CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting Rijksstraatweg 155, Baambrugge

Politieke commissie 10 april 2024, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge14.904 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in een gebied waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt voor dit plan uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling hinder ondervindt van de bestaande functies in de omgeving. Woningen worden in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functies. Hierna wordt toegelicht welke milieubelastende functies zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Opgemerkt wordt dat voor veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Adres

Functie

Milieucategorie

Rijksstraatweg 248

Bedrijf (detailhandel volumineuze goederen) Grondgebonden veehouderij Grondgebonden veehouderij

3.1

Donkervlietse Binnenweg 12-13 Rijksstraatweg 139

3.2 3.2

Grootste richtafstand (m.u.v. geur) 50 meter

Afstand tot plangebied

30 meter (stof en geluid) 30 meter (stof en geluid)

240 meter

60 meter

280 meter

Op basis van vorenstaande tabel blijkt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan en wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende milieubelastende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig waar op basis van het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Abcoude Buitengebied” een grondgebonden veehouderij is toegestaan. De dichtstbijzijnde veehouderij is in voorliggend geval het agrarisch bedrijf gelegen aan de Donkervlietse Binnenweg 12-13. Zoals reeds aangegeven in subparagraaf 5.5.3.2 ligt dit agrarisch bedrijfsperceel op een afstand van 240 meter van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de in de Wgv opgenomen vaste afstand van 50 meter. Gelet op het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt nabijgelegen agrarisch bedrijfspercelen niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden beperkt. 5.6.3

Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Oostelijke Vechtplassen) ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er door BJZ.nu een zogenaamde AERIUSberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j in zowel de aanleg- als gebruiksfase.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project voldoet aan de voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het meest nabij gelegen NNN-gebied ligt op circa 30 meter afstand. Dit betreft een relatief korte afstand. In voorliggend geval is echter sprake van een ontwikkeling op een bestaand erf. De ontwikkeling legt dan ook geen extra ruimtebeslag op onbebouwde grond in- of nabij NNN-gebied aangezien het bestaande erf niet wordt uitgebreid. Daarnaast wordt er een woonfunctie gerealiseerd. Dit betreft een kleinschalige ontwikkeling die geen nadelige gevolgen voor omliggende natuurwaarden met zich meebrengt. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNN niet negatief beïnvloedt. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.3.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er door Ecofect een quickscan flora/fauna uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 5 opgenomen, hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Onderzoeksresultaten De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ingrepen. De te slopen bedrijfsbebouwing wordt niet geschikt geacht als vaste rust- of verblijfsplaats voor beschermde soorten. Verder vindt er geen bomenkap plaats. Het aspect ‘soortenbescherming’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld 5.7.4

Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft tevens geen significant negatieve effecten op Natura 2000-geieden of het Natuurnetwerk Nederland.

5.8

Archeologie

5.8.1

Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.2

Situatie plangebied

De gemeente de Ronde Venen heeft het archeologische beleid doorvertaald door middel van dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Op basis van het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op basis van de bouwregels van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 100 m². Deze grenzen worden overschreden in voorliggende ontwikkeling. In voorliggend geval is door Laagland een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Voor het volledige archeologische onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Er is een overwegend intacte bodemopbouw aangetroffen die in de meeste gevallen onder een verharding en puinlagen ligt. Waar de nieuwe woning gerealiseerd gaat worden ligt de natuurlijke ondergrond (het potentiële archeologische niveau) op een zodanige diepte, dat deze zeker onder de aanlegdiepte van de funderingsstroken/-balken ligt. De waarschijnlijk benodigde funderingspalen zorgen voor enige verstoring, maar deze is zo relatief klein dat de informatiewaarde van eventuele vindplaatsen niet verloren zal gaan. Een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk in het kader van de voorliggende ontwikkeling.

Gezien de intacte bodem op een groot deel van de locatie wordt de archeologische dubbelbestemming wel behouden. 5.8.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Cultuurhistorie

5.9.1

Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.9.2

Situatie plangebied

De bestaande woning aan de Rijksstraatweg 155 is een Rijksmonument. Op basis van het geldende bestemmingsplan is ter plaatse van de woning de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ opgenomen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling blijft de woning aan de Rijksstraatweg 155 behouden en in gebruik genomen als reguliere woning. De te slopen voormalige agrarische bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. Gedurende de sloop van de agrarische bebouwing en de bouw van de nieuwe woning wordt rekening gehouden met het Rijksmonument en de karakteristieke waarden. 5.9.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.10

Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld 5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Uit de uitvoerde AERIUS-berekening is reeds gebleken dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 5.7.2.1 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van Afdeling 2.3 van de Wet natuurbescherming wordt in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.

Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling is (zeer) kleinschalig. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de erfopzet aan de Rijksstraatweg. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

Desalniettemin is er in het kader van de voorliggende ontwikkeling een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld. Voor de volledige aanmeldnotitie wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. 5.10.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3

Provinciaal beleid

De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •

Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. • Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. • Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. • Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • Focus op 4 prioriteiten • Werken vanuit 6 basiskwaliteiten De vier prioriteiten zijn: • Waterveiligheid en wateroverlast • Schoon en voldoende oppervlaktewater • Ondergrond • Leefkwaliteit stedelijk gebied De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 6.1.4

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Het Waterbeheerprogramma Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027 legt vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Samen met inwoners van het beheergebied, collega overheden, bedrijven en andere belanghebbenden wil het waterschap samen werken aan een toekomstbestendig waterbeheer in haar beheergebied. Het gaat hierbij onder andere om de bescherming tegen overstromingen, het vasthouden van water voor perioden van schaarste en in voldoende mate voorzien van schoon water. de rode draad in het waterbeheerprogramma ligt op samen werken aan een toekomstbestendig watersysteem. AGV doet dit vanuit: •

• •

De wettelijke taken van het waterschap om te zorgen voor waterveiligheid, voldoende water, gezond water en gezuiverd afvalwater en de maatschappelijke taken voor recreatie, cultuurhistorie en varen. Het besef dat de wereld snel verandert en de urgentie groot is om nú te handelen, om op tijd een toekomstbestendig watersysteem te hebben. De overtuiging dat een toekomstbestendig watersysteem alleen mogelijk is, als samen wordt opgetrokken met de maatschappelijke partners.

Waterveiligheid In de planperiode richten de maatregelen van AGV zich op het voorkomen van overstromingen en het beperken van de gevolgen van een overstroming. Daarbij hanteert het waterschap een risicogestuurde watersysteembenadering: het waterschap bekijkt de dijken en overstromingsrisico’s in samenhang met het watersysteem, de omgeving en de kans op wateroverlast. Het waterschap vraagt nadrukkelijk aandacht voor waterveiligheid in de ruimtelijke inrichting van het gebied. Voldoende water In de planperiode richten de maatregelen van AGV zich op het op orde houden van het polder-, boezem- en grondwatersysteem, in samenwerking met andere betrokkenen, ook met het oog op klimaatverandering en goede waterkwaliteit en het feit dat het huidige watersysteem zijn grenzen bereikt. Het waterschap doet dit door samen te werken met andere waterbeheerders in het optimaliseren van het boezemsysteem, door een gebiedsgerichte aanpak in de polders (watergebiedsplannen), door actief in te zetten op het remmen van bodemdaling, door aandacht te vragen voor het watersysteem bij de ruimtelijke inrichting van het gebied en door meer samenwerking te zoeken in het grondwaterbeheer. Gezond water In de planperiode richten de maatregelen van AGV zich op het realiseren van een goede ecologische kwaliteit en een grote biodiversiteit.

Dit doet het waterschap door het uitvoeren van maatregelen in 41 wateren met de status ‘KRW-waterlichaam’ onder de Europese Kaderrichtlijn Water. Ook in de ‘overige wateren’ voert het waterschap maatregelen uit. Het waterschap heeft aandacht voor waterkwaliteit en ecologie bij alles wat het waterschap doet, vanuit een biodiversiteitsherstelplan. Het waterschap werkt nauw samen met andere partijen en vragen aandacht voor waterkwaliteit bij ruimtelijke plannen. Gezuiverd water In de planperiode richten de maatregelen van AGV zich op schoon effluent uit de zuiveringsinstallaties, duurzaam en veilig verwerken van reststoffen uit afvalwater en zoveel mogelijk nuttig hergebruiken van vrijkomende stoffen en energie. Dat doet het waterschap door het afvalwatersysteem te optimaliseren op basis van data en prognoses en door voor te sorteren op klimaatverandering. Het waterschap zet extra in op verwijderen van microverontreinigingen en nutriënten en het waterschap doet onderzoek naar terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater. Zuiveringsslib verwerkt het waterschap zo duurzaam mogelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld Cultuurhistorie en recreatie In de planperiode richten de maatregelen van AGV zich op het onderhouden en toegankelijk maken van het watererfgoed, het faciliteren van recreatie op en om het water in goede balans is met de natuurdoelen en het zorgen voor een goed onderhouden en veilig vaarwegennet. Keur AGV en legger In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: • schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren • sterke dijken tegen overstromingen • gezonde waterplanten en vissen De Keur gaat kortom over het gebruik en onderhoud van water, oevers en dijken. En welke middelen het waterschap heeft om zijn werk goed te doen. Op grond van artikel 2.3 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur verhard oppervlak uit te breiden met een door het bestuur bij besluit te bepalen oppervlak. In de legger staat wie op welke plek verantwoordelijk is voor onderhoud. Dat kan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn. Maar ook een ander waterschap, de provincie of een boer met akkers langs het water. De legger is voor het waterschap een belangrijk document. Het waterschap gebruikt de legger ook bij het geven van een vergunning. De legger maken we onder andere op basis van de Keur.

In de Keur staan de regels van het waterschap voor dijken en het water.

6.2

Watertoets

6.2.1

Algemeen

De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. 6.2.2

Situatie plangebied

De Watertoets is aangevraagd via de website van waterschap Amstel Gooi en Vecht. Vooroverleg heeft via mailcontact plaatsgevonden. Aangezien er niet gesloopt of gebouwd wordt in de zonering van de waterkering en er geen toename aan verharding plaatsvindt als gevolg van de ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat de ontwikkeling niet vergunningplichtig is op basis van de Keur AGV 2019. Hierna wordt op de relevante thema’s ingegaan. Waterkwantiteit Op basis van artikel 2.3 van de Keur geldt een vergunningplicht bij het toevoegen van verhard oppervlak. Onder de 1.000 m2 verharding geldt enkel een zorgplicht. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van 1.000 m2 aan verhard oppervlak of meer. Het huidige terrein is immers nagenoeg al volledig verhard. De ontwikkeling is daarmee niet vergunningplichtig. Waterkwaliteit en waterafvoer De hemelwaterafvoer zal worden afgekoppeld van de afvalwaterafvoer. Daarnaast wordt onderzocht of het afvalwater aangesloten kan worden op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Hemelwater wordt waar mogelijk eerst vastgehouden in het gebied voordat het wordt afgevoerd. Er is voldoende ruimte binnen het plangebied beschikbaar om hierin te voorzien. Beschermde gebieden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld Het plangebied is niet in of binnen een beschermingszone van een (primaire) waterkering of watergang gelegen. Grondwaternorm In het Gemeentelijk Rioleringsplan Planperiode 2018-2022 is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld: • •

woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm; woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.

Bij de onderhavige ontwikkeling wordt met deze normen rekening gehouden. Afvalwaterketen en riolering Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, om te zorgen dat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •

hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Klimaatadaptatie De ontwikkeling draagt bij aan klimaatadaptatie door de afname van het verhard oppervlak en de landschappelijke inpassing binnen het plangebied. Het realiseren van de landschapsmaatregelen en het creëren van ruimte voor tuin en erf met groenvoorzieningen zorgt heeft een positieve werking in het kader van hittestress. Doordat er meer groen wordt gecreëerd wordt binnen het plangebied kan hemelwater langer vastgehouden, wat een positieve werking heeft in het kader van droogte. Door de afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied heeft de ontwikkeling ook een positieve werking in het kader van wateroverlast. 6.2.3

Conclusie

Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding binnen en rondom het plangebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •

Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld •

•

•

•

•

7.2.4

Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Nadere eisen: In deze regels is de mogelijkheid voor Burgemeester en wethouders opgenomen om nadere eisen te stellen ondergeschikte punten. Afwijken van de bouwregels: In deze regels zijn bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om op ondergeschikte punten af te wijken van de bouwregels. Afwijken van de gebruiksregels: In deze regels zijn bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om op ondergeschikte punten af te wijken van de gebruiks/bestemmingsregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: In deze regels is een verbod opgenomen voor het uitvoeren van ondergeschikte werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zonder omgevingsvergunning. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In deze regel zijn verboden opgenomen voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting en het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van zelfstandige bewoning.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel zijn bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 10) In dit artikel zijn bepalingen omtrent parkeren, laden en opgenomen. Deze regels zijn overgenomen uit het Parapluplan Parkeren.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Wonen (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de voormalige bedrijfsbestemming. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning. Ter plaatse van de nieuw te bouwen woning is een bouwvlak opgenomen. De aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ ter plaatse van de Rijksstraatweg 155 is overgenomen. De maximale inhoudsmaten zijn niet overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan aangezien de huidige en nieuwe woning een bouwvlak rondom de woning toegekend hebben gekregen. Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de geplande landschappelijke inpassing en de sloopopgave. Waarde – Archeologie (Artikel 4) De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is ongewijzigd overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan.

Waarde – Beschermd Dorpsgezicht (Artikel 5) De dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd Dorpsgezicht’ is ongewijzigd overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van het vaststellen van een bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Utrecht

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Utrecht toegezonden. De Provincie gaat voor de voorliggende locatie uit van stedelijk gebied in plaats van landelijk gebied. De beleidsmatige conclusies zijn op dit punt aangepast. 9.1.3

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Het concept-ontwerpbestemmingsplan zal in het kader van vooroverleg aan het waterschap worden toegezonden. Tijdens de watertoetsprocedure is het plan reeds aan het waterschap voorgelegd. Vooroverleg heeft via mailcontact (d.d. 12-10-2023) plaatsgevonden. Het waterschap heeft aangegeven dat de activiteiten op basis van de Keur AGV 2019 niet vergunningplichtig zijn.

9.2

Zienswijzen

Gedurende de inzagetermijn zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan is daardoor ongewijzigd vastgesteld met dien verstande dat de toetsing aan het beleid op enkele punten minimaal is aangepast.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Rijksstraatweg 155, Baambrugge Vastgesteld

Bijlage 1

Ruimtelijk Kwaliteitsplan

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

AERIUS-berekening

Bijlage 5

Quickscan flora/fauna

Bijlage 6

Archeologisch bureau- en veldonderzoek

Bijlage 7

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13946348/1