijzing van gebieden is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het een wijziging van ondergeschikte aard is. Dit betekent dat deze besluiten openstaan voor bezwaar en beroep. Gedeputeerde Staten zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook -indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Daarnaast moet er voor ieder Natura 2000-gebied een beheerplan worden opgesteld. Plan, project of andere handeling? De Wnb maakt onderscheid in plannen, projecten en andere handelingen.

Het verschil tussen een plan enerzijds en project en andere handeling anderzijds is duidelijk: Een plan gaat over het voornemen tot het verrichten van een handeling of om het scheppen van een (planologisch) kader voor een toekomstige handeling. Een project of andere handeling gaat altijd om een daadwerkelijk uit te voeren handeling. Het verschil tussen een project en een andere handeling is lastiger. Kort gezegd komt het erop neer dat er sprake is van een project in geval van een “fysieke ingreep in het natuurlijk milieu” en dat “activiteiten waarbij geen sprake is van werken of ingrepen die de materiële toestand van een plaats veranderen”, niet kunnen worden aangemerkt als een project”. Bouw-, aanleg- of sloopwerkzaamheden zijn bijvoorbeeld wel projecten. Een activiteit waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van een bepaalde locatie, zonder dat deze locatie feitelijk wijzigt, kan niet als project worden aangemerkt. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) geoordeeld, toen een NB-vergunning voor het uitvoeren van strandexcursies met een strandbus aan de orde was, dat het een “andere handeling” betrof. Deze activiteit, net als bijvoorbeeld het openstellen van een reeds bestaande weg, kwalificeert niet als project. Ook het verlenen van toestemming om de exploitatie van een vliegveld voort te zetten is geen project.

Het verlengen van een starten landingsbaan van een vliegveld is dan wel weer een project. Beoordeling van plannen Een plan dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, mag door het betreffende bestuursorgaan pas worden vastgesteld nadat uit een Passende Beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.8 lid 1 en art 2.8 lid 3). Een uitzondering is een plan dat een herhaling of voortzetting is van een ander plan waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe Passende Beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen, mag het plan alleen worden vastgesteld wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een dwingende reden van groot openbaar belang wordt gediend en er compenserende maatregelen worden getroffen (de ADCtoets) (art 2.8 lid 4).

Wanneer er sprake is van significante gevolgen voor een prioritair habitat of prioritaire soort en de dwingende reden van groot openbaar belang is een reden van sociale of economische aard, dient in aanvulling op de ADC-toets door de minister van Economische Zaken een advies gevraagd te worden aan de Europese Commissie voordat het plan wordt vastgesteld (art 2.8 lid 5). De te nemen compenseren maatregelen moeten onderdeel uitmaken van het betreffende plan (art 2.8 lid 7). Een eventueel in te richten compensatiegebied dient de status van Natura 2000-gebied te krijgen (art 2.8 lid 8). Voorafgaand aan het vaststellen van een plan hoeft dus geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient het bestuursorgaan indien nodig middels een Passende Beoordeling de effecten op Natura 2000 te toetsen.

9

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

2.2

Programmatische Aanpak Stikstof

Al jarenlang vormt de hoge depositie van stikstof, afkomstig van landbouw, verkeer en industrie, een grote belemmering voor de besluitvorming rond projecten die stikstof emitteren. Het Rijk en de provincies hebben het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld, om deze impasse te doorbreken. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Essentie van het PAS is dat extra geïnvesteerd wordt in emissiebeperkende maatregelen in de landbouw en in het herstel van habitattypen en leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden. Een deel van de extra daling van de stikstofdepositie die hiermee wordt bereikt, kan opnieuw ingezet worden voor economische ontwikkeling (zogenaamde ontwikkelingsruimte), terwijl de herstelmaatregelen waarborgen dat de instandhoudingsdoelen voor de Natura 2000-gebieden worden gerealiseerd. De ontwikkelingsruimte, zolang in voldoende mate beschikbaar, kan op de volgende manieren worden toegekend (figuur 2): • • •

Projecten die een depositie veroorzaken van minder dan 1 mol/(ha×jr); deze projecten dienen te worden gemeld, ontwikkelingsruimte is in beginsel beschikbaar. Prioritaire projecten (segment 1), die in de Regeling PAS zijn genoemd. De ontwikkelingsruimte voor deze projecten is op voorhand gereserveerd; op basis hiervan kan een toestemming worden verleend. Dit is hier niet het geval. Overige projecten dienen een toestemmingsbesluit aan te vragen; hiervoor hoeft geen Passende Beoordeling meer gemaakt te worden. Dit is hier niet het geval.

Voor projecten met een depositie van minder dan 0,05 mol/(ha×jr) hoeft geen melding te worden gedaan noch is een vergunning vereist.

Figuur 2. Verdeling van depositieruimte onder de PAS.

10

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

3

BESTEMMINGSPLAN

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de ontwikkelingen in het kader van het bestemmingsplan nader beschreven. De uitgangspunten voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein worden per zone beschreven. Het belangrijkste item dat het nieuwe bestemmingsplan Plassengebied gaat regelen is de ontwikkelruimte voor bebouwing. In het MER zijn de mogelijke ontwikkelingsrichtingen voor het bestemmingsplan Plassengebied beschreven. Hiervoor is een indeling in deelgebieden gemaakt, die is gebaseerd op de diversiteit in gebiedskenmerken en kernwaarden van het plangebied. In het MER zijn eventuele minimale en maximale ontwikkelingsmogelijkheden beoordeeld, die in het nieuwe bestemmingsplan geboden zouden kunnen worden. Al deze ontwikkelvarianten zijn zo gekozen, dat ze vallen binnen de bandbreedte van de planologische ruimte. Deze varianten moeten afdekken waarbinnen een voorkeursalternatief (VKA) gekozen of samengesteld zou moeten worden voor de planologische ruimte. Bij het opstellen van deze Passende Beoordeling is nog geen VKA vastgesteld. Daarom is deze Passende Beoordeling gebaseerd op de maximale variant uit het MER, die eventueel ook kan worden geïmplementeerd in het nieuwe bestemmingsplan. Het uitgangspunt hierbij is, dat als uit de Passende Beoordeling blijkt dat de maximale variant niet leidt tot significant negatieve effecten, dit ook geldt voor alle andere varianten.

Wanneer blijkt dat er wel sprake is van significant negatieve effecten, wordt aangegeven welke mitigatie nodig is om deze alsnog te voorkomen.

3.2

Uitgangspunten bestemmingsplan

In een bestemmingsplan worden ruimtelijk relevante aspecten vastgelegd. Het gaat daarbij onder andere om bebouwd en onbebouwd gebied, percentage bebouwing, bouwhoogte, oppervlakte verharding, groen, natuur en toegestane functies. Deze aspecten zijn als uitgangspunten genomen bij het ontwikkelen van de varianten. Voor de overige aspecten, zoals hoe om te gaan met riolering, afval, beeldkwaliteit en handhaving kan/moet flankerend beleid opgesteld worden. Het water blijft in het hele plangebied openbaar toegankelijk. Het bestemmingsplan regelt niet de pleziervaart. Uit de resultaten van het voortraject van dit MER zijn onderstaande minimale en maximale varianten per deelgebied opgesteld (zie ook vorige paragraaf). De effecten van deze varianten op het plangebied worden nader onderzocht in voorliggend MER. Op basis van deze resultaten maakt de gemeenteraad een afweging en keuze voor de ontwikkelingsrichting van de verschillende deelgebieden binnen het plassengebied. Op de volgende pagina’s is de maximale variant per deelgebied weergegeven. Alvorens dit uit te werken, is het nodig enkele begrippen toe te lichten: • • • • •

Verblijfsrecreatie: het (kortdurend) verblijf van één of meerdere personen met overnachting die elders hun hoofdwoonverblijf hebben, waarbij in ieder geval geen sprake is van permanente bewoning. Dagrecreatie: een vorm van recreëren die zich beperkt tot één dag (zonder overnachting). Kamperen: openluchtrecreatie waarbij men meestal meerdere dagen in een tent, caravan, camper, tenthuisje of ander relatief eenvoudige recreatiewoning op een buitenterrein verblijft. Horeca: bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. Evenement: publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in (tijdelijke) onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze, recreatieve en/of sportieve of daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festivals, wedstrijden, bijeenkomsten en dergelijke, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

11

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

3.3

Varianten

Om deze potentiële ontwikkelingen beter te kunnen plaatsen, is gezocht naar een nadere gebiedsindeling. Hierbij is gekeken naar de verschillende beleidskaders, het (huidige) gebruik van het gebied, de wensen uit de omgeving, gebiedskenmerken/-kwaliteiten en het BRVT-onderzoek. In samenspraak met stakeholders, insprekers en de gemeenteraad is naar voren gekomen dat het plassengebied op grond van kwaliteiten en gebruik in te delen is in de volgende deelgebieden (figuur 3): • • • • •

Deelgebied A: Legakkers waar rioleringsvoorzieningen aanwezig is en waar voor een belangrijk deel al legale verblijfsrecreatie aanwezig is. Deelgebied B: Legakkers waar geen rioleringsvoorzieningen aanwezig zijn en die niet direct over land bereikbaar zijn. Deelgebied C: Legakkers nabij kwetsbare zones (nabij natuurgebieden). Deelgebied D: Zandeilanden en ingesloten wateren. Deelgebied X: Zuidplas, midden en oostelijk deel, Achterbos en gebied ten noorden van Noordplas: conserverend bestemmen.

Voor deze deelgebieden zijn varianten uitgewerkt die de basis vormen voor de ontwikkelingen die planologisch-juridisch vastgelegd kunnen worden in het bestemmingsplan.

Figuur 3. Indeling deelgebieden.

3.4

De te beoordelen maximale variant

Voor alle deelgebieden zijn in het MER een minimale en maximale variant beoordeeld. In deze Passende Beoordeling wordt uitsluitend de maximale variant beoordeeld (zie paragraaf 3.1). Vanuit de opgave van de gemeente is bepaald dat het gebied met de jachthavens, caravan- en bungalowparken aan de noordzijde 12

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

(op de kaart aangeduid met een ‘X’), conserverend bestemd zal worden, met daarin al bepaalde uitbreidingsmogelijkheden. Er wordt gericht op behoud van de huidige planologische situatie en er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegelaten. Als verdere ontwikkelingen gewenst zijn, dan moeten deze via een aparte ruimtelijke procedure geregeld worden. Ook het gebied ten zuiden van Achterbos wordt conserverend bestemd, en is daarom op de kaart aangeduid met een ‘X’. Deze beide deelgebieden zijn dan ook niet meegenomen in deze Passende Beoordeling.

3.4.1

Deelgebied A

Huidig gebruik • • • • •

Legakkers aangesloten op het vaste land (elektra, riolering en andere nutsvoorzieningen), soms met de auto bereikbaar. Veel grote parkeerplaatsen, waar de eigenaren van de legakkers hun auto stallen en te voet verder gaan (bij Achterbos en Herenweg). Vooral aan de westzijde veel stacaravans. Aan de oostkant diverse opstallen en vakantiewoningen Beplanting zeer cultuurlijk tot half natuurlijk; bij de vakantiehuizen coniferenhagen, terwijl de tuinen aan de oostzijde meer bomen en struiken bevatten.

Toekomstig gebruik • • • • •

% bebouwing per legakker: conform huidige BP, verdichting mogelijk maken, opschalen naar andere vormen van recreatie, bijvoorbeeld van caravans naar bungalows. Maximaal 25% van de legakker Maximale inhoud recreatiewoningen: 250 m3. Geen wijzigingen in maximale oppervlakte veranda, terras/verharding en hoogte gebouwen en bouwwerken. Maximale maat aanlegsteiger: verruimen mogelijkheden ten opzichte van huidige situatie: steiger mag langs gehele perceel. Zone onbebouwd: op koppen legakkers. Toegestane functies: uitgaan van huidige legale situatie en permanente bewoning en kamperen toestaan.

3.4.2

Deelgebied B

Huidig gebruik • • • • • • •

Grootste deelgebied in omvang en aantallen. Legakkers liggen los van het vaste land, meer op het water georiënteerd met een natuurlijkere uitstraling. Ontsluiting over het water, via een van de vele havens aan de buitenranden van de plassen. Bijna elk eiland heeft een aanmeersteiger of een invaarplek met boothuisje. Bebouwing verschilt per legakker: brede legakkers met grote vakantiewoningen, over het algemeen zijn het grote tuinschuren. Vermoedelijk worden deze akkers minder intensief gebruikt dan de akkers op deelgebied A. Legakkers hebben een natuurlijke uitstraling, vanwege de elzensingels tussen de kavels en veel bomen en struiken. Vermoedelijk wordt er ook minder gesnoeid omdat het lastig is om groen af te voeren.

Toekomstig gebruik • • • • • •

% bebouwing per legakker: maximaal 25% van de legakker én maximaal 40 m 2 per bouwwerk. Maximale oppervlakte bouwwerken (incl. veranda) 48 m2. Maximale oppervlakte terras/verharding: 15 m 2. Maximale hoogte bouwwerken: 3 meter goothoogte en 5 meter nokhoogte. Maximale maat aanlegsteiger: verruimen mogelijkheden ten opzichte van huidige situatie: steiger mag langs gehele perceel. Zone onbebouwd: op koppen legakkers. Toegestane functies: verblijfsrecreatie en kamperen.

3.4.3

Deelgebied C

Huidig gebruik 13

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

• • • •

Legakkers zijn grotendeels niet verbonden aan het vaste land, zeer smal en klein. Eilanden zijn wisselend bewoond; het lijkt dat in de zomer af en toe wordt gekampeerd. Enkele kleine eilandjes zijn zeer natuurlijk, met ruige opgaande beplanting. Legakkers met de meest natuurlijke uitstraling.

Toekomstig gebruik • • • • • • •

% bebouwing per legakker: maximaal 25% van de legakker én maximaal 40 m2 per bouwwerk. Maximale oppervlakte bouwwerken (incl. veranda): 48 m2. Maximale oppervlakte terras/verharding: 15 m2. Maximale hoogte bouwwerken3 meter goothoogte en 5 meter nokhoogte. Maximale maat aanlegsteiger: verruimen mogelijkheden ten opzichte van huidige situatie: steiger mag langs gehele perceel. Zone onbebouwd: op koppen legakkers. Toegestane functies: verblijfsrecreatie en kamperen.

3.4.4

Deelgebied D

Huidig gebruik • • • • •

De zandeilanden beschikken over aanlegvoorzieningen en diverse zwemplaatsen (vaarrecreatie). Aan de zandeilanden mag 3x24 uur worden afgemeerd. Eilanden 1/2 (Winkelpolder) en 4/5 via een vaste oeververbinding vanaf land bereikbaar (parkeervoorzieningen). Bij eiland 4 is een duikzone aanwezig. Zandeiland 9 is gedurende de zomermaanden gedeeltelijk ingericht voor groepskamperen. Op jaarbasis 100.000-200.000 unieke bezoekers (NBTC/NIPO Research, 17 maart 2016: Bezoek terreinen Utrechtse recreatieschappen 2014-2015).

Toekomstig gebruik • • •

• •

Flexibiliteit creëren en ontwikkelingen mogelijk maken: seizoenverlenging én winteractiviteiten mogelijk. Overal bebouwing toestaan met een maximum van 15% per zandeiland. Toegestane functies: grootschalige verblijfsrecreatie (waaronder huisjesparken, kamperen met voorzieningen, hotelfuncties, etc.) en grootschalige recreatieve functies (pretpark, waterpark, drijvende functies / bebouwing, etc.). Bebouwde voorzieningen ten behoeve van waterrecreatie. Evenementen / evenemententerrein. Uitgangspunt voor de maximale variant is een plus van ca. 50% bovenop het huidige gebruik van de zandeilanden. Op jaarbasis 200.000-300.000 unieke bezoekers.

Op basis van de volgende verkenningen/basisgegevens is een theoretische maximale invulling uitgewerkt voor deelgebied D (op basis marktverkenningen door het Recreatieschap Midden-Nederland, Cap Neuf en BRVT (2016-2017). De (mogelijke) invulling van de maximale variant en omvang, aantallen, periode zijn opgenomen in tabel 1.

14

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Tabel 1. Invulling van de maximale variant voor de zandeilanden aan de hand van omvang voorzieningen, bezoekersaantallen en realistische inschatting over het jaar (deelgebied D).

Eiland Mogelijke invulling maximale variant

1

Uitbundig geel: Spel & beleving, Intensief, Actie op het eiland, Evenementen, Festival / vistival, Groot restaurant, Waterspeeltuin.

2

Ondernemend paars: Sport & actie, Uren bezig, Op land en water, Duikbootjes, Waterskiën, Flyboarden, Vliegeren, Horeca, Watersportactiviteiten, Trainings/fitness apparaten, Stormbaan (referentie: Amsterdamse bos), Klimbos (deels betaald), Waterskiën aan lier (betaald), Trouw- of evenementenlocatie. Eiland blijft grotendeels openbaar.

3

Laten zoals het is, rustpunt tussen eiland 2 en 4. Huidige faciliteiten beperkt uitbreiden.

4

Stijlvol blauw en ingetogen aqua: Goede / chique horeca, Duikzone uitbreiden, Duikschool, duikwinkel en duikhotel, Hotel / lodges / tiny houses (o.a. voor duikers).

5

Uitbundig geel: Dagrecreatie, Strandhoreca, Westzijde: huisjes op palen, boten.

6 7

8

9

10 11 12

Stijlvol blauw en creatief rood: Private dining restaurant voor 40-60 mensen (geen massa), Opgehaald met boot, Zomer en wintervariant, Pop-up, Duikboottaxi, Exclusieve evenementen, Keukengebouw of aansluitingen, Luxe steigers. Creatief rood en uitbundig geel: Spelen, Aanleggen, Vissen, Kleine (dag)camping, Snack-horeca (mobiel), evenementen, Evenementen mogelijk van dance tot food/soeptruck/unplugged (tot 23.00 uur, xaantal geluidsdagen), Pendelboot. Uitbundig geel en stijlvol blauw: Kavels verkopen, Exclusieve accommodaties voor 6-8 personen, Pont of brug, Intensief (elders rustiger), Vakantiebungalows +, Verblijfsrecreatie, Kamperen. Uitbundig geel en ingetogen aqua: Landverbinding, Boten, Zeemanskroeg, Sloepen, Rust, Ontspanning, Yoga / mindfulness, Privé, Naturisme, Uitbreiden jachthaven, Kleinschalig overnachten, Retraite/burn-out eiland, Kanoën avontuurlijk.

Omvang, aantallen, periode Verviervoudiging van de huidige restaurantvoorzieningen (200 gasten op ieder moment). Bij een festival max. 1000 mensen per keer, max 6x per jaar. Overige voorzieningen samen max. 100 deelnemers. Periode ca. 6 mnd / jaar maximale invulling, door seizoensverlenging. De rest van het jaar low profile 50 mensen/dag. Max. 300 deelnemers op enig moment met kleinschalige horecavoorzieningen. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 25 mensen / dag.

Max. 100 bezoekers op enig moment. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 10 mensen/dag. Max. 200 deelnemers op enig moment met kleinschalige horecavoorzieningen. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 50 mensen/dag. Max. 300 mensen/dag. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 25 mensen/dag. Max. 100 mensen/dag per eiland. Periode ca. 6 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 25 mensen/dag.

Nieuwe restaurantvoorzieningen (200 gasten op ieder moment). Bij een festival max 1000 mensen per keer, max 6x per jaar. Overige voorzieningen samen max. 100 deelnemers. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 25 mensen/dag. Max. 70 accommodaties, max. 150 mensen/dag. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 25 mensen/dag.

Max. 50 mensen/dag. Periode ca. 3 mnd/jaar max en de rest van het jaar low profile 10 mensen/dag.

15

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

4

AFBAKENING EN STUDIEGEBIED

4.1

Inleiding

Het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied Botshol (figuur 4). Op grotere afstand liggen verschillende andere Natura 2000-gebieden waarop effecten mogelijk zijn: Naardermeer, Oostelijke Vechtplassen en Nieuwkoopse Plassen en De Haeck (circa 5 km afstand). Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand en effecten op deze gebieden zijn minder waarschijnlijk. In dit hoofdstuk worden de te beoordelen effecten beschreven en wordt beoordeeld hoe ver deze effecten reiken en welke effecten nadere beschrijving en beoordeling nodig hebben.

Figuur 4. Natura 2000-gebied Botshol (groen) grenzend aan het plassengebied. Bron: provincie Utrecht.

4.2

Te beoordelen effecten

De activiteiten als gevolg van het bestemmingsplan kunnen op verschillende manieren effect hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden. In deze paragraaf wordt uiteengezet welke effecten dit kunnen zijn. Hierbij worden effecten die zeker niet kunnen optreden op voorhand uitgesloten. In tabel 2 is aangegeven welke effecten mogelijk of niet optreden als gevolg van de activiteiten binnen het bestemmingsplan. De lijst van storingsfactoren is afkomstig van de Effectenindicator (website Ministerie van Economische Zaken).

16

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Tabel 2. Relevante veranderingen die optreden als gevolg van de activiteiten van het bestemmingsplan.

Effectgroep

Oppervlakteverlies en versnippering

Te beoordelen effecten omliggende Natura 2000gebieden? Nee

Verontreiniging

Nee

Verstoring door geluid

Ja: kleine modderkruiper en meervleermuis Ja: meervleermuis

Verstoring door licht

Verstoring door trilling

Nee

Verstoring door mechanische effecten

Nee

Verstoring door optische verstoring

Nee

Verzuring en vermesting

Ja: alle habitattypen

Toelichting

Binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden vindt geen ruimtebeslag plaats. Ecotoop- en biotoopverlies door ruimtebeslag is niet aan de orde, evenals versnippering in Natura 2000-gebieden. Effecten zijn uitgesloten. Door de ontwikkelingen die op basis van het bestemmingsplan mogelijk zijn, is er geen sprake van verontreiniging met verhoogde concentraties van stoffen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Effecten als gevolg van verontreiniging zijn uitgesloten. Verblijfsrecreatie en andere vormen van recreatie veroorzaken mogelijk geluidsverstoring. Ook de bouw van nieuwe voorzieningen kan leiden tot geluidsverstoring. Dit aspect wordt daarom behandeld in de effectbeoordeling. Verblijfsrecreatie en andere vormen van recreatie veroorzaken mogelijk lichtverstoring. Dit aspect wordt daarom behandeld in de effectbeoordeling. Bij de bouw van nieuwe voorzieningen kan verstoring door trilling plaatsvinden. Ook rotorbladen van motorboten kunnen verstoring door trilling veroorzaken. Dit speelt niet voor de meervleermuis (nachtactief; bouwactiviteiten niet ‘s nachts) en ook niet voor de kleine modderkruiper (achter kade/dijk in Botshol). Effecten zijn uitgesloten. Waterrecreatie leidt tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Dit speelt niet voor de kleine modderkruiper (achter kade/dijk in Botshol).

Effecten zijn uitgesloten. Recreatie leidt tot een verstoring als gevolg van beweging (optische prikkels). Dit speelt niet voor de meervleermuis (nachtactief) en ook niet voor de kleine modderkruiper (beweging in plangebied is niet zichtbaar achter kade/dijk in Botshol). Effecten zijn uitgesloten. Verschillende activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot emissie van onder andere stikstofoxiden (NOx). Het gaat hierbij om toename van (recreatie)verkeer naar de Vinkeveense Plassen. Dit kan de kwaliteit van daarvoor gevoelige habitattypen negatief beïnvloeden. Dit aspect wordt daarom behandeld in de effectbeoordeling.

Uit tabel 2 blijkt dat de volgende effecten kunnen optreden als gevolg van activiteiten van het bestemmingsplan: • •

Verstoring door licht en geluid. Verzuring en vermesting, als gevolg van emissies van (recreatie)verkeer.

In paragraaf 4.3 wordt van deze effecten de reikwijdte beschreven en wordt aangegeven welke Natura 2000gebieden binnen of buiten deze beïnvloedingszone vallen.

17

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

4.3

Reikwijdte effecten

4.3.1

Verstoring

Nieuwe voorzieningen In de deelgebieden A, B en C wordt door het bestemmingsplan de bouw van nieuwe kleinschalige verblijfsen recreatievoorzieningen (aanlegsteigers) mogelijk gemaakt. De aanlegfase kan gepaard gaan met verstoring door licht en geluid. Hetzelfde geldt voor de gebruiksfase. Dit geldt met name voor het aan Botshol grenzende deelgebied C. In de huidige situatie is echter ook al sprake van verblijfs- en recreatievoorzieningen in alle deelgebieden. Er is als gevolg van het plan derhalve sprake van een toename van verstoring door licht en geluid bovenop de al aanwezige verstoring. In deelgebied D is sprake van grootschaliger activiteiten (tabel 1). De effecten zullen sterker zijn met een grotere reikwijdte. Recreatie en verkeer De Vinkeveense Plassen vormen nu al een recreatieve trekpleister, wat door de ontwikkelingen in het bestemmingsplan zal worden vergroot. Het gaat in de deelgebieden A, B en C om kleinschalige verblijfsrecreatie en vaarrecreatie. In deelgebied D gaat het om grootschalige verblijfsrecreatie (huisjesparken, kamperen met voorzieningen, hotelfuncties, etc.) en grootschalige recreatieve functies (pretpark, waterpark, drijvende functies / bebouwing, etc.). Ook worden grootschalige evenementen op een te ontwikkelen evenemententerrein mogelijk gemaakt.

Recreatie kan leiden tot rustverstoring door productie van geluid, licht, trilling (rotorbladen van motorboten), mechanische effecten (golfslag) en optische verstoring. Als gevolg van de herinrichting en gebruik van het plangebied, neemt het aantal recreanten toe, van 100-200.000 unieke bezoekers op jaarbasis tot 200-300.000. Door toename van geluidbelasting als gevolg van verkeer en recreatieve effecten kan verstoring optreden van habitatsoorten in het gebied. De reikwijdte van verstoring door recreatie is maximaal enkele honderden meters. Effecten kunnen zowel overdag als ’s nachts optreden. Het aangrenzende Natura 2000-gebied Botshol kan hier effecten van ondervinden. De op meerdere kilometers afstand gelegen Natura 2000gebieden Naardermeer, Oostelijke Vechtplassen en Nieuwkoopse Plassen en De Haeck ondervinden hiervan geen effect, m.a.w. deze vallen niet binnen de reikwijdte van de verstoring door recreatie. Er zou wel een mogelijk effect kunnen zijn als de bezoekersstroom naar de Vinkeveense Plassen langs deze andere Natura 2000-gebieden loopt (verkeerswegen). Dit is niet het geval. De belangrijkste ontsluiting voor de Vinkeveense Plassen is afslag 4 van de langs de Vinkeveense Plassen gelegen A2, richting Vinkeveen. Via de Provinciale Weg rijdt autoverkeer verder via de Groenlandse Kade of de Herenweg en Zuwe en niet door of langs één van de genoemde gebieden.

4.3.2

Verzuring en vermesting

Als gevolg van de ontwikkeling van de Vinkeveense Plassen wordt een toename in de verkeersintensiteit van motorvoertuigen verwacht. Dit verkeer emitteert NOx en NH3 en kan daarom effecten hebben op de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Om zicht te krijgen op de verkeerstoenames en daarmee de emissie van stoffen bij invulling van het bestemmingsplan is het noodzakelijk om de omvang en invulling van de ontwikkelingen te kennen. Deze zijn echter in dit stadium van de planvorming alleen op hoofdlijnen omschreven. Dat maakt een concrete berekening van de verkeerseffecten niet mogelijk. Daarom is op basis van de globale omschrijvingen op basis van expert judgement een inschatting gedaan van de verkeerseffecten (binnen bandbreedtes). Er is gebruik gemaakt van de beschikbare informatie, vooral verkeerstellingen op diverse wegen in en rond het plangebied en een presentatie van Bureau Ruimte en Vrije Tijd (BRVT) inzake recreatieve ontwikkelingspotentie (Kleur bekennen in het Plassengebied, september 2015). De emissie van stikstof leidt tot de depositie van stikstof in omliggende gebieden. De stikstof kan zich over grote afstanden verspreiden en neerslaan in natuurgebieden die daar gevoelig voor zijn. Stikstofdepositie kan leiden tot vermesting en verzuring van habitats en is derhalve een negatief effect.

Op basis van de uitgevoerde berekeningen (paragraaf 6.3) zijn uitsluitend effecten te verwachten op Natura 2000-gebied Botshol. Dit gebied is nader beschreven in hoofdstuk 5.

18

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

5

HUIDIGE SITUATIE BOTSHOL

5.1

Algemeen

Botshol grenst aan de noordwestelijke zijde van het plassengebied. Het gedeelte dat onder het regime van Natura 2000 valt, beslaat circa 220 ha en ligt binnen het bestaande natuurgebied van bijna 300 ha. Botshol is een oud laagveen-verlandingsgebied met een belangrijk areaal water, onderdeel van het HollandsUtrechts veenweidegebied. Het gebied bestaat uit twee grote plassen (Grote en Kleine Wije) en een moerasgebied met veenmosrietland, broekbos en watergangen. Dit leefgebied is vanwege de bijzondere leefomstandigheden van groot belang voor het voorkomen van (bedreigde) planten en dieren, waardoor het op Europees niveau is aangewezen om deze soorten te behouden. Het is een complex van ondiepe plassen met legakkers en eilanden. In de plassen met een gemiddelde diepte van 1,5 meter komen daardoor onder meer kranswierwateren voor. Verder bestaat het gebied uit ruigten, moerassen, galigaanmoerassen, blauwgraslanden en veenmosrietland. Tijdens de oorspronkelijke veenvorming is het gebied als gevolg van kalkhoudende afzettingen in de grond en klei steeds beïnvloed geweest door een unieke hoge basenrijkdom (harder mineraalrijker water). Na de vervening heeft door de verlanding een langzaam transitieproces van veenplassen naar veenbossen, in enigszins brak water, plaatsgevonden. Het Natura 2000-gebied is onder meer belangrijk voor het habitattype galigaanmoerassen.

Botshol is daarnaast een van de belangrijkste groeiplaatsen van kranswiervegetatie in Nederland. De vegetatie bestaat hoofdzakelijk uit rietland, bos en struweel, waarbij de ruigten galigaanvegetatie en kranswierbegroeiingen van internationaal belang zijn. De natuurlijke waarden van Botshol zijn vooral gerelateerd aan het watersysteem van het gebied. Van oudsher is de Botshol licht brak, dit betekent dat veel waterplanten die in andere laagveenmoerassen algemeen zijn hier vrij zeldzaam zijn zoals krabbenscheer, kikkerbeet en groot blaasjeskruid. Hier en daar groeien schedefonteinkruid, tenger fonteinkruid en doorgroeid fonteinkruid, meestal gemengd met kranswieren of krabbenscheren. In de open wateren komen onder meer de vissoorten bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad voor. Al deze soorten zijn, zover bekend, schaars in het gebied. Door de unieke aanwezigheid van krabbenscheer loopt de verlanding in Botshol anders dan in andere laagveengebieden. De oeverzones worden doorgaans gedomineerd door grote grasachtigen waarbij de meest bijzondere oeverbegroeiingen die met galigaan zijn, deze begroeiingen vormen dan ook een eigen habitattype (H7210). De galigaangemeenschap komt vooral voor langs de oevers van de Grote en Kleine Weije en vormt een van de belangrijkste begroeiingen van dit habitattype in de Nederlandse laagveenmoerassen.

Op de legakkers en vastgelegde kraggen heeft zich in de Botshol een ruigte ontwikkeld, die behoort tot de associatie Valeriano-Filipenduletum (H6430). In de afgelopen decennia is het habitattype blauwgrasland (H6410) hard achteruitgegaan, het habitattype is aanwezig op voormalige legakkers. De veenmosrietlanden (H7140) in de Botshol zijn niet bijzonder soortenrijk en net als bij de blauwgraslanden zijn hieruit veel bijzonderheden verdwenen. De veenmosrietlanden beslaan nog wel een grote oppervlakte. Botshol is daarmee een van de laagveengebieden waar de achteruitgang van bijzondere natuurwaarden het hardst heeft toegeslagen. De sterke achteruitgang van de blauwgraslanden en veenmosrietlanden heeft ook zijn weerslag gehad op de fauna. Al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn moerasparelmoervlinder en zilveren maan niet meer waargenomen. Een interessante ontwikkeling in de broekbossen en rietlanden is dat plaatselijk veenvorming optreedt, vanwege deze hoogveenontwikkeling is Botshol ook aangewezen voor veenbossen (H91D0). Botshol heeft voor moerasvogels de laatste jaren juist aan belang gewonnen. Zo zijn flinke populaties van rietzanger en snor aanwezig. Begin jaren negentig van de vorige eeuw vestigde zich de aalscholver en de lepelaar. In de kolonie lepelaars broeden sinds 2001 ook enkele paren heilige ibis.

Een echte kranswiereter, de krooneend, heeft met enkele broedparen een kleine populatie in Botshol. De aantallen fluctueren sterk in samenhang met de omvang van de kranswierbegroeiingen. De populatie krooneenden sluit aan op de veel grotere populatie van de Vinkeveense Plassen. In 2016 is het ontwerp-beheerplan Natura 2000-gebied Botshol (Provincie Utrecht, 2016) in procedure gegaan. Dit is medio 2017 nog niet formeel vastgesteld.

19

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

5.2

Kwalificerende habitats en soorten

Tabel 3 geeft een overzicht van de kwalificerende habitats en soorten en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Naast een aantal habitattypen van laagveenmoerassen, worden in het gebied kleine modderkruiper en meervleermuis beschermd. In het aanwijzingsbesluit zijn de concrete instandhoudingsdoelen per habitattype en soort opgenomen. Daarbij is ook aangegeven of het doel gericht is op behoud van de bestaande situatie of op verbetering van de situatie, zowel qua kwaliteit als qua oppervlakte. Tabel 3. Habitattypen en habitatsoorten en doelstellingen voor Natura 2000-gebied Botshol. SvI: ++ zeer gunstig, + gunstig, - ongunstig, -- zeer ongunstig; doelstellingen: = behoud; > uitbreiding, verbetering; relatieve bijdrage: + gemiddelde bijdrage landelijk (2-15% in het gebied); - geringe bijdrage landelijk (< 2% in het gebied). * = Prioritair habitattype.

EU-code

Habitattypen

Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Landelijk

Bijdrage gebied aan landelijks SvI

H3140

Kranswierwateren

=

=

--

+

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

=

=

-

+

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

=

=

+

+

H7140B

Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

>

>

-

+

H7210

*Galigaanmoerassen

>

=

-

+

H91D0

*Hoogveenbossen

=

=

-

+

EU-code

Habitatsoorten

Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Doelst. Pop.

SVI Landelijk

Relatieve bijdrage landelijk

H1149

Kleine modderkruiper

=

=

=

+

-

H1318

Meervleermuis

=

=

=

-

-

SVI

N.B. In 2008 heeft de minister van het toenmalige ministerie van LNV het ontwerp aanwijzingsbesluit (2008) voor Botshol gepubliceerd, waarin de doelen voor het gebied zijn geformuleerd. Nadien hebben een aantal wijzigingen plaatsgevonden. Op basis van de habitattypeninventarisatie in 2009 bleek de vegetatie waarvan gedacht werd dat het H6410 Blauwgrasland was, daarvoor niet te kwalificeren. Wel werd de aanwezigheid van H91D0 Hoogveenbossen vastgesteld. Daarnaast is Botshol niet meer aangewezen voor H6510 Glanshaverhooilanden, H1134 Bittervoorn, H1163 Rivierdonderpad en de complementaire doelen A097 Zwarte stern en A292 Snor. De definitief aangewezen doelen zijn het vertrekpunt voor deze Passende Beoordeling. Het definitieve aanwijzingsbesluit is in 2013 vastgesteld (Ministerie van Economische Zaken, 2013). Ook in het ontwerp-beheerplan zijn deze geschrapte doelstellingen niet opgenomen (Provincie Utrecht, 2016).

5.3

Knelpunten t.a.v. bereiken instandhoudingsdoelstellingen

In het ontwerp-Natura 2000 beheerplan Botshol (Provincie Utrecht, 2016) is aangegeven dat er voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen ruigten en zomen (moerasspirea) en hoogveenbossen en voor de meervleermuis geen knelpunten zijn. Voor het behalen van de overige instandhoudingsdoelstellingen zijn de volgende kansen en knelpunten aangegeven (waar het ontwerpbeheerplan in voorziet): 20

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

• • • • •

Kranswierwateren: recente (tijdelijke) toename (onder de norm) door plaggen; fosfaat (ganzen) is nu geen knelpunt, maar het gehalte varieert wat een niet stabiel systeem indiceert. Meren krabbenscheer fonteinkruiden: knelpunten zijn verlanding, chloride, bemesting. Oppervlakte krabbenscheer neemt af, maar door verbetering waterkwaliteit is herstel kansrijk. Overgangs- en trilvenen; veenmosrietlanden: knelpunten zijn atmosferische depositie van stikstof, het waterpeil en de waterkwaliteit, de ontwikkeling van nieuwe veenmosrietlanden en het beheer van de huidige. Galigaanmoerassen: hiervoor is een natuurlijker peilbeheer vereist. Ganzen eten uitlopers op, wat de groei van galigaan belemmert. Zout polderwater uit de Waver is ongunstig voor galigaangroei. Ondanks deze knelpunten gedijt galigaan goed in Botshol. Kleine modderkruiper: knelpunt is te zilt water, wat het voorkomen van de soort beperkt.

Alle aanwezige habitattypen in Botshol zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring en vermesting. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied, op basis van het bestemmingsplan, kan een extra effect ontstaan. Uitsluitend hoogveenbossen zijn niet gevoelig voor verzuring. Ook door extra verstoring door licht en geluid als gevolg van de ontwikkelingen in het bestemmingsplan kunnen extra effecten ontstaan op in het Natura 2000-gebied voorkomende diersoorten.

5.4

Aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden

5.4.1

Habitattypen

Figuur 5 geeft de verspreiding van de habitattypen in het Natura 2000-gebied Botshol weer. Grenzend aan de Vinkeveense Plassen zijn kleine oppervlaktes van de habitattypen Kranswierwateren en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en Galigaanmoerassen aanwezig. Deze drie habitattypen liggen op de oevers rondom de plas Grote Wije. Kranswierwateren hebben hierbij de grootste verspreiding. Deze drie habitattypen komen elders in Botshol nauwelijks voor. De habitattypen Ruigten en zomen (moerasspirea), Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) en Hoogveenbossen liggen op wat grotere afstand van de Vinkeveense Plassen, in het westelijke deel van Botshol.

21

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

Figuur 5. Habitattypenkaart Botshol (bron: Natura 2000 gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), Botshol (083) (provincie Utrecht, 2015)).

22

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

5.4.2

Kleine modderkruiper

Kleine modderkruipers worden aangetroffen in stilstaand tot zwak stromend helder water. In het veenweidegebied wordt de soort in bredere sloten gevonden, waar ze algemeen is. De kleine modderkruiper is aangepast aan een leven op en in de zachte modderbodem. Deze vissen kunnen in relatief zuurstofarme situaties overleven. Echter, wanneer zich in te zuurstofarme situaties maar weinig macrofauna en waterplanten kunnen handhaven wordt, omdat het dan aan voedsel ontbreekt, de situatie voor de kleine modderkruiper onleefbaar. Ook is ze gevoelig voor verzilting (Provincie Utrecht, 2016). De kleine modderkruiper verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De soort komt in Nederland algemeen en wijdverspreid voor. Ook in het Utrechtse veenweidegebied is deze soort een algemene soort. In Botshol komt de soort slechts in lage aantallen voor en wordt alleen geregeld gevangen in de plas rondom Fort Botshol. Een trend is daarom niet bekend. De reden dat de kleine modderkruiper slechts beperkt voorkomt binnen Botshol, ondanks dat het lijkt dat er veel geschikt leefgebied aanwezig is, is dat het water te zilt is (Provincie Utrecht, 2016). De doelstelling voor deze soort is behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor de aanwezige populatie. De landelijke bijdrage van Botshol aan de populatie van de soort is gering (< 2%).

De verwachting is dat de huidige stand in de plas nabij Fort Botshol behouden blijft (Provincie Utrecht, 2016). Figuur 6 laat de waarnemingen van de kleine modderkruiper zien in de omgeving van het plangebied. Er zijn geen waarnemingen in het plangebied zelf; wel in Natura 2000-gebied Botshol, maar relatief weinig. De meeste waarnemingen zijn bekend uit het gebied ten oosten van de A2. De soort komt vooral voor in poldersloten, weinig in plassen.

Figuur 6. Waarnemingen van de kleine modderkruiper in de periode 01-01-2007 t/m 12-9-2017. Gegevens zijn afkomstig uit de NDFF (d.d. 12-9-2017).

5.4.3

Meervleermuis

Het zomerleefgebied van de meervleermuis bestaat uit een grootschalig, aaneengesloten, waterrijk gebied met groot open water in de vorm van meren en plassen, afgewisseld met vochtige weidegebieden. Elke kolonie meervleermuizen gebruikt een netwerk van verblijfplaatsen, jachtgebieden en verbindingsroutes. Voedsel wordt vooral boven het open water gevonden. Goede jachtgebieden zijn niet vervuilde, vrij voedselrijke, maar niet vermeste grotere open wateren met helder water. De plassen hebben meestal boomloze oevers maar er is wel beschutting beschikbaar in de vorm van rietzomen. Meervleermuizen gebruiken vaste veilige routes langs lijnvormig water met een goed ontwikkelde oevervegetatie, maar soms ook heggen en houtwallen om van de kolonie naar het voedselgebied te vliegen. In de winter trekt de 23

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

meervleermuis naar overwinteringslocaties in grotten en bunkers, die zo’n twee tot driehonderd kilometer verder kunnen liggen (Provincie Utrecht, 2016). Botshol fungeert als foerageergebied van meervleermuizen die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius tot 20 km). Dit betreft onder meer omvangrijke kraamkolonies in Uithoorn en Vinkeveen met meer dan 100 dieren per kolonie. Daarnaast zijn er verblijfplaatsen van enkele dieren in Ouderkerk aan de Amstel en Abcoude. Enkele belangrijke vliegroutes naar Botshol lopen via de Oude Waver, Bullewijk, Waver en Angstel (Provincie Utrecht, 2016). De doelstelling voor deze soort is behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor de aanwezige populatie. De landelijke bijdrage van Botshol aan de populatie van de soort is gering (< 2%). De verwachting is dat de huidige stand in de plas nabij Fort Botshol behouden blijft (Ontwerp-beheerplan). De verwachting is dat de huidige populatie in het gebied behouden blijft (Provincie Utrecht, 2016). Figuur 7 laat de waarnemingen van de meervleermuis zien van de laatste 10 jaar in de omgeving van het plangebied (links). De waarnemingen in het Natura 2000-gebied Botshol zijn uitsluitend afkomstig uit 1992. Daarna is in het gebied niet meer geïnventariseerd op vleermuizen, het huidige voorkomen is derhalve onbekend.

Er zijn vooral recente waarnemingen langs de Waver, die als vliegroute wordt gebruikt door meervleermuizen van verblijfplaatsen in dorpen langs de Amstel die waarschijnlijk (want niet aangetoond) in Botshol foerageren.

Figuur 7. Links: waarnemingen van de meervleermuis in de periode 01-01-2007 t/m 12-9-2017. Rechts: waarnemingen van de meervleermuis vanaf 1900. Gegevens zijn afkomstig uit de NDFF (d.d. 12-9-2017). Betekenis kleuren: groen = exacte locatie, oranje = 1 km-hok, rood = 5 km-hok).

24

PASSENDE BEOORDELING BESTEMMINGSPLAN PLASSENGEBIED

6

EFFECTBESCHRIJVING

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving van de effecten gegeven. Het effect is afhankelijk van de reikwijdte van de relevante effecten en de aanwezigheid van kwalificerende habitattypen en soorten binnen de reikwijdte van het effect. In hoofdstuk 4 is beschreven welke effecten relevant zijn en dat de effecten zich beperken tot het Natura 2000-gebied Botshol.

6.2

Verstoring

De Habitatrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied Botshol zijn gevoelig voor de effecten van verstoring. Door toename van geluidbelasting als gevolg van verkeer en recreatieve effecten kan verstoring optreden van habitatsoorten in het gebied. Daarnaast is de meervleermuis gevoelig voor lichtverstoring.

6.2.1

Kleine modderkruiper

Geluid (onderwater) De kleine modderkruiper is gevoelig voor verstoring door onderwatergeluid (effectenindicator LNV). Het voorkeursbiotoop van de kleine modderkruiper bestaat uit sloten en vaarten. De verspreiding van de soort in deze biotopen in de omgeving is ook groter dan in het plassengebied. De plassen in Botshol vormen feitelijk een marginaal biotoop, met name het oostelijke aan de Vinkeveense Plassen grenzende deel. Het belang van het gebied voor de staat van instandhouding van de soort is gering (< 2% van de landelijke populatie). Onderwatergeluid veroorzaakt in de Vinkeveense Plassen bereikt bovendien niet het open water van Botshol, als gevolg van dempende werking van de tussenliggende dijk/dam. Er is derhalve geen effect op de populatie in Botshol te verwachten.

6.2.2

Meervleermuis

Geluid Vleermuizen zijn gevoelig voor geluidsverstoring (effectenindicator LNV). Veranderingen in geluidsbelasting in de deelgebieden A, B en D als gevolg van uitbreiding van toename van bebouwing en gebruik hebben gezien de afstand geen effect op de foerageerfunctie in Botshol. In de maximale variant in deelgebied C is sprake van toename van bebouwing en gebruik van legakkers. Een gering effect van geluidsverstoring op de foerageerfunctie in Botshol is niet uitgesloten. Dit effect beperkt zich dan met name tot de oostkant van het gebied. In het overgrote deel van het gebied zal de foerageerfunctie echter niet afnemen. Geluid van grootschalige evenementen in deelgebied C reikt verder dan van bebouwing en gebruik; effecten hiervan op de foerageerfunctie in Botshol kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De evenementen duren echter één dag of hooguit enkele dagen. Meervleermuizen uit de verblijfplaatsen langs de Amstel zijn niet uitsluitend afhankelijk van Botshol als foerageergebied. Mochten zij in het Natura 2000-gebied hinder ondervinden van geluid, dan is er voldoende foerageergebied in de omgeving om één of enkele nachten elders te foerageren. Meervleermuizen hebben een grote range qua foerageergebied (tientallen kilometers). Zij zullen daarom mogelijk ook op de Vinkeveense Plassen foerageren, hoewel hiervan geen waarnemingen bekend zijn.

Door geluidsbelasting op de Vinkeveense Plassen zullen hier foeragerende dieren hun foerageerroute op de plassen mogelijk deels verleggen, of wanneer de geluidsbelasting optreedt (deze is in het donker niet continu, er zijn ook stille delen van de nacht) tijdelijk bepaalde foerageerlocaties mijden. Er is derhalve hooguit sprake van een tijdelijk en lokaal effect op de foerageerfunctie van Botshol voor de meervleermuis in het aan de Vinkeveense Plassen grenzende deel, dit is niet significant. In het centrale en westelijke deel is er geen effect.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14930838/1